Natuurtoets aanvullend onderzoek Westerhoeve
Tekst van het document
Natuurtoets “Westerhoeve, Heiloo” Gemeente Heiloo
• Aanvullend onderzoek
Rapport 01/360 AFO Advisering & Onderzoek Titel en subtitel Natuurtoets “Westerhoeve, Heiloo” Gemeente Heiloo •
Aanvullend onderzoek
Auteur(s) drs. A. H. Swaan Opdrachtgever: Bungalow- en caravanpark Westerhoeve Westerweg 377a 1852 ER Heiloo Opdrachtnemer AFO Advisering & Flora- en faunaOnderzoek Limmerweg 46 1935 AM Egmond-Binnen www.afo-onderzoek.nl e-mail: info@afo-onderzoek.nl Datum publicatie: februari 2023
© AFO Advisering & Flora- en fauna Onderzoek, 2023 Niets uit deze rapportage mag zonder voorafgaande schriftelijke toestemming van AFO en de opdrachtgever openbaar gemaakt worden door middel van druk, fotokopie, websites etc..
Natuurtoets “Westerhoeve, Heiloo” Gemeente Heiloo • Aanvullend onderzoek
Rapportage: A. H. Swaan
AFO Advisering & Onderzoek Rapport 01/360
Heiloo, februari 2023
Inhoudsopgave: SAMENVATTING
3
1
5
INLEIDING
LEESWIJZER
5
2
6
GLOBALE BESCHRIJVING LOCATIE & VOORGENOMEN ONTWIKKELING 2.1 2.2 2.3
3
4
6 7 7
AANVULLEND ONDERZOEK
9
3.1 INLEIDING 3.2 MARTERACHTIGEN 3.2.1 Inleiding 3.2.2 Methode 3.2.3 Resultaten 3.3 VLEERMUIZEN 3.3.1 Inleiding 3.3.2 Materiaal & Methode 3.3.3 Resultaten 3.3.4 Conclusie & discussie 3.4 VOGELS 3.4.1 Inleiding & Methode 3.4.2 Huismus 3.4.3 Roofvogels & uilen 3.4.4 Methode 3.4.5 Resultaten 3.4.6 Conclusie 3.5 RUGSTREEPPAD 3.5.1 Methode 3.5.2 Resultaten 3.5.3 Conclusie & discussie
9 10 10 10 11 13 13 13 14 17 18 18 18 19 19 19 20 21 21 21 22
EFFECTBEOORDELING
24
4.1 4.2 4.3 4.4 4.5 5
INLEIDING BESCHRIJVING LOCATIE VOORGENOMEN ONTWIKKELING
INLEIDING MARTERACHTIGEN VLEERMUIZEN VOGELS RUGSTREEPPAD
24 24 24 24 25
CONCLUSIE WET NATUURBESCHERMING: SOORTBESCHERMING 5.1 5.2
26
DOELSOORTEN AANVULLEND ONDERZOEK OVERIGE VOGELSOORTEN
26 26
6
PREVENTIEVE MAATREGELEN & ADVIES
28
7
LITERATUUR/BRONNEN
29
Natuurtoets
“Westerhoeve”
2
Heiloo Aanvullend Onderzoek
Samenvatting ➢ -
-
Inleiding Voor een planlocaties in Heiloo (NH) werd in het kader van een Natuurtoets een aanvullend onderzoek uitgevoerd voor het onderdeel soortbescherming Wet natuurbescherming. Opdrachtgever voor dit onderzoek was Bungalow-en caravanpark Westerhoeve. De Natuurtoets werd uitgevoerd in het kader van een ruimtelijke ontwikkeling. Het voornemen is op het terrein van een bungalow- en caravanpark woningbouw te realiseren. Voor deze ontwikkeling werd eerder een QuickScan Natuurtoets verricht, waarbij één van de conclusies was dat nader onderzoek naar het gebruik van de locatie door vleermuizen, marterachtigen, enkele vogelsoorten en Rugstreeppad noodzakelijk was. Zonder aanvullende informatie over deze soortgroep kon onvoldoende beoordeeld worden of de Wet natuurbescherming mogelijk overtreden zou kunnen worden bij de voorgenomen ontwikkeling.
➢
Aanvullend onderzoek
• -
Uitvoering & methode Het aanvullende veldonderzoek vond plaats van april tot oktober 2022. Bij het onderzoek naar de aanwezigheid van vleermuizen vormde het zogeheten vleermuisprotocol 2021 de leidraad bij de toegepaste onderzoeksmethode. Rugstreeppad, marterachtigen en enkele vogelsoorten werden volgens standaardmethode geïnventariseerd o.a. vermeld in het Kennisdocument over deze soorten (BIJ12 &, inventarisatieprotocollen NGB). In enkele gevallen werd hier onderbouwd enigszins van afgeweken.
•
Resultaten Marterachtigen. Bij het uitgevoerde veldonderzoek werden geen waarnemingen gedaan van één of meerdere soorten uit deze soortgroep. Vleermuizen - Algemeen. Op en nabij de planlocatie werden in totaal zes soorten vleermuizen waargenomen: Gewone dwergvleermuis en in mindere mate Ruige dwergvleermuis waren hierbij het talrijkst aanwezig. - Verblijflocaties. Er werden geen aanwijzingen gevonden voor de aanwezigheid van vaste verplaatsen in één van de te slopen (kleine) gebouwen. - Paarterritorium. Er zijn twee paarterritoria van de Gewone dwergvleermuis aanwezig, waarbij terrein dat behoort tot de planlocatie een deel uitmaakt van deze territoria. - Foerageergebied. Het planperceel vormt een onderdeel van het foerageergebied van de Gewone dwergvleermuis. - Vlieg- of migratieroute. De randzones van het terrein zijn als lintvormige en verbindende groene elementen, potentiële migratieroutes voor vleermuizen. Het uitgangspunt bij dit onderzoek was dat deze grotendeels behouden zouden blijven. Nader onderzoek was hier niet noodzakelijk. (Broed)vogelsoorten. De planlocatie vormt voor meerdere soorten een broedlocatie, maar er werden geen soorten aangetroffen waarvan de nestlocaties jaarrond beschermd zijn. Rugstreeppad. In de regio van de planlocatie is Rugstreeppad een soort die in het buitengebied op veel locaties in een lage dichtheid kan worden aangetroffen.
Er werden op enige afstand van de planlocatie (> 400 m.) meerdere voortplantingslocaties aangetroffen. Waarneming van de soort op de planlocatie beperkten zich ondanks intensief onderzoek tot twee sub-adulten.
➢ -
Effectbeoordeling Er is afgaande op de verkregen resultaten geen negatief effect te verwachten voor marterachtigen. Een negatief effect van betekenis voor de twee aanwezige paarterritoria van de Gewone dwergvleermuis wordt niet verwacht, mits nieuw aangebrachte buitenverlichting of bouwlicht niet matig of sterk zal uitstralen naar deze territoria.
Natuurtoets
“Westerhoeve”
3
Heiloo Aanvullend Onderzoek
-
➢ -
-
De voorgenomen ontwikkeling leidt niet tot een negatief effect voor broedvogels waarvan de nesten jaarrond beschermd zijn. Er verdwijnt geen functioneel leefgebied voor de Rugstreeppad. Het bouwrijp maken van de planlocatie kan er toe leiden dat de planlocatie geschikt wordt als leefgebied voor Rugstreeppad. Er kunnen zich dan dieren gaan vestigen. Bouw zal vervolgens weer leiden tot het verdwijnen van geschikt leefgebied en bovendien kunnen dieren hierbij beschadigd raken of gedood worden. Natuurwet- en regelgeving Overtreding van de Wet natuurbescherming door de voorgenomen ontwikkeling zal in het kader van soortbescherming voor de doelsoorten niet optreden, mits een aantal aspecten goed in ogenschouw wordt genomen. Dit betreft het voorkomen lichtverstoring van de randzone (nieuw inrichting en bouwlampen). Daarnaast dient voorkomen te worden dat het terrein gekoloniseerd wordt door Rugstreeppad indien ter voorbereiding op, en tijdens de bouw, de planlocatie geschikt leefgebied wordt voor deze soort. Indien hier niet aan voldaan kan worden, wordt een aanvraag ontheffing of verklaring van geen bedenkingen (vvgb) alsnog noodzakelijk. Indien een ontheffing/vvgb Wet natuurbescherming wordt verkregen kunnen eveneens beperkingen worden opgelegd aan werkwijze, inrichting en/of werkperiode (mitigatie/ compensatie).
