t_NL.IMRO.0917.BP030801W000002-0401.pdf
Tekst van het document
5.4.3 Conclusie milieuzonering Gelet op vorenstaande vormt het aspect milieuzonering geen belemmering voor de voorgenomen planontwikkeling.
5.5 Luchtkwaliteit 5.5.1 Algemeen Sinds 15 november 2007 zijn de belangrijkste bepalingen inzake de luchtkwaliteit opgenomen in hoofdstuk 5, titel 5.2 van de Wet milieubeheer (hierna ook: Wm). Omdat de luchtkwaliteitseisen zijn opgenomen in titel 5.2 van de Wm, staat deze ook wel bekend als de 'Wet luchtkwaliteit'. Het doel van titel 5.2 Wm is om de mensen te beschermen tegen de negatieve gevolgen van luchtverontreiniging op hun gezondheid. In de wet- en regelgeving zijn de richtlijnen uit de Europese regelgeving opgenomen, waaraan voorgenomen ontwikkelingen dienen te voldoen. Als aan minimaal één van de volgende voorwaarden wordt voldaan, vormen de luchtkwaliteitseisen in beginsel geen belemmering voor het uitoefenen van de bevoegdheid van een bestuursorgaan ex. artikel 5.16 Wm: • er is geen sprake van een feitelijke of dreigende overschrijding van de grenswaarde; • een project leidt al dan niet per saldo, niet tot een verslechtering van de luchtkwaliteit; • een project draagt 'niet in betekenende mate' (NIBM) bij aan de verslechtering van de luchtkwaliteit; • een project past binnen het NSL (Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit) of een regionaal programma van maatregelen.
5.5.2 Het besluit NIBM Deze Algemene maatregel van Bestuur (AmvB) legt vast wanneer een project 'niet in betekenende mate' bijdraagt aan de toename van concentraties van bepaalde stoffen in de lucht. Een project is NIBM wanneer het aannemelijk is dat het een toename van de concentratie veroorzaakt van maximaal 3%. De 3% grens wordt gedefinieerd als 3% van de grenswaarde voor de jaargemiddelde concentratie van fijn stof (PM10) of stikstofdioxide (NO 2). Dit komt overeen met 1,2 microgram/m3 voor zowel PM10 als NO2. Het NSL is vanaf augustus 2009 van kracht, zodat de 3% grens aangehouden dient te worden. In de regeling NIBM is (onder andere) aangegeven dat een plan tot 1.500 woningen niet in betekenende mate bijdraagt aan de toename van de concentratie fijn stof en stikstofdioxide in de lucht. Bij voorliggende planontwikkeling worden twee bedrijfswoningen omgevormd in twee reguliere burgerwoningen, waardoor per saldo geen woningtoevoeging plaatsvindt. Per saldo zal het plan leiden tot een behoorlijke afname van het aantal verkeersbewegingen door beëindiging van de bedrijfsactiviteiten binnen het plangebied en dit komt de luchtkwaliteit ter plaatse ten goede.
5.5.3 Besluit gevoelige bestemmingen Dit besluit is gericht op de beperking van de vestiging in de nabijheid van provinciale en rijkswegen van gevoelige bestemmingen, zoals gebouwen voor kinderopvang, scholen, verzorgings- of verpleegtehuizen. Het besluit is op voorliggende planontwikkeling niet van toepassing.
5.5.4 Conclusie luchtkwaliteit 26
Gelet op vorenstaande vormt het aspect luchtkwaliteit geen belemmeringen voor onderhavige planontwikkeling.
5.6 Externe veiligheid Ten behoeve van de beoordeling van de mogelijke externe veiligheidsrisico's voor onderhavig (kwetsbaar) object is de Risicokaart geraadpleegd. Op de risicokaart is informatie opgenomen over risicovolle bedrijven, transportroutes en buisleidingen.
