CConstaterende datHeiloo
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlage 14 Omgevingsscan Zandzoom (15 november 2023)_Geredigeerd_1-gecomprimeerd

Commissies t/m 31-12-2023 11 december 2023, gemeente HeilooBij agendapunt: Ontwerpbestemmingsplan Zandzoom Heiloo 202318.763 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 3

OmgevingsScan Flora en Fauna Bronnenonderzoek en beoordeling potentiële effecten in het kader van de Wet natuurbescherming

Zandzoom Heiloo (actualisatierapport)

Havinghastraat 66-L 1817 DA Alkmaar ----------------------------Tel: 072 - 234 00 66 Email: bureau@endemica.nl

© 2023 Bureau Endemica B.V./ De Buch

DISCLAIMER Bureau Endemica B.V., is niet aansprakelijk voor gevolgschade, alsmede voor schade welke voortvloeit uit toepassingen van de resultaten van werkzaamheden of andere gegevens verkregen van Bureau Endemica B.V.; opdrachtgever vrijwaart Bureau Endemica voor aanspraken van derden in verband met deze toepassing. Niets uit dit rapport mag worden verveelvoudigd en/of openbaar gemaakt worden d.m.v. d ruk, fotokopie, microfilm of op welke andere wijze dan ook, zonder voorafgaande schriftelijke toestemming van de opdrachtgever hierboven aangegeven en Bureau Endemica, noch mag het zonder een dergelijke toestemming worden gebruikt voor enig ander werk dan waarvo or het is vervaardigd.

1

Inhoudsopgave 1

2

Inleiding ................................................................................................. 5 1.1

Aanleiding ........................................................................................................................... 5

1.2

Onderzoeksopgave.............................................................................................................. 5

Wettelijk kader ........................................................................................ 7 2.1

Wet natuurbescherming/Omgevingswet ............................................................................... 7

2.2 Gebiedsbescherming ........................................................................................................... 8 2.2.1 Natura 2000-gebieden .................................................................................................. 8 2.2.2

Natuurnetwerk Nederland ............................................................................................. 9

2.2.3

Bijzonder Provinciaal Landschap ................................................................................. 10

2.3 Soortbescherming ............................................................................................................. 12 2.3.1 Zorgplicht en Rode lijst-soorten ................................................................................... 14 2.3.2

3

Provinciale vrijstelling beschermde soorten .................................................................. 14

Methode .............................................................................................. 15 3.1 Soorten ............................................................................................................................. 15 3.1.1 Literatuur en Bronnenonderzoek ................................................................................. 15 3.1.2 3.2

4

5

6

Veldbezoek................................................................................................................. 16

Gebieden .......................................................................................................................... 17

Beschrijving gebied en ingreep .............................................................. 18 4.1

Ligging plangebied en omgeving ........................................................................................ 18

4.2

Beschrijving plangebied en ecotopen ................................................................................. 19

4.3

Geplande werkzaamheden ................................................................................................. 20

Beoordeling gebiedsbescherming .......................................................... 21 5.1

Natura 2000-gebieden ....................................................................................................... 21

5.2

Provinciaal Beschermd Landschap (BPL) ........................................................................... 22

5.3

Natuurnetwerk Nederland .................................................................................................. 23

Aanwezigheid beschermde soorten ........................................................ 24 6.1

Vaatplanten ....................................................................................................................... 24

6.2 Vogels ............................................................................................................................... 25 6.2.1 Algemene broedvogels ............................................................................................... 26 6.2.2

Vogels met jaarrond beschermd nest .......................................................................... 27

3

6.3 Grondgebonden zoogdieren ............................................................................................... 34 6.3.1 Juridisch zwaarder beschermde zoogdieren ................................................................ 34 6.3.2

Laag beschermde zoogdieren ..................................................................................... 40

6.4 Vleermuizen ....................................................................................................................... 40 6.4.1 Verblijfplaatsen ........................................................................................................... 41 6.4.2 6.5

Reptielen ........................................................................................................................... 43

6.6

Amfibieën .......................................................................................................................... 43

6.7

Vissen ............................................................................................................................... 49

6.8

Overige soorten ................................................................................................................. 49

7

Conclusie en Aanbeveling ..................................................................... 51 7.1 7.2

Gebiedsbescherming ......................................................................................................... 51

Soortbescherming ............................................................................................................. 51 7.2.1 Vervolgstap per soort .................................................................................................. 51 7.2.2

7.3

8

9

Potentiële vliegroutes en foerageergebieden ................................................................ 42

Overzicht per deelgebied ............................................................................................ 52

Overige aanbevelingen ...................................................................................................... 60

Bronnenlijst .......................................................................................... 63 8.1

Literatuur ........................................................................................................................... 63

8.2

Websites ........................................................................................................................... 67

Bijlagen ................................................................................................ 68 Bijlage I: Vrijgestelde soorten per provincie ................................................................................... 68 Bijlage II: Afbeeldingen ................................................................................................................ 69

4

1 INLEIDING 1.1 Aanleiding Aan de zuidzijde van Heiloo, ten zuiden van de Vennewatersweg, worden de komende jaren circa 1.278 nieuwe woningen gerealiseerd in een groot nieuwbouwgebied genaamd Zandzoom. Deze woningen variëren van sociale woningen, appartementen en rijwoningen tot vrijstaande woningen en luxe villa's. Het is een uitgestrekt gebied met voormalige duinpannen, historische houtwallen en veel groen. De gebiedsontwikkeling in Zandzoom Heiloo is een bijzondere samenwerking met particulieren, lokale en commerciële partijen en met de gemeente. Het bestemmingsplan Zandzoom Heiloo wordt naar verwachting in 2024 wordt vastgesteld door de gemeenteraad van Heiloo. In §4.3 worden de werkzaamheden nader omschreven. Per 1 januari 2024 wordt de huidige Wet natuurbescherming (Wnb) vervangen door de nieuwe Omgevingswet (Ow). In de nieuwe wetgeving is voor de visievorming met name de omgevingsvisie als planfiguur opgenomen. De wetgeving kent in het kader van de soortenbescherming geen vergunningstelsel. Uitgangspunt is dat de bepalingen als omschreven in de beschermingsregimes worden nageleefd. Met andere woorden; initiatiefnemers van projecten of activiteiten dienen ervoor zorg te dragen dat bij de uitvoering van deze projecten of activiteiten geen overtredingen van de verbodsbepalingen, die zijn vastgelegd ter bescherming van de soorten, ontstaan.

Als er een activiteit voorgenomen is of plaatsvindt moet vooraf onderzoek worden uitgevoerd om vast te kunnen stellen of er sprake is of kan zijn van een overtreding van een van de verboden uit de beschermingsregimes. De grondslag voor dit onderzoek is gelegen in de Zorgplicht. De daarbij behorende onderzoeksplicht, bijvoorbeeld in de vorm van een onderzoek aan de flora en fauna, ligt bij de initiatiefnemer. Op basis van de resultaten van dit onderzoek dient vervolgens beoordeeld te worden of nader onderzoek noodzakelijk is. Thans laat elke initiatiefnemer afzonderlijk een QuickScan Flora en Fauna uitvoeren. Hierbij wordt vaak het groter beeld van de aanwezige beschermde natuurwaarde gemist en tevens wordt geen rekening gehouden met de accumulatie van effecten. Ten behoeve van deze beoogde werkzaamheden in Zandzoom is dus een Omgevingsscan Natuur nodig.

1.2 Onderzoeksopgave In 2021 heeft Bureau Endemica de opdracht ontvangen om een grondig onderzoek uit te voeren voor het gehele Zandzoom-gebied, met als doel de identificatie van potentieel aanwezige beschermde soorten en essentiële habitats. Het onderzoek besloeg niet alleen het vaststellen van locaties met jaarrond beschermde nesten, maar omvatte tevens de identificatie van structuren die dienen als potentiële verbindingszones of foerageergebieden. Naast het in kaart brengen van reeds waarneembare soorten zoals de Huismus en Spreeuw, was er ook een verzoek om aan te geven waar het leefgebied van mogelijke beschermde soorten in de bredere omgeving van Zandzoom versterkt kan worden. Met deze Omgevingsscan is bepaald of er mogelijke aandachtspunten zijn in relatie tot de Wet natuurbescherming ten aanzien van beschermde soorten, waar bij de geplande werkzaamheden rekening mee gehouden moet worden.

