Nota omgevingskwaliteit Heiloo.pdf
Tekst van het document
47
3.2.7. Buitengebieden Het buitengebied in de regio Kennemerland bestaat uit een noord-zuid georiënteerd landschap met een continu karakter door de parallelle ligging van de duinen en de verschillende strandwallen. Het landschap zit vol grote contrasten, bijvoorbeeld tussen de jonge duinen (duinzoom), de strandwallen (gesloten) en de strandvlakten (open) in de oost-west richting, maar ook tussen de droogmakerijen (rationele verkaveling) en de strandvlakten en veenontginningen (onregelmatige verkaveling). Het open landschap (tussen Bergen, Alkmaar, Heiloo en de duinen) geldt als een van de mooiste polderlandschappen van Noord-Holland. Het bestaat uit een afwisseling van laaggelegen strandvlakten en kleine droogmakerijen die samen zorgen voor een grote open maat, waar op de achtergrond de duinen de horizon vormen. Dit gebied heeft een grote cultuurhistorische betekenis door de kronkelende duinrellen, de kaden en dijken, de onregelmatige en kleinschalige blok- en verkaveling en de vele molens. Het oorspronkelijke laatmiddeleeuwse verkavelingspatroon van de strandvlakten is nog vrijwel geheel intact. De identiteit van Heiloo wordt voor een belangrijk deel bepaald door de groen- en buitengebieden in en rondom het dorp. Het buitengebied valt deels samen met de beboste gronden van de strandwal, maar merendeels met de open polders.
Het hele buitengebied functioneert als een tegenhanger van het bewoonde gebied met kwaliteiten als rust en ruimte. Strandwallen en -vlakten Het buitengebied bestaat voornamelijk uit strandvlakten en -wallen. Bebouwing langs linten op de grotendeels noord-zuid gericht strandwallen zorgen samen met opgaande begroeiing voor verdichting waardoor het contrast tussen strandwallen en strandvlakten wordt vergroot. Rondom de kern van Heiloo ligt een groene omzoming van vooral bosgebieden, waaronder het landgoed Nijenburg en park Noorder- en Zuiderneg.
48
Varnebroekmolen bij Het Maalwater in Heiloo.
49
Het verkavelingspatroon weerspiegelt de oorspronkelijke ontginningswijze van het landschap: de onregelmatige blokverkaveling in de strandvlakten en de opstrekkende verkaveling langs de strandwallen. De strandvlakte is altijd weinig bebouwd waardoor openheid een belangrijk kenmerk is. De bebouwing in het buitengebied is voornamelijk gerelateerd aan de agrarische functie van het gebied of aan de buitenplaats Nijenburg. Naast stolpen zijn er enkele boerderijen waarbij het woonhuis aan de weg is gelegen met daarachter de stal en het hooihuis. Droogmakerijen Aan de randen van de gemeente Heiloo bevinden zich twee kleinschalige droogmakerijen; Kooimeer/Oosterzijpolder (1566), Het Maalwater (1591) en een deel van Boekelermeerpolder (1635). De kleine droogmakerijen vormen vaak nog complete ensembles waaruit de landschapsontwikkeling nog goed is af te lezen. In Boekelermeerpolder is de middenweg en ringsloot (Moer- en Mientsloot) duidelijk aanwezig. De verkavelingspatronen van de polders bestaan uit een onregelmatige blokverkaveling. Bebouwing is zeer beperkt tot enkele boerderijen en de Varnebroekmolen bij Het Maalwater. Groene omzoming (Nijenburg, Ter Coulster en Noorder- en Zuiderneg) Landgoed Nijenburg is in het begin van de zeventiende eeuw ontstaan als hofstede met erf omgeven door een gracht.
Aan het begin van de achttiende eeuw is een groter Nijenburg gebouwd en in 1748 is het bos uitgebreid in een Franse geometrische stijl. Karakteristieke elementen vormen de waterpartijen, de centrale zichtas en de Westerlaan (Ronde O), die vanaf het hoofdgebouw in westelijke richting loopt. Begin van de negentiende eeuw werd het zuidelijke deel veranderd in een meer vrijere Engelse parkstijl. Het Heilooër Bos markeert de loop van de strandwal en vormt hierdoor een beeldbepalend element in het landschap. Het gebied wordt doorsneden door de spoorlijn. Zowel vanaf de west- als vanaf de oostzijde kan dit gebied worden waargenomen als een massieve bosrand. Het bosgebied draagt sporen van de formele tuinaanleg van de achttiende-eeuwse landgoed Nijenburg. In het Heilooër Bos bevinden zich op het terrein van het landgoed Nijenburg het achttiende-eeuwse herenhuis met stalgebouwen, twee stolpboerderijen en een gave bijbehorende dienstwoning.
50
Strandwallenlandgoed (Bron: Leidraad Landschap & Cultuurhistorie 2018, provincie Noord-Holland)
18e-eeuwse Huis Nijenburg
Open strandvlakte met zichtlijnen op duingebied
51
Ter Coulster vormt een bosrijke zone als een verbinding van west naar oost die loopt vanaf het historische landgoed via het Gemeentebos doorloopt tot tegen de spoorbaan. Ook Ter Coulster is ontstaan als versterkte hofstede (vijftiende eeuw). Aan het eind van de achttiende eeuw is het gebouw gesloopt. Een toegangspoort met leeuwen aan de Kennemerstraatweg markeert de oprijlaan naar het verdwenen kasteel. De boerderij die er nu ligt werd met gebruikmaking van oude materialen in 1891 gebouwd, deels op de fundamenten van het kasteel. In hetzelfde jaar verrees er het witte koepeltje. De stedenbouwkundige en landschappelijke waarde is groot vanwege de rationele aanleg, oprijlaan en groene relatie met het dorp. Ten westen van Heiloo ligt het bos- en recreatiegebied van Noorder- en Zuiderneg. Het woongebied van de buurt Malevoort is door middel van een waterpartij gescheiden van het bosgebied. Het bosgebied bestaat uit een afwisseling van meer open en gesloten stukken, dooraderd door gekromde voet- en fietspaden Gebiedskwaliteiten buitengebieden - Algemeen o Aanwezigheid van relatief grote contrasten (hoogteligging, verkaveling, reliëf en beslotenheid) tussen verschillende landschapstypen. o De doorgaande historische wegen vormen belangrijke ruimtelijke dragers. o Markante gebouwen (molens en stolpen), als herkenbare landmarks in het open landschap.
o Zichtlijnen zijn belangrijk voor de leesbaarheid van het landschap. -
52
Strandwallen en vlakten o Noord-zuid richting van doorgaande wegen op de strandwallen. Oostwest georiënteerde verkavelingsrichting op de strandwallen met rechte erfgrenzen met als oorsprong de ontwateringsgreppels. o De onregelmatige verkavelingspatronen van de strandvlakten. o Openheid met vergezichten over de strandvlakten. o Groene omzoming rondom de kern Heiloo.
Zichtbare en beleefbare historische structuren Heilooër bos (Ronde O laan).
53
-
Droogmakerijen o Begrensde openheid (door dijken en ringsloten). De kleine droogmakerijen hebben lage dijkjes waardoor deze nauwelijks begrensd worden. o Kenmerkende elementen van een droogmakerij (rationele polderverkaveling, ringvaart en dijken, molens en afwateringsysteem)
-
Groene omzoming o Bebossing als groene krans rond dorp. o Openbare toegankelijkheid. o Cultuurhistorische betekenis en herkenbaarheid van landgoederen Ter Coulster, Nijenburg (Heilooër Bos).
Ambities buitengebieden - Ruimtelijke ontwikkelingen dragen bij aan: o het zichtbaar en herkenbaar houden van de landschappelijke karakteristiek van de verschillende landschapstypen; o het versterken van (de beleving van) openheid van de strandvlakten. - Behouden van het contrast tussen de open strandvlakten en het meer besloten karakter van de strandwal. Behouden van zichtlijnen op het duingebied. - Zorgvuldige inpassing van agrarische bedrijven in het omliggende landschap. - Behouden van het verloop van het bosrijke/lommerrijke cultuurhistorische (landgoed)karakter en het oorspronkelijke ontwerp van landgoed Nijenburg. - Historische structuren zichtbaar en beleefbaar maken (recreatieve netwerk). - Effecten op het landschap vanuit toekomstige transformaties in de landbouw met uiterste zorg inpassen.