5.6.1 Beleid Het beleid in het kader van de externe veiligheid is gericht op het beperken en beheersen van risico’s voor de omgeving voor wat betreft handelingen met gevaarlijke stoffen. Deze handelingen kunnen zowel betrekking hebben op het gebruik, de opslag en de productie van gevaarlijke stoffen, als op het vervoer van deze stoffen. Uit het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) en de richtlijnen voor het vervoer van gevaarlijke stoffen, vloeit de verplichting voort om in het kader van ruimtelijke plannen in te gaan op de risico’s in het projectgebied als gevolg van handelingen met gevaarlijke stoffen. Deze risico’s worden beoordeeld op twee soorten risico’s: het plaatsgebonden risico en het groepsrisico. Plaatsgebonden risico Het plaatsgebonden risico beschrijft de kans dat een onbeschermd individu in een jaar komt te overlijden als gevolg van een ongeval met gevaarlijke stoffen. Het plaatsgebonden risico wordt uitgedrukt in risicocontouren rondom de risicobron. Voorbeelden van risicobronnen zijn bedrijven, wegen en spoorlijnen. De 10-6-contour is de maatgevende grenswaarde, binnen welke contour geen kwetsbare objecten mogen worden opgericht. Groepsrisico Het groepsrisico beschrijft de kans dat een groep van 10 of meer personen tegelijkertijd komt te overlijden als gevolg van een ongeval met gevaarlijke stoffen.
Dit risico geeft een indicatie van de maatschappelijke ontwrichting in geval van een ramp. Het groepsrisico wordt uitgedrukt in een grafiek. In het Bevi is een verantwoordingsplicht binnen het invloedsgebied opgelegd, i.c. het gebied binnen de zogenaamde 1%-letaliteitsgrens, zijnde de afstand vanaf een risicobedrijf waarop nog slechts 1% van de blootgestelde mensen in de omgeving overlijdt bij een ongeval op het risicobedrijf. Voor elke verandering van het groepsrisico, dit kan een af- of toename zijn, in het invloedsgebied moet verantwoording worden afgelegd. Deze verantwoording ziet toe op de wijze waarop de toelaatbaarheid van de verandering van het groepsrisico in de besluitvorming is betrokken. Samen met de hoogte van het groepsrisico, worden ook andere aspecten meegewogen in de beoordeling aan het groepsrisico. Hieronder vallen onder meer de zelfredzaamheid en de bestrijdbaarheid van een calamiteit. Verantwoording van het groepsrisico Voor bepaalde situaties geldt op basis van het beleid een verplichting tot verantwoording van het groepsrisico. Deze verantwoordingsplicht houdt in dat iedere wijziging met betrekking tot planologische keuzes moet worden onderbouwd én verantwoord door het bevoegd gezag. Hierbij geeft het bevoegd gezag aan of het groepsrisico in de betreffende situatie aanvaardbaar wordt geacht.
In het Bevi, de Bevt (Besluit externe veiligheid transportroutes) en het Bevb (Besluit externe veiligheid buisleidingen) zijn bepalingen opgenomen waaraan deze verantwoording dient te voldoen. De verantwoording van het groepsrisico is conform het Bevi van toepassing indien sprake is van een ruimtelijke ontwikkeling binnen het invloedsgebied van een Bevi-inrichting. Voor buisleidingen geldt dat de verantwoording van het groepsrisico van toepassing is binnen de 1%letaliteitsafstand van de buisleiding. Als de ruimtelijke ontwikkeling buiten de 100%-letaliteitsafstand plaatsvindt of buiten de 10-8 plaatsgebonden risicocontour voor toxische stoffen, of het groepsrisico kleiner is dan 0,1 maal de oriëntatiewaarde of met minder dan 10% toeneemt, kan een aantal onderdelen van de verantwoording achterwege worden gelaten. In dat geval richt de focus zich hoofdzakelijk op de mogelijkheden tot voorbereiding van bestrijding en beperking van de omvang van een ramp of zwaar ongeval alsmede hulpverlening en zelfredzaamheid. Conform het Bevt dient een significante toename van het groepsrisico of een overschrijding van de oriëntatiewaarde verantwoord te worden.
