CConstaterende datHeerlen
Koppel je AI →
Document · PDF

Transitievisie Warmte (TVW) 1.0 gemeente Heerlen gecompr..pdf

Informatiebijeenkomst 13 juli 2022, gemeente Heerlen16.792 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 2

Transitievisie Warmte

Transitievisie Warmte

1.0 HEERLEN versie 07.12.2021

1

2

Inhoudsopgave Voorwoord

5

Samenvatting

7

Hoofdstuk 1. Inleiding 1.1 De Energietransitie in Parkstad 1.2 De Transitievisie Warmte 1.3 Transitievisie Warmte Heerlen 1.0 1.4 Een opmaat naar Transitievisie Warmte Heerlen 2.0 1.5 Hoe is deze Transitievisie Warmte tot stand gekomen? 1.6 Leeswijzer

9 9 10 10 11 12 12

Hoofdstuk 2. Onze uitgangspunten voor de warmtetransitie 2.1 We doen het samen 2.2 We zetten in op energie besparen: ‘aardgasvrij-voorbereid’ 2.3 Betaalbaar, duurzaam en betrouwbaar 2.3.1 Betaalbaar 2.3.2 Duurzaam 2.3.3 Betrouwbaar en realistisch 2.4 Koppelkansen

13 13 13 13 13 14 14 15

Hoofdstuk 3. De opgave 3.1 Energiegebruik gemeente Heerlen 3.2 Woningen 3.3 Energielabel woningen 3.4 Verwachte warmtevraag 2030 3.5 Warmtebronnen 3.6 Beschikbaarheid warmtebronnen 3.7 Warmtenetten

17 17 19 21 22 23 23 27

Hoofdstuk 4. De transitie naar aardgasvrij 4.1 De Startanalyse en lokale data 4.1.1 Strategie 1: individuele warmtetechnieken 4.1.2 Strategie 2 & 3: collectieve warmtetechnieken 4.1.3 Strategie 4 & 5: hernieuwbaar gas 4.2 Resultaten Startanalyse voor Heerlen 4.3 Selectiecriteria voor kansrijke buurt(en) in Heerlen 4.4 Kansrijke buurt(en) in Heerlen tot 2030

31 31 31 32 32 33 34 35

3

Inhoudsopgave Hoofdstuk 5. Van visie naar uitvoering 5.1 Van de TVW 1.0 naar een TVW 2.0 5.1.1 Pand- en clusteranalyse 5.1.2 Haalbaarheid warmtebronnen en warmtenetten onderzoeken 5.1.3 Selectiecriteria en uitvoeringsplanning 5.1.4 Stappenplan uitvoeringsplan 5.1.5 Contouren schetsen voor een isolatie- en verduurzamingsprogramma 5.1.6 Communicatie en participatie 5.1.7 Participatiebudget en ondersteuning bewonersinitiatieven 5.1.8 Regierol 5.1.9 Werksessies stakeholders 5.1.10 Ambtelijke organisatie 5.1.11 Inschatting benodigde middelen intern 5.2 Vanaf de vaststelling van de TVW 2.0: uitvoeringsplannen 5.2.1 Mate van invloed en invloedsmogelijkheden 5.2.2 Communicatie- en participatieteam 5.2.3 Werksessies stakeholders 5.2.4 Zichtbaarheid en herkenning 5.2.5 Beschikbaarheid middelen uitvoering 5.3 Betrokkenheid van de gemeenteraad

37 37 37 37 37 38 38 39 39 40 40 41 41 42 43 43 43 43 44 44

BIJLAGE I: MoVe2030 BIJLAGE II: Stakeholdersessies deelnameoverzicht BIJLAGE III: Buurtnamen gemeente Heerlen BIJLAGE IV: Korte omschrijving van codes, strategieën en varianten in de Startanalyse

47 59 61 63

4

Voorwoord Aan de vooravond van de grootste transitieopgave na het sluiten van de mijnen presenteert de gemeente Heerlen deze Transitievisie Warmte 1.0. De Transitievisie Warmte is er voor de inwoners van Heerlen en alle stakeholders die direct of indirect bij de warmtetransitie betrokken zijn. In dit document beschrijven wij onze visie op het proces naar een aardgasvrije gebouwde omgeving in het jaar 2050. Duidelijk is dat het een hobbelig pad zal worden als enkel eigen belangen worden nagestreefd. Juist die wetenschap laat het belang zien dat we deze opgave gezamenlijk aan moeten pakken. En dat is mogelijk. Door open en transparant het gesprek te blijven voeren, over onze eigen belangen heen te stappen en elkaar te helpen op momenten dat het wringt. Deze Transitievisie Warmte 1.0 is een eerste invulling van dit open gesprek tussen belanghebbenden en inwoners. Hierbij coördineert en faciliteert de gemeente Heerlen het proces. Bijvoorbeeld op het gebied van bewonersparticipatie, samenwerking met elkaar of bij onderzoek naar de technischeconomische haalbaarheid van initiatieven. Samen kunnen we leren wat de beste weg naar aardgasvrij is in ons gezamenlijke belang: het beschermen van de huidige leefomgeving en dat van toekomstige generaties. Charles Claessens.

5

6

Samenvatting Gemeenten zijn volgens het Klimaatakkoord de regisseurs van de warmtetransitie voor de gebouwde omgeving. Daarom stelt elke gemeente een Transitievisie Warmte (TVW) vast. Zo’n TVW geeft richting aan de gewenste aanpak en bevat voorstellen om een stad aardgasvrij te verwarmen. Het TVW-document dat nu voor u ligt, geeft inzicht in deze opgave voor de gemeente Heerlen en laat zien wat er nodig is om tot een wijk-voor-wijkstappenplan te komen dat alle betrokken partijen houvast biedt. Hoofdstuk 1 gaat in op de noodzaak en oorsprong van de TVW. Ook wordt duidelijk gemaakt hoe de TVW past binnen de ontwikkelingen in de Stadsregio Parkstad Limburg. Een belangrijke pijler van de transitievisies binnen Parkstad, en dus ook van de TWV van de gemeente Heerlen, is dat de TVW uit twee parallelle sporen zal bestaan. Het eerste spoor betreft het ‘aardgasvrij-voorbereid’ maken van gebouwen. Het tweede spoor betreft een gebiedsgerichte aanpak om wijken, gebieden of andere clusters van gebouwen van een alternatief voor aardgas te voorzien. Deze zogenaamde ‘TVW 1.0’ verschaft een eerste beeld van de technieken waarmee de gemeente Heerlen in potentie aardgasvrij gemaakt zou kunnen worden. Vanwege een gebrek aan inzicht over kenmerken van plangebieden, beschikbaarheid van warmtebronnen en kosten zal geen uitspraak worden gedaan over een voorkeursvolgorde van plangebieden.

Hiervoor is een extra verdiepingsslag nodig. Die maakt de gemeente Heerlen in de ‘TWV 2.0’ die in 2022 opgeleverd wordt. Hoofdstuk 2 gaat over de uitgangspunten voor de warmtetransitie, waarbij de betaalbaarheid, duurzaamheid, en betrouwbaarheid van alternatieven leidend zullen zijn. Ook zal in het bijzonder aandacht worden besteed aan technische en sociale koppelkansen, waarmee we kosten en overlast kunnen beperken. Desalniettemin wordt de warmtetransitie een omvangrijk proces. In Hoofdstuk 3 staat de opgave gedetailleerd beschreven. Zo heeft 28% van de 45.982 woningen in de gemeente Heerlen een energielabel van E of lager. Dat betekent dat een aanzienlijk aantal woningen beter geïsoleerd moet worden om minimaal energielabel D te halen. Ook wordt naar schatting op dit moment slechts 3,4% hernieuwbare warmte opgewekt. Naast duurzame elektriciteit en groen gas kunnen ook andere warmtebronnen uitkomst bieden1. Alternatieven op basis van duurzame elektriciteit lijken in eerste instantie het meest geschikt. Alternatieven op basis van groen gas het minst. Hoewel in Heerlen vijf mogelijke restwarmtebronnen zijn geïdentificeerd, zouden in potentie andere bronnen binnen en buiten de regio Parkstad aangeboord kunnen worden. Hoofdstuk 4 schetst, op basis van een eerste inventarisatie van diverse warmtebronnen, vijf mogelijke strategieën om aardgasvrij te verwarmen.

