CConstaterende datHeiloo
Koppel je AI →
Document · PDF

Nota omgevingskwaliteit Heiloo.pdf

Raadsvergadering 17 april 2023, gemeente HeilooBij agendapunt: Nota omgevingskwaliteit16.784 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 2

nota OMGEVINGSKWALITEIT gemeente HEILOO, concept september 2022

Inhoud

Omgevingskwaliteit Deel A is het kaderstellende beleid met een algemene toelichting over omgevingskwaliteit, een ruimtelijke analyse, een gebiedsindeling, de regieniveaus, de gebiedskwaliteiten en de basisprincipes voor een goede omgevingskwaliteit. Direct naar: - een uitleg over deze nota - de kaart met gebiedsindeling

Uiterlijk van bouwwerken Deel B is een uitwerking met criteria voor het uiterlijk van bouwwerken en vervangt de ‘Welstandsnota 2013’. Direct naar: - het schema voor beoordeling uiterlijk van bouwwerken - de criteria voor kleine (ver)bouwplannen - de criteria voor grote bouwplannen

Klik op een knop om direct naar het betreffende deel te gaan.

2

Voorwoord Veiligheid, gezondheid en welbevinden hebben een plek in elk partij- en regeerprogramma. Niemand zal tegenspreken dat de belevingskwaliteit van de gebouwde omgeving daarop een belangrijke invloed heeft. Die kwaliteit ligt in een balans tussen enerzijds samenhang, en anderzijds variatie. De vrijheid om naar wens te bouwen levert variatie. De bandbreedte van vrijheid wordt bepaald door samenhang. Juist een sterke samenhang geeft een basis voor veel vrijheid. In deze editie wordt – in de geest van de Omgevingswet – meer de nadruk gelegd op de omschrijving van de samenhang dan op regels die op voorhand de vrijheid afbakenen. Dat betekent dat er meer ruimte is voor maatwerk; meer ‘ja, mits’, en minder ‘nee, tenzij’. Tegenover de mogelijk grotere vrijheid voor de planvorming staat voor de initiatiefnemer wel het huiswerk om zich de context van de omgeving eigen te maken, en de nota geeft daarvoor meer informatie. De omgeving wordt meer integraal belicht, met een sterker accent op landschap en erfgoed. Ook zijn er duurzaamheidsaspecten opgenomen. De voormalige ‘welstandsnota’ heet nu dan ook ‘nota omgevingskwaliteit’. De nota zal op een nader te bepalen manier worden opgenomen in het omgevingsplan, dat nog veel meer aspecten zal omvatten.

Om die reden is voor de nota omgevingskwaliteit gestreefd naar een beleidsneutrale opzet met een ongewijzigde ambitie om de ruimtelijke kwaliteit van ons mooie dorp op peil te houden. Wel is het format aangepast, enerzijds als voorbereiding op de Omgevingswet, maar anderzijds ook om de bruikbaarheid te vergroten. Eventuele toekomstige beleidswijzigingen worden doorgevoerd in het omgevingsplan. Dat zal ook het moment zijn voor participatie. Het experiment met ‘welstandsluwheid’ voor drie wijken, dat is ingezet met de vorige welstandsnota is geëvalueerd. Dit heeft voor de nieuwe nota geresulteerd in het instellen van een ‘beperkt regieniveau’ voor twee van deze wijken, met meer mogelijkheden voor bouwinitiatieven. Verder is afscheid genomen van de indeling in vijf architectuurstijlen als basis voor de beoordeling van verbouwingen. Er zal met meer maatwerk worden ingespeeld op de aanvragen. Deze opzet heeft geleid tot een aanzienlijk dunnere nota, die niettemin meer informatie bevat. Ik verwacht daarom dat deze nota omgevingskwaliteit nog minder een toetsings-, maar meer een inspiratiedocument zal zijn.

college van burgemeester en wethouders

Terug naar vorige weergave Terug naar het hoofdmenu.

3

DEEL A OMGEVINGSKWALITEIT Dit deel bevat het kaderstellende beleid met een algemene toelichting, een ruimtelijke analyse, een gebiedsindeling, de regieniveaus, de gebiedskwaliteiten en de basisprincipes voor een goede omgevingskwaliteit.

1. INLEIDING 1.1. Wat is omgevingskwaliteit? ............................................................. 6 1.2. Waarom een nota omgevingskwaliteit?......................................... 6 1.3. Wie gaat over omgevingskwaliteit? ............................................... 7 1.4. Juridische status ............................................................................. 9 2. RUIMTELIJKE CONTEXT 2.1. Landschappelijke en stedenbouwkundige ontwikkeling ............... 10 2.2. Cultureel erfgoed........................................................................... 20 2.3. Ruimtelijke identiteit .................................................................... 22 3. GEBIEDSGERICHT BELEID 3.1. Gebiedstypering en regieniveaus .................................................. 25 3.1.1. Gebiedstypering............................................................. 25 3.1.2. Regieniveaus .................................................................. 27 3.1.3. Randen en overgangsgebieden ..................................... 29 3.2. Gebiedskwaliteiten ........................................................................ 30 3.2.1. Lintstructuren ................................................................ 30 3.2.2. Bijzondere complexen ................................................... 35 3.2.3.

Woongebieden .............................................................. 38 3.2.4. Centrumgebieden (gemengde voorzieningen) .............. 44 3.2.5. Bedrijventerreinen......................................................... 46 3.2.6. Sport- en recreatieterreinen.......................................... 47 3.2.7. Buitengebieden.............................................................. 48 4. BASISPRINCIPES 4.1. Inpassing op basis van aanwezige gebiedskwaliteiten .................. 55 4.2. Samenhangende benadering......................................................... 55 4.3. Dynamiek van kwaliteit ................................................................. 55 4.4. Betrokkenheid omgeving............................................................... 57 4.5. Duurzaamheid als vanzelfsprekende ontwerpopgave .................. 57

Klik op een hoofdstuk of paragraaf om verder

4

te lezen.

Het Witte Kerkje in het centrum van Heiloo, bron: Stichting Oer-IJ.

5

1. INLEIDING Iedereen wil prettig wonen, winkelen, werken of wandelen. We moeten onze leefomgeving kunnen gebruiken en het geheel moet duurzaam, gezond en veilig zijn. Daarnaast willen we er ook van kunnen genieten. Een aantrekkelijke, goed verzorgde omgeving verhoogt de recreatieve en economische waarde en versterkt het vestigings- en woonklimaat. Met deze nota zijn wij als gemeente ervan overtuigd dat de kwaliteit op een goede manier wordt meegewogen bij ruimtelijke ingrepen in de fysieke leefomgeving. Deze nota vervangt de vervangt de ‘Welstandsnota Heiloo 2013’.

1.1. Wat is omgevingskwaliteit? Met de Omgevingswet is een nieuwe term geïntroduceerd; ‘omgevingskwaliteit’. Net als een veilige en gezonde leefomgeving is ook het bereiken en in stand houden van een goede omgevingskwaliteit een maatschappelijke doelstelling van de Omgevingswet. Het is een plicht van ons allemaal om zorg te dragen voor een goede omgevingskwaliteit. Omgevingskwaliteit gaat over het belang van aspecten als cultureel erfgoed, architectonische kwaliteit van bouwwerken, stedenbouwkundige kwaliteit en kwaliteit van natuur en landschap. Omgevingskwaliteit gaat over de identiteit en gebiedskwaliteiten van een plek en hoe wij dit ervaren, waarbij ook culturele en sociale factoren van invloed kunnen zijn. Deze nota richt zich op het publieke belang van de ruimtelijk visuele aspecten van cultureel erfgoed, landschap, stedenbouw en het uiterlijk van bouwwerken.

1.2. Waarom een nota omgevingskwaliteit? Wij willen als gemeente graag een waardevolle en aantrekkelijke omgeving creeren waar mensen graag willen wonen, ondernemers zich willen vestigen en bezoekers kunnen genieten. Wat van waarde is willen we mooi houden en nieuwe ontwikkelingen moeten passen in de ‘couleur locale’ van onze gemeente. Het doel van deze nota is het behouden en stimuleren van een goede omgevingskwaliteit ten behoeve van de identiteit van een plek of gebied.