Bij negatieve beïnvloeding van de randzones door licht kan voorafgaande aan de ontwikkeling bovendien nader onderzoek naar het gebruik van deze randzones door vleermuizen noodzakelijk worden. Op de planlocatie komen meerdere algemene broedvogels voor, waarvan de nesten niet jaarrond beschermd zijn, maar wel tijdens het gebruik dan wel alleen een jaarond bescherming kennen als hiervoor zwaarwegende ecologische feiten aanwezig zijn. Dit laatste is hier niet het geval. Wel dient voor al deze soorten rekening gehouden te worden bij het verwijderen van vegetatie en sloop in de broedtijd. Bij verstoring van broedende vogels wordt de Wet natuurbescherming overtreden. Een ontheffing wordt in dit kader niet verleend, dit zal te allen tijde moeten worden voorkomen.
➢ −
Preventieve maatregelen In deze rapportage worden preventieve maatregelen op hoofdlijnen beschreven. Gelet op de complexiteit en benodigde beoordeling van enkele kwesties die hier spelen rond de natuurwetgevng wordt in dit geval geadviseerd vóór de uiteindelijk planning en uitvoering van de werkzaamheden ecologisch hierbij advies te te betrekken om misverstanden met betrekking tot de natuurwetgeving te voorkomen.
➢ -
Aanvullend advies Hoewel er vanuit de natuurwetgeving in dit geval geen verplichtingen zijn, wordt geadviseerd enkele voorzieningen voor vleermuizen en Huismus op te nemen in de nieuwbouw. Deze kunnen met weinig kosten ingebouwd worden zonder daarbij de uitstraling van het gebouw aan te tasten (inbouw verborgen in gevel). De huidige bouwmethoden geven vaak te weinig mogelijkheden voor deze soorten, waardoor ze zonder gerichte aanpak dreigen te verdwijnen. In sommige gemeenten is het opnemen deze voorziening inmiddels een voorschrift. Daarnaast wordt geadviseerd bij de nieuwe aanvullende groene inrichting inheemse bome en struiken te gebruiken.
Natuurtoets
“Westerhoeve”
4
Heiloo Aanvullend Onderzoek
1 Inleiding In opdracht van Bungalow- en caravanpak Westerhoeve werd door AFO een aanvullend onderzoek verricht in het kader van een Natuurtoets. In 2021 werd voor de betreffende locatie een QuickScan Natuurtoets verricht (Van der Goes en Groot, 2021). Eén van de conclusies van de QuickScan was dat een nadere toetsing aan de Wet natuurbescherming noodzakelijk was om de effecten van de voorgenomen ruimtelijke ontwikkeling op beschermde natuurwaarden afdoende te kunnen beoordelen. Hiervoor diende eerst aanvullend veldonderzoek uitgevoerd te worden naar het gebruik van de planlocatie door een aantal soorten waarvan aan- of afwezigheid niet direct is vast te stellen, maar wel soorten zijn die een speciale beschermingsstatus hebben in de Wet Natuurbescherming. Op basis van alleen een QuickScan-onderzoek kon de aan- of afwezigheid van deze soorten, en daarmee de mogelijke effecten op deze soorten, onvoldoende worden bepaald. Het aanvullende onderzoek richtte zich op de soorten Huismus, vleermuizen, enkele roofvogelsoorten, ansuil, marterachtigen, en Rugstreeppad. AFO heeft dit aanvullende onderzoek uitgevoerd in de periode maart 2022 t/m oktober 2022. De resultaten hiervan worden in deze rapportage beschreven, gevolgd door een nadere toetsing van de verkregen gegevens aan de Wet natuurbescherming.
Dit aanvullende onderzoek wordt verricht in het kader van soortbescherming, die als zodanig opgenomen is in de Wet Natuurbescherming. Natuurtoets natuurwet- en regelgeving. Het primaire doel van een Natuurtoets is; de invloed van een project of ontwikkeling op aanwezige beschermde natuurwaarden te beoordelen. De natuurwet- en regelgeving kent hierbij zowel bescherming van soorten als van gebieden. Als eerste stap wordt veelal een QuickScan-onderzoek verricht om een duidelijk beeld te verkrijgen van de aanwezige of mogelijk aanwezige beschermde flora en fauna en de aanwezigheid van beschermde leefgebied van soorten. Hierbij wordt de projectlocatie kort onderzocht en mogelijke effecten van het project op aanwezige of mogelijk aanwezige natuurwaarden worden beoordeeld. Op basis hiervan kan reeds worden vastgesteld in hoeverre een project of ruimtelijke inrichting in strijd is, of mogelijk kan zijn, met de natuurwet- of regelgeving. Bij een QuickScan-onderzoek dient daarnaast duidelijk te worden of meer informatie noodzakelijk is om dit correct te kunnen beoordelen. Dit kan zijn aanvullend onderzoek in het kader van de Natuurtoets, uitgaande van het voorgenomen project of de ruimtelijke ingreep. Maar, de resultaten van de QuickScan kunnen ook aanleiding zijn het project of de ruimtelijke ontwikkeling bij te stellen.
Waarbij gedacht kan worden aan de wijze uitvoering, het ontwerp, en/of andere activiteiten die hiermee samenhangen, zoals de planning van de uitvoering. Indien voldoende informatie verkregen is voor de beoordeling dient een Natuurtoets uiteindelijk ook te bepalen of vergunningverlening/ontheffing in het kader van de natuurwet- en regelgeving aan de orde is.
Leeswijzer In deze rapportage worden achtereenvolgend behandeld: A. Beschrijving van de planlocatie en van de voorgenomen ontwikkeling. B. Beschrijving van het aanvullende onderzoek (methode en verkregen resultaten) C. Effectbeoordeling D. Conclusie met betrekking tot de Natuurwet- en regelgeving E. Aanvullende preventieve maatregelen & advies
Natuurtoets
“Westerhoeve”
5
Heiloo Aanvullend Onderzoek
2 Globale beschrijving locatie & voorgenomen ontwikkeling 2.1 Inleiding In de QuickScan die voor de voorgenomen ontwikkeling verricht is (Van der Goes en Groot, 2021), werd de ligging van de planlocatie reeds aangegeven, en vond er een beschrijving plaats van de ruimtelijke inrichting. Dit laatste in samenhang met de (mogelijk) aanwezige beschermde natuurwaarden. Voor de inzichtelijkheid bij de bij dit aanvullende onderzoek verkregen resultaten, en de interpretatie van de mogelijke effecten, is in deze rapportage eveneens een korte beschrijving van de planlocatie en directe omgeving opgenomen, inclusief een kaart van de geografische ligging. Deze rapportage wordt daarmee ook beter bruikbaar als zelfstandige rapport.
Figuur 1. Ligging van de planlocatie. In de meest gedetailleerde inzet is deze met een rood geblokte lijn aangegeven. Bewerkte topografische kaart © 2023 Topografische Dienst Emmen/PDOK.
Natuurtoets
“Westerhoeve”
6
Heiloo Aanvullend Onderzoek
2.2 Beschrijving locatie De planlocatie ligt aan de zuidwestzijde van de plaats Heiloo. Ten noorden liggen aaneengesloten woonwijken van deze plaats. Het gebied waarin de planlocatie ligt vormde tot voor kort de overgang naar het schaars bebouwde landbouwgebied, dat zich zuidwaarts, langs de langgerekte randzone van het dorp Limmen, uitstrekte tot aan de plaats Castricum. Aan de oostzijde van de spoorlijn, die eveneens ten oosten in de nabij de planlocatie loopt, werd recentelijk een woonwijk gecreëerd (Zuiderloo). Ook ten zuiden van de planlocatie zijn reeds vergaande plannen aanwezig om op grote schaal woningen te realiseren (Zandzoom). Het hier onderzochte plangebied is het recreatiepark Westerhoeve, waarop tal van standplaatsen aanwezig zijn voor stacaravans en “vakantiehuisjes”. Op de planlocatie zijn ook enkele stenen gebouwen aanwezig. Centraal ligt een stenen gebouw dat voor de individuele standplaatshouders dienst doet als kantine= en groepsgebouw. De andere stenen gebouwen staan direct bij de hoofdentree van het park nabij de Westerweg. Deze hebben deels een woonfunctie, en deels een functie voor opslag en het beheer. In de directe omgeving van de planlocatie zijn meerdere soortgelijke parken aanwezig met recreatieve verblijfsfuncties in de vorm van caravans of huisjes/bungalows. De planlocatie grenst ten westen, noorden en deels ten zuiden aan een soortgelijk park.
Het plangebied heeft een maximale lengte van circa 175 meter en is op het breedste deel circa 90 meter. De planlocatie wordt grotendeels begrensd door een enkele meters brede groenzone, bestaande uit bomen en struiken. Op het terrein zelf staan verspreid solitaire bomen, en zijn hagen en heggen aanwezig als perceelafscheiding. Het merendeel van de standplaatsen was ten tijde van het onderzoek nog in gebruik.
