BP Vennewatersweg 18 - Natuurtoets
Tekst van het document
Dergelijke beplanting dient op maximaal 100 meter van aanwezige nestplaatsen gerealiseerd te worden. Zie voor randvoorwaarden het kennisdocument huismus (BIJ12, 2017) paragraaf 3.3. o Aanbieden van alternatieve nestplaatsen door het bijplaatsen van nestkasten buiten de invloedssfeer van de werkzaamheden indien niet buiten het broedseizoen van huismussen gewerkt kan worden. Ter uitwerking hiervan dient basis van het nader onderzoek en in overleg met een deskundige bepaald te worden hoeveel en welke nestplaatsen binnen de verstoringszone van de werkzaamheden vallen en gecompenseerd moeten worden. De vervangende nestplaatsen dienen in de regel binnen 200 m van de huidige nestplaatsen gerealiseerd te worden. Er dient tevens rekening gehouden te worden met een overgangsperiode voorafgaande aan het broedseizoen waarbij zowel de huidige nestplaatsen als de alternatieve nestplaatsen beschikbaar moeten zijn. Dit betekent dat de werkzaamheden in dat geval niet in aankomend broedseizoen (2022) uitgevoerd kunnen worden. Zie voor randvoorwaarden voor alternatieve nestplaatsen het kennisdocument huismus (BIJ12, 2017) paragraaf 3.2. o Opstellen activiteitenplan en ecologische werkprotocol waarin bovengenoemde maatregelen worden uitgewerkt. Alle maatregelen dienen te worden afgestemd met het bevoegd gezag.
Verder dient het werkprotocol voorafgaande aan de werkzaamheden besproken te worden met opdrachtgever en aannemer(s).
Effecten en maatregelen gebruiksfase Om na afloop van de bouwfase (gebruiksfase) te garanderen dat het leefgebied van de huismus niet significant wordt aangetast zijn mogelijk maatregelen tijdens de gebruiksfase noodzakelijk ten gunste van de huismus. Om de kwaliteit van het leefgebied ook na afloop van de werkzaamheden te optimaliseren wordt geadviseerd maatregelen te nemen conform het ‘natuurinclusief bouwen’ concept (RVO, z.d.). In het kennisdocument huismus (BIJ12, 2017) zijn hiervoor verschillende maatregelen beschreven.
Blad 26 van 35
Natuurtoets Uitplaatsing Transportonderneming Van der Steen in de gemeente Heiloo projectnummer 469061.100 10 maart 2022 revisie 01 Gemeente Heiloo
Enkele voorbeelden van maatregelen welke in onderhavig bouwplan kunnen worden toegepast ten behoeve van realisatie van dekkings-, slaap- en foerageermogelijkheden zijn: Aanplant van doornige struiken, heesters en klimplanten binnen 5 á 10 meter van plekken waar gefoerageerd wordt (bladverliezende soorten in de winterperiode zijn minder effectief); Aanplant van inheemse soorten bomen en ander opgaand groen binnen 5 á 10 meter van waar gebroed wordt; In stand houden of ontwikkelen van overhoekjes en/of ruigten met onkruiden; Extensief beheer van gazons door het maaien van maximaal 1 maal per jaar; Behoud van mogelijkheden voor het nemen van stofbaden door het realiseren van zandige plekken. De genoemde aanplant dient een hoogte van tenminste 3 m te hebben en aanwezig te zijn binnen 100 m van de nestplaatsen. Door dergelijke maatregelen te nemen wordt het in samenhang in stand houden van voldoende dekking, voedsel en slaapplaatsen bewerkstelligd. De maatregelen dienen vastgelegd te worden in het bouwplan. In het bouwplan is reeds voorzien in de aanleg van een groenstrook rondom het huidige braakliggende terrein (zie figuur 1.2). In samenspraak met het bevoegd gezag dient te worden vastgesteld of een dergelijke groenstrook voldoet aan de kwaliteitseisen van het natuurinclusief bouwen zoals hierboven genoemd.
Verder blijft de aanwezige houtwal aan de oostrand van het werkterrein na afloop van de werkzaamheden intact. Door behoud van dit landschapselement wordt tevens bijgedragen aan de kwaliteit van het leefgebied (met name foerageergebied en slaapplaats) van de huismus na afloop van de werkzaamheden. Verder is in de nabije omgeving ook na afloop van de werkzaamheden voldoende alternatief foerageergebied voor de huismus aanwezig, bijvoorbeeld op het perceel aan de westzijde van het werkterrein. Op basis van bovengenoemde maatregelen in de gebruiksfase van het plan is de verwachting dat de functionaliteit van het leefgebied voor de huismus na afloop van de werkzaamheden niet wezenlijk is aangetast en op een gelijkwaardig niveau als in de bestaande situatie kan functioneren. Opgemerkt wordt dat het bevoegd gezag aanvullende eisen kan stellen aan het bestendig beheer en onderhoud van de genomen maatregelen. Geadviseerd wordt om het meest actuele bouwplan voorafgaand aan de werkzaamheden voor te leggen aan het bevoegd gezag en te bepalen of extra maatregelen benodigd zijn. Algemene broedvogels Alle in gebruik zijnde nesten van vogelsoorten in Nederland zijn beschermd onder de Wet natuurbescherming (artikel 3.1).
Met de meeste broedvogels kan echter in het algemeen relatief eenvoudig rekening worden gehouden door de werkzaamheden (aanleg verharding, sloop van de kassen en aanleg nieuwe gebouwen) niet uit te voeren in de broedtijd (circa maart tot en met juli2)). Ook dienen werkzaamheden nooit uitgevoerd te worden indien concrete broedgevallen aanwezig zijn. Op deze wijze zijn geen belemmeringen vanuit de Wet Natuurbescherming aan de orde. Indien nesten aanwezig zijn mogen deze tijdens de broedperiode (en wanneer deze in gebruik zijn) niet verwijderd of verstoord worden. Indien het niet mogelijk is om buiten het broedseizoen te werken dient het plangebied voorafgaand aan de werkzaamheden gecontroleerd te worden op de aanwezigheid van broedvogels door een deskundig ecoloog, aangezien huismussen op en rondom het werkterrein kunnen broeden. De nesten ervan zijn jaarrond beschermd en mogen niet worden aangetast of 2
Voor het broedseizoen wordt in het kader van de wet geen standaardperiode gehanteerd. Het broedseizoen is afhankelijk van klimatologische omstandigheden; dit houdt in dat het seizoen eerder dan wel later van start kan gaan en eerder dan wel later kan eindigen. Van belang is of er broedgevallen aanwezig zijn.
Blad 27 van 35
Natuurtoets Uitplaatsing Transportonderneming Van der Steen in de gemeente Heiloo projectnummer 469061.100 10 maart 2022 revisie 01 Gemeente Heiloo
verwijderd. Indien vastgesteld wordt dat er sprake is van actuele broedgevallen binnen het plangebied, worden locatie specifieke maatregelen voorgesteld en/of wordt het plangebied niet vrijgegeven. De werkzaamheden dienen dan uitgesteld te worden totdat het nest niet meer in gebruik is.