6

1.3. Wie gaat over omgevingskwaliteit? Er is niks beters dan kwaliteit die ontstaat vanuit de omgeving zelf. Ontwikkelingen met een brede betrokkenheid leveren bijna altijd een meerwaarde aan omgevingskwaliteit. Maar niet in alle gevallen is voldoende aandacht voor kwaliteit. Als gemeente nemen we de verantwoordelijkheid om waar nodig de regie te voeren over het publieke belang van omgevingskwaliteit. Dat betekent niet dat we ontwikkelingen gaan tegenhouden, maar wel dat we zorg dragen voor een goed proces waarbij omgevingskwaliteit een evenredige rol krijgt bij de planvorming. Wij voeren daarbij de regie, die zwaarder zal zijn naarmate de ingreep en de specifieke kwaliteiten van het gebied daarom vragen. Van ‘nee, tenzij …’ naar ‘ja, mits …’ Bij de beoordeling van ingrepen in de fysieke leefomgeving verschuiven we onze focus van verbieden (‘nee, tenzij …’) naar mogelijkheden bieden (‘ja, mits ….’). Op basis van ervaringen is namelijk gebleken dat het bieden van ruimte en het aangaan van de dialoog tot betere resultaten leidt. Daarbij is meer mogelijk als u in een vroeg stadium het gesprek met ons aangaat. Een goed plan is immers niet altijd te vatten in regels maar zal eerder tot stand komen door het gesprek aan te gaan.

Deskundige advisering Om een goede afweging te maken over omgevingskwaliteit vragen wij advies aan de gemeentelijke adviescommissie (hierna commissie) die hiervoor door de gemeenteraad is ingesteld. De commissie baseert haar advies op de beleidsregels zoals opgenomen in deze nota. Na het in werking treden van de Omgevingswet zal de commissie haar advies ook baseren op de omgevingsvisie en het omgevingsplan. De rol van de commissie is om minder oordelend maar vooral ook om oplossingsgericht en inspirerend te zijn. Daarbij is meer mogelijk als er sprake is van een goed ontwerp. Er ligt dus ook een verantwoordelijkheid bij u als initiatiefnemer. U bent er zelf het meeste bij gebaat dat een ingreep als totaal een geheel vormt en past in de directe omgeving. Deze nota kan daarbij helpen.

7

Omgevingsvisie (art. 3.1 en 3.2 Ow) ambities en beleidsdoelen Omgevingsplan (art. 2.4 Ow) - beoordelingsgrondslag (beoordelingsregel met uitwerking in beleidsregels) - advisering adviescommissie (procesregels > wanneer advies)

Nota omgevingskwaliteit Integraal beleid met betrekking tot het streven naar een goede omgevingskwaliteit.

Deel A: Omgevingskwaliteit - Ruimtelijk kader - Gebiedsgericht beleid * kwaliteiten * regieniveaus

Deel B: Beleidsregels Uitwerking voor het uiterlijk van bouwwerken (welstand). Eventueel aan te vullen met andere beleidsregels.

De Nota Omgevingskwaliteit in relatie tot instrumenten van de Omgevingswet. De zorgplicht voor een goede omgevingskwaliteit is geregeld in de artikelen 1.3, 1.6 en 1.7 van de Omgevingswet. Dit maatschappelijke doel van de wet wordt verder toegelicht in de Memorie van Toelichting Omgevingswet, 2014.

8

Gemeentelijke adviescommissie (art. 16.15a en 17.9 Ow) - verordening - benoeming leden

1.4. Juridische status Deze nota vormt een kaderstellend beleid met beleidsregels als bedoeld in artikel 4:81 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Vaststelling door gemeenteraad of college van aanvullende beleidsregels kan afhankelijk zijn van daarvoor van toepassing zijnde wettelijke voorschriften. Zo is in artikel 4.19 Ow bepaald dat de gemeenteraad beleidsregels vaststelt voor de beoordeling van het uiterlijk van bouwwerken bij een aanvraag om een omgevingsvergunning (deel B). De wettelijke grond is dat beleidsregels niet rechtstreeks bindend zijn voor burgers maar wel voor de gemeente zelf. Normaal gesproken wijkt het college van burgemeester en wethouders niet af van de gestelde beleidsregels. Burgers en bedrijven weten dan waar ze aan toe zijn (rechtszekerheid). In bijzondere situaties mag het college wel afwijken (inherente afwijkingsbevoegdheid). Dat is bepaald in artikel 4:84 Awb. Afwijken van beleidsregels Er kan van een bijzondere situatie sprake zijn als de gestelde beleidsregels ontoereikend zijn voor situaties die we nu niet kunnen voorzien. Bijvoorbeeld als er sprake is van een uitzonderlijke hoogwaardige ruimtelijke kwaliteit. Ook wanneer een ingreep voldoet aan de gestelde beleidsregels, maar de kwaliteit zo onder de maat blijft dat het op den duur zijn omgeving negatief zal beïnvloeden, kan afgeweken worden.

In deze gevallen kan het college van burgemeester en wethouders, na schriftelijk en gemotiveerd advies van de commissie, afwijken van de beleidsregels. Afwijken van het advies Het college van burgemeester en wethouders volgt in zijn oordeel in principe het advies van de commissie. Het college kan afwijken van het advies op inhoudelijke gronden of om andere redenen, bijvoorbeeld van economisch of maatschappelijk belang. Indien het college afwijkt van het advies wordt dit in de beslissing op de aanvraag van de vergunning gemotiveerd. De commissie wordt hiervan op de hoogte gesteld. Het college is uiterst terughoudend met het gebruik van deze mogelijkheid.

9

2. RUIMTELIJKE CONTEXT De kwaliteit van de omgeving van Heiloo bestaat uit verschillende tijdslagen, ontstaan door eeuwenlange ontwikkelingen. De vorming en ontginning van het landschap, de geschiedenis van de dorpen en het buitengebied vormen op verschillende schaalniveaus de ruimtelijke identiteit.

2.1. Landschappelijke en stedenbouwkundige ontwikkeling Kustvorming en het Oer-IJ De gemeente Heiloo ligt in een regio die bekend staat als Kennemerland. De kustvorming van Kennemerland heeft geleid tot een noord-zuid georiënteerd landschap, opgebouwd uit duinen, strandwallen en strandvlakten. Parallel aan de kust liggen verschillende hoger gelegen strandwallen, de strandwal waar Heiloo op ligt is omstreeks 1500 voor Christus ontstaan. Tussen de strandwallen ontstonden de lager gelegen natte strandvlakten. Achter het stelsel van duinen, strandwallen en strandvlakten ontstond in de loop der eeuwen een uitgestrekt veenmoeras, slechts onderbroken door smalle veenstroompjes. De ontwatering van het zuidelijke deel van het gebied vond plaats via het Oer-IJ. Deze noordelijke tak van de Rijn liep door de strandvlakte naar het noorden om bij Castricum in zee uit te monden. Rond het begin van de jaartelling verzandde de monding van het Oer-IJ waarna de stroomrichting omdraaide en het water via de Zuiderzee een uitweg vond. Verschillende kreken en oeverwallen in de strandvlakten herinneren nog aan het Oer-IJ. Aan de noordzijde vond de afwatering plaats via de rivier de Rekere (of Richara). Bewoning- en gebruiksgeschiedenis De naam Heiloo komt van ‘Heilig loo’ waarbij het woord ‘loo’ duidt op een open licht bos.

Heiloo maakt deel uit van het strandwallencomplex van Noord-Kennemerland, een van de rijkste archeologische gebieden van Noord-Holland. Dat de droge en begroeide strandwal waar Heiloo op ligt al sinds de prehistorie relatief dichtbevolkt is geweest, weten we dankzij de vele archeologische sporen en vondsten in het gebied rondom het Oer-IJ. De strandwallen waren in gebruik als akkerland, men woonde aan de randen en de aangrenzende, moerassige, meer open strandvlakten waren in gebruik als weide en hooiland.

10

Vos, P., M. van der Meulen, H. Weerts en J. Bazelmans 2018: Atlas van Nederland in het Holoceen. Landschap en bewoning vanaf de laatste ijstijd tot nu, Amsterdam (Prometheus).