2.3 Voorgenomen ontwikkeling Het voornemen is het plangebied te bestemmen voor woningbouw. Daarbij zullen 16 appartementen in de sociale categorie worden gerealiseerd; 34 koopwoningen met koopstartregeling, en 4 koopwoningen in de vrije sector.
Figuur 2. Platte grond van de nieuw situatie. Het vernieuwde deel van de planlocatie is rood omkaderd. Voorontwerp bron: Corporatiekracht Vastgoedadviseurs.
Natuurtoets
“Westerhoeve”
7
Heiloo Aanvullend Onderzoek
Daarbij is het voornemen een groot deel van het aanwezige groen te behouden. Dit geldt dan met name voor de randzones en een deel van de grotere bomen die aanwezig zijn op de locatie. In figuur 2 & 3 wordt een beeld gegeven van de voorgenomen nieuwe inrichting (voorontwerp).
Figuur 3. Artist’s impressie van de planlocatie in de nieuwe situatie, zicht vanaf de zuidzijde. De nieuwe bebouwing is bruin/crème aangegeven. Voorontwerp, bron: Corporatiekracht Vastgoedadviseurs.
Natuurtoets
“Westerhoeve”
8
Heiloo Aanvullend Onderzoek
3
Aanvullend onderzoek
3.1 Inleiding Het veldonderzoek richtte zich op het mogelijke gebruik van de aanwezige stenen gebouwen door vleermuizen, eventueel aanwezige jaarrond beschermde nest- en verblijflocaties van vogelsoorten: roofvogels en/of Ransuil - er werden bij de QuickScan enkele mogelijk door deze soortgroep of Ransuil gebruikte nesten aangetroffen -, Huismus (voor broedlocatie potentieel geschikt gebouw aanwezig), en de mogelijke gebruik van de planlocatie door Rugstreeppad en marterachtigen. Dit aanvullende onderzoek naar deze soorten en soortgroepen werd ook geadviseerd in de voor deze locatie verrichte QuickScan (Goes en Groot, 2021). Van de onderzochte soorten zijn de broed- of vaste verblijfplaatsen jaarrond beschermd, en/of is specifiek leefgebied jaarrond beschermd, en daarmee hebben deze een extra grote relevantie in het licht van de Wet natuurbescherming. Op de planlocatie kunnen meerdere soorten vleermuizen verwacht worden. Het meest waarschijnlijk is de aanwezigheid van Gewone dwergvleermuis, Ruige dwergvleermuis en Laatvlieger.
Tabel 1. Data veldonderzoek met daarbij aangegeven het bijbehorende specifieke doel..
Datum
Tijd
Doel
Weer
14 april 2022
9:00– 10:30
Huismus/algemeen/nestcontrole
19 april 2022
21:30 – 23:40
Rugstreeppad (voortpl.)
28 april 2022
21:45 – 23:30
Rugstreeppad (voortpl.)
10 mei 2022
10:00 – 11:30
Huismus
11 mei 2022
23:00 – 00:15
Rugstreeppad (voortpl.)
19 mei 2022
23:00 – 01:00
vleermuizen/Rugstreeppad
26 mei 2022
21:40 - 23:45
vleermuizen
16 juni 2022
23:45 - 01:40
vleermuizen
24 juni 2022
22:05 - 00:40
vleermuizen*/Rugstreeppad*
12 juli 2022
21:15 - 00:30
vleermuizen*/Rugstreeppad*
22 augustus 2022
22:40 - 01:05
vleermuizen*/Rugstreeppad*
21 september 2022
21:45 -23:55
vleermuizen*/Rugstreeppad*
Natuurtoets
“Westerhoeve”
9
Bewolking 10 %,wind: 1-32 Bft, Temp. start 14 0C Bewolking 10 %,wind: 2-3 Bft, Temp. start 14 0C Bewolking 90 %,wind: 1 Bft, Temp. start 10 0C Bewolking 10-20 %,wind: 3 Bft, Temp. start 14 0C Bewolking 40-90 %,wind: 12 Bft, Temp. start 14 0C Bewolking 0 %,wind: 0-1 Bft, Temp. start 15 0C Bewolking 100 %,wind: 3 Bft, Temp. 17 0C Bewolking 0%,wind: 0-1 Bft, Temp (start). 17 0C Bewolking 20 %,wind: 0-1 bft, Temp. (start) 20 0C Bewolking 20-60 %,wind: 12 Bft, Temp. (start) 20 0C Bewolking 0 %,wind: 0-1 Bft, Temp. (start) 18 0C Bewolking 0 %,wind: 0-1 Bft, Temp. (start) 14 0C
Heiloo Aanvullend Onderzoek
3.2 Marterachtigen 3.2.1 Inleiding De planlocatie is potentieel geschikt als leefgebied voor kleine marterachtingen, met name het voorkomen van Wezel en Bunzing en in mindere mate Hermelijn. Bovendien zou Boommarter aanwezig kunnen zijn. De delen van de planlocatie die hier wat betreft het aanwezige biotoop het meest voor in aanmerking komen zijn de randzones. Vanuit deze randzones zouden ook andere meer centraal gelegen delen bezocht kunnen worden.
3.2.2 Methode ➢ Cameravallen Om de aanwezigheid van marterachtigen vast te stellen werd gebruik gemaakt van zogeheten cameravallen. Hiermee werden gedurende 4 weken 24 uur per dag opnamen gemaakt. De camera’s maken gebruik van bewegingssensoren, zodat alleen opnamen gemaakt worden indien er binnen een bepaalde range beweging wordt geregistreerd. Momenteel wordt geadviseerd om voor het aantonen van aanwezigheid van kleine marterachtingen boxen of buizen te gebruiken waarin camera’s zijn geplaatst (Struikrover, Mustula, etc.). Het achterliggende idee is dat omdat marterachtigen vaak doorgangen, holen, holten etc. inspecteren er een extra aantrekkende werking uitgaat van de buis of box. Een andere waarschijnlijk meer bepalender motivatie om buizen of boxen te gebruiken, is dat van de soortgroep op deze wijze goede foto’s gemaakt kunnen worden. Met een camera die verborgen is in een buis of box kan immers exact gefocust worden op de ingang of doorloop. Daarnaast zijn er enkele andere voordelen te noemen voor het gebruik van een box of buis, die samenhangen met het gebruiksgemak (o.a. aantal beelden/controles etc.) en het voorkomen van diefstal van camera’s. In dit geval is er gekozen voor een andere aanpak waarbij met een bewegingscamera een groter oppervlak (ca. 60 x 50 cm) werd gemonitord.
Op de locaties waar deze opstelling gebruikt werd kan het argument vervallen dat holten of buizen een betere aantrekking zouden hebben dan de hier gebruikte methode, en daarmee een hogere trefkans zouden opleveren. Van belang is immers: op welke afstand signaleren marterachtigen een opening of holte, en besluiten ze de buis of box te bezoeken. Bij terreinomstandigheden waarbij veel begroeiing aanwezig is, zal deze detectieafstand niet of nauwelijks buiten het terreindeel liggen dat in dit geval werd gemonitord. Met andere woorden: een aanwezige marterachtigen zal met de hier gebruikte methode dan eveneens worden waargenomen. Een voordeel van de hier gebruikte methode is bovendien dat in dit geval ook marterachtigen die, om wat voor redenen dan ook, besluiten een buis of box niet te inspecteren wel geregistreerd worden. Het gebruik van een box of buis moet ook zeker in het licht geplaatst worden van het kunnen maken van voor determinatie geschikte foto’s (positie dier). Met de camera werden in dit geval geen foto’s maar korte filmopnamen gemaakt. Het voordeel hiervan is dat voor de determinatie meer posities van dieren zichtbaar worden. Hetgeen de kans vergroot op een goede determinatie van de waargenomen soort. De camera’s werden op circa 60 centimeter hoogte boven de grond geplaatst.
Als extra aantrekkingskracht voor marterachtigen om de cameralocatie te bezoeken werd, enigszins vergelijkbaar met de methode van de marterbuis etc., visolie gebruikt. Dit veroorzaakt een aantrekkingskracht die zeker vele meters ver reikt. Tussentijds bij wisseling van SD-kaartjes of algemene controle werd extra visolie gedruppeld op en (schaars) in de wijdere omgeving van de cameralocatie. Alle gemaakte opnamen werden achteraf bekeken op een beeldscherm.
