Reconstructie Vennewatersweg_Toelichting_Bijlage 14 Ecologisch Activiteitenplan
Tekst van het document
Activiteitenplan reconstructie Vennewatersweg Bureau Endemica B.V.
Toelic hting op aanvraag ontheffing van de Wet natuurbesc herming
V
ZORGVULDIG HANDELEN IN RELATIE TOT AANWEZIGE BESCHERMDE SOORTEN 18 FEBRUARI 2023 Bureau Endemica B.V. Rapportnr: ER-21.85
Activiteitenplan reconstructie Vennewatersweg Toelichting op aanvraag ontheffing van de Wet natuurbescherming
Havinghastraat 66-L 1817 DA Alkmaar ----------------------------Tel: 0645554586 Email: bureau@endemica.nl
© 2023 Bureau Endemica B.V.
DISCLAIMER Bureau Endemica B.V., is niet aansprakelijk voor gevolgschade, alsmede voor schade welke voortvloeit uit toepassingen van de resultaten van werkzaamheden of andere gegevens verkregen van Bureau Endemica B.V.; opdrachtgever vrijwaart Bureau Endemica voor aanspra ken van derden in verband met deze toepassing. Niets uit dit rapport mag worden verveelvoudigd en/of openbaar gemaakt wo rden d.m.v. druk, fotokopie, microfilm of op welke andere wijze dan ook, zonder voorafgaande schriftelijke toestemming van de opdrachtgever hie rboven aangegeven en Bureau Endemica, noch mag het zonder een dergelijke toestemming worden gebruikt voor enig ander werk dan waarvoor het is vervaardigd.
1
Colofon In opdracht van:
DE BUCH, HEILOO
Productie:
BUREAU ENDEMICA B.V. HAVINGHASTRAAT 66L, ALKMAAR
Auteur(s):
D.R.R. SCHIEBEL BSC.
Kwaliteitscontrole door:
R.H. WITTE MSC.
Rapportnummer:
ER-21.85
Projectnummer:
EP-21.87
Datum:
18-2-2023
Plaats:
ALKMAAR
DIT RAPPORT KAN GECITEERD WORDEN ALS : Schiebel, D.R.R. (2023). Activiteitenplan reconstructie Vennewatersweg. Toelichting op aanvraag ontheffing van de Wet natuurbescherming. Rapport ER-21.85, Bureau Endemica B.V., Alkmaar.
2
Inhoudsopgave 1
Inleiding ......................................................................................................................... 5 1.1
Aanleiding en voorafgaand onderzoek .............................................................................................5
1.2
Noodzaak tot ontheffingsaanvraag en maatregelen ................................................................... 7
1.3
Doel van activiteitenplan ........................................................................................................................ 9
2
Voorwaarde voor een ontheffing ............................................................................ 10 2.1
Wettelijk belang (Artikel 3.8 lid 5, onderdeel b) ........................................................................... 11
2.2
Alternatieven afweging ......................................................................................................................... 13
2.3
Staat van Instandhouding ..................................................................................................................... 14
3
2.3.1
Rugstreeppad .................................................................................................................................................... 14
2.3.2
Bunzing ................................................................................................................................................................ 17
2.3.3
Boommarter ...................................................................................................................................................... 19
Invloed van ingreep op soorten............................................................................... 21 3.1
Huidige situatie ......................................................................................................................................... 21 3.1.1
Rugstreeppad .................................................................................................................................................... 21
3.1.2
Bunzing & Boommarter ............................................................................................................................... 22
3.1.3
Vleermuizen ...................................................................................................................................................... 25
3.2
3.2.1
Rugstreeppad ................................................................................................................................................... 25
3.2.2
Bunzing & Boommarter ............................................................................................................................... 26
3.2.3
Vleermuizen ...................................................................................................................................................... 27
3.3
4
Effecten ...................................................................................................................................................... 25
Toekomstige situatie ............................................................................................................................. 27
3.3.1
Rugstreeppad ................................................................................................................................................... 27
3.3.2
Bunzing en boommarter .............................................................................................................................. 27
3.3.3
Vleermuizen ...................................................................................................................................................... 28
Maatregelen per soort.............................................................................................. 29 4.1
Maatregelen ten gunsten van de Rugstreeppad ........................................................................ 29 4.1.1
Werken buiten kwetsbare periode en voorzichtig handelen ........................................................ 29
4.1.2
Ontoegankelijk maken van het plangebied .......................................................................................... 30
4.1.3
Alternatief habitat creëren ......................................................................................................................... 30
4.2
Maatregelen ten gunste van de Bunzing & Boommarter ......................................................... 31
4.2.1
Voorzichtig handelen en buiten voortplantingsperiode ................................................................... 31
3
4.2.2
Nieuwe groenstructuur creëren ............................................................................................................... 31
4.2.3
Aanleggen faunapassages .......................................................................................................................... 32
4.3
Maatregelen ten gunstige van vleermuizen................................................................................. 34
4.3.1
Bij daglicht werken en geen licht in de nacht ..................................................................................... 34
5
Zorgplicht en zorgvuldig handelen ........................................................................ 35
6
Samenvatting .............................................................................................................. 37
7
Bijlagen .......................................................................................................................... 0
8
7.1
Faunapassages marterachtigen ..........................................................................................................0
7.2
Groenplan voor behoud corridorfunctie ........................................................................................... 3
Geraadpleegde literatuur .......................................................................................... 0
4
1 INLEIDING 1.1
Aanleiding en voorafgaand onderzoek
De gemeente Heiloo is van plan om de Vennewatersweg te reconstrueren, die ten zuiden van nieuwbouwwijk Zuiderloo ligt. De weg vormt een verbinding tussen de Kennemerstraatweg (N203) en Het Malevoort in Heiloo west en loopt door tot Egmond-Binnen. De Vennewatersweg is een gebiedsontsluitingsweg (50 km/h) en biedt toegang tot verschillende erven en kruist diverse lokale erftoegangswegen. De Vennewatersweg te Heiloo wordt aangepast door het toevoegen van voorrangspleinen en door de weg en bestaande rotondes te verbreden. De kruising met de Westerweg (2), Hoogeweg (3) en Haagbeuk (4) worden ovondes maar ook de rotonde bij de Kennemerstraatweg (5) en de afslag bij de Lijnbaan (1) zullen veranderen. In 2020 is in opdracht van Prorail de spoorwegovergang van de Vennewatersweg vervangen door een spoorwegonderdoorgang (door de strandwal genaamd).
Figuur 1: Het plangebied (rood), de Vennewatersweg, gelegen aan de zuidrand van Heiloo.
De beoogde reconstructie past niet in het huidige bestemmingsplan Zandzoom (vastgesteld 1107-2005) en het bestemmingsplan Zuiderloo (deels onherroepelijk in werking, vastgesteld 0712-2015) omdat ten gevolge van de reconstructie enkele wegdelen buiten de bestemming 'Verkeer' komen te liggen. Er is daarom gekozen om een nieuw bestemmingsplan op te stellen om de reconstructie mogelijk te maken. Met de reconstructie moet een groot aantal bomen worden gekapt en worden afwateringssloten parallel aan de Vennewatersweg gedempt (en opnieuw aangelegd). Over de gehele lengte van het plangebied worden bermen aangetast of vergraven.
5
Figuur 2. Schetsontwerp reconstructie Vennewatersweg.
Ten behoeve van de reconstructie is door RoyalHaskoning DHV in 2019 een Quickscan Flora en Fauna opgesteld (RoyalHaskoning, 2019). Hierin komt naar voren dat de aanwezigheid van leefgebied van de Rugstreeppad, kleine marterachtigen en vleermuizen binnen dit plangebied niet kan worden uitgesloten en dat de voorgenomen ingreep kan leiden tot negatieve effecten op deze soorten, waardoor mogelijk een overtreding van de Wet natuurbescherming plaatsvindt. Naar aanleiding van deze bevindingen hebben RoyalHaskoning DHV en Natuurbureau Wonders in 2020 soortgericht aanvullend onderzoek uitgevoerd om vast te stellen welke functies het plangebied voor de zojuist genoemde soorten vervult. Hieruit is gebleken dat de kruidenwei op de hoek van de Vennewatersweg en Westerweg (nr. 405) een zekere betekenis als foerageergebied heeft voor enkele Gewone dwergvleermuizen en in geringe mate ook voor Laatvliegers. Echter is de betekenis niet zodanig groot dat met vernietiging van de kruidenwei, essentieel foerageergebied wordt aangetast. Ook zijn er geen essentiële vliegroute voor vleermuizen langs de Vennewatersweg vastgesteld. Op 8 november 2022 heeft een ervaren medewerker van Bureau Endemica tevens onderzoek gedaan naar holten of ander soortige openingen in de bomen die langs de Vennewatersweg tussen de Hoogeweg en de Kennemerstraatweg staan.
