CConstaterende datHeiloo
Koppel je AI →
Document · PDF

Bestemmingsplan Westerhoeve toelichting

Raadsvergadering 30 oktober 2023, gemeente HeilooBij agendapunt: Bestemmingsplan Westerhoeve17.837 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 3

28

bestemmingsplan Westerhoeve Heiloo

instellen van een vervolgonderzoek geen aanleiding wordt gezien. Op de locatie bestaan, op grond van de resultaten van dit onderzoek, geen risico's voor de volksgezondheid of de ecologie bij het beoogde gebruik, wonen met tuin. Bij graafwerkzaamheden op het terrein kunnen er beperkingen in de mogelijkheid tot hergebruik van eventueel vrijkomende grond buiten de locatie bestaan. Voor hergebruik van grond buiten de locatie is het Besluit Bodemkwaliteit van toepassing. Tijdens het onderzoek is zintuiglijk op het maaiveld en in de bodem geen asbestverdacht (plaat)materiaal of potentieel asbestverdacht puin aangetroffen. Tijdens een verkennend bodemonderzoek (NEN 5740) wordt de bodem niet specifiek op asbest onderzocht. Indien het bodemonderzoek voorafgaand aan eventuele sloop van opstallen, waar asbest in is verwerkt, is uitgevoerd, kan het bevoegd gezag eisen dat NA sloop een verkennend asbestonderzoek wordt uitgevoerd. 5.1.3

Milieuzonering

Zowel de ruimtelijke ordening als het milieubeleid stellen zich ten doel een goede kwaliteit van het leefmilieu te handhaven en te bevorderen. Dit gebeurt onder andere door milieuzonering. Onder milieuzonering verstaan we het aanbrengen van een voldoende ruimtelijke scheiding tussen milieubelastende bedrijven of inrichtingen enerzijds en milieugevoelige functies als wonen en recreëren anderzijds. De ruimtelijke scheiding bestaat doorgaans uit het aanhouden van een bepaalde afstand tussen milieubelastende en milieugevoelige functies. Die onderlinge afstand moet groter zijn naarmate de milieubelastende functie het milieu sterker belast. Milieuzonering heeft twee doelen: het voorkomen of zoveel mogelijk beperken van hinder en gevaar bij woningen en andere gevoelige functies; het bieden van voldoende zekerheid aan bedrijven dat zij hun activiteiten duurzaam onder aanvaardbare voorwaarden kunnen uitoefenen. Voor het bepalen van de aan te houden afstanden is de VNG-uitgave 'Bedrijven en Milieuzonering' uit 2009 aangehouden. Deze uitgave bevat een lijst, waarin voor een hele reeks van milieubelastende activiteiten (naar SBI-code gerangschikt) richtafstanden zijn gegeven ten opzichte van milieugevoelige functies. De lijst geeft richtafstanden voor de ruimtelijk relevante milieuaspecten geur, stof, geluid en gevaar.

De grootste van de vier richtafstanden is bepalend voor de indeling van een milieubelastende activiteit in een milieucategorie en daarmee ook voor de uiteindelijke richtafstand. De richtafstandenlijst gaat uit van gemiddeld moderne bedrijven. Indien bekend is welke activiteiten concreet zullen worden uitgeoefend, kan gemotiveerd worden uitgegaan van de daadwerkelijk te verwachten milieubelasting, in plaats van de richtafstanden. De afstanden worden gemeten tussen enerzijds de grens van de bestemming die de milieubelastende functie(s) toelaat en anderzijds de dichtst daarbij gelegen situering van de gevel van een milieugevoelige functie die op grond van het bestemmingsplan mogelijk is. Hoe gevoelig een gebied is voor milieubelastende activiteiten is mede afhankelijk van het omgevingstype. De richtafstanden van de richtafstandenlijst gelden ten opzichte van het omgevingstype rustige woonwijk. Een rustige woonwijk is ingericht volgens het principe van de functiescheiding: afgezien van wijkgebonden voorzieningen komen vrijwel geen andere functies voor; langs de randen is weining verstoring door verkeer. Vergelijkbaar met de rustige woonwijk zijn rustig buitengebied, stiltegebied en natuurgebied. Daarvoor gelden dan ook dezelfde richtafstanden. Een ander omgevingstype is het gemengd gebied.

Een gemengd gebied is een gebied met een variatie aan functies; direct naast woningen komen andere functies voor zoals winkels, horeca en kleine bedrijven. Ook gebieden die direct langs de hoofdinfrastructuur liggen behoren tot het omgevingstype gemengd gebied. Het gemengd gebied kent door de aanwezige variatie aan functies en situering al een hogere milieubelasting. Dit kan aanleiding zijn om gemotiveerd voor één of meer milieuaspecten een kleinere afstand aan te houden dan wordt geadviseerd voor een rustige woonwijk. Een geadviseerde afstand van 30 meter kan dan bijvoorbeeld worden gecorrigeerd tot 10 meter en een geadviseerde afstand van 100 meter tot 50 meter. Uitzondering op het verlagen van de richtafstanden vormt het aspect

29

bestemmingsplan Westerhoeve Heiloo

gevaar: de richtafstand voor dat milieuaspect wordt niet verlaagd. De tabel geeft de relatie tussen milieucategorie, richtafstanden en omgevingstype weer.

milieucatego richtafstand tot omgevingstype richtafstand tot omgevingstype rie rustige woonwijk gemengd gebied 1

10 m

0m

2

30 m

10 m

3.1

50 m

30 m

3.2

100 m

50 m

4.1

200 m

100 m

4.2

300 m

200 m

5.1

500 m

300 m

5.2

700 m

500 m

5.3

1.000 m

700 m

6

1.500 m

1.000 m

Het systeem van richtafstanden gaat uit van het principe van scheiding van functies: de richtafstandenlijst geeft richtafstanden tussen bedrijfslocatie en omgevingstype rustige woonwijk respectievelijk gemengd gebied. Binnen (hiervoor aangewezen) gebieden met functiemenging zijn milieubelastende en milieugevoelige functies op korte afstand van elkaar gesitueerd. Bij gebieden met functiemenging kan gedacht worden aan stads- en wijkcentra, horecaconcentratiegebieden en woongebieden met kleinschalige c.q. ambachtelijke bedrijvigheid. Het kan gaan om bestaande gebieden met functiemenging en om gebieden waar bewust functiemenging wordt nagestreefd, bijvoorbeeld om een grotere levendigheid tot stand te brengen. Voor gebieden met functiemenging wordt een aparte afweging gemaakt ten aanzien van de aan te houden afstand en de te nemen maatregelen in relatie tot het gewenste woon- en leefklimaat. Voor de toelaatbaarheid van activiteiten binnen gebieden met functiemenging gelden randvoorwaarden. Het gaat om kleinschalige, meest ambachtelijke bedrijvigheid en de activiteiten vinden hoofdzakelijk inpandig en overdag plaats. Naast de geadviseerde milieuzonering voor bedrijven op basis van de VNG uitgave 'Bedrijven en milieuzonering', kunnen er ook nog afstandscriteria uit specifieke milieuwet- en regelgeving gelden.

Denk hierbij aan de Wet milieubeheer, de agrarische geurwetgeving en de veiligheidsregelgeving. Deze regelgeving geldt uiteindelijk als toetsingskader voor de toegestane milieueffecten. Ook deze afstandscriteria worden meegenomen bij de beoordeling van nieuwe ontwikkelingen. Onderzocht worden zowel de feitelijke invloed van de ter plaatse gevestigde en te vestigen milieubelastende functies als de invloed die kan uitgaan van milieubelastende functies die op grond van de geldende bestemming gevestigd kunnen worden. Onderzoeksresultaten milieuzonering Het projectgebied is te kwalificeren als een rustig woongebied. Er zijn in de directe omgeving wel andere functies dan wonen aanwezig bestaande uit enkele kleine dienstverlenende bedrijven. Deze bedrijven vormen gelet op de afstand en beperkte milieuhinder geen belemmering voor de ontwikkeling of andersom. Het aangrenzende caravanpark Duinzicht wordt herontwikkeld tot woongebied. Ook zijn de het westelijk en zuidelijk aangrenzende caravanparken nog aanwezig. In de bestaande situatie zijn er rond de caravanparken ook woningen op korte afstand aanwezig. Deze caravanparken zijn qua gebruik ook vergelijkbaar met woonfuncties waardoor geen sprake is van een onaanvaardbaar woon- en leefklimaat danwel beperking van bedrijfsmogelijkheden. Aan Het Zevenhuizen 42 is een bedrijf in

30

bestemmingsplan Westerhoeve Heiloo

diverse bouwmaterialen, zoals afrasteringen, aanwezig. Dit bedrijf bevindt zich op meer dan 100 meter van het projectgebied. Via het bestemmingsplan Zuidwest is geborgd dat op dit perceel geen bedrijven in een zwaardere milieucategorie zich daar kunnen vestigen. Ook liggen op een kortere afstand van het bedrijf al bestaande woningen, waar het bedrijf rekening mee dient te houden. Vanuit milieuzonering zijn er daarom geen belemmeringen voor de uitvoerbaarheid van het bestemmingsplan.