Deze vijf strategieën kunnen worden onderverdeeld op basis van (a) individuele technieken (elektrische combiwarmtepomp in combinatie met een buffervat en lagetemperatuurradiatoren), (b) collectieve technieken (lagetemperatuur, middentemperatuur en hogetemperatuur warmtenetten) en (c) hernieuwbaar gas (groen gas en waterstof). Op basis van de beschikbaarheid en temperatuur van restwarmtebronnen en de beschikbaarheid van groen gas zijn vervolgens drie mogelijke scenario’s voor de warmtetransitie van Heerlen in beeld gebracht. Ieder scenario vraagt om een eigen isolatiestrategie en bijbehorende alternatieven voor aardgas. Tot slot wordt in hoofdstuk 4 een overzicht gepresenteerd van mogelijke selectiecriteria, op basis waarvan de kansrijkheid van de wijken of clusters van gebouwen bepaald kan worden. De resultaten daarvan kunnen vervolgens gebruikt worden om een voorkeursvolgorde te bepalen. De criteria hebben bijvoorbeeld betrekking op het draagvlak onder bewoners, kenmerken van de gebouwde omgeving, koppelkansen en inzichten van stakeholders.

1 Groen gas is de duurzame variant van aardgas en wordt gemaakt door biogas (uit de vergisting van mest of andere afvalproducten) op te waarderen tot het dezelfde kwaliteit heeft als aardgas.

7

Hoofdstuk 5 beschrijft hoe de gemeente Heerlen van een transitievisie tot uitvoering kan komen. Concrete stappen en de benodigde middelen om tot een TVW 2.0 te komen staan gedetailleerd beschreven. De gemeente Heerlen moet zich buigen over toewijzing van de benodigde capaciteit en middelen, de selectiecriteria van plangebieden en het vormgeven van een ‘no regret’ isolatiestrategie. Tot slot staan in hoofdstuk 5 de beoogde stappen van uitvoeringsplannen na TVW 2.0 en de gewenste betrokkenheid van de gemeenteraad beschreven.

8

Hoofdstuk 1. Inleiding Het klimaat verandert en de aarde warmt op. De gemiddelde temperatuur is in de afgelopen 130 jaar met ongeveer 0,8° Celsius gestegen. In het meest recente Intergovernmental Panel on Climate Change (IPCC) rapport2 wordt de menselijke beïnvloeding van het klimaatsysteem als een vaststaand feit bevestigd. Ook stelt het IPCC-rapport dat de komende 10 jaar de gemiddelde temperatuur zeer waarschijnlijk met meer dan 1,5° Celsius zal stijgen ten opzichte van het begin van de industriële revolutie. In december 2015 is in het Klimaatakkoord van Parijs afgesproken om de opwarming van de aarde tot 2° Celsius te beperken, en zo mogelijk tot 1,5°Celsius. Dit wordt gezien als een uiterste grens. Daarboven kunnen de effecten van klimaatverandering zeer bedreigend zijn. Om klimaatverandering het hoofd te bieden, is op 28 juni 2021 de Europese Klimaatwet aangenomen. Hierin zijn de Europese klimaatdoelstellingen voor 2030 en 2050 vastgelegd: de Europese Unie moet in 2030 55% minder broeikasgassen uitstoten dan in 1990. In 2050 moet de broeikasgasemissie tot nul zijn teruggebracht. Ook op nationaal niveau is besloten om invulling te geven aan de internationale klimaatdoelen. Zodoende legde Nederland in 2019 de afspraken van het Klimaatakkoord van Parijs vast in de Klimaatwet.

Hierin staat dat de uitstoot van broeikasgassen in 2030 met 49% verminderd moet zijn ten opzichte van 1990, en in 2050 met 95%. Om deze doelstelling te realiseren, hebben de overheid, bedrijven en maatschappelijke organisaties in het Nationale Klimaatakkoord inhoudelijke maatregelen afgesproken. Het Nationale Klimaatakkoord bestaat uit verschillende ‘klimaattafels’: industrie, gebouwde omgeving, elektriciteit, mobiliteit en landbouw en landgebruik. Voor de klimaattafel ‘gebouwde omgeving’ is afgesproken om tot 2050 ruim 7 miljoen huizen en 1 miljoen gebouwen op een duurzame manier te verwarmen. Fossiel gasgebruik ter verwarming van gebouwen heeft namelijk een wezenlijk aandeel in klimaatverandering. Bovendien lopen de energiekosten op omdat bestaande energiebronnen schaarser worden. Gasprijzen stijgen waardoor onze energierekening steeds hoger wordt en energiearmoede toeneemt3. Niets doen is dan ook geen optie. Gemeenten voeren hierin de regie. Hoe een gemeente duurzaam verwarmen gaat oppakken en in welke wijken ze wanneer aan de slag gaat, beschrijft elke gemeente in een eigen Transitievisie Warmte (TWV). Met deze Transitievisie Warmte 1.0 geven we richting aan de transitie naar een aardgasvrije gebouwde omgeving in de gemeente Heerlen.

Als gemeenteraad stellen we in deze visie de belangrijkste uitgangspunten vast en leggen zo de basis voor de verdere uitwerking naar de Transitievisie Warmte 2.0 en de wijkuitvoeringsplannen. 1.1 De Energietransitie in Parkstad De gemeente Heerlen wil een voortrekkersrol innemen op het gebied van duurzaamheid. In 2004 zijn we in Heerlen al begonnen met de overgang naar een duurzamere energievoorziening middels het Klimaatbeleidsplan Heerlen ‘Van Oude naar Nieuwe Energie’. In 2015 hebben de gemeenteraden van Brunssum, Heerlen, Kerkrade, Landgraaf, Nuth, Onderbanken, Simpelveld en Voerendaal het eerste energietransitiebeleid Parkstad Limburg EnergieTransitie (PALET) unaniem vastgesteld. Met PALET heeft Parkstad de ambitie uitgesproken om via energiebesparing en duurzame energieopwekking in 2040 energieneutraal te zijn. Deze ambitie is vertaald naar een regionaal uitvoeringsprogramma. De Parkstadgemeenten werken hierin samen. Om de energietransitie in heel Nederland vorm te geven, zijn afspraken gemaakt tussen rijksoverheid, gemeenten, provincies en waterschappen. Hiervoor is Nederland onderverdeeld in 30 regio’s. Elke regio stelt een Regionale Energie Strategie (RES) op. De RES is met name gericht op het grootschalig opwekken van hernieuwbare elektriciteit op land (wind- en zonne-energie).

2 De omvang van de klimaatverandering en de urgentie om te handelen worden bevestigd door het meest recente rapport van het IPCC, ‘Climate Change 2021. The Physical Science Basis’, uit 2021. Het IPCC is het klimaatpanel van de VN en doet zelf geen onderzoek maar analyseert recente wetenschappelijke onderzoeken. 3 Zie ook: Polen, S. van (2020), Ontwikkelingen in de energierekening tot en met 2030. Achtergrondrapport bij de Klimaat- en Energieverkenning 2020, Den Haag: PBL

9

Daarnaast worden als onderdeel van de RES in een Regionale Structuur Warmte (RSW) ook de regionale warmtevraag en het warmteaanbod in beeld gebracht en wordt een inzicht gegeven in de bovengemeentelijke warmte-infrastructuur. De Parkstadgemeenten maken onderdeel uit van de RES Zuid-Limburg. De RES 1.0 van Zuid-Limburg is te vinden via https://www.reszuidlimburg.nl/. De overgang naar aardgasvrije gebouwen is een enorme opgave binnen de hele energietransitie. Zo verbruiken de woningen in Heerlen vier keer meer aardgas dan elektriciteit. Aardgasgebruik in woningen vormt dan ook het overgrote deel van de energievraag in onze gebouwde omgeving. Hier moet een duurzame oplossing voor komen. De TVW versie 1.0 en verdere versies gaan hier invulling aan geven. 1.2 De Transitievisie Warmte Naast het opstellen van de Regionale Energie Strategie met als onderdeel daarvan de Regionale Structuur Warmte, hebben alle Nederlandse gemeenten van de rijksoverheid de opdracht gekregen om een Transitievisie Warmte (TVW) te schrijven. In het Klimaatakkoord is afgesproken dat iedere gemeente in 2021 een eerste TVW heeft. Hierin beschrijven gemeenten hoe zij samen met stakeholders de warmtevraag in de gebouwde omgeving op een aardgasvrije en duurzame manier gaan invullen en in welk tempo.