11

Rond 720 na Christus stichtten monniken die vanuit Engeland en Ierland naar Noord-Holland kwamen (waaronder zich mogelijk Willibrord bevond) een houten kerkje op een mogelijk bestaande heilige plek op de strandwal in de nabijheid van een waterbron (de Willibrordusput). De kerk is de voorloper van het huidige Witte Kerkje aan de Heerenweg. Rondom dat kerkje ontwikkelde zich vanaf de 12e eeuw bebouwing. Heiloo was destijds een kleine agrarische nederzetting waarvan de bevolking zuidelijker woonde rondom het buurtschap Oesdom. Rond 1509 werd Oesdom onderdeel van de Heerlijkheid Heiloo. Oesdom is bekend door het bedevaartsoord, het Maria Heiligdom ‘Onze Lieve Vrouw ter Nood’. De eerste kapel werd hier gebouwd rond 1409 en vernietigd aan het einde van de 16e eeuw. Toch bleef de plaats aantrekkingskracht houden op bedevaartgangers die geloofden in de heilzame werking van het water uit de Runxputte of Mariabron. Heiloo is van oorsprong een lintdorp waarvan de stedenbouwkundige opzet bestaat uit een sterk noord-zuid gericht wegenpatroon. Langs deze wegen hebben zich bebouwingslinten gevormd die in de huidige structuur nog van betekenis zijn. In het westen wordt de strandwal begrenst door de Westerweg en in het oosten door de Oosterzijweg en Kennemerstraatweg (voorheen Oosterweg). Deze oude linten volgen min of meer de strandwal en vertonen om die reden ook lichte krommingen.

Aan de linten, op de overgang tussen strandwal en strandvlakte, werden de boerderijen gebouwd. Tussen de linten, op de zandgronden van de strandwal, lagen de geestgronden met akkers en op de lager gelegen open strandvlakte waren de wei- en hooigronden. De adellijke geslachten (bijvoorbeeld Van Cats Ter Coulster) vestigden hun landgoederen voornamelijk aan de belangrijkste historische, doorgaande wegen. Deze landgoederen zijn tegenwoordig niet meer in gebruik, maar in het landschap zijn nog sporen zichtbaar. Ter Coulster is tegenwoordig een landgoed met een boerderij. Op het voormalige landgoed van Ypestein heeft de Willibrordusstichting zicht gevestigd. Van recenter datum is landgoed Nijenburg, waaromheen het Heilooër Bos is gelegen. Voor de ontwikkeling van het landschap van Heiloo was ook de aanleg van dit vroeg 18de-eeuwse landgoed aan de Kennemerstraat belangrijk, dat niet alleen een statig huis en formeel park omvatte maar ook een overbos. Het ontstaan van de Heilooërbossen is in elk geval deels te wijden aan de beplanting van het landgoed Nijenburg, want volgens onderzoek naar pollen op diverse plaatsen op de strandwal was het gebied eerder niet zo bebost.

12

Landschapstypen Noord-Kennemerland (BUCH-gemeenten) Strand Jonge duinen Strandvlakten Strandwallen

Droogmakerijen Veenontginningen Water Bebouwde kom

Spoorwegen Rijkswegen Provinciale wegen Hoogspanningsnet

13

Strijd tegen het water; bedijking en droogmakerijen De invloed van de veenontginningen is in Kennemerland duidelijk merkbaar geweest. Door de bodemdaling in het achterland vormde de zee door het Zijper zeegat - en in mindere mate vanuit het dal van het Oer-IJ via de Crommenye - steeds meer een bedreiging voor het achterliggende landschap. Om het landschap te beschermen werd rond 1100 zowel bij de Egmonden, Bergen en Schoorl gestart met de bedijking van de gronden tussen de strandwal en de rivier de Rekere. In het zuiden werd het dal van het Oer-IJ bedijkt en later steeds verder afgedamd. Tegelijkertijd ontstonden op veel plaatsen grotere en kleinere meren, die na de uitvinding van de windmolen van klein naar groot werden drooggelegd. Dit waren de eerste droogmakerijen van Nederland. Na het succes van de droogmakerij van het Achtermeer bij Alkmaar in 1533, volgden de toentertijd grootschalige droogleggingen van het Berger- en Egmondermeer in 1565. In de 17de eeuw werd de Boekelermeer drooggelegd, dat lange tijd geheel als agrarisch gebied bij Heiloo hoorde. Infrastructuur Van oudsher liggen de meeste doorgaande wegen op de hoger gelegen strandwallen waardoor ze een noord-zuid oriëntatie hebben. Tussen grote plaatsen op de strandwallen zijn wegen aangelegd door de strandvlaktes, zoals tussen Egmond en Alkmaar. Vrij veel vrachtvervoer ging tot in de 19e eeuw echter via het water.

Zo ligt aan de oostkant van Heiloo bijvoorbeeld een veenrivier, Het Die ofwel De Dye. Deze liep vanuit het zuiden tot in Alkmaar; de Alkmaarse Baangracht en de Bleekersingel vormen het noordelijke deel van het vroegere Die. Het Die is onderdeel van het Oer-IJ gebied en vormde een transportweg in het gebied voor bijvoorbeeld bouwmateriaal. In de tweede helft van de 19de eeuw werden de spoorlijnen Haarlem-Uitgeest (1867) en Den Helder – Amsterdam (1865-1878) door het gebied aangelegd. De spoorlijn volgt in hoofdzaak op de strandwal en wijkt met zijn rechte lijn af van de slingerende historische routes. Door de oost-westverbindingen als de Stationsweg groeiden de noord-zuidverbindingen zoals de Westerweg, de Heerenweg en de Kennemerstraatweg aan elkaar.

14

Uitsnede topografische kaart van Heiloo, 1915, blad 19W, bron: Kadaster.

15

Groei en verdichting In 1820 werd de Kennemerstraatweg bestraat en daarmee ontstond het belangrijkste bebouwingslint. Het was bijzonder voornaam om aan een verharde weg te wonen en om die reden zijn er tussen 1850 en 1940 veel woonhuizen langs de Kennemerstraatweg gerealiseerd en kent de architectuur een vrij eenvormig tijdsbeeld. In 1867 kreeg Heiloo een station aan de zuidzijde van het dorp in de nabijheid van de tuindersbedrijven. Rondom het station ontstond, mede doordat de Rooms-katholieke kerk in de nabijheid werd gebouwd, een katholieke enclave, die zich duidelijk scheidde van de protestante kern rond de Witte Kerk. Bouwjaar panden 2020 2015 2000 1975 1950 1925 1900 1850 1800 1750 tot 1700 Bron: www.parallel.co.uk/netherlands, Data: 3D BAG by 3D Geoinformation Group, TU Delft, januari 2020.

16

Het feit dat er eigenlijk sprake is van twee kernen is nog steeds te ervaren. Tot de Eerste Wereldoorlog stonden deze kernen op zichzelf. Het ‘gemeentebosje’ rond het westelijke Ter Coulsterlaantje vormde een barrière tussen de twee kernen. Daardoor groeiden zij in beginsel niet tegen elkaar aan. Na verloop van tijd is de lintbebouwing steeds meer verdicht, verschenen de eerste villawijken op de strandwal en zijn ook de gebieden tussen de linten bebouwd geraakt. Hierdoor veranderde het dorp van lintvormig in komvormig en ontstond steeds minder een afwisseling tussen open en gesloten. Rondom de oude dorpskern met de Witte Kerk werd na 1915, in het gebied tussen de strandwallen de eerste planmatige uitbreiding gerealiseerd. Na de Tweede Wereldoorlog was de ruimtevraag zo groot dat ook de lagere strandvlakten ten oosten en westen van de strandwallen in gebruik werden genomen als uitbreidingslocaties. Daarbij werd altijd zorgvuldig aangesloten op de schaal van Heiloo en het landelijke en groene karakter. Dit uitte zich onder andere in een ruime stedenbouwkundige opzet en groene bermen, die de overgang tussen openbaar en privégebied verzachtte. De periode na de Tweede Wereldoorlog was ook de tijd dat Heiloo zich ontwikkelde tot forensendorp waar veel mensen woonden die in Alkmaar werkten.

Een belangrijke factor hierbij was, naast de spoorverbinding, ook de aanleg van de autosnelweg A9 die vanaf eind jaren vijftig deels door het gebied van het Die en het Overdie werd aangelegd. Heiloo is daarmee tegen de snelweg aan komen te liggen. Heiloo is toen verder uitgebreid op de lager gelegen strandvlakten en krijgt zijn huidige vorm. De historische kernen rondom het Witte Kerk en het station werden ingrijpend veranderd. Zo werd in de jaren ‘70 winkelcentrum ‘t Loo gebouwd, waarbij een groot deel van de bebouwing langs de Herenweg is verwijderd. Ook de dorpskern rond het station heeft de laatste decennia een schaalvergroting doorgemaakt met verschillende grootschalige voorzieningen.