5.6.2 Beoordeling externe veiligheidsrisico’s 27
Ten behoeve van de beoordeling van de mogelijke externe veiligheidsrisico’s, is de Risicokaart Limburg geraadpleegd. Op de risicokaart is informatie opgenomen over risicovolle bedrijven, transportroutes en buisleidingen
Risicokaart met aanduiding plangebied Risicovolle inrichtingen (Bevi) Binnen een straal van 875 m. rondom voorliggend plangebied ligt aan de zuidwestzijde een risicovolle inrichting aan de Daelsweg te Ubachsberg gelegen. Het betreft een agrarisch bedrijf in het buitengebied van de gemeente Voerendaal. Ons inziens is dit een propaantank van beperkte omvang. Transportroutes (Bevt) Op ruim 525 m. van voorliggend plangebied ligt aan de westzijde de dichtstbijzijnde transportroute waarover vervoer van gevaarlijke stoffen plaatsvindt. Dit is de A76. Ook over de N281, op ca. 550 m. aan de oostzijde van het plangebied, is vervoer van gevaarlijke stoffen toegestaan. De John F. Kennedylaan is aangewezen als bevoorradingsroute LPG. Buisleidingen (Bevb) Op 1 januari 2011 is het Besluit externe veiligheid buisleidingen in werking getreden. Deze AMvB regelt onder andere welke veiligheidsafstanden moeten worden aangehouden rond buisleidingen met gevaarlijke stoffen. Op een afstand van ca. 700 m. van het plangebied, parallel aan de A76, liggen diverse ondergrondse buisleidingen (hogedruk aardgasleidingen). Beoordeling plaatsgebonden risico Aan de hand van de invloedsgebiedenkaart en de risicokaart (zie: www.risicokaart.nl) zijn de plaatsgebonden externe veiligheidsrisico's beoordeeld.
Deze toets heeft uitgewezen dat binnen het plangebied meerdere risicobronnen aanwezig zijn, zowel in de vorm van een risicovolle inrichting, buisleidingen als transport van gevaarlijke stoffen. Het plangebied is niet binnen de risicocontour van een risicovolle inrichting gelegen. De 1 % letaliteitafstand van de dichtstbijzijnde ondergrondse buisleiding van de Gasunie (A-578) bedraagt 430 m. Daar de afstand tot het plangebied groter is, is verantwoording niet aan de orde. Mede gelet op de transportintensiteiten op de A76 en N281 is het plaatsgebonden risicocontour lager dan 10-6 en is ook hier verantwoording niet van toepassing. Beoordeling groepsrisico De hoogte van het groepsrisico is voor alle aanwezige risicobronnen in het plangebied nergens hoger dan de oriëntatiewaarde. Bij alle hogedruk aardgasleidingen blijkt uit berekeningen uitgevoerd ten behoeve van het inmiddels vastgestelde bestemmingsplan buitengebied d.d. 27-11-2019 dat sprake is van een groepsrisico dat kleiner is dan 0.1 x de oriëntatiewaarde.
28
Dit plan leidt ten opzichte van de vigerende bestemming en planologisch regime niet tot een toename van het aantal aanwezige personen in het plangebied. Van een wezenlijke wijziging ten opzichte van het bestaande groepsrisico is daarom geen sprake.
5.6.3 Conclusie externe veiligheid Gelet op vorenstaande vormt het aspect externe veiligheid geen belemmeringen voor onderhavige planontwikkeling. Voorts zijn in het vigerende bestemmingsplan buitengebied nabij de hogedruk aardgasleidingen zones opgenomen waarbinnen geen kwetsbare objecten mogen worden opgericht en worden de leidingen beschermd door een belemmeringenstrook.
5.7 Milieu algemeen De meldingen Besluit landbouw milieubeheer en Activiteitenbesluit milieubeheer voor onderhavig plangebied t.b.v. het huisvesten van 49 paarden, opslag van mest en meststoffen, hooi en stro, stallen van machines en werktuigen en het uitvoeren van kleine werkzaamheden in een werkplaats komen te vervallen. In zijn algemeenheid kan worden geconcludeerd dat het plan een bijdrage levert aan het verbeteren van het woon- en leefklimaat in de directe omgeving van de locatie door een afname van de verkeersbewegingen, geluid- en geuruitstraling e.d.. In de nabijheid zijn geen andere bedrijven gelegen die milieu hygiënische beperkingen zullen ondervinden als gevolg van de beoogde bestemmingswijziging.
