Transitievisie Warmte (TVW) 1.0 gemeente Heerlen gecompr..pdf
Tekst van het document
24 https://www.expertisecentrumwarmte.nl/themas/de+leidraad/startanalyse/default.aspx
31
Voor die woningen waarbij een all-electric oplossing echt niet mogelijk is (bijvoorbeeld voor monumentale en slecht te isoleren gebouwen), zal een andere oplossing worden gezocht. 4.1.2 Strategie 2 & 3: collectieve warmtetechnieken Een collectief systeem (ook wel warmtenet genoemd) brengt de warmte van één of meerdere bronnen naar een cluster van gebouwen. Warmtenetten zijn met name kansrijk in gebieden met een hoge bebouwingsdichtheid. Een warmtenet kan in een hele buurt worden uitgerold, maar bijvoorbeeld ook op straatniveau. Voorwaarde voor het ontwikkelen van een warmtenet is wel dat er voldoende bronnen beschikbaar zijn, en dat deze betrouwbaar en betaalbaar zijn. Daarbij maken we onderscheid tussen een midden- tot hoge temperatuur (MT tot HT) en een lagetemperatuur (LT) warmtenet. Middentemperatuur (MT) en hogetemperatuur (HT) warmtenet Een MT-warmtenet verwarmt water naar ca. 55-75°C en een HT-warmtenet naar ca. 75-90 °C. Het verwarmen gebeurt door een collectieve warmtebron, zoals geothermie of restwarmte uit de industrie. Het water wordt vervoerd naar de aangesloten gebouwen en de warmte wordt afgegeven aan het CV-systeem. Een warmtenet met deze temperaturen is warm genoeg voor het verwarmen van de huidige radiatoren in woningen en het verzorgen van warm tapwater. In de woningen zelf zijn dus relatief weinig aanpassingen nodig.
Wel is het aan te bevelen om gebouwen goed te isoleren om zo de warmtevraag zoveel mogelijk te beperken. In de Startanalyse worden varianten doorgerekend op basis van verschillende warmtebronnen (industriële restwarmte of geothermie) en op basis van de labels B en D. Lagetemperatuur (LT) warmtenet Een LT-warmtenet heeft een temperatuur van tussen de 30 en 55°C. De temperatuur is te laag om direct warm tapwater te maken en ook voor ruimteverwarming zijn aanpassingen nodig. Bij LT-warmte wordt het water meestal verwarmd met LT-restwarmtebronnen zoals rioolwaterzuiveringsinstallaties, supermarkten en datacenters. Voor het verwarmen van gebouwen met deze temperatuur moet de woning eerst goed geïsoleerd worden. Ook zijn er vaak aanpassingen nodig aan het warmteafgiftesysteem en is naverwarming nodig voor warm tapwater. Dit kan collectief (voor een groep gebouwen) of individueel (in de woning). In de Startanalyse worden varianten doorgerekend op basis van label B (met levering op 30, 50 en 70 graden) en D (met levering op 70 graden). 4.1.3 Strategie 4 & 5: hernieuwbaar gas Bij de laatste twee strategieën wordt het aardgasnet gebruikt voor het transport van andere soorten gas dan aardgas. Het belangrijkste voordeel is dat de huidige gasleidingen en de huidige CV-ketels en radiatoren behouden kunnen blijven.
Hierdoor zijn veel minder aanpassingen aan de infrastructuur en woningen nodig. Groen gas (strategie 4) Warmte voor ruimteverwarming en warm tapwater wordt geleverd door een hybride warmtepomp gecombineerd met een standaard HR-ketel óf alleen door een standaard HR-ketel. In het geval dat warmte door een hybride warmtepomp in combinatie met een standaard HR-ketel geleverd wordt, wordt de HR-ketel ingezet als het vermogen van de warmtepomp ontoereikend is. Dit kan bijvoorbeeld in koude maanden nodig zijn. Een hybride warmtepomp maakt gebruik van een buitenunit die is bevestigd aan het gebouw of die dicht bij het gebouw staat. Buitenlucht en gas zijn de belangrijkste energiebronnen. In de Startanalyse worden varianten doorgerekend op basis van de labels B en D. Waterstof (strategie 5) Deze strategie is vergelijkbaar met strategie 4 (groen gas) en werkt ook met een hybride warmtepomp en/of een HR-ketel. In deze variant moeten de warmtepomp en HR-ketel wel geschikt zijn of worden gemaakt voor het gebruik met waterstof. Net als bij groen gas zijn ook voor waterstof varianten doorgerekend op basis van de labels B en D.
32
De huidige beschikbaarheid van groen gas en waterstof is beperkt. Ook is nog onduidelijk hoe de beschikbaarheid zich in de toekomst ontwikkelt. Dit hangt af van het op gang komen van een (internationale) waterstofmarkt, technische ontwikkelingen zoals opschaling en de aanleg van een hoofdinfrastructuur en de vraag vanuit verschillende sectoren zoals de industrie en mobiliteit. Deze strategieën kunnen we daarom het beste reserveren voor plaatsen waar afkoppeling van het aardgasnet lastig is en je liever niet de grond in gaat, bijvoorbeeld bij kwetsbare gebouwen en monumenten. Ondanks de onzekerheid rondom de beschikbaarheid van groen gas en waterstof, zijn strategie 4 en 5 wel doorgerekend in de analyse van gemeente Heerlen. Dit is gedaan om nu al in beeld te brengen voor welke buurten duurzame gassen in de toekomst mogelijk een alternatief zijn. 4.2 Resultaten Startanalyse voor Heerlen Om een richtinggevend beeld te geven van de warmteopties per buurt, hebben wij in Heerlen het landelijke model aangevuld met lokale data. De gebruikte lokale data is afkomstig van de gemeente en van lokale en regionale stakeholders zoals woningcorporaties en netbeheerder Enexis. Door middel van lokale data worden uitkomsten betrouwbaarder en sluiten zij beter aan bij de lokale situatie in onze gemeente.