54
Het buitengebied rond Heiloo is als onderdeel van NoordKennemerland aangewezen als Bijzonder Provinciaal Landschap (BPL) gekoppeld aan de Omgevingsverordening NH2020 van de provincie. Voor deze gebieden is een regime voor bescherming en waar mogelijk versterking en ontwikkeling van het landschap van toepassing.
4. BASISPRINCIPES Het streven naar een goede omgevingskwaliteit hangt samen met een aantal basisprincipes. Door toepassing van deze principes worden bestaande gebiedskwaliteiten gerespecteerd en is er ruimte voor toevoegen van nieuwe kwaliteiten. Wij houden bij de beoordeling van elke ingreep in de fysieke leefomgeving proportioneel rekening met deze principes en we verwachten dat u dat ook doet.
4.1. Inpassing op basis van aanwezige gebiedskwaliteiten Inpassing heeft betrekking op de ontwerpkwaliteit (schaal, vormgeving etc.), maar ook op het gebruik en de gebruikers. Samen bepalen ze de acceptatie van nieuwe invullingen. Hoe groter de impact op de omgeving, hoe belangrijker een zorgvuldige afweging en motivering nodig is. •
Uitgangspunt is dat ingrepen passen in de omgeving en anticiperen op de aanwezige gebiedskwaliteiten. Dat betekent niet dat afwijken van de omgeving of toevoegen van nieuwe kwaliteiten niet mogelijk zijn. Daarbij geldt wel de volgende stelregel: het is redelijk dat er hogere eisen worden gesteld aan de kwaliteit en de participatie naarmate een ingreep zich sterker van zijn omgeving onderscheidt.
4.2. Samenhangende benadering Samenhangende benadering gaat over de afweging van verschillende belangen (ruimtelijk, economisch, sociaal, cultureel en ecologisch). De benodigde samenhang wordt bepaald door de plek, de opgave en de betrokken partijen. Een brede scope vooraf werkt bevorderlijk, dus met alle gebiedskennis en belangen aan de voorkant in beeld. •
Uitgangspunt is dat omgevingskwaliteit bij ontwikkelingen in samenhang wordt meegenomen in het ontwerpproces en als zodanig wordt beoordeeld. Dat vraagt kennis van een gebied, maatschappelijke betrokkenheid, maar ook goed opdrachtgeverschap en ontwerpend onderzoek.
4.3. Dynamiek van kwaliteit Er is niks vreemds aan veranderende steden en landschappen en daarmee de kenmerken en waarden die we daar aan toekennen. Sommige veranderingen hebben een lange geleidelijke geschiedenis en andere ingrepen zijn vluchtiger en veranderen binnen enkele decennia.
55
Deze veranderingen in kwaliteit en tijd zijn terug te brengen tot enkele lagen met elk een eigen dynamiek: de ontwikkel- of hersteltijd van de betreffende functies in een laag. De toenemende ruimtevraag door de grote transities (mobiliteit, energietransitie, woningbouw, waterveiligheid, etc.) kan leiden tot versnippering en aantasting van eeuwenoude kwaliteiten. •
Uitgangspunt is dat de beoogde levensduur van ruimtelijke ingrepen en functies worden gekoppeld aan de juiste laag en dynamiek. Hoe langzamer de (beoogde) veranderingssnelheid, hoe zorgvuldiger je ermee omgaat. De lagenbenadering kan helpen in het keuze- en afwegingsproces.
Natuurlijke onderlaag; de levende (biotische) en niet levende (abiotische) factoren, de natuurlijke waterlopen en de geomorfologische verschillen in de bodem zijn bepalend voor de diversiteit in landschappen. Er is sprake van een lange ontstaansgeschiedenis. Belangrijke veranderingen duren soms eeuwen, maar de klimaatveranderingen en grootschalige korte termijn ingrepen kunnen snel schade toebrengen.
Ontginningslaag; gedurende een eeuwenlang proces heeft de mens de natuurlijke basis omgevormd tot het huidige cultuurlandschap. Veranderingen zijn geleidelijk en duren al gauw meer dan een eeuw, maar de landschapsgeschiedenis kenmerkt zich ook door grote planmatige ingrepen zoals de droogmakerijen. Nieuwe ingrepen kunnen deze ontginningslaag versterken of aanvullen.
Netwerklaag; infrastructuren zijn essentieel voor het verbinden van de kust, de dorpen en de bereikbaarheid in de regio. Het zijn functionele lijnen door het landschap en vormen daarmee ook ruimtelijke barrières. Veranderingen duren circa 20 tot 80 jaar, waarbij oude structuren de basis kunnen zijn voor nieuwe. Bijvoorbeeld oude paden die uitgegroeid zijn tot recreatieve wandel- of fietsroutes.
Occupatielaag; activiteiten zoals bedrijvigheid, wonen, recreëren en verblijven zijn onlosmakelijk verbonden met hiervoor genoemde lagen. Maar de benodigde voorzieningen zijn vaak van relatief korte duur, monumentale uitzonderingen daargelaten. Er is een hoge dynamiek; veranderingen voltrekken zich veelal binnen één of twee generaties (10 tot 60 jaar).
56
4.4. Betrokkenheid omgeving Omgevingskwaliteit heeft een ruimtelijke, culturele en sociale component. Deze componenten komen alleen naar voren door het voeren van dialoog en betrekken van de omgeving. Hierdoor komen verhalen bovendrijven en behoudt - of krijgt de plek zijn waardevolle betekenis. •
Uitgangspunt is dat eigenaren, initiatiefnemers en ontwerpers in ieder geval de directe omwonenden betrekken bij ontwikkelingen en planvorming. Deze betrokkenheid is proportioneel verbonden aan de schaal, de uitstraling en publieke betekenis van een ingreep.
4.5. Duurzaamheid als vanzelfsprekendheid Klimaatadaptie en energietransitie zijn noodzakelijke veranderingen die van grote invloed zijn op de fysieke leefomgeving. Elke ingreep zou in de basis bij moeten dragen aan deze transities en in ieder geval een geïntegreerd onderdeel moeten zijn in het ontwikkel- en ontwerpproces. Daarbij speelt ook zorgvuldig ruimtegebruik en vergroening van de bebouwde omgeving een belangrijke rol. Niet alleen om een betere verblijfskwaliteit te creëren, maar ook ten behoeve van de biodiversiteit en het beperken van hittestress en wateroverlast. •
Uitgangspunt is dat de thema’s klimaatadaptie en duurzaamheid als ontwerpuitdaging worden gezien, zowel stedenbouwkundig als landschappelijk, en zowel op gebiedsniveau als op gebouwniveau. Daarbij kan op verschillende niveaus nagedacht worden over duurzaamheid, waaronder toekomstbestendigheid, klimaatadaptie, energie- en klimaatbeheer, materiaalgebruik, afvalstromen, mobiliteit, vergroening, ecologie en natuur etc.
De basisprincipes kunnen ook gebruikt worden als uitgangspunten bij het opstellen van beeldkwaliteitplannen of vergelijkbare beoordelingskaders.
57
DEEL B UITERLIJK VAN BOUWWERKEN Dit deel is een uitwerking met criteria voor het uiterlijk van bouwwerken en vervangt de ‘Welstandsnota 2013’. Er is onderscheid gemaakt in kleine en grote bouwplannen. Daarnaast zijn criteria opgenomen voor reclame-uitingen..
SCHEMA beoordeling uiterlijk van bouwwerken ........................... 59 1. ALGEMEEN 1.1. Inleiding ........................................................................................ 60 1.2. Wet- en regelgeving ..................................................................... 60 1.3. Afwijken, handhaving en excessen............................................... 61 1.4. Monumenten en karakteristieke panden..................................... 63 2. KLEINE (VER)BOUWPLANNEN 2.1. Algemeen ...................................................................................... 65 2.2. Sneltoetscriteria ........................................................................... 68 2.2.1. Bijbehorende bouwwerken (erfbebouwing) ................ 68 2.2.2. Dakkapellen ................................................................... 70 2.2.3. Dakopbouwen................................................................ 71 2.2.4. Gevelwijzigingen ............................................................ 74 2.2.5. Erfafscheidingen en toegangspoorten........................... 74 2.2.6. Reclame ......................................................................... 75 3. GROTE BOUWPLANNEN 3.1. Algemeen ....................................................................................... 78 3.2.