Natuurtoets
“Westerhoeve”
10
Heiloo Aanvullend Onderzoek
➢ Onderzoeksperiode Er werd van 18 augustus tot 16 september 2022 onderzoek gedaan met behulp van deze cameravallen. ➢ Opstelling/locaties Er werden op vier locaties camera’s geplaats. Omdat gelijktijdig onderzoek naar marterachtigen diende te worden uitgevoerd op het direct ten noorden gelegen bungalow- en caravanpark Duinzicht, werden de twee terreinen als één gebied opgevat. Qua grootte van geschikt potentieel leefgebied waren vier camera’s daarbij afdoende en bovendien gaf onderzoek uitgevoerd op de twee terrein ook een meerwaarde voor elke terrein afzonderlijk. Het vergrootte de trefkans op het waarnemen van de soorten. De wat leefgebied voor de soortgroep meest geschikte delen; de randzones, zijn hier ook met elkaar verbonden en vormen feitelijk één leefgebied. Zeker voor de grotere soorten Bunzing en Boommarter. Daarbij is de noordelijk randzone van Westerhoeve tevens de zuidelijk randzone van het direct ten noorden gelegen park Duinzicht. Vervolgens werden in de randzones de exacte locaties voor de camera’s uitgekozen waaraan twee criteria ten grondslag lagen: een zo goed mogelijke spreiding over het gebied en de beste geschiktheid als leefgebied. Er werd één camera in de groenzone tussen de twee terreinen geplaatst, één camera aan de oostzijde in de daar aanwezig groenzone, en twee camera’s werden geplaatst in de westelijk groenstrook van terrein Duinzicht.
Deze werd gezien als de meest kansrijke voor het eventueel kunnen aantonen van marterachtingen. Deze strook grenst namelijk direct aan klein park/bosgebied met een grootte van circa 200 bij 70 meter.
3.2.3 Resultaten Er werden vier soorten zoogdieren waargenomen met de camera’s: Bosmuis, Huisspitsmuis, Egel en huiskat. Marterachtigen werden niet waargenomen. Egel en Huiskat werden met alle camera’s waargenomen. Huiskat werd met name veelvuldig waargenomen met camera 4. Hier werden vijf verschillende katten waargenomen. Egel werd het meest frequent waargenomen met camera 1. Bosmuis werd alleen met camera 3 niet waargenomen. Huisspitsmuis werd (alleen) waargenomen met camera 1 en 4. In tabel 1 zijn de waargenomen soorten per cameraval opgenomen.
Tabel 2. Overzicht van waargenomen zoogdiersoorten per cameraval.
Soort/locatie
1 2 3 4 Middenwal Westzijde Westzijde Oostzijde Bosmuis (Apodemus Sylvaticus) X X X Huisspitsmuis (Crocidura russula) X X Huiskat (Felis catus) X X X X Egel (Erinaceus europaeus) X X X X
Natuurtoets
“Westerhoeve”
11
Heiloo Aanvullend Onderzoek
3 2
Duinzicht
1
4
Westerhoeve
50 m.
Figuur 4. Locaties van de “cameravallen”.
Foto 1. Foto (“still”) van een nachtopname van Egel
Natuurtoets
“Westerhoeve”
12
Heiloo Aanvullend Onderzoek
Foto 2. Foto (“still”) van een waargenomen Bosmuis.
3.3 Vleermuizen 3.3.1 Inleiding Op de planlocatie staan enkele stenen gebouwen waarvan verwacht werd (QuickScan) dat deze geschikt kunnen zouden zijn voor vaste verblijfplaatsen van vleermuizen. Het aanvullende onderzoek richtte zich dan ook met name op deze locaties. De op de planlocatie aanwezige groenzones zouden dienst kunnen doen als functionele vlieg/migratieroute voor vleermuizen. Maar deze randzones worden door de ontwikkeling niet of slechts in gering mate aangetast. Ook bij dit aanvullende onderzoek is hier zodoende geen specifiek onderzoek naar verricht. Op de planlocatie werden bij de eerste bezoeken aan de planlocatie die verricht werden voor het aanvullende onderzoek wel enkele holten aangetroffen in bomen. Afgaande op de grootte en vorm vrijwel zeker gemaakt door Grote bonte specht. Deze holten bevonden zich in een Zomereik die in de oostelijke randzone staat. Hoewel de stenen huizen op de planlocatie veruit de potentieel meest geschikte locaties zijn voor verblijfplaatsen van vleermuizen, is in de paarperiode een locatie elders op he terrein niet geheel uit te sluiten. Daarnaast leek het verstandig ook een beeld te krijgen van het gebruik van de locatie als foerageergebied. Het onderzoek naar de aanwezigheid van vleermuizen heeft zich dan ook niet geheel beperkt tot de locaties waar het stenen groepsgebouw en de lagere gebouwtjes aan de voorzijde aanwezig zijn.
Soorten die op de voorhand zeker verwacht zouden kunnen worden op deze locatie zijn Gewone dwergvleermuis, Laatvlieger en Ruige dwergvleermuis.
3.3.2 Materiaal & Methode Waarnemingen werden verricht met behulp van batdetectoren waarmee digitale (time expansion) opnamen konden worden gemaakt, die vervolgens konden worden opgeslagen op een digitale recorder. Met deze digitaal geregistreerde geluidswaarnemingen kon later met behulp van computersoftware de waargenomen soort met meer zekerheid worden bepaald, dan wel de soortaanduiding worden geverifieerd (spectrogram). Soms werden zaklampen gebruikt om visuele waarnemingen te ondersteunen. Bij geschikte lichtomstandigheden leverden visuele waarnemingen zonder enig hulpmiddel bij het verrichte onderzoek eveneens belangrijke informatie op. Met name bij het onderzoek in de voorjaars/zomerperiode, waarbij zeker in het eerste deel van de waarnemingsperiode ook visueel uitvliegende vleermuizen kunnen worden waargenomen.
Natuurtoets
“Westerhoeve”
13
Heiloo Aanvullend Onderzoek
Weersomstandigheden. Er werd uitsluitend geïnventariseerd indien de weersomstandigheden activiteiten van vleermuizen niet beperkten, dus niet bij harde wind (> 4 Bft) of (substantiële) regenval binnen een belangrijk deel van de onderzoeksperiode. Methode/werkwijze. De verrichte onderzoeksinspanning en de gehanteerde onderzoeksperioden vonden plaats volgens richtlijnen van “Het vleermuisprotocol 2021”. In een enkel geval is daarbij bewust afgeweken van de standaard werkwijze die hierin wordt aangegeven. Indien dit het geval is zal dit hier volgend, of bij de desbetreffende waarnemingsdatum, worden vermeld. Om te bepalen of de gebouwen op de planlocaties door vleermuizen werden gebruikt als verblijfplaats, werd tijdens een waarnemingsavond in het voorjaar/zomeronderzoek door twee waarnemers aan weerszijde van de gebouwen gepost gedurende de tijd dat vleermuizen “uitvliegen”. Op deze wijze was goed zicht (en oor!) op de gebouwen, en kon zo met grote zekerheid bepaald worden of vleermuizen de gebouwen gebruikten als verblijfplaats. Tussen de waarnemers was contact met behulp van portofoons, zodat over verrichte waarnemingen direct kon worden gecommuniceerd. Daarmee kon vliegrichting en daarmee herkomst van waargenomen vleermuizen nog beter worden vastgesteld. Deze waarnemingsmethode maakt in dit geval een controlebezoek in de ochtend/einde donkerperiode overbodig.
Immers, als er met zekerheid gedurende de uitvliegperiode ’s avonds kan worden vastgesteld dat er geen dieren uitvliegen, kan gesteld worden dat er geen dagverblijfplaats aanwezig is. Indien tijdens de waarnemingen gedurende uitvliegperiode twijfel bestaat over de herkomst van waargenomen vleermuizen, wordt standaard alsnog een vroeg ochtend bezoek uitgevoerd. Indien vleermuizen “uitvliegend” worden waargenomen kan het aantal dieren dat wordt waargenomen direct een beeld geven van de functie van de verblijfplaats. Wel kan het alsnog noodzakelijk worden het standaard veldonderzoek ook in dit opzicht uit te breiden met extra bezoeken om aanvullende informatie te verkrijgen over de omvang en aard een dergelijke verblijfplaats. De aanwezige bebouwing werd niet beschouwd als een potentiële geschikt zogeheten massa winterverblijfplaats voor de Gewone dwergvleermuis. Maar deze conclusie werd niet gedeeld wat betreft de Watertoren. Dit onderzoek is zodoende opgenomen in het verrichte veldonderzoek.