Vervolgens zijn voor Heerlen drie scenario’s doorgerekend op basis van de beschikbaarheid van restwarmte en groen gas tot 2030: • Scenario 1: label B of beter en voldoende restwarmte beschikbaar; • Scenario 2: label D of beter en beperkt restwarmte beschikbaar; • Scenario 3: label D of beter, beperkt restwarmte beschikbaar en zonder groen gas. De uitkomsten van deze analyse zijn weergegeven in figuur 14. Indien er voldoende restwarmte beschikbaar is (scenario 1), is een warmtenet met MT- of HT-bron gecombineerd met isolatie naar label B in veel buurten het goedkoopste scenario. Indien er echter onvoldoende restwarmte beschikbaar is, en woningen slechts tot label D geïsoleerd worden (scenario 2), stijgt het aantal buurten waarvoor groen gas het beste alternatief is aanzienlijk. Omdat de hoeveelheid groen gas in de komende jaren slechts beperkt beschikbaar is, is in scenario 3 de optie groen gas buiten beschouwing gelaten. Als gevolg daarvan wordt in de analyse een individuele elektrische warmtepomp (strategie 1) voor de meeste buurten de meest geschikte warmteoplossing. Scenario 1: label B of beter en voldoende restwarmte beschikbaar
Scenario 2: label D of beter en beperkte hoeveelheid restwarmte beschikbaar
Scenario 3: label D of beter, beperkte hoeveelheid restwarmte beschikbaar en tot 2030 zonder groen gas
Figuur 14: Warmteopties per buurt op basis van de Leidraad en beschikbaarheid warmtebronnen
Noot: Op basis van de nationale kosten in het rekenmodel Vesta-MAIS is waterstof tot 2030 geen realistische optie voor de gebouwde omgeving. Scenario 5 (S5) komt daarom niet zichtbaar terug in bovenstaand figuur. 33
De resultaten uit de drie scenario’s zijn een vertrekpunt voor de verdere uitwerking van de TVW 1.0 naar de Transitievisie 2.0 en voor concrete wijkuitvoeringsplannen. Het onderzoeksbeeld per buurt kan in de loop der jaren nog wijzigen onder invloed van (technologische) ontwikkelingen, de verdere onderzoeken op het gebied van (toekomstige) beschikbaarheid van warmtebronnen, nader pandonderzoek en afwegingen of voorkeuren van gebouweigenaren, bewoners en belangrijke stakeholders. De focus ligt in Heerlen voorlopig op buurten waar met een grote mate van zekerheid een logisch en betaalbaar alternatief voor aardgas beschikbaar is in de vorm van individuele oplossingen of een warmtenet. Gelet op de beperkte beschikbaarheid speelt hernieuwbaar gas tot 2030 vooralsnog geen rol van betekenis in de wijkplannen. In buurten waar uit de analyse blijkt dat hernieuwbaar gas de laagste nationale kosten heeft, kan worden ingezet op tussenstappen als isolatie en hybride warmtepompen. 4.3 Selectiecriteria voor kansrijke buurt(en) in Heerlen Heerlen wordt tussen nu en 2050 aardgasvrij. We kunnen niet overal in de gemeente tegelijk aan de slag. Dat is geen wenselijk scenario en vergt te veel van alle betrokkenen. Bovendien zou daarmee geen ruimte ontstaan voor een leereffect waarmee we opgedane kennis en ervaringen van buurt tot buurt kunnen meenemen.
Het is daarom belangrijk dat we duidelijke keuzes maken om te komen tot kansrijke wijken en een realistisch tijdspad waarin buurten aardgasvrij worden. Om werkzaamheden in de tijd te faseren en om te bepalen in welke volgorde buurten aardgasvrij worden, hebben we de uitgangspunten uit hoofdstuk 2 vertaald naar mogelijke selectiecriteria die bepalen of een wijk, buurt of cluster van gebouwen kansrijk is om te starten. De selectiecriteria hieronder zijn tijdens bijeenkomsten op regionaal niveau samen met verschillende stakeholders tot stand gekomen. Geconsulteerde stakeholders zijn bijvoorbeeld woningcorporaties, netbeheerder Enexis en Waterleiding Maatschappij Limburg (WML). Op dit moment gaat het nog om een eerste uitwerking van de selectiecriteria. In de TVW 2.0 worden de selectiecriteria definitief vastgesteld en voorzien van een weging door de stakeholders. De mogelijke selectiecriteria zijn verdeeld in vier hoofdgroepen: 1. Draagvlak en bewonersinitiatieven. Een belangrijk vertrekpunt bij de bepaling van kansrijke buurten is het draagvlak onder bewoners en de aanwezigheid van bewonersinitiatieven. De gemeente Heerlen vindt het belangrijk om de mening, actiebereidheid en wensen van huurders en eigenaren over wonen zonder aardgas mee te nemen bij het maken van de plannen.
Daarom werd ieder huishouden in de gemeente uitgenodigd om mee te doen aan het draagvlak-onderzoek MoVe2030. Met de uitkomsten van die draagvlakmonitor (bijlage I) hebben we een eerste beeld over het draagvlak onder de inwoners van Heerlen over de warmtetransitie. De uitkomsten worden meegenomen in de verdere uitwerking richting de Transitievisie Warmte 2.0 en in de daaropvolgende uitvoeringsplannen die per buurt of wijk worden gemaakt. Voor bewonersinitiatieven wordt het bestaande netwerk van buurtorganisaties en energiecoöperaties en overkoepelende organisaties zoals de Participatiecoalitie betrokken bij de ontwikkeling van de TVW 2.0. 2. De gebouwde omgeving. Bij gebouwen wordt gekeken naar het aandeel corporatiebezit. Woningcorporaties worden gezien als de startmotor van de energietransitie. Als gemeente maken we afspraken met woningcorporaties en huurdersbelangenorganisaties over het verduurzamen van de portefeuille van woningcorporaties en over duurzaamheidseisen van nieuwbouwwoningen. De overheid zelf heeft een voorbeeldrol als het gaat om verduurzaming van gebouwen. Daarom wordt ook het aandeel overheidsgebouwen opgenomen als selectiecriterium. Tot slot is ook de homogeniteit van een buurt relevant.
Indien er veel gelijksoortige woningen zijn of veel gebouwen met ongeveer dezelfde leeftijd of warmte- en koudevraag, is het wellicht mogelijk om delen van de buurt van een zelfde soort oplossing te voorzien. Dat vergemakkelijkt de warmtetransitie en bespaart kosten.
34
Als in een buurt een beschermd stadsgezicht is of veel monumenten telt, heeft dit doorgaans een negatief effect op de mogelijkheden om te verduurzamen. Het aangezicht mag niet veranderd worden. Dat bemoeilijkt het verduurzamen van het gebouw. Een middentemperatuur-warmtenet kan een oplossing zijn als er bronnen voorhanden zijn, of groen gas zodra dit beschikbaar en betaalbaar is. 3. Koppelkansen. Bij koppelkansen wordt gekeken naar de werkzaamheden die in de komende jaren in de buurt op de planning staan en die gecombineerd kunnen worden met de verduurzaming van de buurt. Daarbij gaat het om ondergrondse werkzaamheden als vervanging van de riolering of waterleiding, maar ook om bovengrondse werkzaamheden zoals herinrichting van de buurt of vernieuwing van straten en wegen. Als het gasnet al aan vervanging toe is in een buurt, dan is dit wellicht een mooie gelegenheid om over te gaan naar een andere oplossing. Waar mogelijk wordt ook een combinatie met andere opgaven in de gemeente gemaakt. 4. Planning en suggesties van lokale stakeholders. De uitkomsten van de kansrijke buurten op basis van de selectiecriteria worden besproken met de stakeholders: gemeente Heerlen, Enexis, HEEMwonen, Wonen Limburg, WML en de Participatiecoalitie. Dit leidt tot relevante aanvullende inzichten, die van invloed zijn op de keuze van de buurt waar we beginnen met een uiteindelijk uitvoeringsplan.
De buurten die als kansrijk worden vastgesteld door de stakeholders worden meer in detail behandeld. Een belangrijk aandachtspunt hierbij is het aandeel corporatiebezit. De overheid vervult een voorbeeldrol als het gaat om verduurzamen van publieke gebouwen. Er wordt gekeken naar koppelkansen in deze buurten. Verder spelen de diversiteit van types woningen, de aanwezigheid van een bedrijventerrein en renovatieplannen een belangrijke rol om te komen tot een kansrijke buurt. Zoals aangegeven worden de selectiecriteria in het proces richting de TVW 2.0 verder aangescherpt en aangevuld. Op het moment dat een gebied aan een van de selectiecriteria voldoet, krijgt die een positieve of negatieve score of waardering. Om een beeld te krijgen van alle relevantie selectiecriteria en de weging ervan worden stakeholders betrokken. Het benoemen, waarderen en wegen van selectiecriteria is een belangrijk hulpmiddel bij de verkenning van de kansrijkheid van een gebied en het aanwijzen van voorkeursgebieden. De uitkomsten van deze analyse zullen worden voorgelegd aan de stakeholders. Samen maken we de keuze waar in Heerlen we vóór 2030 willen starten, en waar het beter is om nog even te wachten. Dat wil zeggen dat we eerst aan de slag gaan met een verkennings- en planstudiefase, waarin het wijkuitvoeringsplan wordt opgesteld. Is deze fase geheel doorlopen, dan volgt daarna de uitvoering.
