CConstaterende datHeiloo
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlage 22 MER Zandzoom Heiloo v2-min

Commissies t/m 31-12-2023 11 december 2023, gemeente HeilooBij agendapunt: Ontwerpbestemmingsplan Zandzoom Heiloo 202329.217 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 4 van 4

De staat van instandhouding van deze soort is gunstig waarmee gesteld kan worden dat met de beoogde ontwikkeling zich geen ecologisch zwaarwegende redenen voordoen. Daarmee is uitgesloten dat sprake is van voornoemde grondslag voor jaarrond bescherming. Verdere maatregelen of een ontheffing is daarom niet aan de orde. Boerenzwaluw: In de deelgebieden ‘centrale kamer west’ en ‘centrale kamer oost’ is het mogelijk dat ze aanwezig zijn. De nesten van de Boerenzwaluw zijn vaak te vinden in open schuren. Met het planvoornemen verdwijnt circa 100 hectare landschap, waarvan ministens 35 hectare als geschikt foerageergebied. Sinds de jaren 60 kent de soort een populatieafname van 50-75% en hoewel de trend nu positief is, ligt de huidige broedpopulatie ver onder het niveau van een halve eeuw gelden. Het verlies van nesten van de Boerenzwaluw telt daarom zwaarder mee. Op basis van deze zwaarwegende ecologische reden is er bij de boerenzwaluw wel sprak van een jaarronde bescherming van de nesten. Gezien de meerdere opstallen binnen het plangebied en daarmee mogelijke broedlocaties dient aanvullend onderzoek plaats te vinden om mogelijke negatieve effecten te voorkomen. Groene Specht: In de omgeving van het plangebied is de Groene specht tamelijk algemeen en tevens is de staat van instandhouding gunstig.

Daarom zijn er geen zwaarwegende ecologische redenen om nestplaatsen binnen het plangebied als jaarrond beschermd te beschouwen. Omdat met de ingreep een groot deel van het een kleinschalig landbouwgebied met hoogstamboomgaarden, populierenrijen en oude houtsingels verdwijnt, zal echter ook een groot deel van het foerageergebied verdwijnen.

Zwaar beschermde grondgebonden zoogdieren Door het planvoornemen gaat minimaal 30 hectare aan potentieel foerageergebied voor marterachtigen in het plangebied verloren en vindt tevens verwijdering plaats van een potentieel aanwezige verblijfplaatsen. Er is dus

Sweco | Milieueffectrapport Zandzoom Heiloo Projectnummer 51013614

89/114

sprake van een negatief effect op deze soortgroep. Meer detail onderzoek dient uitgevoerd te worden om te bepalen of compenserende en mitigerende maatregelen nodig zijn om de negatieve effecten te beperken. In het kader van de compensatie voor marterachtigen worden maatregelen getroffen ter verbetering/optimalisatie van het leefgebied. Dit wordt gerealiseerd door in potentieel leefgebied extra verblijfplaatsen te creëren. Dit gebied bevindt zich in het landschap ten westen (BPL) en oosten van Zandzoom. Gedacht kan worden aan maatregelen zoals realiseren van voldoende onderbegroeiing, takkenrillen, hagen en nestkasten. Omdat dit buiten de huidige territorium valt moet mogelijk gedacht worden aan overcompensatie. De aanwezigheid van de Noordse Woelmuis kan niet volledig worden uitgesloten aanvullend onderzoek is nodig om de aanwezigheid definitief te bepalen en eventuele negatieve effecten vast te stellen. Laag beschermde grondgebonden zoogdieren Het planvoornemen zal naar verwachting leiden tot een negatief effect op het leefgebied van meerdere laag beschermde zoogdieren. Er geldt een vrijstelling van de verbodsbepalingen van de Wnb bij ruimtelijke ingrepen maar de zorgplicht geldt wel bij deze soorten. Dit houdt in dat met name bij het bouwrijp maken ervoor gezorgd moet worden dat de kans op doden van deze zoogdieren geminimaliseerd wordt.