Gebiedsgericht beleid .................................................................... 78 3.3. Beoordelingscriteria ...................................................................... 80 4. (HER)ONTWIKKELINGEN 4.1. Algemeen ....................................................................................... 84 4.2. Procedure ...................................................................................... 84
Klik op een hoofdstuk of paragraaf om verder te lezen.
Terug naar vorige weergave
58
SCHEMA beoordeling Betreft uw bouwplan een vergunningvrije bouwactiviteit?
ja
Er vindt vooraf geen beoordeling plaats bij vergunningvrije bouwwerken. Wel kan er sprake zijn van een exces (zie paragraaf 1.3). Informatie over vergunningvrij bouwen kunt u onder meer verkrijgen bij de gemeente en de rijksoverheid.
nee Is er sprake van een monument of karakteristiek pand? (zie www.Heiloo.nl voor overzicht)
ja
Bij de beoordeling wordt rekening gehouden met de monumentale en/of karakteristieke kwaliteiten.
nee Is er sprake van een klein bouwwerk?
ja
- Bijbehorende bouwwerk (erfbebouwing) - Dakkapel - Dakopbouw - Gevelwijziging - Erfafscheiding of toegangspoort - Reclame
Hoofdstuk 2 KLEINE (VER)BOUWPLANNEN Voor veel voorkomende kleine bouwwerken en verbouwingen wordt rekening gehouden met de aanwezige architectonische karakteristiek van het pand. Voor enkele (ver)bouwplannen zijn sneltoetscriteria opgenomen waarmee snel duidelijk wordt wanneer het plan in ieder geval voldoet aan redelijk eisen van welstand.
nee Is er sprake van een groter bouwplan, niet zijnde een groter (her)ontwikkelingsproject? Bijvoorbeeld een woning, woonblok of bedrijfspand?
ja
Hoofdstuk 3 GROTE BOUWPLANNEN Een groter (ver)bouwplan wordt beoordeeld aan de hand van de criteria voor grote bouwplannen in relatie tot de kwaliteiten en ambities van het gebied.
nee Is er sprake van een afwijkend bouwplan, een buitenplanse omgevingsplanactiviteit en/of een ontwikkeling dat de bestaande ruimtelijke structuur en/of karakteristiek doorbreekt?
Terug naar het hoofdmenu.
ja
Hoofdstuk 4 (HER)ONTWIKKELINGSPLANNEN Voor plannen die de bestaande structuur doorbreken of in hun architectuur afwijken van de omgeving kan worden afgeweken van de criteria of kan een aanvullend beoordelingskader nodig zijn.
Klik op een hoofdstuk om verder te lezen.
59
1. ALGEMEEN Het bebouwingsbeeld - en daarmee de architectonische verschijning van onze gemeente - is voortdurend aan het veranderen. Met deze beleidsregel zijn wij ervan overtuigd dat het inpassen van nieuwe bouwwerken goed kan worden besproken en beoordeeld. Deze ‘Beleidsregel voor het uiterlijk van bouwwerken’ vervangt de ‘Welstandsnota Heiloo 2013’.
1.1. Inleiding Deze beleidsregel maakt onderdeel uit van de Nota Omgevingskwaliteit. Het doel van de Nota Omgevingskwaliteit is het behouden en stimuleren van een goede omgevingskwaliteit ten behoeve van de identiteit van een plek of gebied. Als uitwerking voor alle bouwactiviteiten zijn criteria opgenomen over het uiterlijk van de bebouwing, de architectonische verschijning. Wanneer een aanvraag voor een vergunning niet voldoet aan de gestelde criteria kan de vergunning geweigerd worden.
1.2. Wet- en regelgeving Wie in Nederland iets wil (ver)bouwen heeft in veel gevallen een omgevingsvergunning nodig. Bij een aanvraag voor een vergunning wordt onder andere bekeken of het plan voldoet aan ‘redelijke eisen van welstand’. De welstandsbeoordeling is volgens artikel 12a van de Woningwet (Ww) gericht op het uiterlijk en de plaatsing van een bouwwerk, en moet zijn gebaseerd op door de gemeenteraad vastgestelde criteria zoals opgenomen in een welstandsnota. Dit verandert nadat de Omgevingswet in werking treedt. Omgevingswet De Omgevingswet vervangt meerdere wetten zoals de Wet ruimtelijke ordening en deels de Woningwet. De term ‘welstand’ verdwijnt min of meer met de Omgevingswet, daarvoor in de plaats wordt de term ‘uiterlijk van bouwwerken’ geïntroduceerd. In artikel 4.19 van de Omgevingswet is bepaald dat de gemeenteraad als uitwerking van het omgevingsplan - beleidsregels vaststelt over het uiterlijk van bouwwerken. Als de Omgevingswet in werking treedt wordt de vastgestelde welstandsnota automatisch een beleidsregel voor het uiterlijk van bouwwerken (overgangsrecht, zie artikel 4.114 Invoeringswet). De gemeenteraad hoeft dan geen nieuwe nota vast te stellen. Om hierop vooruit te lopen is deze uitwerking alvast betiteld als ‘Beleidsregel voor het uiterlijk van bouwwerken’ in plaats van ‘Welstandsnota’.
60
1.3. Afwijken, handhaving en excessen De criteria kunnen ontoereikend zijn bij situaties die we nu niet voorzien. In deze gevallen kan er behoefte ontstaan om af te wijken van de criteria of van het advies van de commissie. Afwijken van criteria Er kan van een bijzondere situatie sprake zijn als de gestelde criteria ontoereikend zijn voor situaties die we nu niet kunnen voorzien. Bijvoorbeeld als er sprake is van een uitzonderlijke architectonische kwaliteit. Ook wanneer een ingreep voldoet aan de criteria, maar de kwaliteit zo onder de maat blijft dat het op den duur zijn omgeving negatief zal beïnvloeden, kan afgeweken worden. In deze gevallen kan het college van burgemeester en wethouders, na schriftelijk en gemotiveerd advies van de commissie, afwijken van de criteria. Afwijken van het advies Het college van burgemeester en wethouders volgt in zijn oordeel in principe het advies van de commissie. Het college kan afwijken van het advies op inhoudelijke gronden of om andere redenen, bijvoorbeeld van economisch of maatschappelijk belang. Indien het college afwijkt van het advies wordt dit in de beslissing op de aanvraag van de vergunning gemotiveerd. De commissie wordt hiervan op de hoogte gesteld. Het college is uiterst terughoudend met het gebruik van deze mogelijkheid.
61
Handhaving De gemeente geeft met deze beleidsregel een beoordelingskader voor het toezicht op het uiterlijk van bouwwerken en zal zich ook inspannen voor de naleving daarvan. Als voor een vergunningplichtig bouwwerk geen omgevingsvergunning is aangevraagd, danwel het bouwwerk na realisering afwijkt van de tekeningen waarop de omgevingsvergunning is afgegeven, krijgt de eigenaar de gelegenheid om (alsnog of opnieuw) een vergunning aan te vragen voor het bouwwerk. Ook als er sprake is van een exces kan de gemeente besluiten te handhaven en de eigenaar aan te schrijven. Excessen Onder de huidige Woningwet artikel 12, lid 1 mag een bestaand bouwwerk niet in ernstige mate in strijd zijn met redelijke eisen van welstand, beoordeeld naar de criteria zoals opgenomen in deze nota. In dat geval spreken we van een exces. Dat betekent dat het uiterlijk van een bouwwerk sterk afwijkt van en afbreuk doet aan de omgeving. Ook vergunningvrije bouwplannen die niet vooraf worden getoetst moeten passen in het beeld van de gemeente. Bij het toepassen van deze excessenregeling wordt het criterium gehanteerd dat bij een bouwwerk of deel daarvan sprake moet zijn van onmiskenbare strijdigheid met de in deze nota opgenomen criteria, en/of een buitensporigheid in het uiterlijk die ook voor niet-deskundigen duidelijk is en die afbreuk doet aan de ruimtelijke kwaliteit van een gebied.