3.3.3 Resultaten In deze paragraaf worden de resultaten van het vleermuisonderzoek per waarnemingsavond/nacht weergegeven. De paragraaf wordt afgesloten met een conclusie en discussie. 19 mei Tijd: 23:00- 01::00. Waarnemers: 1 pers. Het eerste bezoek aan de planlocatie met als doel een algemeen beeld te krijgen van het gebruik van het terrein. Op het terrein werden al rustig lopend een aantal ronden gemaakt. Verspreid over het terrein werd Gewone dwergvleermuis waargenomen. Dit betrof vrijwel altijd een korte waarneming van een over- of langs vliegend exemplaar. Het aantal waarneming was laag, alleen aan de voorzijde nabij de oostelijk ingang werd een groter aantal waarnemingen verkregen van deze soort. Hier werden ook waarnemingen gedaan van een foeragerende Gewone dwergvleermuis die er langer rondvloog. Er werden op het terrein drie korte waarnemingen gedaan van een langsvliegende Ruige dwergvleermuis. Er werden geen andere soorten waargenomen. -
- 26 mei Tijd: 21:40- 23::45. Waarnemers: 2 pers. Belangrijkste doel van dit bezoek was de controle van het stenen (groeps)gebouw dat zich halverwege aan de noordzijde van het terrein bevindt. Vanaf 21:30 tot 22:45 werd door twee waarnemers, ieder nabij een hoek van de kopzijde van het gebouw gepost om zo eventueel uitvliegende vleermuizen te kunnen waarnemen. Er werden geen uitvliegende vleermuizen waargenomen. Om 22:10 werd er een zicht- en geluidswaarneming gedaan van een Gewone dwergvleermuis die vanuit oostelijke richting langs het gebouw vloog ter hoogte van
Natuurtoets
“Westerhoeve”
14
Heiloo Aanvullend Onderzoek
de noordelijke groenstrook, die zich direct achter het gebouw bevindt. Vanaf 22:25 werd vrijwel continu een jagende Gewone dwergvleermuis waargenomen direct ten zuiden van het gebouw achter één van waarnemers. Soms werd hier gelijktijdig een tweede exemplaar gehoord. De vleermuizen foerageerden hier meestal buiten de planlocatie langs de rij zuid-west gepositioneerde eiken, die hier de oostgrens vormt van het plangebied (zichtwaarnemingen). Na 22:45 werd de vaste positie nabij het gebouw door één persoon verlaten en werd de planlocatie ook op andere delen bezocht. De tweede waarnemer verliet 23:10 de positie bij het gebouw om eveneens ook andere delen te bezoeken. Er werden geen aanwijzingen verkregen dat vleermuizen uitvlogen uit het gebouw. Verspreid over het terrein werden enkele korte waarnemingen gedaan van een langsvliegende Gewone dwergvleermuis. Voor langere tijd op een locatie aanwezig jagende exemplaren werden alleen waargenomen nabij de ingang van het terrein aan de oostzijde, waar tot het einde van de waarnemingsperiode frequent één of twee foeragerende exemplaren aanwezig waren. Tot 23:30 konden vrijwel continue één soms twee jagende exemplaren waargenomen worden op de reeds eerder genoemde locatie langs de eiken, ten zuiden van het groepsgebouw. Er werd één korte waarneming gedaan van een overvliegende Laatvlieger.
Verspreid over de locatie werden enkele waarnemingen gedaan van een langsvliegende Ruige dwergvleermuis. Om 22:53 werd nabij de eerder genoemde rij eiken langs de oostgrens een Myotis-soort waargenomen, zeer waarschijnlijk een Meervleermuis (Myotis Dasycneme). Het betrof een eenmalige waarneming. - 16 juni Tijd: 23:45- 01::45. Waarnemers: 2 pers. Het doel van dit bezoek was een beeld te krijgen van de gebruik van de planlocatie als geheel. Waarbij aanwezige soorten en locaties die veelvuldig werden gebruikt door vleermuizen specifieke aandacht kregen. Er werden tijdens de waarnemingsperiode twee soorten waargenomen: Gewone dwergvleermuis en Ruige dwergvleermuis. In totaal werden een 20-tal waarnemingen gedaan. Deze soorten werden verspreid over het terrein waargenomen. Duidelijk specifieke foerageerlocaties of locaties waar frequent binnen kort tijdsbestek meerdere dieren konden worden waargenomen, waren gedurende deze waarnemingsperiode niet aanwezig. Vrijwel alle waarnemingen waren van korte duur, hetgeen duidt op langsvliegende exemplaren. - 24 juni Tijd: 23:45- 01::40. Waarnemers: 2 pers. Eerste doel deze een controle te verrichten bij de stenen huisjes aan de voorzijde. Dit betref lage huisjes met een plat dak, waarvan, ondanks de mindere geschiktheid op de voorhand, niet geheel kon worden uitgesloten dat er een verblijfplaats aanwezig zou kunnen zijn.
De huisjes staan tegen de noordelijke groenzone aan of grenzen aan de achterzijde hogere woonhuizenm, die buiten de feitelijke planlocatie staan. Geschikte in/uitvliegmogelijkheden beperken zich vrijwel geheel tot de voorzijde (zuid of zuidwest gericht). Dit maakte observaties gericht op uitvliegende exemplaren eenvoudiger, maar voor de eerste waarnemingen voor deze locatie werd toch gekozen twee waarnemers in te zetten. Om 22:41 wordt een eerste vleermuis waargenomen (geluidswaarneming), een Gewone dwergvleermuis die ten zuiden van de gebouwen aan de andere zijde van het pad langsvliegt en ook visueel werd waargenomen. Om 22:48 vliegt er een Gewone dwergvleermuis over de gebouwtjes. Dit exemplaar kwam vanuit oostelijke richting aangevlogen. Tot 23:10 worden enkele overvliegende exemplaren van de Gewone dwergvleermuis waargenomen, maar geen uitvliegende exemplaren, noch een vermoeden hiervan. Na 23:10 werden naast de hierboven beschreven locatie ook de andere delen van de planlocatie bezocht. Er werd éénmaal kort een overvliegende Laatvlieger waargenomen. Verder werden er uitsluitend waarneming gedaan van Gewone dwergvleermuis. Specifieke foerageerlocaties werden niet aangetroffen, met uitzondering van de parkeerplaats nabij de ingang van het park. Hier kon frequenter dan op andere locaties een foeragerende Gewone dwergvleermuis worden aangetroffen.
- 17 juli Tijd: 22:15- 00:30. Waarnemers: 2 pers. Wederom waren de op het terrein aanwezige gebouwtjes het doel van het onderzoek. Bij beide locaties werd gepost van 22:15 tot 23:15. Ditmaal door één waarnemer, het geen gelet op de overzichtelijkheid op eventueel aanwezige geschikte uitvlieglocaties op beide locaties verantwoord was. Op geen van beide locaties werden waarneming verricht van vleermuizen die uitvlogen uit deze gebouwen of bestond er vermoeden dat dit zou kunnen hebben plaatsgevonden. Zowel aan de voorzijde nabij de ingang als bij het gebouw op het middendeel werden meerdere waarnemingen gedaan van Gewone dwergvleermuis. Het betrof alle langsvliegende exemplaren die van elders afkomstig waren. Op de middenlocatie werd de eerste waarneming van een vleermuis gedaan om 22:42. Aan de voorzijde werd de eerste waarneming verricht 22:32. Op de middenlocatie werd één korte waarneming gedaan van een op grotere afstand (hoog) overvliegende Rosse vleermuis(22:43).
Natuurtoets
“Westerhoeve”
15
Heiloo Aanvullend Onderzoek
Na 23:15 werden ook de andere delen van de planlocatie bezocht. Er werden geen vaste foerageerlocaties aangetroffen, wel meerdere waarnemingen gedaan van overvliegende Gewone dwergvleermuis. Er werd één waarneming gedaan van Laatvlieger (23:03) en er werd één waarneming gedaan van een Ruige dwergvleermuis (00:26). - 22 augustus Tijd: 22:40- 01:05. Waarnemers: 2 pers. Waarnemingen met name gericht op mogelijke aanwezigheid van paarlocaties. Naast de planlocatie werd ook langs de Westerweg geïnventariseerd tussen de ingang van Westerhoeve en Duinzicht. Van de Gewone dwergvleermuis waren op meerdere locaties kort mannetjes te horen die al rondvliegend een werfroep ten gehore brachten. Maar slechts op enkele van deze locaties vlogen dieren voor langere tijd rond (incl. werfroep) en konden deze ook op meerdere tijdstippen gedurende de waarnemingsperiode worden waargenomen. Dit laatste gedrag duidt op de aanwezigheid van een territorium. Op de planlocatie waren twee van de laatste locaties aanwezig. Eén ten zuiden van het groepsgebouw, en één direct nabij de ingang aan de oostzijde. Op de Westerweg tussen de ingang van Westerhoeve en Duinzicht in was ook een paarterritorium aanwezig. Er werd eenmaal een Rosse vleermuis waargenomen (hoog overvliegend) en éénmaal werd een Ruige dwergvleermuis waargenomen, eveneens een kort durende waarneming. - 21 september Tijd: 22:40- 23:55.