5

De Omgevingsscan, opgesteld in 2021, heeft een geldigheidsduur van drie jaar en loopt dus af in 2024. Om die reden heeft De Buch verzocht om een herbezoek aan het gebied en een actualisatie van de Omgevingsscan uit te voeren. Deze herziening omvat onder andere een evaluatie van veranderingen in de geschiktheid van de habitat voor eerder geïdentificeerde soorten, met als doel vast te stellen of er wijzigingen zijn in de te nemen vervolgstappen, die wellicht niet meer nodig zijn of juist toegevoegd dienen te worden. Daarnaast wordt beoordeeld of er nieuwe soorten zijn die nu, als gevolg van veranderingen in het landschap, dienen te worden opgenomen in de scan. Dit rapport dient als bewijs voor de initiatiefnemer dat de Zorgplicht wordt nageleefd. Het betreft echter geen specifieke inventarisatie van soorten. Voor effectieve maatregelen is aanvullend onderzoek nodig voor elke beschermde soort en essentiële functie die zich in het plangebied bevindt of wordt verwacht.

6

2 WETTELIJK KADER Dit hoofdstuk beschrijft het wettelijk kader van de gebiedsbescherming (paragraaf 2.2) en soortenbescherming (paragraaf 2.3) relevant voor voorliggende Omgevingsscan.

2.1 Wet natuurbescherming/Omgevingswet De bescherming van de natuur is opgenomen als doel in de Europese Vogel- en Habitatrichtlijn. In Nederland is de bescherming van belangrijke natuurwaarden vanaf 2017 wettelijk vastgelegd in de Wet Natuurbescherming (Wnb). Deze wet regelt zowel de bescherming van soorten als de bescherming van gebieden en houtopstanden. De Wnb omvat dan ook drie pijlers: - Gebiedsbescherming (Natura 2000). - Soortbescherming. - Houtopstanden. Naast bescherming vanuit de Wnb, zijn er ook gebieden die planologisch beschermd zijn, hetzij: - Natuurnetwerk Nederland (NNN). De bescherming van het NNN verloopt via het ruimtelijke ordeningsrecht (Barro, bestemmingsplannen). - Bijzonder Provinciaal Landschap (BPL). Dit is een beschermingsregime binnen de Omgevingsverordening bedoeld om de meest waardevolle landschappen in Noord-Holland te beschermen. Formeel is de omgevingsverordening nog gebaseerd op diverse verordenende bevoegdheden in bestaande wetten, zoals de Wet ruimtelijke ordening, de Wet milieubeheer, de Wet natuurbescherming. In de praktijk zullen toepassingsbereik van deze wetten tezamen min of meer samenvallen met die in de Omgevingswet waarin deze wetten zullen opgaan. Per 1 januari 2024 zal de huidige Wnb opgaan in de Omgevingswet (Ow).

De inhoud van de Wnb blijft van kracht, echter met het ingaan van de Omgevingswet veranderen onder meer de benamingen van wetsinstrumenten en met deze wet voegt de overheid de regels voor de fysieke leefomgeving samen; men gaat van 26 wetten naar 1 wet fysieke leefomgeving. Onder fysieke leefomgeving vallen bouwwerken, infrastructuur, watersystemen, water, bodem, lucht, landschappen, natuur, cultureel erfgoed en werelderfgoed. In de Omgevingswet wordt het belang van natuur dus als onderdeel van de fysieke leefomgeving geregeld. Het is de bedoeling dat het huidige normenkader, de instrumenten en de bevoegdheidsverdeling voor het natuurbeschermingsrecht ongewijzigd overgaan in de Omgevingswet, zonder dat daarbij afbreuk wordt gedaan aan het beschermingsniveau zoals wij dat nu kennen. De overgang van de regels over de bescherming van de natuur geschiedt dus beleidsneutraal. Dit komt doordat een groot deel van de regels in de huidige Wet natuurbescherming direct voortvloeien uit Europese en internationale verplichtingen, zoals de Habitatrichtlijn of Vogelrichtlijn. De Omgevingswet moet ook aan die Europese en internationale verplichtingen voldoen. Alle activiteiten waarvoor een omgevingsvergunning is vereist, kunnen samenlopen met handelingen waarbij ook een toestemming op grond van de Wet natuurbescherming (Wnb) nodig is.

Daarbij gaat het om handelingen met gevolgen voor beschermde natuurgebieden en/of handelingen met gevolgen voor beschermde plant- en diersoorten. Binnen de Omgevingsvergunning kunnen activiteiten afzonderlijk worden aangevraagd (art. 5.7 Ow). Bijvoorbeeld de omgevingsvergunning voor een bouwactiviteit en voor een ontheffing flora- en fauna activiteit.

7

2.2 Gebiedsbescherming 2.2.1 Natura 2000-gebieden Via de Wet natuurbescherming wordt de gebiedsbescherming van Natura 2000-gebieden geregeld. Natura 2000 richt zich op het behoud en de ontwikkeling van natuurgebieden in heel Europa. Natura 2000 is de overkoepelende naam voor gebieden die worden beschermd vanuit de Vogel- en Habitatrichtlijn. Lidstaten moeten volgens deze Europese richtlijnen specifieke diersoorten en hun leefomgeving beschermen. Elke lidstaat van de Europese Unie is verplicht om gebieden als Natura 2000 gebied aan te wijzen. In Nederland betreft dit ruim 160 gebieden. Wat betreft gebiedsbescherming heeft de Wet natuurbescherming tot doel het beschermen van terreinen en wateren met bijzondere natuur- en landschapswaarden. Voor alle Natura 2000-gebieden dient een beheerplan te worden opgesteld met daarin de natuurdoelen voor dat specifieke gebied en wat er nodig is om die doelstellingen te halen. Bij bescherming van Natura 2000-gebieden staat de ‘gunstige staat van instandhouding’ van natuurlijke habitats en soorten centraal. Binnen de Wet natuurbescherming geldt een vergunningenstelsel voor schadelijke handelingen. Dit houdt onder meer in dat er bij de voorbereiding van een ruimtelijk plan onderzocht moet worden of de ontwikkeling geen negatieve effecten zal hebben op de gunstige staat van instandhouding.

Stikstofdepositie kan zelfs op grote afstand (>10 kilometer) van de bron mogelijk negatieve gevolgen hebben op stikstofgevoelige habitats en leefgebieden van soorten die hiervoor gevoelig zijn. Daarom moet bij ruimtelijke ontwikkelingen een stikstofberekening worden uitgevoerd om te bepalen of het voornemen tot een toename aan stikstofdepositie leidt op Natura 2000-gebieden.

STIKSTOF In Noord-Holland zijn de beleidsregels stikstof onder te verdelen in 5 stappen (zie Figuur 1). Allereerst, stap 1, dient een berekening voor het uiteindelijke gebruik én een berekening voor de aanlegfase of uitvoeringsfase/bouw gemaakt te worden met de AERIUS-rekenmethode. De uitstoot mag niet meer dan 0,00 mol/ha/jaar zijn.

Figuur 1. Aan de hand van bovenstaand stappenplan kan vastgesteld worden of het project vergunningsplichtig is onder de Wnb en welke instrumenten gebruikt moeten worden (Bron: Provincie Noord-Holland).

8

Indien de uitstoot wel groter is dan 0,00 mol/ha/jaar, bestaat de mogelijkheid tot intern salderen; stap 2. De nieuwe situatie mag niet leiden tot een toename van stikstofdepositie op Natura 2000-gebieden ten opzichte van de huidige situatie die is opgenomen in de vergunning. Binnen de bedrijfsvoering moet gecompenseerd worden door bijvoorbeeld enerzijds te stoppen met een activiteit zodat anderzijds een nieuwe activiteit kan starten. Een voorbeeld is het amoveren van bestaande woningen zodat energie neutrale woningen neergezet kunnen worden. Voor intern salderen is sinds de inwerkingtreding van de Spoedwet aanpak stikstof per 1 januari 2020 geen natuurvergunning meer nodig. Dat oordeelde de Raad van State in een uitspraak van 20 januari 2021. Dat betekent dat als een activiteit of een project wordt uitgevoerd waarbij (alleen) intern salderen wordt toegepast, dit binnen de bestaande depositie is toegestaan zonder (aanvullende) vergunning daarvoor. Als uit de AERIUS-berekening blijkt dat het project leidt tot tijdelijke en/of zeer geringe stikstofdepositie op Natura 2000-gebieden, dan is een Ecologische Voortoets mogelijk; stap 3. Met deze toets kan worden bepaald of de verwachte depositie negatieve effecten zal hebben op het beschermde habitattype in Natura 2000-gebieden.