4.4 Kansrijke buurt(en) in Heerlen tot 2030 In het Klimaatakkoord is afgesproken dat iedere gemeente in de Transitievisie Warmte beschrijft hoe zij samen met stakeholders de warmtevraag in de gebouwde omgeving op een aardgasvrije en duurzame manier gaat invullen en in welk tempo dat zal verlopen. Ook moet worden aangegeven in welke buurt(-en) voor 2030 wordt gestart met de overstap van aardgas op andere warmtebronnen, en welke potentiële alternatieve warmtebronnen er zijn. Voor de overige buurten moeten de gemeenten in hun Transitievisie een globaal tijdspad opnemen. De voorliggende Transitievisie Warmte 1.0 omvat een belangrijk eerste inzicht vanuit de data die nu voorhanden is, de uitkomst van de Startanalyse en de gesprekken en sessies met stakeholders. Maar dit is nog niet het eindbeeld van hoe de warmtetransitie in de gemeente Heerlen gaat verlopen en in welke buurten we starten met wijkuitvoeringsplannen. Er zijn wel uitgangspunten geformuleerd voor de warmtetransitie (hoofdstuk 2), er is inzicht in het huidige energiegebruik en de voorhanden zijnde regionale restwarmtebronnen (hoofdstuk 3), en er is een eerste beeld van de potentiële warmte-alternatieven op buurt- en wijkniveau (hoofdstuk 4).
35
Dit laatste beeld beperkt zich tot het detailniveau van wijken en buurten op grond van de administratieve grenzen uit de CBS-indeling. Maar de plaatselijke kenmerken binnen een wijk of buurt (zoals bevolkingssamenstelling, inkomensverdeling, de energie-infrastructuur, plannen voor beheer, onderhoud en renovatie) kunnen verschillen en een ‘totaalscore’ per wijk/buurt doet geen recht aan dit heterogene karakter. Kortom, de onderzoeken zijn tot dusver te grofmazig om te komen tot definitieve keuzes voor wijken en buurten (en daarmee wijkuitvoeringsplannen). Een meer gedetailleerde studie naar deze plaatselijke kenmerken binnen buurten en wijken levert naar verwachting een meer heterogeen kleurenpalet op – ten opzichte van figuur 14 – als het gaat om de potentiële warmtealternatieven en daarmee een gefundeerd handelingsperspectief voor de uitvoering. Bovendien zou een dergelijk, meer gedetailleerd inzicht ertoe kunnen leiden dat delen van buurten, over de CBS-grenzen heen, juist als kansrijk worden gezien om mee te starten. We werken daarom deze Transitievisie Warmte 1.0 in de loop van 2022 verder uit in een Transitievisie Warmte 2.0. Daarin verwerken we dit inzicht zodat we als gemeente definitieve keuzes kunnen maken over met welke buurten en wijken wordt gestart met wijkuitvoeringsplannen. Hoe dit proces vorm krijgt, is beschreven in het volgende hoofdstuk 5.
36
Hoofdstuk 5. Van visie naar uitvoering De TVW wordt door veel gemeenten gebruikt om hun ambities en doelstellingen ten aanzien van de warmtetransitie te delen, en in een tijdspad aan te geven in welke wijken en buurten zij tot 2030 van start gaan. Daarbij wordt ook per wijk en buurt aangegeven aan welk duurzaam warmtealternatief gedacht wordt. In de TVW 1.0 worden door de gemeente Heerlen vooralsnog geen wijken of buurten geselecteerd. De reden hiervoor is dat in de startanalyse onvoldoende rekening gehouden is met de lokale mogelijkheden en onmogelijkheden bij bepaalde wijken, buurten of zelfs gebieden over de gemeentegrenzen. Op dit moment bestaat de behoefte om samen met belanghebbenden en adviseurs voor de gemeente Heerlen een verdiepingsslag op pandniveau te maken. Het resultaat hiervan moet een duidelijker en meer gedragen beeld geven van de buurten, wijken of clusters van gebouwen, de beste warmteopties en de potentie om hiermee voor 2030 aan de slag te gaan. In paragraaf 5.1 staat beschreven wat we nog moeten doen om tot een TVW 2.0 te komen. Ook staat beschreven hoeveel capaciteit dit vraagt van de gemeente. In paragraaf 5.2 is toegelicht hoe een vervolg kan worden gegeven aan de uitvoering van de TVW 2.0.
Hoofdstuk 5 eindigt met een overzicht waarin staat beschreven hoe en op welke manier de gemeenteraad betrokken is bij de totstandkoming en uitvoering van de TVW 2.0. 5.1 Van de TVW 1.0 naar een TVW 2.0 Om voor de gemeente Heerlen tot een TVW 2.0 te komen, moeten we enkele belangrijke stappen zetten, onderzoeken doen en politiek-bestuurlijke afstemming bereiken over het beoogde proces en de opgave. Deze zaken worden in paragraaf 5.1 in meer detail beschreven. 5.1.1 Pand- en clusteranalyse In paragraaf 4.4 is toegelicht dat een meer gedetailleerd technisch-economisch onderzoek van belang is om tot definitieve keuzes te komen voor plangebieden (en daarmee uitvoeringsplannen). Daarmee wordt het beeld uit de TVW 1.0 meer onderbouwd en eventueel aangescherpt of gewijzigd waarin we slechts uit zijn gegaan van het detailniveau op basis van de wijk- en buurtindeling van CBS. De nadere verdieping gaat uit van een pand- en clusteranalyse waarin fijnmaziger de potentie voor een duurzaam warmtealternatief inzichtelijk wordt gemaakt. Deze analyse bestaat uit: - verrijking van de Startanalyse en Handreiking voor lokale analyse; - controle op volledigheid van de parameters voor het bepalen van warmtestrategieën en -varianten; - bepalen van afgebakende clusters op basis van de in de Startanalyse en Handreiking voorgestelde warmtestrategieën en –varianten.