Voor de wijken waarvan de transitie vóór 2030 gepland is, maken de gemeenten ook de potentiële alternatieve warmtetechnieken bekend. De TVW moet minimaal om de vijf jaar worden herijkt, zodat nieuwe inzichten en ontwikkelingen kunnen worden meegenomen en doelen en keuzes tijdig kunnen worden bijgesteld. In het Klimaatakkoord is afgesproken de Transitievisie Warmte te borgen binnen de Omgevingswet. Met de Omgevingswet wil de overheid de regels voor ruimtelijke ontwikkeling vereenvoudigen en samenvoegen. De Omgevingswet geeft een gemeente hiervoor nieuwe instrumenten: de TVW moet landen in een ‘omgevingsvisie en/of een ‘omgevingsprogramma’4. Verder is er in strikt juridische zin geen wetgeving die eisen stelt aan de wijze waarop gemeenten deze plannen vaststellen en aan welke eisen deze plannen moeten voldoen.5 De TVW is daarom enkel een strategisch visiedocument dat een beeld schetst van de warmtetransitie. Het document heeft nog geen juridische status. Een gemeente mag de TVW wel vanuit haar wettelijke bevoegdheden als beleid vaststellen. 1.3 Transitievisie Warmte Heerlen 1.0 Deze TVW 1.0 verschaft een eerste beeld van hoe Heerlen in potentie aardgasvrij kan worden. De TVW versie 1.0 is gemaakt met behulp van de ‘Leidraad’: een hulpmiddel gemaakt door de rijksoverheid om de gemeenten in Nederland houvast te bieden bij het opstellen van de TVW.

De Leidraad bestaat uit twee onderdelen: de Startanalyse van het Planbureau voor de Leefomgeving (PBL) en de Handreiking voor lokale analyse van het Expertise Centrum Warmte (ECW). De Startanalyse is een technisch-economische analyse op basis van landelijke data, gemaakt in het model Vesta MAIS6. Deze analyse biedt op wijkniveau een eerste beeld van de technisch-economische en duurzaamheidsgevolgen van vijf CO2-neutrale warmtestrategieën. Denk hierbij aan de totale nationale kosten van de alternatieven voor aardgas, energievraag en CO2-reductie. Met behulp van de Handreiking voor lokale analyse kunnen gemeenten de Startanalyse verrijken met lokale data van (lokale) stakeholders. Op basis van de Startanalyse geeft deze TVW een eerste beeld van de technieken waarmee de gemeente in potentie aardgasvrij gemaakt kan worden, op het schaalniveau van een wijk op basis van de administratieve CBS-indeling van buurten/wijken. De Startanalyse gaat uit van gemiddelden en meest voorkomende situaties. Afwijkende gebouwtypes binnen een CBS-wijk, zoals een nieuwbouwcomplex in een wijk uit 1950, zijn slechts beperkt meegenomen in de afwegingen op wijkniveau. 4 De nieuwe Omgevingswet gaat naar verwachting in op 1 juli 2022.

Dan worden bijvoorbeeld de visie en plannen zoals wij die nu kennen in de wereld van de ruimtelijke ordening, vervangen: zo wordt de huidige Structuurvisie vervangen door een ‘Omgevingsvisie’ en het huidige ‘Bestemmingsplan’ door het ‘Omgevingsplan’ (zie https://www.rijksoverheid.nl/onderwerpen/omgevingswet). 5 https://www.aardgasvrijewijken.nl/themas/regieenorganisatie/transitievisie+warmte2/wat+is+een+transitievisie+warmte/besluitvorming+transitievisie+warmte/default.aspx 6 Meer informatie over dit model is te vinden op de website van het PBL: https://www.pbl.nl/modellen/vesta

10

In de Heerlense wijken is veel verscheidenheid in bijvoorbeeld gebouwtypes en bouwjaren. De Start­ analyse kijkt ook niet naar kenmerken van een gebied die wellicht de buurt- of wijkgrens overschrijden en verschaft geen inzicht in de bijbehorende kosten. Redenen voor ons om voor wijken op dit moment nog geen definitieve keuze te maken. Hiervoor is een extra verdiepingsslag nodig, waarbij we op een gedetailleerder niveau naar de gebouwen in de gemeente kijken. Op basis daarvan kunnen we vervolgens meer gefundeerde conclusies trekken over de vraag welke wijken, buurten of andere clusters van gebouwen in Heerlen we het beste als eerste aardgasvrij kunnen maken. Deze meer gedetailleerde, meer ‘natuurlijke’ dan administratieve analyse, is in het belang van onze inwoners en gebouweigenaren. 1.4 Een opmaat naar Transitievisie Warmte Heerlen 2.0 Een tweede belangrijke pijler van de TVW 1.0 is het verschaffen van inzicht in wat er nodig is om tot uitvoering te komen. De transitie richting aardgasvrij in 2050 kent twee parallelle sporen: - Een gemeentebrede aanpak: woningen en andere gebouwen worden voorbereid op een alternatief voor aardgas: het gaat hierbij vooral om isoleren. Dit noemen we het ‘aardgasvrij-voorbereid’ maken van gebouwen.

- Een gebiedsgerichte aanpak: het aardgasvrij maken van een wijk, buurt of andere clusters van gebouwen; dus inclusief het daadwerkelijk overschakelen op het alternatief voor aardgas zoals een warmtenet of een ‘all-electric’ oplossing. Schematisch ziet deze aanpak er als volgt uit:

Figuur 1: Schematische weergave aanpak warmtetransitie in Heerlen

De gemeentebrede aanpak en verdiepende analyse op pandniveau voor een gebiedsgerichte aanpak verwerken we in de 2.0-versie van de TVW. Mede op basis van dit laatste worden buurten, wijken of ‘gebieden7’ geselecteerd die kansrijk zijn om als eerste van het aardgas af te gaan. Deze noemen we vanaf nu ‘plangebieden’. Bij het maken van de TWV 2.0 werken we nauw samen met de andere Parkstadgemeenten. Eventuele warmtebronnen en warmtenetten houden immers niet op bij de gemeentegrens. Vanzelfsprekend betrekken we ook onze inwoners en andere partijen zoals woningcorporaties, warmtebedrijven en Enexis erbij. De TVW 2.0 wordt in de loop van 2022 voorgelegd aan de gemeenteraad.

7 Dat kan een wijk of buurt zijn waarmee aan de slag wordt gegaan, maar ook een deel, of delen van wijken/buurten die naast elkaar liggen en die gezien hun kenmerken als één gebied beschouwd kunnen worden. Waardoor het logisch is om met dat gebied als geheel aan de slag te gaan

11

De keuzes die we maken in de TVW 2.0 worden verder uitgewerkt in uitvoeringsplannen voor de plangebieden. Denk hierbij aan onderwerpen als de rol van de gemeente in de warmtetransitie, het op basis daarvan inrichten van de uitvoeringsorganisatie, kaders voor participatie en de op te stellen uitvoeringsplannen. Hierbij kijken we wederom samen met betrokken partijen als inwoners, de woningcorporaties en Enexis naar wat haalbaar en wenselijk is om gebouwen van het aardgas af te halen en welk alternatief de voorkeur heeft. Dit is maatwerk. 1.5 Hoe is deze Transitievisie Warmte tot stand gekomen? De gemeente Heerlen is samen met de Stadsregio Parkstad, de andere parkstadgemeenten en betrokken stakeholders (zoals woningcorporaties, netbeheerder Enexis en WML) aan de slag gegaan met het maken van de TVW. Onder leiding van een regionale warmtecoördinator onderzochten we de toekomstige warmtetechnieken voor Heerlen. We hebben aan de hand van de Startanalyse de verschillende alternatieven met elkaar vergeleken. De resultaten van deze analyse leest u in hoofdstuk 4.2. In samenwerking met (lokale) stakeholders bepaalden we de leidende uitgangspunten voor de warmtetransitie en formuleerden we mogelijke selectiecriteria om kansrijke wijken of clusters van gebouwen te bepalen. Deze criteria worden uitgebreider beschreven in hoofdstuk 4.3.

De gemeente, Enexis, WML en de woningcorporaties hebben relevante aanvullende informatie aangeleverd, bijvoorbeeld over (geplande) nieuwbouw of renovaties van het woningbestand en werkzaamheden aan de fysieke infrastructuur in de buurt. In een aantal (digitale) sessies hebben deze partijen, op basis van de alternatieve technieken en opgestelde selectiecriteria, meegedacht over mogelijke kansrijke plangebieden. Dit heeft, zoals uitgelegd in paragraaf 1.3, nog niet geleid tot het definitief aanwijzen van gebieden. We hebben bewoners in een online enquête gevraagd hoe zij tegen de warmtetransitie aankijken en in welke mate zij bereid zijn zelf actie te ondernemen. In totaal heeft 7,9% van de huishoudens van Heerlen (3,619 respondenten) deelgenomen aan dit onderzoek, grotendeels particuliere woningeigenaren. In bijlage I worden de uitkomsten van dit draagvlakonderzoek met MoVe2030 beschreven. In dit proces is de gemeenteraad op verschillende momenten meegenomen, onder meer door raadsinformatiebrieven en -avonden. 1.6 Leeswijzer De transitie naar een aardgasvrije omgeving gaat niet alleen om aanpassingen in de openbare ruimte, maar ook om aanpassingen ‘achter de voordeur’. De TVW is daarom in de eerste plaats gericht op de inwoners van Heerlen.