5.1.2
Vleermuizen Ten behoeve van de werkzaamheden worden geen gebouwen met potentiële verblijfplaatsen van vleermuizen gesloopt of aangepast, waardoor eventuele vleermuisverblijven in gebouwen op het werkterrein behouden blijven. Wel kan er, indien ‘s avonds of ’s nachts wordt gewerkt gedurende de actieve periode voor vleermuizen (circa 1 april tot en met 1 november), lichtverstoring door het gebruik van bouwverlichting optreden. Hierdoor kunnen mogelijk aanwezige vleermuizen gedesoriënteerd raken. Ten gevolge daarvan kan het functioneren verminderen van de mogelijk aanwezige verblijfplaatsen en vliegroute. Een dergelijk effect is in strijd met de Wet Natuurbescherming. Om effecten van lichtuitstraling te voorkomen wordt geadviseerd om vleermuisvriendelijk bouwverlichting toe te passen, zoals amberkleurige verlichting. Tevens dient deze verlichting uitsluitend op de werklocatie te worden gericht en dient uitstraling naar de omgeving te worden voorkomen. Dit is zeker noodzakelijk in de schemer en nacht (van 1 uur voor zonsondergang tot 1 uur na zonsopkomst) gedurende de actieve periode van vleermuizen (circa 1 april tot en met 1 november). In het bouwplan voor de gebruiksfase dient tevens rekening gehouden te worden gemaakt van vleermuisvriendelijke verlichting.
Wanneer deze werkwijze toegepast wordt, zijn er wat betreft vleermuizen geen belemmeringen ten aanzien van de Wet Natuurbescherming.
Blad 28 van 35
Natuurtoets Uitplaatsing Transportonderneming Van der Steen in de gemeente Heiloo projectnummer 469061.100 10 maart 2022 revisie 01 Gemeente Heiloo
5.1.3
Rugstreeppad In de nabije omgeving op circa 300 m van het werkterrein zijn rugstreeppadden aangetroffen. Dit blijkt uit het bureauonderzoek (NDFF). Bovendien is uit het veldbezoek gebleken dat er potentieel habitat aanwezig is op en rond het werkterrein. Op basis van de onderhavige natuurtoets kan echter niet met zekerheid worden vastgesteld dat de rugstreeppad aanwezig is in het plangebied. In onderstaande tekst zijn de mogelijke effecten en benodigde vervolgstappen van het planvoornemen op leefgebied van de rugstreeppad beschreven. Voortplantingshabitat Naar aanleiding van het uitgevoerde veldbezoek is gebleken dat niet uitgesloten kan worden dat de sloten rondom het plangebied kunnen fungeren als voortplantingshabitat van de soort. In de sloot grenzend aan de noordkant van het werkterrein zal een duiker worden geplaatst. Deze sloot is naar verwachting niet geschikt als voortplantingshabitat voor rugstreeppadden. Dit dient echter geverifieerd te worden middels het uit te voeren nader onderzoek (zie verderop). De sloot is namelijk tamelijk diep (circa 0,5 m) én er zijn predatoren van de rugstreeppadlarven aangetroffen bij de schepnetbemonstering, zoals tiendoornige stekelbaarzen en libellenlarven (zie figuur 4.6). De rugstreeppad is een slechte zwemmer en prefereert zeer ondiepe wateren waarin hij op de bodem kan zitten en met zijn kwaakblazen boven het water uit kan komen.
De aanwezigheid van predatoren in de sloot is bovendien nadelig voor de ontwikkeling van de larven van de rugstreeppad (RAVON, 2021). Indien uit nader onderzoek naar voren komt dat de rugstreeppad de sloot gebruikt als voortplantingshabitat dient de werkwijze voor het plaatsen van de zinker te worden aangepast met het opnemen van enkele mitigerende maatregelen. Essentiële rustplaatsen en landhabitat Voor de uitvoeringsperiode van werkzaamheden die mogelijk effect hebben op het landhabitat van de rugstreeppad is geen gunstige periode aan te wijzen (BIJ12, 2017). Derhalve is aanpassing van de planning van de werkzaamheden niet afdoende. Daarnaast zijn binnen het plangebied mogelijk rustplaatsen aanwezig voor de rugstreeppad. Dergelijke plekken kunnen bijvoorbeeld worden gevormd door een goed vergraafbare zandige ondergrond en de aanwezigheid van bouwmateriaal om in te schuilen (BIJ12, 2017). Met name aan achterzijde van de kassen op het terrein is een dergelijke zandstrook voorhanden. Hier bevindt zich goed vergraafbare zandige bodem met in de buurt bouwmateriaal en ander puin wat kan fungeren als schuilplaats. Aangezien op dit gedeelte van het terrein verharding en een aantal nieuwe gebouwen gerealiseerd wordt kan niet worden uitgesloten dat essentieel landhabitat hier wordt aangetast. Een tweede geschikte zandstrook bevindt zich langs de sloot op het westelijk gelegen perceel.
Hier zullen echter geen werkzaamheden plaatsvinden. De overige zandige gedeelten binnen het plangebied worden wegens de periodieke menselijk betreding niet geschikt geacht als landhabitat. Hetzelfde geldt voor de naastgelegen akker welke intensief wordt bewerkt en daarom niet geschikt is als overwinteringshabitat. De genoemde zandige bodemstroken zijn weergegeven in figuur 5.1. Op basis van bovengenoemde informatie wordt geconcludeerd dat niet volledig kan worden uitgesloten dat essentieel landhabitat van de soort wordt aangetast ten gevolge van het voorgenomen plan, bijvoorbeeld door bouwwerkzaamheden. Het potentiële verlies van habitat dient in dat geval gemitigeerd te worden in de bouwfase van het project dan wel gecompenseerd in de gebruiksfase.
Blad 29 van 35
Natuurtoets Uitplaatsing Transportonderneming Van der Steen in de gemeente Heiloo projectnummer 469061.100 10 maart 2022 revisie 01 Gemeente Heiloo
Nader onderzoek rugstreeppad Op basis van het veldbezoek kan niet worden uitgesloten dat de rugstreeppad aanwezig is op en rondom het plangebied. Daarom is allereerst nader onderzoek naar de aanwezigheid van de rugstreeppad op en rondom het werkterrein noodzakelijk. Hierbij dient zo mogelijk ook vastgesteld te worden waar zich mogelijke voortplantings- en overwinteringsplekken kunnen bevinden. Om te bepalen of de soort op en in de nabije omgeving van het werkterrein aanwezig is, dient nader onderzoek uitgevoerd te worden. Dit onderzoek dient bij voorkeur uitgevoerd te worden tussen half april tot eind juli conform het BIJ12 kennisdocument Rugstreeppad (2017). Met de gemeente Heiloo is reeds afgestemd dat dit onderzoek een voorwaardelijke verplichting vormt in het bestemmingsplan. Aanwezigheid van de soort kan onderzocht worden door het luisteren naar kooractiviteit op geschikte voortplantingsplaatsen, zoals de sloten rondom het werkterrein. Hiervoor zijn tenminste drie veldbezoeken benodigd, waarvan twee in april en mei en één bezoek in juni of juli. Aanvullend kan door onderzoek naar voortplantingsplaatsen al dan niet worden aangetoond of er larven of jonge dieren aanwezig zijn in de sloten op de werklocatie. Ook dit onderzoek dient bij voorkeur plaats te vinden in juni en juli en kan met bovenstaand onderzoek gecombineerd worden.