Zaken dus, waaraan een groot deel van de mensen zich ergert. Vaak gaat het om het afsluiten van een bouwwerk voor zijn omgeving, het ontkennen of vernietigen van architectonische bijzonderheden bij de aanpassing van een bouwwerk, armoedig materiaalgebruik, toepassing van felle of contrasterende kleuren, te opdringerige reclames of een te grove inbreuk op wat in de omgeving gebruikelijk is.
62
Als de Omgevingswet in werking treedt, vervalt de wettelijke bepaling van artikel 12 van de Woningwet die regelt dat bestaande bouwwerken niet in ernstige mate in strijd met redelijke eisen van welstand mogen zijn. Deze bepaling wordt met de zogenaamde bruidsschat overgeheveld naar het tijdelijke omgevingsplan (artikel 22.7 van de bruidsschat voor het omgevingsplan). Om de excessenregeling te behouden, kan in het nieuwe omgevingsplan een specifieke zorgplicht voor het uiterlijk van bouwwerken worden opgenomen.
1.4. Monumenten en karakteristieke panden De gemeente telt circa 45 rijksmonumenten en 50 gemeentelijke monumenten. Daarnaast heeft de gemeente meerdere karakteristieke panden benoemd. Deze lijst van karakteristieke panden bestaat uit panden, die zich op een speciale manier, in positieve zin onderscheiden van de bebouwing, die zich over het algemeen als ‘neutraal’ presenteert. De karakteristiek is per pand beschreven. Deze lijst met karakteristieke panden is te vinden op de gemeentelijke website. Een object kan karakteristiek zijn om een aantal redenen. Het kan een bijzonder type gebouw zijn, dan is er sprake van typologische waarde. Maar ook kan er bijzondere aandacht aan de afwerking van het pand geschonken zijn, bijvoorbeeld door fraai siermetselwerk of andere ambachtelijke technieken, die niet (meer) gangbaar zijn. Zeker is gekeken of het pand nog een eenheid en harmonie is in stijl, we spreken dan van een stilistisch ‘gaaf’ pand. Hoewel doorgaans de wat oudere panden als karakteristiek te boek staan, wordt in een aantal gevallen ook een modern(er) pand als zodanig aangewezen, bijvoorbeeld als er sprake is van een mooie en evenwichtige architectuur, die onalledaags is. De lijst is bedoeld ter versterking van het bewustzijn bij zowel bewoner, initiatiefnemer als gemeente van de omschreven specifieke architectonische kwaliteiten.
Het doel daarbij is uiteraard om deze waar mogelijk te respecteren. Om die reden zullen deze karakteristieken worden meegenomen bij de beoordeling.
63
64
Achterzijden aan Holleweg (lintstructuur).
2. KLEINE (VER)BOUWPLANNEN In dit hoofdstuk zijn de criteria opgenomen voor kleinere (ver)bouwplannen bij bestaande gebouwen. Voor deze (ver)bouwplannen zijn criteria van toepassing die aangeven of het bouwplan redelijkerwijs past bij de architectonische kenmerken van het bestaande gebouw.
2.1. Algemeen Na het in werking treden van de Omgevingswet worden alle bestemmingsplannen vervangen door één omgevingsplan.
De criteria komen aan de orde als het bouwplan vergunningplichtig is. Als een bouwplan volledig vergunningvrij is, dan zijn de criteria niet aan de orde. Als een bouwactiviteit een onderdeel heeft waardoor deze alsnog vergunningsplichtig wordt, wordt het hele bouwplan vergunningsplichtig en kan het bouwplan onderhevig zijn aan de gestelde criteria. Het bestemmingsplan treedt in eerste instantie regelend op voor wat betreft gebruik, situering en maximale afmetingen. Als het bestemmingsplan geen belemmering oplevert wordt een klein (ver)bouwplan beoordeeld aan de hand van de sneltoetscriteria in dit hoofdstuk. Voor nieuwbouw of grootschalige renovatieplannen gelden de criteria voor grote bouwplannen in hoofdstuk 3. Belangrijkste criterium is dat elke kleine ingreep of toevoeging aan, bij of op een hoofdgebouw in beginsel moet passen bij de architectuur van het bestaande gebouw en de directe omgeving. Dit uitgangspunt geldt voor een beoordeling met de sneltoetscriteria en in beginsel ook voor de beoordeling door de commissie. De commissie beoordeeld daarnaast ook op basis van de criteria voor grote bouwplannen in relatie tot de gebiedskwaliteiten.
65
Sneltoetscriteria Veel aanvragen betreffen gelijksoortige bouwplannen. Deze kunnen snel en direct worden afgehandeld. In de volgende gevallen vindt in beginsel een snelle procedure plaats aan de hand van de sneltoetscriteria zoals opgenomen in de hierna volgende paragrafen: § 2.2.1. Bijbehorende bouwwerken (erfbebouwing) § 2.2.2. Dakkapellen § 2.2.3. Dakopbouwen § 2.2.4. Gevelwijzigingen § 2.2.5. Erfafscheidingen en toegangspoorten § 2.2.6. Reclame De sneltoetscriteria gelden voor alle regieniveaus. Als er sprake is van één van de volgende situaties zal de commissie om advies worden gevraagd: -
als het bouwplan niet voldoet aan de sneltoetscriteria, of; bij twijfel over de toepasbaarheid van de criteria, of; als er sprake is van een monument, een karakteristiek pand of een beschermd gezicht, of; als voor een bepaald type bouwplan geen sneltoetscriteria zijn opgenomen.
Voor alle duidelijkheid: het is dus niet zo dat een bouwplan wordt afgewezen als het niet voldoet aan de sneltoetscriteria; het zal dan worden voorgelegd aan de commissie. Trendsetters De ruimtelijke samenhang van de openbare ruimte is in veel gevallen gebaat bij een herhaling van gelijkvormige oplossingen voor vergelijkbare bouwvormen als rijenhuizen. Een bouwplan dat identiek is aan een eerder voor het betreffende bouwblok of straat door de commissie goedgekeurde en door burgemeester en wethouders als zodanig aangewezen trendsetter, zal een positief advies krijgen. De commissie stelt de trendsetter vast. De trendsetter ‘overvleugelt’ de sneltoetscriteria voor kleine bouwwerken, dat wil zeggen dat de sneltoetscriteria niet van toepassing zijn als er een trendsetter is aangewezen. Informatie over de trendsetters is verkrijgbaar bij de gemeente en te vinden op de gemeentelijke website.
66
Voor- en achterkant Het bouwen aan de voorkant is in het algemeen van grotere invloed op het straatbeeld dan het bouwen aan de achterkant. Met het oog op behoud van kwaliteit worden bouwwerken aan de voorkant altijd kritischer beoordeeld. Daarom wordt in de criteria waar nodig onderscheid gemaakt in ‘achterkant’ (achtererfgebied) en ‘voorkant’ (voorerfgebied). Voor de definitie van achter- en voorkant sluit deze nota aan bij de definitie zoals bedoeld in bijlage II van het Besluit omgevingsrecht. Daarin wordt met ‘achtererfgebied’ (achterkant) het erf bedoeld achter de lijn die het hoofdgebouw doorkruist op 1.00 meter achter de voorkant en van daaruit evenwijdig loopt met het aangrenzend openbaar toegankelijk gebied, zonder het hoofdgebouw opnieuw te doorkruisen of in het erf achter het hoofdgebouw te komen. Ook openbaar toegankelijk vaarwater wordt aangemerkt als openbaar toegankelijk gebied.
hoofdbebouwing en voorgevel achtererf(gebied) voorerf(gebied) openbaar groen openbaar vaarwater openbare weg
Illustratie achtererfgebied
67
2.2. Sneltoetscriteria De hierna volgende sneltoetscriteria zijn bedoeld om bepaalde kleine bouwplannen sneller te vergunnen. Als het bouwplan niet voldoet aan de sneltoetscriteria, bij twijfel over de toepasbaarheid van de criteria en in geval van monumenten, karakteristieke panden of specifieke bouwwerken wordt het bouwplan alsnog voorgelegd aan de commissie.