17

Markante gebouwen De stedenbouwkundige ontwikkeling van de verschillende gebieden wordt mede bepaald door de aanwezigheid van typische en markante gebouwen. Deze gebouwen zijn deels beschermd als monument. Ze vormen vaak identiteitsbepalende bakens in het landschap en geven betekenis aan plekken in de dorpskernen. Voorbeelden zijn de kerktorens, stolpboerderijen, de Varnebroekmolen en de oude fabrieksschoorsteen (vm. Campinaterrein). De poldermolens, zoals de Varnebroekmolen aan Het Maalwater, werden gebruikt voor het droogleggen van de meren tot polders. Deze herinneren samen met de polderdijken en afwateringssloten aan dit verleden. Ook de stolpboerderijen zijn karakteristiek voor het landschap. In de hele provincie Noord-Holland staan nog circa 6.000 stolpboerderijen, waarvan er circa 56 in Heiloo staan (bron: kaartviewer Steunpunt Monumenten & Archeologie Noord-Holland). Deze typische boerderijvorm heeft een zodanig herkenbare verschijningsvorm dat ze het agrarisch verleden van Heiloo in beeld brengen en het landschap verrijken. Kerktorens en de fabrieksschoorsteen vormen letterlijk door hun hoogte herkenningspunten. Vaak markeren ze bijzondere plekken met een voor Heiloo belangrijke historische oorsprong.

18

De Provincie Noord-Holland heeft een Leidraad Landschap en Cultuurhistorie opgesteld. Onderdeel daarvan is de leidraad voor stolpenstructuren en ook landschappelijke bakens zoals kerktorens. Bron: leidraadlc.noord-holland.nl (2018)

Stedenbouwkundige ontwikkeling Oorspronkelijke nederzetting tot ca. 1850 Organisch gegroeide structuren na ca. 1850 Planmatige ontwikkeling 1900 - 1940 Planmatige ontwikkeling 1940 – 1975 Planmatige ontwikkeling 1975 - 1990 Planmatige ontwikkeling 1990 - 2020 Toekomstige ontwikkeling Historisch groen

Kerken Buitenplaatsen Stolpboerderijen Molens Industrieel Spoorwegen Rijkswegen Provinciale wegen

19

2.2. Cultureel erfgoed De gemeente is rijk aan cultureel erfgoed. Het gaat dan om aangewezen monumenten en cultuurlandschappen, maar ook de attentiezone van de Stelling van Amsterdam (Unesco werelderfgoed). Deze vormen met hun historische betekenis, de verschijningsvorm en de ontstaansgeschiedenis belangrijke dragers voor de identiteit van de gemeente. Monumenten en beeldbepalende panden Heiloo telt circa 45 Rijksmonumenten en 50 gemeentelijke monumenten. Daarnaast zijn circa 116 karakteristieke panden aangewezen. De lijsten met alle monumenten en karakteristieke panden zijn te vinden op de gemeentelijke website. Er zijn geen provinciale monumenten. Landgoederen De stedelijke elite, vooral uit Amsterdam en Haarlem, ontdekte in de 17e en 18e eeuw het natuurschoon van Kennemerland en liet hier in de duinzoom en op de oude strandwallen landgoederen en buitenplaatsen bouwen. Buitenplaatsen en landgoederen hebben een ruimtelijke opbouw die naar situering verschilt. In Heiloo is alleen sprake van landgoederen. Er is een duidelijke relatie met het omliggende landschap met bijvoorbeeld bosgebieden en zichtlijnen naar open ruimten en duinen (‘buitenplaats-habitat’). Landgoed Nijenburg (Kennemerstraatweg 278, Heiloo) is aangewezen als rijksbeschermd erfgoed. Hiervoor gelden aanvullende rijksregels. Belangrijk gegeven is dat dit landgoed over de gehele breedte van de strandwal uitstrekt.

Overige landgoederen zijn ter Coulster en Willibrordus. UNESCO Werelderfgoed (alleen attentiezone Stelling van Amsterdam) De Stelling van Amsterdam heeft sinds 1996 de status van Unesco Werelderfgoed. In 2021 is het beschermd gebied van de stelling uitgebreid en vormt de Stelling van Amsterdam samen met de Nieuwe Hollandse Waterlinie één werelderfgoed onder de naam Nederlandse waterverdedigingslinie. Binnen de begrenzing van de Hollandse Waterlinies liggen alle elementen, zoals militaire en waterstaatkundige werken, die de unieke universele waarde van het werelderfgoed bepalen. Daaromheen is sprake van een ‘attentiezone’ (bufferzone). Deze zone is van belang voor de ondersteuning en bescherming van waardevolle elementen, zoals belangrijke visuele en fysieke relaties. Voor het werelderfgoed inclusief de attentiezone geldt dat iedere initiatiefnemer aan moet geven dat ontwikkeling géén negatieve gevolgen heeft voor de uitzonderlijke universele waarde. Een deel van deze zone ligt binnen de gemeentegrenzen van Heiloo.

20

herkenningspunten. Vaak markeren ze bijzondere plekken met een voor Heiloo belangrijke historische oorsprong.

Cultureel erfgoed Rijksmonument Gemeentelijk monument Buitenplaatsen / landgoederen Attentiezone (bufferzone) Hollandse Waterlinies

21

2.3. Ruimtelijke identiteit De voorgaande beschrijvingen van de ontstaansgeschiedenis, ontwikkeling en cultureel erfgoed vormen een belangrijke basis voor de ruimtelijke identiteit van Heiloo. De ruimtelijke identiteit – ook wel ‘couleur locale’ genoemd – wordt ‘gedragen’ door bestaande ruimtelijke structuren, erfgoed en markante gebouwen en plekken. Het is belangrijk om juist deze identiteitsdragers te erkennen, te behouden en waar nodig te versterken. Bij elke ruimtelijke ingreep biedt de identiteit een basis voor fundamentele keuzes in behoud, transformatie of herstel. Hiermee kan ook voor de langere termijn de identiteit geborgd worden.

Strandwalstructuur en bosrijke groene omzoming De ruimtelijke opbouw van het gebied wordt van oudsher bepaald door de noordzuid georiënteerde strandwallen. Op de flanken van deze strandwallen ontstonden langgerekte dorpen; langs de Westerweg en Oosterweg (nu Kennemerstraatweg). In het midden ligt de Hoogeweg op het hoogste punt van de strandwal; in de bebouwde kom bekend als Heerenweg. Kasteel Ter Coulster, Slot Ypestein en landgoed Nijenburg ontstonden op de overgangen tussen de hogere en lagere gronden, ten oosten van de strandwal. Ter Coulster en het uitgestrekte landgoed van Nijenburg (Heilooër Bos) maken samen met de bosrijke recreatiegebieden Oosterbos en Noorder- en Zuiderneg deel uit van de groene omzoming van Heiloo. Het dorp ligt daardoor in een bosrijke, groene omgeving (buffer). Het groen is tevens een terugkerend element in de inrichting van de openbare ruimte. Waardevolle elementen zijn de houtwallen die vanaf de middeleeuwen gebruikt zijn als erfscheiding. Vaak lopen deze wallen parallel aan greppels, waarmee de waterhuishouding werd geregeld, vooral van west naar oost over de oude strandwal. In de oude dorpskern zijn nog twee oude houtwallen; achter de Holleweg en achter de Stationsweg. Maar ook op het landgoed Nijenburg en in het gebied van Zandzoom zijn nog meerdere houtwallen te vinden.

22

Dorps en groen karakter Het dorpse karakter in Heiloo kenmerkt zich door enerzijds samenhang en anderzijds variatie. Aspecten die daarbij in ieder geval een belangrijke rol spelen zijn: de kleinschaligheid en diversiteit aan bebouwing, de beperkte dichtheid, de dorpse inrichting van de openbare ruimte, het vele groen en de relatie tot de ‘dragers’ van het dorpskarakter: de linten. De continuïteit van de lintstructuren en de schaal van de bebouwing zijn bepalend voor de samenhang. Dit geeft samen met de ruime hoeveelheid groenvoorzieningen en voortuinen een bepaalde rust en harmonie in het straatbeeld. Het groene karakter, de rust en harmonie zijn bepalend voor het dorpse karakter en daarmee identiteit van Heiloo. De diversiteit zit in de variatie in stedenbouwkundige opzet van de woonwijken, de bouwstijlen en de inrichting van straten, pleinen en tuinen. De regionale bouwtraditie - overwegend traditioneel - speelt een grote rol, bijvoorbeeld de Heilooër punthuizen. Maar tegelijkertijd legt de variatie zich niet vast op één architectonisch tijds- of stijlbeeld. Eigentijdse en moderne elementen worden daarin toegelaten, maar zijn gebed in de landschappelijke en stedenbouwkundige structuur en niet dominant aanwezig.