Dit visiedocument biedt echter ook belangrijke aanknopingspunten voor andere betrokken partijen, zoals woningcorporaties, netbeheerders en installatiebedrijven. De transitie naar een aardgasvrije samenleving vraagt namelijk ook iets van hen, zoals investeringen in het woningvastgoed of in de energie-infrastructuur. We trekken daarom vanaf het begin samen op. In bijlage II vindt u een overzicht van de partners die een belangrijke bijdrage hebben geleverd aan de totstandkoming van deze Transitievisie Warmte 1.0.

12

Hoofdstuk 2. Onze uitgangspunten voor de warmtetransitie Voor de transitie naar een aardgasvrije gebouwde omgeving zijn enkele belangrijke uitgangspunten geformuleerd. Met deze uitgangspunten als basis kiezen we in welke plangebieden we als eerste aan de slag gaan. De uitgangspunten zijn daarom een richtlijn voor het selecteren van de eerste wijken, buurten of andere clusters van gebouwen. Op basis van de uitgangspunten maken we ook criteria voor de uitvoering van de warmtetransitie in deze gebieden. 2.1 We doen het samen De overgang naar een duurzame aardgasvrije gemeente slaagt alleen als iedereen meedoet. Zeker omdat in onze wijken en buurten zoveel verschillende soorten gebouwen staan. Alleen door samen te werken, kunnen we een aanpak ontwikkelen die zo goed mogelijk aansluit bij een buurt en de gebouwen daarbinnen. Daarbij hebben we iedereen nodig: individuele woningeigenaren, huurders, woningcorporaties en andere verhuurders, maar ook organisaties, instellingen en bedrijven zoals energiecoöperaties en netbeheerder Enexis. Daarom worden al deze partijen betrokken bij de transitie. Niet alleen bij de uitvoering, maar ook bij het maken van de plannen. Nu bij de Transitievisie Warmte en straks bij de uitvoeringsplannen voor de wijken, buurten of clusters van gebouwen.

2.2 We zetten in op energie besparen: ‘aardgasvrij-voorbereid’ In het Klimaatakkoord is afgesproken dat in 2030 ongeveer 20% van alle woningen en gebouwen in Nederland aardgasvrij is. Onze ambitie ligt in lijn met die nationale doelstellingen. Maar we moeten meer de diepte in om de Heerlense doelstellingen nader te formuleren, zoals in hoofdstuk 1 aangegeven. Een goede basis is essentieel in de komende jaren om ook na 2030 met de warmtetransitie verder te kunnen. We richten ons daarom parallel en in de hele gemeente ook op energiebesparing. Goede isolatie en ventilatie zijn randvoorwaarden om onze gebouwde omgeving op een aardgasvrije en duurzame manier te verwarmen. Daarom kan het aardgasvrij maken van de gebouwde omgeving niet los worden gezien van het stimuleren en ondersteunen van gebouweigenaren bij het ‘aardgasvrijvoorbereid’ maken van hun gebouwen. Kortom: de gemeente zet in op het volledig aardgasvrij maken van wijken waar dit mogelijk is, rekening houdend met de uitgangspunten genoemd in dit hoofdstuk. Tegelijkertijd zetten we gemeentebreed zoveel mogelijk in op energiebesparing. De WoonWijzerWinkel Limburg draagt hieraan bij. Ook gaan we de mogelijkheden verkennen om ontzorgingsprojecten voor energiebesparing te ontwikkelen zoals we dat ook voor het Zonnepanelenproject Parkstad hebben gedaan.

2.3 Betaalbaar, duurzaam en betrouwbaar 2.3.1 Betaalbaar In het Klimaatakkoord staat: ‘de duurzame transformatie van de gebouwde omgeving slaagt alleen als iedereen mee kan doen. Daarvoor moet ze ook voor iedereen betaalbaar zijn’8. Kortom: iedereen moet mee kunnen doen aan deze energietransitie. Daarom vinden wij het belangrijk dat de woonlasten van de inwoners betaalbaar blijven. Hierbij kijken we naar zowel de nationale kosten als de eindgebruikerskosten. Nationale kosten zijn de totale kosten van alle maatregelen die nodig zijn om in een gebied over te stappen op een andere manier van verwarmen (denk aan de kosten voor productie en distributie). Eindgebruikerskosten zijn de kosten voor de inwoner zelf. Die bestaan uit onder meer de energierekening en de kosten die nodig zijn om over te schakelen op het alternatief voor aardgas (zoals de kosten voor isoleren of een andere warmte-installatie).

8 Rijksoverheid, 2019, Klimaatakkoord, onderdeel C1 Gebouwde Omgeving p. 15.

13

In de Startanalyse zijn alleen gemiddelde nationale kosten meegenomen. Het warmtealternatief dat volgens de Startanalyse het beste alternatief voor aardgas is, is gebaseerd op deze gemiddelde nationale kosten. Eindgebruikerskosten voor een specifieke individuele huurder of woningeigenaar zijn op dit moment nog niet inzichtelijk. Deze worden waar mogelijk al duidelijker in de nadere verdieping in de Transitievisie 2.0 en moeten volledig inzichtelijk worden in de wijkuitvoeringsplannen. Het Klimaatakkoord geeft woonlastenneutraliteit als uitgangspunt aan: het gelijk blijven van de maandelijkse lasten die een huishouden betaalt aan energie (gas, elektriciteit, warmte) en hypotheeklast of huur. Dat wil zeggen dat de verlaging van de energierekening van een huishouden minimaal gelijk moet zijn aan de maandelijkse financieringskosten of huurverhoging die de energiebesparende maatregelen met zich meebrengen. Door maatregelen als isolatie verbetert daarnaast vaak ook het wooncomfort en zal de waarde van een woning naar verwachting stijgen. Toch blijkt uit rapporten 9 van het Planbureau voor de Leefomgeving dat woonlastenneutraliteit onder het huidige voorgenomen beleid geen vanzelfsprekendheid is. Voor een bestaande woning vraagt elk alternatief een investering. En het is nog onduidelijk wie verantwoordelijk is voor welke kosten en wie er betaalt voor deze woonlastenneutraliteit.

Het is daarom nog niet mogelijk om aan te geven hoe en in hoeverre de ambitie van betaalbaarheid gerealiseerd kan worden. We zullen hiervoor alle mogelijkheden van subsidies en financiële en fiscale regelingen moeten onderzoeken en meenemen waar mogelijk. Dit is maatwerk, en moet per uitvoeringsplan uitgewerkt worden, vóórdat gestart wordt met de uitvoering. Waar we tegen de grenzen aanlopen van wat lokaal/regionaal geregeld kan worden, zal provinciaal of op landelijk niveau geregeld moeten worden. Wat in ieder geval zeker lijkt is dat de energiekosten van huishoudens zullen stijgen. Kijk bijvoorbeeld naar de grote prijsstijgingen van een kuub aardgas medio 2021 en de gevolgen daarvan voor huishoudens. 2.3.2 Duurzaam De gemeente Heerlen wil in 2040 energieneutraal zijn. We zetten daarom in op duurzame alternatieven voor aardgas. Hybride oplossingen, zoals een hybride warmtepomp in combinatie met een cv-ketel op aardgas, zien we als een tussenoplossing in de transitie. Deze dragen wel bij aan de reductie van CO2, maar niet aan het behalen van de uiteindelijke doelstelling, tenzij er in de toekomst overgeschakeld wordt op hernieuwbaar gas. Het uitgangspunt is in ieder geval om zo duurzaam mogelijke technieken toe te passen. 2.3.3 Betrouwbaar en realistisch Het alternatief voor aardgas moet betrouwbaar zijn. We gaan voor realistische oplossingen voor de lange termijn.

We kiezen voor bewezen technieken en een haalbare fasering. Zo zorgen we ervoor dat we stappen kunnen zetten en voorkomen we dat we inwoners, ondernemers en andere partijen overvragen. Er is helaas niet altijd een eenduidige oplossing voor het aardgasvrij maken van gebouwen. Daarom is het belangrijk om betrouwbare en duidelijke informatie aan bewoners te verstrekken en goede begeleiding te bieden. De gemeente communiceert open en transparant over wat er te gebeuren staat en welke keuzes zij maakt, wat bewoners zelf al kunnen doen en welke onzekerheden er nog zijn. Voor onafhankelijk advies over energiebesparing en verduurzaming kunnen Heerlenaren terecht bij de WoonWijzerWinkel Limburg.