Hieruit is gebleken dat er geen geschikte holtes aanwezig zijn die als potentiële verblijfsplaats kunnen dienen voor vleermuizen. Het is hiermee uitgesloten dat met de voorgenomen ontwikkelingen op de verschillende locaties verblijfplaatsen, essentiële vliegroutes of foerageergebieden voor vleermuizen worden vernietigd. 6
Tijdens het aanvullend onderzoek van RoyalHaskoning DHV naar marterachtigen zijn er geen vaste rust- en verblijfplaatsen aangetroffen. Echter gezien de levenswijze van de Bunzing, waarin ze zich verplaatsen onder dekking, kleinschalig landschap en de hoeveelheid aan waarnemingen van de Bunzing in de nabije omgeving, is de singel langs de Vennewatersweg wel aangeduid als essentiële corridor. Daarnaast zijn voor de Rugstreeppad meerdere geschikte voorplantingswateren en leefgebieden gevonden in en nabij het plangebied. Zo zijn de greppelstructuren langs de Vennewatersweg migratieroutes en waren tot voor kort ook voortplantingslocaties (t.h.v. Weegbree en tussen het spoor en de Westerweg). Dit gold alleen bij de aanleg van de greppels, toen er kale bodem en geen begroeiing aanwezig was, daarna is deze plek ongeschikt geworden als voorplantingslocatie vanwege natuurlijke plantengroei in en langs de greppels. Echter is de houtwal tussen de Kennemerstraatweg en Hoogeweg als overwinteringshabitat aangewezen en op het perceel Westerweg 405 komt zowel land-, winter- en voortplantingshabitat van de Rugstreeppad voor (Figuur 20 in HFout! Verwijzingsbron niet gevonden.). Ten behoeve van de reconstructie dient ook de schuur ter hoogte van Westerweg 40a te verdwijnen. In het onderzoek van RoyalHaskoning DHV waren deze gebouwen niet meegenomen.
Daarom zijn deze gebouwen in 2021 door Bureau Endemica BV op beschermde natuurwaarden onderzocht. Het bleek dat er geen vleermuizen in verbleven maar wel dat de gebouwen in gebruik zijn als broedlocatie van een kolonie Kauwen. Dit houdt in dat de panden alleen gesloopt kunnen worden op moment dat er geen broedende vogels in aanwezig zijn. Ook uit dit onderzoek kwam naar voren dat de bomen langs de Vennewatersweg niet functioneel zijn als essentiële vliegroute van vleermuizen. Wel werd voortplanting van de Rugstreeppad in de bermsloot/afwateringssloot van de Vennewatersweg vastgesteld, echter is dit in de huidige situatie niet meer van toepassing (Figuur 20 in HFout! Verwijzingsbron niet g evonden.). Tevens werd duidelijk dat zowel de Boommarter als de Bunzing in de omgeving aanwezig is (Figuur 20 in HFout! Verwijzingsbron niet gevonden.). Op locatie van de V ennewatersweg zijn echter geen verblijfplaatsen aanwezig (Witte, 2021). De herinrichting van de Vennewatersweg leidt dus niet tot overtreding van verbodsbepalingen m.b.t. vleermuizen, echter wel ten aanzien van de Rugstreeppad en marterachtigen (doden/verstoren van individuen en vernietigen verblijfplaatsen en essentiële corridorfunctie).
1.2
Noodzaak tot ontheffingsaanvraag en maatregelen
Tijdens de werkzaamheden zal aantasting van winterbiotoop (namelijk de bomenrij tussen Kennemerstraatweg en Hoogeweg en de houtwal bij Westerweg) en tijdelijke aantasting van migratieroutes (berm-/afwateringssloten) van de Rugstreeppad optreden. Ook kan kolonisatie van de Rugstreeppad in plangebied plaatsvinden tijdens de werkzaamheden, met doding of verstoring tot gevolg. Vernietiging van vaste rust- of verblijfplaatsen van de Rugstreeppad is een overtreding van artikel 3.5, lid 4 van de Wnb en het doden of verstoren van deze soort is in strijdt met artikel 3.5, lid 1 en 2 van de Wnb. Voor deze soort is het daarom wel noodzakelijk om een ontheffing Wnb aan te vragen. Uit de verschillend onderzoek van Bureau Endemica die vanaf 2018 zijn uitgevoerd, lijkt dat het gebied rondom de Vennewatersweg een essentieel onderdeel vormt van het jachtgebied van de Bunzing en Boommarter en dat tevens vaste rust- en voortplantingslocaties in de omgeving 7
aanwezig zijn van deze soorten (Schiebel, 2020; Witte, 2020a; Witte, 2020b; Wondergem & Witte, 2020b). Beide martersoorten vallen onder het beschermingsregime “Andere soorten” (artikel 3.10 Wnb) waarbij het uitsluitend gaat om de dieren zelf (niet doden) en hun vaste rust- of verblijfplaatsen. Binnen het werkgebied van de Vennewatersweg zijn geen vaste rust- of verblijfplaatsen vastgesteld. Echter wordt de houtsingel langs de Vennewatersweg wel aangetast. Dit is aangewezen als migratieroute en corridorgebied. Voorop staat dat foerageergebieden en corridors in beginsel niet worden beschermd via het soortenbeschermingsregime van de Wnb, waarop twee uitzonderingen op dit uitgangspunt gelden. De eerste uitzondering betreft gevallen waarbij een foerageer/corridorgebied samenvalt met een vaste voortplantings- of rustplaats. De tweede uitzondering betreft gevallen waarbij essentiële foerageer/corridorgebieden die niet samenvallen met een vaste voortplantings- of rustplaats zodanig worden aangetast dat daardoor de functionaliteit van de vaste voortplantings- of rustplaatsen van de betrokken diersoort wordt aangetast. Onder een essentieel foerageer/corridorgebied wordt daarbij verstaan: een gebied dat van wezenlijk belang is voor het functioneren van de voortplantings- of rustplaats wanneer er geen alternatieve gebieden zijn om eventuele aantasting daarvan op te vangen.
De bomenrij langs de Vennewatersweg herbergt geen geschikte potentiële verblijfplaatsen maar valt wel onder de tweede uitzonderingsregel; het betreft namelijk de enige oost/west verbinding nabij waargenomen exemplaren of landelijke gebied. Verdere structuren en jachtgebied zijn door de realisatie van Zuiderloo sterk verminderd wat de singel van groter belang maakt en deze zelfs een essentiële corridorfunctie betreft voor de Bunzing en Boommarter. Een corridor is ontheffingsplichting indien deze essentieel is voor de ‘Staat van Instandhouding’ (svi) van een 3.10 soort. De lokale populatie van de Bunzing en Boommarter in Heiloo staat sterk onder druk vanwege alle huidige en toekomstige ontwikkelingen in het gebied. Deze druk wordt extra vergroot door de ingreep aan de Vennewatersweg. Marterachtigen migreren dagelijks vanuit hun verblijfplaatsen naar buitengelegen jachtgebieden. De verbreding van de Vennewatersweg en de daarbij horende verhoogde verkeersdrukte, dragen extra risico’s met zich mee voor marterachtigen, waaronder meer verkeersslachtoffers. Omdat de ingreep aan de Vennewatersweg de staat van instandhouding van de lokale marterpopulatie verder in gevaar brengt, is voor aantasting van essentieel corridor van deze soorten wel een ontheffingsaanvraag noodzakelijk.