Waarnemers: 2 pers. Waarnemingen wederom met name gericht op de aanwezigheid van eventuele paarlocaties van vleermuizen. Al lopend In een rustig tempo werd de gehele planlocatie in meerdere “ronden” geïnventariseerd. Ook dit keer werd daarbij ook een deel van de Westerweg tussen Duinzicht en Westerhoeve meegenomen. Op twee locaties op de planlocaties werd een Gewone dwergvleermuis waargenomen die voor langere tijd op deze locaties aanwezig was en een werfroep liet horen. In beide gevallen betrof het de twee locaties die ook op 22 augustus naar voren kwamen als paarterritorium van deze soort. Ook het territorium van deze soort langs de Westerweg tussen de ingang van park Duinzicht en park Westerhoeve was aanwezig. Elders op de planlocatie werden dit keer in het geheel geen werfroepen waargenomen. Het aantal overvliegende exemplaren van de Gewone dwergvleermuis was ook beduidend lager dan 22 augustus werd waargenomen. Daarentegen werden dit keer meerdere overvliegende exemplaren van de Ruige dwergvleermuis waargenomen. Het betrof steeds korte waarnemingen, werfroepen van deze soort werden niet gehoord.
50 m. Figuur 5. Globale ligging van de aangetroffen paarterritoria op en nabij de planlocatie.
Natuurtoets
“Westerhoeve”
16
Heiloo Aanvullend Onderzoek
3.3.4 Conclusie & discussie Vaste (dag)verblijfplaatsen Wat betreft de aanwezige gebouwen is een belangrijke conclusie dat hier geen verblijfplaatsen van vleermuizen werden aangetroffen. Specifiek hierop gerichte waarnemingen in het voorjaar maakten duidelijk dat er geen uitvliegende vleermuizen aanwezig waren. Ook tijdens de andere waarnemingsperioden werden hiervoor geen aanwijzingen verkregen. Gewone dwergvleermuis Ten zuiden van het kantinegebouw (noordzijde midden) werd een paarterritorium aangetroffen van de Gewone dwergvleermuis. De bijbehorende paarlocatie (verblijfplaats) moet zich bevonden hebben in één van de bungalows aanwezig direct ten zuiden van de planlocatie. Het territorium bevond zich ook grotendeels buiten de planlocatie. In het voorjaar werd op deze locatie van het paarterritorium langdurig een foeragerende Gewone dwergvleermuis waargenome. Een tweede paarterritorium bevond zich aan de voorzijde van de planlocatie, nabij de ingang Westerweg. Buiten de planlocatie was in de directe nabijheid van deze ingang van het terrein in ieder geval ook één paarterritorium van de Gewone dwergvleermuis aanwezig, mogelijk twee. De globale ligging van deze paarterritoria is aangegeven op de kaart van figuur 5.. Ruige dwergvleermuis De soort werd meerdere keren op de planlocatie waargenomen. Het betrof grotendeels korte waarnemingen van overvliegende dieren.
Indicaties dat de planlocatie dienst deed als paar- of verblijfslocatie werden niet verkregen. Overige soorten Laatvlieger en Rosse vleermuis werden slechts een enkele keer waargenomen. Dit betrof geen exemplaren die, althans tijdens de waarnemingsperioden, de locatie gebruikten als foerageerplaats. Een soort die de groenzones aan de rand van het terrein zeker zou kunnen gebruiken als foerageerlocatie is de Gewone grootoorvleermuis. De soort werd tijdens de inventarisaties op de planlocatie zelf niet waargenomen, maar bij een bezoek aan het direct ten noorden gelegen Duinzicht werd wel een waarneming gedaan van een Gewone grootoorvleermuis. Deze waarneming werd gedaan nabij de noordgrens van dit terrein, die eveneens uit bomen en struiken bestaat, en op korte afstand direct overgaat in het bredere bosgebied/park. Het sonargeluid van grootoorvleermuizen tijdens het foerageren reikt minder dan 10 meter ver. Dit betekent dat in dit geval, waarbij niet specifiek onderzoek verricht is naar het gebruik van de randzones, aanwezigheid van deze soort tijdens het onderzoek onopgemerkt kan zijn gebleven. Baltsende grootoorvleermuizen (paarlocaties) zouden bij dit onderzoek daarentegen wel zijn opgemerkt omdat hierbij een krachtiger verder dragende geluid wordt gemaakt, maar deze werden niet waargenomen.
Natuurtoets
“Westerhoeve”
17
Heiloo Aanvullend Onderzoek
3.4 Vogels 3.4.1 Inleiding & Methode Er werden specifiek voor Gierzwaluw vier bezoeken gebracht aan de locatie om mogelijke (nestindicatieve) waarnemingen te kunnen verkrijgen. De bezoeken vonden plaats bij voor inventarisatie geschikte omstandigheden. Hieronder worden per soort- of soortgroep de gehanteerde methoden beschreven.
3.4.2 Huismus Er werd tijdens twee veldbezoeken geïnventariseerd of de aanwezige stenen gebouwen door Huismus werden gebruikt als broedlocaties. Het midden gebouw was daarbij gelet op de aanwezigheid van een pannen dak potentieel het meest geschikt, de kleine lage gebouwtjes aan de voorzijde werden door de gering hoogte en het ontbreken van een pannen dak als weinig kansrijk beoordeeld. Bij de bezoeken werd als eerste gelet op aanwezigheid van Huismus op de planlocatie, en specifiek bij de gebouwen. Indien Huismus aanwezig zou zijn werd gelet op nest-incerend gedrag. Resultaten Tijdens geen van beide veldbezoeken ( 14 april & 10 mei) werd geen Huismus waargenomen op of in de nabijheid van één van de twee locaties. Ook bij de andere aan de planlocatie gebrachte bezoeken voor andere soortgroepen werd Huismus niet waargenomen. Bij het groepsgebouw (noordzijde midden) werd wel een Boomkruiper waargenomen, die een nestlocatie had onder de kantpannen in de nok van het gebouw. Waargenomen werd dat deze enkele keren onder de rand kroop, waarbij in een geval ook nestmateriaal werd meegenomen (zie foto ). Broedvogels die werden waargenomen in de directe nabijheid van de twee locaties waren verder: Zwartkop, Koolmees, Heggemus, Ekster en Turkse tortel en Zanglijster.
Foto 3. Boomkruiper met takje in de snavel op weg langs de muur naar een nestlocatie achter de pannen nabij de nok (groepsgebouw ).
Natuurtoets
“Westerhoeve”
18
Heiloo Aanvullend Onderzoek
3.4.3 Roofvogels & uilen 3.4.4 Methode De planlocatie werd in het vroege voorjaar (half april) uitgebreid onderzocht op de aanwezigheid van nesten die mogelijk in gebruik waren, of nog zouden kunnen worden gebruikt, door Ransuil, Sperwer of Boomvalk. De soorten waarvan in de QuickScan werd aangegeven dat deze mogelijk op het terrein zouden kunnen broeden Als eerste werden de bomen op het terrein die potentieel geschikt zouden zijn voor nesten van deze soorten nauwkeurig onderzocht. Daarbij werd gekeken naar aanwezige nesten en sporen onder de bomen die eventueel zouden kunnen wijzen op gebruik van de boom als nestlocatie of, dit heeft betrekking op Ransuil, buiten de broedtijd mogelijk dienst gedaan hadden als (gezamenlijke) roestboom. in seizoenen waarbinnen het park niet of minder bezocht werd door de standplaatshouders. Op het terrein staan enkele coniferen die potentieel geschikt kunnen zijn als vaste verblijfplaats of nestlocatie van Ransuil, en in mindere mate Sperwer. Deze zijn veelal gering van omvang, staan solitair en (zeer) dicht in de nabijheid van paden, en/of gebruikte standplaatsen, hetgeen deze bomen op de voorhand minder geschikt maakt voor daadwerkelijk gebruik als broedlocatie, zeker niet door Sperwer en Boomvalk.
3.4.5 Resultaten Er werden geen bomen aangetroffen waar braakballen of andere sporen aanwezig waren die duidden op dit gebruik als verzamel- en rustplek buiten het winterseizoen. Afwezigheid van braakballen of restanten van faeces of veren wil overigens niet zeggen dat een boom door Ransuil niet als nestboom wordt gebruikt, in tegendeel. Al tijdens de QuickScan werd opgemerkt dat er wel een nest aanwezig was in een conifeer langs het pad aan de noordzijde. Bij controle van dit nest bleek dat Eksters hier “zelf” gebruik van maakten. Een tweede nestlocatie van Ekster was aanwezig op het middenterrein. Gebruik van deze beide nesten werd ook bij latere bezoeken waargenomen. Andere bomen met potentieel geschikte nesten, of restanten van oude nesten, werden niet aangetroffen. In de randzone werden in de hogere eiken ook geen nesten waargenomen die mogelijk gebruikt zouden kunnen worden door Boomvalk of Sperwer. Afgaande op de resultaten van aanwezige potentiële nestgelegenheid (oude nesten en geschiktheid locaties), de geringe grootte van het terrein en de overzichtelijkheid ervan, werd geconcludeerd dat de waarnemingsperioden die nog zouden volgen ten behoeve van het onderzoek aan vleermuizen, Rugstreeppad en Huismus, verder afdoende zouden zijn om aan- of afwezigheid definitief te kunnen vaststellen.