9 Dignum, M. et al. (2021), Warmtetransitie in de praktijk. Leren van ervaringen bij het aardgasvrij maken van wijken, Den Haag: PBL; Schilder, F., & M. van der Staak (2020), Woonlastenneutraal koopwoningen verduurzamen: verkenning van de effecten van beleids- en financieringsinstrumenten, Den Haag: PBL.

14

2.4 Koppelkansen Werk met werk combineren vergroot de haalbaarheid van het aardgasvrij maken van buurten. Het kan voordelig zijn om het aardgasvrij maken van de gebouwde omgeving af te stemmen op eventuele andere grootschalige werkzaamheden in een buurt. Is de riolering of het gasnet aan vervanging of onderhoud toe? Combineer dat dan met bijvoorbeeld het aanleggen van voldoende robuuste warmte- en/of elektraleidingen. En als veranderingen in de openbare ruimte nodig zijn en de weg open ligt, denk bij de herinrichting dan direct aan kansen om groenvoorzieningen, biodiversiteit, beweging, milieu en het klimaat te stimuleren of verbeteren. Hetzelfde geldt voor geplande grootschalige nieuwbouw of renovatie. Daar kunnen de isolerende maatregelen genomen worden die voor het aardgasvrije warmtealternatief vereist zijn. Tegelijkertijd kan men, op gebouwniveau, rekening houden met de zojuist genoemde koppelkansen. Natuurinclusief (ver)bouwen door toepassing van ingemetselde nestkasten of een groen dak, ter bevordering van de biodiversiteit en de waterbuffercapaciteit, zijn daar voorbeelden van. Ook op een kleinere schaal zijn er kansen. De kwaliteit van met name oudere woningen kan gelijktijdig op meer fronten worden verbeterd door bijvoorbeeld meteen geluidwerende voorzieningen mee te nemen. Dat kan met kleine aanpassingen en weinig meerkosten.

De hier genoemde voorbeelden zijn natuurlijke momenten om het aardgasvrij maken van de gebouwde omgeving aan te koppelen. Door slim te koppelen, voorkom je extra kosten en onnodige overlast. De weg hoeft immers maar één keer open in plaats van twee keer. Maatregelen om een woning klaar te maken om van het aardgas af te gaan kunnen ook goed gecombineerd worden met verbouwingen of verhuizingen. Naast technische en bouwkundige koppelkansen is het ook belangrijk om oog te hebben voor sociale koppelkansen. Wat speelt er in een wijk/buurt op maatschappelijk gebied? Welke problematiek is er? Energie-armoede moet worden tegengegaan. Dit is maatwerk en wordt meegenomen bij het samen vormgeven van de wijkuitvoeringsplannen.

15

16

Hoofdstuk 3. De opgave Voor de gemeente Heerlen is een nulmeting uitgevoerd, waarbij het energiegebruik in het basisjaar 2017 in kaart is gebracht. Hiermee hanteren we hetzelfde basisjaar als de RES 1.0 Zuid-Limburg, waardoor deze twee documenten goed op elkaar aansluiten. Voor het bepalen van het energiegebruik hebben we gebruik gemaakt van de gegevens die zijn opgenomen in de landelijke Klimaatmonitor, waar mogelijk aangevuld met lokale informatie. 3.1 Energiegebruik gemeente Heerlen De nulmeting geeft een goed overzicht van het energiegebruik in Heerlen en laat zien in welke sector dit plaatsvindt. In 2017 bedroeg het totale energiegebruik in Heerlen 7.142 terajoule (TJ) en de totale CO2-uitstoot 545 kiloton (kton). In onderstaand taartdiagram is het totale energiegebruik in Heerlen verdeeld over de verschillende sectoren:

Figuur 2: Energiehuishouding gemeente Heerlen De sectoren binnen de gebouwde omgeving (woningen, publieke en commerciële dienstverlening) zijn met 3.760 TJ samen verantwoordelijk voor ongeveer 53% van de totale energievraag in Heerlen. Dat is iets lager dan gemiddeld in Parkstad (54%). In de sector woningen wordt naar verhouding de meeste energie verbruikt (32,7%). Ook de commerciële (11,6%) en publieke dienstverlening (8,4%) hebben een belangrijk aandeel in de energievraag in Heerlen. Wanneer we de energievraag voor woningen verder uitsplitsen, zien we dat maar liefst 81% van de totale energievraag bestaat uit energie voor het verwarmen van gebouwen en voor warm tapwater. Slechts 19% van de energievraag van huishoudens in Heerlen bestaat uit elektriciteit. Net als in de rest van Nederland, zijn de meeste woningen in Heerlen aangesloten op het aardgas. Daarmee staan we voor een grote opgave in de transitie naar aardgasvrije en duurzame manieren van verwarmen en koken. Hoe groot is het aandeel duurzame warmte in Heerlen? In figuur 3 wordt het aantal hernieuwbare warmte-oplossingen in Heerlen weergegeven voor de periode van 2016 tot 2020. In totaal zijn het 439 pelletkachels 10, 215 warmtepompen, 19 biomassaketels en 27 zonneboilers. Hiermee wordt ongeveer 3,4% hernieuwbare warmte opgewekt. Dat is een heel beperkt aandeel, dat in de toekomst nog zal groeien.

10 In 2021 heeft de gemeente Heerlen het Schone Lucht Akkoord ondertekend, waarin het belang van het voorkomen, dan wel beperken van de uitstoot van fijnstof onderstreept wordt om de gezondheid te verbeteren. Voorlichting geven en toezicht houden op de aanschaf van deugdelijke pelletkachels en een goed gebruik ervan zijn enkele actiepunten uit het akkoord.

17

Figuur 3: Hernieuwbare warmte-oplossingen in Heerlen o.b.v. ISDE aanvragen. In figuur 4 wordt de hoofdverwarmingsinstallatie van de woningen in Heerlen weergegeven. Duidelijk wordt dat 83,9% van de woningen een gasgestookte hoofdverwarmingsinstallatie hebben (rood) en dat 8% van de woningen blokverwarming heeft (blauw). In totaal zijn 3,7% van de woningen aangesloten op stadsverwarming (licht groen, paars en oranje samen). 2,6% van de woningen zijn aangesloten op stadsverwarming, waarbij geen aardgas gebruikt wordt (oranje). Tot slot hebben 1,2% van de woningen een all-electric hoofdverwarmingsinstallatie (bruin en donkerblauw samen). 0,6% van de woningen maakt daarbij geen gebruik van aardgas (donkerblauw).

18

Figuur 4: Hoofdverwarmingsinstallatie woningen in Heerlen11. 3.2 Woningen In totaal heeft Heerlen 45.982 woningen (2021) en 6.861 utiliteitsgebouwen (2019), verdeeld over 57 buurten (zie bijlage III voor een volledig overzicht). Het totaal aantal woningen is als volgt over de verschillende woningtypes verdeeld:

Figuur 5: Verdeling woningvoorraad Heerlen per woningtype

11 CBS, 2020, geraadpleegd via https://klimaatmonitor.databank.nl/.

19

Het energiegebruik varieert per woningtype. Dat komt onder andere omdat het warmteverliesoppervlak van flats en appartementen over het algemeen kleiner is dan dat van grondgebonden woningen. Daarnaast heeft ook de leeftijd van de woning invloed op het energiegebruik van de woning. De leeftijd van de woningen geeft namelijk een indicatie van de bouwkundige kwaliteit. Onderstaande figuur 6 geeft een overzicht van het bouwjaar van de woningen in Heerlen. Duidelijk zichtbaar is dat een groot deel van de woningen (50%) dateert uit de periode tussen 1955 en 1985, toen er bouwtechnisch minder goede woningen werden gebouwd. Veel van deze woningen zijn vanwege hun leeftijd aan renovatie toe, wat kansen biedt voor het treffen van energiemaatregelen.

Figuur 6: Verdeling woningvoorraad per bouwjaar12 Een groot deel van de woningvoorraad bestaat uit koopwoningen (46,9%). Verder is 36,5% van de woningen in bezit van een woningcorporatie (Vincio Wonen, Weller Wonen, Wonen Limburg, Wonen Zuid, Woonpunt en Woonzorg Nederland) en is 16,4% particuliere huur.

Figuur 7: Woningen naar eigendom13 12 CBS, 2017. 13 CBS, 2020, geraadpleegd via https://www.waarstaatjegemeente.nl/.