Als een negatief effect in een nieuw project kan worden uitgesloten, dan is een natuurvergunning niet nodig. Als significant negatieve effecten door stikstofdepositie niet kunnen worden uitgesloten, moet er getoetst worden of de kans bestaat op aantasting van de natuurlijke kenmerken van deze gebieden. Hierbij moet beoordeeld worden of de stikstofdeposities een risico vormen voor het behalen van de instandhoudingsdoelstellingen zoals deze voor elk Natura 2000-gebied zijn bepaald. Hiervoor wordt een Ecologische Passende Beoordeling opgesteld (stap 4). Als de conclusie van de passende beoordeling is dat er geen risico bestaat op aantasting van natuurwaarden, kan de natuurvergunning door het bevoegd gezag (meestal Gedeputeerde Staten) worden verleend. Het is ook mogelijk om de negatieve effecten van een project te compenseren met de positieve effecten van het (gedeeltelijk) intrekken van de vergunning van een ander project. Dat heet extern salderen. Voor extern salderen gelden strenge voorwaarden. Tenslotte kan een ADC-toets uitgevoerd worden (stap 5). Voor deze toets ligt de drempel hoog. Er moet voor het project sprake zijn van ontbreken van Alternatieven, het bestaan van Dwingende reden van groot openbaar belang en de schade aan kwetsbare habitattype moet men Compenseren door de aanleg van nieuwe natuur binnen of buiten de huidige Natura 2000-gebieden.

Als het project de toets doorstaat, kan het doorgaan ondanks de stikstofuitstoot die het veroorzaakt.

2.2.2 Natuurnetwerk Nederland Het Natuurnetwerk Nederland (NNN) is het Nederlands netwerk van bestaande en nieuw aan te leggen natuurgebieden. Dit is onderdeel van de actieve soortbescherming uit de Wet natuurbescherming; bedreigde dier- en plantensoorten in een gunstige staat van instandhouding te brengen. Om dit te realiseren is in de Wnb art. 1.12, lid 2 vastgelegd dat de provincies zorgen voor de totstandkoming en instandhouding van een samenhangend landelijk ecologisch netwerk, genaamd Natuurnetwerk Nederland. Door nieuwe natuur te ontwikkelen, kunnen natuurgebieden met elkaar worden verbonden. Zo kunnen planten zich over verschillende natuurgebieden verspreiden en dieren van het ene naar het andere gebied gaan. Het totaal van al deze gebieden en de verbindingen ertussen vormt het Natuurnetwerk Nederland. Het NNN draagt bij aan het bereiken van de hoofddoelstelling van het Nederlandse natuurbeleid, namelijk: 'Natuur en landschap behouden, versterken en ontwikkelen, als

9

bijdrage aan een leefbaar Nederland en een duurzame samenleving'. Het netwerk moet natuurgebieden beter verbinden met elkaar en met het omringende agrarisch gebied. Anders dan bij gebieds- en soortbescherming is de status van het NNN niet verankerd in de natuurwetgeving maar is planologisch verankerd in de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (Ministerie van Infrastructuur en Milieu, 2012) en op provinciaal niveau in de Provinciale Structuurvisie en bijbehorende Provinciale Ruimtelijke Verordening (Provincie Noord-Holland, 2019a). Voor ruimtelijke ingrepen in of nabij het NNN geldt het “nee, tenzij’’ principe. Dit houdt in dat ingrepen waarbij de oppervlakte of de wezenlijke kenmerken en waarden van het NNN significant worden aangetast, in principe niet zijn toegestaan, tenzij het een groot openbaar belang dient én er geen alternatieven zijn buiten het gebied dat deel uitmaakt van het NNN. Als het toegestaan is, is natuurcompensatie verplicht. Het NNN-beleid is provinciaal geregeld en heeft in Noord-Holland geen externe werking. Daardoor is dit beleid alleen van toepassing op activiteiten die verricht worden in het natuurgebied zelf.

Figuur 2. Faunapassages kunnen zorgen voor het blijvend functioneren van het NNN.

2.2.3 Bijzonder Provinciaal Landschap Het Bijzonder provinciaal landschap (BPL) beschermt de meest waardevolle onderdelen van het NoordHollandse landschap op basis van ecologische, cultuurhistorische, aardkundige of landschappelijke kwaliteiten. Provincies hebben sinds de invoering van de Wet natuurbescherming per 1 januari 2017 de mogelijkheid om deze status aan een gebied met uitzonderlijke waarde toe te kennen. In Noord-Holland zijn 32 gebieden aangewezen als ‘Bijzonder Provinciaal Landschap’ (Figuur 3). Dit zijn landschappen die beschermd worden vanwege hun bijzondere eigenschappen en waarde voor mens en dier. Het BPL is een beschermingsregime binnen de Omgevingsverordening. Artikel 6.41 van de Omgevingsverordening heeft als doel om het Bijzonder provinciaal landschap in Noord-Holland te beschermen en waar mogelijk te versterken en te ontwikkelen. Formeel is de omgevingsverordening

10

nog gebaseerd op diverse verordenende bevoegdheden in bestaande wetten, zoals de Wet ruimtelijke ordening, de Wet milieubeheer, de Wet natuurbescherming en de Waterwet. In de praktijk zullen toepassingsbereik en oogmerken van deze wetten tezamen min of meer samenvallen met die in de Omgevingswet waarin deze wetten zullen opgaan. Het is echter wel van belang om in de periode voorafgaand aan de inwerkingtreding van de Omgevingswet aandacht te hebben voor dit formele verschil.

Figuur 3. Bijzonder Provinciale Landschappen in Noord-Holland (Bron: Provincie Noord-Holland).

Per landschap is aangegeven welke ecologische, landschappelijke, cultuurhistorische of aardkundige waarden aanwezig zijn. Dit worden de ‘kernkwaliteiten’ van het landschap genoemd. De voormalige beschermingsregimes Bufferzones, Aardkundig Monument en Weidevogelleefgebied zijn geborgd in de kernkwaliteiten. De kernkwaliteiten van de landschappen die in het BPL zijn vastgelegd, zijn bijvoorbeeld weidevogelleefgebieden, die tot voor kort nog in de provinciale structuurvisie begrensd en via de provinciale ruimtelijke verordening (PRV) beschermd werden. Andere voorbeelden van kernkwaliteiten naast het leefgebied voor weidevogels, zijn ook waterlopen en verkavelingsvormen in oude polders, de openheid en de vergezichten in het landschap of een bijzondere opbouw van de ondergrond. Het Natuurnetwerk Nederland (gericht op de wezenlijke kenmerken en waarden van natuur en landschap) heeft een eigen regime. Vooruitlopend op artikel 2.44, lid 5, van de Omgevingswet, waarin is bepaald dat NNN-gebieden niet kunnen worden aangewezen als Bijzonder provinciaal landschap, maakt het NNN geen onderdeel uit van het BPL. NNN en BPL sluiten wel naadloos op elkaar aan. Op deze manier bestaat er geen overlap tussen NNN en BPL-gebied, maar vormen zij samen met de Erfgoederen van uitzonderlijke universele waarde (artikel 6.44) een robuust beschermd landelijk gebied.