Aanvullende maatregelen (§4.2) om de corridorfunctie in tact te houden en het plangebied veiliger te maken voor de soortgroep is daarom noodzakelijk, zodat bewerkstelligt kan worden dat marterachtigen tussen Heiloo en Limmen/Castricum veilig kunnen blijven oversteken. Ondanks dat de ingreep niet zal leiden tot het vernietigen van vaste rust- en verblijfplaatsen of essentiële foerageergebieden en vliegroutes van vleermuizen, kunnen de geplande werkzaamheden mogelijk in sommige gevallen wel leiden tot het verstoren van foeragerende en passerende vleermuizen, wat een overtreding is van artikel 3.5, lid 2 van de Wnb. Echter kan met enkele voorzorgsmaatregelen ervoor gezorgd worden dat verstoring wordt vermeden en daarom hoeft voor dit deel van de werkzaamheden geen ontheffing aangevraagd te worden. Omdat hiervoor wel voorzorgsmaatregelen genomen moeten worden om overtreding van de Wnb te voorkomen, komt deze soortgroep wel aan bod in dit activiteitenplan (§4.3). De ontheffingsaanvraag Reconstructie Vennewatersweg is dus enkel nodig voor de Rugstreeppad, Bunzing en Boommarter en wordt aangevraagd voor de periode 1 mei 2023 tot 1 oktober 2027. De lange periode is nodig omdat, gezien de omvang van de ingreep, voldoende rekening met oplopende vertraging gehouden dient te worden. Reconstructie van de 8
Vennewatersweg valt niet onder de bouwactiviteiten van Zuiderloo waarvoor wel al een ontheffing aanwezig is met betrekking tot de Rugstreeppad.
1.3 Doel van activiteitenplan Dit rapport dient als: 1. Onderbouwing van de ontheffingsaanvraag voor de Rugstreeppad (Epidalea calamita), Bunzing (Mustela putorius) en Boommarter (Martes martes). 2. Leidraad om te zorgen dat er geen verstoring optreedt bij vleermuizen zoals de Gewone dwergvleermuis (Pipistrellus pipistrellus) en Laatvlieger (Eptesicus serotinus). De voorgelegde maatregelen dienen genomen te worden om de functionaliteit van het leefgebied en verblijfsplaatsen van de Rugstreeppad en marterachtigen rondom de Vennewatersweg zoveel mogelijk te behouden, waardoor er geen wezenlijke invloed op de (regionale) populaties van de betreffende soorten plaatsvindt. Zo wordt in de activiteitenplan beschreven welk wettelijk belang van toepassing is, hoe de werkzaamheden worden uitgevoerd, welke mitigerende en/of compenserende maatregelen worden genomen (dan wel reeds zijn uitgevoerd). Dit om negatieve effecten op beschermde soorten zoveel mogelijk te voorkomen dan wel te verzachten en om de beschikbaarheid van verblijfplaatsen en leefgebied regionaal te waarborgen en om verstoring van rust- en verblijfplaatsen zoveel mogelijk te voorkomen. Ook wordt aandacht besteed aan verplichtingen voorkomend uit de Zorgplicht. Op basis van deze informatie moet de beoordeling door het bevoegd gezag kunnen plaatsvinden.
Door het werken volgens de in voorliggend activiteitenplan voorgestelde werkwijze en het uitvoeren van de voorgestelde maatregelen, hebben de activiteiten zo min mogelijk schadelijke effecten op de beschermde soort. Het activiteitenplan wordt in het kader van een aanvraag Wnb ter beoordeling voorgelegd aan de provincie Noord-Holland, vertegenwoordigd door de Omgevingsdienst Noord-Holland Noord (OD-NHN). Het activiteitenplan is onder meer gebaseerd op de kennisdocumenten over de Rugstreeppad en de Bunzing (BIJ12, 2017) en handreikingen van kleine Marters, opgesteld door ODNHN voor provincie Noord-Holland en de Zoogdiervereniging voor provincie Noord-Brabant. De kennisdocumenten en handreikingen bevatten ecologische informatie over de betreffende soorten, richtlijnen voor onderzoek en de effectbeoordeling en voorbeelden van beschermingsmaatregelen.
9
2 VOORWAARDE VOOR EEN ONTHEFFING De Rugstreeppad valt onder een ander beschermingsregime dan de Bunzing en Boommarter (Habitatrichtlijn t.o.v. Andere soorten), waardoor de voorwaarden waaraan voldaan moet worden om een ontheffing of vrijstelling te verkrijgen verschilt tussen deze soorten. Hieronder worden de verbodsbepalingen en de voorwaarden voor het verkrijgen van een ontheffing per beschermingsregime behandeld.
WNB §3.2 HABITATRICHTLIJN : RUGSTREEPPAD De Rugstreeppad is een beschermd soort als bedoeld in artikel 3 van de Wet natuurbescherming onder de Habitatrichtlijn. Op grond van artikel 3.5 van §3.2 van de Wnb is het verboden om: 1. in het wild levende dieren van soorten, genoemd in bijlage IV, …., in hun natuurlijk verspreidingsgebied opzettelijk te doden of te vangen (lid 1). 2. Het is verboden dieren als bedoeld in het eerste lid opzettelijk te verstoren (lid 2). 3. Het is verboden eieren van dieren als bedoeld in het eerste lid in de natuur opzettelijk te vernielen of te rapen (lid 3). 4. Het is verboden de voortplantingsplaatsen of rustplaatsen van dieren als bedoeld in het eerste lid te beschadigen of te vernielen (lid 4). 5. Het is verboden planten van soorten, genoemd in bijlage IV, …., in hun natuurlijke verspreidingsgebied opzettelijk te plukken en te verzamelen, af te snijden, te ontwortelen of te vernielen (lid 5). Conform artikel 3.8, lid 5 van de Wet natuurbescherming kan een ontheffing op grond van de Habitatrichtlijn alleen worden verstrekt wanneer er een wettelijk belang geldt en is voldaan aan elk van de volgende voorwaarden: a. Er bestaat geen andere bevredigende oplossing of alternatieven (onderdeel a); b. De ingreep valt onder een in de wet genoemd belang en is nodig vanwege een of meerdere de daargenoemde belangen (onderdeel b); c.
De ingreep leidt niet tot verslechtering van de staat van instandhouding (svi) van de desbetreffende soort (onderdeel c).
WNB §3.3 ANDERE SOORTEN : BUNZING EN BOOMMARTER De Bunzing en Boommarter zijn beschermde soorten als bedoeld in artikel 3.10 van de Wet natuurbescherming. Op grond van artikel 3.10, lid 1 van §3.3 van de Wnb is het verboden om: a. in het wild levende zoogdieren, amfibieën, reptielen, vissen, dagvlinders, libellen en kevers van de soorten, genoemd in de bijlage, onderdeel A, opzettelijk te doden of te vangen (onderdeel a); b. de vaste voortplantingsplaatsen of rustplaatsen van dieren als bedoeld in onderdeel a opzettelijk te beschadigen of te vernielen (onderdeel b); c. vaatplanten van de soorten, genoemd in de bijlage, onderdeel B, in hun natuurlijke verspreidingsgebied opzettelijk te plukken en te verzamelen, af te snijden, te ontwortelen of te vernielen (onderdeel c). Conform Artikel 3.10 lid 2, van de Wnb zijn de voorwaarden voor de noodzaak voor een ontheffing of vrijstelling zoals genoemd in het vijfde lid van Artikel 3.8 tevens van toepassing op soorten uit de categorie ‘andere soorten’. Deze voorwaarden zijn als volgt (Artikel 3.8 lid 5, onderdeel b); 10
a. Er bestaat geen andere bevredigende oplossing of alternatieven. b. De ingreep valt onder een in de wet genoemd belang en is nodig vanwege een of meerdere de daargenoemde belangen. c. De ingreep leidt niet tot verslechtering van de staat van instandhouding (svi) van de desbetreffende soort. Het wettelijk belang van beide soorten wordt in de onderstaande paragraaf uiteengezet.
