CConstaterende datHeiloo
Koppel je AI →
Document · PDF

Reconstructie Vennewatersweg_Toelichting_Bijlage 10 Quickscan schuur Hoogeweg 40a

Raadsvergadering 15 december 2025, gemeente HeilooBij agendapunt: Bestemmingsplan Reconstructie Vennewatersweg11.070 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 2

28

Figuur 17. De Vos staat samen met andere laag beschermde zoogdieren, zoals Egels en Konijnen, op de vrijstellingslijst van Noord-Holland, waardoor enkel de Zorgplicht nog van toepassing is op deze soorten.

6.4 Vleermuizen De functionele leefomgeving van vleermuizen bestaat uit de verblijfplaatsen inclusief de bijbehorende en essentiële vliegroutes en foerageergebieden. In de omgeving van het plangebied zijn waarnemingen bekend van Laatvlieger, Rosse vleermuis, Gewone dwergvleermuis, Ruige dwergvleermuis, Kleine dwergvleermuis en Watervleermuis (NDFF 2011-2021).

6.4.1 Verblijfplaatsen De aanwezigheid van boombewonende vleermuizen binnen het plangebied worden niet verwacht wegens gebrek aan geschikte holten in desbetreffende bomen. Verblijfplaatsen van gebouwbewonende vleermuizen kunnen niet geheel uitgesloten worden omdat de opstallen voorzien zijn van diverse wegkruipmogelijkheden. Het plangebied heeft daarom mogelijk een functie als vaste rust- en/of verblijfplaatsen voor (gebouwbewonende) vleermuizen.

EFFECTEN & BEOORDELING Het is op voorhand niet uit te sluiten dat met de voorgenomen ingreep een negatief effect zal plaatsvinden op vaste rust- en verblijfplaatsen van vleermuizen. Daarom is het noodzakelijk om aanvullend vleermuisonderzoek naar het gebruik van de opstallen door vleermuizen uit te voeren. Dit dient plaats te vinden volgens de richtlijnen van het (geactualiseerde) Vleermuisprotocol 2021. Pas na dit onderzoek is duidelijke of een aanvraag van een ontheffing Wet natuurbescherming aan de orde is. Indien tijdens het nader onderzoek vaste rust- en verblijfplaatsen van vleermuizen aangetroffen worden, dienen mitigerende maatregelen gemaakt te worden om de negatieve effecten op deze beschermde soort zoveel mogelijk te voorkomen. Afhankelijk van welke 29

functies worden aangetroffen binnen het plangebied, moeten verschillende vervolgstappen genomen worden. Zo stelt het Kennisdocument van de Gewone Dwergvleermuis (BIJ12, 2017) dat voor vervanging van winterverblijfplaatsen geen standaard oplossingen bekend zijn; dit is maatwerk. Blijkt het plangebied echter de functie te hebben als zomer-, paar- of kraamverblijfplaats, dan moet elke verblijfplaats die zijn functie niet meer kan vervullen, gecompenseerd worden met vier gelijkwaardige, alternatieve verblijfplaatsen. Deze moeten binnen 200m van de bestaande verblijfplaats geplaatst worden. Daarnaast hebben vleermuizen de tijd nodig om aan nieuwe verblijfplaatsen te wennen. Gedurende deze gewenningsperiode moet daarom zowel de oorspronkelijke situatie als de nieuw aangebrachte vervangende voorzieningen beiden aanwezig zijn, alvorens werkzaamheden uitgevoerd mogen worden. Per functie gelden verschillende gewenningsperiodes. Het Kennisdocument stelt dat: - bij zomerverblijfplaatsen met meer dan 10 dieren een gewenningsperiode van minimaal 6 maanden geldt en met minder dan 10 dieren minimaal 3 maanden, waarbij in beide gevallen alleen de maanden april t/m oktober meetellen. - bij paarverblijfplaatsen wordt gerekend met een gewenningsperiode van minimaal 6 maanden, voorafgaand aan de start van het paarseizoen (half augustus).