20

Figuur 8: Woningcorporatiebezit in Heerlen 3.3 Energielabel woningen Het energielabel laat de energieprestatie van een woning zien en geeft richting aan het bepalen van mogelijke energiebesparende maatregelen. De labelklassen voor woningen lopen van A++++ t/m G, oftewel van weinig tot geen besparingsmogelijkheden (label A++++) tot veel (label G). Bij de verkoop van een woning is het verplicht om een definitief energielabel te overleggen. Nog niet alle woningen in Nederland hebben een definitief energielabel. Op basis van de woningkenmerken is per woning wel een zogenaamd ‘voorlopig (indicatief) energielabel’ vastgesteld. De verdeling van deze indicatieve energielabels voor de gehele woningvoorraad in de gemeente Heerlen én Nederland is weergegeven in figuur 914.

Figuur 9: Verdeling indicatieve energielabels woningen Heerlen t.o.v. Nederland 14 Rijksdienst voor Ondernemend Nederland (RVO), 2021.

21

Naast woningen, hebben onder andere winkels en kantoorpanden een belangrijk aandeel in het energieverbruik in de gebouwde omgeving. Ook deze gebouwen moeten worden verduurzaamd. 3.4 Verwachte warmtevraag 2030 De toekomstige warmtevraag per woning zal lager zijn dan nu het geval is. Zowel Het EnergieBureau als Innoforte hebben voor de RES 1.0 een inschatting gemaakt van de warmtevraag voor de gebouwde omgeving in Heerlen in 2030 en 2050 (zie figuur 10). Als gevolg van energiebesparende maatregelen daalt die vraag in de periode van 2017 tot 2030 van bijna 2600 TJ tot iets minder dan 2100 TJ, een daling van bijna 20%. Tot 2050 zal de warmtevraag naar verwachting verder afnemen tot ca. 1600 TJ.

Figuur 10: Verwachte ontwikkeling warmtevraag gebouwde omgeving Heerlen 2017-2050. De ontwikkeling van de warmtevraag is afhankelijk van een aantal factoren. Zo is de meerderheid van de woningen particulier bezit. Individuele huishoudens zullen dus bewogen moeten worden tot het nemen van de benodigde energiebesparende maatregelen. Daarbij heeft niet iedere woning dezelfde potentie voor isolatie. De WoonWijzerWinkel Limburg kan een belangrijke rol spelen bij het bepalen van de juiste maatregelen voor individuele woningen op basis van het type woning, bouwjaar en bestaande isolatieniveau. De vraag is niet alleen hoevéél warmte er nodig is, maar ook op welke temperatuur deze warmte beschikbaar moet zijn. Hoe beter de woning geïsoleerd is, hoe lager de afgiftetemperatuur van de verwarming kan zijn. De mate van energiebesparing en de daarbij horende afgiftetemperaturen bepalen mede welke alternatieve warmteoplossingen er gekozen kunnen worden. Ook de beschikbaarheid van alternatieve warmtebronnen in de regio zijn bepalend. Als er onvoldoende middentemperatuur (MT) en hogetemperatuur (HT) warmtebronnen in een regio beschikbaar zijn, zijn extra investeringen noodzakelijk om de woning naar een beter labelniveau te krijgen. In hoofdstuk 3.6 gaan wij dieper in op de beschikbare alternatieven voor aardgas in de regio.

22

3.5 Warmtebronnen Naast duurzame elektriciteit en gas zijn er ook nieuwe duurzame warmtebronnen nodig. Als wordt gekozen voor een warmtenet, moet er een lokale warmtebron zijn of worden ontwikkeld, of gebruik worden gemaakt van ‘bovengemeentelijke’ bronnen. Warmte kan echter niet over grote afstanden getransporteerd worden, door hoge kosten en transportverliezen. Vandaar dat in algemene zin voor warmte geldt dat het, in tegenstelling tot elektriciteit en gas, bij voorkeur relatief dicht bij de bron ingezet moet worden. Naast de beschikbaarheid van de warmtebron is ook de temperatuur van de bron van belang. De temperatuur van de bron bepaalt of de warmte direct bruikbaar is (circa 70 graden) of naverwarmd moet worden voor verwarming van de woning of voor warm water (tussen de 18 en 55 graden). Met lagetemperatuurbronnen, zoals een warmte- en koudeopslag (WKO; zie voor een toelichting de tabel in paragraaf 3.6), kan ook koude worden geleverd. Dit is een goede manier om het stroomverbruik voor koeling te verlagen en duurzaam te verwarmen en te koelen. Als gevolg van een betere isolatie van woningen en gebouwen en de temperatuurverhoging door de klimaatverandering zal in de toekomst steeds meer behoefte aan koeling ontstaan. Ook daarmee moeten we rekening houden.

Niet alle bronnen in de regio hebben dezelfde bronkwaliteit, beschikbaarheid, levensduur, kostprijs en hetzelfde draagvlak. Daarbij bepaalt zoals aangegeven de afgiftetemperatuur van de warmtebron of de warmte direct bruikbaar is of naverwarmd moet worden. Bij het bepalen van een alternatief voor aardgas zoeken we naar de optimale mix van beschikbare warmtebronnen, passend bij het type woning en de warmtevraag in de verschillende wijken en buurten van Heerlen. Daarnaast zijn sommige bronnen, zoals groen gas en waterstof, ook geschikt voor het maken van elektriciteit, of als brandstof voor zwaar transport en verwarmer van industriële processen. Door de beschikbare warmtebronnen zo goed mogelijk met de energie-infrastructuur te verbinden, kunnen we deze in de toekomst zo optimaal mogelijk inzetten. 3.6 Beschikbaarheid warmtebronnen Voor Parkstad Limburg is een inventarisatie uitgevoerd waaruit de beschikbaarheid van warmtebronnen blijkt. Er zijn drie soorten mogelijk beschikbare bronnen15: 1. lokaal beschikbare bronnen met lokale potentie. Dit zijn bijvoorbeeld lokale bedrijven met beperkte hoeveelheden restwarmte of thermische energie uit afvalwater en drinkwater. 2. regionaal beschikbare bronnen met lokale potentie. Dit betreft bijvoorbeeld geothermie of aquathermie (warmte uit oppervlaktewater, afvalwater of drinkwater).

Deze bronnen hebben vaak een beperkte transporteerbaarheid en zijn daarom vooral lokaal inzetbaar. 3. lokaal beschikbare bronnen met regionale potentie. Dit betreft met name restwarmtebronnen. Ook het in de regio aanwezige 5e generatie warmtenet, dat gebruik maakt van mijnwater in combinatie met andere warmte- en koudebronnen, buffer- en controlesystemen, heeft de potentie om regionaal te worden uitgerold voor het verwarmen en koelen van woningen en utiliteiten.

15 RES 1.0 Zuid-Limburg, Samen werken aan een duurzame regio, 2021

23

Het overzicht hieronder geeft een eerste inzicht in de beschikbaarheid en de potentie per warmtebron: Bron

Beschrijving

Potentie

Bodemenergie, WKO en bodemwarmtewisselaars

Bodemenergie is het gebruiken van de bodem om warmte en koude aan te onttrekken en in op te slaan. Men spreekt van bodemenergie tot een maximale diepte van 500 meter. Een warmtepomp waardeert de warmte uit de bodem op tot een voor gebouwen bruikbaar niveau. Voor individuele gebouwen kan dat met een zogenoemde bodemlus; voor grote gebouwen of clusters van gebouwen kan dit met een WKO-systeem.

In potentie veelbelovend. Maar voor bestaande bouw zijn de kosten om gebouwen te isoleren naar het vereiste niveau een belemmering.

Luchtwarmtepompen

In potentie in grote delen van Luchtwarmtepompen onttrekken warmte aan de buitenlucht Heerlen inzetbaar om de woning te verwarmen, en gebruiken hiervoor elektriciteit. Het is een individuele oplossing, die per woning of per appartementencomplex toegepast kan worden. De standaard luchtwarmtepomp geeft warmte op lage temperatuur. Een woning moet dan – net als voor andere lagetemperatuur-oplossingen – goed geïsoleerd zijn, en er is een passend warmte-afgiftesysteem nodig zoals vloerverwarming of lagetemperatuur-radiatoren. Er zijn ook warmtepompen op de markt voor midden- en hoge temperatuur. Deze hebben wel een hoger elektriciteitsverbruik.

Zonnewarmte

Warmte uit zonnecollectoren kan zowel op grotere schaal als per woning ingezet worden. Er bestaan gecombineerde panelen die zowel elektriciteit als warmte leveren, de zogeheten PVT-panelen (fotovoltaïsch-thermisch).

24

Potentie nog te berekenen. Zal de benodigde ruimte moeten ‘delen’ met panelen die elektriciteit opwekken.

Bron

Beschrijving

Potentie

Restwarmte industrie/bedrijven

Restwarmte is energie die vrijkomt bij energieomzetting in een productieproces en niet meer binnen het bedrijf zelf kan worden gebruikt.