2.1 Wettelijk belang (Artikel 3.8 lid 5, onderdeel b) De Wet natuurbescherming noemt in artikel 3.8 lid 5, onderdeel b een aantal wettelijke belangen waar een ingreep onder kan vallen en waardoor een ontheffing toegestaan kan worden. Rugstreeppadden vallen onder de Habitatrichtlijn. Het bevoegd gezag kan de toestemming “Handelingen met gevolgen voor beschermde plant- en diersoorten” alleen in de volgende gevallen verlenen: a. In het belang van de bescherming van de wilde flora of fauna, of in het belang van de instandhouding van de natuurlijke habitats; b. Ter voorkoming van ernstige schade aan met name de gewassen, veehouderijen, bossen, visgronden, wateren of andere vormen van eigendom; c. In het belang van de volksgezondheid, de openbare veiligheid of andere dwingende redenen van groot openbaar belang, met inbegrip van redenen van sociale of economische aard met inbegrip van voor het milieu wezenlijke gunstige effecten; d. Voor onderzoek en onderwijs, repopulatie of herintroductie van deze soorten, of voor de daartoe benodigde kweek, met inbegrip van de kunstmatige vermeerdering van planten, of e.
Om het onder strikt gecontroleerde omstandigheden mogelijk te maken op selectieve wijze en binnen bepaalde grenzen een beperkt, bij de ontheffing of vrijstelling vastgesteld aantal van bepaalde dieren van de aangewezen soort te vangen of onder zich te hebben, onderscheidenlijk een beperkt bij de ontheffing of vrijstelling vastgesteld aantal van bepaalde planten van de aangewezen soort te plukken of onder zich te hebben. De Bunzing en Boommarter vallen onder het beschermingsregime van ‘andere soorten’. Volgens artikel 3.10 lid 2, kan in geval van ‘andere soorten’ in aanvulling op de bovenstaande redenen in onderdeel b, de noodzaak voor de ontheffing of vrijstelling ook verband kan houden met handelingen: a. in het kader van de ruimtelijke inrichting of ontwikkeling van gebieden of van kleinschalige bouwactiviteiten, met inbegrip van het daarop volgende gebruik van het gebied of het gebouwde; b. ter voorkoming van schade of overlast, met inbegrip van schade aan sportvelden, schietterreinen, industrieterreinen, kazernes, of begraafplaatsen; c. ter beperking van de omvang van de populatie van dieren, in verband met door deze dieren ter plaatse en in het omringende gebied veelvuldig veroorzaakte schade of in verband met de maximale draagkracht van het gebied waarin de dieren zich bevinden; d. ter voorkoming of bestrijding van onnodig lijden van zieke of gebrekkige dieren; e.
in het kader van bestendig beheer of onderhoud in de landbouw of bosbouw; 11
f. in het kader van bestendig beheer of onderhoud aan vaarwegen, watergangen, waterkeringen, waterstaatswerken, oevers, vliegvelden, wegen, spoorwegen of bermen, of in het kader van natuurbeheer; g. in het kader van bestendig beheer of onderhoud van de landschappelijke kwaliteiten van een bepaald gebied, of h. in het algemeen belang. De hiervoor beschreven ingreep valt m.b.t. de Rugstreeppad onder dwingende redenen van groot openbaar belang en voor de Bunzing en Boommarter onder het belang van ruimtelijke inrichting of ontwikkeling van gebieden. De ontheffing wordt dan ook aangevraagd op grond van: • Het belang van andere dwingende redenen van groot openbaar belang, met inbegrip van redenen van sociale of economische aard met inbegrip van voor het milieu wezenlijke gunstige effecten (belang a), m.b.t. de Rugstreeppad. • in het kader van de ruimtelijke inrichting of ontwikkeling van gebieden of van kleinschalige bouwactiviteiten, met inbegrip van het daarop volgende gebruik van het gebied of het gebouwde (belang a), m.b.t. de Bunzing en Boommarter. De realisatie van circa 1.800 nieuwbouwwoningen in de nieuwe wijken Zuiderloo en Zandzoom respectievelijk ten noorden en zuiden van de Vennewatersweg zorgen voor een sterke toenemende verkeersdruk in het gebied, waarbij de Vennewatersweg de belangrijkste ontsluitingsweg in west-oost richting is.
Met de opening van de spooronderdoorgang, realisatie van Zuiderloo en mogelijke woningbouw in Zandzoom neemt het verkeer toe. De huidige inrichting van de Vennewatersweg is niet meer toereikend om het verkeer veilig en met een goede doorstroming af te wikkelen en moet daarom geschikt worden gemaakt voor een grotere verkeersintensiteit. Met de verwachte toenemende verkeersbewegingen zal de weg in de huidige situatie zorgen voor enorme verkeersopstoppingen. Deze aandoening is niet alleen onwenselijk maar tevens gevaarlijk aangezien het kan leiden tot frustratie, angst en woede op de weg. Naast deze effecten zorgt het ook voor meer brandstofverbruik en CO2uitstoot. Nederland staat in internationaal verband tevens voor de uitdaging om de uitstoot van broeikasgassen terug te brengen. Het klimaatakkoord (2015) bevat klimaatdoelen, waaronder het beperken van de opwarming van de aarde tot ruim onder de twee graden. Dat kan met energiezuinige processen, meer hernieuwbare energie en minder aardgas, emissievrij vervoer, groene brandstoffen, en afvang en opslag van CO2. Nederland groeit daarbij in een geleidelijk tempo naar een CO2-arme economie in 2050.
De opwaardering van de Vennewatersweg draagt bij aan betere doorstroming en positieve milieueffecten en zorgen daarnaast voor een goede bereikbaarheid van de nieuwbouwwijken Zuiderloo en Zandzoom en een betere verbinding tussen het westen en oosten van Heiloo. Naast dat de ingreep de nieuwe woonwijken Zandzoom en Zuiderloo ontsluiten, zal de reconstructie van de Vennewatersweg dus ook de doorstroming in Heiloo verbeteren. Hiermee voldoet het plan aan de belangrijkste prioriteiten van de Netwerkvisie. De spoortunnel in de Vennewatersweg geeft in combinatie met de aansluiting A9 verlichting op de oost-west verbindingen Kerkelaan en Zeeweg. Het agrarisch verkeer, en dan met name dat van bloembollenbedrijven tussen de Egmond en het agrarisch gebied ten oosten van de A9, wordt zo veel mogelijk via de Vennewatersweg gedirigeerd. Met het realiseren van de afslag A9 moeten knelpunten die zouden kunnen ontstaan voor het agrarisch verkeer worden opgelost zodat bereikbaarheid kan worden gegarandeerd. De voorgenomen ingreep is van openbaar 12
belang om de grotere verkeersdruk te kunnen faciliteren en verkeerscongestie te voorkomen en is zodoende toekomstbestendig om ook de mogelijke toename van verkeersintensiteit van Zandzoom en Zuiderloo op te vangen. Ook is het in het kader van de aansluiting op de A9 belangrijk dat de weg een hogere verkeersdruk kan verwerken.
2.2 Alternatieven afweging NIET UITVOEREN VAN RECONSTRUCTIE Feitelijk is dit geen alternatief aangezien de weg in de huidige vorm niet geschikt is om de te verwachten verkeersstromen te verwerken. Als de voorgenomen ingreep niet uitgevoerd zal worden, kan dit zorgen voor grote verkeerscongestie.
ALTERNATIEF VOOR DE LOCATIE VAN DE WERKZAAMHEDEN De reconstructie is locatiegebonden omdat de bestaande Vennewatersweg al een belangrijk onderdeel vormt van de verkeersstructuur van Heiloo. Hij verbindt oost- met west-Heiloo en omdat hij direct tussen de nieuwbouwijken Zuiderloo en Zandzoom inligt is dit de enige weg die verlichting kan bieden tegen de toenemende verkeersdrukte die hier tot stand gaat komen (Figuur 3).
ALTERNATIEF VOOR PLANNING EN WERKZAAMHEDEN De te nemen maatregelen ten aanzien van planning en werkwijze zijn zo gekozen dat planning en werkwijze verstoring van verblijfplaatsen van de aanwezige beschermde soorten zo veel mogelijk wordt beperkt. Een alternatieve planning is dan ook niet noodzakelijk.