5.1.4

Geluidhinder

Op basis van de Wet geluidhinder (Wgh) zijn er drie geluidsbronnen waarmee bij de vaststelling van bestemmingsplannen rekening gehouden dient te worden: wegverkeers-, railverkeers- en industrielawaai. Het projectgebied is gelegen binnen de invloedssfeer van verkeerswegen en een spoorlijn. Wegverkeerslawaai: geluidgevoelige bestemmingen nabij bestaande wegen Artikel 76 Wgh verplicht ertoe om bij de vaststelling van een bestemmingsplan dat betrekking heeft op gronden binnen een geluidzone terzake van de geluidsbelasting van de gevel van geprojecteerde geluidsgevoelige bestemmingen (zoals woningen) de grenswaarden uit de Wgh in acht te nemen. Bij het voorbereiden van de vaststelling van zo'n bestemmingsplan moet akoestisch onderzoek worden gedaan naar die geluidsbelasting. Op grond van artikel 74 Wgh heeft iedere weg van rechtswege een geluidzone, met uitzondering van: wegen die liggen binnen een tot woonerf bestemd gebied; wegen waarop een wettelijke snelheid geldt van ten hoogste 30 kilometer per uur. De breedte van de zone is afhankelijk van het aantal rijstroken en van de ligging van de weg in binnen- of buitenstedelijk gebied. Wanneer woningen worden geprojecteerd binnen een geluidzone moet akoestisch onderzoek worden uitgevoerd naar de geluidsbelasting op de gevels van die woningen. De voorkeursgrenswaarde bedraagt 48 dB.

Bij een hogere geluidbelasting moet worden gekeken of er maatregelen getroffen kunnen worden om de geluidbelasting te reduceren. Indien maatregelen onvoldoende effect geven en/of onmogelijk zijn en de geluidsbelasting niet hoger is dan de maximale grenswaarde van 63 dB (Lden, inclusief aftrek ex artikel 110g Wgh) kunnen burgemeester en wethouders een hogere waarde vaststellen. In het kader van een goede ruimtelijke ordening moeten in een akoestisch onderzoek ook de wegen zonder geluidzone worden beschouwd. Hierbij wordt aansluiting gezocht bij de kaders van de Wgh. Spoorweglawaai: gevoelige bestemmingen nabij bestaande spoorwegen De voorkeursgrenswaarde van het railverkeerslawaai is 55 dB. Wanneer aan deze waarde niet kan worden voldaan moet nader onderzoek worden uitgevoerd en dienen mogelijk maatregelen te worden onderzocht. Daarbij wordt dezelfde volgorde aangehouden als bij geluid van wegkeer (zoals beschreven in de hiervoor opgenomen paragraaf). Indien maatregelen niet doelmatig blijken te zijn, of in onvoldoende mate effect bieden, dan is ontheffing voor een hogere grenswaarde mogelijk. Ten gevolge van het railverkeer is volgens de Wgh een maximale ontheffing mogelijk van 68 dB. Het plangebied Duinzicht in Heiloo ligt op een afstand van circa 55 tot 260 meter vanaf de rand van de spoorbaan tussen Heiloo en Uitgeest.

Deze spoorbaan maakt onderdeel uit van het hoofdspoorwegennet en is opgenomen in de geluidplafondkaart Spoor bedoeld in artikel 11.17 van de Wet Milieubeheer. Voor de spoorlijn zijn zogenaamde geluidproductieplafonds (GPP's) vastgesteld en de spoorbaan heeft een wettelijk aandachtsgebied (geluidszone). Wanneer een nieuwe geluidsgevoelige bestemming binnen dit aandachtsgebied mogelijk wordt gemaakt, moet hiervoor akoestisch onderzoek worden uitgevoerd. De hoogte van het geluidsproductieplafond is afgeleid uit het geluidregister Spoor van het Ministerie van Infrastructuur en Waterstaat. Hieruit volgt dat het maatgevende geluidsproductieplafond ter plaatse van

31

bestemmingsplan Westerhoeve Heiloo

de projectlocatie (maximaal) 63,7 dB is. Daarmee geldt voor het onderzoeksgebied een breedte van de geluidszone van 300 meter. De planlocatie ligt geheel binnen deze geluidszone. Het uitvoeren van akoestisch onderzoek naar het geluid van het railverkeer is voor dit plan daarom noodzakelijk. Onderzoeksresultaten geluid Door Buro DB is akoestisch onderzoek verricht naar de gevolgen van weg- en spoorwegverkeersgeluid op de nieuwe woningen in de projectlocatie (Buro DB, RPT222317-51-03, 23 mei 2023, Bijlage 6. De geluidsbelasting ten gevolge van het verkeer op de aanwezige, wettelijk gezoneerde weg(en) en de spoorbaan is vastgesteld en getoetst aan de geldende regelgeving (Wet geluidhinder). Uit het onderzoek volgt dat de te verwachten geluidsbelasting op de nieuwe woningen ten gevolge van het wegverkeer maximaal 42 dB (exclusief correctie(s)) bedraagt. Daarmee krijgt de geluidsbelasting de score 'goed' volgens de door de gemeente Heiloo gehanteerde GES-systematiek. De geluidsbelasting van wegverkeer voldoet aan de voorwaarden van een akoestisch acceptabel woon- en leefklimaat. Nader onderzoek naar c.q. het treffen van geluidsbeperkende maatregelen is niet nodig. Ter plaatse van de drie her te bestemmen recreatiewoningen treedt een geluidsbelasting ten gevolge van het wegverkeer op tot maximaal 58 dB. Hierbij is sprake van een matig tot goed woon- en leefklimaat.

Het toepassen van geluidsbeperkende maatregelen dient hiervoor te worden overwogen, echter het toepassen van zowel bron- als overdrachtsmaatregelen is in deze situatie niet passend, realistisch en/of doelmatig. Aanbevolen wordt om bij de inrichting van de panden tot (reguliere) woningen rekening te houden met voldoende geluidwerende gevels, uitgaande van het Bouwbesluit 2012. Daarmee kan een akoestisch acceptabel woon- en leefklimaat worden geborgd. Hiervoor is een voorwaardelijke verplichting opgenomen in de regels van voorliggend bestemmingsplan. Zie hiervoor artikel 7.2.1 van de regels. De geluidsbelasting van het railverkeer voldoet bij alle woningen (ook de drie recreatiewoningen) van het plan aan de voorkeursgrenswaarde van 55 dB. Ontheffing van een hogere grenswaarde is niet nodig. Vanuit het oogpunt van geluid van weg- en railverkeer kan de nieuwbouw volgens plan worden gerealiseerd. Het aspect geluid vormt geen belemmering vor de uitvoerbaarheid van het bestemmingsplan.

5.1.5

Luchtkwaliteit

In de Wet milieubeheer zijn eisen opgenomen waaraan de luchtkwaliteit in de buitenlucht moet voldoen. Hierbij is onderscheid gemaakt in grenswaarden waaraan nu moet worden voldaan en grenswaarden waaraan in de toekomst moet worden voldaan. De belangrijkste stoffen zijn stikstofdioxide en fijn stof. Aan de grenswaarden voor de andere stoffen die in de Wet milieubeheer worden genoemd wordt in Heiloo al jaren voldaan. Dit blijkt uit de jaarlijkse monitoringsrapporten over luchtkwaliteit. De gemeenteraad kan een bestemmingsplan dat gevolgen kan hebben voor de luchtkwaliteit alleen vaststellen wanneer aannemelijk is gemaakt dat: het bestemmingsplan niet leidt tot het overschrijden van de in de wet genoemde grenswaarden; de luchtkwaliteit als gevolg van het bestemmingsplan per saldo verbetert of ten minste gelijk blijft; het bestemmingsplan niet in betekenende mate bijdraagt aan de concentratie van een stof waarvoor in de wet grenswaarden zijn opgenomen. Bij ministeriële regeling (de Regeling niet in betekenende mate bijdragen) zijn categorieën van gevallen aangewezen, waarin (o.a.) het vaststellen van een bestemmingsplan in ieder geval niet in betekenende mate bijdraagt aan de luchtverontreiniging. Wanneer een ontwikkeling valt onder de categorieën van gevallen is het niet nodig luchtkwaliteitsonderzoek uit te voeren.