De pand- en clusteranalyse wordt door een externe adviseur uitgevoerd, en inhoudelijk afgestemd met de ambtelijke organisatie en belangrijke stakeholders. 5.1.2 Haalbaarheid warmtebronnen en warmtenetten onderzoeken Warmtebronnen en warmtenetten zijn belangrijke warmte-alternatieven, die het elektriciteitsnetwerk minder belasten. In de TVW 1.0-fase is onderzoek gedaan naar de beschikbaarheid van grotere (rest-) warmtebronnen binnen de regio. Het aansluiten van woningen en gebouwen op warmtebronnen is afhankelijk van de technische en financiële haalbaarheid, ruimtelijke mogelijkheden en draagvlak. In de komende periode wordt dit onderdeel nader onderzocht middels het uitvoeren van een haalbaarheidsstudie. Zo zorgen we ervoor dat we richting de TVW 2.0 de juiste keuzes maken. 5.1.3 Selectiecriteria en uitvoeringsplanning De pand- en clusteranalyse levert een nauwkeuriger beeld op van de technisch-economische en duurzaamheidsgevolgen van een warmte-alternatief in een gebied. Simultaan aan deze analyse worden de selectiecriteria om tot een overzicht van voorkeursgebieden te komen nader beschouwd. Het doel hiervan is een compleet overzicht van relevante selectiecriteria te verkrijgen. Vervolgens wordt de onderlinge weging van deze selectiecriteria bepaald. 37
De afstemming van de selectiecriteria en de weging ervan vinden intern en extern met belangrijke stakeholders plaats. Met behulp van de gewogen selectiecriteria is het vervolgens mogelijk om de voorkeursgebieden te benoemen. In het verlengde hiervan maken we in deze periode een voorlopige uitvoeringsplanning tot 2030. 5.1.4 Stappenplan uitvoeringsplan Er wordt een (model-)stappenplan opgesteld om te komen tot een breed gedragen uitvoeringsplan. Bij het opstarten van een gebied zal dit model/format gebruikt worden om een gedegen projectplan op te stellen. 5.1.5 Contouren schetsen voor een isolatie- en verduurzamingsprogramma De gemeente Heerlen wil een isolatie-/verduurzamingsprogramma in het leven roepen voor de periode tot 2030, met de mogelijkheid voor een verlenging tot 2050. Dit programma richt zich op het verbeteren van het isolatieniveau en het verduurzamen van particuliere woningen door nauwkeurig geselecteerde maatregelen, en zal zich daarnaast ook op gemeentelijk vastgoed richten. Isolatiemaatregelen betreffen doorgaans eenvoudige, bewezen technieken, mede omdat daardoor het financiële aspect beheersbaar kan blijven. Het programma is nodig om te voldoen aan de technische voorwaarden voor een specifieke warmtestrategie.
Als een ‘no-regret’ tussenstap wordt hierdoor direct de energievraag van de gebouwde omgeving verminderd, zonder dat dit leidt tot een desinvestering met het oog op de gewenste eindsituatie in 2050. Door het verduurzamingsprogramma wordt de energiebehoefte direct verminderd. Dit leidt ertoe dat minder duurzame energie opgewekt hoeft te worden, waardoor minder nieuwe boven- en ondergrondse infrastructuur, en dus schaarse ruimte, nodig is. Bovendien is het bestaan van een succesvol verduurzamingsprogramma een randvoorwaarde voor een succesvolle en vlotte warmtetransitie. Veel duurzame warmtestrategieën kunnen simpelweg niet worden toegepast als het isolatieniveau van de gebouwde omgeving niet op orde is. Een eerste opzet van het isolatie-/verduurzamingsprogramma wordt nader uitgewerkt en toegelicht in de TVW 2.0. Afhankelijk van de resultaten die worden geboekt en de ervaring die opgedaan wordt, kan het programma in de toekomst uitgebreid of gewijzigd worden. Periodiek onderzoekt de gemeente de noodzaak en actualiteit van het programma en het voortbestaan ervan voor de periode vanaf 2030. De verwachting is dat in veel woningen en gebouwen verschillende maatregelen nodig zijn om te voldoen aan het isolatie- en installatieniveau dat bij een specifieke warmtestrategie hoort.
Of de omvang van het programma toelaat dat woningen direct aardgasvrij voorbereid zijn of dat dit in stappen gebeurt, wordt ook in de TVW 2.0 verduidelijkt. Desalniettemin stelt de gemeente Heerlen maatregelen voor die eenvoudig toe te passen zijn, schaalbaar zijn, een groot effect hebben op energiebesparing en daardoor een gunstig rendement hebben. Met betrekking tot het gemeentelijk vastgoed moet op pandniveau altijd onderzocht worden of de voorgestelde maatregelen op een ‘natuurlijk moment’ kunnen worden toegepast en/of overeenkomen met bestaande beheerplannen. Zo kunnen er bijvoorbeeld voor kantoorgebouwen al plannen zijn om te voldoen aan de wettelijke eis: minimaal energielabel C vanaf 2023 en minimaal energielabel A vanaf 2030. In ieder geval dienen de Meerjarige Onderhoudsplannen (MJOP’s) van het gemeentelijk vastgoed te worden herzien en aanpast in duurzame MJOP’s. Om het verduurzamingsprogramma te laten slagen, denkt de gemeente Heerlen aan samenwerking met de WoonWijzerWinkel Limburg en de andere Parkstad-gemeenten, de provincie en het (op te richten) communicatie- en participatieteam (zie paragraaf 5.1.6). Samen met deze organisaties worden de details uitgewerkt.
Dit kan bijvoorbeeld betrekking hebben op de maatregelen, technisch haalbare materiaalkeuzes, communicatie (op plangebiedsniveau) op basis van de warmteanalyses, financieringsmogelijkheden (met aantrekkelijke terugbetaalregelingen), collectieve inkoop en subsidieregelingen.
38
5.1.6 Communicatie en participatie Om te komen tot een kwalitatief goed communicatie- en participatieproces, gaat de gemeente Heerlen heldere uitgangspunten hanteren. Door deze uitgangspunten in acht te nemen, wordt bereikt dat alle bewoners en stakeholders kunnen meepraten en meedoen, dat er inzicht is in relevante gegevens, regelingen en stukken en dat bekend is wat er op een bepaald moment kan, gaat of moet gebeuren. In de komende periode worden de uitgangspunten ten aanzien van het communicatie- en participatieproces geformuleerd. Als onderdeel hiervan wordt bepaald of de gemeente Heerlen meer bereid is om van start te gaan in plangebieden op het moment dat bewoners en stakeholders relatief gezien meer interesse tonen in de warmtetransitie of hierbij (actief) betrokken willen zijn. De TVW 2.0 geeft dus een antwoord op de vraag of interesse in de warmtetransitie en actieve betrokkenheid in een gebied selectiecriteria zijn voor de benoeming van voorkeursgebieden. Verder lichten we in de TVW 2.0 toe hoe bewoners van de betreffende (voorkeurs)gebieden vertegenwoordigd worden in het transitieproces. Hiervoor wordt nader onderzocht hoe het proces van het organiseren van bewonersvertegenwoordiging eruit ziet en wie de regie neemt. Een mogelijkheid met veel potentie is bijvoorbeeld het inschakelen van zogenaamde buurtteams van vertegenwoordigers.
Deze buurtteams zijn de schakel tussen de gemeente enerzijds en de bewoners in het plangebied anderzijds. Buurtteams vertegenwoordigen hun eigen buurt; ze informeren en betrekken bewoners wanneer dit nodig is. Onderzocht moet worden of het bestaande netwerk van buurtorganisaties deze rol (deels) kan vervullen. Het mandaat van de organisatie en de afspraken die met gemeenten en andere belanghebbenden worden gemaakt, kunnen formeel vastgelegd worden in een samenwerkingsovereenkomst of een intentieverklaring. Over dit punt wordt in de TVW 2.0 meer duidelijkheid geboden. Het vergt de nodige tijd en capaciteit om het proces van communicatie en participatie met bewoners en stakeholders goed te organiseren. Om deze reden gaat de gemeente Heerlen samen met de andere gemeenten in de regio Parkstad onderzoeken of hier een gezamenlijk team voor opgericht kan worden. Het beoogde communicatie- en participatieteam stemt de werkzaamheden af met de projectleiders of coördinatoren warmtetransitie uit de deelnemende gemeenten. Dat gebeurt vice versa. Verder houdt het team de projectleiders of coördinatoren warmtetransitie op de hoogte van de inzet, ervaringen en resultaten. Door het team met meerdere gemeenten op te richten, ontstaat één centrale plek waar veel kennis en kunde ontstaat over de thema’s communicatie en participatie bij warmtetransitie.