De begrenzing van de BPL-gebieden is gebaseerd op de grenzen van de voorgaande beschermingsregimes (PRV en PMV) en landschappelijk logische grenzen. De kernkwaliteiten van een BPL mogen niet worden aangetast. Ruimtelijke ontwikkelingen zijn mogelijk in BPL, zolang ze de kernkwaliteiten niet aantasten. Denk aan fietspaden, energievoorzieningen, kleinschalige woningbouw (tot 11 woningen) of bouwwerken met een oppervlak van minder dan 500

11

2.3.1 Zorgplicht en Rode lijst-soorten In de Ow is, evenals in de Wnb het geval was, ook een specifieke zorgplicht vastgelegd. Deze plicht geldt bij alle omgevingsvergunningsaanvragen. Speciale aandacht gaat daarbij niet alleen uit naar vogels en soorten genoemd onder de Habitatrichtlijn, maar ook naar Rode Lijst-soorten. Zo moeten de Rode Lijsten ingevolge artikel 1.5 lid 3 sub a en lid 4 Wnb onderdeel uitmaken van de natuurvisie. Daarnaast vereist artikel 1.12 Wnb van provincies dat zij de nodige maatregelen nemen voor het behoud en herstel van soorten op de Rode Lijsten. Voor soorten die op de Rode Lijst zijn geplaatst geldt bijvoorbeeld een hogere prioriteit bij het nemen van actieve beschermingsmaatregelen. Hierbij valt te denken aan het verbeteren van hun leefgebieden. Ook in het kader van het Natuurnetwerk Nederland (voorheen Ecologische Hoofdstructuur) spelen de Rode Lijstsoorten een rol. Het eerste lid van artikel 1.12 Wnb maakt helder dat het netwerk onder meer van belang wordt geacht voor het in een gunstige staat van instandhouding brengen van Europees en internationaal beschermde soorten en habitats én Rode Lijstsoorten. Dit wordt ook benadrukt in de Nota van Wijzigingen waarin staat dat het netwerk een belangrijke rol speelt in het actieve soortenbeleid.

Voor flora- en fauna-activiteiten houdt de Zorgplicht in dat voorafgaand aan het verrichten van een activiteit nagegaan moet worden of er beschermde en Rode-lijst soorten aanwezig kunnen zijn. Tevens moet gekeken worden of voor die soorten belangrijke leefgebieden of natuurlijke habitats aanwezig zijn op en rond de planlocatie. Vervolgens wordt vastgesteld of op voorhand op grond van objectieve gegevens nadelige gevolgen kunnen worden uitgesloten voor deze soorten, hun nesten, hun voortplantingsplaatsen, hun rustplaatsen en hun eieren, of voor planten. Als die gevolgen niet kunnen worden uitgesloten wordt nagegaan welke gevolgen de activiteiten hierop hebben. Er dienen vervolgens passende preventieve maatregelen te worden getroffen om die nadelige gevolgen te voorkomen. Tijdens en na het verrichten van de voorgenomen activiteiten dient te worden nagegaan of de getroffen maatregelen het beoogde effect heeft. De activiteit dient te worden gestaakt als de nadelige gevolgen toch niet kunnen worden voorkomen. Indien het staken van de activiteit redelijkerwijs niet meer mogelijk is dienen passende herstelmaatregelen te worden getroffen.

2.3.2 Provinciale vrijstelling beschermde soorten Naast de strikte beschermingsregimes die op grond van de Vogelrichtlijn en Habitatrichtlijn gelden, kent de wetgeving een beschermingsregime voor ‘overige soorten’. Het is nodig om deze soorten bij wet aan te wijzen, omdat zij niet voldoende worden beschermd door enkel de Zorgplicht. Provincies hebben het recht om af te wijken van de lijst van “overige soorten”. Daarom geldt binnen de Wet natuurbescherming voor deze soorten een provinciale vrijstellingsregeling bij ruimtelijke ontwikkelingen (Provincie Noord-Holland, 2016). Het betreft algemeen voorkomende amfibieën en zoogdieren van de voormalige Flora- en faunawet tabel 1. De volledige lijst met vrijgestelde soorten per provincie is te zien in Tabel 5 van H9. Vrijgestelde soorten worden in deze rapportage niet behandeld, maar de in NoordHolland niet vrijgestelde soorten, zoals bijvoorbeeld de kleine marterachtigen, wel. Mogelijk dat onder de Ow een gewijzigde vrijstellingslijst komt, maar deze is momenteel nog niet bekend.

14

3 METHODE De OmgevingsScan Flora en Fauna is een effectbeoordeling die de mogelijke gevolgen van de Natuurwetgeving op het project inzichtelijk maakt en adviseert hoe te handelen in lijn met de Natuurwetgeving. Het betreft een verkennende toetsing van het project aan de Wet natuurbescherming/Omgevingswet. Met deze toetsing zal duidelijk worden hoe deze ontwikkeling gerealiseerd kan worden binnen de kaders van de natuurbescherming. Indien uit onderzoek blijkt dat de voorgenomen activiteiten geen schade toebrengen aan natuurwaarden of overtredingen van de wet veroorzaken, kunnen de ontwikkelingen zonder beperking van start gaan en zijn vervolgstappen niet nodig. Wanneer na het uitvoeren van de OmgevingsScan Flora en Fauna risico op schade en/of overtreding niet uitgesloten kan worden, zal een soortgericht vervolgonderzoek naar desbetreffende soorten geadviseerd worden. De ruimtelijke ontwikkelingen kunnen doorgaans na het verkrijgen van een ontheffing of vergunning en het nemen van mitigerende maatregelen alsnog plaatsvinden. De OmgevingsScan Flora en Fauna bestaat uit de volgende activiteiten: ✓ Een literatuur/bronnenonderzoek met betrekking tot de potentieel aanwezige beschermde soorten in het plangebied. ✓ Veldbezoeken waarbij de locatie wordt beoordeeld op habitatgeschiktheid voor beschermde soorten. Hierbij worden o.a.

aanwezige gebouwen, bomen en andere vegetatie beoordeeld op geschiktheid voor vleermuizen en jaarrond beschermde vogelnesten maar ook voor vaste rusten verblijfplaatsen van zoogdieren, amfibieën, reptielen etc. Er dient nauwgezet gekeken te worden of er invlieg- en uitvliegopening zijn, of er (potentiële) hangplekken zijn (locatie en aantal) in spouwmuren, gevelbetimmering, op zolders etc. en wat de ligging is van de objecten ten opzichte van het omliggende vleermuislandschap. ✓ Voor de aangetroffen zwaarder beschermde soorten wordt, door een beschrijving van de ecologische functionaliteit van het gebied (foerageergebied, migratieroute, voortplantingsgebied of winterverblijf, enz.), aangegeven hoe het gebied door iedere soort wordt gebruikt. ✓ Een inschatting van de impact van de werkzaamheden op de (potentieel) aanwezige beschermde soorten. ✓ Een effectbeoordeling gericht op (eventueel) nabijgelegen beschermde natuurgebieden (Natura 2000-gebieden), Natuurnetwerk Nederland (NNN) en Bijzonder Provinciaal Landschap (BPL). Hiertoe wordt o.m. gebruik gemaakt van GeoApps Noord-Holland.

3.1 Soorten 3.1.1 Literatuur en Bronnenonderzoek Voor een actueel overzicht van de aanwezigheid van beschermde soorten binnen de Wet natuurbescherming zijn diverse verspreidingsatlassen, de Nationale Databank Flora en Fauna (NDFF), de effectenindicator soorten van het Ministerie van LNV, en diverse websites van de PGO’s (Particulier Gegevensbeherende Organisaties) en Waarneming.nl bezocht voor recente waarnemingen en actuele verspreidingskaarten. Hierbij is gelet op waarnemingen binnen en nabij het plangebied. Dit is van belang voor mobiele soorten, zoals vleermuizen en broedvogels met jaarrond beschermde nesten, of voor soorten waarvan de verspreiding niet volledig bekend is. Hierbij is gekeken naar waarnemingen in de afgelopen 10 jaar (2013-2023). Vervolgens is een interpretatie gedaan met betrekking tot de aard

15

en de waarde van de waarnemingen (bijvoorbeeld foeragerend, overwinterend, trekkend, overvliegend of verblijvend). Ook is gekeken naar de onderzoeksinspanning en de (verwachte) volledigheid van de waarnemingen en de kans dat de situatie ter plaatse veranderd is.