Figuur 3: te zien is dat de Vennewatersweg (rode horizontale lijn) een belangrijk onderdeel vormt van de verkeersstructuur van Heiloo.
13
2.3 Staat van Instandhouding De doelstelling van de Wnb is de bescherming en het behoud van de gunstige staat van instandhouding van in het wild levende planten- en diersoorten. Ontheffing voor overtreding van verbodsbepalingen ten aanzien van beschermde soorten kan enkel worden verkregen indien geen sprake is van aantasting van de gunstige staat van instandhouding. De staat van instandhouding van een soort wordt als "gunstig" beschouwd wanneer: ✓ Uit populatie-dynamische gegevens blijkt dat de betrokken soort nog steeds een levensvatbare component is van de natuurlijke habitat waarin hij voorkomt, en dat vermoedelijk op lange termijn zal blijven, en ✓ Het natuurlijke verspreidingsgebied van die soort niet kleiner wordt of binnen afzienbare tijd lijkt te zullen worden, en ✓ Er een voldoende grote habitat bestaat en waarschijnlijk zal blijven bestaan om de populaties van die soort op lange termijn in stand te houden. Staat van Instandhouding van effecten op de staat van instandhouding vindt naar analogie van de Habitatrichtlijn plaats conform Europees vastgestelde beoordelingscriteria. Aan de hand van best beschikbare gegevens dient een oordeel te worden gegeven over: 1. De verspreiding van de soort over Nederland en de trend daarin, en 2. De populatiegrootte van de soort en trend daarin, en 3. De omvang en kwaliteit van het leefgebied van de soort en de trend daarin; 4.
Het toekomstperspectief van de soort.
2.3.1
Rugstreeppad
VERSPREIDING In Nederland komt de Rugstreeppad plaatselijk zeer algemeen voor, vooral in natuurlijke wateren in duinen en aanliggende (zand)gronden. Bijna in alle Nederlandse provincies wordt de Rugstreeppad gevonden, maar het zwaartepunt van zijn verspreiding ligt in de duinen en aangrenzende polders in West- en Midden-Nederland, maar ook langs de grote rivieren (uiterwaarden) en plaatselijk op de hogere zandgronden. In de Noordoostpolder is deze soort lokaal algemeen. In het noorden, oosten en zuiden van het land is zijn verspreidingspatroon sterk versnipperd en komt hij voornamelijk nog in heidegebieden op de zandgronden voor en in groeves van Limburg. Ook op alle Waddeneilanden is de rugstreeppad aanwezig. In Noord-Holland behoren Texel, de vastelandsduinen, de Zaanstreek en het Gooi tot de kerngebieden van de Rugstreeppad. De verspreiding is daarom licht gunstig. Aan de zuidkant van Heiloo komt de Rugstreeppad algemeen voor. Noord van de Krommelaan zijn, ter compensatie van verdwenen plekken door de nieuwbouw, twee poelen aangelegd. Ook in de poel van Westerweg 405 en aan de Nicolaas Blokkerlaan komen Rugstreeppadden voor. Daarnaast is de soort bekend van de Oosterzijweg, net buiten Zuiderloo, hemelsbreed op ca. 14
1.250 meter afstand en al jaren in een sloot aan de Vennewatersweg in Egmond-Binnen (t.h.v. Vennewatersweg nr. 29) op ca. 1500 meter. In 2021 vond tevens voortplanting plaats in de sloot parallel aan de Vennewatersweg tussen het spoor en de Westerweg en in de sloot voor de nieuwe woningen langs de Vennewatersweg met als adres Weebree 2 t/m 36. Vanuit hier verspreiden de jongen aanwas zich over een groot gebied. Zo doken ze op het voormalige BaZa-terrein (hoek Vennewatersweg/Westerweg) en bij de voormalige manege Sprenkeling aan de Hoogeweg. Het is aannemelijk dat diverse plekken in Zuiderloo en Zandzoom lage tot hoge dichtheden van de Rugstreeppad betreffen. Rugstreeppadden, en dan vooral de juvenielen, kunnen afstanden tot wel circa 5 kilometer afleggen opzoek naar geschikt leefgebied en de soort is een goede kolonisator waardoor hij in staat zich snel te verbreiden. Pas gemetamorfoseerde exemplaren kunnen in een etmaal 300 meter af leggen. Dit gebeurt in willekeurige richtingen, niet geleid door vegetatiestructuren. Hierdoor is de soort “overal” in zijn leefgebied aanwezig.
POPULATIEGROOTTE EN -TREND In Nederland is de Rugstreeppad sinds 1950 met veertig procent in verspreiding achteruitgegaan. De landelijke trend in aantallen Rugstreeppadden laat een matige afname zien. Op basis van verspreidingsgegevens is het aannemelijk dat de populatie ‘verslechterend’ is en er sprake is van een populatieafname als gevolg van het verdwijnen van natuurlijk leefgebied, maar exacte data over de omvang en opbouw van de populatie Rugstreeppadden ontbreken voor de provincie Noord-Holland. Wel is duidelijk dat Noord-Holland een belangrijk bolwerk is voor de soort in Nederland en tevens dat het areaal afneemt. De populatiegrootte in en rond Heiloo is eveneens onbekend. Echter door het verrichtte ecologisch onderzoek in Zuiderloo is redelijk wat informatie beschikbaar over het aantal aanwezige Rugstreeppadden binnen Zuiderloo. De lokale populatiegrootte zal minimaal bij 300 dieren omvatten maar mogelijk beduidend meer. In het voorjaar van 2019 werden ten zuiden van de Krommelaan te Zuiderloo enkele roepende mannetjes Rugstreeppadden gehoord en bij het wegvangen bleken 170 (veel onvolwassen) exemplaren aanwezig te zijn. Deze werden uitgezet in nieuw Rugstreeppadhabitat aan de Krommelaan, waar in 2020 nog steeds dieren gehoord en gezien zijn en minimaal 1500-2000 larven van de Rugstreeppad aanwezig waren in de poelen.
Naast deze populatie zijn recent (anno 2021) ook op andere plekken binnen Zuiderloo kleine hoeveelheden Rugstreeppadden weggevangen en verplaatst; hetzij een aantal van circa 70 exemplaren. Vaak wordt waargenomen dat Rugstreeppadden in kleine hoeveelheden voorkomen, en wanneer het gebied opeens geschikt wordt, bijvoorbeeld door plasvorming en voortplanting, de aantallen snel toenemen.
OMVANG EN KWALITEIT VAN LEEFGEBIED Hoewel de kwaliteit van het natuurlijk leefgebied van de Rugstreeppad in Nederland achteruitgaat, is hoogwaardig leefgebied steeds te vinden in polders, uiterwaarden en duingebieden. Tevens is de Rugstreeppad een typische pioniersoort, en komt daarom ook voor in terreinen met een hoge natuurlijke of door mensen ingebrachte dynamiek. Door gebrek aan dynamiek in natuurgebieden is het voorkomen van de soort in Nederland zelfs redelijk afhankelijk van menselijke ingrepen. Zo vormt een bouwlocatie met regelmatig een uiterst geschikt leefgebied voor deze soort waar regenplassen en sporen van zware voertuigen waar regenwater in is blijven staan, ideaal voortplantingswater creëren. Verder moet het leefgebied op een open, zonbeschenen plek liggen met vergraafbare grond en schuilplaatsen (bv. stenen). 15
De minimale oppervlakte benodigd voor een populatie Rugstreeppadden is moeilijk te bepalen. Voor de Rugstreeppad zijn hier geen eenduidige maatstaven voor beschikbaar. In zijn algemeenheid kan men zeggen dat populaties niet geïsoleerd mogen raken. Voor instandhouding van een populatie Rugstreeppadden moet deze minimaal 100 à 200 adulte exemplaren bevatten en in contact staan met andere populaties (metapopulatie). Uitwisseling tussen populaties en rekolonisatie is dan ook goed mogelijk, mits er geen barrières zijn. De gehele metapopulatie moet uit minimaal 750 reproductieve eenheden (= 1 geslachtsrijp mannetje en 1 geslachtsrijp vrouwtje) bestaan, oftewel 1.500 geslachtsrijpe dieren. De gemiddelde leeftijd waarop Rugstreeppadden aan de voortplanting mee gaan doen is 4– 5 jaar. Ongeveer 65% van de volwassen vrouwtjes in een populatie plant zich jaarlijks voort. Eieren en larven hebben een overlevingskans tussen de 0 – 3%, voor juvenielen is dat 2%. Naar schatting is dan ook een (meta)populatie van 7.000 Rugstreeppadden nodig om 1.500 geslachtsrijpe exemplaren te kunnen garanderen. Onderlinge deelpopulaties moeten wel goed met elkaar in contact staan. Dat wil zeggen dat minimaal iedere vijf jaar nieuw genetisch materiaal (dieren vanuit andere deelpopulatie) deel neemt aan de lokale voortplanting.