Daar kunnen we de komende jaren enorm van profiteren; het maakt de regio Parkstad onafhankelijk van externe adviseurs met betrekking tot deze disciplines. Een ander voordeel is dat veel gemeenten in deze eerste fase van de transitie wellicht voorzichtig zullen zijn met het toekennen van middelen. Door te investeren in een gezamenlijk team, wordt de drempel kleiner en komen we wel direct uit de startblokken. Het team kan in eerste instantie uit ten minste één communicatie- en één participatie-expert bestaan. Het idee is dat de capaciteit gaandeweg uitgebreid wordt. Bijvoorbeeld op het moment dat meerdere projecten opgestart worden of wanneer dit vanuit het proces wenselijk wordt. Hierover vindt gezamenlijke en interne afstemming plaats, waarna het besluit in de TVW 2.0 wordt beschreven. Tot slot richt de gemeente Heerlen een informatiepunt in, waar iedereen informatie kan vinden over de warmtetransitie. Dit kan een website zijn maar bijvoorbeeld ook een fysiek informatiepunt. Het doel van het informatiepunt is dat er één herkenbaar verhaal verteld wordt naar de buitenwereld, dat stakeholders weten waar de gemeente mee bezig is en wat zij van de gemeente kunnen verwachten en dat bekend is wat, wanneer en waar gebeurt. Het informatiepunt moet zo snel mogelijk operationeel zijn en periodiek worden voorzien van actuele informatie.
5.1.7 Participatiebudget en ondersteuning bewonersinitiatieven De gemeente Heerlen vindt het belangrijk om bewonersinitiatieven te stimuleren. Deze initiatieven worden namelijk vaak geïnitieerd door bewoners met gedeelde ambities en doelstellingen, waardoor er direct maatschappelijk draagvlak is. Dat momentum benutten wordt als een nadrukkelijk kans gezien in deze transitieopgave.
39
De gemeente Heerlen gaat daarom in de aanloop naar de TVW 2.0 bekijken of een zogenaamd participatiebudget ingericht kan worden en ondersteuning kan worden geboden voor: - startende initiatieven en laagdrempelige acties; - wijkinitiatieven gericht op het aardgasvrije warmte-alternatief; - een loket voor bewonersinitiatieven; - een lokale ondersteunende organisatie in relatie tot bovenstaande. Het gaat hier met name om een stimuleringsregeling in de vorm van relatief kleine bedragen en facilitaire en ambtelijke ondersteuning aan bewonersinitiatieven. Maar het betreft ook ondersteuning en ontwikkelfinanciering voor plannen die bewoners maken om de buurt of wijk aardgasvrij te maken. De expliciete voorwaarden van deze regeling en een overzicht van geschikte activiteiten volgen. 5.1.8 Regierol Als gemeente kun je op verschillende manieren invulling geven aan de regierol in het proces om te komen tot een Transitievisie Warmte (TVW) en Uitvoeringsplan (UP). De keuze is onder andere afhankelijk van inhoudelijke afwegingen, de wijze waarop de gemeente wil omgaan met de omgeving en de beschikbaarheid van capaciteit en financiële middelen. Hoe een gemeente invulling geeft aan de regierol heeft zijn weerslag op hoe de organisatie wordt ingericht, hoe met stakeholders wordt samengewerkt, op het communicatieproces en op de benodigde competenties van medewerkers.
In de aanloop naar de 2.0-versie wordt onderzocht wat de gewenste regierol voor de gemeente is. Vervolgens doet het college in de TVW 2.0 een voorstel aan de gemeenteraad, inclusief de bijbehorende gevolgen van deze rol. 5.1.9 Werksessies stakeholders In de aanloop naar de TVW 2.0 onderzoekt de gemeente Heerlen of en hoe zij (gethematiseerde) werksessies gaat organiseren. Deze werksessies zijn bestemd voor de stakeholders in het planproces en worden in het kader van een specifiek te bespreken onderwerp georganiseerd. Dit kan op het schaalniveau van de regio of gemeente zijn, maar zich ook specifiek richten op stakeholders en vraagstukken in een voorkeursgebied. De werksessies zijn een communicatiehulpmiddel waarmee transparantie ontstaat over doelstellingen, belangen, mate van invloed, financiële middelen, onderlinge verhoudingen en uitdagingen die bij de stakeholders spelen en aanwezig zijn. Het doel van de werksessies met vooraf geselecteerde en belangrijke actoren is dat zij verheldering en uiteindelijk procesversnelling opleveren.
Voorbeelden van mogelijke vragen voor de werksessies zijn: - Hoe sluiten we een specifiek gebied of zoveel mogelijk gebouwen aan op het vooraf gekozen warmtealternatief? - Hoe zorgen we ervoor dat zoveel mogelijk stakeholders meedoen? - Zijn er gedeelde belangen of doelstellingen? - Hoe ziet de gewenste samenwerking eruit en welke rol en verantwoordelijkheden horen daarbij? - Welke samenwerkingsvorm spreken we met elkaar af? - Op welke manier leggen we afspraken vast en wat zijn de voorwaarden? - Hoe stemmen we de gezamenlijke communicatie af? De inzichten en ervaringen die we in de sessies opdoen, worden direct meegenomen in de planontwikkeling en haalbaarheidsstudies. Andere doelen van de werksessies zijn: - ophalen van nauwkeurige en aanvullende (data)gegevens voor de modellen, die de basis vormen van de warmtestrategiebepaling in een gebied; - inzicht verkrijgen in de actoren, waardoor een passend communicatieplan opgesteld kan worden; - input verkrijgen voor de nog op te stellen uitvoeringsplannen en –planning; - transparantie creëren richting en tussen alle actoren.
40
5.1.10 Ambtelijke organisatie In het licht van de geplande werkzaamheden is er binnen de ambtelijke organisatie meer capaciteit nodig en moeten we aanvullende disciplines intern betrekken. Dat geldt zowel voor de werkzaamheden die voorafgaan aan de TVW 2.0 als de werkzaamheden die daarna uitgevoerd moeten worden. Na het vaststellen van de TVW 1.0 wordt daarom geanalyseerd of een multidisciplinair team geformeerd moet worden en welke organisatiestructuur daarbij gewenst is. Deze analyse geeft uitsluitsel of dit team op gemeentelijk niveau, op regionaal niveau of op beide niveaus moet worden ingericht. Het formeren van een multidisciplinair team is van belang in relatie tot de efficiëntie van de werkzaamheden en interne afstemming. Bovendien is daardoor beter inzichtelijk wie verantwoordelijk zijn voor bepaalde werkzaamheden en waar specifieke kennis aanwezig is. In dat kader is de opzet en inhoud van de TVW 1.0-documenten van alle Parkstad-gemeenten gestoeld op dezelfde methodiek. Daar waar sprake is van vergelijkbare acties om te komen tot de TVW 2.0, zal zoveel mogelijk worden samengewerkt. Dit geldt in ieder geval voor de pandanalyse en de opzet voor sessies met stakeholders en gemeenteraden, waarbij aandacht is voor de lokale situatie (‘couleur locale’).