29
Hoofdstuk 6 Overige ruimtelijke aspecten Naast de diverse milieutechnische aspecten, zoals uiteengezet in hoofdstuk 5 dient tevens te worden gekeken naar de overige ruimtelijke aspecten. In dit hoofdstuk wordt ingegaan op de aspecten archeologie, kabels en leidingen, verkeer en parkeren, waterhuishouding, natuur- en landschap, flora en fauna en duurzaamheid.
6.1 Archeologie 6.1.1 Archeologische monumentenzorg (Erfgoedwet) Archeologische waarden zijn bij wet beschermd. Daaromtrent zijn in de Erfgoedwet bepalingen opgenomen die de gemeenteraad in acht moet nemen.
6.1.2 Archeologische verwachtings- en beleidsadvieskaart Parkstad Limburg, waar de gemeente Heerlen onderdeel van uit maakt, beschikt over een archeologische verwachtings- en beleidsadvieskaart. Op grond van deze kaart is voor onderhavig plangebied voor een klein deel sprake van een hoge archeologische verwachting en voor het overgrote deel van een middelhoge archeologische verwachting.
Uitsnede archeologische verwachtingskaart met aanduiding plangebied
6.1.3 Dubbelbestemming Waarde - Archeologie De hoge en middelhoge archeologische verwachtingswaarde ter plekke van onderhavig plangebied is in het bestemmingsplan ‘Buitengebied’ verankerd middels de dubbelbestemmingen ‘Waarde – Archeologie 3 (hoge waarde)‘ en ‘Waarde-Archeologie 4 (middelhoge waarde)’. Doel van deze dubbelbestemmingen is om de aanwezige archeologische waarden te behouden en te beschermen. Op basis van deze dubbelbestemmingen dient voor voorliggende planontwikkeling een archeologisch onderzoek te worden verricht indien de bodem wordt geroerd op een diepte van meer dan 0,4 meter beneden maaiveld óf met een groter oppervlak dan 250 m2 (hoge waarde) resp. 2.500 m² (middelhoge waarde). Behoudens de sloop van het bedrijfsgebouw op het achterterrein en bijbehorende verharding, zijn er ten behoeve van deze bestemmingswijziging geen ontwikkelingen voorzien die leiden tot
30
bodemingrepen. Bij de sloop worden geen archeologische waarden geschaad, omdat de grond ter plaatse reeds is geroerd. Een archeologisch onderzoek is voor dit plangebied dan ook niet noodzakelijk.
6.1.4 Conclusie archeologie Gelet op vorenstaande vormt het aspect archeologie geen belemmeringen voor onderhavige planontwikkeling. Mocht tijdens graafwerkzaamheden archeologische resten of sporen worden aangetroffen, dan moet hiervan volgens artikel 5.1 van de Erfgoedwet terstond melding worden gemaakt bij de gemeente Heerlen of de regioarcheoloog.
6.2 Cultuurhistorie 6.2.1. Benzenrade Binnen het plangebied van Benzenrade 32 is geen sprake van een rijksbeschermd dorps- of stadsgezicht. Wel is het buurtschap Benzenrade opgenomen in de gemeentelijke inventarisatie en selectie van stadsgezichten (Buro 4, 2011). Benzenrade is het enige Heerlense buurtschap dat zijn oorspronkelijke dorpskarakter heeft weten te behouden. Dit maakt het bebouwingscluster voor Heerlense begrippen uniek. De stedenbouwkundige structuur bestaat uit lintbebouwing die de lijnen van het landschap volgt. Dat is enerzijds de Geleenbeek aan de oostzijde en het talud van een heuvelrug aan de westzijde. De historisch ruimtelijke structuur zoals deze op de eerste topografische kaart uit 1842 is aangegeven is nagenoeg volledig intact. In de loop der jaren heeft er op een aantal plaatsen in het bebouwingslint nieuwbouw en vervangende nieuwbouw plaatsgevonden. Desondanks is het agrarische dorpse karakter van het gebied behouden gebleven. Op 28 augustus 2012 heeft het college van burgemeester en wethouders besloten dat de in de inventarisatie aangegeven cultuurhistorische waarden van het buurtschap in een nieuw bestemmingsplan moeten worden beschermd. In het vigerende bestemmingsplan Buitengebied is daarom ingezet op behoud van de stedenbouwkundige structuur en omvang van de bestaande woningen.