3.1.2 Veldbezoek Het plangebied is opgedeeld in vijf deelgebieden (ook wel flanken of kamers genoemd; Figuur 4). Deze zijn door Bureau Endemica B.V. voor het eerst in 2021 bezocht, verdeeld over vijf dagen door vier ecologen: op 19 februari 2021 door bezocht; op 24 februari door ; op 25 februari door Jorg Schagen; op 15 maart door ; en op 19 maart door Rutger Polder en Anouska Tijmensen. Ter actualisatie is het plangebied opnieuw bezocht op 21 augustus 2023 door (21°C, 2 Bft ZW). Tijdens dit 1 veldbezoek is de aandacht vooral gelegd op de aanwezigheid van jaarrond beschermde nesten, de geschiktheid van biotopen voor de Rugstreeppad en opvallende veranderingen in de omgeving.

Figuur 4. Plangebied Zandzoom en de verdeling in deelgebieden in kleur weergegeven (bron: Google Earth).

1

Veldonderzoek is altijd een momentopname. Bureau Endemica waarborgt dat het onderzoek is uitgevoerd door deskundige onderzoekers en met methoden die voldoen aan de door het bevoegd gezag vereiste voorwaarden. Bureau Endemica is niet aansprakelijk voor validatie van waarnemingen van soorten door derden en voor waarnemingen die na afronding van de studie bekend worden gemaakt.

16

3.2 Gebieden Op de gebiedendatabase van de AERIUS-calculator is gekeken in hoeverre het plangebied is gelegen binnen of nabij de begrenzing van (Europees) beschermde gebieden (Natura 2000). Aan de hand van Provinciale of gemeentelijke informatie, toegankelijk via internet, is bekeken of het plangebied gelegen is in andere relevante beschermde gebieden, zie bijvoorbeeld in Geoapps Noord-Holland. Als dit het geval is, wordt bekeken of negatieve effecten te verwachten zijn en of nadere toetsing noodzakelijk is.

17

4 BESCHRIJVING GEBIED EN INGREEP 4.1 Ligging plangebied en omgeving Zandzoom is zuid gelegen van het dorp Heiloo in de provincie Noord-Holland. Noord grenzend aan Zandzoom ligt de Vennewatersweg, en een aantal kilometer noord de stad Alkmaar. De zuidkant van dit gebied ligt net onder het bedevaardsoord ‘Onze Lieve Vrouw Ter Nood’. Aan de westkant loopt Zandzoom verder door via de Korte Kapellaan, met een noordwestelijke doorgetrokken lijn tot aan Heiloo. De oostkant van Zandzoom ligt tegen de golf- en countryclub Heiloo aan, en loopt rechts van het gebied. Vanaf waar de Kennemerstraat kruist met Lagelaan tot aan dit golfpark, uitstrekkend tot Heiloo loopt de oostzijde van Zandzoom. Zie Figuur 5 voor een overzicht van de nabije omgeving. Het plangebied bekleedt een oppervlakte ruim 150 ha bestaande uit open agrarisch landschap op jonge zeekleipolders en duinontginningen. Als agrarisch landschap, scheidt het plangebied de bebouwing van Zuiderloo, Heiloo, af van Dusseldorp, Limmen en verbindt het plangebied het polderlandschap aan weerszijde van beide dorpen. Het polderlandschap ten oosten van Heiloo en Limmen strekt zich verder uit tot aan de Waddenzee, alhoewel doorsneden door autowegen. Aan de westkant gaat het al snel over in duingebied.

Hoewel de groenstructuur in de huidige staat in Zandzoom verbeterpunten heeft, kan het zeker als groene verbinding worden gezien tussen de buitengebieden. De eerst volgende verbindingen bevinden zich tussen Heiloo en Alkmaar en ten zuiden tussen Limmen en Castricum, respectievelijk op 3.5 en 2.7 kilometer afstand van Zandzoom af. Zie Figuur 6 voor een overzicht van deze verbindingen en de wijde omgeving.

Figuur 5. Globale ligging plangebied (witte omlijning) en nabije omgeving.

18

Figuur 6. Globale ligging plangebied (witte omlijning) en wijde omgeving.

4.2 Beschrijving plangebied en ecotopen Het plangebied is opgedeeld in een westflank, zuidflank, oostflank en twee centrale kamers (zie Figuur 4). Het westelijke deel van het gebied bestaat uit open agrarisch poldergebied, waar opgaande begroeiing voornamelijk beperkt is tot de erven van de aanwezige bebouwing. Sinds het locatiebezoek in 2021 zijn enkele kassen gesloopt en door de afwezigheid van onderhoud is nu op de plaats ruigte aanwezig. Het centrale deel bestaat eveneens uit agrarisch gebied maar is kleinschaliger van vorm met kascomplexen, schuren en woonhuizen. Hier en daar zijn ook (kleine) boomgaarden, bosjes, houtwallen, heggen en woonerven aanwezig. In 2021 bestond een groot deel uit braakliggend land met ruigte, of afgeplagd land, wat inmiddels ruige grasvlaktes zijn. Tevens is er weer nieuw braakliggend land gecreëerd in het centrale deel. De oostflank bestaat ook voor een groot deel uit agrarisch land, maar ook uit boomgaarden en woonerven plus bebouwing. Vooral in en rondom de boomgaarden zijn houtwallen aanwezig, tevens overheerst er op veel plekken ruigte, wat met name interessant is voor kleine marterachtigen. In het geheel, maar vooral rond de randen van het gebied zijn enkele territoria van Groene Specht te vinden, een soort die het goed doet in dit soort kleinschalig landschap.

Aangrenzend aan het plangebied aan de zuidkant bevind zich het Kapelbos met veelal oudere bomen en een kleine plas, ideaal habitat voor enkele vleermuizen. Zie Figuur 7 voor impressiefoto’s.

19

oost

west

Figuur 7. Impressiefoto’s uit deelgebieden westflank en de centrale kamers. De middelste foto’s laten hetzelfde stuk land zien dat in 2021 afgeplagd was, maar inmiddels (2023) begroeid.

4.3 Geplande werkzaamheden De gebiedsontwikkeling in Zandzoom te Heiloo is een bijzondere samenwerking met particulieren, lokale en commerciële partijen en met de gemeente. De komende jaren wordt er door BPD Ontwikkeling, T&G Ontwikkeling, Hoorne Vastgoed, Dura Vermeer en kleine lokale partijen in samenwerking met de Gemeente Heiloo hard gewerkt aan de ontwikkeling en realisatie van circa 1.278 nieuwe woningen in Zandzoom. Het plangebied Zandzoom is hiervoor opgedeeld in een vijftal kamers en elke kamer wordt aan de zogenaamde 'Tafel' vertegenwoordigd door één van de eigenaren. Vervolgens is de Tafel uitgedaagd om met plannen te komen. Deze plannen moeten worden gedragen door de eigenaren binnen de kamer (Bestemmingsplan Zandzoom, 2019).

20

5.2 Provinciaal Beschermd Landschap (BPL) Het Bijzonder provinciaal landschap (BPL) is een beschermingsregime binnen de Omgevingsverordening. De voormalige beschermingsregimes Bufferzones, Aardkundig Monument en Weidevogelleefgebied zijn geborgd in de kernkwaliteiten. Het gaat bij de voorgenomen plannen om het ontwikkelen van nieuwe woonwijken aan buitenkern van de stad Heiloo. In de huidige situatie is het gebied voorzien van enkele woningen of boerderij erven maar grotendeel agrarische percelen. Met de uitvoering van de voorgenomen ingreep is dus in meer of mindere mate sprake van ruimtelijke ontwikkelingen in het open landschap die leiden tot (verdere) verdichting. Het gaat echter om open landschap dat buiten BPL ligt, aangezien het plangebied als een exclavering in het BPL Noord-Kennemerland ligt (Figuur 9). Er vindt dus geen oppervlaktevermindering plaats van het BPL. Het dichtstbijzijnde BPL (Noord-Kennemerland) ligt bij sommige delen van het plangebied op minder dan 10 meter afstand (bijvoorbeeld aan de westkant en de oostkant). De bescherming van gebieden als Bijzonder Provinciaal Landschap is over het algemeen een planologische bescherming die alleen geldt voor ingrepen binnen de gebieden. ‘Externe werking’ op deze gebieden hoeft niet getoetst te worden. Wel dient te worden bekeken of een plan valt onder ‘een goede ruimtelijke ordening’.