- en dat kraamverblijfplaatsen een gewenningsperiode hebben van minimaal één volledig kraamseizoen (15 mei-15 juli) waarin in die periode dus zowel de oude als de nieuwe kraamverblijfplaats beiden aanwezig moeten zijn. Concreet houdt dit in dat wanneer tijdens de eerste of tweede ronde van het aanvullend onderzoek (deze vinden plaats in mei t/m medio juli) wordt vastgesteld dat er een zomerverblijf aanwezig is van minder dan 10 dieren, het nog mogelijk is om datzelfde jaar gebruik te maken van de gewenningsperiode van 3 maanden; maar alleen indien de kasten gelijk worden opgehangen (uiterlijk eind juli waarbij de maanden aug t/m oktober dan gelden als gewenningstijd). Bij een verblijf met meer dan 10 dieren zullen de kasten moeten blijven hangen t/m juni van het daaropvolgende jaar. Onderzoek naar paarverblijven vinden plaats in augustus en september. Indien deze functie is vastgesteld en vervangende paarverblijfplaatsen uiterlijk half februari gecreëerd zijn, is in dit geval ook de gewenningsperiode nog in het zelfde jaar te behalen. Echter bij kraamverblijfplaatsen kan het niet gerealiseerd worden om in hetzelfde jaar als het onderzoek nog gebruik te maken van de gewenningstijd. Dat komt omdat het onderzoek naar kraamverblijven in mei t/m half juli plaatsvindt en de vervangende kasten in deze exacte periode gelijktijdig met de oorspronkelijke verblijven moeten hangen.

Dat houdt in dat als in bijv. mei 2021 een kraamverblijfplaats aangetroffen wordt, de werkzaamheden die deze verblijven aantasten pas na half juli 2022 mogen plaatsvinden (uiteraard alleen indien de vervangende kasten voor mei 2022 zijn opgehangen).

6.4.2 Potentiële vliegroutes en foerageergebieden Het plangebied is geschikt als foerageergebied voor vleermuizen (zoals de Gewone en Ruige dwergvleermuis), wegens de dekking van het gebied en daardoor aanwezigheid van voedsel. Daarnaast biedt de omgeving ook volop geschikt foerageergebied voor deze soorten. Dit betekent dat vleermuizen genoeg alternatieven in de omgeving hebben om te kunnen foerageren. Er zal dus geen sprake zijn van een negatief effect op (essentiële) foerageergebieden. De foerageerfunctie wordt daarom niet aangetast. Wanneer de sloop en reconstructiewerkzaamheden plaats vindt in de periode ½ maart tot en met oktober met behulp 30

van ondersteunende verlichting in de nacht, wordt aangeraden vleermuisvriendelijke verlichting te gebruiken. Op deze manier blijft het plangebied beschikbaar als foerageergebied. Als vliegroute maken vleermuizen veelal gebruik van lijnvormige elementen. Uit het door RHDHV uitgevoerde gerichte onderzoek (van den Bosch, 2021) blijkt dat de bomenrij langs de Vennewatersweg geen betekenis heeft als vliegroute. Er zal dus geen sprake zijn van een negatief effect op (essentiële) vliegroutes door de sloop van de gebouwen en het weghalen van het aangrenzende groen.

EFFECTEN & BEOORDELING Met de uitvoering van de voorgenomen ontwikkelingen is dus geen sprake van een negatief effect op (essentiële) foerageergebieden en/of (essentiële) vliegroutes. Het uitvoeren van een aanvullend onderzoek ten behoeve van vliegroutes en foerageergebieden voor vleermuizen of het nemen van vervolgstappen van op het gebied van een ontheffingsaanvraag is zodoende niet aan de orde.

6.5 Reptielen In en nabij het plangebied zijn geen waarnemingen bekend van beschermde reptielen (NDFF 2011-2021). Tijdens het velbezoek zijn er geen beschermde reptielen gezien en deze worden niet verwacht in het plangebied, omdat geschikt biotoop ontbreekt. Zo is het plangebied bijvoorbeeld niet geschikt voor de Zandhagedis omdat de terreinen te beschaduwd en te bebost zijn en omringd worden door zeer ongeschikt leefgebied, namelijk intensief gebruikt woningbouw of vochtig en grazig grasland, zonder vegetatiestructuur. Ook voor andere beschermde reptielen heeft het plangebied geen geschikt habitat.

EFFECTEN & BEOORDELING Op basis van aangetroffen biotoop worden beschermde reptielen in het plangebied uitgesloten. Derhalve is uitvoeren van aanvullend soortonderzoek niet noodzakelijk. Het nemen van vervolgstappen van op het gebied van een ontheffingsaanvraag ten aanzien van reptielen is zodoende niet aan de orde.