Vleermuizen Er kan niet op voorhand worden uitgesloten dat het planvoornemen een negatief effect heeft op vleermuizen. Er is in het plangebied geen sprake van verlies aan essentieel foerageergebied omdat dat ook in de omgeving aanwezig is. Het planvoornemen kan echter wel een negatief effect hebben op (essentiële) vliegroutes en vaste rust- en verblijfplaatsen. Aanvullend onderzoek is noodzakelijk om het daadwerkelijke effect te kunnen vaststellen. Indien wordt vastgesteld dat het plangebied een functie heeft voor vleermuizen dienen mitigerende maatregelen en mogelijke compenserende maatregelen te worden getroffen. Reptielen Vanwege de afwezigheid van beschermde reptielen in het gebied zullen er voor deze soortengroep geen negatieve effecten optreden. Amfibieën Wegens het niet op voorhand kunnen uitsluiten van het voorkomen van beschermde amfibieën zal mogelijk met het planvoornemen een negatief effect kunnen optreden bij de Rugstreeppad. Daarom is aanvullend onderzoek noodzakelijk om een gedegen inventarisatie uit te voeren naar de aanwezigheid van de Rugstreeppad in Zandzoom. Indien paddenschermen worden geplaatst is hier in de meeste gevallen een ontheffing Wnb voor nodig.

Sweco | Milieueffectrapport Zandzoom Heiloo Projectnummer 51013614

90/114

Vissen Vanwege de afwezigheid van beschermde vissoorten zal het planvoornemen geen negatief effect hebben op beschermde soorten. Resumerend: Uit de Omgevingsscan blijkt dat er potentieel veel beschermde soorten in het gebied aanwezig zijn. Met het planvoornemen is er de kans dat rust- en verblijfplaatsen worden aangetast en essentieel foerageergebied verloren gaat. Voor een aantal soorten moet dit nog definitief worden vastgesteld door middel van aanvullend onderzoek. De effectbeoordeling is daarmee negatief (-).

6.8.3

Alternatievenvergelijking

In tabel 6.16 is weergegeven of het aspect Ecologie anders wordt beoordeeld bij toepassing van het alternatieve scenario. De kolom beoordeling ‘Zandzoom zonder A9’ geeft de beoordeling weer zoals hierboven beschreven. In de tweede kolom wordt de beoordeling van Zandzoom met aansluiting op de A9 getoond. Indien de keuze voor het alternatief leidt tot een andere effectenbeoordeling, is die beoordeling roze gekleurd. Tabel 6.16 effectbeoordeling alternatieven Ecologie

Zandzoom

Zandzoom

zonder A9

met A9

Gebiedsbescherming

+

-

Soortenbescherming

-

-

De beoordeling voor het aspect gebiedsbescherming in het alternatief Zandzoom met aansluiting op de A9 is negatief beoordeeld. Uit uitgevoerde AERIUS berekeningen gedurende de planvorming blijkt dat Zandzoom inclusief de aansluiting lijdt tot een toename van de stikstofdepositie op omliggende Natura 2000-gebieden. Het gezamenlijke effect van 1.278 woningen in Zandzoom met het effect van de nieuwe aansluiting op de A9 bij Heiloo ten opzichte van de autonome situatie is maximaal 0,13 mol/ha/jr stikstoftoename. Als er intern wordt gesaldeerd met de referentiesituatie blijft er per saldo een stikstofdepositietoename van 0,06 mol/ha/jr op Natura 2000-gebieden op grote afstand van Zandzoom (Wormer- en Jisperveld & Kalverpolder, “Eilandspolder”, “Ilperveld, Varkensland, Oostzanerveld & Twiske” en “Polder Westzaan”). Zandzoom zonder aansluiting op de A9 zorgt dus niet voor een stikstoftoename in de Natura 2000-gebieden en Zandzoom met aansluiting op de A9 veroorzaakt dit wel. Het verschil betreft een planeffect van het project aansluiting op de A9. Hierdoor kunnen negatieve effecten op de Natura 2000gebieden niet zondermeer worden uitgesloten bij het alternatieve scenario. Op het gebied van soortenbescherming treden er geen andere effecten op in het alternatieve scenario omdat de variant met aansluiting op de A9 geen invloed heeft op de aanwezige soorten in het plangebied.

Sweco | Milieueffectrapport Zandzoom Heiloo Projectnummer 51013614

91/114

6.8.4

Mitigerende en compenserende maatregelen

Gebiedsbescherming 

Eventuele toename van de stikstofdepositie door het realiseren van de aansluiting op de A9, dient opgelost te worden binnen het project A9.