Via Stadsregio Parkstad Limburg wordt op bestuurlijk (bestuurscommissie duurzaamheid) en ambtelijk (broedkamer PALET) niveau sinds 2013 samengewerkt om de energie- en warmtetransitie in deze regio vorm te geven. In deze samenwerking staat de afstemming en harmonisatie van beleid (waaronder PALET, de Regionale Energie Strategie (RES) Zuid-Limburg en de Transitievisie Warmte) centraal en het vertalen daarvan in uitvoeringsprogramma’s. Nadat de TVW 1.0 is vastgesteld wordt ook onderzocht welke vraagstukken van de warmtetransitie door de gemeenten samen worden opgepakt, welke op het niveau van individuele gemeenten, en wat de organisatorische consequenties hiervan zijn. 5.1.11 Inschatting benodigde middelen intern In het volgende overzicht is een opsomming geplaatst van de hierboven beschreven werkzaamheden om te komen tot de TVW 2.0. Daarnaast is een inschatting gemaakt van de interne ambtelijke uren die daarvoor nodig zijn. Als randvoorwaarde geldt dat er voldoende capaciteit en middelen beschikbaar moeten komen om tempo te kunnen maken nadat de warmtevisie door de gemeenteraad is vastgesteld. Paragraaf
Werkzaamheden
Inschatting uren intern
5.1.1.
Pand- en clusteranalyse (coördinatie/begeleiding)
40 uur
5.1.2.
Haalbaarheid warmtebronnen en warmtenetten (coördinatie/begeleiding)
80 uur
5.1.3.
Selectiecriteria en uitvoeringsplanning
64 uur
5.1.4.
Generieke aanpak/stappenplan uitvoeringsplan
64 uur
5.1.5.
De details van een isolatie- en verduurzamingsprogramma
80 uur
5.1.6.
Uitgangspunten communicatie en participatie
24 uur
5.1.6.
Mate van invloed en invloedsmogelijkheden
24 uur
5.1.6.
Organisatie van bewonersvertegenwoordiging
48 uur
5.1.6.
Communicatie- en participatieteam
48 uur
5.1.6.
Algemeen informatiepunt / algemene informatieverstrekking
80 uur
5.1.7.
Participatiebudget en ondersteuning bewonersinitiatieven
120 uur
5.1.8.
Regierol
64 uur
5.1.9.
Werksessies stakeholders
24 uur
5.1.10.
Multidisciplinaire teams
48 uur
5.1.10.
Rol en opzet Broedkamer PALET
48 uur 856 uur 41
5.2 Vanaf de vaststelling van de TVW 2.0: uitvoeringsplannen Het uitvoeringsplan is een concretisering van de TVW 2.0 en komt tot stand via intensief overleg en samenwerking met belangrijke stakeholders in een betreffend gebied. Het moet een plan zijn dat breed draagvlak geniet onder de betrokkenen. In het uitvoeringsplan moet exact worden beschreven hoe de transitie naar een gebied zonder aardgas gaat verlopen, wat er allemaal moet gebeuren, wie wat gaat doen en hoe e.e.a. gefinancierd gaat worden. Het uitvoeringsplan beschrijft ook op welk duurzaam warmtealternatief een gebied overgaat, per wanneer, en welke maatregelen nodig zijn om tot de gewenste situatie te komen. In het uitvoeringsplan staat een totaaloverzicht van de stappen die door diverse partijen gezet gaan worden om het gekozen alternatief voor aardgas voor een gebied in gemeente Heerlen te realiseren. Een uitvoeringsplan is een soort contract voor en met de bebouwde omgeving dat door de gemeenteraad getoetst en bekrachtigd wordt. Het planmatig isoleren van woningen en andere gebouwen kan een onderdeel zijn van een uitvoeringsplan. Door de Raad voor het Openbaar Bestuur (ROB) is op basis van de eerste tranche van Programma Aardgasvrije Wijken ingeschat dat de wijkaanpak een schaal krijgt van gemiddeld tussen de 650 en 950 woningen per wijk.
ROB stelt ook dat een wijkuitvoeringsplan gemiddeld 2 jaar kost om op te stellen en 6 á 7 jaar om uit te voeren. De gemeente Heerlen is voornemens direct na een herziene versie van de TVW van start te gaan met haar eerste wijkuitvoeringsplan. Op hoofdlijnen komen we in vier stappen tot een uitvoeringsplan: - Stap 1 - Wijkanalyse: de eerste stap bestaat uit een analyse van de bestuurlijke, financiële en technische kaders en de fysieke en sociale kenmerken van een gebied. Het vormt de onderbouwing voor een bestuurlijke opdracht om een uitvoeringsplan op te stellen voor een gebied. - Stap 2 - Projectplan: op basis van de wijkanalyse kan een specifiek projectplan worden opgesteld. In het projectplan leg je het proces vast om tot een uitvoeringsplan voor het betreffende gebied te komen. - Stap 3 - Uitvoeringsplan: vervolgens kun je het uitvoeringsplan opstellen. Het opstellen van een uitvoeringsplan vraagt om keuzes langs verschillende sporen: bestuurlijk, juridisch, ruimtelijk, communicatie, participatie, technisch en financieel. - Stap 4 - Vaststellen: de laatste stap is het vaststellen van het uitvoeringsplan als programma onder de Omgevingswet door het college van B en W en de gemeenteraad. In het onderstaande schema zijn de vier stappen van het Uitvoeringsplan beschreven en zien we dat het uitwerkingsniveau richting realisatie gedetailleerder en duidelijker wordt.
42
5.2.1 Mate van invloed en invloedsmogelijkheden In de periode na het vaststellen van de TVW 2.0 inventariseren we de invloedsmogelijkheden in het transitieproces en geven we de mate van invloed aan op basis van de participatieladder. De TVW 2.0 geeft antwoord op de vraag of bewoners en stakeholders meer invloedsmogelijkheden en invloed krijgen, als zij relatief gezien meer interesse in de warmtetransitie hebben en actiebereidheid tonen. Op het moment dat deze vraag bevestigend beantwoord wordt, heeft dit een positief effect op de mate van invloed die bewoners en stakeholders krijgen. 5.2.2 Communicatie- en participatieteam In de aanloop naar de TVW 2.0 wordt de oprichting van een communicatie- en participatieteam verkend. De uitkomst hiervan wordt in de TVW 2.0 beschreven en daarmee aan de gemeenteraad voorgelegd. Zodra het communicatie- en participatieteam operationeel is, bestaan de eerste taken uit het verder inrichten van het communicatie- en participatieproces. De werkzaamheden bestaan onder meer uit: • bepalen van de strategie ten aanzien van het taalgebruik en het verhaal; • bepalen hoe we dit naar buiten brengen (incl.
communicatiemiddelen); • bepalen wanneer we informatie naar buiten brengen; • bepalen waar we informatie naar buiten brengen; • ondersteuning bieden bij het ophalen van interne en externe informatie; • inrichten van de gethematiseerde werksessies met stakeholders; • input aanleveren voor het projectplan voor de disciplines communicatie en participatie; • input aanleveren voor de Uitvoeringsplannen voor de disciplines communicatie en participatie. 5.2.3 Werksessies stakeholders Met het uitbrengen van de TVW 2.0 wordt duidelijk of en hoe de gemeente Heerlen werksessies gaat organiseren met belangrijke stakeholders. De werksessies beogen het proces te ondersteunen om tot het Uitvoeringsplan van een gebied te komen. De sessies kunnen bijvoorbeeld voorbereid en uitgewerkt worden door het op te richten communicatie- en participatieteam i.s.m. de projectleider of coördinator warmtetransitie van de gemeente Heerlen. Het maken van een stakeholderanalyse is één van de eerste voorbereidingsstappen van deze beoogde werksessies. Dit wordt gedaan om een volledig beeld te krijgen van de belanghebbende partijen en eventuele experts die over bruikbare kennis beschikken. Nadat de (belangrijke) stakeholders in een specifiek gebied bekend zijn, worden zij genodigd. Uiteenlopende thema’s, die op dat moment relevant of belangrijk zijn, kunnen worden besproken.