6.6 Amfibieën In de zeer nabije omgeving van het plangebied bevinden zich beschermde amfibieën namelijk de Rugstreeppad (NDFF 2011-2021). Deze worden op meerder plekken rondom Zuiderloo aangetroffen en zijn in de loop van 2019 en 2020 ook speciale poelen voor aangelegd. Uitgebreide inventarisaties in 2019 hebben Rugstreeppadden opgeleverd ten zuiden van de Krommelaan. Deze dieren zijn afgevangen en naar een voor hen aangelegd leefgebied ten noorden van de Krommelaan verplaatst. Daarnaast zijn Rugstreeppadden aanwezig aan de Westerweg, Oosterzijweg en ten westen van het spoor (Witte, 2020). Gericht onderzoek naar Rugstreeppadden langs de Vennewatersweg laat zien dat er geen Rugstreeppadden aanwezig zijn binnen het plangebied (van den Bosch, 2021). De Rugstreeppad is voor hun voortplanting afhankelijk van ondiep water zonder vis en weinig vegetatie en met een zandige bodem en oever. Tijdens het veldbezoek zijn dergelijke biotoop binnen het plangebied niet aangetroffen. Wel vormen de greppels langs de Vennewatersweg 31

een verbindingsroute tussen de verschillende locaties (Oosterzijweg, Krommelaan, Westerweg) met Rugstreeppadden.

EFFECTEN & BEOORDELING Wegens het op voorhand kunnen uitsluiten van het voorkomen van beschermde amfibieën in de opstallen zal geen negatief effect optreden op de Rugstreeppad zelf. Het nemen van vervolgstappen, zoals aanvullend soortonderzoek of aanvraag tot ontheffing ten aanzien van amfibieën, is wat dit betreft ook niet aan de orde.

Figuur 18. De Rugstreeppad houdt van zanderige bodems en plant zich voort in ondiepe wateren.

Een tweede aspect is dat door de reconstructie van de Vennewatersweg de functie als migratieroute van de parallel aan de weg liggende sloten mogelijk verloren kan gaan. Dit betekent een aantasting van de functionele leefomgeving van de Rugstreeppad. Dit komt ook naar voren gekomen in het onderzoek van Van den Bosch (2020). Voor de reconstructie is dus wel degelijk een ontheffing Wet natuurbescherming nodig. Als mitigerende maatrelen dienen faunapassages te worden aangelegd zodat de Rugstreeppad in staat blijft om van de ene verblijfslocatie naar de andere te komen. In het onderzoek van Van den Bosch (2020) is tevens geconcludeerd om faunapassages aan te leggen voor kleine marterachtigen.

6.7 Vissen Analyse van effecten op beschermde vissoorten is niet noodzakelijk aangezien er geen geschikt habitat aanwezig is en de beoogde werkzaamheden geen directe aantasting van een watergang tot gevolg hebben. Door de afwezigheid van geschikt biotoop worden beschermde vissen in het plangebied uitgesloten.

32

EFFECTEN & BEOORDELING Wegens gebrek van biotoop en voorkomen, zal bij de uitvoering van de ingreep geen sprake zijn van negatieve effecten op deze soortgroep en/of op haar leefomgeving. Het nemen van vervolgstappen ten aanzien van beschermde vissoorten is zodoende niet aan de orde.

6.8 Overige soorten Er zijn geen recente waarnemingen bekend van beschermde soorten libellen, dagvlinders en weekdieren in de directe omgeving van het plangebied (NDFF 2011-2021). Er zijn, gezien de voorkomende biotopen, geen beschermde bijzondere insecten of overige soorten, zoals Gestreepte waterroofkever, Platte schijfhoorn of Gevlekte witsnuitlibel, te verwachten op de planlocatie. Deze soorten stellen hoge eisen aan hun leefgebied; het plangebied voldoet hier niet aan.

EFFECTEN & BEOORDELING De aanwezigheid van beschermde overige soorten wordt daarom uitgesloten in het plangebied en vervolgstappen met betrekking tot het aanvragen van een ontheffing Wet natuurbescherming voor ‘overige soorten’ zijn niet nodig.

Figuur 19. Duinparelmoervlinders zijn niet aanwezig in het plangebied.

6.9 Overzicht te verwachten soorten Onderstaande tabel geeft een beknopt overzicht van de waargenomen of te verwachten zwaarder beschermde soorten van de Wet natuurbescherming. Voor alle aanwezige soorten geldt de zorgplicht. 33

Tabel 2: Overzicht (mogelijk) aanwezige zwaarder beschermde soorten en beschermde functies in het plangebied.