De vraag is daarbij of de locatie wel de beste is voor deze bestemming (ook met het oog op natuurwaarden) en of de gevolgen van het plan de kernkwaliteiten van het nabijgelegen BPL niet in betekenende mate aantasten. In het geval van het beschreven project dient daarom gekeken te worden naar nabijgelegen weidevogelleefgebied. Het BPL Noord-Kennemerland kenmerkt zich door het contrast tussen de openheid in de strandvlakten en beslotenheid op de strandwallen. In enkele gebieden is de stilte een belangrijk kenmerk. Dit maakt grote delen tot een geschikt habitat voor weidevogels. Daarom moet gekeken worden of de voorgenomen activiteiten aantasting van de kernkwaliteiten van het weidevogelleefgebied (wat onder BPL-gebied valt) zal bewerkstelligen. Voor weidevogels geldt dat de nieuwe infrastructuur en activiteiten aan de rand van hun broedgebieden geluid en onrust veroorzaken en de openheid van het landschap aantasten. De ‘indirecte’ externe werking van de gebiedsbescherming uit de Provinciale Ruimtelijke Verordening is dan ook aan de orde. Verspreid over de strandvlakten liggen meerdere grote gebieden die een geschikt habitat voor weidevogels zijn. In het centrale deel van het BPL zijn dit de Bergermeerpolder, Monniken- Raven- en Robonsbospolder, Bovenpolder, Egmondermeer, Geestmolenpolder, Zuidermeerpolder, Sammerpolder en Polder het Maaiwater.

In het zuiden zijn dit de Limmerpolder en de Castricummerpolder en Heemskerkernoordbroekpolder. De gemiddelde verstoringsafstand voor de bebouwde kom is 260 m. De te hanteren verstoringsafstand is volgens de provincie 300 m. Dit betekent dat open gebieden die <300 m van BPL-gebied (met kernkwaliteit weidevogels) liggen en bebouwd gaan worden de kwaliteit van het BPL aantasten. De eerder genoemde weidevogelgebieden in het BPL liggen allemaal op meer dan 300 meter afstand van het plangebied. De ruimtelijke ontwikkeling leidt daarom niet tot extra verstoring van het habitat en worden daarom niet als aantasting van de kernkwaliteit beschouwd. Aagezien de ligging van het plangebied buiten het BPL valt en de in BPL gelegen weidevogelleefgebieden op geruime afstand gepositioneerd zijn van de beoogde ontwikkeling, is aantasting van het BPL gebied of haar functioneren dan ook uitgesloten. Ter plaatse geldende kernkwaliteiten niet worden aangetast en een nadere toetsing is niet nodig.

22

6 AANWEZIGHEID BESCHERMDE SOORTEN In onderstaande paragrafen worden de soortengroepen beschreven die in het plangebied en de directe omgeving zijn aangetroffen of te verwachten zijn. Specifieke bronnen worden niet vermeld maar zijn wel opgenomen in de literatuurlijst.

6.1 Vaatplanten BUREAUSTUDIE De meeste onder de Wnb beschermde flora zijn zeldzaam tot zeer zeldzaam en komen voor in zeer specifieke biotopen. Voorbeelden van biotopen waar onder de Wnb beschermde flora lokaal kunnen voorkomen zijn loof- en naaldbossen, hakhout en struwelen op kalkrijke, humeuze, vrij voedselarme, compacte en lemige bodems. Ook in heiden en borstelgraslanden en in onbemeste riet- en hooilanden, leemrijke akker (vooral onder wintergraan), op rivierduintjes, in kalkgraslanden en lemige blauwgraslanden, in duinvalleien en soms in het winterbed van rivieren komen de soorten voor. Daarnaast zijn er enkele soorten specifiek gebonden aan stenig substraat. Deze soorten zijn te vinden op rotsen, puinhellingen en oude (kalkrijke) muren. In Noord-Holland komen meerdere beschermde plantensoorten voor. Denk hierbij aan soorten zoals Groenknolorchis, Bokkenorchis en Groensteel. Deze groeien op heel specifieke plekken, wat dan ook de reden van hun beschermde status is. Het verspreidingsgebied van een groot deel van deze beschermde plantensoorten beperken zich veelal tot natuurgebieden. In de binnenduinrand bijvoorbeeld komt Klein ereprijs voor. Deze soort groeit in graslanden waarin ook Duinriet, Schapenzuring en Zandzegge aanwezig zijn.

Een beschermde soort zoals de Muurbloem is een soort van droge storingsmilieus alwaar ook Muursterretjes, Muurvaren en Muurleeuwenbek aangetroffen kunnen worden. Na het raadplegen van openbare bronnen, zoals databanken, verspreidingsatlassen, waarnemingsoverzichten, rapporten en websites, zijn aanwijzing gevonden voor het voorkomen van beschermde planten in (de nabijheid van) het plangebied (NDFF 2011-2023). In 2016 is namelijk Glad Biggenkruid aangetroffen op de parkeerplaats bij het treinstation van Heiloo (1.2 km ten noorden van het plangebied). Deze waarneming hoort binnen het natuurlijke verspreidingsgebied van de soort. Glad Biggenkruid is een pioniersoort die verspreidt door Nederland voorkomt, met name op open zandgronden, zoals die te vinden zijn op in het duin, maar ook op open plekken bij akkerranden, bermen en bouwterreinen. Sinds 2016 is de soort niet meer gezien binnen Heiloo, maar dit jaar wel in het naast grenzende duingebied (3.6 km afstand; Figuur 12). Vaak is deze soorten samen te vinden met de algemene soorten Akkerviooltje en Kromhals, welke overigens beide in de omgeving van Heiloo zijn waargenomen evenals bij de noordelijke grens van Zandzoom.

VELDBEZOEK De braakliggende terreinen in het plangebied bieden geschikt biotoop voor de beschermde plantensoort Glad Biggenkruid. Dit geldt met name voor deelgebied ‘westflank’, ‘centrale kamer west’ en ‘centrale kamer oost’. Tijdens het veldbezoek in 2020 en 2023 is deze soort echter niet waargenomen, enkel algemene vegetaties en plantensoorten zoals Grote brandnetel, Harig wilgenroosje, Fluitenkruid, Speenkruid, Zevenblad, Hondsdraf en Kleefkruid.

24

EFFECTEN & BEOORDELING Het zuiden van Heiloo, met projectlocaties Zuiderloo en Zandzoom, is al langere tijd een dynamische omgeving waarbij op meerdere locaties open zandgronden te vinden zijn, geschikt habitat voor Glad biggenkruid. Aangezien Glad biggenkruid een windverspreider is en op 1.2 kilometer afstand van het plangebied is waargenomen in 2016 is het zeker mogelijk dat de soort zich succesvol binnen Zandzoom heeft weten te vestigen. Het ontbreken van recente waarnemingen geeft geen reden tot het uitsluiten van de aanwezigheid van de plant, aangezien het een soort is die makkelijk over het hoofd gezien kan worden: de bloemhoofdjes zijn het grootste gedeelte van de dag gesloten en is gelijkend met de zeer weid verspreide Gewoon biggenkruid. Al met al kan het niet worden uitgesloten dat Glad biggenkruid aanwezig is in het plangebied. Bij het uitvoeren van de werkzaamheden kan daarom een negatief effect op beschermde flora tot stand komen. Daarom is het noodzakelijk om een inventarisatie uit te voeren naar de aanwezigheid van Glad Biggenkruid in Zandzoom, met name de braakliggende terreinen.

Figuur 10. Waarnemingen sinds 2011 van Glad biggenkruid (rood) in de omgeving van Heiloo en het naastgelegen duingebied. Tevens zijn waarnemingen weergegeven van Akkerviooltje (groen) en Kromhals (paars), algemene soorten die vaak in de zelfde omgeving groeien als Glad biggenkruid.