2.2.1. Bijbehorende bouwwerken (erfbebouwing) Met ‘bijbehorend bouwwerk’ wordt bedoeld een uitbreiding van een hoofdgebouw, bijvoorbeeld aan- en uitbouwen, bijgebouwen, overkappingen en overige bouwwerken met een dak. Zonder hoofdgebouw kan er op het perceel geen sprake zijn van bijbehorende erfbebouwing. Er is onderscheid in: -
Aangebouwd bouwwerk: een toevoeging aan de begane grondgevel van een gebouw, zoals een aan- of uitbouw, erker, garage, carport e.d. Losstaand bouwwerk: een bouwwerk met (af)dak dat los van het hoofdgebouw op het erf staat zoals een schuur, tuinhuis, carport, dierenverblijf, planten- of groentekas, e.d.
Aangebouwd bouwwerk op het voorerf - Op het voorerf alleen als een erker en/of entreeportaal met gemetselde opbouw en kozijnen. - Sneltoetscriteria erkers en entreeportalen gelden alleen voor rijenwoningen. - Niet over de volle breedte van het gebouw. Ten minste aan één zijde op minimaal 1.00 meter van de zijgevel of het hart van de woningscheidende muur. - Maatvoering: o Hoogte maximaal 0.30 meter boven de 1e verdiepingsvloer. Breedte, diepte en hoogte wordt in het bestemmingsplan bepaald. o Diepte aan de voorgevel maximaal 1.00 meter voor een erker en 1.5 meter voor een ingangspartij. o Boeidelen zijn maximaal 0.30 meter hoog. o Het dak is plat. De overstek van het dak van de erker en/of het entreeportaal is maximaal 0.15 meter. - Vormgeving, materiaal, kleur en detaillering: o Plattegrond is rechthoekig of afgeschuind. o Aansluitingen op de erfgrens uitvoeren als muurdam. o Materiaal, kleur, profilering en detaillering aansluitend aan het hoofdgebouw.
68
Aangebouwd bouwwerk op het achtererf - Alleen achter het hoofdgebouw in de vorm van een uitbouw over de gehele of gedeeltelijke breedte van de achtergevel. Bebouwing op het zijerf wordt altijd voor advies voorgelegd aan de commissie. - Maatvoering: o Hoogte maximaal 0.30 meter boven de 1e verdiepingsvloer. o Boeidelen zijn maximaal 0.30 meter hoog. - Vormgeving, materiaal, kleur en detaillering: o Aansluitingen op de erfgrens uitvoeren als muurdam. o Geen secundaire aan- of uitbouw (b.v. uitbouw aan uit- of aanbouw). o Het dak is plat of maximaal 5˚ hellend bij lichtdoorlatende serredaken. o Een lichtstraatje van maximaal 0.80 meter breed is mogelijk. o Materiaal, kleur, profilering en detaillering aansluitend aan het hoofdgebouw. Losstaand bouwwerk - Maatvoering: o Maximaal 5 graden hellend of plat dak en niet meer dan 0.20 meter overstek. o Boeidelen zijn maximaal 0.30 meter hoog. - Vormgeving, materiaal, kleur, detaillering: o Rechthoekige plattegrond. o Zo veel mogelijk aansluiten bij het hoofdgebouw of reeds aanwezige bijgebouwen in de omgeving. o Geen opvallende details en kleuren. o Geen toepassing van beton, staal, kunststof, rietmatten of vlechtschermen.
Maatvoering aangebouwd bouwwerk.
69
2.2.2. Dakkapellen Een dakkapel is een bescheiden uitbouw in de kap, bedoeld om de lichttoevoer te verbeteren en het bruikbaar woonoppervlak te vergroten. Dakkapellen zijn een ondergeschikte toevoeging aan een dakvlak. Plaatsing en maatvoering - Meerdere dakkapellen op hetzelfde dakvlak regelmatig gerangschikt op een horizontale lijn. - Geen dakkapellen boven elkaar op hetzelfde dakvlak. - Geen dubbele dakkapellen (over twee woningen). - Geen dakkapellen op aan- of uitbouwen of op bijgebouwen. - Bij mansardekap plaatsing alleen op het onderste steil hellende deel van de kap. - Minimaal 0.50 meter onder de noklijn. Bij een dakvlak aan de achterkant met een hellingshoek van maximaal 35 graden, kan een dakkapel tot onder de nokpan doorlopen. - Minimaal 0.50 meter van de zijkanten van het dakvlak, of van de hoekkepers (in geval van piramide- of schilddak) gemeten aan de bovenkant van de dakkapel.
Plaatsing dakkapel.
70
Maatvoering dakkapel aan de voorkant.
Bij een hellingshoek van minimaal 48° kan de dakkapel aangekapt zijn.
Nadere criteria voor dakkapellen op het voordakvlak en naar het openbaar gebied gekeerde zijdakvlak - Een dakkapel is niet breder dan 1/3 van de breedte van het dakvlak, gemeten ter hoogte van de bovenkant van de dakkapel ten opzichte van het dakvlak op die hoogte. Bij toepassing van meerdere dakkapellen geldt dit voor de som van de breedten van de dakkapellen. - Een dakkapel is niet hoger dan 1.50 meter. - Een dakkapel niet combineren met dakramen, gemetselde schoorstenen, zonnepanelen of zonnecollectoren in hetzelfde dakvlak. Vormgeving, materiaal, kleur en detaillering (alle dakkapellen) - De dakkapel is plat afgedekt. - Bij kappen met een hellingshoek van minimaal 48 graden kan de dakkapel aangekapt zijn. - De onderdorpel van het kozijn moet direct aansluiten op het dakvlak. - Boeidelen maximaal 0.30 meter hoog en kan maximaal 0,25 meter uitsteken buiten het onderliggende kozijn. - Het front van een dakkapel heeft maximaal voor 1/3 deel van zijn oppervlak een gesloten invulling. - Materiaal, kleur, profilering en detaillering aansluitend aan het hoofdgebouw (bouwlagen en dak).
2.2.3. Dakopbouwen Een dakopbouw is een toevoeging aan de bouwmassa door het verhogen van de nok van het dak, waardoor het silhouet van het oorspronkelijke dak verandert. Een dakopbouw is, in tegenstelling tot een dakkapel, niet ondergeschikt aan het dakvlak. Een dakopbouw kan het silhouet van het oorspronkelijke dak aantasten en heeft een ingrijpende invloed op het straatbeeld. Een dakopbouw kan worden aangebracht op een hellend- of op een plat dak. Dakopbouwen op een plat dak zijn meestal zeer beeldbepalend en worden altijd door de commissie beoordeeld. Hiervoor kunnen wel vastgestelde trendsetters worden gebruikt. De hierna opgenomen sneltoetscriteria betreffen alleen dakopbouwen voor hellende daken met een symmetrisch of asymmetrisch zadeldak.
71
Voor dakopbouwen worden drie situaties onderscheiden, te weten: dakopbouw uit de eerste bouwlaag, een dakopbouw over de nok en het eenzijdig doortrekken van het dakvlak bij langskappen. Algemeen (voor alle dakopbouwen) - Dakopbouwen alleen op hellende daken met een symmetrisch of asymmetrisch zadeldak. - Er is sprake van een regelmatige rangschikking op een horizontale lijn bij meerdere dakopbouwen op een doorgaand dakvlak. - Niet op aan- of uitbouwen of op bijgebouwen. - Materiaal, kleur en detaillering identiek aan, of afgestemd op het hoofdgebouw. - De voor- en/of achterzijde van de dakopbouw heeft maximaal voor 1/3 van zijn oppervlak een gesloten invulling. - Boeidelen zijn maximaal 0.30 meter hoog en kunnen voor maximaal 0.25 meter uitsteken buiten het onderliggende kozijn. - Vormgeving, materiaal, kleur en detaillering: gelijk of gelijksoortig aan het hoofdgebouw (bouwlagen en dak) of daarop afgestemd, gericht op een onopvallende toevoeging.
Dakopbouw uit eerste bouwlaag.
72
Dakopbouw over de nok.
Dakvlakverhoging bij langskappen.