De afmetingen van de bestaande woningen zijn strak vastgelegd, door middel van bouwvlakken strak om de gevels en een maximale goot- en bouwhoogte die overeenkomt met de bestaande stedenbouwkundige hoofdmassa van de woning. Daarnaast is voor het buurtschap de dubbelbestemming 'Waarde-Cultuurhistorie' opgenomen, zodat bij de toetsing van toekomstige aanvragen voor omgevingsvergunningen het behoud van de cultuurhistorische waarde voorop staat. Door het plangebied lopen geen boven- en/of ondergrondse leidingen. Er is op dat gebied derhalve geen sprake van bijbehorende (planologische) beschermingszones en/of belangen van derden op dit punt. 6.2.2. Conclusie cultuurhistorie De bestaande woningen Benzenrade 32 en 32a maken onderdeel uit van de lintbebouwing van Benzenrade, zijn niet aangewezen tot monument en blijven ongewijzigd behouden. De dubbelbestemming ‘Waarde-Cultuurhistorie’ is ook voor onderhavig plangebied opgenomen.
6.3 Kabels en leidingen 6.3.1 Boven- en/of ondergrondse leidingen Door het plangebied lopen geen boven- en/of ondergrondse leidingen. Er is op dat gebied derhalve geen sprake van bijbehorende (planologische) beschermingszones en/of belangen van derden op dit punt.
6.3.2 Nutsvoorzieningen De aanwezigheid van kabels en leidingen met betrekking tot de nutsvoorzieningen in de omgeving is evident. Nieuwe aansluitingen zijn niet voorzien.
6.3.3 Conclusie kabels en leidingen Gelet op vorenstaande vormt het aspect kabels en leidingen geen belemmeringen voor onderhavige planontwikkeling.
31
6.4 Verkeer en parkeren Met betrekking tot onderhavige planontwikkeling dienen de (eventuele) gevolgen voor de verkeersstructuur alsmede het parkeren inzichtelijk te worden gemaakt.
6.4.1 Verkeersstructuur Voorliggend planvoornemen zal geen gevolgen hebben voor de verkeersstructuur ter plekke. De bestaande ontsluitingen van het terrein zullen worden gehandhaafd. Ter plekke zijn beide (bedrijfs)woningen reeds aanwezig, waardoor vanwege de te realiseren woningen geen wijzigingen plaatsvinden wat betreft het aantal verkeersbewegingen. Er zal zodoende geen sprake zijn van een verkeersgeneratie waardoor problemen optreden in de verkeersafwikkeling, -veiligheid, en -structuur.
6.4.2 Parkeren Voor een woning in het buitengebied wordt uitgegaan van een parkeerbehoefte van (afgerond) van 2. Deze parkeerbehoefte dient op eigen terrein te kunnen worden opgevangen. Op het voorterrein en het achterterrein is ruim afdoende plek beschikbaar om te kunnen voorzien in het stallen van auto's. Bovendien zijn op het terrein een dubbele garage aanwezig.
6.4.3 Conclusie verkeer en parkeren Gelet op vorenstaande vormt het aspect verkeer en parkeren geen belemmeringen voor onderhavige planontwikkeling.
6.5 Waterhuishouding 6.5.1 Nationaal Waterplan 2016-2021 In het Nationaal Waterplan 2016-2021 zijn de hoofdlijnen van het nationale waterbeleid en de daartoe behorende aspecten van het nationale ruimtelijke beleid beschreven. Met dit Nationaal Waterplan voldoet Nederland aan de Europese eisen die voortvloeien uit de Kaderrichtlijn Water (KRW), de Richtlijn Overstromingsrisico`s (ROR) en de Kaderrichtlijn Mariene Strategie (KMS).