Soortenbescherming Voor veel soorten moet nog definitief bepaald worden wat de negatieve gevolgen zijn van het planvoornemen. Op basis daarvan kunnen gerichte mitigerende en compenserende maatregelen bedacht worden. Onderstaand een lijst met mitigerende en compenserende maatregelen die de negatieve effecten op soorten kunnen verlagen: 

 

Voor alle aanwezige soorten in het plangebied geldt altijd de Zorgplicht. Dit houdt in dat een ieder die weet of redelijkerwijs kan vermoeden dat door zijn handelen of nalaten nadelige gevolgen kunnen worden veroorzaakt voor in het wilde levende dienen planten: o Dergelijke handelingen achterwege laat, dan wel; o Indien dat achterwege laten redelijkerwijs niet kan worden gevergd, de noodzakelijke maatregelen treft om die gevolgen te voorkomen, of; o Voor zover die gevolgen niet kunnen voorkomen, deze wel mogelijk beperkt of ongedaan maakt. Broedvogels: Voor werkzaamheden met schadelijke effecten op broedvogels wordt echter veelal geen aanvullend onderzoek gedaan of ontheffing verleend, omdat deze eenvoudig te voorkomen zijn door de geoogde werkzaamheden te starten buiten het broedseizoen (15 maart t/m 15 juli). Nestgelegenheden, zoals aan de gevels hangende nestkasten of struiken, mogen wel verwijderd worden of ongeschikt gemaakt worden zolang er nog geen broedende vogels aanwezig zijn. Voor het broedseizoen wordt wettelijk gezien geen standaardperiode vastgesteld omdat het broedseizoen verschilt per soort per jaar.

Daarom is bij uitvoering van de werkzaamheden in de periode van een maand voor en enkele maanden na het broedseizoen, wel nog van belang om na te gaan of nog bewoonde nesten van vroeg of laat in het seizoen broedende soorten aanwezig zijn binnen het plangebied, zoals de soms in februari al nestelende Duiven of Eksters. Ook deze broedgevallen mogen niet verstoord worden. Kerkuil: Met de beoogde herontwikkeling dienen adviezen gegeven worden voor landschappelijke inpassing, beheersmaatregelen en het toevoegen van landschapselementen ten gunste van Kerkuilfoerageergebied. Langs de A9 kunnen onder meer rollers op de hectometerpalen geplaatst worden ter voorkoming dat ze hierop gaan zitten en zodra ze opvliegen doodgereden worden. Groene Specht: Aanleggen van voldoende parkachtige structuren ter compensatie van foerageergebied. Oeverzwaluw: Ervaring leert dat de kans op vestiging zeer groot is zodra in het voorjaar zandhopen met steilwanden aanwezig zijn binnen het plangebied. Tijdens de (bouw)werkzaamheden moet dan ook voorkomen worden dat steilwanden aanwezig zijn. Zodra deze door Oeverzwaluwen worden ontdekt en gebruikt om te nesten zal de

Sweco | Milieueffectrapport Zandzoom Heiloo Projectnummer 51013614

92/114

omgeving van deze steilwand afgeschermd moeten worden en verdere (bouw)werkzaamheden kunnen pas plaatsvinden nadat de Oeverzwaluwen weer vertrokken zijn. Marterachtigen: In het kader van de compensatie voor marterachtigen worden maatregelen getroffen ter verbetering/optimalisatie van het leefgebied. Dit wordt gerealiseerd door in potentieel leefgebied extra verblijfplaatsen te creëren. Dit gebied bevindt zich in het landschap ten westen (BPL) en oosten van Zandzoom. Gedacht kan worden aan maatregelen zoals realiseren van voldoende onderbegroeiing, takkenrillen, hagen en nestkasten. Omdat dit buiten het huidige territorium valt moet mogelijk gedacht worden aan overcompensatie. Vleermuizen: Indien a.d.h.v. aanvullend onderzoek wordt vastgesteld dat het plangebied een functie heeft (bijv. verblijf of vliegroute) voor vleermuizen, dienen mitigerende en mogelijk compenserende maatregelen getroffen te worden. Hierbij kan gedacht worden aan het creëren van permanente alternatieve verblijfplaatsen in de nieuwbouwwijk Zandzoom, het behoud van belangrijke bomenrijen en het gebruik van vleermuisvriendelijk LED-verlichting. Ook kan de kwaliteit van foerageermogelijkheden binnen Zandzoom worden behouden door bijvoorbeeld openbaar groen te voorzien van kruidenrijk inheems mengsel ter verbetering van de voedselbeschikbaarheid.