Figuur 5.1 Foto’s met potentieel geschikte verblijfplaatsen. Linker foto: Zandige strook achter de kassen Rechter foto: Zandige strook langs de oever van de sloot noordelijk van het plangebied Foto onder: Omgeploegde akker
Effecten en mitigatie in bouwfase Indien de soort niet wordt aangetroffen gedurende het nader onderzoek kan redelijkerwijs aangenomen worden dat de soort op het werkterrein niet aanwezig is en dat het werkterrein derhalve geen onderdeel uitmaakt van het leefgebied van de rugstreeppad. Aanvullende maatregelen ten behoeve van de werkzaamheden zijn in dat geval niet noodzakelijk. Wanneer de soort wel wordt aangetroffen op of rondom het werkterrein zijn aanvullende mitigerende maatregelen in de bouwfase noodzakelijk om de werkzaamheden doorgang te laten vinden en mogelijke effecten te minimaliseren. Naar verwachting is voor het nemen van deze maatregelen ontheffing benodigd. In ieder geval wordt geadviseerd de functionaliteit van het landhabitat te garanderen door aanwezige zandige biotopen voorafgaand aan de werkzaamheden af te rasteren en hier bij voorkeur geen werkzaamheden uit te voeren. Deze maatregel dient afgestemd te worden met een rugstreeppad deskundige om de functionaliteit gedurende de bouwfase te behouden. Het gaat hierbij om de zandstrook direct achter de kassen en de zandstrook langs de sloot in het agrarisch perceel (zie figuur 5.1). Ook de aanwezige (bouw)materialen in en rondom de kas (zoals stenen en andere materialen) kunnen onderdeel zijn van het overwinteringshabitat. Deze dienen derhalve zoveel mogelijk intact te blijven gedurende werkzaamheden.
Geadviseerd wordt om de afrastering van zandige terreinen buiten de kwetsbare periode wat betreft het landhabitat (circa
Blad 30 van 35
Natuurtoets Uitplaatsing Transportonderneming Van der Steen in de gemeente Heiloo projectnummer 469061.100 10 maart 2022 revisie 01 Gemeente Heiloo
april t/m september) uit te voeren. In deze periode bevinden de meeste individuen zich namelijk in het voortplantingshabitat (water). Voor uitvoering van deze mitigerende maatregel is naar verwachting een ontheffing in het kader van de Wet natuurbescherming benodigd. Bij het afrasteren dient het terrein voorafgaand gecontroleerd te worden op aanwezigheid van exemplaren binnen de toekomstige afrastering. Hierdoor kan het noodzakelijk zijn om aanwezige exemplaren weg te vangen en te verplaatsen. Echter is het conform de verbodsbepalingen uit de Wet natuurbescherming niet zondermeer toegestaan dieren te vangen en te verplaatsen naar een alternatieve locatie. Naar verwachting is ook in dit kader een ontheffing benodigd. Bij aanwezigheid van de rugstreeppad dient de werkwijze voor het plaatsen van de duiker in de sloot te worden aangepast. Voorgesteld wordt de sloot aan weerszijden van de duiker tijdelijk af te sluiten van de watergang en eventueel aanwezige individuen weg te vangen en verderop in dezelfde sloot weer terug te zetten. De geadviseerde stappen ten behoeve van het nader onderzoek naar de aanwezigheid van de rugstreeppad, de benodigde ontheffing en de voorgestelde mitigerende maatregelen in de bouwfase zijn samengevat in onderstaand kader. Werkwijze rugstreeppad in bouwfase
Uitvoeren onderzoek naar kooractiviteit en de aanwezigheid van eisnoeren en/of larven in de sloten op de werklocatie. Dit onderzoek dient bij voorkeur uitgevoerd te worden vanaf half april t/m juli. Er zijn tenminste 3 veldbezoeken benodigd. Indien uit bovenstaand onderzoek blijkt dat de soort op het werkterrein aanwezig is dient ontheffing aangevraagd te worden om de werkzaamheden te kunnen uitvoeren. Bovendien zijn mitigerende maatregelen benodigd in de bouwfase welke uitgewerkt dienen te worden in een activiteitenplan. Alle maatregelen dienen te worden afgestemd met het bevoegd gezag. Verder dient een werkprotocol opgesteld te worden welke voorafgaande aan de werkzaamheden besproken wordt met opdrachtgever en aannemer(s).
Blad 31 van 35
Natuurtoets Uitplaatsing Transportonderneming Van der Steen in de gemeente Heiloo projectnummer 469061.100 10 maart 2022 revisie 01 Gemeente Heiloo
Compensatie in gebruiksfase Indien uit nader onderzoek naar voren komt dat het werkterrein door de rugstreeppad als essentieel leefgebied fungeert dient in het bouwplan (gebruiksfase) rekening gehouden te worden met mogelijke compensatie van leefgebied. Gedurende de realisatiefase van het bouwplan gaat mogelijk landhabitat van de rugstreeppad permanent verloren, zoals de huidige schuilelementen rondom de kassen en zandige stroken op het werkterrein. Voortplantingshabitat – waaronder de sloten rondom het werkterrein- behouden echter hun functionaliteit als voortplantingswater. Indien de functionaliteit van bovengenoemde elementen niet behouden kan worden gedurende de werkzaamheden dient dergelijk leefgebied gecompenseerd te worden. Ter compensatie van het landhabitat dient bij de inrichting van het terrein rekening gehouden te worden door het aanbieden van geschikte alternatieve overwinteringsplaatsen en schuilplaatsen. Gedacht kan worden aan de realisatie een goed vergraafbaar zandig terreindeel met enkele objecten (zoals stenen) welke kunnen dienen als alternatieve overwinteringsplekken. De vegetatie op dit terreindeel dient in de gebruiksfase van het project zo kort mogelijk gehouden te worden. Tevens dient de compenserende maatregel ingepast te worden in het huidige bouwplan en bij voorkeur zo dicht mogelijk bij de oorspronkelijke kassen gerealiseerd te worden.
De exacte inrichting van het terreindeel dient bepaald te worden op basis van bevindingen uit het nader onderzoek en expertise van een rugstreeppaddeskundige. De integratie van deze maatregel in het bouwplan dient ter goedkeuring voorgelegd te worden aan het bevoegd gezag. Het is mogelijk dat zij aanvullende eisen stelt. Werkwijze rugstreeppad in gebruiksfase
Vastgesteld moet worden of door werkzaamheden essentieel habitat verloren gaat indien onvoldoende mitigatie ter bescherming van de functionaliteit van leefgebied kan worden toegepast gedurende de bouwfase. Vastleggen van compensatie van leefgebied in het bouwplan door het reserveren van een terreindeel met alternatief landhabitat. De exacte uitvoering en inrichting hiervan dient overlegd te worden met een rugstreeppad deskundige en het bevoegd gezag.