Soortgroep

(Mogelijk) aanwezige soorten

Wet Beschermde functie natuurbescherming**

Vaatplanten

Geen

-

-

Vogels: nesten jaarrond beschermd

Huismus

Artikel 3.1

Broedgebied

Vogels: overig

Divers o.a. Kauw etc.

Artikel 3.1 & 3.5

Broedgebied

Grondgebonden zoogdieren

Wezel, Hermelijn, Bunzing en Boommarter

Artikel 3.11

Functioneel leefgebied

Vleermuizen

Dwergvleermuizen, Laatvlieger, Gewone grootoorvleermuis

Artikel 3.5

Verblijfplaatsen

Reptielen

Geen

-

-

Amfibieën

Rugstreeppad

Artikel 3.5

Functioneel leefgebied

Vissen

Geen

-

-

Overig

Geen

-

-

34

7 CONCLUSIE EN AANBEVELING Op basis van deze QuickScan is beoordeeld of er procedurele gevolgen zijn betreffende de (natuur)wetgeving.

7.1

Gebiedsbescherming

De voorgenomen ingreep heeft geen invloed op gebieden behorende tot het Natuur Netwerk Nederland, Bijzonder Provinciaal Landschap of Ganzenfoerageergebied. Ook heeft het project geen verstorend effect op Natura 2000-gebieden. Een AERIUS-berekening dient aan te tonen dat de stikstofdepositie van de werkzaamheden en geen negatief effect heeft op stikstofgevoelige habitats in nabijgelegen Natura 2000-gebieden. Deze berekening vormt echter geen onderdeel van deze Quickscan Flora en Fauna, maar is/zal door derden worden uitgevoerd. Tabel 3: Overzicht effecten van de geplande werkzaamheden op beschermde gebieden en noodzaak ontheffingsaanvraag of specifieke maatregelen/vervolgstappen.

Gebied

Effecten

Noodzaak ontheffing / maatregel/vervolgstap

NNN

Geen

-

Natura 2000

?

Aerius-berekening uitvoeren

Bijzonder Provinciaal Landschap

Geen

-

Ganzenfoerageergebied

Geen

-

7.2 Soortbescherming Uit de QuickScan Flora en Fauna is vastgesteld dat binnen het plangebied en de invloedssfeer van de werkzaamheden de volgende (zwaarder) beschermde planten- of diersoorten aanwezig zijn: • Algemene broedvogels (in de opstallen) met name Kauw etc.; • Vogels met jaarrond beschermd nest: Huismus; • Leefgebied marters, maar geen vaste rust of verblijfplaatsen; • Functioneel leefgebied Rugstreeppadden. Er is dus nader onderzoek nodig naar het gebruik van de opstallen door vleermuizen en Huismussen. Daarnaast is een ontheffing nodig voor het aantasten van functionele verbindingsroutes van de Rugstreeppad en marterachtigen. Bij de gereconstrueerde weg dienen faunapassages aangelegd te worden zodat de migratieroutes functioneel blijven. Het verwijderen van beplanting kan alleen uitgevoerd worden als voor de aanvang door een ter zake deskundig is vastgesteld dat er geen broedende vogels is de beplanting aanwezig zijn. Een andere mogelijkheid is om de werkzaamheden op te starten/uit te voeren buiten het broedseizoen (indicatief de periode medio maart t/m medio juli). Let op dat ik vroeg in het jaar (februari), zoals Houtduif en Ekster, of laat in de zomer (augustus) nog vogels aan het broeden kunnen zijn. Daarom dient het gehele jaar, voorafgaand aan de werkzaamheden, vastgesteld worden dat er geen vogels aan het broeden zijn. 35