De aangegeven aanvullende onderzoeken dienen te worden uitgevoerd voor dat concrete ingrepen in het gebied worden gedaan.

6.9 Duurzaamheid en klimaatadaptatie 6.9.1

Toetsingscriteria

Voor het thema duurzaamheid en klimaatadaptatie worden de volgende toetsingscriteria gehanteerd:  

6.9.2

Energietransitie en circulariteit Klimaatadaptatie

Effectbeschrijving en -beoordeling Zandzoom zonder aansluiting A9

Energietransitie en circulariteit Met de beoogde ontwikkeling is de ambitie om energieneutraal te bouwen. De ambitie 'nul-op-de meter' voor de nieuwbouw in het gebied wordt haalbaar geacht. Dit betekent dat het gebied Zandzoom haar eigen energie opwekt en gebruikt. Tevens kan de elektra-infrastructuur zo worden ingericht dat de overcapaciteit van duurzame energie lokaal kan worden geleverd en opgeslagen in elektrische voertuigen en thuisbatterijen. De onderstaande uitgangspunten gelden voor Zandzoom: 

keuze voor hogere kwaliteit woningen t.o.v. bouwbesluit met goede isolatie, laagtemperatuur vloerverwarming en warmteterugwinning op douchewater en ventilatie;

Sweco | Milieueffectrapport Zandzoom Heiloo Projectnummer 51013614

93/114

    

gebruik van lokale duurzame warmte/koude bronnen (per woning of aantal woningen); gasloze wijk; duurzame energieopwekking met dak-geïntegreerde zonnepanelen; energieverbruik openbare ruimte 100% lokaal opwekken; nul-op-de-meterwoningen.

Voor bovenstaande uitgangspunten is het goed om in te gaan op de afweging of het warmtenet van de HVC uitgebreid kan worden naar Zandzoom en of de warmtevraag van de woningen met de gekozen ambitie 'nul-op-de meter' voldoende is om de infrastructuur rendabel te maken. Er is gekozen om – naast het speerpunt 'nul-op-de meter' – een aantal andere thema’s te doorlopen, zoals circulair bouwen (hernieuwbare en gerecyclede materialen), afvalscheiding, waterinfiltratie, geluidsreductie, veiligheid, gezondheid en intensief bouwen. De volgende maatregelen dragen bij aan de eerdergenoemde speerpunten:           

isoleren met duurzame bouwmaterialen; hergebruik van materialen; triple glas met hogere geluidsreductie; gebruik maken van bodembronnen voor warmte/koude levering wat bijdraagt aan een hoog comfort (vloerverwarming / - koeling); intelligente ventilatie met warmteterugwinning; stille duurzame technieken, zoals zonnepanelen; nader onderzoek naar duurzame energieopwekking in openbare ruimte; LED-verlichting openbare ruimte; waterinfiltratie van hemelwater in het gebied; goede fietsverbindingen naar sportvoorzieningen en natuurgebieden.

Met bovenstaande maatregelen wordt een positieve impuls gegeven aan de energietransitie en circulaire opgave waar we voor staan. Met Zandzoom wordt er een positieve bijdrage geleverd aan deze duurzaamheidsambities. De genoemde maatregelen zijn echter wel met name bedoeld voor de ontwikkeling zelf. Het geeft in mindere mate een positieve duurzaamheidsimpuls aan de rest van het gebied. Resumerend: Er liggen hoge duurzaamheidsambities voor de ontwikkeling van zandzoom. Hierdoor zal Zandzoom worden ontwikkeld met een beperkte negatieve impact op het klimaat. De maatregelen hebben echter maar een beperkte bredere positieve impact. De effect beoordeling is daarom beperkt positief (0/+).