A. Dakopbouw op een schuin dak uit de eerste bouwlaag - Alleen bij gebouwen met een goothoogte van maximaal 3.00 m. en alleen aan de achterzijde. - Minstens 1.00 meter van de zijkanten van het dakvlak. - Bij vrijstaande gebouwen met een dwarskap (nok dwars op de weg) over twee verdiepingen is aan de zijkant een opbouw toegestaan door het optrekken van de gevel over maximaal 1/3 deel van de lengte van het dakvlak gemeten aan de bovenzijde van de dakopbouw. - Hoogte bij langskappen bedraagt maximaal één volledige verdiepingshoogte. - Bij vrijstaande woningen met een dwarskap mag de inwendige stahoogte maximaal 2.40 meter bedragen. - De dakopbouw is plat afgedekt. - Het front van een dakkapel heeft maximaal voor 1/3 deel van zijn oppervlak een gesloten invulling. B. Dakopbouw over de nok bij langskappen - Alleen op daken met een hellingshoek van maximaal 35 graden. - Bij tussenwoningen loopt de dakopbouw van bouwmuur tot bouwmuur. - De afstand tussen de onderste pan en de onderdorpel, gemeten evenwijdig aan de dakhelling, bedraagt minimaal 1.20 meter. - De hellingshoek van de dakopbouw is gelijk aan die van het oorspronkelijke dak. - De gootlijn van de dakopbouw ligt niet hoger dan 2.00 meter boven de vloer van de nieuwe ruimte. - De dakopbouw blijft minimaal 0.60 meter vrij van de kopgevel. - De dakopbouw heeft dichte zijwanden. C.
Dakvlakverhoging bij langskappen - Alleen op daken met een hellingshoek van maximaal 35 graden. - De noklijn wordt verhoogd door het doortrekken van het dakvlak naar achteren. - De afstand tussen de onderste pan en de onderdorpel, gemeten evenwijdig aan de dakhelling, bedraagt minimaal 1.20 meter. - De dakopbouw blijft minimaal 0.60 meter vrij van de kopgevel. - De nieuwe nok is niet meer dan 1.20 meter hoger dan de bestaande.
73
2.2.4. Gevelwijzigingen Van een gevelwijziging is sprake bij het veranderen of verplaatsen van een kozijn, kozijn-invulling, luik of gevelpaneel. De opbouw en indeling van de gevel is een belangrijk onderdeel van de architectonische vormgeving van het gebouw en het aanzicht van de straat. De mogelijkheden voor gevelwijzigingen zijn dermate divers dat er geen sneltoetscriteria worden gegeven. Wel kunnen er trendsetters worden vastgesteld die vervolgens worden gehanteerd voor een sneltoets.
2.2.5. Erfafscheidingen en toegangspoorten Een erfafscheiding is een bouwwerk op de erfgrens, bedoeld om het erf af te bakenen van een buurerf of de openbare weg. Plaatsing en maatvoering - Hoogte achter de voorgevellijn maximaal 2.00 meter; hoogte voor de voorgevellijn maximaal 1.00 meter. Materiaal, kleur en detaillering - Uitvoering in houten delen, minimaal 12 millimeter dik, om en om bevestigd op of tussen houten of betonnen stijlen, dan wel een verzinkt stalen netwerk voorzien klimplanten, dan wel verzinkt stalen schanskorven gevuld met natuur- of baksteengranulaat. - Geen toepassing van beton, behalve desgewenst de betonnen palen en onderkanten 0.30 meter boven maaiveld. Geen toepassing kunststof, metaal (met uitzondering van stalen netwerk), rietmatten, vlechtschermen of golfplaat. - Bij toepassing metselwerk: maximaal 1.00 meter gemetseld in de kleur van het hoofdgebouw met een semi-transparante opbouw van hout of een stalen netwerk. Eventueel opgaande penanten van maximaal een steen breed, hartop-hart maximaal 1.20 meter, en tot maximaal 2.00 meter hoog. Geen prints van bak- of natuursteen toepassen. - Kleur naturel, of afgestemd op het hoofdgebouw, of geschilderd in een donkere kleur. - Toegangspoorten voor de voorgevellijn kunnen inclusief penanten of zijstijlen maximaal 2.00 meter hoog zijn over een breedte van maximaal 4 .00 meter.
De poort bestaat uit een transparant hekwerk van stalen spijlen of houten delen met een openingspercentage van minimaal 50 procent en is geflankeerd door gemetselde penanten in een soortgelijke steen als het gebouw, dan wel stalen of houten zijstijlen.
74
2.2.6. Reclame Reclame is een publieke aanprijzing van een bedrijf, een product of een dienst. Reclames op borden, lichtreclames en spandoeken of vlaggen vormen een belangrijk en beeldbepalend element van de openbare ruimte. De sneltoetscriteria zijn in principe van toepassing in alle gebieden, tenzij anders vermeld. Aanvragen die niet voldoen aan de sneltoetscriteria en ook aanvragen voor monumenten of beeldbepalende panden worden door de commissie behandeld. Plaatsing en aantal - Per vestiging en per pand maximaal twee onverlichte reclame-objecten: o één plat tegen de gevel geplaatst bord of ondiepe kast, en; o één haaks op de gevel geplaatst uithangbord. - Een haaks op de gevel aangebrachte reclame komt niet hoger dan de onderkant van het verdiepingskozijn en niet hoger dan 5.00 meter boven het straatniveau. - Reclame door op het raam aangebracht bestickering is alleen mogelijk als het raam voor 50% geheel doorzichtig blijft. - Vlaggenmasten alleen op bedrijventerreinen, mits niet gecombineerd met een woonfunctie. - Per 10 meter kavelbreedte op bedrijventerreinen maximaal één vlaggenmast van 6.00 meter hoog. - Vlaggenmasten staan minimaal 3.00 meter vrij van lantaarnpalen en lichtmasten.
Maatvoering plat aan de gevel aangebrachte reclame - Een plat aan de gevel aangebrachte reclame is: o maximaal 50% breed ten opzichte van de totale gevelbreedte; o maximaal 0.30 meter hoog; o maximaal 0.15 meter dik. - Bij een plat aan de gevel aangebrachte reclame zijn de hoeken en de zijpenanten van het gebouw minimaal 0.60 meter vrij gehouden. - Bij toepassing van losse letters zijn andere maten en proporties denkbaar. De beoordeling vindt in dat geval altijd plaats door de commissie. Maatvoering haaks aan de gevel aangebrachte reclame - Een haaks op de gevel aangebrachte reclame steekt maximaal 0.80 meter uit de gevel, exclusief bevestigingsconstructie. - De bevestigingsconstructie steekt minimaal 0.10 meter en maximaal 0.15 meter uit de gevel.
75
-
-
Een haaks op de gevel aangebrachte reclame is: o maximaal 0.80 meter hoog; o maximaal 0.20 meter dik; o maximaal 0.64 vierkante meter groot (oppervlakte). Bij een rond object geldt een maximale diameter van maximaal 0.80 meter.
Losstaand bord in plaats van haaks aan de gevel aangebrachte reclame - In plaats van een haaks aan de gevel aangebrachte reclame kan ook worden gekozen voor een enkel, losstaand bord: o vrij te plaatsen op het eigen erf; o geplaatst op een paal met een maximale hoogte van 1.80 meter; o maximaal 0.25 vierkante meter groot (oppervlakte); o niet uitgevoerd als lichtbak. Een reclame voldoet niet aan redelijke eisen van welstand indien er sprake is van één van de onderstaande situaties. - Reclame voor diensten of producten die niet in het pand plaatsvinden respectievelijk worden verkocht, geproduceerd of verwerkt. Hoewel dit strikt gezien in zichzelf geen welstandscriterium is, past deze bepaling wel in het uitgangspunt reclame primair te zien als een kenbaar maken van de aanwezigheid van een bedrijf. - Bewegende reclame, LED reclame, lichtkranten en lichtreclame met veranderlijk of knipperend licht (met uitzondering van speciaal daartoe door het gemeentebestuur aangewezen plaatsen). Zwak oplichtende en incidenteel bewegende reclame wordt niet op voorhand uitgesloten maar per geval beoordeeld. - Reclame op daken. - Daglichtreflecterende reclame. - Gevelreclame die niet loodrecht op of in het vlak van de gevel is geplaatst. - Reclame-uitingen die het uitzicht op de openbare ruimte ernstig belemmeren.
- Reclame met een oppervlak groter dan 0.10 vierkante meter (oppervlakte) op vergunningplichtige zonweringen en rolluiken. - Reclame op steigers en andere hulpconstructies voor bouw- of renovatiewerkzaamheden, tenzij het gaat om tijdelijke, niet verlichte opschriften betreffende namen en activiteiten van direct bij het ontwerp en de uitvoering betrokkenen.