Rijke historie Het rijke culturele erfgoed van Heiloo ligt verspreid door de gemeente. De stolpboerderijen aan de linten en de 19e en 20e eeuwse tuinderactiviteiten aan de zuidzijde van Heiloo herinneren aan het agrarische verleden. De voorname lintbebouwing, villa’s en buitenplaatsen vertegenwoordigen het welvarende Heiloo als woonkern. Ook de kerken en groene invulling van het gemeentebosje als fysieke scheiding tussen het protestantse en katholieke deel van het dorp hebben een unieke historische betekenis. Het erfgoed geeft een beeld aan het specifieke verhaal en eigenheid van Heiloo. Voor het toerisme is het cultureel erfgoed een kans.

23

24

Stolpboerderij in het buitengebied (Zandzoom).

3. GEBIEDSGERICHT BELEID Elk gebied heeft zijn eigen gebruikers, functies, uitstraling en ontwikkeling en daarmee ook een eigen omgevingskwaliteit. De gemeente streeft dan ook naar gebiedsgerichte aanpak afgestemd op de kwaliteiten van het gebied.

3.1. Gebiedstypering en regieniveaus 3.1.1. Gebiedstypering Op basis van de ruimtelijke context is onderscheid gemaakt in verschillende gebiedstypen. Dit onderscheid is vooral gebaseerd op cultuurhistorische en landschappelijke betekenis en de ruimtelijk-functionele eenheid van een gebied. Een gebiedstype omvat meerdere deelgebieden. Lintstructuren - Kennemerstraatweg - Nicolaas Beetsweg - Heerenweg - Hoogeweg - Holleweg - Westerweg - Oosterzijweg

Klik op een gebiedstype om direct naar de uitwerking te gaan.

-

Haaks op de linten: Kerkelaan, Zeeweg, Stationsweg, Zevenhuizerlaan, Vennewatersweg, Krommelaan en Kapellaan. Deze linten zijn minder historisch maar hebben wel een duidelijke lintstructuur.

Woongebieden Samenhangende gebieden met vooral een woonfunctie en eigen karakteristiek passend bij het tijdsbeeld van de bouwperiode. a. b. c. d. e. f. g. h. i. j. k. l.

Blockhovepark (1900-1940) De Rietvink Egelshoek Koningsveld Melco Nieuw Varne Noordergeest Noordwest (Het Baafje) Noordwest (Plan West 1) Oost Oosterbos Oosterzij (De Lus)

m. Tuindorp n. Wilgenlaan o. Ypestein (Noord) p. Ypestein q. Zandzoom (in ontwikkeling) r. Zilverhof s. Zuid t. Zuiderloo (in ontwikkeling) u. Zuidwest (Plan West 2) v. Zuidwest (Plan Bouwcamp) w. Zuidwest (Plan Malevoort)

25

Overzichtskaart gebiedsindeling

Gebiedstypering Lintstructuren Bijzondere complexen Woongebieden Centrumgebieden (gemengde voorzieningen) Bedrijventerreinen Sport- en recreatieterreinen Buitengebieden Strandwallen en -vlakten Groene omzoming 26 Droogmakerijen

Bijzondere complexen - Witte kerk - Landgoed Willibrordus - Onze Lieve Vrouw ter Nood / Julianaklooster. Centrumgebieden (gemengde voorzieningen) - Winkelcentrum ’t Loo en omgeving - Stationsomgeving Heiloo Bedrijventerreinen - Boekelermeer Heiloo (Kanaalweg) - Oude Werf - Oosterzij (in transformatie naar woon-werk gebied) Sport- en recreatieterreinen - Sportpark Het Maalwater - Sportpark Vennewater - Volkstuintjes Vlooiendijk - Golf- en countryclub Heiloo. Buitengebieden - Strandwallen en -vlakten (incl. groene omzoming) - Droogmakerijen (Maalwaterpolder, Boekelermeer polder).

3.1.2. Regieniveaus De verschillende niveaus geven richting aan de mate aan kwaliteitszorg en benodigde regie. Die varieert: sommige situaties vragen meer betrokkenheid van de gemeente dan andere. Het gaat niet om het kwaliteitsniveau maar om de mate aan kwaliteitstoezicht die nodig wordt geacht. Oftewel: hoe hoog ligt de lat en hoe intensief is de betrokkenheid van de gemeente als regisseur van omgevingskwaliteit. Alle niveaus bieden ruimte voor vernieuwing, mits in de aangegeven mate rekening wordt gehouden met de aanwezige kwaliteiten. Beschermd beoordelingsniveau Voor alle monumenten en karakteristieke panden is een beschermd beoordelingsniveau van toepassing met de nadruk op bescherming van de aanwezige cultuurhistorische waarden. Nieuwe ontwikkelingen zijn mogelijk, mits ze de te beschermen waarden ondersteunen.

27

Regieniveaus

28Basis

Beperkt

Basis beoordelingsniveau Voor deze gebieden is een basis beoordelingsniveau van toepassing. Voor deze gebieden is het beleid gericht op het behouden, herstellen of verbeteren van de ruimtelijke kwaliteit. Bij veranderingen of ontwikkelingen is de regie er op gericht dat een ingreep moet ‘passen’ in de omgeving en op het voorkomen van ingrepen die afbreuk doen aan de aanwezige omgevingskwaliteit. Ontwikkelingsgebied Zandzoom Voor Zandzoom, het ontwikkelingsgebied aan de zuidkant van Heiloo, is een Kwaliteitsteam gemandateerd voor de plantoetsing. Vanaf het vaststellen van het bestemmingsplan zal het daaraan gekoppelde beeldkwaliteitskader als criterium worden gehanteerd. Tot die tijd zullen voor bouwinitiatieven (binnen het vigerende bestemmingsplan) de criteria in deel B voor de beoordeling van het uiterlijk van bouwwerken gehanteerd worden.

Beperkt beoordelingsniveau Voor deze gebieden ligt de verantwoordelijkheid voor een goede omgevingskwaliteit bij de initiatiefnemer en omwonenden. Als er in ernstige mate afbreuk wordt gedaan aan de aanwezige omgevingskwaliteit kan sprake zijn van een exces en kan de gemeente ingrijpen. Experiment welstandsluw beleid 2013-2018 Tussen 2013 en 2018 heeft een experiment plaatsgevonden met welstandsluw beleid. Er zijn in 2013 drie woongebieden aangewezen waarvoor de welstandsbeoordeling beperkt werd tot een aantal ‘spelregels’. Het gaat om delen van Plan Oost, Plan Zuid en het Oosterbos. Een evaluatie leidde binnen de nieuwe opzet van deze nota tot de volgende conclusies. Plan Oost heeft gedurende de looptijd van het experiment geen duidelijke teruggang in de omgevingskwaliteit ondergaan. De kritische ondergrens van ruimtelijke samenhang is wel bereikt. Daarom is besloten voor deze wijk het basis beoordelingsniveau toe te kennen. Dit geeft met de sneltoetscriteria voldoende ruimte om een woning uit te breiden of aan te passen en tegelijkertijd ook meer mogelijkheden om vanuit de gemeente te sturen op kwaliteit. In Plan Zuid is het straatbeeld met nieuwe dakopbouwen nog minder samenhangend geworden. Verwachting is dat meer regie niet voor verbetering zal zorgen. Daarnaast is het wenselijk om in deze wijk ook in de toekomst ruimhartiger om te gaan met bouwplannen.

In het Oosterbos is geen aantasting van de omgevingskwaliteit geconstateerd. Continuering van het welstandsluwe beleid is dus mogelijk. Voor Plan Zuid en het Oosterbos kan de terughoudende regie vanuit de gemeente voortgezet worden met het beperkte beoordelingsniveau.

3.1.3. Randen en overgangsgebieden De kwaliteiten van de verschillende gebieden ontmoeten elkaar in de overgangsgebieden aan de randen. Het buitengebied heeft bijvoorbeeld andere kwaliteiten dan een bedrijventerrein. Op de grenzen tussen gebieden mag worden verwacht dat de aanwezige uitstraling van een gebied geen nadelige invloed heeft op het naastgelegen gebied. Dat betekent dat hogere eisen gesteld kunnen worden aan de uitstraling van ingrepen aan randen die grenzen aan gebieden met een hoger regieniveau.