Klimaatadaptatie Op het gebied van klimaatadaptatie wordt gekeken naar welke mogelijk nadelige effecten het klimaat heeft op het planvoornemen en of het planvoornemen wellicht al bestaande negatieve effecten beperkt. Wateroverlast, droogte, hitte

Sweco | Milieueffectrapport Zandzoom Heiloo Projectnummer 51013614

94/114

Door het planvoornemen transformeert het plangebied van een voornamelijk agrarisch gebied naar een woongebied. Eventuele risico’s voor landbouw door droogte nemen daarmee af. Het planvoornemen zorgt echter wel voor een toename van het verhard oppervlak waardoor er meer kans is op wateroverlast en hittestress. Om wateroverlast te beperken is een waterstructuurplan opgesteld per deelgebied. Het hoofduitgangspunt is dat wanneer het oppervlak verharding toeneemt, de hoeveelheid greppel om het water op te vangen ook toe neemt. Hierdoor is er ruimte om water in het gebied zelf te bergen en te laten infiltreren. Het vasthouden van water in het gebied i.p.v. afvoeren kan ook helpen bij mogelijke toekomstige droogte.

Overstromingen De effecten van overstromingen op het planvoornemen zijn maar beperkt omdat het merendeel van de woningen op de hogere zandrug wordt gebouwd. Resumerend: Ten aanzien van klimaatadaptatie worden er binnen het planvoornemen maatregelen genomen om negatieve effecten zoveel mogelijk te beperken. De effectbeoordeling is daarom neutraal (0).

6.9.3

Alternatievenvergelijking

In tabel 6.17 is weergegeven of het aspect duurzaamheid en klimaatadaptatie anders wordt beoordeeld bij toepassing van het alternatieve scenario. De kolom ‘Zandzoom zonder A9’ geeft de beoordeling weer zoals hierboven beschreven. In de tweede kolom wordt de beoordeling van Zandzoom met aansluiting op de A9 getoond. Indien de keuze voor het alternatief leidt tot een andere effectenbeoordeling, is die beoordeling roze gekleurd. Tabel 6.17 effectbeoordeling alternatieven Duurzaamheid en klimaatadaptatie

Zandzoom zonder A9

Zandzoom met A9

Energietransitie & Circulariteit

0/+

0/+

Klimaatadaptatie

0

0

Op het gebied van duurzaamheid en klimaatadaptatie treden er geen andere effecten op in het alternatieve scenario. De duurzaamheidsmaatregelen zijn niet afhankelijk van de mogelijk aansluiting op de A9.

6.9.4

Mitigerende en compenserende maatregelen

Om de effecten op het gebied van duurzaamheid en klimaatadaptatie beperkt te houden dienen wel de deelplannen en vervolguitwerkingen uit te gaan van de gehanteerde uitgangspunten op het gebied van energieneutraliteit en circulariteit. Daarnaast is het van belang om het aandeel verhard oppervlak tot een minimum proberen te beperken om zo water overlast te voorkomen en regenwater optimaal de mogelijkheid te bieden om te infiltreren.

Sweco | Milieueffectrapport Zandzoom Heiloo Projectnummer 51013614

95/114

7 Effecten in de realisatiefase 7.1 Inleiding In het voorgaande hoofdstuk is uitgebreid stil gestaan bij de mogelijke effecten van de realisatie van Zandzoom. Daarbij is zowel gekeken naar effecten in de realisatiefase als in de gebruiksfase. Aanvullend hierop is in dit hoofdstuk nog specifieke informatie opgenomen over hinder in de realisatiefase. Eerst wordt kort toegelicht welke activiteiten in de realisatiefase plaatsvinden. Vervolgens wordt ingegaan op de mogelijke hinder voor de omgeving als gevolg van geluid, trillingen, luchtkwaliteit, stof en bouwverkeer.

7.2 Activiteiten realisatiefase De bouwfase is de fase waarin de woningen en andere gebouwen worden gerealiseerd. Aan het begin van de bouwfase richten de bouwbedrijven hun werkterreinen in. Tijdens het daadwerkelijke bouwen worden verschillende typen machines ingezet. Gedacht moet worden aan hijskranen, heistellingen, betonmixers, betonpompen en dergelijke. Tijdens de bouwperiode zal ook veel materiaal worden aangevoerd met vrachtwagens, waaronder grote elementen (zoals bijv. betonnen vloerplaten). Voor het gewone en zware transport zullen binnen het plangebied bouwroutes worden aangewezen.