6.2 Vogels Alle vogels zijn als soort beschermd in de Wet natuurbescherming. Onderscheid kan worden gemaakt tussen vogels met jaarrond beschermde nesten en overige algemene broedvogels. Vogels met jaarrond beschermde nesten komen elk jaar terug bij hun nest. Dit nest mag dan ook niet buiten het broedseizoen worden verwijderd. Algemene broedvogels zijn soorten die voldoende flexibiliteit hebben in het kiezen van hun nestplaats. Deze soorten en hun nest zijn alleen beschermd tijdens het broeden (broedgeval).

25

6.2.1 Algemene broedvogels BUREAUSTUDIE Op basis van beschikbare bronnen (NDFF 2011-2023) is gebleken dat een groot aantal algemene broedvogels, zoals Zwartkop, Putter, Tjiftjaf, Groenling, Heggemus, Boomkruiper en Houtduif in de omgeving van het plangebied voorkomen. Ook kunnen minder algemene vogelsoorten in het gebied broeden zoals de Witte kwikstaart, Appelvink, Tureluur en Veldleeuwerik.

VELDBEZOEK Tijdens het veldbezoek in 2020 (winter) zijn in het plangebied vooral algemene vogelsoorten zoals Ekster, Kauw, Koolmees, Merel en Gaai waargenomen. In 2023 (tweede helft van de zomer) waren dit soorten zoals Zilvermeeuw, Kauw en Ekster. Het plangebied herbergde al in 2021 uniek habitat voor enkele algemene vogelsoorten, vanwege kleinschalig landschap met her en der boomgaarden. In 2023 is dit nog steeds het geval. Door deze verscheidenheid aan groen en afwezigheid van intensieve bebouwing beschikt Zandzoom in de huidige situatie over talrijke broedlocaties, verspreid over het gehele plangebied (Figuur 11). In de tuinen, bosschages, grasvelden en ruigten kunnen alle genoemde algemene vogelsoorten broeden. Soorten van jong struweel zoals Nachtegaal en oude loofbossen zoals de Fluiter ontbreken echter binnen Zandzoom.

EFFECTEN & BEOORDELING Door de aanwezigheid van geschikt broedgelegenheid in het plangebied, leiden de voorgenomen ontwikkelingen tot schade of vernietiging van nesten van broedende vogels. Tevens zullen de werkzaamheden een verstorende effect teweegbrengen op broedsel in vegetatie, die nabij het plangebied staat. Daarom zijn vervolgstappen met betrekking tot algemene broedvogels noodzakelijk. Voor werkzaamheden met schadelijke effecten op broedvogels wordt echter veelal geen aanvullend onderzoek gedaan of ontheffing verleend, omdat deze eenvoudig te voorkomen zijn door de geoogde werkzaamheden te starten op een moment dat geen broedvogels aanwezig zijn. De meeste vogels broeden tussen de periode van 15 maart en 15 juli, echter wordt wettelijk gezien geen standaardperiode vastgesteld omdat het broedseizoen verschilt per soort per jaar. De wettelijke regel luidt dat indien een nest aanwezig is, dan wel binnen als buiten de genoemde periode van 15 maart t/m 15 juli, dit nest in geen geval vernietigd of verstoord mag worden. Daarom moeten werkzaamheden in ieder geval zodanig plaatsvinden dat geen broedsels verstoord worden.

Daarbij is bij de uitvoering van de werkzaamheden die in de periode van een maand voor (februari) en enkele maanden (augustus/september) na het broedseizoen worden gepland, van belang om na te gaan of nog bewoonde nesten van vroeg of laat in het seizoen broedende soorten aanwezig zijn binnen het plangebied, zoals de soms in februari al nestelende duiven of Eksters. Ook deze broedgevallen mogen niet verstoord worden. Wanneer het niet mogelijk is om buiten het broedseizoen te werken, moet voorafgaand aan de start van de werkzaamheden vastgesteld worden dat er geen vogels aan het broeden zijn, daar waar de werkzaamheden worden uitgevoerd. Vogels die in naburige beplanting aan het broeden zijn, kunnen ook hierdoor in potentie verstoord worden. Daarom dient, wanneer in het broedseizoen moet worden gewerkt, vooraf te worden gecontroleerd op broedgevallen en indien een broedgeval binnen verstoringsafstand aanwezig is, mag hier niet gewerkt worden. Een andere mogelijkheid bij werken binnen het broedseizoen, is om het plangebied voorafgaand ongeschikt te maken voor algemene vogels. Bij soorten die niet jaarrond beschermd mogen namelijk maatregelen genomen worden om te

26

voorkomen dat gebroed gaat worden. Zo kan bv in december/januari (moment dat geen broedende vogels aanwezig zijn) struweel en vegetatie al verwijderd en kort gehouden worden waardoor vestiging van algemene broedvogels voorkomen kan worden. Met in acht neming van deze maatregel zijn ten aanzien van de algemene (broed)vogels geen verdere stappen op het gebied van een ontheffingsaanvraag noodzakelijk.

Figuur 11. Impressiefoto’s uit het plangebied met geschikt habitat voor algemene broedvogels, zoals Houtduif, Heggemus en Tjiftjaf.

6.2.2 Vogels met jaarrond beschermd nest Voor sommige vogels geldt dat ook buiten het broedseizoen hun nesten nog van een beschermde status genieten. Dit zijn vogels met jaarrond beschermde nesten.

BUREAUSTUDIE Jaarrond beschermde nesten bevinden zich veelal in hoge bomen, bomen met holten of in (oudere) gebouwen dan wel in speciaal voor het opgehangen nestkasten. Het plangebied Zandzoom herberg geschikt habitat om voor deze soorten tot broeden te komen. In het plangebied zijn dan ook waarnemingen bekend van de Huismus, Buizerd, Havik, Sperwer, Boomvalk, Kerkuil, Ransuil (inclusief een broedplek in het Kapelbos) en zijn mogelijke broedplekken aanwezig van de Sperwer (NDFF 20112023).

27

Daarnaast zijn binnen Zandzoom of aan de rand van het gebied ook veel waarnemingen en/of broedgevallen bekend van categorie 5-soorten2, namelijk van de Blauwe reiger, Boerenzwaluw, Oeverzwaluw, Groene specht, Torenvalk en Spreeuw. Tijdens de veldbezoeken is tevens territoriaal gedrag (balts) waargenomen van verscheidene Groene spechten (categorie 5-soort). Tijdens het veldbezoek in 2021 (winter) is uitgebreid gelet op neststructuren in bomen en de aanwezigheid van Huismussen bij bebouwing. In het veldbezoek in 2023 (tweede helft zomer) stonden de bomen vol in blad, wat het niet mogelijk maakte om de aanwezigheid van alle neststructuren die waren vastgesteld in 2021 te controleren. Aangezien er in het plangebied weinig tot geen veranderingen zijn aangebracht aan de groenstructuren en gebouwen in het plangebied wordt ook niet verwacht dat er een significante afname heeft plaatsgevonden van de nestlocaties. Sinds 2021 zijn wel veel (hoge) bomen omgewaaid tijdens storm Poly (4 juli 2023), waardoor het mogelijk is dat enkele neststructuren vernietigd zijn. Daarbij zullen er in de tussentijd ook nieuwe nesten gebouwd zijn – het plangebied biedt genoeg mogelijkheid hiervoor. Hieronder volgen de waarnemingen uit 2021 van aanwezige soorten met opmerkingen over of er wel of geen veranderingen zijn waargenomen in 2023.

Onderstaand wordt per deelgebied in en rondom het plangebied voorkomende, jaarrond beschermde vogelsoorten behandeld, inclusief de categorie 5-soorten, op basis van de waarnemingen uit 2021 met aanvullingen van het veldbezoek in 2023.