De categorieën van gevallen zijn: woningbouwlocaties met niet meer dan 1.500 nieuwe woningen en één ontsluitingsweg; woningbouwlocaties met niet meer dan dan 3.000 woningen en twee ontsluitingswegen met een gelijkmatige verkeersverdeling; kantoorlocaties met een bruto vloeroppervlakte van niet meer dan 100.000 m2 en één ontsluitingsweg;

32

bestemmingsplan Westerhoeve Heiloo

kantoorlocaties met een bruto vloeroppervlakte van niet meer dan 200.000 m2 en twee ontsluitingswegen met een gelijkmatige verkeersverdeling. Verder is een bepaalde combinatie van woningen en kantoren zonder nader onderzoek mogelijk en is er voor sommige inrichtingen geen onderzoeksplicht. Voor alle andere ontwikkelingen moet worden onderzocht wat het effect op de luchtkwaliteit is. Blijkt uit het onderzoek dat de ontwikkeling niet in betekenende mate bijdraagt aan de luchtverontreiniging, dan vormt het onderdeel luchtkwaliteit geen belemmering voor de voorgenomen ontwikkeling. Is de bijdrage wel in betekenende mate maar wordt er geen grenswaarde overschreden, dan is er evenmin een belemmering. Indien de voorgenomen ontwikkeling wel in betekenende mate bijdraagt én de grenswaarde wordt overschreden, kan de ontwikkeling eventueel door projectsaldering of opname in het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit worden gerealiseerd. Onderzoeksresultaten luchtkwaliteit Deze ontwikkeling valt onder de categorieën van gevallen die in de 'Regeling niet in betekenende mate bijdragen' zijn aangewezen. Het is daarom niet nodig luchtkwaliteitsonderzoek uit te voeren.

5.1.6

Externe veiligheid

Het beleid voor externe veiligheid is gericht op het verminderen en beheersen van risico's van zware ongevallen met gevaarlijke stoffen in inrichtingen en tijdens het transport ervan. Op basis van de criteria zoals onder andere gesteld in het Besluit externe veiligheid inrichtingen (verder: Bevi) worden bedrijven en activiteiten geselecteerd die een risico van zware ongevallen met zich mee (kunnen) brengen. Daarbij gaat het vooral om de grote chemische bedrijven, maar ook om kleinere bedrijven als LPG-tankstations en opslagen van bestrijdingsmiddelen. Daarnaast zijn (hoofd)transportassen voor gevaarlijke stoffen, zoals buisleidingen, spoor-, auto-, en waterwegen, ook als potentiële gevarenbron aangemerkt. Het beleid voor externe veiligheid heeft tot doel zowel individuele burgers als groepen burgers een minimum beschermingsniveau te bieden tegen een ongeval met gevaarlijke stoffen. Om dit doel te bereiken zijn gemeenten en provincies verplicht om bij besluitvorming in het kader van de Wet milieubeheer en de Wet ruimtelijke ordening de invloed van een risicobron op zijn omgeving te beoordelen. Daartoe hanteren het Bevi en het externe veiligheidsbeleid ten aanzien van transportassen het plaatsgebonden risico en het groepsrisico.

Het plaatsgebonden risico is de kans dat een persoon die zich gedurende een jaar onafgebroken onbeschermd op een bepaalde plaats bevindt, overlijdt als gevolg van een ongeval met gevaarlijke stoffen. Dit risico wordt per bedrijf vastgelegd in contouren. Er geldt een contour waarbinnen die kans 10-6 (één op 1.000.000) bedraagt. Het groepsrisico is een berekening van de kans dat een groep personen binnen een bepaald gebied overlijdt tengevolge van een ongeval met gevaarlijke stoffen. De oriëntatiewaarde geeft hierbij de indicatie van een aanvaardbaar groepsrisico. Indien een ontwikkeling is gepland in de nabijheid van een Bevi-bedrijf geldt een verantwoordingsplicht voor de gemeente voor het toelaten van gevoelige functies. Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) Voor bepaalde risicovolle bedrijven geldt het Bevi. Hierin zijn de risiconormen voor externe veiligheid met betrekking tot bedrijven met gevaarlijke stoffen wettelijk vastgelegd. Transport van gevaarlijke stoffen over water, spoor en weg Voor de beoordeling van de risico's vanwege het transport van gevaarlijke stoffen dient op dit moment de Circulaire risiconormering vervoer gevaarlijke stoffen te worden gehanteerd. Op dit moment wordt echter wel gewerkt aan nieuwe wet- en regelgeving, met als uitvloeisel het zogeheten Basisnet. Transport van gevaarlijke stoffen door buisleidingen

33

bestemmingsplan Westerhoeve Heiloo

Voor de beoordeling van de risico's van het transport van gevaarlijke stoffen door buisleidingen gelden in principe nog de 'Circulaire zonering langs hogedrukaardgasleidingen' en de notitie van het RIVM 'Risicoafstanden voor buisleidingen van brandbare K1, K2 en K3 vloeistoffen'. Er wordt gewerkt aan nieuwe wet- en regelgeving, met als uitvloeisel de AMvB Buisleidingen. De minister van VROM heeft geadviseerd om ten aanzien van hogedrukaardgasleidingen al uit te gaan van het nieuwe toetsingskader van deze AMvB, in plaats van de 'Circulaire zonering langs hogedrukaardgasleidingen'.

Onderzoeksresultaten Bevi In de nabijheid van de projectlocatie bevinden zich geen bedrijven die vallen onder de werkingssfeer van het Bevi. Het Bevi vormt geen belemmering voor de ontwikkeling. Transport van gevaarlijke stoffen over water, spoor en weg In de nabijheid van de projectlocatie bevinden zich geen water-, spoor- en verkeerswegen waarover significant transport van gevaarlijke stoffen plaatsvindt. Transport van gevaarlijke stoffen door buisleidingen In de nabijheid van de projectlocatie bevinden zich geen buisleidingen voor het transport van gevaarlijke stoffen. Conclusie: het aspect externe veiligheid is geen belemmering voor het initiatief.

5.1.7

Duurzaamheid

De huidige manier waarop we omgaan met grondstoffen en het klimaat is op de lange termijn niet vol te houden. De manier waarop we ons verplaatsen, hoe we de openbare ruimte inrichten, hoe we onze gebouwen verwarmen en de manier waarop we met grondstoffen omgaan verandert. In ruimtelijke ordening wordt gezocht naar het realiseren van duurzame woonwijken. Enerzijds door het gebruik van fossiele brandstoffen door de verkeer en vervoersector terug te dringen en anderzijds door de (aanleg en onderhoud) van de gebouwde omgeving te verduurzamen. Op 17 februari 2016 is het duurzaamheidsbeleid Heiloo 2016-2020 'Op naar een kringloopsamenleving' vastgesteld. In dit beleid zijn de onderstaande belangrijke doelen vastgesteld: 20% energiebesparing in 2020 ten opzichte van 2008; 20% duurzame energieopwekking in 2020; 75 van alle aanbestedingen en uitgifte wordt duurzaam aanbesteed vanaf 1 januari 2015 en 100% van 1 januari 2020; Heiloo een energieneutrale gemeente. Planspecifiek De onderstaande uitgangspunten gelden voor de ontwikkeling: Energie en warmte Voor de projectlocatie is aardgas niet beschikbaar om woningen en gebouwen te verwarmen. Dat betekent ten eerste dat het energieverbruik beperkt moet worden. De nieuwbouw voldoet daarom aan de meest recente isolatietechnieken. De resterende warmtevraag zal uit duurzame bronnen komen zoals warmtepompen.

Opwekking van elektriciteit die nodig is voor de warmtevraag komt zoveel mogelijk uit duurzame bronnen, door gebruik van zonenergie. Klimaatadaptatie, groen en ecologie Er moeten zo veel mogelijk maatregelen genomen worden om het gebied weerbaar te maken tegen een

34

bestemmingsplan Westerhoeve Heiloo

veranderend klimaat. Dat betekent bijvoorbeeld dat er minder verharding is en veel groen en water. Dat draagt bij aan een schonere lucht, brengt verkoeling en helpt om de overlast van extreem weer (regen, hitte) op te vangen. Bovendien dragen groen en water positief bij aan de ruimtelijke kwaliteit en versterken de natuur, ecologie en biodiversiteit van de omgeving. Ook gebouwen kunnen bijdragen aan klimaatadaptatie, bijvoorbeeld door groene (of blauwe) daken en gevels. Door natuurinclusief te bouwen worden kansen voor het verbeteren van ecologische kwaliteit benut. Het watersysteem is toekomstbestendig en voorbereid op waterover- en onderlast. Hemelwater wordt zo veel mogelijk geïnfiltreerd in de bodem (wadi's) of opgeslagen. Mobiliteit Door uitstoot van CO2 en fijnstof verslechtert de luchtkwaliteit. In het projectgebied wordt duurzame mobiliteit gestimuleerd. Dat wil zeggen dat de wijk zo wordt ingericht dat de fiets of te voet een vanzelfsprekende keuze is. Er komen goede fietsverbindingen met omliggende wijken en voldoende goede fietsparkeerplekken.