76
Aanvullende criteria voor beoordeling door de commissie Als een reclame niet voldoet aan de sneltoetscriteria, bij twijfel en in geval van monumenten of karakteristieke panden wordt het bouwplan alsnog voorgelegd aan de commissie. De commissie zal dan naast de sneltoetscriteria ook gebruik maken van onderstaande criteria in relatie tot het pand, de directe omgeving en de gebiedskarakteristieken. Gevelreclame - Gevelreclame is een passend onderdeel van de totale gevelcompositie, ingetogen en ondergeschikt en passend bij de architectuur van het hoofdgebouw. - Reclame is in materiaal- of kleurstelling of in de detaillering niet verstorend voor de architectuur van het gebouw of het straatbeeld. - Op bedrijventerreinen vormt de reclame een samenhangende eenheid met het gehele bouwwerk en is als zodanig mee ontworpen. (Te denken valt daarbij aan: losse letters in het vlak van de gevel, reclame aangebracht op het glas of geïntegreerd als bouwkundig element.) Vlaggenmasten - Alleen verticaal vanaf de grond opgaande vlaggenmasten: o in centrumgebieden (gemengde voorzieningen en winkelcentra); o op bedrijventerreinen; o op sport- en recreatiegebieden; o bij grote gebouwen voor maatschappelijke doeleinden zoals onderwijsinstellingen of verzorgingshuizen tot maximaal drie. Niet bij de aangewezen bijzondere complexen.
- Vlaggenmasten harmoniëren met de omliggende bebouwing en zijn een verrijking zijn voor de stedenbouwkundige samenhang van de openbare ruimte. Vrijstaande reclame (niet gebouw gerelateerd, zoals reclamezuilen) - Geen vrijstaande reclame-uitingen in het buitengebied. - Vrijstaand reclame-uitingen op de bijzondere complexen zijn met uiterste zorg ontworpen, in een relatie met de architectuur van de bijbehorende gebouwen en de karakteristiek van de situatie. - Op sport- en recreatieterreinen kan per hoofdinrit vanaf de openbare weg een enkele, eventueel zwak verlichte reclamezuil worden geplaatst, maximaal 3.00 m. hoog en 0.80 m. breed, dan wel een andersoortig element met globaal dezelfde manifestatie maar dat specifiek past bij de betreffende situatie. Overige vrijstaande reclame-uitingen hoger dan 1.00 m. zijn niet toegestaan. - Op panden met een praktijk aan huis (dus niet wonen boven bedrijfsfunctie) alleen een onverlicht naambord toegestaan met oppervlak van maximaal 0.25 vierkante meter en een hoogte van maximaal 1.80 meter een bescheiden, bij het pand passende, omvang.
77
3. GROTE BOUWPLANNEN Dit hoofdstuk vormt de basis voor beoordeling van alle grotere nieuwbouwplannen. Bijvoorbeeld een nieuwe woning of bedrijfspand of een grootschalige herbestemming of reconstructie van een geheel bouwblok.
3.1. Algemeen Uitgangspunt is om grotere bouwplannen zó vorm te geven dat ze aansluiten op de bestaande gebiedskwaliteiten en rekening wordt gehouden met de gestelde ambities. Heiloo is echter niet onveranderbaar. Veranderingen bieden juist kansen en mogelijkheden om nieuwe kwaliteiten toe te voegen. In deze gevallen kan er behoefte ontstaan om af te wijken van de gebiedskenmerken en de criteria (zie paragraaf 1.3).
3.2. Gebiedsgericht beleid Voor Heiloo zijn acht gebiedstypen te onderscheiden (klik hier voor de overzichtskaart): 1. 2. 3. 4. 5. 6. 7.
Lintstructuren Bijzondere complexen Woongebieden Centrumgebieden (gemengde voorzieningen) Bedrijventerreinen Sport- en recreatiegebieden Buitengebieden a. Strandwallen en -vlakten (inclusief groene omzoming) b. Droogmakerijen
Beoordeling van nieuwbouwplannen vindt altijd plaats in combinatie met de gebiedsgerichte beschrijvingen, kernkwaliteiten en ambities zoals opgenomen in deel A hoofdstuk 3. De regieniveaus bepalen vooral de mate aan toepassing van de criteria. Bij gebieden met een basis regieniveau zal de nadruk van de beoordeling liggen op de ruimtelijke hoofdaspecten (bijv. siteringen en hoofvorm) en bij gebieden met een bijzonder welstandsniveau ook op basis van detailaspecten (bijv. gevelopbouw, kleur- en materiaalgebruik).
78
Nieuwbouw Heerenweg (Stationsomgeving).
79
Voor bepaalde ontwikkelingen zijn beeldkwaliteitplannen of andere aanvullende uitwerkingen van toepassing (zie hoofdstuk 4). Het bestemmingsplan (of omgevingsplan) treedt in eerste instantie regelend op voor wat betreft gebruik, situering en maximale afmetingen.
3.3. Beoordelingscriteria De criteria zijn van toepassing bij grotere bouwplannen die passen binnen de aanwezige architectonische, stedenbouwkundige of landschappelijke context. Situering - Het bouwwerk levert een positieve bijdrage aan de kwaliteit van de openbare (stedelijke of landschappelijke) ruimte. Daarbij kunnen hogere eisen worden gesteld naarmate de openbare betekenis van het bouwwerk of van de omgeving groter is. - De plint van het gebouw aan de openbare weg voegt zich weloverwogen naar de sfeer van de openbare ruimte. - Het bouwwerk past in of respecteert: o de aanwezige karakteristiek van de bestaande omgeving (stedenbouwkundige context, zoals straatwand, open/gesloten bebouwing, hoeksituatie e.d.); o de toekomstige omgeving (stedenbouwkundige visie, vastgesteld beeldkwaliteitplan, reeds goedgekeurde belendingen);
Een bouwwerk past in of respecteert de aanwezige stedenbouwkundige karakteristiek van de bestaande omgeving.
80
Variatie en verbijzonderheden zijn mogelijk als daarvoor een stedenbouwkundige aanleiding is.
De hoofdvorm past qua hoogte en opbouw in de structuur van de directe bebouwde omgeving en landschap.
-
-
Variatie en verbijzonderheden buiten de bandbreedte van afwijkingen is mogelijk als daarvoor een stedenbouwkundige aanleiding is. Voorbeelden daarvan zijn hoeken, de kop van een T-kruising of andere bijzondere zichtlijnen. De specifieke terreinomstandigheden zijn waar mogelijk benut (denk aan: helling van het terrein, speciale locatie, ligging in het landschap).
Hoofdvorm - Het bouwwerk past qua hoogte en opbouw in de structuur van de directe bebouwde omgeving en het landschap. - Een grotere hoofdvorm is mogelijk op plekken waar een stedenbouwkundig accent gewenst is en/of als er sprake is van een bijzondere publieke functie, zoals een kerk, school en theater. - De bouwmassa's zijn harmonieus van vorm, afmetingen en verhoudingen en ze vertonen duidelijk samenhang en richting. - De massaopbouw is afgestemd op de structuur van de plattegronden of maakt zich daar juist weloverwogen vanuit een ontwerpgedachte van los. Daken - De dakvorm past bij het ontwerp en sluiten aan bij de gekozen (richting van de) plattegrond(en). - De dakhelling en het dakvlak staan in goede verhouding tot de gevels. - De vorm, afmetingen en verhoudingen van toevoegingen aan het dak (zoals dakkapellen, -ramen, loggia’s etc.) hebben een relatie met en zijn ondergeschikt aan het dakvlak en de totale bouwmassa. - De aansluiting op de gevel is zorgvuldig vormgegeven.
Toevoegingen aan het dak zijn ondergeschikt en respecteren de dakvorm.
Een grotere hoofdvorm is mogelijk op plekken waar een stedenbouwkundig accent gewenst is en/of als er sprake is van een bijzondere publieke functie, zoals een kerk, school en theater.