Lokale potentie beperkt tot ca. 10 MW / jaar

Biomassa

Biomassa is plantaardig en dierlijk materiaal dat gebruikt kan worden als brandstof of grondstof. Dat kan bijvoorbeeld hout zijn, snoeiafval, afval uit de voedingsindustrie, dierlijke mest of olie uit zaden.

De beschikbaarheid van biomassa (houtachtig) op het grondgebied van Heerlen is met 69,6 TJ/jaar beperkt17

Er is veel discussie over duurzaamheidsaspecten van biomassa. Op termijn zal biomassa in toenemende mate als materiaal en grondstof16 gaan dienen. Groen gas wordt gemaakt door mest, gft en ander organisch afval in een vat te laten vergisten. Tijdens dit vergistingsproces komt methaan vrij, ook wel biogas genoemd. Biogas heeft een andere samenstelling en kwaliteit dan aardgas. Voor het toegevoegd wordt aan het gasnet, wordt het eerst opgewaardeerd tot groen gas. Het groene gas kan in huis gebruikt worden voor verwarmen en koken.

Weinig potentie. Groen gas zal vooral gebruikt worden in situaties waar weinig andere opties zijn, zoals in buitengebieden, historische stadscentra en voor monumentale panden.

Warmte uit het riool

Riothermie is het terugwinnen van warmte uit afvalwater. Veel van het afvalwater van huishoudens is warm (bijvoorbeeld van de wasmachine en de douche) en komt in het riool terecht.

Nog te onderzoeken.

Aquathermie

Warmte (zeer lage temperatuur) uit oppervlaktewater (TEO) en afvalwater (TEA).

Potentie nog onduidelijk. Uit een aantal haalbaarheidsonderzoeken blijkt een beperkte potentie en/of rendabiliteit19

Biogas

De beschikbaarheid van biogas op het grondgebied van Heerlen is 53,5 TJ / jaar18

16 De gemeente Heerlen neemt deel aan de Buyer group biobased bouwmaterialen. Door biomassa als bouwmateriaal toe te passen blijft de afgevangen CO2 opgeslagen, terwijl verbranding ervan zorgt dat CO2 vrijkomt. 17 RVO.nl, www.warmteatlas.nl 18 RVO.nl, www.warmteatlas.nl 19 RES 1.0 Zuid-Limburg paragraaf 8.4.5

25

Bron

Beschrijving

Potentie

Aardwarmte (geothermie)

Geothermie of aardwarmte ontstaat door de warmte-uitstraling uit de kern van de aarde. Hierbij wordt een onderscheid gemaakt tussen ondiepe geothermie (vanaf 300 meter) en diepe geothermie (500-4.000 meter). Bij diepe geothermie kan water met een hoge temperatuur (ca. 25-140°C) uit de bodem worden gehaald. Bij ondiepe geothermie (300-500 meter) zijn de watertemperaturen relatief laag (ca. 20-25°C). Deze temperatuur kan met behulp van warmtepompen verder worden verhoogd.

De exacte potentie van geothermie is op dit moment nog onduidelijk. In 2021 wordt door TNO/ECN in het onderzoeksprogramma SCAN20 de potentie van geothermie in Provincie Limburg in kaart gebracht21.

Waterstof

Om waterstof te maken wordt tot nu toe meestal elektriciteit gebruikt uit fossiele gas- en kolencentrales (grijze waterstof). Om groene waterstof te produceren heb je een groot overschot aan duurzame energie nodig. Dat is er voorlopig niet. Ook is de technologie om stroom om te zetten naar waterstof niet efficiënt. In de toekomst zou waterstof een deel van de rol van aardgas over kunnen nemen.

Tot 2030 potentie zeer beperkt tot niet beschikbaar voor de gebouwde omgeving.

Binnen de regio Parkstad zijn twintig mogelijke restwarmtebronnen geïdentificeerd. Figuur 11 laat zien welke bronnen dit zijn en in welke gemeenten ze liggen. Naast de bronnen binnen Parkstad Limburg zijn er twee potentiële grotere warmtebronnen in de nabije omgeving geïdentificeerd, namelijk Chemelot in Sittard-Geleen en Energiepark Herzogenrath over de grens bij Landgraaf en Kerkrade. In deze fase hebben we nog onvoldoende zicht op de definitieve beschikbaarheid en werkelijke potentie van de verschillende warmtebronnen in Heerlen en de regio. De bronneninventarisatie geeft wel belangrijke eerste inzichten waar mogelijkheden liggen. Uit de bronneninventarisatie blijkt dat het aantal beschikbare restwarmtebronnen binnen de regio beperkt is én ongelijk verdeeld is over de gemeenten. In Heerlen zijn een tweetal middentemperatuur-restwarmtebronnen gevonden: VDL Castings en Metrex. De rioolwaterzuiveringsinstallatie in Hoensbroek is een potentiële lagetemperatuur-warmtebron. Bij elkaar hebben deze bronnen een geschat vermogen van rond de 10 MW. Hiermee kunnen naar schatting 6.000 woningequivalenten van restwarmte worden voorzien22. Heerlen telt ruimt 45.000 woningen en 6.600 utiliteitsgebouwen. Door middel van deze warmtebronnen kan in ca. 9% van de (basislast)vraag worden voorzien.

20 www.scanaardwarmte.nl 21 In voormalige mijnbouwregio’s (voormalige Oostelijke- en Westelijke Mijnstreek) ontwikkelt Provincie Limburg in samenwerking met gemeenten op dit moment aanvullend beleid en maatregelen ter bescherming van de kwaliteit van het grondwater dat o.m. als drinkwater wordt gebruikt in de regio. Dit beleid kan variëren van boringsvrije zones tot het sterker reguleren van bodemenergie-systemen. De impact hiervan op de potentie en kosten voor bodemwarmte-oplossingen is nog niet duidelijk. 22 Excl. piekmomenten

26

Ook zijn er twee restwarmtebronnen geïdentificeerd, waarvan de temperatuur en het vermogen nog niet in beeld zijn: Lydall Performance Materials en Dalli de Klok. De genoemde bronnen kunnen mogelijk gebruikt worden om de gebieden van warmte te voorzien die in de fase tot 2030 van aardgas af gaan. Voor meer restwarmte moet uitgeweken worden naar bronnen buiten Heerlen. Daarbij worden ook mogelijkheden over de grens met Duitsland verkend.

Figuur 11: Potentiële warmtebronnen Parkstad Limburg Uit de beperkte beschikbaarheid van warmte blijkt dat het heel belangrijk is om dit vraagstuk op regionale schaal af te stemmen met de overige gemeenten in Zuid-Limburg, zodat dezelfde bron niet meerdere keren geclaimd wordt. Ook moet de beoogde energie-infrastructuur in een wijk overeenkomen met de beschikbare bronnen. In de TVW 2.0 wordt dit onderdeel verder uitgewerkt. 3.7 Warmtenetten Binnen de gemeentegrenzen liggen verschillende bestaande warmtenetten. Deze worden door warmtebedrijven Ennatuurlijk en Mijnwater beheert en geëxploiteerd. In figuur 12 wordt de infrastructuur van het warmtenet van Ennatuurlijk weergegeven. De warmtenetten bevinden zich ter hoogte van Shoppingcenter ’t Loon in de buurt Heerlen Centrum, in Welten-Benzenrade en in woon-zorgcomplex Parc Imstenrade in de buurt Heerlerbaan Schil. Het warmtenet ter hoogte van Shoppingcenter ’t Loon betreft een hogetemperatuur-warmtenet met een aanvoertemperatuur van 80 graden Celsius tot 105 graden Celsius als de buitentemperatuur onder de 0 graden zakt. Het centrale opweksysteem wordt gevoed door 3 WKK’s van ieder 1250 kWth en 4 gasgestookte cv-ketels van ieder 4 MWth. De maximale levering bedraagt 16 MW. Het warmtenet heeft een afzet van 65.000 GJ per jaar en levert daarmee warmte voor ruimteverwarming en warmtapwater aan 50 bedrijven en 554 klanten.

89 van die 554 klanten betreffen VVE’s of derde gebouwbeheerders. Hier wordt de warmte op de centrale warmtemeter van het onderstation geleverd. Meerdere (indirecte) afnemers maken vervolgens gebruik van deze centraal geleverde warmte. Het warmtenet in Welten-Benzenrade betreft een middentemperatuur-warmtenet met een weersafhankelijke aanvoertemperatuur van 90 graden Celsius bij een buitentemperatuur van -10 graden Celsius tot 35 graden Celsius vanaf een buitentemperatuur van 22 graden Celsius. Het centrale opweksysteem wordt gevoed door een WKK van 750 kWth en twee gasgestookte cv-ketels van ieder 2 MW. De maximale levering bedraagt 3,5 MW. Het warmtenet heeft een afzet van 7.650 GJ per jaar en levert daarmee warmte voor ruimteverwarming aan 270 huishoudens.