5.1.8

Trillingshinder

Voor de beoordeling van trillingen is in Nederland geen wetgeving van toepassing. Wel heeft de SBR (Stichting Bouwresearch) richtlijnen uitgebracht op het gebied van trillingen (meet- en beoordelingsrichtlijnen). Dit zijn landelijk geaccepteerde richtlijnen voor het meten en beoordelen van trillingen in gebouwen. De SBR richtlijn – deel A "schade aan gebouwen" geeft een procedure voor het meten van trillingen en geeft grenswaarden met betrekking tot schade. De SBR richtlijn – deel B "Hinder voor personen in gebouwen" geeft een procedure voor het meten van trillingen en geeft streefwaarden met betrekking tot hinder. De SBR richtlijn – deel C "Storing aan apparatuur" geeft een procedure voor het meten van trillingen aan opgestelde apparatuur en geeft streefwaarden met betrekking tot het voorkomen van storingen aan deze apparatuur. Onderzoeksresultaten Door middel van trillingsonderzoek (Bijlage 7) is de mogelijke hinder van trillingen als gevolg van treinverkeer op het oostelijk gelegen spoortraject onderzocht. Er hebben metingen plaatsgevonden zowel in de grond als aan één van de recreatiebungalows die worden omgezet naar een reguliere woningen. Dit om te beoordelen hoe de overdracht is van trillingen in de grond naar de fundering van de bebouwing.

Uit de trillingsmetingen blijkt dat goederentreinen en enkele van de vele reizigerstreinen voor de grootste trillingsbelasting zorgen voor Duinzicht en Parc Westerhoeve. De prognose gemaakt op basis van deze metingen laat zien dat trillingen van treinen geen belemmering vormen voor het realiseren van nieuwe woningen en het veranderen van de gebruiksfunctie van de drie bestaande bungalows tot een permanente woonfunctie. Voor nieuwe woningen binnen 50 m van het spoor is het wel van belang dat de vloeren worden uitgevoerd in beton en een buig-eigenfrequentie hebben hoger dan ongeveer 16 Hz. Van nieuwe woningen binnen 50 m van het spoor is in voorliggend bestemmingsplan geen sprake.

Conclusie Het aspect trillingshinder vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van voorliggend bestemmingsplan.

35

bestemmingsplan Westerhoeve Heiloo

5.2

Verkeer en parkeren

5.2.1

Verkeersafwikkeling

Voor de beoordeling van de verkeersafwikkeling van het initiatief is onderzocht wat de toename is van het aantal verkeersbewegingen per etmaal door het initatief in relatie tot het laatste feitelijke en planologische gebruik. Hierbij is het aantal voertuigbewegingen per etmaal maatgevend voor de beoordeling van een verkeersveilige afwikkeling van het verkeer en de gevolgen voor het woon- en leefklimaat van de directe omgeving. Voor de berekening van het aantal voertuigbewegingen zijn kencijfers gebruikt van de CROW-publicatie 381 van het CROW, uitgaande van matig stedelijk, rest bebouwde kom.

Bron

Kencijfer

53 zomerwoningen

2,2 mvt/etmaal per zomerwoning

Totaal

Aantal 117 mvt/etmaal

117

Berekening verkeersbewegingen bestaande situatie

Bron (woning)

Kencijfer

42 tussen-/hoekwoningen

7,5 mvt / etmaal

315

12 goedkope appartementen

6,0 mvt / etmaal

72

3 vrijstaande bungalows

8,6 mvt / etmaal

26

Totaal

Aantal

413

Berekening verkeersbewegingen nieuwe situatie

De voorliggende ontwikkeling heeft nieuwe bebouwing tot gevolg waar ook een toename aan verkeersbewegingen door ontstaat. De toename van het verkeer bedraagt maximaal 296 motorvoertuigbewegingen per etmaal. De percelen met de nieuwe woningen zullen direct worden ontsloten op de Westerweg. De woningen in het hof zullen worden ontsloten via het plangebied van Duinzicht (zie ook 3.2). De 12 woningen aan de noordoostzijde en de drie bungalows worden ontsloten op de Westerweg. Sinds 16 oktober 2018 is dit formeel een 30 km/uur-weg. De weg zal daarvoor worden heringericht en worden voorzien van een elementenverharding (klinkers). De Westerweg sluit aan op de Vennewatersweg en geeft zo verbinding met de rest van het wegennet in en rond Heiloo. Op de Vennewatersweg geldt een wettelijke maximum snelheid van 50 km/uur. Op basis van onderzoeken voor het plan Westerweg 340 uit 2018 en Westerweg 401 uit 2020 is ingeschat dat de etmaalintensiteit op de Westerweg circa 3500 motorvoertuigbewegingen per etmaal bedraagt. De Westerweg heeft als erftoegangsweg een wegcapaciteit van 6.000 motorvoertuigen per etmaal (zie ook Verkeersbeleid Heiloo 2018 - 2030). De toename van de hoeveelheid verkeer ten opzichte van de bestaande hoeveelheid is zeer relatief, ook wanneer rekening wordt gehouden met de toename die is ontstaan door het bestemmingsplan Duinzicht.

Er hoeven daarom geen problemen te worden verwacht op het gebied van verkeersstromen. Ook vanwege de herinrichting van de Westerweg tot 30km/u weg zorgt voor een verkeersveilige afwikkeling van het fiets- en autoverkeer.

Woon- en leefklimaat Het plangebied wordt ontsloten via bestaande aansluitingen op de Westerweg en de Slootenslaan. Deze

36

bestemmingsplan Westerhoeve Heiloo

aansluitingen zullen worden ingericht conform de eisen die er gelden. Naar redelijke schatting zal het woon-werkverkeer vanuit het plangebied richting de Vennewatersweg afvloeien richting het zuiden. Lokaal verkeer zal overwegend richting het noorden de Westerweg afrijden richting stationsgebied en andere voorzieningen. Het is om die reden redelijk om aan te nemen dat 50% van de verkeersstromen in zuidelijke richting afvloeien en 50% in noordelijke richting. Dat betekent dat de omwonenden aan zuiden noordzijde circa 148 extra voertuigbewegingen per etmaal langs krijgen dan in de bestaande situatie. Daardoor zullen de bewoners toename van verkeersdruk ervaren maar het woon- en leefklimaat wordt er niet in onevenredige mate door aangetast. De woningen liggen iets verder van het kruispunt en vanwege de 30 km/u zone is het rijtempo beperkt. Ten slotte wordt opgemerkt dat de toename van 148 mvt/etmaal al vrij snel in het heersende verkeersbeeld zal opgaan. 5.2.2

Parkeren

Voor het parkeren wordt conform het vigerende Parapluplan Parkeren 2022 getoetst aan de Nota Parkeernormen Heiloo 2022. De verplichting om de parkeerplaatsen aan te leggen en in stand te houden is in voorliggend bestemmingsplan opnieuw opgenomen. Uit de navolgende tabel volgt wat de nieuwe parkeerbehoefte wordt voor het totale plan. Aan de overzijde van de Westerweg is een parkeergelegenheid aanwezig is het groen die wordt aangewend in de parkeeropgave voor voorliggend plan. In totaal moeten op basis van de Nota Parkeernormen, 101 parkeerplaatsen worden aangelegd. Ten behoeve van het plan worden 94 parkeerplaatsen aangelegd.

Bron (woning)

Kencijfer bewoners

Kencijfer bezoek

Aantal

42 koop, tussen/hoek

1,6 pp / woning

0,3 pp / woning

79,8

8 huur, etage tot 50 m2

1

pp / woning

0,3 pp / woning

8

4 huurhuis, sociaal

1,6 pp / woning

0,3 pp / woning

6,4

3 koop, vrijstaand

2,2 pp / woning

0,3 pp / woning

6,6

Totaal

100,8

Berekening parkeerbehoefte westerhoeve

Binnen het plangebied is wel voldoende ruimte om 101 parkeerplaatsen aan te leggen. Middels een regel in voorliggend bestemmingsplan is vastgelegd dat bij een omgevingsvergunning voor het bouwen zal moeten worden aangetoond dat in voldoende parkeergelegenheid wordt voorzien. Omdat dit mogelijk is, vormt het aspect parkeren vormt daarom geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van het bestemmingsplan.