29

3.2. Gebiedskwaliteiten In de volgende paragraven zijn per gebiedstype een beschrijving, de gebiedskwaliteiten en de ambities uitgewerkt. De ambities zijn bepaald op basis van bestaande beleidsdocumenten. Ze worden gebruikt bij de beoordeling van ruimtelijke ingrepen en ontwikkelingen waarvoor een omgevingsvergunning nodig is. De beoordelingsgrondslag en gebiedsgerichte kwaliteiten en ambities kunnen met het omgevingsplan bekrachtigd worden.

3.2.1. Lintstructuren Heiloo is een lintdorp dat is ontstaan op de strandwal die zich uitstrekt tussen Uitgeest en Alkmaar. Langs deze noord-zuidroutes hebben zich in de loop van de tijd bebouwingslinten gevormd. Vooral de laatste eeuw heeft verdichting plaatsgevonden. Het onderscheid en de overgang van de strandwal naar de strandvlakte is nog steeds duidelijk aanwezig. De noord-zuidroutes volgen min of meer de aanwezige hoogtelijnen van de strandwal. Vandaar dat ze vaak lichte krommingen vertonen. De oost-westverbindingen in het gebied zijn veelal rechtlijnig. Zij volgen de kortste afstand over de strandwal naar de lager gelegen strandvlaktes. Oorspronkelijk lagen aan de linten voornamelijk stolpboerderijen met daarachter agrarische terreinen. Na verloop van tijd is deze lintbebouwing verdicht zodat steeds minder afwisseling tussen open en gesloten is ontstaan. Tegenwoordig hebben deze linten voornamelijk een woonfunctie. Langs de Kennemerstraatweg zijn tussen 1850 en 1940 vele voorname huizen gebouwd, zowel vrijstaande als twee-onder-één-kapwoningen. De bebouwing is overwegend kleinschalig en vrijstaand met soms doorzichten naar het achtergebied. De architectuur is zorgvuldig, traditioneel en dorps. De individuele woonhuizen hebben overwegend één bouwlaag, een pannendak met de nokrichting haaks of evenwijdig op de weg. Het kleurgebruik is wisselend.

De bouwvolumes zijn min of meer symmetrisch. Erkers en verbijzonderingen aan de gevels zijn mede bepalend voor het straatbeeld. Ook zijn er enkele woningblokken met twee of drie woningen onder één kap. De blokken zijn zowel met één als met twee bouwlagen uitgevoerd. De noklijn van de kap is meestal evenwijdig aan de straat.

30

Typisch bebouwingsbeeld van een lintstructuur (Heerenweg).

31

Gebiedskwaliteiten lintstructuren - Oorspronkelijke (landschappelijke) structuur volgend aan de strandwal. - Aanwezige doorzichten tussen bebouwing (vooral in buitengebied). - Het Heilooër wegprofiel met eenvoudige wegindeling en een groen karakter door de begroeide voortuinen, solitaire bomen en soms laanbeplanting. - Waar de perceelrichting niet loodrecht op de weg staat, hebben de woningen vaak een gestaffelde voorgevelrooilijn. - Kleinschaligheid en gevarieerd karakter van bebouwing. Vooral vrijstaand of twee-onder-één kap. - Een overheersend traditionele architectuur met gemetselde gevels, verticale gevel openingen, hellende daken en toepassing van baksteen, gebakken dakpannen, hout en natuursteen. - Aanwezigheid van: o Herkenbare oriëntatiepunten en onderbrekingen van de linten zoals kerken en andere unieke panden of plekken. o De Heilooër punthuizen met puntige voorgevels door dwarskap. o De stolpboerderijen met herkenbare hoofdvorm van een lage vierkante begane grondlaag en piramidevormig kap. o Overige cultuurhistorisch waardevolle bebouwing aangewezen als monument of karakteristiek gebouw. Ambities lintstructuren - Bescherming van de typerende cultuurhistorische, landschappelijke en architectonische karakteristieken van het gebied. - Per bebouwingslint respecteren van de individuele eigenheid in structuur en karakteristiek.

- Behoud van bestaande verkavelingsstructuur, korrelgrootte, schaal en oriëntatie gericht naar de openbare weg als ook de samenhangende massa, detaillering, materiaal- en kleurgebruik van het individuele pand. - Voorkomen van grote schaalsprongen, alleen op stedenbouwkundig geëigende plekken en/of wanneer sprake is van een bijzondere publieke functie (school, kerk, theater, etc.). - Behouden van de doorzichten tussen bebouwing. - Voorkomen van een te grote scheiding tussen privé en openbaar gebied.

32

De lintstructuren kenmerken zich door het kleinschalige en gevarieerd karakter van bebouwing en door het eenvoudige groene Heilooër profiel met een rijbaan, groene bermen met bomen en begroeide voortuinen.

33

34

Julianaklooster (1933) bij Onze Lieve Vrouw ter Nood.

3.2.2. Bijzondere complexen Heiloo kent drie bijzondere complexen: Witte Kerk, het terrein van de voormalige St. Willibrordusstichting en Onze Lieve Vrouw ter Nood/Julianaklooster. Deze complexen zijn niet alleen van historisch belang, maar ook beeldbepalend voor het aanzien van Heiloo. Witte kerk De dorpskern wordt sinds eeuwen bepaald door de Witte kerk, aangewezen als rijksmonument sinds 1967. Deze naam dankt het aan de pleisterlaag die in het begin van de negentiende eeuw werd aangebracht teneinde het uniform uiterlijk te geven. Uit onderzoek is gebleken dat de kerkheuvel tot de oudste middeleeuwse plaatsen in Kennemerland hoort. De kerk staat op de plaats van een houten voorganger die dateert uit circa 720. De huidige kerk is gebouwd tussen de 11e en 17e eeuw. De oudste delen van de tufstenen kerk dateren uit het begin van de elfde eeuw, de toren is een latere toevoeging en vertoont kenmerkend van de Romaanse bouwstijl. Aan het water van de Willibrordsput is een bijzondere kracht tegen ziekte toegeschreven. De voorganger van de Willibrordsput dateert vermoedelijk uit de tiende eeuw. De vorm van de put is een onregelmatige zevenhoek en is in 1950 herbouwd en in 2010 gerestaureerd. Sint Willibrordusstichting In de late Middeleeuwen zijn meerdere versterkte huizen gebouwd op de flanken van de hoger gelegen (droge) strandwal. Het Huys Ypenstein was één van deze gebouwen.

Eind jaren ’20 van de vorige eeuw is dit gesloopt voor de bouw van het huidige landgoed van de St. Willibrordusstichting. Landgoed Willibrordus is opgezet als buitenplaats voor een katholiek psychiatrische inrichting, maar inmiddels hebben veel gebouwen een nieuwe functie gekregen. In de filosofie van die tijd werd een kloostergelijke opzet toegepast gecombineerd met losse paviljoens. Het geheel paste in het landschap als een buitenplaats. De architecten hebben met hun plan een Gesamtkunstwerk willen maken: een eenheid tussen voor die tijd kenmerkende bakstenenarchitectuur, interieur, tuinarchitectuur en beeldhouwkunst. In 1940 was het complex helemaal gereed. In de loop der jaren is van de aanvankelijke beslotenheid een opener en toegankelijker instelling ontwikkeld. Het vormt nu een parkachtige omgeving met losse bebouwing uit verschillende perioden. De Koepelkapel is van verre zichtbaar en fungeert als baken. Het terrein is in zijn geheel aangewezen als rijksmonument.

35

Onze Lieve Vrouw ter Nood / Julianaklooster Het Heylicheloo (bos) was ooit een heilige plaats van de Germanen, waar volgens de legende Willibrordus omstreeks 700 een katholiek kerkje liet bouwen. De nabij gelegen kapel van Onze Lieve Vrouw ter Noord was in de Middeleeuwen een bekende bedevaartsplaats vanwege de Runxput met geneeskrachtig water. Tijdens het beleg van Alkmaar in 1583 werd het heiligdom verwoest. ‘Het kapelbosje’ bleef pelgrims trekken. In 1905 werd de Runxput herontdekt, wat aanleiding gaf tot wederopbouw van het complex. Het vormt een parkachtig geheel in een Engelse landschapsstijl met traditionele, katholieke bebouwing uit het begin van de twintigste eeuw. Het geheel bestaat uit een Bedevaartskerk, de Calvarieberg, De Kruiswegstatie en Genadekapel met voorhof om de Runxput. Het complex is aangewezen als rijksmonument. Het Julianaklooster (1930) wordt door middel van een kloostermuur van het terrein van het bedevaartsoord gescheiden en is aangewezen als gemeentelijk monument.

Sint Willibrordusstichting, bron: Steunpunt Monumenten en Archeologie Noord-Holland.