7.3 Effecten realisatiefase 7.3.1

Geluid

Hieronder wordt eerst de normstelling voor geluidhinder toegelicht, vervolgens wordt een korte beschrijving gegeven over mogelijke geluidhinder gedurende de realisatiefase. Normstelling geluidhinder In het ’Bouwbesluit 2012’ (hoofdstuk 8) zijn grenswaarden vastgelegd ten aanzien van de maximaal toelaatbaar te achten geluidniveaus vanwege tijdelijke bouwactiviteiten ter plaatse van woningen c.q. geluidgevoelige bestemmingen (waaronder ligplaatsen). In verband met mogelijke slaapverstoringen moet in principe worden gestreefd naar een bedrijfsvoering waarbij de lawaaiige bouw- en sloopwerkzaamheden in de nabijheid van geluidgevoelige bestemmingen niet gedurende de avond- en nachtperiode plaatsvinden, maar zich beperken tot werkdagen en op zaterdag tussen 7.00 uur en 19.00 uur. De aan te houden toetsingsnorm voor de toelaatbare geluidbelasting door bouw- en sloopwerkzaamheden op de gevels van geluidgevoelige bestemmingen, bedraagt LAeq ≤ 60 dB(A) in de dagperiode (07.00 - 19.00 uur). Een hogere geluidbelasting is gedurende een beperkte tijdsduur mogelijk. Een overzicht is gegeven in onderstaande tabel 7.1. Uitgangspunt van de normstelling is voorkomen van onacceptabele hinder.

Sweco | Milieueffectrapport Zandzoom Heiloo Projectnummer 51013614

96/114

Tabel 7.1 Normstelling geluidhinder

Wanneer niet aan de in bovenstaande tabel gegeven grenswaarden kan worden voldaan, kan ontheffing worden verleend. Een ontheffing wordt in principe alleen verleend indien er sprake is van een zwaarwegend belang èn er geen reële alternatieven zijn om de mogelijke hinder te beperken. Geluidhinder tijdens de realisatiefase Bij grondverzetwerkzaamheden (gedurende 8 uur per dag) zal de dagwaarde van 60 dB(A) bereikt worden bij afstanden van het bouwmaterieel tot de omliggende woningen variërend van circa 75 tot 150 m (inclusief signalering ). Bij de inzet van wegenbouwkundig materieel bedraagt deze afstand circa 75 tot 100 m. Voor de bouwfase geldt dat bij gebruik van een reguliere heistelling met geprefabriceerde betonpalen de afstand tussen woningen en de stelling meer dan 500 m dient te bedragen om te kunnen voldoen aan de dagwaarde van 60 dB(A). In de praktijk zijn stillere heimethoden toepasbaar (boorpalen, afstand ≥ 100 m om te voldoen aan de dagwaarde van 60 dB(A)). Ook zijn aanvullende voorzieningen toepasbaar ter beperking van de geluidbelasting door heien. Gedacht kan worden aan de toepassing van een heimuts (geluidreductie circa 4 - 6 dB), of ‘Rotterdamse mantel’ 1 (geluidreductie circa 6 dB).

De wijze waarop uitvoering wordt gegeven aan de werkzaamheden en activiteiten binnen Zandzoom is afhankelijk van het in te zetten materieel en de planning van de aannemers/bouwbedrijven. Daarnaast hangt het ook af van de routing van het bouwverkeer en de ontsluiting van Zandzoom. Om onacceptabele hinder te voorkomen dient voorafgaand aan de uitvoering van de verschillende werkzaamheden een voortoets, eventueel gevolgd door een uitgebreid akoestisch onderzoek te worden uitgevoerd. Gelet op de ligging van de woningen binnen het plangebied bestaat er een risico op overschrijding van de grenswaarden als gegeven in het Bouwbesluit 2012. Voor Zandzoom geldt dat naarmate het plangebied verder wordt ingevuld met bebouwing de geluidbelasting in verschillende richtingen wordt beperkt door tussenliggende bebouwing. Voor zover binnen Zandzoom woningen na verloop van tijd in gebruik worden genomen zal hier bij de verdere invulling van Zandzoom (inclusief bouwlawaai) rekening mee moeten worden gehouden. Inherent hieraan betekent dit dat ook geluidbijdrage ter hoogte van de verderop gelegen (bestaande) woningen langs de randen van Zandzoom lager wordt.