Blad 32 van 35
Natuurtoets Uitplaatsing Transportonderneming Van der Steen in de gemeente Heiloo projectnummer 469061.100 10 maart 2022 revisie 01 Gemeente Heiloo
5.1.4
Uitvoerbaarheid planvoornemen Met de herinrichting van het terrein gaat wordt mogelijk essentieel leefgebied van de huismus en rugstreeppad aangetast, verstoord en/of vernietigd. Dit is in strijd met de Wet natuurbescherming. Nader onderzoek is noodzakelijk naar het daadwerkelijke gebruik en de functie van de planlocatie. Indien vaste rust- en verblijfplaatsen alsook overige essentiële elementen binnen het plangebied aanwezig blijken te zijn, hoeft dit vooralsnog geen belemmering te zijn voor de uitvoerbaarheid van het plan aangezien soortspecifieke maatregelen – zoals in voorgaande hoofdstukken behandeld- te combineren zijn met de nieuwe bestemming in (of in de directe omgeving van) het plangebied. Voor de uitvoerbaarheid van het plan dient naar verwachting een ontheffing verkregen te worden indien overtreding van de verbodsbepalingen uit de Wet natuurbescherming niet voorkomen kunnen worden. Een ontheffingsaanvraag wordt getoetst aan drie criteria. Onderbouwd zal moeten worden: 1. Of de gunstige staat van de soorten in het geding komt door het plan; 2. Of er alternatieven zijn voor het voornemen, waarbij de soorten minder geschaad worden; 3. Of er sprake is van een wettelijk belang. Zoals uit bovenstaande tekst naar voren komt is het mogelijk aan de orde dat een ontheffing Wnb – soortbescherming aangevraagd moet worden indien leefgebied wordt aangetast.
Ten behoeve van de ontheffingsaanvraag dienen mitigerende en waar nodig compenserende maatregelen uitgewerkt te worden en geïntegreerd te worden in het bouwplan, zowel gedurende de bouw- als gebruiksfase. Wanneer op basis hiervan ontheffing verleend wordt door het bevoegd gezag, is het plan uitvoerbaar bevonden. Verwacht wordt dat aan de criteria voldaan kan worden en daarmee de ontwikkeling uitvoerbaar is.
Blad 33 van 35
Natuurtoets Uitplaatsing Transportonderneming Van der Steen in de gemeente Heiloo projectnummer 469061.100 10 maart 2022 revisie 01 Gemeente Heiloo
5.2
Effecten op beschermde gebieden
5.2.1
Effecten op Natura 2000-gebieden Uit de bureaustudie is gebleken dat het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied (Noord-Hollands Duinreservaat) is gelegen op een afstand van 2,0 km ten westen van het plangebied. Vanwege de relatief grote afstand tot het plangebied is stikstofdepositie de enige verstoringsfactor welke negatieve gevolgen kan hebben op het Natura 2000 gebied. Verstoring ten gevolge van geluid en trillingen, optische verstoring en versnippering van het leefgebied kunnen vanwege de grote afstand tot het natura 2000 gebied op voorhand worden uitgesloten. Aangezien delen van het Natura 2000 gebied gevoelig zijn voor verzuring en vermesting door stikstofdepositie (bron: website ministerie landbouw, natuur en voedselkwaliteit) wordt geadviseerd om stikstofdepositieberekeningen uit te voeren in AERIUS. Deze berekeningen dienen zowel betrekking te hebben op de bouwfase als ook op de gebruikersfase. Op basis van deze berekeningen moet beoordeeld worden of er vervolgstappen noodzakelijk zijn.
5.2.2
Effecten op het Natuurnetwerk Nederland (NNN) Binnen de invloedssfeer van het plangebied zijn een aantal NNN-gebieden gelegen (zie hoofdstuk 4.3.2). Deze zijn gelegen op tenminste 1,5 km van de werklocatie. Hierdoor kunnen verstoringsfactoren zoals geluid, trillingen, optische verstoring en versnippering van leefgebied op voorhand worden uitgesloten. Gezien de relatief grote afstand van het NNN-gebied tot het werkterrein in combinatie met aanwezige afscheidende elementen (zoals wegen, bebouwing en bosschages) kunnen effecten door de werkzaamheden uitgesloten worden. Uitvoering van de werkzaamheden kent daarom geen belemmering in het kader van aanwezige NNN-gebieden in de omgeving van het plangebied.
Blad 34 van 35
Natuurtoets Uitplaatsing Transportonderneming Van der Steen in de gemeente Heiloo projectnummer 469061.100 10 maart 2022 revisie 01 Gemeente Heiloo
6
Bronnen Kennisdocument huismus (Passer domesticus). BIJ 12, versie 1.0, juli 2017. Geraadpleegd op 28 april juni 2020. Kennisdocument rugstreeppad (Bufo calamita). BIJ 12, versie 1.0, juli 2017. Geraadpleegd op 5 juni 2019. Ministerie van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit, 2009. Natura 2000-gebieden, Noordhollands Duinreservaat. Geraadpleegd van website www.synbiosys.alterra.nl Rijksdienst voor ondernemend Nederland (RVO), z.d. Informatie over natuurinclusief bouwen. Geraadpleegd van website https://www.rvo.nl/onderwerpen/duurzaamondernemen/gebouwen/technieken-beheer-en-innovatie/natuurinclusief-bouwen Overig: NDFF www.vlinderstichting.nl www.ravon.nl www.verspreidingsatals.nl www.noord-holland.nl www.vogelbescherming.nl
Blad 35 van 35
Natuurtoets Uitplaatsing Transportonderneming Van der Steen in de gemeente Heiloo projectnummer 469061.100 10 maart 2022 revisie 01 Gemeente Heiloo
Bijlagen
Natuurtoets Uitplaatsing Transportonderneming Van der Steen in de gemeente Heiloo projectnummer 469061.100 10 maart 2022 revisie 01 Gemeente Heiloo
Bijlage 1: Wettelijk kader Een van de doelen van de Wnb is de bescherming van inheemse flora en fauna. Vanuit deze wet is bij ruimtelijke ingrepen de initiatiefnemer verplicht op de hoogte te zijn van de mogelijk voorkomende beschermde natuurwaarden binnen het plangebied. Het uitgangspunt van de wet is dat geen schade mag worden toegebracht aan beschermde soorten, tenzij dit uitdrukkelijk is toegestaan (het ‘nee, tenzij’ – principe). Bepaalde handelingen, waaronder ruimtelijke ingrepen, waarbij beschermde soorten in het geding zijn, zijn slechts bij uitzondering en onder voorwaarden mogelijk. Hieronder wordt uitgelegd welke verbodsbepalingen gelden, welke vrijstellingen er gelden en op welke gronden ontheffingen kunnen worden aangevraagd.
Verbodsbepalingen soortbescherming In de Wnb is soortbescherming opgedeeld in drie categorieën. Voor elke categorie gelden verschillende verbodsbepalingen die onder andere zijn vermeld in artikel 3.1, 3.5 en 3.10 van de Wnb. In het tekstkader van deze Bijlage (zie volgende pagina) staan de artikelen uitgeschreven. Het gaat om de volgende drie categorieën: -
soorten van de Vogelrichtlijn; soorten van de Habitatrichtlijn, inclusief bijlage I en II uit Verdrag van Bern en bijlage I uit Verdrag van Bonn; ‘andere soorten’ (onderdeel A ‘fauna’ en onderdeel B ‘flora’), oftewel de Nationale soorten.