Tijdens de vijf vleermuisinventarisaties in het voorjaar (mei t/m midden juli) waarvan twee startten rond zonsondergang, werden geen aanwijzingen verkregen dat op de planlocatie of in de randzones Ransuil gebroed zou kunnen hebben (roepende jonge vogels). Ook werden geen waarneming gedaan van (roepende) Boomvalk of Sperwer. Nog niet eerder genoemde vogelsoorten (zie 2.4.2) die tijdens de inventarisaties werden waargenomen op en vanaf de planlocatie, en vrijwel zeker als broedvogel aanwezig waren op of nabij de planlocatie, waren: Grote bonte specht, Groene specht, Kauw, Tjiftjaf, Winterkoning, Gaai, Zanglijster, Pimpelmees, Houtduif, Vink, Groenling en Roodborst.
Natuurtoets
“Westerhoeve”
19
Heiloo Aanvullend Onderzoek
Foto 4. Conifeer langs het pad nabij de oostelijke ingang, met nest (in gebruik) van een Ekster in de top.
3.4.6 Conclusie Op het onderzochte plangebied waren geen nestlocaties van Huismus, Sperwer, Boomvalk of Ransuil aanwezig. Van deze laatste soort werden ook geen aanwijzingen verkregen dat buiten de broedtijd een gezamenlijke slaap/roestlocatie aanwezig was.
Natuurtoets
“Westerhoeve”
20
Heiloo Aanvullend Onderzoek
3.5 Rugstreeppad 3.5.1 Methode Twee methoden werden gehanteerd. Er vond een inventarisatie plaats naar de aanwezigheid van voortplantingslocaties in de omgeving van de planlocatie, en de planlocatie werd onderzocht op aanwezigheid van exemplaren die de planlocatie mogelijk als (terrestrisch) leefgebied gebruikten. •
Voortplantingslocaties. De omgeving van de planlocatie werd op geschikte avonden wat betreft datum en weersomstandigheden geïnventariseerd op roepende exemplaren. Hierbij werd met de fiets en deels lopend een potentieel geschikt gebied onderzocht, waarbij regelmatig ook stilstaand geluisterd werd om roepende Rugstreeppad te kunnen opmerken. Er werd op twee avonden een ruim gebied geïnventariseerd. Daarnaast vormden voor de planlocatie en de directe omgeving ook de vleermuisavonden later in het seizoen een potentieel geschikt waarnemingsmoment.
•
Terrestrisch leefgebied. Met twee personen werd met behulp van sterke lampen de planlocatie afgezocht naar eventueel aanwezige exemplaren. Hierbij werden per waarnemingsavond meerdere ronden gemaakt over het plangebied. De vele paden en geschikt geachte wat vegetatie betreft “open” delen van de planlocatie werden hierbij systematisch afgezocht.
3.5.2 Resultaten ➢ Voortplantingslocaties • 19 april 2022 Ten noorden van de Vennewatersweg werden geen roepende Rugstreeppad waargenomen. Een Grote groene kikker werd roepend waargenomen direct ten oosten van de spoorbaan bij een woonhuis, waarschijnlijk in een daar aanwezige vijver. Ten zuiden van de Vennewatersweg werd op 3 locaties roepende Rugstreeppad gehoord in het gebied tussen de spoorlijn en de Hoogeweg, waarbij geïnventariseerd werd tot aan de Kapellaan. Het hoogste aantal roepende dieren dat werd gehoord was naar schatting rond de 10. Op de twee andere locatie waren minder dieren aanwezig (< 5). Ook direct ten westen van de spoorlijn werd “koorzang” waargenomen. Naar schatting bedroeg het aantal aanwezige dieren hier rond de 5. • 28 april 2022 Er werden in het geheel geen roepende dieren waargenomen in het gebied nabij de planlocatie. Waarschijnlijk speelde mee dat de temperatuur als snel laag werd. In het ten westen gelegen Noordhollands Duinreservaat werd overigens deze avond wel koorzang van Rugstreeppad waargenomen door ons. • 11 mei 2022 Rugstreeppad werd op twee locaties waargenomen. Het meest nabij was de voor Rugstreeppad speciaal aangelegde poel in Zuiderloo, ten oosten van de spoorlaan en ten noorden van de Vennewatersweg. Hier werden tussen de 10 en 20 dieren roepend waargenomen.
Ten zuiden van de deze weg werden dit keer geen roepende dieren meer waargenomen. De tweede waarnemingslocatie deze avond lag op grotere afstand van het planperceel. Roepende dieren werden waargenomen langs de Vennewatersweg tussen Heiloo en Egmond-Binnen.
Natuurtoets
“Westerhoeve”
21
Heiloo Aanvullend Onderzoek
Figuur 6. Locaties waar roepende Rugstreeppad werd waargenomen. De grootte van de rode cirkels is een globale maat voor het aantal waargenomen dieren (zie tekst). Het geïnventariseerde gebied wordt is blauw aangegeven. De gele ster geeft de ligging van de planlocatie aan. Bron achtergrondkaart Pdok/Kadaster. Grid: kilometerhokken.
➢ Terrestrisch leefgebied Op 5 avonden/nachten werd op de planlocatie zelf Rugstreeppad geïnventariseerd, waarbij met behulp van lampen geschikt leefgebied werd afgezocht. Er werd op twee avonden een Rugstreeppad aangetroffen: 24 juni en 12 juli. Beide keren op vrijwel dezelfde locatie, nabij het groepsgebouw. Het betrof in beide gevallen ook een subadult (max. één jaar oud). Gelet op het (geringe) verschil in grootte en het klierpatroon op de huid, betrof het twee verschillende individuen. Verder werden tijdens de inventarisatie Bruine kikker (n=1), Gewone pad (n=4) en Kleine watersalamander (n=1, man) aangetroffen.
3.5.3 Conclusie & discussie Voortplantingslocaties werden niet op of in de directe nabijheid van de planlocatie aangetroffen maar wel op grotere afstand. De meest nabije voortplantingslocatie bevond zich op hemelsbreed circa 450 meter afstand ten oosten van de planlocatie. Voor Rugstreeppad is dit geen onoverkomelijke afstand om te “pendelen” tussen geschikt leefgebied buiten de voortplantingstijd en voortplantingswater. Al zijn er in dit geval enige barrières aanwezig, waaronder wegen en huizen. Dit zorgt ook voor afscherming van geluid waarmee bijvoorbeeld de minder honkvaste vrouwtjes de voortplantingslocaties uitzoeken. Bij de landinventarisaties op de planlocatie werden geen volwassen dieren aangetroffen. Hoewel tellingen op land snel een onderschatting geven van het aantal daadwerkelijk aanwezige dieren, wordt de kans in dit geval klein geacht dat adulten aanwezig waren. De voor Rugstreeppad geschikte delen op de planlocatie waren relatief beperkt, en daarmee waren de inventarisaties wat gebiedsdekking betreft vrijwel volledig. Op de voorhand werd de planlocatie als marginaal geschikt geacht voor Rugstreeppad. De aanwezige paden die deels verhard zijn en deels bestaan uit kort gemaaid gras vormen op zich wel leefgebied dat als foerageerlocatie geschikt is. En dit geldt ook voor sommige standplaatsen waar onbewerkte grond aanwezig is. Maar de hagen, bomen en struiken op
Natuurtoets
“Westerhoeve”
22
Heiloo Aanvullend Onderzoek
het middenterrein, inclusief de vele stacaravans, leiden voor grote delen van de planlocatie tot een vrij gesloten biotoop. Aaneengesloten grotere open delen zijn afwezig. Rugstreeppad wordt over het algemeen aangetroffen in meer open landschapstypen zoals op de te zuiden van de Vennewatersweg aanwezige akkergrond. Wel kunnen ze dan ook erven benutten voor een dagschuilplaats. Rugstreeppad komt lokaal in hoge dichtheden voor in het open duin van het enkele kilometers ten westen gelegen duinreservaat. Vanaf het duin tot en met de feitelijke tweede strandwal, waarop Heiloo ligt, is de soort in open gebied vrijwel overal in een lagere dichtheid aan te treffen, en zijn ook voorplantingslocaties aanwezig. Het is bekend dat met name jonge dieren zich over grote afstanden kunnen verplaatsen op zoek naar geschikt leefgebied. Ook oudere dieren kunnen ver van voortplantingswateren worden aangetroffen. Daarbij kan de soort op onverwachte locaties “opduiken”. Voor geplande ontwikkelingen ten zuiden van de Vennewatersweg en voor de recent gerealiseerde wijk Zuiderloo, zijn grote delen van het (voormalig) terrestrisch geschikt leefgebied verdwenen of zijn deze afgesloten met behulp van paddenschermen.