27

Het warmtenet ter plaatse van woon-zorgcomplex Parc Imstenrade betreft een hogetemperatuur-warmtenet met een weersafhankelijke aanvoertemperatuur van 90 graden Celsius bij een buitentemperatuur van -10 graden Celsius tot 72 graden Celsius vanaf een buitentemperatuur van 0 C. De 5 gebouwen zijn via een warmtetransportleiding aangesloten op een centraal ketelhuis en wordt gevoed door twee gasgestookte cv-ketels met een maximaal vermogen van 2 MW. Het warmtenet heeft een afzet van 7.500 GJ per jaar en levert daarmee warmte voor ruimteverwarming en warmtapwater aan 370 appartementen. De toekomstvisie van Ennatuurlijk ten aanzien van deze warmtenetten is in principe ze te behouden en waar mogelijk te verduurzamen naar een aardgasvrije warmtebron.

Figuur 12: Warmtenettracé Ennatuurlijk Een deel van de gebouwen in Heerlen is al aangesloten op het warmte- en koudenet van bedrijf Mijnwater Energy. In figuur 13 wordt de infrastructuur weergegeven. Dit 5e generatie warmte- en koudenetwerk bestaat uit een hoofdleiding (backbone) met daaraan gekoppeld decentrale clusternetten. De infrastructuur van Mijnwater Energy betreft een hybride concept, bestaande uit een smart-grid van mijnwaterbassins, infrastructuur, distributienetten en warmtepompcentrales. Hierbij worden geothermische energie gebruikt en (fossiele) restwarmte en -koude uitgewisseld. Het netwerk biedt met name binnen sub-regio Parkstad Limburg potentieel om een bijdrage te leveren aan de warmtetransitie. De backbone levert een aanvoertemperatuur van tussen 25 en 28 graden Celsius. De decentrale clusternetten bevinden zich in de buurten Heerlen Centrum, Welten-Benzenrade, Heerlerheide-Passart en Bekkerveld-Aarveld en leveren gezamenlijk warmte aan 1450 woningequivalenten (weq). Het netwerk wordt gevoed door 2 warme bronnen en 3 koude bronnen van in totaal 6MW, waarmee een vermogen van 8,5 MW wordt geleverd. Het clusternet in buurt Heerlen Centrum levert aan 600 woningequivalenten (weq) warmte en warm tapwater, wat overeenkomt met een geleverd vermogen van 2337 kW.

Het tweede clusternet in de Welten-Benzenrade levert aan 450 weq warmte en warm tapwater, wat overeenkomt met een geleverd vermogen van 1742 kW. Het derde clusternet in Heerlerheide-Passart levert aan 160 weq warmte en warm tapwater, wat overeenkomt met een geleverd vermogen van 630 kW. Het vierde clusternet Bekkerveld-Aarveld levert aan 230 weq warmte en warm tapwater, wat overeenkomt met een geleverd vermogen van 888 kW. Voor alle clusternetten geldt dat zij een aanvoertemperatuur van tussen 24 en 35 graden Celsius leveren. 28

Figuur 13: Warmtenettracé Mijnwater Energy23 De toekomstvisie van Mijnwater Energy is het netwerk uit te breiden en waar mogelijk verder te verduurzamen middels aardgasvrije warmtebronnen. Momenteel vindt tussen gemeente Heerlen en Mijnwater Energy afstemming plaatst over een mogelijke netwerkuitbreiding. In de nabije toekomst kan het netwerk daardoor een vermogen van 12,3 MW leveren. Hierdoor kan 750 extra weq van warmte en warm tapwater worden voorzien, waarbij de aanname van 5,5 kW per weq gehanteerd is. Bij een verdere verbetering van de woningvoorraad kan dit bij 3 kW per weq oplopen naar 2550 extra weq. Tot slot wordt bekeken hoe de potentie van het bestaande netwerk kan worden vergroot, door de gebouwen en wijken die langs de infrastructuur liggen aan te sluiten.

23 De afbeelding betreft grotendeels het huidige, gerealiseerde warmtenettracé van Mijnwater Energy. Het oranjegekleurde deel rechtsboven in de afbeelding (tussen de buurten Heerlerheide-Passart en Zeswegen-Nieuw Husken) betreft een nader te beoordelen uitbreiding.

29

30

Hoofdstuk 4. De transitie naar aardgasvrij 4.1 De Startanalyse en lokale data Om gemeenten te helpen bij het vinden van een acceptabel alternatief voor het verwarmen van gebouwen met aardgas, heeft het Planbureau voor de Leefomgeving (PBL) een Startanalyse gemaakt. Er bestaan verschillende alternatieven voor het verwarmen van gebouwen met een cv-ketel op aardgas24. Voor een CO2-neutrale warmtevoorziening moet de energie afkomstig zijn van duurzame energiebronnen. De meest geschikte warmteoplossing is afhankelijk van de eigenschappen van het gebouw en de omgeving, zoals de mate van isolatie, het type gebouw, de mate van bebouwing in het gebied en de beschikbaarheid van warmtebronnen. De Startanalyse berekent globaal de effecten en kosten van vijf mogelijke alternatieven of ‘strategieën’ voor aardgasvrij verwarmen. 1. Individuele elektrische warmtepomp (all-electric); 2. Warmtenet met een midden- of hogetemperatuurbron; 3. Warmtenet met een lagetemperatuurbron; 4. Groen gas met een standaard hr-ketel en/of een hybride warmtepomp; 5. Waterstof met een standaard hr-ketel en/of hybride warmtepomp. De vijf strategieën kunnen worden verdeeld in (a) individuele technieken, (b) collectieve technieken en (c) hernieuwbaar gas. Individuele oplossingen kunnen voor ieder gebouw los worden toegepast.

Bij collectieve oplossingen is het een voorwaarde dat meer dan één woning op een bepaalde technologie overstapt. Bij optie (c) kan het bestaande gasnet in de toekomst ingezet worden voor het transport van andere soorten gas dan aardgas. Binnen elke strategie worden verschillende varianten doorgerekend (zie bijlage IV voor een volledig overzicht). Elk van deze varianten gaat uit van andere technieken om in de warmtevraag van gebouwen te voorzien. Ook bestaat elke strategie uit een combinatie van technische maatregelen: isolatiemaatregelen die zorgen voor energiebesparing en warmtetechnieken die voorzien in de resterende energiebehoefte. De ene techniek vraagt meer aanpassingen aan gebouwen dan de andere. Duidelijk is dat er niet één alternatief is voor aardgas voor heel Heerlen, maar dat er in de toekomst sprake zal zijn van een mix van individuele en collectieve oplossingen. Onderstaand worden de vijf strategieën kort toegelicht: 4.1.1 Strategie 1: individuele warmtetechnieken Woningen die minder geschikt zijn voor aansluiting op een warmtenet gaan bij voorkeur over op een all-electric systeem. ‘All-electric’ betekent dat er alleen nog een elektriciteitsnet in de wijk of buurt aanwezig is.

Dit geldt bijvoorbeeld voor gebieden met relatief weinig woningen op relatief veel grond in het buitengebied, waar het lastig is om een collectief warmtesysteem rendabel te maken en te onderhouden. Bij all-electric oplossingen wordt een gebouw geheel elektrisch verwarmd. Mogelijke oplossingen zijn individuele elektrische warmtepompen (WP), zonneboilers en infraroodpanelen. Ook hybride oplossingen in combinatie met aardgas zijn een optie in afwachting van de toekomstige beschikbaarheid van groen gas. In de Startanalyse zijn voor deze strategie twee varianten doorgerekend: een lucht-WP en een bodem-WP. Bij all-electric oplossingen gaat het meestal om lagetemperatuur-verwarming. Dit vereist dat de woning goed is geïsoleerd (minimaal label B en soms beter). Vaak zijn ook aanpassingen aan het verwarmingssysteem nodig, zoals het aanleggen van vloer- of wandverwarming of het vervangen van radiatoren. Hoewel een deel van de benodigde elektriciteit kan worden opgewekt op het eigen gebouw door middel van zonnepanelen, zal het elektriciteitsnet bij all-electric oplossingen zwaarder worden belast. Wanneer een groot aantal woningen of gebouwen overschakelt naar een all electric-oplossing, moet het elektriciteitsnet mogelijk worden verzwaard. Om het elektriciteitsnet zoveel mogelijk te ontlasten, is het dan ook belangrijk om gebouwen goed te isoleren.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Heerlen&id=eec84405-bcb2-4518-8137-8af81e102f04