Voor soorten vallend onder bovenstaande beschermingsregimes geldt dat ze in principe niet (opzettelijk) gedood en verstoord mogen worden, ook verblijfplaatsen mogen niet vernietigd worden. Bij Vogelrichtlijnsoorten is opgenomen dat verstoring is toegestaan indien de verstoring niet van wezenlijke invloed is op de staat van instandhouding van de desbetreffende soort. Dit geldt echter niet voor Habitatrichtlijnsoorten, inclusief bijlage I en II Bern en bijlage I Bonn (zie Tabel A van deze bijlage voor een uiteenzetting van soorten. Voor de ‘andere soorten’ geldt dat verstoring is toegestaan. Soorten die zijn opgenomen in bijlage A en B van de Wnb (‘andere soorten’) zijn opgenomen in tabel B en C van deze Bijlage.
Natuurtoets Uitplaatsing Transportonderneming Van der Steen in de gemeente Heiloo projectnummer 469061.100 10 maart 2022 revisie 01 Gemeente Heiloo
Verbodsbepalingen Wet natuurbescherming artikel 3.1, 3.5 en 3.10 Artikel 3.1 Beschermingsregime soorten Vogelrichtlijn 1. 2. 3. 4. 5.
Het is verboden opzettelijk van nature in Nederland in het wild levende vogels van soorten als bedoeld in artikel 1 van de Vogelrichtlijn te doden of te vangen. Het is verboden opzettelijk nesten, rustplaatsen en eieren van vogels als bedoeld in het eerste lid te vernielen of te beschadigen, of nesten van vogels weg te nemen. Het is verboden eieren van vogels als bedoeld in het eerste lid te rapen en deze onder zich te hebben. Het is verboden vogels als bedoeld in het eerste lid opzettelijk te storen. Het verbod, bedoeld in het vierde lid, is niet van toepassing indien de storing niet van wezenlijke invloed is op de staat van instandhouding van de desbetreffende vogelsoort.
Artikel 3.5 Beschermingsregime soorten Habitatrichtlijn 1.
2. 3. 4. 5.
Het is verboden in het wild levende dieren van soorten, genoemd in bijlage IV, onderdeel a, bij de Habitatrichtlijn, bijlage II bij het Verdrag van Bern of bijlage I bij het Verdrag van Bonn, met uitzondering van de soorten, bedoeld in artikel 1 van de Vogelrichtlijn, in hun natuurlijk verspreidingsgebied opzettelijk te doden of te vangen. Het is verboden dieren als bedoeld in het eerste lid opzettelijk te verstoren. Het is verboden eieren van dieren als bedoeld in het eerste lid in de natuur opzettelijk te vernielen of te rapen. Het is verboden de voortplantingsplaatsen of rustplaatsen van dieren als bedoeld in het eerste lid te beschadigen of te vernielen. Het is verboden planten van soorten, genoemd in bijlage IV, onderdeel b, bij de Habitatrichtlijn of bijlage I bij het Verdrag van Bern, in hun natuurlijke verspreidingsgebied opzettelijk te plukken en te verzamelen, af te snijden, te ontwortelen of te vernielen.
Artikel 3.10 Beschermingsregime andere soorten 1.
2.
3.
Onverminderd artikel 3.5, eerste, vierde en vijfde lid, is het verboden: a. in het wild levende zoogdieren, amfibieën, reptielen, vissen, dagvlinders, libellen en kevers van de soorten, genoemd in de bijlage, onderdeel A, bij deze wet, opzettelijk te doden of te vangen; b. de vaste voortplantingsplaatsen of rustplaatsen van dieren als bedoeld in onderdeel a opzettelijk te beschadigen of te vernielen, of c. vaatplanten van de soorten, genoemd in de bijlage, onderdeel B, bij deze wet, in hun natuurlijke verspreidingsgebied opzettelijk te plukken en te verzamelen, af te snijden, te ontwortelen of te vernielen. Artikel 3.8, met uitzondering van het derde en vierde lid, is van overeenkomstige toepassing op de verboden, bedoeld in het eerste lid, met dien verstande dat, in aanvulling op de redenen, genoemd in het vijfde lid, onderdeel b, de noodzaak voor de ontheffing of vrijstelling ook verband kan houden met handelingen: a. in het kader van de ruimtelijke inrichting of ontwikkeling van gebieden, daaronder begrepen het daarop volgende gebruik van het ingerichte of ontwikkelde gebied; b. ter voorkoming van schade of overlast, met inbegrip van schade aan sportvelden, schietterreinen, industrieterreinen, kazernes, of begraafplaatsen; c.
ter beperking van de omvang van de populatie van dieren, in verband met door deze dieren ter plaatse en in het omringende gebied veelvuldig veroorzaakte schade of in verband met de maximale draagkracht van het gebied waarin de dieren zich bevinden; d. ter voorkoming of bestrijding van onnodig lijden van zieke of gebrekkige dieren; e. in het kader van bestendig beheer of onderhoud in de landbouw of bosbouw; f. in het kader van bestendig beheer of onderhoud aan vaarwegen, watergangen, waterkeringen, waterstaatswerken, oevers, vliegvelden, wegen, spoorwegen of bermen, of in het kader van natuurbeheer; g. in het kader van bestendig beheer of onderhoud van de landschappelijke kwaliteiten van een bepaald gebied, of h. in het algemeen belang. De verboden, bedoeld in het eerste lid, onderdelen a, en b, zijn niet van toepassing op de bosmuis, de huisspitsmuis en de veldmuis voor zover deze dieren zich in of op gebouwen of daarbij behorende erven of roerende zaken bevinden.