5.3

Natuurwaarden

5.3.1

Algemeen

Op 1 januari 2017 is de Wet natuurbescherming in werking getreden. Op grond van deze wet zijn de Natura 2000-gebieden beschermd. Daarnaast regelt de Wet natuurbescherming ook de bescherming van planten- en dierensoorten. In deze wet zijn de EU-richtlijnen voor de bescherming van soorten opgenomen (Habitatrichtlijn en Vogelrichtlijn). Nationaal beschermde soorten vallen ook onder deze wet. De doelstelling is de bescherming en behoud van in het wild levende planten en dieren. Het uitgangspunt van de wet is 'nee, tenzij'. Dit betekent dat activiteiten met een schadelijk effect op beschermde soorten zonder ontheffing verboden zijn. Bij nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen dienen vooraf de effecten op Natura 2000-gebieden onderzocht te worden. Ook dient vooraf onderzocht te worden of en welke beschermde dier- en plantensoorten voorkomen, wat hun beschermingsstatus is en wat de effecten zijn van de ingreep op het voortbestaan van de gevonden soorten.

37

bestemmingsplan Westerhoeve Heiloo

Beleid Met betrekking tot gebiedsbescherming is de ligging van de aangewezen Natura 2000-gebieden, het Natuurnetwerk Nederland (NNN, voorheen Ecologische Hoofdstructuur) van belang. Beschermde planten en dieren (en hun verblijfsplaatsen) mogen als gevolg van een ruimtelijk plan niet verstoord worden. Voor soorten die vermeld staan op bijlage IV van de Habitatrichtlijn, zoals vleermuizen, en een aantal Rode-Lijst soorten is een zware bescherming opgenomen. 5.3.2

Gebiedsbescherming

Bij de voorbereiding van het bestemmingsplan is door Van der Goes en Groot onderzoek uitgevoerd naar gebiedsbescherming (zie Bijlage 8). Er wordt gconcludeerd dat, gezien de aard van het plan, de reikwijdte daarvan en de locatie van het plangebied ten opzichte van beschermde gebieden, het op voorhand uit te sluiten dat beschermde gebieden onder de Wnb of andere (provinciaal) beschermde of aangewezen gebieden, direct beïnvloed worden door het plan. Het geplande project leidt tot verhoogde emissie van stikstof. Er is een analyse uitgevoerd van de hierdoor veroorzaakte extra depositie van stikstof op gevoelige habitattypen in nabijgelegen Natura 2000-gebieden. Deze analyse is bijgevoegd als Bijlage 10. Uit de analyse is gebleken dat de plannen geen effect hebben op Natura2000 gebieden. 5.3.3

Soortenbescherming

Op basis van veldonderzoek door Van der Goes en Groot is tevens onderzocht welke effecten te verwachten zijn door het initatief in relatie tot beschermde soorten Bijlage 8. Er wordt geconcludeerd dat het plangebied in potentie geschikt is voor beschermde soortenn te weten: marterachtigen, vleermuizen, enkele soorten vogels en de rugstreeppad. Door AFO Advisering & onderzoek is tussen maart 2022 en oktober 2022 aanvullend onderzoek verricht naar deze soorten. Doel van dit onderzoek was om te constateren of er met betrekking tot de genoemde soorten sprake is van overtredingen van de Wet natuurbescherming bij uitvoering van voorliggend bestemmingsplan. De rapportage van dit aanvullende onderzoek is bijgevoegd als Bijlage 9. De resultaten worden hierna samengevat weergegeven per diersoort. Marterachtigen Er treden afgaande de resultaten van het onderzoek geen negatieve gevolgen op relevant voor de Wet natuurbescherming. Vleermuizen Op en nabij de planlocatie werden in totaal zes soorten vleermuizen waargenomen: Gewone dwergvleermuis en in mindere mate Ruige dwergvleermuis waren hierbij het talrijkst aanwezig. Er werden geen aanwijzingen gevonden voor de aanwezigheid van vaste verplaatsen in één van de te slopen (kleine) gebouwen. Er zijn twee paarterritoria van de Gewone dwergvleermuis aanwezig, waarbij terrein dat behoort tot de planlocatie een deel uitmaakt van deze territoria.

Het planperceel vormt een onderdeel van het foerageergebied van de Gewone dwergvleermuis. De randzones van het terrein zijn als lintvormige en verbindende groene elementen, potentiële migratieroutes voor vleermuizen. Het uitgangspunt bij dit onderzoek was dat deze grotendeels behouden zouden blijven. Nader onderzoek was hier niet noodzakelijk. Er treden afgaande de resultaten van het onderzoek geen gevolgen op voor de Wet natuurbescherming, mits uitstralende verlichting naar de randzones en bij de locaties waar de paarterritoria aanwezig zijn wordt voorkomen. Indien dit niet kan worden voorkomen dient voor nadelige effecten die dit met zich mee brengt voor wat betreft de paarlocaties een ontheffing of verklaring van geen bedenkingen te worden aangevraagd. Indien matig of sterk verhoogde lichtuitstraling naar de randzone niet kan worden voorkomen is eerst aanvullend onderzoek noodzakelijk, om het gebruik van de randzones door deze soortgroep goed in kaart te brengen. Pas dan kan een effectbeoordeling plaatsvinden en kan beoordeeld worden of overtreding van de Wet

38

bestemmingsplan Westerhoeve Heiloo

natuurbescherming optreedt en hiermee samenhangend een ontheffing of vvgb noodzakelijk wordt. Met de hiervoor genoemde maatregelen met betrekking tot lichtuitstraling wordt in de uitwerking rekening gehouden. Ook blijven de lintvormige en verbindende groene elementen bestaan. (Broed)Vogels Huismus werd niet aangetroffen, voor deze soort zijn dan ook geen negatieve gevolgen te verwachten. Er werden ook geen aanwijzingen verkregen dat Ransuil, Sperwer of Boomvalk broeden op de planlocatie. Daarnaast werden ook geen aanwijzingen gevonden dat Ransuil de nestlocatie buiten het broedseizoen gebruikt als vaste rustplaats. Ook hiervoor geldt dat op de planlocatie zelf geen nadelige effecten zullen optreden. In de randzones werden geen nesten van Buizerd, Boomvalk, Havik of Sperwer aangetroffen. Dit is een relevant gegeven, omdat door het behoud van de randzones dan wel geen fysieke aantasting van nesten zal optreden, maar aanwezigheid van woonhuizen in de directe nabijheid zou met name voor deze soorten, die een relatief grote vluchtafstand hebben, wel kunnen leiden tot indirecte verstoring en daarmee tot het niet meer gebruiken van nestlocaties. De planlocatie vormt voor meerdere soorten een broedlocatie, maar er werden geen soorten aangetroffen waarvan de nestlocaties jaarrond beschermd zijn.

Rugstreeppad De conclusie van het verrichte onderzoek naar deze soort is dat de planlocatie geen functioneel leefgebied vormt voor de soort. Als gevolg van het voorkomen van deze zeer mobiele soort in de regio kunnen er zwervende dieren aanwezig zijn, zoals ook duidelijk werd bij dit onderzoek. Ook bij de nieuwe inrichting kunnen exemplaren weer tijdelijk aanwezig zijn. Met name bij het bouwrijp maken van het gebied kan de planlocatie als leefgebied geschikt worden voor deze soort. Er ontstaat immers een groter open gebied, waarschijnlijk met grote delen kaal zand. Ondanks de enigszins geïsoleerde ligging van de planlocatie – omgeven door wegen, woonhuizen en zones met bomen en struiken, blijkt uit het verrichte onderzoek dat de soort toch zijn weg weet te vinden naar de planlocatie. Indien er geschikt leefgebied ontstaat is de kans groot dat individuen op de planlocatie aanwezig blijven, en bovendien het aantal dieren in de loop der tijd zal toenemen. Werkzaamheden kunnen dan leiden tot het doden van dieren en inrichting tot het wegnemen van geschikt leefgebied. 5.3.4

Conclusie

Uit het verrichte onderzoek komt naar voren dat er geen gevoelige gebieden worden verstoord als gevolg van de herontwikkeling. De stikstofdepositie blijft beneden de grenswaarde. Dit blijkt uit het onderzoeksrapport en de beoordeling van de Omgevingsdienst NHN. Ook is uit de quick scan en het soortgerichte onderzoek gebleken dat er geen overtredingen van de Wet natuurbescherming zullen plaatsvinden. De uitvoerbaarheid van het bestemmingsplan wordt niet belemmerd door het aspect ecologie.