36

Gebiedskwaliteiten bijzondere complexen - Cultuurhistorische betekenis en eigenheid van plek en gebouwen. - Witte Kerk: o Markering van het gebied waar in de Middeleeuwen het dorp Heiloo is ontstaan. Nog steeds een verstilde plek grenzend aan het centrumgebied. o Kerktoren als opvallend baken, duidelijk zichtbaar in de directe omgeving. - Willibrordus: o Parkachtig coulisselandschap: groene kamers (ruimtelijke eenheden) afwisselend ingericht met velden, waterpartijen, bebouwing; verbonden door bomenlanen en waterstructuren. o Grote gebouwen met een heldere hoofdmassa, alzijdig vormgegeven. o Symmetrische hoofdgebouw aan de Kennemerstraatweg als fraai voorbeeld van bakstenenarchitectuur met bijzondere architectonische stijlelementen en een Koepelkapel als baken in het landschap. - Onze Lieve Vrouw ter Nood / Julianaklooster: o Groen, rustig en besloten karakter van het bosgebied. o De ensemblewaarde van de op de religie gerichte bebouwing en de functionele relatie met het parkachtige terrein. Ambities bijzondere complexen - Behouden van cultuurhistorische betekenis en uitstraling van gebouwen en terreinen. - Respecteren van ensemblewaarde van de afzonderlijke complexen.

37

3.2.3. Woongebieden De verschillende woongebieden zijn ontstaan in verschillende perioden. In deze perioden werd verschillend gedacht over stedenbouw en architectuur, wat vaak voortkwam uit maatschappelijke ontwikkelingen en gedachten over de inrichting van de samenleving. De uitgangspunten op basis waarvan gebieden zijn gegroeid en opgebouwd vormen een cultuurhistorische waarde op zich. 1900-1940: eerste planmatige dorpsuitbreidingen (traditionalisme) Een voorbeeld van één van de eerste planmatige uitbreiding is ‘Tuindorp’, een plan dat dateert uit 1913 en vorm kreeg vanaf 1917. Het werd van noord naar zuid gebouwd, waarvan het merendeel in de kenmerkende jaren ’30 architectuur (Laarmanstraat, Van Doornstraat en Van Catsstraat). De bebouwing wordt gekenmerkt door twee-onder-één-kap en vrijstaande woningen van één en twee bouwlagen met grote kappen en overstekken. Opvallend zijn de typische ‘Heilooër punthuizen’. Blockhovepark dateert ook uit deze periode. In 1933 werden De Blinkenlaan, Curtiuslaan, Van Foreestlaan en Jan Ruslaan aangelegd. De straten hebben er een uitgesproken groen karakter door rondom de huizen gelegen tuinen met grote bomen, de toepassing van straatbomen in de grasbermen en het ontbreken van trottoirs. De bebouwing is vrijstaand en gevarieerd in een vooral traditionele bouwstijl. Opvallend zijn de meerdere wit gekeimde gevels.

1940-1975: seriematige uitbreidingen (functionalisme) De bouwopgave was na de oorlog enorm en er werd dan ook voor het eerst grootschalig buiten de strandwal gebouwd. Door de woningnood zijn de woningen dichter op elkaar gebouwd dan voorheen en ontstonden de eerste rijenwoningen in Heiloo. Er is geprobeerd om vast te houden aan de kleinschalige manier van bouwen. De traditionalistische bouwstijl is gehandhaafd en er is niet of nauwelijks overgegaan tot de bouw van grote portiek- of galerijflats. De wijken worden gekenmerkt door een sterk rechtlijnige opzet met vrijstaande woonhuizen en bouwblokken van vier tot acht woningen. De openbare ruimte is ruim opgezet met een functionele en groene inrichting door de aanwezigheid van grasbermen, voortuinen, laanbeplanting en vele waterpartijen. De architectuur bestaat uit grondgebonden doorzonwoningen van twee bouwlagen en zadelkap in een dezelfde stijl vormgegeven. De vrijstaande woningen hebben een individuele uitstraling binnen de stijlkenmerken van deze periode. Voorbeelden van dit tijdsbeeld zijn de woongebieden Noordergeest, Plan Zuid, Plan Oost, Plan West 1 en 2.

38

Eerste planmatige uitbreiding tussen 1900 en 1940 rondom de dorpskern met de herkenbare Heilooër punthuizen.

Herhaling van woonblokken met rijwoningen in West. Mede door de lagere ligging (strandvlakten) zijn veel waterpartijen en groenvoorzieningen aanwezig.

39

1975-1990: bloemkoolwijken (structuralisme) Waar de planmatig opgezette woonwijken uit de jaren ’50 en ’60 vooral gekenmerkt worden door een rechtlijnige opzet. Wordt vanaf 1975 de opzet minder strak. De typerende bloemkoolstructuur doet zijn intrede met besloten wijken en aandacht voor een menselijke schaal waarin bewoners zich thuis voelen. Kleinschalige en grillige structuren en aandacht voor ontmoetingsplekken waren uitgangspunten. De woningen zijn overwegend geclusterd in kleinere ruimtelijke eenheden met hofjes, pleintjes en woonerven. Er is regelmatig sprake van een directe aansluiting tussen tuinen met schuttingen en de openbare weg, mede doordat veel achterzijden georiënteerd zijn op openbare weg. Per eenheid is er een duidelijke samenhang in architectuur, stratenpatroon en inrichting van de openbare ruimte. De grasbermen worden hier vervangen door zones met hagen en struiken. Herkenbaar voorbeeld van deze periode is Malevoort en het noordelijk deel van Ypestein met woonerven. 1990 - 2015: thematische uitbreidingen (gemengde stijlvormen) De afgelopen decennia zijn woonwijken gebouwd met meer variatie in architectuurvormen, woontypologieën en stedenbouwkundige vormen (gebogen vormen, ellipsvormen en cirkels).

Er is veelal sprake van een integraal ontwerp waarbij de landschappelijke ondergrond (lintstructuren en overgang strandwal-strandvlakte), de stedenbouwkundige uitleg en de architectonische invulling op elkaar aansluiten en elkaar versterken. Duurzaamheid en respect voor aanwezige cultuurhistorische aspecten spelen daarbij een belangrijke rol. De bebouwing kenmerkt zich door een zorgvuldig afgewogen variatie met samenhang op buurtniveau of stedenbouwkundige eenheid. De woningen bestaan over het algemeen uit twee of drie lagen met kap of plat dak. Voorbeelden van uitbreidingen uit deze periode zijn Ypestein en Egelshoek. Aan de zuidoostkant, in de wijk Oosterbos zijn in deze periode kavels uitgegeven voor vrijstaande woningen te midden van een aangelegd bos uit de jaren negentig.

40

De woonwijk Malevoort kenmerkt zich door de typerende stedenbouwkundige opzet met besloten woonbuurten en grillige structuren.

De woonwijk Egelshoek is een fraai voorbeeld van een integraal ontwerp waar architectuur, stedenbouw en openbare ruimte samenkomen.

41

2015-heden: back-to-basic (duurzaam, kleinschalig) De kredietcrisis van 2007-2011 heeft ook in de stedelijke ontwikkeling zijn sporen achter gelaten. Grote woningbouwprojecten namen af en tegelijkertijd is de bewustwording voor het klimaat en verduurzaming verder toegenomen. Het heeft geresulteerd in andere vormen van stedenbouw en architectuur. De schaal is kleiner en de diversiteit groter. Van minder planmatig en herhaling van hetzelfde naar een ontwikkeling met een meer individuele invulling van woonwensen. Opvallend aanwezige architectuurbeeld is de revival en variatie op de traditionele jaren ‘30 stijlvormen. Dit is te zien in Oosterzij en Nieuw Varne. Het woongebied Melco onderscheid zich van de typische jaren 30 woningen doordat hier sprake is van aansluiting op een meer industriële bouwstijl. Zuiderloo en Zandzoom maken onderdeel uit van het omvattende plan ‘Wonen in het groen’. Zuiderloo heeft een meer dorps karakter en Zandzoom een meer landelijk karakter waarbij de verkaveling, openbare ruimte en het architectuurbeeld nog meer geënt worden op de landschappelijke structuur en karakteristieken.

Variatie op de traditionele jaren ‘30 stijlvormen in de wijk Zuiderloo.