Natuurtoets Uitplaatsing Transportonderneming Van der Steen in de gemeente Heiloo projectnummer 469061.100 10 maart 2022 revisie 01 Gemeente Heiloo
Tabel A. Soorten die vallen onder artikel 3.5 (Habitatrichtlijn bijlage IV, Bern bijlage II, Bonn bijlage I). Soortgroep
Nederlandse naam
Soortgroep
boomkikker
hamster
geelbuikvuurpad
otter
heikikker
Amfibieën
Dagvlinders
Haften Kevers
Libellen
Nachtvlinders Reptielen
kamsalamander knoflookpad
Zaadplanten
hazelmuis
landzoogdieren lynx noordse woelmuis
vroedmeesterpad
wilde kat
poelkikker
wolf
moerasparelmoervlinder
baardvleermuis
apollovlinder
bechsteins vleermuis
boszandoog
bosvleermuis
donker pimpernelblauwtje
brandts vleermuis
grote vuurvlinder
franjestaart
pimpernelblauwtje
gewone grootoorvleermuis
tijmblauwtje
grijze grootoorvleermuis
zilverstreephooibeestje
grote hoefijzerneus
oeveraas
grote rosse vleermuis
brede geelrandwaterroofkever
ingekorven vleermuis
gestreepte waterroofkever juchtleerkever
Zoogdieren vleermuizen
kleine dwergvleermuis kleine hoefijzerneus
vermiljoenkever
laatvlieger
mercuurwaterjuffer
meervleermuis
bronslibel
mopsvleermuis
gaffellibel
noordse vleermuis
gevlekte witsnuitlibel
rosse vleermuis
groene glazenmaker
ruige dwergvleermuis
noordse winterjuffer
tweekleurige vleermuis
oostelijke witsnuitlibel
vale vleermuis
rivierrombout
watervleermuis
sierlijke witsnuitlibel
gewone dwergvleermuis
teunisbloempijlstaart Dikkopschildpad, kemp’s zeeschildpad, lederschildpad, soepschilpad
walrus Bultrug, gewone vinvis bruinvis dwergpotvis
gladde slang
gestreepte dolfijn
muurhagedis
gewone dolfijn
zandhagedis
gewone spitsdolfijn
geel schorpioenmos
Weekdieren
bever
Zoogdieren
rugstreeppad
Sporenplanten tonghaarmuts Vissen
Nederlandse naam
Zoogdieren zeezoogdieren
grijze dolfijn kleine zwaardwalvis
kleine vlotvaren
narwal
steur
orka
houting
tuimelaar
bataafse stroommossel
witflankdolfijn, witsnuitdolfijn
platte schijfhoren
noordse vinvis, potvis
liggende raket, zomerschroeforchis
butskop
Natuurtoets Uitplaatsing Transportonderneming Van der Steen in de gemeente Heiloo projectnummer 469061.100 10 maart 2022 revisie 01 Gemeente Heiloo
drijvende waterweegbree
dwergvinvis
groenknolorchis
griend, witte dolfijn
kruipend moerasscherm
spitsdolfijn van gray
Natuurtoets Uitplaatsing Transportonderneming Van der Steen in de gemeente Heiloo projectnummer 469061.100 10 maart 2022 revisie 01 Gemeente Heiloo
Tabel B. “Overige Soorten” onderdeel A behorend bij artikel 3.10, eerste lid, onderdeel a. Soortgroep
Amfibieën
Nederlandse naam
Soortgroep
Nederlandse naam
Alpenwatersalamander
Beekdonderpad
Bruine kikker*
Beekprik
Gewone pad*
Elrits
Kleine watersalamander*
Europese rivierkreeft
Meerkikker*
Vissen
Gestippelde alver
Middelste groene kikker*
Grote modderkruiper
Vinpootsalamander
Kwabaal
Vuursalamander Aardbeivlinder Bosparelmoervlinder
Aardmuis*
Bruin dikkopje
Boommarter
Bruine eikenpage
Bosmuis*
Donker pimpernelblauwtje
Bunzing**
Duinparelmoervlinder
Damhert
Gentiaanblauwtje
Das
Grote parelmoervlinder
Dwergmuis*
Grote vos
Dwergspitsmuis*
Grote vuurvlinder
Edelhert
Grote weerschijnvlinder
Eekhoorn
Iepenpage
Egel*
Dagvlinders Kleine heivlinder Kleine ijsvogelvlinder
Gewone bosspitsmuis*
Kommavlinder
Gewone zeehond
Pimpernelblauwtje
Grote bosmuis
Sleedoornpage Spiegeldikkopje
Reptielen
Libellen
Eikelmuis
Zoogdieren
Grijze zeehond Haas*
Veenbesblauwtje
Hermelijn**
Veenbesparelmoervlinder
Huisspitsmuis*
Veenhooibeestje
Konijn*
Veldparelmoervlinder
Molmuis
Zilveren maan Adder
Ondergrondse woelmuis*
Hazelworm
Rosse woelmuis*
Levendbarende hagedis
Steenmarter
Ringslang
Tweekleurige bosspitsmuis*
Beekkrombout
Veldmuis*
Bosbeekjuffer
Veldspitsmuis*
Donkere waterjuffer Gevlekte glanslibel
Vos* Waterspitsmuis
Gewone bronlibel
Wezel**
Hoogveenglanslibel
Wild zwijn
Kempense heidelibel
Woelrat*
Speerwaterjuffer
Ree*
Kevers
Vliegend hert
Natuurtoets Uitplaatsing Transportonderneming Van der Steen in de gemeente Heiloo projectnummer 469061.100 10 maart 2022 revisie 01 Gemeente Heiloo
Soorten met een asterisk (*) zijn opgenomen in provinciale vrijstellingen. Soorten met een dubbele asterisk (**) zijn in alle provincies, behalve Noord-Holland en Noord-Brabant, vrijgesteld. In Limburg is daarnaast de molmuis vrijgesteld, in Friesland de steenmarter en in Noord-Brabant het wild zwijn. Voor Limburg geldt dat in bepaalde perioden van het jaar de hazelworm, levendbarende hagedis, steenmarter en de eekhoorn vrijgesteld zijn.
Tabel C. “Overige Soorten” onderdeel B behorend bij artikel 3.10, eerste lid, onderdeel c. Soortgroep
Planten
Nederlandse naam Akkerboterbloem Akkerdoornzaad Akkerogentroost Beklierde ogentroost Berggamander Bergnachtorchis Blaasvaren Blauw guichelheil Bokkenorchis Bosboterbloem Bosdravik Brave hendrik Brede wolfsmelk Breed wollegras Bruinrode wespenorchis Dennenorchis Dreps Echte gamander Franjegentiaan Geelgroene wespenorchis Geplooide vrouwenmantel Getande veldsla Gevlekt zonneroosje Glad biggenkruid Gladde zegge Groene nachtorchis
Nederlandse naam
Nederlandse naam
Groensteel Groot spiegelklokje Grote bosaardbei Grote leeuwenklauw Honingorchis Kalkboterbloem Kalketrip Karthuizeranjer Karwijselie Kleine ereprijs Kleine Schorseneer Kleine wolfsmelk Kluwenklokje Knollathyrus Knolspirea Korensla Kranskarwij Kruiptijm Lange zonnedauw Liggende ereprijs Moerasgamander Muurbloem Naakte lathyrus Naaldenkervel Pijlscheefkalk
Roggelelie Rood peperboompje Rozenkransje Ruw parelzaad Scherpkruid Schubvaren Schubzegge Smalle raai Spits havikskruid Steenbraam Stijve wolfsmelk Stofzaad Tengere distel Tengere veldmuur Trosgamander Veenbloembies Vliegenorchis Vroege ereprijs Wilde averuit Wilde ridderspoor Wilde weit Wolfskers Zandwolfsmelk Zinkviooltje Zweedse kornoelje
Natuurtoets Uitplaatsing Transportonderneming Van der Steen in de gemeente Heiloo projectnummer 469061.100 10 maart 2022 revisie 01 Gemeente Heiloo
Zorgplicht In de Wet natuurbescherming is in artikel 1.11 de zorgplicht opgenomen. In het tekstkader hieronder staat het wetsartikel uitgeschreven. Artikel 1.11 1. Een ieder neemt voldoende zorg in acht voor Natura 2000-gebieden, bijzondere nationale natuurgebieden en voor in het wild levende dieren en planten en hun directe leefomgeving. 2. De zorg, bedoeld in het eerste lid, houdt in elk geval in dat een ieder die weet of redelijkerwijs kan vermoeden dat door zijn handelen of nalaten nadelige gevolgen kunnen worden veroorzaakt voor een Natura 2000-gebied, een bijzonder nationaal natuurgebied of voor in het wild levende dieren en planten: a. dergelijke handelingen achterwege laat, dan wel b. indien dat achterwege laten redelijkerwijs niet kan worden gevergd, de noodzakelijke maatregelen treft om die gevolgen te voorkomen, of c. voor zover die gevolgen niet kunnen worden voorkomen, deze zoveel mogelijk beperkt of ongedaan maakt. 3. Het eerste lid is niet van toepassing op handelen of nalaten in overeenstemming met het bij of krachtens deze wet of de Visserijwet 1963 bepaalde. De zorgplicht houdt in dat planten en dieren niet onnodig vernield/gedood of verstoord mogen worden. Dit betekent dat handelingen (of het nalaten hiervan) waarvan men weet, of redelijkerwijs kan vermoeden, dat ze nadelig zijn voor planten en/of dieren niet mogen worden uitgevoerd.