In Heiloo zijn speciaal ingerichte gebieden gecreëerd voor de Rugstreeppad als leefgebied. Het leefgebied aan de Krommelaan is ca. 0,32 ha (waarvan 0,12 voortplantingshabitat) en is in combinatie met het leefgebied aan de Nicolaas Blokerlaan (0,1 ha waarvan 0,04 ha voortplantingswater) ca 4 ha. Aan de Krommelaan is dus aanwezig: voortplantingshabitat, landhabitat (foerageren), winterhabitat (zandlichamen) en bosschage. Door middel van greppels is het nieuwe leefgebied verbonden met het buitengebied en kunnen de Rugstreeppadden wegtrekken, maar ook terugkeren.
TOEKOMSTPERSPECTIEF Binnen de natuurbescherming zijn vuistregels opgesteld voor de minimale omvang waarbij populaties nog als levensvatbaar worden beschouwd; de kleinste levensvatbare populatie (minimum viable population - MVP). De omvang voor een kleinste levensvatbare populatie is een schatting van het aantal individuen dat nodig is om over een bepaalde periode (100 jaar) een hoge overlevingskans te hebben. De originele definitie van MVP is ‘het kleinste aantal individuen dat nodig is om in haar natuurlijke omgeving te kunnen voortbestaan’. Voor de Rugstreeppad geldt een MVP in de orde van grootte van minimaal 300 dieren (Shaffer, 1981). Dit kan beschouwd worden als het minimum aantal dieren voor geïsoleerde populaties die langdurig (tientallen jaren) op zichzelf moeten kunnen voortbestaan. De sleutelpopulatie is aanwezig aan de Oosterzijweg (hier bedraagt het voortplantingshabitat ca. 1,1 ha). Voor een duurzame populatie is uitwisseling met deelpopulaties uit de regio een noodzakelijke randvoorwaarde. Dit ligt voor de hand. Amfibieën, zoals de Rugstreeppad, zijn niet gebaat bij geïsoleerde populaties, maar bestaan uit netwerken van grote en kleine populaties waartussen onderling contact mogelijk moet zijn. Dergelijke ‘metapopulaties’ bestaan uit lokale en regionale netwerken op verschillende schaalniveaus.
Binnen dergelijke netwerken kunnen ook (zeer) kleine lokale populaties belangrijk zijn voor de duurzaamheid van het geheel. Zij kunnen een belangrijke rol spelen als stapsteen tussen delen van het gehele netwerk. Zoals de afgelopen vijf jaar in Heiloo is gebleken kan de Rugstreeppad enkele jaren afwezig zijn en vervolgens in kleine aantallen opduiken. Indien de voortplanting succesvol verloopt kunnen de lokale aantallen oplopen tot tientallen en zelfs enkele honderden exemplaren. De Rugstreeppadden populatie rondom de Vennewatersweg is dus geen langdurig geïsoleerde 16
populatie. De dieren in dit gebied vormen onderdeel van een netwerkpopulatie maar vooralsnog niet als MVP of Sleutelpopulatie. Belangrijk is dus een blijvende verbinding met in ieder geval de sleutelpopulatie aan de Oosterzijweg. Uitwisseling hiertussen is noodzakelijk voor genetische uitwisseling en om na uitsterven als soort weer terug te keren. Rugstreeppadden komen verder ook voor binnen de bebouwde kommen van Heiloo, Limmen en Castricum en vooral ook in de duinen. Essentieel is dus dat de padden veilig kunnen migreren tussen de verschillende voortplantingswateren, zomerverblijven en overwinteringslocaties. Belangrijk rond de Vennewatersweg is dat de Rugstreeppadden veilig kunnen migreren van noord naar zuid maar ook van oost naar west. Dit kan o.a. worden bewerkstelligd door het in stand houden van greppelstructuren. Daarnaast dient aangetast habitat te worden vervangen. Door het nemen van deze compenserende maatregel en de inrichting van het gebied na afloop van de werkzaamheden komt de gunstige staat van instandhouding van de Rugstreeppad niet in gevaar door het uitvoeren van de werkzaamheden. Tabel 1. Beoordeling Staat van instandhouding Rugstreeppad. Beoordeling Staat van Instandhouding Populatie
Verspreiding
Leefgebied
Toekomst
Eindoordeel
Nederland
licht gunstig
licht gunstig
licht ongunstig
licht ongunstig
gunstig tot licht ongunstig
Heiloo
licht gunstig
licht gunstig
licht ongunstig door afname leefgebied.
ongunstig door toenemende verkeersdruk.
licht ongunstig indien geen specifieke maatregelen worden getroffen.
2.3.2 Bunzing VERSPREIDING In Nederland komt de Bunzing verspreid voor, in alle soorten landbiotopen, ook in dorpen (zoals Heiloo en Limmen) en buitenwijken van steden (bv Haarlem), als er voldoende voedsel (konijnen, hazen, ratten, muizen en amfibieën), dekking en verblijfplaatsen aanwezig zijn. Hij ontbreekt alleen op de Waddeneilanden.
POPULATIEGROOTTE EN -TREND De populatiegrootte wordt geschat op 10.000 voortplantende dieren in heel Nederland. De Bunzing kwam rond 1950 in heel Nederland algemeen voor, met uitzondering van de Waddeneilanden. Sindsdien is er geen verandering in verspreiding in Nederland te zien, Er zijn onvoldoende gegevens bekend over de precieze bunzingstand, maar sinds de jaren 1970-80 zijn de aantallen wel sterk achteruitgegaan. De oorzaak van de achteruitgang is complex, maar heeft in ieder geval te maken met de verandering van het (agrarisch) cultuurlandschap en het daarbij horende dekkende vegetatie en lijnvormige, geleidende landschapselementen. De Bunzing heeft een zwervend gedrag waarbij ze grote afstanden afleggen en van wisselende rustplaatsen gebruik maken. Door de afname van diversiteit van het landschap en voldoende dekking, en de toename van verkeersintensiteit komen de populaties onder druk. De Bunzing is beoordeeld als een vrij zeldzame soort, waarbij er door het ontbreken van gegevens geen trend van te geven is. 17
Binnen Heiloo zijn aantallen en trend tevens onbekend. De Bunzing is in Heiloo niet alom aanwezig, maar is in de afgelopen 10 jaar 20 keer geregistreerd als waarneming, waarvan het overgrote deel (13 van de 20 waarnemingen op Waarnemingen.nl) een verkeersslachtoffer betrof. De lokale populatie in de gemeente Heiloo is daarom naar alle waarschijnlijkheid klein. De buitenranden van de gemeente Heiloo zijn voor deze populatie echter wel nog veel in gebruik, omdat hier nog veel groen aanwezig is. Het plangebied zelf is echter van relatief gering belang voor de lokale populatie omdat het niet tot leefgebied behoord van de Bunzing.
OMVANG EN KWALITEIT LEEFGEBIED Het verdwijnen van kleinschalig cultuurlandschap, verkeer en gebruik van rodenticiden vormen belangrijke redenen voor de achteruitgang. Van alle waarnemingen uit de periode 1989-2012 betrof iets minder dan de helft verkeersslachtoffers. Zowel de stand van Hazen als Konijnen neemt sterk af en daarmee worden ratten, muizen en amfibieën relatief belangrijker als prooisoorten. De omvorming in Heiloo van kleinschalig landschap naar nieuwbouwwijken betekend een verlies in zowel omvang als kwaliteit van leefgebied. Het instandhouden van holle bomen, overhoekjes en andere kleinschalige landschapselementen en het laten liggen van takkenhopen en rietbossen zijn goede maatregelen die er voor zorgen dat de Bunzing voldoende schuilplaatsen heeft.