5.2.4 Zichtbaarheid en herkenning De zichtbaarheid en herkenning van de warmtetransitie zijn een belangrijk onderdeel van de opgave. In de proeftuinen ‘Aardgasvrije wijken’ wordt volop geëxperimenteerd met verschillende methoden. Zo kunnen we ongerustheid van bewoners wegnemen door bijvoorbeeld inloopwoningen in te richten. In samenwerking en afstemming met woningcorporaties zien en ervaren bewoners dan wat het aardgasvrij maken van een woning betekent. De beschikbaarheid van leegstaande woningen over een bepaalde periode, de financiële consequenties en de bereidheid van de woningcorporaties speelt hierbij een rol. Ook is het van belang dat bewoners en geïnteresseerden met hun vragen over de warmtetransitie, energiebesparing en verduurzaming terecht kunnen bij informatiepunten op een centrale plek. Zichtbaarheid en aantrekkingskracht van de informatiepunten zijn belangrijk. Bij voorkeur worden de informatiepunten voorzien bij of in locaties als gemeentehuizen, scholen, winkelcentra, buurthuizen of sportverenigingen, omdat hier een natuurlijke toestroom van bewoners is. Voor de concrete invulling van dit onderdeel zoeken wij de samenwerking met de WoonWijzerWinkel Limburg, aangezien zij hier veel kennis en ervaring mee hebben opgebouwd.
43
In de plangebieden waar we willen beginnen, kunnen we op strategische plekken banners en borden ophangen met informatie over de warmtetransitie. Zo kunnen mensen zien en ervaren dat er iets staat te gebeuren. Ze worden geïnformeerd en geïnspireerd om zelf te participeren als zij dit willen. Ook moeten we goed nadenken over extra contactmomenten met en in het plangebied. We kunnen bijvoorbeeld warmtetransitie-medewerkers fysiek en herkenbaar uitnodigingen laten bezorgen in het plangebied. De gemeente Heerlen zou ook personeel met kennis van de warmtetransitie aanwezig kunnen laten zijn bij evenementen en bijeenkomsten. De veronderstelling is dat deze fysieke aanwezigheid in het plangebied positief zal uitpakken. Na het vaststellen van de TVW 2.0 wordt onderzocht welke methoden de gemeente Heerlen gaat toepassen en met welke intensiteit. De keuzes zullen enerzijds afhangen van de effectiviteit van de methoden en anderzijds van de interne en externe capaciteit en middelen. 5.2.5 Beschikbaarheid middelen uitvoering In 2020 heeft de Raad voor het Openbaar Bestuur (ROB) een onderzoek verricht naar de uitvoeringslasten van het Klimaatakkoord bij decentrale overheden voor de periode 2022-2030. In het onderzoek is gekeken naar de hoogte van de uitvoeringslasten, de verdeling van het budget tussen gemeenten en de organisatie van de uitvoering.
In het rapport worden vooralsnog géén uitspraken gedaan over de daadwerkelijke toekenning van middelen. Na de coalitieonderhandelingen van een nieuw kabinet in 2021 wordt bekend of - en zo ja hoeveel middelen de gemeenten ontvangen voor deze taken. Deze middelen zullen op zijn vroegst in 2022 ingezet kunnen worden. Op basis van het onderzoek door ROB worden in totaal 28 nieuwe of (sterk) geïntensiveerde taken voor gemeenten onderscheiden. In 2024 (het meest ‘doorsnee’ jaar in de periode) hebben gemeenten gemiddeld 14 tot 17 extra fte nodig. Dat is een gewogen gemiddelde van 86 – 100 fte extra voor G4-gemeenten, 39 – 43 extra voor de G40, 17 – 19 extra voor middelgrote gemeenten en 8 – 9 extra voor kleine gemeenten. Daarnaast zijn er substantiële materiele kosten, vooral voor technisch onderzoek. Het is duidelijk dat de gemeente Heerlen extra middelen en capaciteit nodig heeft om de plannen voor de warmtetransitie uit te kunnen voeren. Als op termijn onvoldoende middelen beschikbaar zijn, kan dit ertoe leiden dat de afspraken in het Klimaatakkoord niet in zijn geheel of niet in het gevraagde tempo uitgevoerd kunnen worden. Dit kan bijvoorbeeld resulteren in het niet of niet direct realiseren van de benodigde en gewenste organisatiestructuur.
Maar in feite hangen alle intenties, doelstellingen, werkwijzen en benodigde organisatorische wijzigingen zoals beschreven in deze Transitievisie Warmte hiervan af. 5.3 Betrokkenheid van de gemeenteraad In het onderstaande overzicht is aangegeven wanneer de gemeenteraad betrokken wordt bij het besluitvormingsproces. In de linkerkolom worden de documenten en onderdelen weergegeven, waarover besluitvorming nodig is. De besluitvorming staat in de volgorde van het proces. Documenten/onderdelen warmtetransitie
Besluitvorming
Vaststellen Transitievisie Warmte
College van B&W en gemeenteraad
Updaten en vaststellen Transitievisie Warmte (minimaal iedere 5 jaar)
College van B&W en gemeenteraad
Vaststellen projectplan
College van B&W en gemeenteraad
Vaststellen uitvoeringsplan(nen)
College van B&W en gemeenteraad
Vaststellen omgevingsplan
Gemeenteraad
Aanbesteding uitvoerende partijen
College van B&W
Uitvoeringscontracten
College van B&W 44
De gemeenteraad is betrokken bij het vaststellen van de Transitievisies Warmte. De eerste versie van de Transitievisie Warmte wordt aan de gemeenteraad voorgelegd ter besluitvorming, waarna versie 2.0 in de loop van 2022 volgt. Vervolgens wordt tenminste iedere 5 jaar een update opgeleverd. Politiek-bestuurlijk draagvlak voor de plannen moet breed ingezet worden. Om deze reden is besloten om het projectplan en de Uitvoeringsplannen door het college van B en W én de gemeenteraad te laten vaststellen. Naast besluitvorming over documenten en onderdelen wordt de gemeenteraad in raadsconferenties en/of via een thematische klankbordgroep om inhoudelijke input gevraagd. De opvattingen en standpunten van de gemeenteraad worden als zeer waardevol beschouwd, omdat zij in deze fase van de transitie een afspiegeling vormen van de maatschappelijke opinie. Momenteel zijn de volgende onderwerpen en bespreekpunten in beeld: -
afstemming van selectiecriteria en hun onderlinge weging; een isolatie- en verduurzamingsprogramma voor woningen en gemeentelijk vastgoed; afstemmen van de uitgangspunten voor communicatie en participatie; het effect van interesse en actieve betrokkenheid op de mate van invloed en de invloedsmogelijkheden van bewoners en stakeholders; de organisatie van bewonersvertegenwoordiging; oprichting van een communicatie- en participatieteam door de gemeenten van de regio Parkstad; de regierol van de gemeente tijdens de warmtetransitie en de gevolgen hiervan voor de organisatiestructuur, externe samenwerking, communicatie en benodigde competenties; de organisatie van (gethematiseerde) werksessies met bewoners en belangrijke stakeholders; benodigde middelen voor het opstellen van de TVW 2.0 en de realisatie van uitvoeringsprogramma’s.