5.4

Cultuurhistorie en archeologie

5.4.1

Cultuurhistorischewaarden

In paragraaf 2.1 is de historie van de Westerweg als historisch lint in Heiloo geschetst. De projectlocatie ligt deels aan de Westerweg en grotendeels daarbuiten waar het gebied van minder cultuurhistorische waarde is. In paragraaf 2.2 is nader ingegaan op de cultuurhistorische waarden in het gebied. Bij de stedenbouwkundige opzet van de wijk is rekening gehouden met bestaande structuren en is een voortzetting van de Slootenslaan mogelijk gemaakt. Oude groenstructuren op de buitengrenzen van de projectlocatie blijven behouden.

39

bestemmingsplan Westerhoeve Heiloo

5.4.2

Archeologische waarden

Met de invoering van de Erfgoedwet ligt de verantwoordelijkheid voor de bescherming van archeologische waarden bij de gemeente. In bestemmingsplannen worden op basis van een cultuurhistorische waardenkaart dubbelbestemmingen opgenomen waarmee gebieden met diverse archeologische verwachtingswaarden worden vastgelegd. Binnen deze gebieden gelden restricties met betrekking tot uit te voeren activiteiten, zoals het bouwen of uitvoeren van werkzaamheden zonder voorafgaand archeologisch onderzoek. Voor gebieden waarvoor geen archeologisch onderzoeksverplichting is opgenomen geldt dat deze gebieden mogen worden bebouwd maar dat toevalsvondsten verplicht moeten worden gemeld bij het bevoegd gezag. Op basis van het bestemmingsplan 'Landelijk Gebied 1997' geldt voor de gronden van het projectgebied geen dubbelbestemming archeologie. Bij de totstandkoming van het bestemmingsplan Zuidwest, dat voor de gronden rondom de projectlocatie geldt, zijn de archeologische verwachtingswaarden in het gebied vastgesteld. In onderstaande figuur zijn de drie waarderingen opgenomen.

Afbeelding: Archeologische waarderingskaart, bestemmingsplan Zuidwest

Het plangebied valt binnen waarderingszones A en B waarbij een hoge verwachtingswaarde geldt. Voor alle werkzaamheden die een groter oppervlakte dan 50 m2 beslaan is archeologisch onderzoek noodzakelijk.

40

bestemmingsplan Westerhoeve Heiloo

Door Transect BV is archeologisch onderzoek verricht. In haar rapportage van 20 april 2022 (21120003) die als Bijlage 11 is bijgevoegd, concludeert Transect ten aanzien van de archeologische verwachtingswaarden in het gebied als volgt. Het plangebied bevindt zich op de flank van de strandwal van Heiloo. Uit onderzoek in de omgeving blijkt dat op de strandwal archeologische nederzettingssporen uit de Bronstijd, IJzertijd en LateMiddeleeuwen zijn aangetroffen. Ook zijn op de strandwal vondsten bekend uit de periodes Neolithicum-IJzertijd, IJzertijd-Romeinse Tijd, Vroege-Middeleeuwen, Late-Middeleeuwen en Nieuwe Tijd. Gezien de ouderdom van de strandwal (Neolithicum-Bronstijd), kunnen op de strandwal archeologische sporen vanaf het Neolithicum aanwezig zijn. Ook ligt het plangebied aan de Westerweg, een historische route tussen Alkmaar en Haarlem. Het plangebied is op de kaart van Zoutman uit 1665 onbebouwd, maar het is niet uit te sluiten dat eerder geen bebouwing aanwezig is geweest. De bebouwing bevond zich in de omgeving van het plangebied binnen een straal van ongeveer 200 m van de Westerweg. Het plangebied heeft daarom een hoge archeologische verwachting op archeologische resten en/of sporen de periode Neolithicum-Nieuwe Tijd. In het plangebied kunnen meerdere archeologische niveaus aanwezig zijn.

Dit zijn de top van de strandwal, de top van de Oude Duinen en eventuele overstoven niveaus in de duinen. In de omgeving van het plangebied is de top van de strandwal vanaf 0,0 à +0,5 m NAP aangetroffen. Eventuele Oude Duinen (Laat-Neolithicum) met overstoven niveaus (Bronstijd, maar mogelijk ook later) erin liggen hierboven en kunnen op variabele dieptes aanwezig zijn. De hoogst gelegen archeologische niveaus in de omgeving van het plangebied zijn direct onder de moesbedden aangetroffen, vanaf +0,5 m NAP (circa 50 à 100 cm -Mv). Daar waar geen bloembollenteelt heeft plaats gevonden in het plangebied is de verwachting dat het hoogste archeologische niveau vanaf onder de bouwvoor aanwezig kan zijn, die vermoedelijk 50 cm dik is. In welke mate nog daadwerkelijk archeologische resten en/of sporen aanwezig kunnen zijn is mede afhankelijk van de mate van intactheid van de bodem. Met name de bloembollenteelt in het oosten van deelgebied Duinzicht en het westen van deelgebied Westerhoeve heeft het bodemarchief vermoedelijk aangetast. Vermoedelijk is dit tot 50 à 100 cm -Mv, maar de exacte diepte ter plaatse is niet bekend (bijlage 14 van het rapport). De kans bestaat dat naast de moesbedden nog archeologische sporen aanwezig zijn.

41

bestemmingsplan Westerhoeve Heiloo

Afbeelding: verwachtingswaarde op basis van het bureauonderzoek

Ter zekerstelling van eventueel aanwezige archeologische waarden is in overleg met de gemeente besloten om het gehele plangebied te onderzoeken middels een verkennend booronderzoek. De rapportage van dit onderzoek is opgenomen in Bijlage 12. Tijdens het veldonderzoek is vastgesteld dat het plangebied zich inderdaad op de flank van de strandwal van Heiloo bevindt. De top van het strandzand bevindt zich tussen 0,12 en 0,65 m -NAP, waarbij het zand van oost naar west afhelt. Het strandzand heeft geruime tijd boven de zeespiegel gelegen, te duiden aan het kalkloze, humeuze niveau dat zich in de top van het strandzand bevindt. Aangezien de strandwal van Heiloo zich in het Neolithicum gevormd heeft, worden in het humeuze niveau archeologische waarden vanaf het Neolithicum verwacht. Het niveau wordt afgedekt door duinafzettingen waarin in boring 1 en 9 een vegetatiehorizont aanwezig is. In de overige boringen zijn in de duinafzettingen geen vegetatiehorizonten waargenomen. Wel blijkt dat de top van het duinzand gedeeltelijk verstoord is, doordat de grond is omgezet ten behoeve van onder andere bollenteelt. In het plangebied zijn tot een diepte van circa 85 cm -Mv moestuinbedden aanwezig. Aan de hand van deze resultaten is de archeologische verwachting in het plangebied aan te scherpen.

Resten uit de periode vanaf het Neolithicum worden in het archeologische niveau in de top van het strandzand verwacht. Dit niveau bevindt zich op een diepte vanaf 95-165 cm -Mv (0,12-0,65 m -NAP). Voor de periode IJzertijd-Nieuwe Tijd geldt tevens een hoge archeologische verwachting. Voor het plangebied wordt een hoge archeologische verwachting op resten en sporen uit de periodes vanaf het Neolithicum. Hoewel in het westen van het plangebied in de boringen tot een diepte van 45-85 cm -Mv (-0,25 tot 0,78 m NAP) moestuinbedden zijn aangetroffen, blijkt uit eerder uitgevoerde onderzoeken in de omgeving van het plangebied dat tussen de moestuinbedden archeologische sporen en resten nog intact aanwezig kunnen zijn. Archeologische resten en sporen kunnen derhalve vanaf een diepte van circa 30 cm -Mv (onder de moderne bouwvoor) aangetroffen worden. In het kader van de toekomstige herontwikkeling van het plangebied, wordt geadviseerd een archeologisch vervolgonderzoek uit te voeren op de locaties van de toekomstige bouwvlakken (circa 1090 m2). Dit onderzoek kan het beste uitgevoerd worden in de vorm van een proefsleuvenonderzoek

42

bestemmingsplan Westerhoeve Heiloo

(IVO-P), aangezien er voornamelijk archeologische waarden in de vorm van grondsporen verwacht worden. Op basis van het booronderzoek is in het gehele plangebied van voorliggend bestemmingsplan de dubbelbestemming Waarde - Archeologie opgenomen (hoge verwachting). Hieraan zijn nadere onderzoeksgrenzen van het vigerende bestemmingsplan gekoppeld worden van 50 m2 en dieper dan 50 cm -Mv. De uitvoerbaarheid van voorliggend bestemmingsplan is hiermee voldoende aangetoond.