7.3 Overige aanbevelingen ZORGPLICHT Voor alle in het plangebied aanwezige soorten, dus ook de algemene soorten, geldt de Zorgplicht. Dit houdt in dat een ieder die weet of redelijkerwijs kan vermoeden dat door zijn handelen of nalaten nadelige gevolgen kunnen worden veroorzaakt voor in het wild levende dieren en planten: • dergelijke handelingen achterwege laat, dan wel; • indien dat achterwege laten redelijkerwijs niet kan worden gevergd, de noodzakelijke maatregelen treft om die gevolgen te voorkomen, of; • voor zover die gevolgen niet kunnen worden voorkomen, deze zoveel mogelijk beperkt of ongedaan maakt Wanneer ondanks zorgvuldig handelen, onderzoek en advies schade lijkt te ontstaan voor beschermde en/of onbeschermde flora en fauna dient direct contact opgenomen te worden met een ter zake deskundige. Werkzaamheden dienen daarom altijd met enige voorzichtigheid te worden uitgevoerd. Dit houdt o.a. in: • Wanneer aanwezige vegetatie of bodemmateriaal in het werkgebied wordt verwijderd, kan dit het best gefaseerd worden aangepakt, om bodembewonende dieren en andere dieren in de ondergroei de kans te geven in de nabijgelegen omgeving een ander leefgebied te benutten. Laat dus enkele dagen zitten tussen het rooien van beplanting en grondwerkzaamheden, zodat muizen en andere dieren in de gelegenheid zijn om het terrein te verlaten.

Bij het aantreffen van dergelijke soorten verplaatst ze naar een vergelijkbare locatie in de directe omgeving. • Er is een groot risico op vestiging van migrerende Rugstreeppadden binnen het plangebied indien, na de sloop van de opstallen, tijdelijke waterplassen ontstaan of ’s zomers vergraafbaar zand met een insectenrijke open vegetatie aanwezig is. Daarom dienen in Zuiderloo en de Zandzoom planlocaties voorzien te worden van een paddenscherm om de komst van de Rugstreeppad te voorkomen. Zodra deze soort opduikt op het bouwterrein zullen de werkzaamheden namelijk stilgelegd moeten worden, dient een ontheffing Wet natuurbescherming te worden aangevraagd en moeten de dieren afgevangen worden.

5 V’S ALS RICHTLIJN Om meer rekening te houden met de natuur, is de leefomgeving ook heel belangrijk. Er kunnen bijvoorbeeld nog zoveel nestelplaatsen zijn voor Huisussen, als er niets te eten is blijven ze alsnog weg. Dus dat betekent niet alleen kijken naar de bouw, maar ook naar de hoeveelheid groen in Heiloo. Ga altijd uit van de 5 V’s: Verblijfplaatsen, Voedsel, Veiligheid, Verbinding en Variatie. Diverse soorten planten en bloemen, een veilige verbinding tussen groene plekken in een wijk of stad en genoeg plekken om voedsel te vinden.

NATUURINCLUSIEVE INRICHTING Richt de bermen in op een natuurinclusieve wijze. Zorg ervoor dat voldoende bomen, struiken en bloemrijke vegetatie aanwezig is voor vlinders, zweefvliegen, bijen en andere nuttige insecten. Zorg voor de aanwezigheid van open zandige grond voor Huismussen om een zandbad te nemen en eventueel Rugstreeppadden om zich in te graven. Kijk of voor meer ideeën op: https://www.bouwnatuurinclusief.nl. 36

8 BRONNENLIJST 8.1

Literatuur

Bosch, A. van den (2021). Aanvullend onderzoek naar vleermuizen, kleine marterachtigen en rugstreeppad in het kader van de Vennewatersweg. Nader onderzoek om mogleijke overtredingen van de Wet natuurbescherming in kaart te brengen. Royal HaskoningDHV. Bouwens, S. (2017). Handreiking kleine marterachtigen in relatie tot soortbescherming. Provincie Noord-Brabant. Dietz, Chr., O. von Helversen & D. Nill (2012). Vleermuizen. Alle soorten van Europa en Noordwest- Afrika. Trition Natuur. GS (2007). Begrenzingenplan Ganzenfoerageergebieden Noord-Holland. (Begrenzingen Programma Beheer). Gedeputeerde Staten van Noord-Holland. Herder, J. (2010). Atlas van de Noord-Hollandse amfibieën en reptielen 1980-2010. RAVON – Landschap Noord-Holland Herder, J., Kranenbarg, J., Hoogeboom, D., Hamers, J., Dekker, K. (2012). Atlas van de NoordHollandse vissen 1980-2012. RAVON – Landschap Noord-Holland. Kapteyn, K. (1995). Vleermuizen in het landschap. Over hun ecologie, gedrag en verspreiding. Provincie Noord-Holland, Noordhollandse Zoogdierstudiegroep, Het Noordhollands Landschap. Provincie Noord-Holland (2016). Structuurvisie Noord-Holland 2040. Kwaliteit door veelzijdigheid. Vastgesteld door PS, 21 juni 2010. Inclusief actualisatie september 2015, vastgesteld door PS, 1. Haarlem, Provincie Noord-Holland. Provincie Noord-Holland (2017a).