CONCLUSIE STAAT VAN INSTANDHOUDING Op basis van voorgaande vier criteria is de staat van instandhouding van de Bunzing te omschrijven als matig ongunstig. Hij is ook niet voor niets geclassificeerd als Kwetsbaar op de Rode Lijst Zoogdieren (van Norren et al. 2020).
TOEKOMSTPERSPECTIEF De Bunzing is afgelopen 10 jaar met enige regelmaat waargenomen in Heiloo. Er kan met zekerheid gezegd worden dat Heiloo onderdeel uitmaakt van het leefgebied van de Bunzing maar dat de lokale populatie vanwege alle ruimtelijke ontwikkelingen onder druk staat. Belangrijk is dat de aanwezige functionele leefgebieden en elementen in stand blijven. Hiervoor is in kader van de reconstructie van de Vennewatersweg belangrijk dat de corridorfunctie van oost naar west behouden wordt en dat de weg voorzien wordt van faunapassages voor een veilige oversteek. Door het nemen van dergelijke maatregel en de inrichting van het gebied na afloop van de werkzaamheden komt de gunstige staat van instandhouding van de Bunzing niet in gevaar door het uitvoeren van de werkzaamheden. Tabel 2. Beoordeling Staat van instandhouding Bunzing. Bron voor Nederland is de Zoogdiervereniging. Beoordeling Staat van Instandhouding Populatie
Verspreiding
Leefgebied
Toekomst
Eindoordeel
Nederland
matig gunstig
gunstig
licht ongunstig
ongunstig
licht ongunstig
Heiloo
onbekend
onbekend
Ongunstig door verdwijnen geschikt
Ongunstig door toenemende verkeersdruk en
ongunstig
leefgebied.
verdwijnen leefgebied.
18
2.3.3 Boommarter VERSPREIDING In Nederland komt de boommarter in allerlei typen en leeftijden bos voor. Boommarters leven bijvoorbeeld ook in de jonge bossen van de Flevopolders en in Moerasbossen in Overijssel en Utrecht. Vroeger kwam deze sierlijke bosbewoner op bijna alle hogere gronden van Nederland voor. Tegenwoordig leven er populaties boommarters op de Veluwe, de Utrechtse Heuvelrug en de Drents-Friese wouden. Daarnaast komen er boommarters voor in de Gelderse Vallei, het Langbroeker Weteringgebied (Utrecht), het Utrechts – Noord-Hollandse plassengebied, Overijssel, de Achterhoek en Liemers, Gaasterland, de Flevopolders, de duinen van Noord- en Zuid-Holland en de Brabantse Wal. In al deze gebieden vindt voortplanting plaats.
POPULATIEGROOTTE EN -TREND De totale populatie van de Boommarter in Nederland wordt anno 2010 geschat op 400 - 500 volwassen dieren. De Boommarter is nog altijd zeldzaam in Nederland maar is thans niet bedreigd terwijl deze in 2009 nog als Kwetsbaar werd beschouwd. Er zijn aanwijzingen dat hun verspreidingsgebied uitbreidt. Langlopend onderzoek naar Boommarters en waarnemingen met cameravallen tonen aan dat ze in steeds meer bosgebieden voorkomen. Daarom staat de Boommarter sinds 2020 niet meer op de Rode Lijst, omdat deze soorten inmiddels gezonde populaties hebben. De populatiegrootte in Heiloo is onbekend. Wel zijn afgelopen 10 jaar binnen Heiloo circa negen waarnemingen van Boommarters bekend, waarvan twee naast de Vennewatersweg zijn. De lokale populatie in de gemeente Heiloo is daarom, net als de Bunzing, naar alle waarschijnlijkheid klein.
OMVANG EN KWALITEIT LEEFGEBIED Boommarters kiezen hun rustplaatsen vaak in boomholten, konijnen-, vossen of dassenholen, tussen boomwortels of onder takkenbossen. Nesten zitten vaak in oude spechten- of eekhoornholen, regelmatig in inrottigsholten en soms in gebouwen die in of aan de rand van het bos staan. Boommarters maken meestal niet zelf een hol maar passen een bestaand nest aan. Bos is bij uitstek het biotoop van de boommarter. Ze kiezen hun rustplaatsen vaak in boomholten, konijnen-, vossen of dassenholen, tussen boomwortels of onder takkenbossen. Nesten zitten vaak in oude spechten- of eekhoornholen, regelmatig in inrottigsholten en soms in gebouwen die in of aan de rand van het bos staan. In open gebieden voelt hij zich niet veilig en hij zal ze daarom zo veel mogelijk vermijden. Het territoriaal gedrag, met name in het voortplantingsseizoen, en de uitgestrekte, meest nachtelijke foerageertochten, die vele kilometers kunnen bestrijken, vereisen relatief grote aaneengesloten bosgebieden. ’s Nachts worden afstanden van 2 tot 7 km afgelegd, maar mannetjes leggen wel eens afstanden af van 10 tot 20 km per nacht. Het leefgebied van een mannetje is circa 1000 ha groot en overlapt (deels) dat van meerdere vrouwtjes. 19
Afgezien van het areaal dat een boscomplex bestrijkt is er nog een component die van invloed is op het voorkomen van een stabiele populatie Boommarters; namelijk de leeftijd van het bos. Hoe ouder en gevarieerder een bos, des te meer wordt voldaan aan de eisen die de boommarter stelt aan zijn leefgebied. Sinds de vorige eeuw is het verspreidingsareaal van de Boommarter geleidelijk ingekrompen. Versnippering van bosgebieden, productiegericht bosbeheer en toegenomen recreatie zijn de belangrijkste oorzaken van de achteruitgang. Beheer en recreatie leggen namelijk een bedreigende druk op de leefomstandigheden van de boommarter. Hoewel de versnippering van het landschap een ecologische 'ramp' betekent voor de boommarter is er toch hoop. De Boommarter komt nog steeds voor in Nederland en een enkele aanwijzing doet vermoeden dat de boommarter in staat is zich aan te passen aan de moeilijke situatie. Mogelijk door de ontwikkeling van ecologische verbindingszones en een natuurlijker beheer van bossen kon de boommarter weer in aantal toenemen, en dus is het leefgebied sinds vorige eeuw iets verbeterd in kwaliteit en omvang maar nog steeds kan dit als licht ongunstig worden beoordeeld. In Heiloo neemt de omvang van geschikt leefgebied voor de Boommarter sterk af, omdat de bosrijke percelen o.a. plaatsmaken voor woningenbouw.
CONCLUSIE STAAT VAN INSTANDHOUDING Op basis van voorgaande vier criteria is de staat van instandhouding van de Boommarter te omschrijven als matig ongunstig.
TOEKOMSTPERSPECTIEF Ook betreft Heiloo, in mindere mate, een belangrijk onderdeel van het leefgebied van de Boommarter die net als de Bunzing onder druk staat. Hierbij geldt evenals dat door het nemen van gepaste maatregel en de inrichting van het gebied na afloop van de werkzaamheden komt de gunstige staat van instandhouding van de Boommarter niet in gevaar door het uitvoeren van de werkzaamheden. Tabel 3. Beoordeling Staat van instandhouding Boommarter. Bron voor Nederland is de Zoogdiervereniging. Beoordeling Staat van Instandhouding Populatie
Verspreiding
Leefgebied
Toekomst
Eindoordeel
Nederland
matig gunstig
gunstig
licht ongunstig
Licht ongunstig
licht ongunstig
Heiloo
onbekend
onbekend
Ongunstig door verdwijnen geschikt
Ongunstig door toenemende verkeersdruk en
Ongunstig
leefgebied.
verdwijnen leefgebied.