WESTFLANK In het deelgebied ‘westflank’ zijn de volgende vogelsoorten met jaarrond beschermde nesten waargenomen of (mogelijke) broedplekken van aangetroffen: • Groene specht: Een groot deel van de waarnemingen van de Groene specht liggen aan de randen van het plangebied of net erbuiten, echter van de geconstateerde individuen binnen Zandzoom zijn de meeste waarnemingen afkomstig uit ‘westflank’ (Bijlage II: Figuur 23). Op drie verschillende plekken zijn waarnemingen gedaan van deze soort in dit deelgebied. Tevens worden er tot op heden nog steeds baltsende individuen gehoord. • Oeverzwaluw: Ten westen van ‘westflank’ ligt de Volkstuinvereniging Vlooiendijk. In 2021 was hier een potentiële broedplek waargenomen voor de Oeverzwaluw (Bijlage II: Figuur 24). Of deze nog in 2023 aanwezig en/of in gebruik is, is niet bekend. • Ransuil: Verspreid over dit deelgebied zijn op drie locaties mogelijke broedplekken aangetroffen van de Ransuil (Bijlage II: Figuur 25), namelijk ter hoogte van de Vennewatersweg 16 achter de pluimveehouderij, bij de bosschage op het perceel Westerweg 407 en in de bomenrij die op het perceel van Westerweg 415 gelegen is. De bomen zijn tot op heden aanwezig en daarmee hoogstwaarschijnlijk ook de broedplekken.

• Huismus: Aan de westzijde bij het Volkstuin Vlooiendijk en ten noorden daarvan (in het deelgebied) zijn tijdens het veldbezoek in 2021 Huismussen aangetroffen in kleine dichtheden (op beide locaties circa 1 tot 2 exemplaren; Bijlage II: Figuur 27). Toen werd vermoed dat er in de directe omgeving nestgelegenheid aanwezig was. Dit werd ook tijdens het veldbezoek in 2023 bevestigd toen een huismussenkolonie van 13 individuen bij het huis aan de Vennewatersweg 14 was waargenomen (vermoedelijk nestelend in de dakgoot). Verder zijn aan de oostkant, net buiten de grenzen van dit deelgebied, ook Huismussen waargenomen. Hoewel

2

Vogels met jaarrond beschermde nesten bij ecologisch zwaarwegende redenen. Nesten van vogels die vaak terugkeren naar de plaats waar zij het jaar daarvoor hebben gebroed of de directe omgeving daarvan

28

•

•

•

dit nesten zou betreffen buiten het plangebied is het aannemelijk dat de oostkant van deelgebied ‘westflank’ als functioneel leefgebied dient voor deze kolonie. Sperwer: In dit deelgebied zijn twee locaties aangetroffen die als mogelijke broedplek dient voor de Sperwer (Bijlage II: Figuur 26). De bomen zijn tot op heden aanwezig en daarmee hoogstwaarschijnlijk ook de broedplekken. Eén broedplek overlapt overigens met een potentiële broedplek van de Buizerd. Beide soorten zullen niet dicht in de buurt van elkaar broeden. Buizerd: In dit deelgebied is één locaties aangetroffen die als mogelijke broedplek dient voor de Buizerd, namelijk hoge opstaande coniferen in de tuin van een particulier (overlappend met broedplek Sperwer; Bijlage II: Figuur 26). De bomen zijn tot op heden aanwezig en daarmee hoogstwaarschijnlijk ook de broedplek. Boerenzwaluw: Boven dit deelgebied zijn tijdens het veldbezoek in 2023 ca. 30 foeragerende individuen waargenomen.

CENTRALE KAMER WEST In het deelgebied ‘centrale kamer west’ zijn de volgende vogelsoorten met jaarrond beschermde nesten waargenomen of (mogelijke) broedplekken van aangetroffen: • Huismus: Er zijn weinig waarnemingen van Huismussen bekend die binnen de grenzen van dit deelgebied ligt. Wel is een zeer grote hoeveelheid Huismussen aan de randen van het deelgebied aanwezig. Langs de Groeneweg en Hoogeweg zijn veel bosschages en heggen aanwezig waar op verschillende locaties kleine groepjes Huismussen (variërend van 1-5 tot ook meer dan 10 exemplaren) gebruik van maken (Bijlage II: Figuur 27). Ten zuiden van dit deelgebied is echter wel een waarneming gedaan van een grotere groep Huismussen (10 of meer), waarbij mogelijk ook nestgelegenheid aanwezig is. • Kerkuil: Ten oosten van deelgebied, ter hoogte van het perceel Hoogeweg 49, is een broedkast aanwezig van de Kerkuil. Het is echter niet bekend of deze in gebruik is (Bijlage II: Figuur 28). Dit perceel blijft onaangetast, en daarmee ook de broedkast. • Ransuil: Op het perceel achter de woning aan Hoogeweg 45 bevindt zich een mogelijke roestplek van de Ransuil (Bijlage II: Figuur 25). De bomen zijn tot op heden aanwezig en daarmee hoogstwaarschijnlijk ook de roestplek. • Boerenzwaluw: Tijdens het veldbezoek in 2023 was een grote groep (geschat 50 individuen) waargenomen op en rond het gebouw Hoogeweg 51 (Bijlage II: Figuur 24).

Gezien het veldbezoek tegen het einde van augustus is uitgevoerd, gaat het hier waarschijnlijk om het verzamelen van individuen als voorbereiding op de trektocht naar Afrika. De hoeveelheden zwaluwen geven wel aan dat ze wel degelijk in de omgeving aanwezig zijn. De aanwezigheid van nestlocaties van deze soort is daarmee niet uit te sluiten.

CENTRALE KAMER OOST In het deelgebied ‘centrale kamer oost’ zijn de volgende vogelsoorten met jaarrond beschermde nesten waargenomen of (mogelijke) broedplekken van aangetroffen: • Huismus: Ondanks dat er geen waarnemingen bekend zijn van nestlocaties van Huismussen binnen dit deelgebied, waren er wel een zeer groot aantal Huismussen aanwezig bij de Hoogeweg, die ten westen langs dit deelgebied loopt (Bijlage II: Figuur 27). Het is aannemelijk dat ‘centrale kamer oost’ deel uitmaakt van het leefgebied van deze Huismuspopulatie.

29

OOSTFLANK In het deelgebied ‘oostflank’ zijn de volgende vogelsoorten met jaarrond beschermde nesten waargenomen of (mogelijke) broedplekken van aangetroffen: • Oeverzwaluw: Aan de Oosterzijweg 75 bevindt zich een groothandel in akkerbouwproducten. Achter dit perceel bevindt zich een mogelijke broedplek (Bijlage II: Figuur 24). Of deze nog in 2023 aanwezig en/of in gebruik is, is niet bekend. • Ransuil: In de bosschage tussen Kennemerstraatweg 672 en Oosterzijweg 75 is een potentiële roestplek van de Ransuil aanwezig (Bijlage II: Figuur 25). De bomen zijn tot op heden aanwezig en daarmee hoogstwaarschijnlijk ook de roestplek.

ZUIDFLANK In het deelgebied ‘zuidflank’ zijn de volgende vogelsoorten met jaarrond beschermde nesten waargenomen of (mogelijke) broedplekken van aangetroffen: • Huismus: Met name ten noorden van dit deelgebied zijn een bescheiden aantal Huismussen waargenomen (Bijlage II: Figuur 27). • Groene specht: Dit deelgebied grenst ten westen aan het Kapelbos, wat een belangrijk gebied is en uitermate geschikt leefgebied is voor de lokale populatie Groene spechten. In het meest westelijke gedeelte van ‘zuidflank’ is dan ook een Groene specht waargenomen (Bijlage II: Figuur 23). • Ransuil: van de Ransuil is bekend dat hij een broedplek heeft in de het Kapelbos. Omdat ‘zuidflank’, zoals benoemd, hieraan grenst, zijn waarnemingen van deze soort ook in dit deelgebied bekend (Bijlage II: Figuur 25), • Sperwer: Ook deze soort is gebonden aan het Kapelbos en heeft hier een broedlocatie. Ten westen van het deelgebied ‘zuidflank’ is een potentiële tweede broedplek aanwezig (Bijlage II: Figuur 26). De bomen zijn tot op heden aanwezig en daarmee hoogstwaarschijnlijk ook de broedplek. • Blauwe reiger: In het Kapelbos bevindt zich een broedkolonie van de Blauwe reiger (Bijlage II: Figuur 23). Deze zijn tot op heden aanwezig en zullen niet beïnvloed worden door de werkzaamheden in Zandzoom.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Heiloo&id=72340a92-29f1-4a6f-a9df-17f73ed8351a