7.3.2

Trillingen

Hieronder wordt eerst de normstelling voor trillingen toegelicht, vervolgens wordt een korte beschouwing gegeven over mogelijke trillingshinder gedurende de realisatiefase. Normstelling hinder als gevolg van trillingen In hoofdstuk 8, artikel 8.4 van het Bouwbesluit 2012 is vastgelegd dat trillingen veroorzaakt door het uitvoeren van bouw- of sloopwerkzaamheden in gevoelige

Sweco | Milieueffectrapport Zandzoom Heiloo Projectnummer 51013614

97/114

ruimten niet sterker mogen zijn dan de grenswaarden als vermeld in tabel 4 van de Meet- en beoordelingsrichtlijn deel B “Hinder voor personen in gebouwen 2006”, zoals gepubliceerd door de Stichting Bouwresearch. De in deze richtlijn genoemde streefwaarden zijn weergegeven in onderstaande tabel.

Tabel 7.2 Streefwaarden trillingshinder

De waarden gelden voor de dagperiode. Uitgangspunt is dan ook dat de activiteiten die de trillingen veroorzaken beperkt zijn tot de dagperiode. De aan te houden streefwaarden omvatten drie componenten:

A1 = onderste streefwaarde voor de trillingssterkte Vmax; A2 = bovenste streefwaarde voor de trillingssterkte Vmax; A3 = streefwaarde voor trillingssterkte over de beoordelingsperiode Vper.

Kans op schade treedt pas op bij relatief hoge trillingsniveaus, hoger dan de voor het beoordelen van hinder te hanteren onderste streefwaarde A1 uit bovenstaande tabel. Afhankelijk van de bouwwijze en staat van onderhoud kan gebouwschade wel optreden bij trillingsniveaus lager dan de bovenste streefwaarde A2. Hinder als gevolg van trillingen Hoge trillingsniveaus komen met name voor bij het inheien van geprefabriceerde betonpalen, stalen buispalen etc. Ook bij het intrillen van stalen damwandplanken kunnen relatief hoge trillingen optreden. In kritische situaties moeten mogelijk trillingsarme systemen worden toegepast. Gedacht kan worden aan het gebruik van boorpalen en het drukken van damwanden. Bij het uitvoeren van heiwerkzaamheden op afstanden < 100 m dient voordat met de werkzaamheden wordt gestart nader onderzoek plaats te vinden (trillingsprognose). Volgt uit dit onderzoek dat de uit te voeren werkzaamheden mogelijk kritisch zijn, dan kan gekozen worden voor de inzet van een trillingsarm systeem en/of trillingsmonitoring. Er zijn voldoende mogelijkheden om bij bouwwerkzaamheden op relatief korte afstand van bestaande woningen de trillingshinder tot een aanvaardbaar niveau (conform eis Bouwbesluit 2012) te beperken en gebouwschade te voorkomen.

Evenals voor bouwlawaai geldt dat naarmate binnen het gebied meer woningen worden gerealiseerd er bij de bouwwerkzaamheden meer rekening moet worden gehouden met deze nieuwe woningen. Verwacht wordt dat naarmate de invulling van het Zandzoom vordert in toenemende mate gebruik zal worden gemaakt van trillingsarme heisystemen (bijvoorbeeld boorpalen). De inzet van

Sweco | Milieueffectrapport Zandzoom Heiloo Projectnummer 51013614

98/114

trillingsarme systemen gaat veelal hand in hand met een afname van het bouwlawaai (en vice versa).

7.3.3

Luchtkwaliteit

Hieronder wordt eerst de normstelling voor luchtkwaliteit toegelicht, vervolgswordt een korte beschouwing gegeven over mogelijke luchtkwaliteitseffecten gedurende de realisatiefase. Normstelling luchtkwaliteit Ter bescherming van de gezondheid van de mens zijn in bijlage 2 van de Wet milieubeheer luchtkwaliteitseisen gegeven met betrekking tot stikstofdioxide NO2, fijnstof PM10 en de fijnere fractie van fijnstof PM2,5. De normstelling is in onderstaande tabel 7.3 samengevat.