20
3 INVLOED VAN INGREEP OP SOORTEN In dit hoofdstuk wordt de werkwijze voor het onderzoek naar aangetroffen beschermde soorten besproken, waarbij in §3.1 de huidige situatie per soort in het plangebied wordt beschreven en in §3.2 de effecten door de voorgenomen plannen op deze soorten. In §3.3 is beschrijving gegeven van de toekomstige situatie voor deze soorten in het plangebied en de directe omgeving.
3.1
Huidige situatie
3.1.1
Rugstreeppad
Uit eigen activiteiten en omgevingskennis van Bureau Endemica en uit natuuronderzoek van RoyalHaskoning DHV, is vastgesteld dat in de omgeving van het plangebied de Vennewatersweg (binnen een straal van t/m circa 800 meter) met zekerheid op de voglende locaties/gebieden belangrijk leefgebied aanwezig is van de Rugstreeppad, te weten aan: 1. de Krommelaan → leefgebied is ca. 0,32 ha, waarvan 0,12 voortplantingshabitat. Verder ook landhabitat, winterhabitat en bosschage aanwezig. 2. de Westerweg 405 → Voorplantingspoel, landhabitat en winterhabitat aanwezig. 3. de Nicolaas Blokkerlaan → leefgebied is 0,1 ha, waarvan 0,04 ha voortplantingswater. 4. de bomensingel tussen de Hoogeweg en Kennermerstraatweg → houtwal kan fungeren als overwinteringslocatie. 5. het spoortalud → dit betreft winterhabitat 6. de Oosterzijweg → hier is de sleutelpopulatie aanwezig en bedraagt het voortplantingshabitat ca. 1,1 ha. Tevens is hier ook winterhabitat aanwezig, bij de verhoogde zandbulten (Figuur 4). De eerste vier locaties liggen binnen of tegen de wijk Zuiderloo en laatstgenoemde ligt erbuiten (zie Figuur 20 in H7.2). De dieren in Zuiderloo vormen onderdeel van een netwerkpopulatie en niet als MVP of Sleutelpopulatie. Belangrijk is dus een blijvende verbinding met in ieder geval de sleutelpopulatie aan de Oosterzijweg.
Uitwisseling hiertussen is alleen noodzakelijk voor genetische uitwisseling en om na uitsterven als soort weer terug te keren. Het is dus niet noodzakelijk dat jaarlijks dieren uitwisselen. We zien dat in 2019 een groot aantal jonge dieren Zuiderloo bereikt hebben. Als een deel hiervan zich in 2020 of 2021 weet voort te planten in het nieuwe leefgebied dan is voor die jaren geen uitwisseling met andere dieren van het netwerkpopulatie noodzakelijk. Uitwisseling tussen de verschillende deelpopulaties dient mogelijk te zijn binnen de levensfase van de Rugstreeppad. Over het algemeen is dat vier tot vijf jaar. Een ‘opsluiting’ van 1,5 jaar heeft dus geen impact op de instandhouding van de netwerkpopulatie.
21
Figuur 4. Rugstreeppadden kerngebied Oosterzijweg. Rechts winterhabitat (bult), midden voortplantingswater.
3.1.2
Bunzing & Boommarter
In en nabij het plangebied Zuiderloo zijn in de loop der jaren meerdere waarnemingen van Bunzingen en Boommarters bekend, o.a. van Hoogeweg 40 en rondom het BaZa-terrein (Krommelaan/Westerweg). Uit gericht onderzoek van RoyalHaskoning DHV is gebleken dat de houtwal langs het perceel aan de Westerweg 405 geen dienst doet als vast rust- en verblijfplaats voor marterachtigen. In 2020 is echter wel vastgesteld dat op een perceel (perceelnummer E2392 en E2399) tussen de Hoogeweg, Krommelaan, Nicolaas Blokkerweg en de Vennewatersweg in, een verblijfplaats van de Bunzing aanwezig was (Wondergem & Witte 2020; Witte 2020b). Deze is inmiddels verdwenen (met ontheffing) doordat alle takkenhopen, bomen en struiken zijn verwijderd ten behoeve van woningbouw. Ter compensatie van de verwijderde verblijfplaats en leefgebied n.a.v. het bouwen van wooneenheden, zijn binnen Zuiderloo drie nestlocaties gecreëerd (Witte, 2020b) (Figuur 5). Tevens werd extra dekking en schuilmogelijkheden aangelegd in de vorm van takkenrillen, die ook dienen als nieuw leefgebied binnen Zuiderloo en is een doorgang/passage gecreëerd bij het spoor die verplaatsing vergemakkelijkt. Noord van de Vennewaterweg, ter hoogte van de Sporthal Vennewaters en de moestuintjes is tevens een Bunzing op camera waargenomen en is een verblijfplaats met jongen bekend.
Ook ten zuiden van de Venenwatersweg is de Bunzing afgelopen 5 jaar veelvuldig waargenomen (Figuur 6). De conclusie is dat de Bunzing een of meerdere verblijfplaatsen heeft in en rond het bebouwd gebied ten noorden van de Vennewatersweg (Zuiderloo) maar ook ten oosten en westen van de weg (bv. Oosterbos of Zuiderneg). Laatstgenoemde zijn twee leefgebieden van marterachtigen die tot op heden worden verbonden met de houtsingel langs de Vennewatersweg (Figuur 7). het betreft de enige oost/west verbinding nabij waargenomen exemplaren of landelijke gebied. Gezien de ligging van de verblijfplaatsen wordt het gebied ten zuiden van de Vennewatersweg, de meer open agrarische velden (toekomstige Zandzoom), aanschouwd als jachtgebied evenals agrarisch gebied verder ten oosten en westen van Heiloo. Bovendien wordt de houtsingel langs de Vennewatersweg beschouwd als vrijwel de enige oost/west verbinding tussen jacht- en voortplantingsgebied (Oosterbos of Zuiderneg). De singel is daarmee aangemerkt als essentiële corridor. Net als de Bunzing gebruikt ook de Boommarter het gebied ten westen, oosten en ten zuiden van de Vennewatersweg als leef- en foerageergebied. 22
Figuur 5: Compenserende maatregelen bestaande uit houtwallen met takkenril (groen met rode opvulling), verblijfplaatsen en een marterpassage.
23
Figuur 6: Waarnemingen Bunzing (pin) en bekende verblijfplaatsen, waarvan één gewone verblijfplaats (ruit) en één verblijfplaats met jongen (ster).
Figuur 7: Oosterbos en Zuiderneg, met verbindingsroute langs Vennewatersweg.
24
3.1.3
Vleermuizen
In en rondom het plangebied komen algemene vleermuissoorten voor zoals de Ruige- en Gewone dwergvleermuis, Laatvlieger en Rosse vleermuis. Er zijn geen essentiële vliegroutes of foerageergebieden aanwezig. Wel had de omgeving van voormalige manege Sprenkeling een zekere betekenis als foerageergebied voor enkele Gewone dwergvleermuizen en in geringe mate ook voor Laatvliegers. De bomenrij langs de Vennewatersweg zijn niet geschikt als verblijfplaats voor vleermuizen. Gezien het geringe aantal individuen en de relatief korte duur dat de dieren vliegen nabij de Vennewatersweg is de betekenis niet zodanig groot dat de wegreconstructie een risico is voor het voortbestaan van de lokale vleermuispopulaties.
3.2 Effecten Door voorgenomen plannen mag er nooit een achteruitgang van de functionaliteit van een voortplantingsplaats en/of een vaste rust- en verblijfplaats van een beschermde soort optreden, ook niet tijdelijk. Het gebied voor een beschermde soort moet blijvend voorzien zijn van alle benodigdheden om zich succesvol te kunnen voortplanten of te kunnen rusten/verblijven. Dit is van toepassing op zowel de individu als alle exemplaren van een populatie in het gebied. De functies van het gebied voor de soort moeten dus behouden blijven. De aantasting van de functionaliteit van een voortplantingsplaats of vaste rust- en verblijfplaats is aan de orde als het geschikte habitat (of delen daarvan) waar de soort is aangetroffen in kwantiteit of kwaliteit afneemt, waardoor dit niet meer de functie van nest of vaste rust- en verblijfplaats kan vervullen. Door de reconstructie van de Vennewatersweg vinden de onderstaand nadelige effecten op de biodiversiteit plaats.