Mede door vertraging in de voorgenomen ontwikkeling op deze locaties staan deze schermen al enige jaren overeind, En hoewel velen inmiddels niet of nauwelijks meer volledig functioneel zijn, is het waarschijnlijk dat bij migratie van padden deze een sturend effect hebben op de “looprichting” en daarmee andere delen in de regio meer dan voorheen worden bezocht in deze regio. Ook delen die feitelijk niet geschikt zijn als leefgebied. De eindconclusie is dat de planlocatie slechts zeer marginaal geschikt is voor de soort (tijdelijk verblijf), en dit tijdelijk verblijf ook niet functioneel is voor instandhouding van de lokale of regionale populatie, bijvoorbeeld als functioneel overwinteringsgebied een bijzonder positie inneemt of een migratiezone vormt. Een onderbouwing hiervoor is dat voortplantingslocaties niet op of in de zeer nabije omgeving aanwezig zijn, er geen adulten werden aangetroffen op de planlocatie, en het aantal aangetroffen subadulten zeer laag was.
Foto 5. Subadult Rugstreeppad, waargenomen op de planlocatie.
Natuurtoets
“Westerhoeve”
23
Heiloo Aanvullend Onderzoek
4 Effectbeoordeling 4.1 Inleiding Het aanvullende onderzoek werd uitgevoerd om aanwezigheid en gebruik van de planlocatie door de volgende soorten en soortgroepen vast te stellen: Marterachten, vleermuizen, enkele broedvogelsoorten en Rugstreeppad. Per soort of soortgroep zal in deze paragraaf worden besproken of negatieve effecten kunnen optreden bij de voorgenomen plannen voor deze soorten of soortgroepen. Het uitgangspunt hierbij is dat de ontwikkeling zal plaatsvinden zoals beschreven en verbeeld in paragraaf 1.3.
4.2 Marterachtigen Het camera-onderzoek leverde geen waarnemingen op van marterachtigen. Gelet op het voorkomen van Bunzing in deze regio is de vraag of deze soort in het geheel geen gebruik maakt van de randzones. Het lijkt aannemelijk dat over een langere tijdsperiode deze soort hiervan periodiek wel gebruik van zal maken. Dit door de verbinding die deze randzones hebben met elkaar, het iets ten noorden gelegen park, en daarmee met de verder in de omgeving aanwezige singels. Waarbij dit gebruik als is het periodiek toch van grote betekenis kan zijn voor het in stand houden van de populatie omdat de randzones een onderdeel vormen van een netwerk van leefgebied, Behoud van randzones, zoals ook voorgenomen bij deze ontwikkeling, heeft voor deze soort- en mogelijk ook voor andere soorten uit deze groep dan ook zeer waarschijnlijk een duidelijke meerwaarde. Het verdwijnen van eventueel geschikte locaties op het terrein zelf is hierbij van zeer geringe betekenis.
4.3 Vleermuizen Er werden geen vaste (dag)verblijfplaatsen van vleermuizen waargenomen op de planlocatie. De sloop van het stenen groepsgebouw en de lage gebouwen aan de voorzijde zal niet leiden tot negatieve effecten. Er werden twee paarterritoria aangetroffen van de Gewone dwergvleermuis die voor een deel boven het plangebied liggen. De bijbehorende feitelijke paarverblijven van het territorium nabij de ingang bevindt zich vrijwel zeker in één van de woonhuizen die hier aanwezig zijn. Het paarverblijf van het territorium dat nabij het middenterrein bevindt zich vrijwel zeker in één van de bungalows die zich op het direct aan de planlocatie grenzend terrein bevinden. De situatie bij de ingang van de planlocatie aan de Westerweg blijft grotendeel ongewijzigd. De woonhuizen die hier aanwezig zijn blijven staan en ook aan dat geldt ook voor de direct aangrenzende omgeving. Ook het bungalowpark direct ten zuiden van de het geconstateerde paarterritorium nabij het middenterrein zal in de huidige vorm aanwezig blijven. Een aandachtspunt vormt de verlichting waarover in deze fase van de ontwikkeling nog geen informatie beschikbaar is. Hoge en sterk zijwaarts en/of naar boven uitstralende buitenverlichting kan een locatie ongeschikt maken voor een paarterritorium. Lichtuitstraling is ook in relatie tot de randzones van belang.
Hoewel het uitgangspunt bij deze effectbeoordeling steeds is dat deze fysiek aanwezig blijft, kan een verhoogde lichtuitstraling naar de randzones deze minder of zelfs niet meer geschikt maken als foerageergebied en als migratieroute van of naar verder af gelegen foerageergebieden of verblijfplaatsen.
4.4 Vogels Huismus werd niet aangetroffen, voor deze soort zijn dan ook geen negatieve gevolgen te verwachten. Er werden ook geen aanwijzingen verkregen dat Ransuil, Sperwer of Boomvalk broeden op de planlocatie. Daarnaast werden ook geen aanwijzingen gevonden dat Ransuil de nestlocatie
Natuurtoets
“Westerhoeve”
24
Heiloo Aanvullend Onderzoek
buiten het broedseizoen gebruikt als vaste rustplaats. Ook hiervoor geldt dat op de planlocatie zelf geen nadelige effecten zullen optreden. In de randzones werden geen nesten van Buizerd, Boomvalk, Havik of Sperwer aangetroffen. Dit is een relevant gegeven, omdat door het behoud van de randzones dan wel geen fysieke aantasting van nesten zal optreden, maar aanwezigheid van woonhuizen in de directe nabijheid zou met name voor deze soorten, die een relatief grote vluchtafstand hebben, wel kunnen leiden tot indirecte verstoring en daarmee tot het niet meer gebruiken van nestlocaties. De kans is groot dat één of mogelijk twee nestlocaties van Ekster zullen verdwijnen. Deze soort en met name de aanwezige individuen, zijn gewend aan menselijke aanwezigheid. Dit bleek uit de nestlocaties. In de randzone zijn voldoende alternatieven aanwezig voor een nieuwe nestlocatie. Wel is de keuze van Ekster om in een zeer dichte conifeer te gaan broeden zeer waarschijnlijk niet voor niets. Het is aannemelijk dat de ontoegankelijkheid van nesten in coniferen het risico op predatie van nesten vermindert o.a. door Zwarte kraai. Eén nestlocatie van Boomkruiper zal bij de voorgenomen ontwikkeling verdwijnen: de nestlocatie in de nok van het groepsgebouw dat gesloopt zal worden. In de randzone werden nestholten van Grote bonte specht waargenomen.
De soort is in stedelijke omgeving niet erg schuw, de verwachting is dan ook dat er geen nadelige effecten zullen optreden. Dit geldt ook voor Boomkruiper, indien deze ook gebruik maakt van de randzone als nestlocatie. Voor een aantal algemene soorten zoals Heggemus en Merel zal het verdwijnen van heggen en struiken inclusief een toename van de verharding van het terrein leiden tot een afname van het aantal broedpaar op deze locatie.
4.5 Rugstreeppad De conclusie van het verrichte onderzoek naar deze soort is dat de planlocatie geen functioneel leefgebied vormt voor de soort. Als gevolg van het voorkomen van deze zeer mobiele soort in de regio kunnen er zwervende dieren aanwezig zijn, zoals ook duidelijk werd bij dit onderzoek. Ook bij de nieuwe inrichting kunnen exemplaren weer tijdelijk aanwezig zijn. Met name bij het bouwrijp maken van het gebied kan de planlocatie als leefgebied geschikt worden voor deze soort. Er ontstaat immers een groter open gebied, waarschijnlijk met grote delen kaal zand. Ondanks de enigszins geïsoleerde ligging van de planlocatie – omgeven door wegen, woonhuizen en zones met bomen en struiken, blijkt uit het verrichte onderzoek dat de soort toch zijn weg weet te vinden naar de planlocatie. Indien er geschikt leefgebied ontstaat is de kans groot dat individuen op de planlocatie aanwezig blijven, en bovendien het aantal dieren in de loop der tijd zal toenemen. Werkzaamheden kunnen dan leiden tot het doden van dieren en inrichting tot het wegnemen van geschikt leefgebied.