45
46
47
BIJLAGE I: MoVe2030
48
49
50
51
52
53
54
55
Huurder
| Burger
1. Koplopers
8%
2. Vroege volgers
39%
3. Voorlopers
26%
12%
4. Achterlopers
Actiebereidheid
Gemeentelijke data
Alle
5. Achterblijvers
15%
0%
10%
20%
30%
4%
l bi d
2. Vroege volgers
Uitgevoerd door onderzoeksbureau DirectResearch. Alle rechten voorbehouden.i De e is al biedt geen onderste ning oor e porteren
1. Koplopers
d
3. Voorlopers
25%
i
25%
Alle
| Buurt
Alle
25%
4. Achterlopers
5. Achterblijvers
0%
10%
20%
30%
40%
21%
Actiebereidheid
Gemeentelijke data
40%
Eigenaar
| Type woning
50%
Alle
| Burger
50%
Figuur A: Actiebereidheid van de buurt (huurders links en eigenaren rechts)
Alle
Werving
Alle
Alle
Alle
| Leeftijd
| Geslacht
| Type woning
Werving | Provincie | Provincie | Buurt Uitkomsten huurders in vergelijking met eigenaren in Heerlen
Alle
Alle
| Leeftijd
| Geslacht
Actiebereidheid van de buurt voor warme transitie
56
36%
19%
17%
7. Warmtenet
Uitgevoerd door onderzoeksbureau DirectResearch. Alle rechten voorbehouden. D i
9. Geen
8. Ik heb al genoeg gedaan
Figuur B: Opinie maatregelen warmtetransitie (huurders links en eigenaren rechts)
9. Geen
8. Ik heb al genoeg gedaan
4. Elektrisch koken
3. Groene stroom
2. Woning isoleren
1. Energie besparen
6. Warmtepomp
7. Warmtenet 7%
Eigenaar
| Eigenaar
45%
49%
d
t
61% 47%
33%
l bi dt
11%
7%
13%
i
16%
95%
Opinie maatregelen
Gemeentelijke data
Werving
Toekomstige maatregelen
Alle
6. Warmtepomp
16%
Huidige maatregelen
Alle
| Provincie
Alle
| Leeftijd
5. Zonnepanelen
27%
15%
13%
| Geslacht
5. Zonnepanelen
4. Elektrisch koken
3. Groene stroom
2. Woning isoleren
94%
Opinie maatregelen
Toekomstige maatregelen
1. Energie besparen
Alle
Alle
| Buurt
Huurder
| Type woning
Gemeentelijke data
| Eigenaar
Werving
Huidige maatregelen
Alle
| Leeftijd
Alle
| Provincie
Alle
| Geslacht
8%
Alle
t
| Buurt
Alle
| Type woning
10%
57
20%
15%
21%
50%
24%
21%
35%
40%
46%
30%
39%
24%
Opinie alternatieven
14%
14%
19%
12%
12%
7% 8%
7%
7% 9%
9%
17%
Alle
| Buurt
Alle
Huurder
Gemeentelijke data
Werving
| Type woning
| Eigenaar
Eigenaar
12%
Alle
| Buurt
Alle
13%
(Leeg)
32%
48%
31%
46%
9%
8%
18%
9%
18%
25%
22% 21%
16%
Uitgevoerd door onderzoeksbureau DirectResearch. Alle rechten voorbehouden.
6. WKO
5. Warmtepomp
4. Warmtenet
3. Biogas
2. NOM-woning
58%
25%
43%
39%
24%
30%
37%
21%
16%
13%
15%
15%
27% 13%
15%
15%
(Leeg)
24%
42%
30%
35%
78%
Opinie alternatieven
Gemeentelijke data
Werving
| Type woning
74%
14%
Alle
| Eigenaar
Top 2 1. Elektrisch koken
Alle
| Provincie
Alle
| Leeftijd
Top 2
| Geslacht
Figuur C: Opinie alternatieven voor aardgasvrij (huurders links en eigenaren rechts)
18%
6. WKO
24%
26%
17%
10%
5. Warmtepomp
4. Warmtenet
3. Biogas
2. NOM-woning
1. Elektrisch koken
Alle
| Provincie
Alle
Alle
| Leeftijd
| Geslacht
58
BIJLAGE II: Stakeholdersessies deelnameoverzicht In het onderstaande overzicht zijn de stakeholders genoteerd, die een bijdrage hebben geleverd aan deze Transitievisie Warmte. Het gaat hier bijvoorbeeld om gevoerde gesprekken en (digitale) sessies met deze partijen om data op te halen in het kader van de Leidraad, om criteria te benoemen waarmee kansrijke plangebieden worden bepaald en om geplande nieuwbouw-, renovatie- en infrastructurele werkzaamheden te overleggen. Bona Ciklo BTM Parkstad Limburg Coöperatie Heerlen Duurzaam Energie Coöperatie Heerlen Centrum Enexis Netbeheer Enpuls Heerlen Mijn Stad Lijnspel Mijnwater Energy Vincio Wonen Waterleiding Maatschappij Limburg Weller Wonen Limburg Wonen Zuid Woonpunt
59
60
BIJLAGE III: Buurtnamen gemeente Heerlen
61
62
BIJLAGE IV: Korte omschrijving van codes, strategieën en varianten in de Startanalyse Strategiecode
Omschrijving strategie
Variantcode
Label
Omschrijving variant
S1
Individuele elektrische warmtepomp
S1a S1b
B+ B+
Luchtwarmtepomp Bodemwarmtepomp
S2
S2a Warmtenet met midden- tot hoge- S2b S2c temperatuurbron S2d S2e S2f
B+ B+ B+ D+ D+ D+
MT-restwarmte MT-geothermie MT-geothermie overal* Mt-restwarmte MT-geothermie MT-geothermie overal*
S3
Warmtenet met lagetemperatuurbron
S3a S3b S3c S3d S3e S3f S3g S3h
B+ B+ B+ B+ B+ D+ D+ D+
LT-warmtebron, levering 30°C LT-warmtebron, levering 70°C WKO, levering 70°C hele buurt* WKO, levering 50°C TEO + WKO, levering 70°C LT-warmtebron, levering 70°C WKO, levering 70°C hele buurt* TEO + WKO, levering 70°C
S4
Groen gas
S4a S4b S4c S4d
B+ B+ D+ D+
Hybride warmtepomp hr-ketel Hybride warmtepomp hr-ketel
S5
Waterstof
S5a S5b S5c S5d
B+ B+ D+ D+
Hybride warmtepomp hr-ketel Hybride warmtepomp hr-ketel
* De varianten (S2c en S2f) en (S3c en S3g) zijn doorgerekend om voor iedere buurt inzicht te geven in de verschillende kostenposten van warmtenetten. Daartoe is verondersteld dat geothermie respectievelijk WKO in iedere buurt mogelijk is. Omdat dit in werkelijkheid niet zo hoeft te zijn, doen deze varianten niet mee in de selectie van varianten met de laagste nationale kosten voor strategie S2 respectievelijk S3.
63