42

Gebiedskwaliteiten woongebieden - Identiteit en uitstraling zijn herkenbaar aan de bouwperiode dat ze gerealiseerd zijn. De stedenbouwkundige opzet, inrichting openbare ruimte en architectuur zijn bepalend voor de samenhang. - De structuur en verkaveling zijn veelal gerelateerd aan de oorspronkelijke landschappelijke structuur van strandwal en linten. - De woonwijken kenmerken zich door de ruime opzet, groen karakter en kleinschaligheid van bebouwing. - In het straatbeeld is het ‘Heilooër punthuis’ ruim vertegenwoordigd. - De architectuur wordt, net als de stedenbouwkundige opzet, gekenmerkt door een zekere mate van verfijning en openheid naar de openbare ruimte. - Grootschalige voorzieningen (scholen, verzorgingshuizen e.d.) zijn onderdeel van de structuur van de wijk, maar hebben vaak een eigen uitstraling in omvang of architectuur. Ambities woongebieden - Behouden van de samenhang op wijk-, buurt- of bouwblokniveau. Voorkomen van verrommeling straatbeeld door ‘on-eigen’ individuele ruimtelijke inpassingen van ingrepen in openbare ruimte, bouwplannen, reclametoepassingen, nieuwe functies, e.d. - Respecteren van aanwezige bebouwingsbeeld, verkavelingsstructuur, korrelgrootte en schaal. - Op stedenbouwkundig geëigende plekken (langs hoofdstructuren, hoeken etc.) kunnen verbijzonderingen in functie, vorm en omvang de stedenbouwkundige structuur versterken.

- Aangezien de bestaande woongebieden het overgrote deel van de gebouwen bevatten ligt hier de grootste kans op substantiële verduurzaming.

43

3.2.4. Centrumgebieden (gemengde voorzieningen) Heiloo kent van oorsprong twee kernen. Beiden zijn de afgelopen decennia getransformeerd tot centrumgebieden met gemengde voorzieningen. Deze gebieden kenmerken zich door grootschalige publieke gebouwen en ruimten. -

Winkelcentrum ’t Loo en omgeving Stationsomgeving Heiloo

Stationsomgeving De stationsomgeving ligt in het midden van de bebouwde kom, op het kruispunt van belangrijke wegen; de Stationsweg-Zeeweg en de Heerenweg. De rotonde vormt een verkeerskundig knooppunt. De Zeeweg neemt het doorgaande oostwestverkeer voor zijn rekening. Het gebied bestaat uit gemengde functies waaronder wonen, winkels, station en de enige openbare ondergrondse parkeergarage van Heiloo. Er is sprake van een mengeling van oudere individuele panden en grootschaliger nieuwbouw. Het bebouwingsbeeld is daardoor gedifferentieerd. Dit geldt zowel voor de bouwmassa’s, de architectuur als voor de toegepaste materialen en kleuren. De maximale bouwhoogte van de nieuwbouw bedraagt vier bouwlagen. De nog aanwezige lintbebouwing aan de Stationsweg en Heerenweg herinnert aan het oorspronkelijke kleinschalige dorpsbeeld. Winkelgebied ’t Loo Winkelcentrum ‘t Loo en omgeving vormen het hart van Heiloo. In het gebied zijn zowel het gemeentehuis, als winkel-, maatschappelijke-, culturele- en woonfuncties aanwezig. Het grootschalige overdekte winkelcentrum ‘t Loo neemt hierin een centrale positie in. Hierdoor is sprake van een duidelijke schaalsprong in het lint. De winkels zijn hoofdzakelijk gericht op een interne overdekte straat, de buitenzijde aan de Willibrordusweg en Heerenweg oogt gesloten ondanks de grote entreepartijen en enkele open puien met winkels en horeca.

De architectuur van het winkelcentrum uit 1976 kenmerkt zich door samengesteld laag volume met plat dak en kap met grote overstekken, markante entrees, licht zandkleurige en roodbruine baksteen met grijze accenten en betimmering. Verder zijn voor het gebied het oude Raadhuis (1927) en de Witte Kerk beeldbepalende panden. Aan het Raadhuisplein is het gemeentehuis gelegen. Voor het overige is het bebouwingsbeeld van het gebied gemengd.

44

Gebiedskwaliteiten centrumgebieden - Individuele herkenbaarheid publieke gebouwen (bijvoorbeeld de winkelcentra in het stationsgebied en 't Loo). - Aanwezigheid van cultuurhistorisch waardevolle bebouwing en fragmenten zoals het vm. raadhuis en lintbebouwing aan Stationsweg en Heerenweg. - Duidelijke en herkenbare functie van openbare ruimten. Ambities centrumgebieden - Aandacht voor luifels en reclame-uitingen, voorkomen van overdaad en verrommeling. - Openbaarheid en toegankelijkheid naar straatzijde (linten) behouden of verbeteren. - Behouden en waar nodig versterken van uitstraling en individualiteit lintbebouwing. - Versterken van de samenhang en inrichting openbare ruimte.

Winkels Raadshuisweg. Doorlopende luifels tast individuele uitstraling van lintbebouwing aan.

45

3.2.5. Bedrijventerreinen De bedrijventerreinen zijn kleinschalig en veelal voor lokale bedrijven die oorspronkelijk in de kern waren gevestigd. Uitzondering is Boekelermeer Zuid fase 3 (Kanaalweg) dat onderdeel uitmaakt van het grotere bedrijventerrein Boekelermeer dat merendeels in Alkmaar ligt. De stedenbouwkundige structuur is veelal ontleend aan de bestaande landschappelijke structuur en logisch aansluitend op de bestaande infrastructuur. De terreinen hebben een sterk op de functie gerichte uitstraling. Dit betekent dat er in de inrichting en indeling veel aandacht is besteed aan het functioneel gebruik van de ruimte. De bebouwing heeft over het algemeen een utilitair karakter. De bebouwing is evenwijdig aan de weg en bestaat uit één hoge bouwlaag of twee bouwlagen. Er is over het algemeen sprake van een horizontale gevelopbouw. Hoekpanden hebben soms een hoogte of architectonisch accent. Daken zijn plat of met een flauwe helling vormgegeven. Op sommige terreinen is sprake van samenhang, maar bij meerdere terreinen is sprake van een verscheidenheid in inrichting en architectuur. Materiaal- en kleurgebruik is over het algemeen sober en functioneel, soms verouderd. Gebiedskwaliteiten bedrijventerreinen - De terreinen hebben een functioneel karakter en daarbij passende uitstraling.

- Schaal en inpassing zijn redelijk in harmonie met het dorpse karakter van Heiloo in afnemende mate met de afstand tot het dorpscentrum. Ambities bedrijventerreinen - Behouden of verbeteren van de basiskwaliteit om verrommeling te voorkomen. - Benutten van zichtlocaties voor representatieve bebouwing. - Zachte 'groene' overgangen dan wel goed afgestemde randen naar het buitengebied. - Voorkomen van verrommeling door bijvoorbeeld opslag, uitstallingen en reclame-uitingen. - Grote bedrijfspanden zijn bij uitstek geschikt voor zonnepanelen.

46

3.2.6. Sport- en recreatieterreinen Er zijn verschillende sportterreinen met elk een eigen opzet en ligging. Deze terreinen kenmerken zich door open ruimtes (sportvelden) omgeven door een groene rand. De bebouwing op deze complexen is gericht op de functie en beperkt tot binnensportgebouwen, kleedkamers, clubgebouwen, tribunes en opslagruimtes of combinaties daarvan. Ze zijn veelal als vrijstaande objecten in de ruimte geplaatst. Zij zijn daardoor van meerdere kanten zichtbaar. De bebouwing bestaat over het algemeen uit één laag met een plat dak of een laag zadeldak. Grotere sport- en recreatiecomplexen zijn Het Vennewater, Het Maalwater, Golf& countryclub Heiloo en het volkstuinencomplex Vlooiendijk. Gebiedskwaliteiten sport- en recreatieterreinen - Groene omlijsting en landschappelijke inpassing van sport- en recreatieterreinen. - Beperkte omvang en schaal aan bebouwde voorzieningen, vooral geclusterd op één plek. Behalve de volkstuinen, die kennen een gespreide verscheidenheid aan kleine bouwwerken. Ambities sport- en recreatieterreinen - Duidelijke relatie met de landschappelijke omgeving behouden. Voor de volkstuinen geldt dat alleen voor de randen. - Vrijstaande gebouwen vragen om een alzijdige vormgeving met hoge beeldkwaliteit. - Door nieuwe gebouwen mogen de terreinen niet dichtslibben. - Grote sportgebouwen zijn bij uitstek geschikt voor zonnepanelen.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Heiloo&id=8dd2f506-bc2d-49e4-b40a-9f865b4ddecb