81
Gevel - Er is structuur en samenhang in het gevelbeeld m.b.t. de vorm, afmetingen en verhoudingen van de gevelelementen, zonder dat de aantrekkingskracht van het bouwplan verloren gaat door simpelheid of een te veel aan gelijkvormigheid. - Het uiterlijk van een gebouw heeft een relatie met het gebruik en de wijze waarop het gemaakt is. - Bij renovatie is de oorspronkelijke stijl, gevelopbouw en -indeling behouden. - Bij splitsing is de architectonische eenheid van het pand behouden. - Bij samenvoeging is de individualiteit van de panden behouden. - Er is geen sprake van gesloten zijgevels grenzend aan het openbaar gebied. - Eventuele gevelreclame is een passend onderdeel van de totale gevelcompositie, ingetogen en ondergeschikt en passend bij de architectuur van het hoofdgebouw. Detaillering - Het bouwwerk is zo ontworpen dat sprake is van detailleringen die consequent zijn toegepast en die passen bij de (gekozen) architectuurstijl. - Bij renovatie en verbouw is de aanwezige fijne en ambachtelijke onderdelen en kenmerkende ornamentiek als overstekken, dak- en gevellijsten, pilasters en luiken behouden.
Er is structuur en samenhang in het gevelbeeld zonder dat de aantrekkingskracht van het bouwplan verloren gaat.
82
Bij renovatie en verbouw is de aanwezige kenmerkende detaillering behouden.
Gevelreclame is een passend onderdeel van de totale gevelcompositie passend bij de architectuur.
Materiaal, kleur en textuur - Het bouwwerk is zo ontworpen dat textuur, materiaal- en kleurgebruik in harmonie zijn met het ontwerp en met de omgevingskarakteristiek. - Het materiaal is (technisch) goed toepasbaar voor de gekozen vormgeving en detaillering. - Er is gebruik gemaakt van duurzame materialen die kwaliteit uitstralen door blijvend mooie materialen. Duurzaamheid - Het thema duurzaamheid dient als ontwerpuitdaging te worden gehanteerd, zowel stedenbouwkundig of landschappelijk op gebiedsniveau als architectonisch op gebouwniveau. Bij individuele nieuwbouw van een woning of pand kan duurzaamheid ook de basis zijn voor de algehele vormgeving. - Er is op verschillende niveaus nagedacht over duurzaamheid, waaronder bestendigheid, energie- en klimaatbeheer, materiaalgebruik, afvalstromen, mobiliteit, ecologie en natuur etc. - Bij de toepassing van voorzieningen t.b.v. duurzaamheid zoals zonnecollectoren/ -panelen, groene gevels/daken, isolatiemaatregelen of dergelijke, passen deze binnen het architectonische concept van het gebouw en/of de stedenbouwkundige of landschappelijk context. - Voorzieningen t.b.v. duurzaamheid (zoals zonnepanelen of warmtepompen incl. bijbehorende technische onderdelen zoals leidingen e.d.) zijn bij nieuwbouw integraal mee ontworpen. - Voorzieningen t.b.v.
verduurzaming van monumenten of karakteristieke panden zijn met uiterste zorg en respect voor de cultuurhistorische waarde vormgeven, in beginsel niet zichtbaar vanaf de openbare weg.
83
4. (HER)ONTWIKKELINGEN Deze nota bevat geen criteria voor (her)ontwikkelingsprojecten die de bestaande ruimtelijke structuur en karakteristiek doorbreken. Er is dan sprake van een zodanige schaalvergroting of contrast met de omgeving dat deze onvoldoende zijn in te passen binnen de bestaande structuur. Dit is ook van toepassing op gebieden, die in transformatie zijn of in opbouw. Hiervan mag van de ontwerper of aanvrager een grotere inspanning worden verwacht om de kwaliteit van het gebied te helpen opbouwen.
4.1. Algemeen Nieuwe / aanvullende criteria zijn wenselijk als: - een ontwikkeling de bestaande fysieke structuur en karakteristiek doorbreekt; - een ontwikkeling niet gericht is op één gebouw, maar van invloed is op een heel gebied; - er sprake is van een nieuw stedenbouwkundig plan, waarbij veelal een bestemmingsplan of omgevingsplan nodig is of sprake is van een (buitenplanse) omgevingsplanactiviteit. Bij incidentele/individuele bouwplannen die vooral objectgericht (gericht op één gebouw of bouwwerk) zijn en toch afwijken van de bestaande karakteristiek volstaan de criteria voor grote bouwplannen in relatie tot de gebiedskwaliteiten en ambities.
4.2. Procedure Zodra een (her)ontwikkelingsproject aan de orde is kunnen nieuwe criteria opgesteld worden, bijvoorbeeld in de vorm van een beeldkwaliteitplan of een vergelijkbaar beoordelingskader, vastgesteld als beleidsregel. Een beeldkwaliteitplan of vergelijkbaar heeft een ontwikkelgericht karakter en vormt een sturingsinstrument voor de gewenste ruimtelijke kwaliteit. De basisprincipes voor een goede omgevingskwaliteit (hoofdstuk 4 van deel A) vormen een belangrijk kader voor beoordeling van grote (her)ontwikkelingsopgaven en kunnen ook dienen als uitgangspunten bij het opstellen van beeldkwaliteitplannen of vergelijkbare beoordelingskaders.
84
Een dergelijk kader dient in ieder geval de volgende onderdelen te bevatten:
1. 2. 3. 4.
5. 6.
Samenvatting Leeswijzer Inleiding, incl. een duidelijke begrenzing van het werkingsgebied Beleidskaders Analyse huidige situatie met een beschrijving van cultuurhistorische, landschappelijke en/of stedelijke context Beschrijving van en visie op de nieuwe situatie en indien van toepassing de motivering van de ontwerpkeuzes die gemaakt zijn t.a.v. de inpassing van het plan in zijn omgeving. Principes en regels voor de uitvoering Aandachtspunten en vervolgstappen Bijlagen
De raad van de gemeente Heiloo wordt betrokken bij de grotere ingrijpende bouw- en/of ontwikkelplannen. Het beeldkwaliteitplan of een vergelijkbaar instrument wordt (samen met het bestemmingsplan) vastgesteld door de gemeenteraad, als aanvulling op deze nota. Om de commissie in staat te stellen de criteria of richtlijnen als toetsingskader te gebruiken is het belangrijk in het raadsbesluit en eventueel in de inleiding van het beleidsdocument te verwijzen naar artikel 12a van de Woningwet of bij inwerkingtreding van de Omgevingswet naar artikel 4.19 van deze Omgevingswet. Het beeldkwaliteitplan of vergelijkbaar is, mits anders bepaald, alleen van toepassing in de ontwikkelfase. Na realisatie/oplevering vervalt het ontwikkelgerichte karakter. Daarmee vervallen de in de ontwikkelfase relevante criteria en zal de commissie beoordelen op basis van de criteria zoals opgenomen in deze nota. Een overzicht van de vastgestelde en geldende beeldkwaliteitplannen en vergelijkbare documenten is te vinden op de website van de gemeente.
85
Colofon De Nota Omgevingskwaliteit Heiloo is in opdracht van de gemeente Heiloo vervaardigt door MOOI Noord-Holland i.s.m. SCHOUT rv&b.
Versie Nota Omgevingskwaliteit gemeente Heiloo, concept september 2022.
Opgesteld door MOOI Noord-Holland Ingrid Langenhoff (projectleiding) Emmy Kanon (beleidscoördinator) Renee Stroomer (cultuurhistorie) Kim Zweerink (cultuurhistorie) Lisa Timmerman (landschap) SCHOUT rv&b Bas Schout (ruimtelijk beleid) Werkorganisatie De BUCH (Beleids)medewerkers stedenbouw, erfgoed, RO, Vergunningen, Plannen en Projecten.
In opdracht van Gemeente Heiloo
Fotografie Gemeente Heiloo en MOOI Noord-Holland, tenzij anders vermeld.
Het auteursrecht berust bij de gemeente Heiloo en Mooi Noord-Holland of bij derden waarvan beeldmateriaal met bronvermelding is gebruikt. De opstellers van deze nota hebben alle zorgvuldigheid in acht genomen die kan worden verwacht. Bij foutieve informatie, een verkeerde bronvermelding of als u van mening bent dat materiaal niet mag worden weergegeven op basis van auteursrechtelijke argumenten dan kunt u contact opnemen met de gemeente Heiloo.
86