5.5

Besluit milieueffectrapportage

5.5.1

Inleiding

In Nederland is het verplicht om de effecten op het milieu volwaardig onderdeel te laten zijn van de voorbereiding en de besluitvorming over ruimtelijke plannen. Daarvoor is in de Wet milieubeheer de methodiek van de milieueffectrapportage (m.e.r.) opgenomen. In het Besluit milieueffectrapportage zijn gevallen opgenomen waarvoor een m.e.r. -beoordeling of een PlanMER nodig is. De voorgenomen ontwikkeling is niet direct m.e.r.- beoordelingsplichtig op basis van het onderdeel 'aanleg, wijziging of uitbreiding van een stedelijk ontwikkelingsproject met inbegrip van de bouw van winkelcentra of parkeerterreinen'. Echter, omdat de voorgenomen ontwikkeling wel valt onder de noemer van een 'stedelijk ontwikkelingsproject', is een vormvrije m.e.r.-beoordeling verplicht. De vormvrije m.e.r.-beoordeling is in feite een beknopte opsomming van de beoordeling van de ontwikkeling op verschillende milieuaspecten. Het Besluit m.e.r. en de Wet milieubeheer zijn per 7 juli 2017 gewijzigd. Gemeenten zijn thans verplicht om een expliciet besluit te nemen over het al dan niet opstellen van een milieueffectrapport (Mer).

5.5.2

Onderzoek

Voor het bestemmingsplan is een aanmeldnotitie vormvrije m.e.r.-beoordeling opgesteld, welke is bijgevoegd als Bijlage 13. Uit deze aanmeldnotitie komt naar voren dat er gezien de effecten geen nadelige gevolgen voor het milieu zijn te verwachten. Op 20 juni 2023 heeft het college van B&W een mer-beoordelingsbesluit genomen, dat als Bijlage 14 aan deze toelichting is gehecht.

5.5.3

Conclusie Mer-beoordeling

Nadere analyse in een MER/m.e.r.-beoordeling is niet noodzakelijk. Het aspect vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van het bestemmingsplan.

43

bestemmingsplan Westerhoeve Heiloo

Hoofdstuk 6 6.1

Juridische planopzet

Inleiding

De Wet ruimtelijke ordening (Wro) verplicht gemeenten bestemmingsplannen op te stellen. In de Wro en het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) is verder uitgewerkt uit welke onderdelen een bestemmingsplan in ieder geval moet bestaan. Het gaat om een verbeelding met planregels en een toelichting daarop. Daarnaast biedt zowel de Wro als het Bro opties voor een verdere juridische inrichting van een bestemmingsplan. Hierbij moet worden gedacht aan de toepassing van afwijkingsmogelijkheden en wijzigingsbevoegdheden en het toepassen van nadere eisen. De bruikbaarheid van deze instrumenten is geheel afhankelijk van het doel van het bestemmingsplan en de gewenste bestemmingsmethodiek van de gemeente Heiloo. Uitgangspunt is dat het bestemmingsplan moet voorzien in een passende regeling voor de komende tien jaar. Dat is in principe de geldigheidsduur van een bestemmingsplan. Er is één landelijke voorziening waar alle ruimtelijke plannen voor een ieder volledig toegankelijk en raadpleegbaar zijn. Hiertoe moeten alle bestemmingsplannen voldoen aan landelijk vastgestelde standaarden. In de Standaard Vergelijkbare Bestemmingsplannen 2012 (SVBP2012) zijn de hoofdgroepen van bestemmingen bepaald, zoals Wonen, Bedrijven e.d. Ook geeft de SVBP2012 bindende standaarden voor de opbouw en de verbeelding van het bestemmingsplan, zo ook voor de regels.

Dat leidt ertoe dat de systematiek zoals gehanteerd in dit bestemmingsplan, op ondergeschikte onderdelen af kan wijken van de voorheen geldende planologische regelingen. Het juridische bindende onderdeel van het bestemmingsplan bestaat uit de verbeelding en de regels. De planregels bevatten het juridisch instrumentarium voor het regelen van het gebruik van de gronden en gebouwen en bepalingen over de toegelaten bebouwing. De verbeelding heeft een ondersteunende rol voor de toepassing van de regels en ook de functie van visualisering van de bestemmingen.

6.2

Juridische planopzet

Dit bestemmingsplan bestaat uit een verbeelding, planregels en een toelichting. De verbeelding en de planregels vormen samen het juridisch bindende gedeelte van het bestemmingsplan. Op de verbeelding krijgen alle gronden binnen het plangebied een bestemming. Binnen een bestemming kunnen nadere aanduidingen zijn aangegeven. De juridische betekenis van deze bestemmingen en aanduidingen zijn terug te vinden in de regels. Een gedeelte van de informatie op de analoge verbeelding heeft geen juridische betekenis, maar is slechts opgenomen om de leesbaarheid van en oriëntatie op de verbeelding te vergroten, zoals een kadastrale/GBKN ondergrond. Alle letters, aanduidingen en lijnen worden verklaard in de legenda op de verbeelding. Bij eventuele verschillen tussen de digitale en analoge verbeelding is de digitale verbeelding juridisch bindend. De regels bepalen de gebruiksmogelijkheden van de gronden binnen het plangebied en geven tevens de bouw- en gebruiksmogelijkheden met betrekking tot bouwwerken aan.

De regels van het bestemmingsplan zijn opgebouwd conform de door het SVBP 2012 voorgeschreven systematiek en omvatten vier hoofdstukken: Hoofdstuk 1 Inleidende regels Hoofdstuk 2 Bestemmingsregels Hoofdstuk 3 Algemene regels Hoofdstuk 4 Overgangs- en slotregels Het nieuwe bestemmingsplan is gebaseerd op de systematiek van de in de nabijheid van het plangebied Westerhoeve gelegen bestemmingsplangebied 'Zuid West' en 'Duinzicht'. Bij de opzet van het bestemmingsplan is uitgegaan van een redelijk gedetailleerde planopzet.

44

bestemmingsplan Westerhoeve Heiloo

6.2.1

Hoofdstuk1: Inleidende regels

Artikel 1 Begrippen Dit artikel definieert de begrippen die in de regels worden gehanteerd. Daardoor wordt vermeden dat verschillende interpretaties van de begrippen tot verschillen van mening over de regelgeving zouden kunnen leiden. Bij toetsing aan het bestemmingsplan wordt uitgegaan van de in dit artikel aan de begrippen toegekende betekenis. Voor zover er geen begrippen zijn gedefinieerd wordt aangesloten bij het normaal spraakgebruik. Artikel 2 Wijze van meten Dit artikel geeft aan hoe hoogte- en andere maten gemeten moeten worden. Een aantal bepalingen schrijft de regeling SVBP2012 dwingend voor.

6.2.2

Hoofdstuk2: bestemmingsregels

Met een bestemming wordt tot uitdrukking gebracht welke gebruiksdoelen of functies, met het oog op een goede ruimtelijke ordening, aan de in het plan begrepen gronden zijn toegekend. Niet iedere functie leent zich voor een eigen bestemming. Of dit zo is, hangt af van de ruimtelijke relevantie, of wel van de mate waarin de betrokken functie invloed heeft op zijn omgeving of daaraan eisen stelt. Behalve om functies gaat het bij bestemmingen altijd om concreet ruimtegebruik of om fysiek aanwezige ruimtelijke objecten. Een bestemming heeft altijd betrekking op een geometrisch bepaald vlak. De volgende bestemmingen zijn aan de gronden in het plangebied toegekend. Artikel 3 Gemengd Deze bestemming is opgenomen vanwege een kleine strook grond dat wordt overgedragen aan het perceel Westerweg 377. Omdat deze woning binnen het bestemmingsplan Zuid West een bestemming Gemengd heeft, is deze bestemming toegepast binnen voorliggend bestemmingsplan. Artikel 4 Groen De openbare gebieden die als 'Groen' zijn aangewezen zijn primair bedoeld om groen te worden ingericht en om plaats te bieden voor waterhuishoudkundige voorzieningen zoals wadi's. Ook zijn wandel- en fietspaden mogelijk. Om flexibiliteit te bieden aan de auto-ontsluiting die door het hof gaat lopen, zijn ook verkeer- en verblijfsvoorzieningen mogelijk gemaakt.