Natura 2000 Beheerplan IJsselmeergebied 2017 – 2023: Markermeer & IJmeer. Haarlem, Provincie Noord-Holland. Lelystad, Provincie Flevoland. Provincie Noord-Holland (2017b). Natura 2000 Beheerplan IJsselmeergebied 2017 – 2023: IJsselmeer. Haarlem, Provincie Noord-Holland. Lelystad, Provincie Flevoland. Provincie Noord-Holland (2018). Omgevingsvisie NH2050 Balans tussen economische groei en leefbaarheid. Haarlem, Provincie Noord-Holland. Provincie Noord-Holland (2019). Provinciale Ruimtelijke Verordening, maart 2019. Haarlem, Provincie Noord-Holland. Riet, B. van, H. van der Goes, Th. Baas, C. van den Tempel, W. Menkveld & F. Visbeen (2014). Atlas van de Noord-Hollandse flora. Landschap Noord-Holland. Royal HaskoningDHV (2020). Natuurtoets Vennewatersweg. Royal HaskoningDHV. Scharringa, C.J.G., W. Ruiterbeek & P.J. Zomerdijk (2010). Atlas van de Noord-Hollandse broedvogels 2005-2009. SVN, Landschap Noord-Holland. Schiebel, D.R.R. (2020). Activiteitenplan Woningbouw Toelichting op aanvraag ontheffing van de Wet natuurbescherming. Zorgvuldig handelen i.r.t. Bunzing, Zuiderloo, Heiloo. Rapport ER-20.53, Bureau Endemica B.V., Alkmaar. Schiebel, D.R.R., (2021). Ecologisch werkprotocol ten aanzien van de Bunzing in het herontwikkelingsgebied van Zuiderloo, Heiloo. Rapport ER-21.06, Bureau Endemica B.V., Alkmaar.

37

Witte, R.H. (2020a). Quickscan Flora en fauna: Hoogeweg, Zuiderloo, Heiloo. Bronnenonderzoek en beoordeling potentiële effecten in het kader van de Wet natuurbescherming en gemeentelijk beleid. Rapport ER-20.14, Bureau Endemica B.V, Alkmaar. R.H. Witte (2020b). Ecologisch werkprotocol Zuiderloo, Heiloo. OD.294190 ontheffing verbodsbepaling Rugstreeppad (Epidalea calamita): 2020-2025). Rapport ER-20.35, Bureau Endemica B.V, Alkmaar. Witte, R.H., (2020c). Natuuronderzoek kleine marters, uilen en Rugstreeppadden, Hoogeweg, Heiloo. Rapport ER-20.46, Bureau Endemica B.V., Alkmaar.

38

8.2 Websites https://florafaunacheck.nl/ https://www.floravannederland.nl https://www.vogelatlas.nl https://www.verspreidingsatlas.nl/zoogdieren https://www.verspreidingsatlas.nl/vaatplanten https://www.verspreidingsatlas.nl/reptielen https://www.verspreidingsatlas.nl/amfibieen https://www.verspreidingsatlas.nl/vissen https://www.atvdekrommesloot.nl/natuur/ https://www.stadszaken.nl/ruimte/groen/1079/natuurinclusief-bouwen-met-deze-40-punten https://wetten.overheid.nl/BWBR0037552/2020-01-01 https://maps.noord-holland.nl/weidevogels/ https://maps.noord-holland.nl/WebViewer/index.html?viewer=nbp https://noord-holland-extern.tercera-ro.nl/MapViewer/ https://bestanden.noord-holland.nl/internet/Onderwerpen/Natuur/nnn-wijzer/ https://noord-hollandextern.terceraro.nl/MapViewer/Default.aspx?id=NLIMRO8002PRVNNNWKW2019-VG01 https://www.synbiosys.alterra.nl/natura2000/effectenindicatormaatregelenappl.aspx?subj=so orten#maatregelen https://www.synbiosys.alterra.nl/natura2000/effectenindicatorsoortenappl2016.aspx?subj=so orten

39

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Heiloo&id=2c3f5cc1-232b-4e47-bec6-63a5e3601ae8