Wanneer dergelijke handelingen toch uitgevoerd moeten worden, moeten maatregelen, voor zover dit in redelijkheid kan, worden genomen om de nadelige gevolgen te voorkomen of zoveel mogelijk te beperken. Er dient bijvoorbeeld zo gewerkt te worden dat dieren kunnen ontsnappen en het kan nodig zijn om soorten te verplaatsen (bijvoorbeeld planten en amfibieën). Deze algemene zorgplicht geldt voor elke soort en elk individu in Nederland.
Vrijstellingen Onder bepaalde voorwaarden geldt een algemene vrijstelling of een ontheffingsplicht van de verbodsbepalingen in de Wnb. Welke voorwaarden verbonden zijn aan de vrijstelling of ontheffing hangt af van de dier- of plantensoorten die voorkomen in het onderzoeksgebied en de provincie waarin de activiteit plaatsvindt. Hiertoe worden verschillende beschermingsregimes onderscheiden.
Provinciale Vrijstelling Nationale soorten (‘andere soorten’). Met betrekking tot de ‘andere soorten’ zijn per provincie beleidsregels opgesteld waarin voor een deel van deze soorten vrijstelling is verleend. Het Rijk heeft ook een vrijstelling gemaakt voor projecten die vallen onder hun bevoegdheid (projecten van nationaal belang). Zoals ook te herleiden is uit de tabel (tabellen A en B), hangt het per provincie af welke soort is vrijgesteld van de verbodsbepalingen in artikel 3.10, ook de grond waarvoor een vrijstelling geldt kan ook variëren tussen provincies.. Indien de Nationale soorten niet zijn vrijgesteld en daarmee het voornemen de gestelde verboden in artikel 3.10 overtreedt, dient een ontheffing aangevraagd te worden bij de provincie waarin het voornemen plaatsvindt.
Natuurtoets Uitplaatsing Transportonderneming Van der Steen in de gemeente Heiloo projectnummer 469061.100 10 maart 2022 revisie 01 Gemeente Heiloo
Ontheffingen Indien een soort niet onder een vrijstelling valt of niet gewerkt kan worden volgens een gedragscode, dient er een ontheffing te worden aangevraagd. Deze moet ingediend worden bij het bevoegd gezag. Dit is de provincie waarin de activiteit plaatsvindt. Een ontheffingsaanvraag wordt getoetst aan drie criteria: 1. Er bestaat geen andere bevredigende oplossing; 2. De activiteit leidt niet tot verslechtering van de staat van instandhouding; en 3. Er is sprake van een in de wet genoemd belang. In tabel D worden de belangen waaronder een ontheffing kan worden aangevraagd, opgesomd. Let daarbij op dat er voor Nationale soorten (‘andere soorten’) meer ontheffingsgronden beschikbaar zijn dan voor de beschermde soorten onder artikel 3.1 en 3.5. Indien de activiteit bestaat uit een ruimtelijke inrichting of ontwikkeling zou alleen een ontheffing afgegeven kunnen worden voor Nationale soorten. Mochten desondanks soorten uit de Vogel- en/of Habitatrichtlijn, Bern en Bonn voorkomen bij ruimtelijke ontwikkelingen, dan kunnen mitigerende maatregelen worden opgesteld. Er kan dan voor de zekerheid een ontheffing worden aangevraagd om de mitigerende maatregelen goed te keuren. Tabel D. Ontheffingsgronden waarop een ontheffing verleend mag worden per categorie (artikel 3.1, 3.5 en 3.10).
Ontheffingsgronden
1 2
3
Er bestaat geen andere bevredigende oplossing Leiden niet tot verslechtering van de staat van instandhouding Opsomming van: volksgezondheid en openbare veiligheid veiligheid van luchtverkeer ter voorkoming van schade aan gewassen, vee, bossen, visserij ter bescherming van Flora en Fauna voor onderzoek, onderwijs, uitzetten en herinvoeren van soorten / teelt dwingende reden van groot openbaar belang, met inbegrip van sociale of economische aard en met inbegrip van voor milieuwezenlijke gunstige effecten ruimtelijke inrichting of ontwikkeling schade en overlast, ter beperking omvang populatie, ter bestrijding van lijden en ziekte, bestendig beheer en onderhoud, algemeen belang
Artikel 3.1
Artikel 3.5
Artikel 3.10
Soorten van de Vogelrichtlijn
Soorten van de Habitatrichtlijn, Bonn & Bern
Andere soorten
X
X
X
X
X
X
X
X
X
X
Nee
X
X
X
X
X
X
X
X
X
X
Nee
X
X
Nee
Nee
X
Nee
Nee
3.10 2a-g
Natuurtoets Uitplaatsing Transportonderneming Van der Steen in de gemeente Heiloo projectnummer 469061.100 10 maart 2022 revisie 01 Gemeente Heiloo
Procedure ontheffingsaanvraag Voor Nationale soorten (‘andere soorten’) welke zijn opgenomen in de provinciale vrijstellingen geldt een vrijstelling. Dit betekent dat u geen ontheffing van de Wet natuurbescherming hoeft aan te vragen, maar u wel de zorgplicht moet nakomen. Voor Nationale soorten die niet zijn vrijgesteld, dient u een ontheffing beschermde soorten aan te vragen of te werken conform een gedragscode.
Voor soorten van de Vogel- en Habitatrichtlijn, Conventie van Bern en Conventie van Bonn geldt dat als u kunt werken volgens een goedgekeurde gedragscode er een vrijstelling geldt. U hoeft geen ontheffing beschermde soorten aan te vragen, maar u moet uw activiteiten aantoonbaar uitvoeren zoals in de gedragscode staat. Tevens blijft de zorgplicht gelden. Indien u niet kunt werken volgens een gedragscode, maar u kunt maatregelen nemen om de functionaliteit van de voortplantings- en/of vaste rust- en verblijfplaats te garanderen (zogenoemde mitigerende maatregelen), dan hoeft u ook geen ontheffing beschermde soorten aan te vragen. Wilt u zeker weten of uw mitigerende maatregelen voldoende zijn, en er inderdaad geen ontheffing nodig is? Vraag dan een ontheffing aan om uw maatregelen goed te keuren. Indien u geen mitigerende maatregelen kunt nemen, dan dient een ontheffing te worden aangevraagd bij het bevoegd gezag. Voor de ontheffingsaanvraag is het noodzakelijk te weten welke soorten aanwezig zijn, zodat gerichte mitigerende maatregelen kunnen worden getroffen. Het bevoegd gezag zal, indien het akkoord is met het aangeleverde stappenplan waarin de aanpak voor mitigatie beschreven wordt, een zogenoemde ‘verklaring van geen bedenkingen’ (vvgb) afgeven.
Daarmee zegt zij in feite dat een ontheffing niet noodzakelijk is wanneer men zich bij de uitvoering houdt aan het opgestelde stappenplan.