Tabel 7.3 Grenswaarden luchtkwaliteit

Effecten luchtkwaliteit in realisatiefase Tijdens de aanlegfase komen stikstofdioxide NO2 en fijn stof PM10/PM2,5 vrij via de uitlaatgassen van de verbrandingsmotoren van het in te zetten materieel. Aanvullend kan bij de op- en overslag van minerale stoffen (zand) verspreid over het gebied fijnstof vrijkomen. In de laatste 20 jaar is een groot aantal luchtkwaliteitsonderzoeken uitgevoerd voor bedrijven. Dit betreft onder andere op- en overslagbedrijven van zand en grind, zanddepots en inrichtingen waar minerale stoffen worden bewerkt (puinbreek activiteiten in combinatie met de op- en overslag van puingranulaat, grond en zand). Voor deze bedrijven geldt dat er sprake is van een relatief hoog activiteiten- en emissieniveau per oppervlakte-eenheid met relatief veel aan- en afvoerbewegingen met zware vrachtwagens en een verhoogde inzet van mobiele werktuigen en machines (shovels, puinbrekers, graafmachines etc.). De algemene conclusie die uit deze onderzoeken kan worden getrokken is dat de heersende achtergrondconcentraties maatgevend zijn en blijven voor de concentraties NO2, en PM10/PM2,5 in de directe omgeving van deze bedrijven. Een (dreigende) overschrijding van de grenswaarden is bij geen van deze bedrijven vastgesteld.

Voor Zandzoom geldt dat het gemiddeld activiteiten- en emissieniveau per hectare naar verwachting lager is dan het activiteitenniveau binnen voornoemde bedrijven. Gelet op de heersende, relatief lage achtergrondconcentraties, is er geen aanleiding om te veronderstellen dat gedurende de aanlegfase de grenswaarden worden overschreden of benaderd.

Sweco | Milieueffectrapport Zandzoom Heiloo Projectnummer 51013614

99/114

7.3.4

Stofhinder

Hieronder wordt eerst de normstelling voor stofhinder toegelicht, vervolgens wordt een korte beschouwing gegeven over mogelijke stofhinder gedurende de realisatiefase. Normstelling voor hinder als gevolg van stof Regels aangaande stofhinder tijdens bouw- en sloopwerkzaamheden zijn vastgelegd in artikel 8.5 van het Bouwbesluit 2012. Het artikel luidt: “Tijdens het uitvoeren van bouw- en sloopwerkzaamheden worden maatregelen getroffen om visueel waarneembare stofverspreiding buiten het bouw- of sloopterrein te voorkomen.” Hinder als gevolg van stof Met name het gebruik van zand binnen Zandzoom kan, door verwaaiing, leiden tot verspreiding van grof (zand)stof. Bij harde wind kunnen de stofdeeltjes tot grote afstand worden getransporteerd (> 500 m). Stofhinder door wind en/of opdwarrelend stof tijdens het rijden over het terrein/zandwegen kan in belangrijke mate worden voorkomen door het zand voldoende vochtig te houden. Een alternatief is het gebruik van bindmiddelen, waarmee de stofdeeltjes worden gebonden. Daar waar de aard van het werk dit toelaat (bijvoorbeeld waar zand wordt toegepast als voorbelasting) kan worden overwogen het zand af te dekken met een dunne laag grond. Bij harde wind kan er voor worden gekozen om open overslagactiviteiten met zand niet uit te voeren. De gemeente kan tot slot het voorkomen van stofhinder meenemen in de aanbestedingsvoorwaarden.

Geconcludeerd wordt dat er voldoende technische en organisatorische mogelijkheden zijn om gedurende de aanlegfase stofhinder ter plaatse van omliggende woningen voldoende te beperken.

7.3.5

Bouwverkeer

Tijdens de realisatiefase van Zandzoom zal bouwverkeer door het plangebied rijden om bouwmaterialen en materieel af te leveren of af te voeren. Bouwverkeer op de lokale wegen kan ervoor zorgen dat er verkeershinder ontstaat. Dit risico is er met name op de kleinere smalle lokale wegen waar het voor groot bouwverkeer lastig manoeuvreren is. Om de hinder zoveel mogelijk te voorkomen is het daarom noodzakelijk om een bouwlogistiekplan op te stellen met daarbij aangegeven de routes die het bouwverkeer dient te rijden. Bij het opstellen van het bouwlogistiekplan moet worden geprobeerd om het bouwverkeer en het lokale verkeer zoveel mogelijk te scheiden. Ook dient rekening gehouden te worden met de verkeersveiligheid door langzaam verkeer en bouwverkeer niet te mengen. Met een goed bouwlogistiekplan en goede communicatie naar de bewoners in het plangebied kan hinder door bouwverkeer zoveel mogelijk worden voorkomen.

Sweco | Milieueffectrapport Zandzoom Heiloo Projectnummer 51013614

100/114

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Heiloo&id=b0a4a8b6-e4ee-4b18-9a22-7d07445e6992