Artikel 5 Tuin De op de verbeelding voor 'Tuin' aangewezen gronden zijn bestemd voor tuinen en erven behorende bij de op de aangrenzende gronden gelegen hoofdbebouwing. Binnen deze bestemming zijn alleen bouwwerken geen gebouw zijnde, zoals erfafscheidingen, toegestaan. Een aan- of uitbouw of een bijgebouw zoals een berging kan niet binnen deze bestemming worden gebouwd. Deze bestemming komt voor aan de voorzijde van woningen. Bebouwing aan de voorzijde van woningen geeft een rommelig beeld en kan vooral bij hoekwoningen het uitzicht voor automobilisten verminderen waardoor gevaarlijke situaties kunnen ontstaan. Artikel 6 Verkeer - Verblijfsgebied De openbare gebieden zijn naast 'Groen' ook specifiek bestemd als 'Verkeer - Verblijfsgebied' zoals ook gebruikelijk is in de systematiek van het bestemmingsplan 'Zuid West'. De nadruk ligt hier op de verkeersontsluiting en parkeervoorzieningen, maar ook bijvoorbeeld groen en waterbergende voorzieningen, alsmede ondersteunde voorzieningen van het groengebied als (fiets)paden, bruggen, straatmeubilair en speelvoorzieningen. Artikel 7 Wonen Deze bestemming is bedoeld om het wonen binnen het plangebied toe te staan. Beroepsmatige

45

bestemmingsplan Westerhoeve Heiloo

activiteiten aan huis, gastouderopvang en bed & breakfast zijn binnen de bestemming 'wonen' toegestaan onder de voorwaarde dat deze activiteiten ondergeschikt zijn aan het wonen. In deze bestemming zijn tevens de benodigde bijbehorende voorzieningen toegestaan zoals groenvoorzieningen, waterlopen, waterpartijen, parkeervoorzieningen, bergingen, tuinen en erven. Er zijn bouwvlakken opgenomen waar binnen hoofdgebouwen mogen worden gebouwd. De bouwhoogte varieert per type woning. Voor de gestapelde bouw is rekening houdend met ondergeschikte bouwdelen 10,5 meter aangehouden, voor de twee-onder-een-kap woningen 10 meter en voor de recreatiewoningen 3 meter. Artikel 8 Waarde - Archeologie De aanwezige archeologische verwachtingswaarden krijgen bescherming door het toekennen van de dubbelbestemming 'Waarde – Archeologie'. De voor 'Waarde - Archeologie' aangewezen gronden zijn, naast de andere voor die gronden aangewezen bestemmingen, ook bestemd voor de bescherming en de veiligstelling van archeologische waarden.

6.2.3

Hoofdstuk3: Algemene regels

In dit hoofdstuk worden, in aanvulling op de bestemmingsbepalingen, aanvullende regels gesteld.

Anti-dubbeltelregel In deze regel is vastgelegd dat grond die in aanmerking moest worden genomen bij het verlenen van een bouwvergunning, waarvan de uitvoering heeft plaatsgevonden of alsnog kan plaatsvinden, bij de beoordeling van een andere aanvraag om bouwvergunning niet opnieuw in beschouwing mag worden genomen. Dit is bijvoorbeeld om te voorkomen dat telkens opnieuw een uitbreiding wordt toegestaan. Algemene gebruiksregels De bepalingen in de algemene regels over ongewenst gebruik van gronden gelden in alle gevallen. Algemene afwijkingsregels. Dit artikel is een aanvulling op de ontheffingsregels uit de bestemmingen waarin nog een aantal algemene ontheffingen is opgenomen. Het betreft hier een standaardregeling die het mogelijk maakt om bij de uitvoering van bouwplannen beperkte afwijkingen van het plan toe te staan. Als voorbeeld kunnen genoemd worden een geringe overschrijding van de toegestane bouwhoogte of het mogelijk maken van de bouw van schakelkastjes (nutsgebouwtje) in het openbare gebied. Overige regels Artikel 13 legt een koppeling tussen de regels van het bestemmingsplan en de gemeentelijke beleidsregels voor het parkeren. De normen voor parkeren, stallen, laden en lossen zelf liggen namelijk niet vast in dit bestemmingsplan, maar in gemeentelijke beleidsregels.

Die beleidsregels geven aan wanneer er sprake is van voldoende ruimte voor parkeren, stallen, laden en lossen. Uitgegaan wordt altijd van de gemeentelijke beleidsregels voor het parkeren zoals die gelden op het moment van de ontvangst van de aanvraag om een omgevingsvergunning. Lid 1 geeft ook aan wat als strijdig gebruik van gronden en bouwwerken is aangemerkt. Strijdig gebruik is het gebruiken of laten gebruiken van gronden of bouwwerken waarbij niet in voldoende mate ruimte is aangebracht en in stand wordt gehouden op eigen terrein voor parkeren, stallen, laden en lossen overeenkomstig het gemeentelijke beleid. Tot slot bepaalt lid 1 dat er afgeweken kan worden onder de voorwaarden zoals die zijn genoemd in de gemeentelijke beleidsregels voor het parkeren. Ook hiervoor geldt dat uitgegaan dient te worden van de gemeentelijke beleidsregels voor het parkeren zoals die gelden op het moment van de ontvangst van de aanvraag om een omgevingsvergunning.

46

bestemmingsplan Westerhoeve Heiloo

6.2.4

Hoofdstuk4: Overgangs- en slotregels

In het overgangsrecht is een regeling opgenomen voor bebouwing en gebruik dat al bestond bij het opstellen van het plan, maar dat strijdig is met de opgenomen regeling. Onder bepaalde voorwaarden mag deze strijdige bebouwing en/of strijdig gebruik worden voortgezet of gewijzigd. In de slotregel is de officiële naam van het plan bepaald. Onder deze naam kan het bestemmingsplan worden aangehaald.

47

bestemmingsplan Westerhoeve Heiloo

Hoofdstuk 7 Maatschappelijke en economische uitvoerbaarheid 7.1

Vooroverleg

Het bestemmingsplan Westerhoeve Heiloo doorloopt de wettelijke procedure. Het concept ontwerpbestemmingsplan wordt op basis van het wettelijk vooroverleg ex artikel 3.1.1 Besluit ruimtelijke ordening (Bro) toegestuurd aan de verschillende (semi)overheden en belangenorganisaties. De reacties op basis van het wettelijke vooroverleg kunnen leiden tot aanpassing van het concept ontwerpbestemmingsplan Westerhoeve Heiloo. Van de Veiligheidsregio Noord-Holland Noord is een vooroverlegreactie ontvangen. In de reactie wordt aangegeven dat het aspect externe veiligheid niet van invloed is op het planvoornemen. Dit wordt tevens gemotiveerd in paragraaf 5.1.6. Daarnaast wordt aangegeven dat om een adequate inzet te kunnen plegen, het van belang is dat wonngen bereikbaar zijn en dat er waterwinning aanwezig is. Het toetsingskader hiervoor is de Handreiking bluswatervoorziening en bereikbaarheid VRNHN 2021. Dit wordt bij de uitvoering van het plan meegenomen.

7.2

Inspraak en overleg

Initiatiefnemers hebben informatiebijeenkomsten gehouden om de buurt te informeren over het voorgenomen initiatief. Onderwerpen en vragen die tijdens de bijeenkomsten naar voren kwamen waren zorgen over de verkeersafwikkeling, wateroverlast bij woningen een de Slootenslaan en Ons Kamp. Ook waren er zorgen over waardevermindering van woningen, het behoud van het groene karakter van de Slootenslaan, de plek van een ondergrondse afvalcontainer en de huizenprijzen. Op 24 juni 2021, 3 november 2022 en 24 mei 2023 zijn bijeenkomsten gehouden. Ook zijn omwonenden via een speciaal opgezette Facebookpagina op de hoogte gehouden van vorderingen. De verslagen van de inloopbijeekomsten zijn als Bijlage 15, Bijlage 16 en Bijlage 17 aan de bijlagen bij de toelichting gehecht. Omdat de ontwikkeling van Westerhoeve in een vroeg stadium uitvoerig met omwonenden is besproken, is afgezien van het ter inzage leggen van een voorontwerpbestemmingsplan en is het ontwerp bestemmingsplan direct ter inzage gelegd. Hierbij is gebruik gemaakt van de afwijkingsmogelijkheid in de inspraakverordening om zonder voorontwerp bestemmingsplan een ontwerp bestemmingsplan ter inzage te leggen. Bovendien wordt in het collegeprogramma Heiloo Natuurlijk 2022 - 2026 het versnellen van ruimtelijke procedures (waar dat kan) gestimuleerd.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Heiloo&id=49d72b2e-f596-41be-8b1c-0e1f66d6095f