Overgangsrecht In het Besluit natuurbescherming is opgenomen dat de ontheffingen afgegeven onder het oude recht, gelden als ontheffingen onder de Wet natuurbescherming. Daarbij blijven dezelfde voorschriften, beperkingen en voorwaarden gelden. Dit geldt eveneens voor omgevingsvergunningen en vvgb’s. Op het tijdstip van inwerkingtreding van de Wnb zullen de onafgeronde ontheffing aanvragen, ingediend vóór inwerkingtreding, conform de nieuwe wet worden behandeld. Ontheffing aanvragen van voor de inwerkingtreding zullen worden afgehandeld door RVO. Aanvragen die later ingediend worden zullen afgehandeld worden door de provincies (of het Rijk). De gedragscodes worden verlengd tot het moment van in werking treden van de Wet natuurbescherming en de nieuwe gedragscodes definitief zijn goedgekeurd.
Natuurtoets Uitplaatsing Transportonderneming Van der Steen in de gemeente Heiloo projectnummer 469061.100 10 maart 2022 revisie 01 Gemeente Heiloo
Natuurnetwerk Nederland (NNN) De nieuwe naam voor de ecologische hoofdstructuur (EHS), het natuurnetwerk Nederland (NNN). De term EHS werd in 1990 geïntroduceerd in het Natuurbeleidsplan (NBP) van het toenmalige ministerie van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit (LNV). In 2013 is het natuurbeleid gedecentraliseerd naar de provincies. In hetzelfde jaar hebben de twaalf provincies met de staatssecretaris van het ministerie van EZ definitieve afspraken gemaakt in het Natuurpact. In 2014 werd de term ‘EHS’ vervangen door ‘NNN’. Dit beleid blijkt noodzakelijk te zijn doordat de Nederlandse natuur steeds meer onder druk staat, bijvoorbeeld door huizenbouw, aanleg van wegen en industrie. Toch leeft bij veel Nederlanders de wens om natuurgebieden in de buurt te hebben. Natuur geeft rust en biedt ruimte voor recreatie. De overheid heeft daarom extra geld uitgetrokken om de Nederlandse natuur te beschermen en verder te ontwikkelen. Door nieuwe natuur te ontwikkelen, kunnen natuurgebieden met elkaar worden verbonden. Zo kunnen planten zich over verschillende natuurgebieden verspreiden en dieren van het ene naar het andere gebied gaan. Het totaal van al deze gebieden en de verbindingen ertussen vormt het natuurnetwerk Nederland (NNN). Het NNN is een netwerk van gebieden in Nederland waar de natuur voorrang heeft.
Het netwerk helpt voorkomen dat planten en dieren in geïsoleerde gebieden uitsterven en dat natuurgebieden hun waarde verliezen. Het NNN kan worden gezien als de ruggengraat van de Nederlandse natuur. Het NNN bestaat uit: bestaande natuurgebieden, reservaten, natuurontwikkelingsgebieden en zogenaamde robuuste verbindingen; landbouwgebieden met mogelijkheden voor agrarisch natuurbeheer (beheergebieden); grote wateren (zoals de kustzone van de Noordzee, het IJsselmeer en de Waddenzee). Het NNN is een plan in uitvoering. De doelstelling van het Natuurpact is om 80.000 hectare nieuwe natuur in te richten vóór 2027.
Natura 2000-gebieden In de Wnb zijn bepalingen vanuit de Europese Vogelrichtlijn en Habitatrichtlijn verwerkt. De Europese richtlijnen verplichten de lidstaten gebieden aan te wijzen met speciale beschermingszones (de Natura 2000-gebieden). Het doel hiervan is om de aangewezen habitattypes en habitats van soorten in een gunstige staat van instandhouding te behouden of te herstellen. De lidstaten moeten maatregelen treffen om de kwaliteit van deze habitats en habitats van soorten niet te laten verslechteren of te voorkomen dat er geen storende factoren optreden voor de soorten waarvoor de zones zijn aangewezen. Voor activiteiten of projecten die schadelijk zijn voor de beschermde natuur, geldt een vergunningplicht. Hierdoor is in Nederland een zorgvuldige afweging gegarandeerd bij projecten die gevolgen kunnen hebben voor natuurgebieden. Meestal verlenen de provincies de vergunningen, maar soms doet het Ministerie van Economische Zaken dit.
Bestaand gebruik Voor handelingen die op 31 maart 2010 bekend waren bij het gevoegd gezag en die sinds deze datum niet meer in betekenende mate zijn gewijzigd is het niet meer noodzakelijk om een
Natuurtoets Uitplaatsing Transportonderneming Van der Steen in de gemeente Heiloo projectnummer 469061.100 10 maart 2022 revisie 01 Gemeente Heiloo
vergunning aan te vragen. Deze datum kan van een later tijdstip zijn indien een Natura 2000-gebied na 31 maart 2010 is aangewezen als beschermd gebied. Zie ook artikel 2.9 lid 2.
Overgangsrecht In de Wnb (artikel 9.4) is opgenomen dat de vergunningen afgegeven onder het oude recht, gelden als vergunningen onder de Wet natuurbescherming. Daarbij blijven dezelfde voorschriften gelden. Dit geldt eveneens voor omgevingsvergunningen en vvgb’s. Beschermde Natuurmonumenten hebben vanaf inwerkingtreding van de Wnb niet langer een beschermde status. Daardoor zijn deze gebieden alleen nog ruimtelijk beschermd (Barro, bestemmingsplannen). Het volgende schema toont de vergunningprocedure in het kader van de Natuurbeschermingswet. Een Voortoets geeft aan of er wel of geen (negatieve) negatieve effecten zijn te verwachten. Zijn er geen negatieve effecten te verwachten, dan hoeft er geen vergunning beschermde gebieden aangevraagd te worden. Indien er kans is op negatieve effecten, kan een habitattoet een verdiepingsslag geven om aan te tonen hoe groot deze negatieve effecten zijn. Mocht er kans zijn op significant negatieve effecten, is het mogelijk om een ADC-toets uit te voeren. Wordt er voldaan aan de eisen, dan kan er een vergunning worden afgegeven met voorschriften en beperkingen.
Natuurtoets Uitplaatsing Transportonderneming Van der Steen in de gemeente Heiloo projectnummer 469061.100 10 maart 2022 revisie 01 Gemeente Heiloo
Over Antea Group Antea Group is het thuis van 1500 trotse ingenieurs en adviseurs. Samen bouwen wij elke dag aan een veilige, gezonde en toekomstbestendige leefomgeving. Je vindt bij ons de allerbeste vakspecialisten van Nederland, maar ook innovatieve oplossingen op het gebied van data, sensoring en IT. Hiermee dragen wij bij aan de ontwikkeling van infra, woonwijken of waterwerken. Maar ook aan vraagstukken rondom klimaatadaptatie, energietransitie en de vervangingsopgave. Van onderzoek tot ontwerp, van realisatie tot beheer: voor elke opgave brengen wij de juiste kennis aan tafel. Wij denken kritisch mee en altijd vanuit de mindset om samen voor het beste resultaat te gaan. Op deze manier anticiperen wij op de vragen van vandaag en de oplossingen voor morgen. Al 70 jaar.
Contactgegevens Tolhuisweg 57 8443 DV HEERENVEEN Postbus 24 8440 AA HEERENVEEN T. +31 6 20606920
www.anteagroup.nl
Copyright © 2016 Niets uit deze uitgave mag worden verveelvoudigd en/of openbaar worden gemaakt door middel van druk, fotokopie, elektronisch of op welke wijze dan ook, zonder schriftelijke toestemming van de auteurs.