6.5.2 Provinciaal beleid De provincie Limburg kent als uitgangspunt dat verdroging zo veel mogelijk moet worden tegengegaan en dat de waterkwaliteit, met het oog op een duurzaam gebruik in de toekomst, erg belangrijk is. Verder sluit de provincie aan bij het beleid van de Vierde Nota Waterhuishouding om infiltratie van water in de bodem te bevorderen en water meer terug te brengen in stedelijk gebied. Binnen de waterbeheersplannen van Limburg is integraal waterbeheer een belangrijk begrip. Ook hier speelt verdroging en waterkwaliteit een belangrijke rol in het beleidsproces. Ter invulling van (specifiek) ecologische functies stelt het Waterschap onder andere dat, ter voorkoming van verdroging, grondwaterstanden (daar waar dat mogelijk is) verhoogd moeten worden door peilbeheer. Ook dient het rioleringsbeheer door gemeenten op en aan de aan watergangen en -plassen toegekende functies, afgestemd te worden. Naast die ecologische functie dienen er ook mensgerichte hoofdfuncties ten behoeve van industrie of drinkwater ingepast te worden. Tevens dient er plaats te zijn voor mensgerichte nevenfuncties.
6.5.3 Advies Waterschap Limburg Vanaf 1 november 2003 zijn de overheden wettelijk verplicht om alle ruimtelijke plannen, die van invloed zijn op de waterhuishouding, voor advies voor te leggen aan de waterbeheerders. Sinds de nieuwe keur van april 2019 dienen alle plannen te worden voorgelegd aan het waterschap (hierbij is ook de ondergrens van 2000 m2 niet meer van toepassing). Zoals reeds eerder aangegeven wordt op het achterterrein een bedrijfsgebouw (paardenstal) à ca. 350 m2 gesloopt en de betonplaat voor de mestopslag (ca. 200 m2) als een groot deel van de erfverharding (ca. 1.000 m2) verwijderd. Dit deel van het plangebied wordt in gebruik genomen als weiland, waardoor de infiltratie wordt vergroot. Het overige deel van het plangebied blijft ongewijzigd gehandhaafd (2 woningen, aanwezige bijgebouwen, tuin en paardenbak).
32
Afvalwater en hemelwater De functieaanduiding ‘agrarisch bedrijf’ wordt beëindigd, het bouwvlak wordt verkleind en per saldo neemt het verharde/bebouwde oppervlak met ca. 50 % af. Hierdoor wordt ter plaatse het infiltrerend vermogen van de grond vergroot. Vanwege voorliggende planologische bestemmingswijziging verandert in beginsel niets ten aanzien van de huidige wijze van afvoer van het afval- en hemelwater van de overige bestaande bebouwing en verharding. Daar in onderhavig plan slechts sprake is van sloop (geen nieuwbouw) en inpandige verbouwing heeft Waterschap Limburg aangegeven geen bezwaren te hebben tegen de planontwikkeling. Het plan is ook separaat door de gemeente Heerlen tevens als vooroverleg ex artikel 3.1.1. BRO ter beoordeling voorgelegd aan Waterschap Limburg. Zij hebben als advies afgegeven dat er geen sprake is van uitbouw of nieuwbouw, maar enkel het wijzigen van de bestemming. Afkoppelen van hemelwater op het riool is geen eis, maar wenselijk. Bovendien komt er veel ruimte vrij voor infiltratie, daar er veel verharding wordt verwijderd.
6.5.4 Conclusie Gelet op vorenstaande vormt het aspect waterhuishouding geen belemmeringen voor onderhavige planontwikkeling.
6.6 Natuurbescherming Per 1 januari 2017 is de Wet natuurbescherming in werking getreden. Deze wet vervangt de Natuurbeschermingswet 1998, de Boswet en de Flora- en faunawet.
6.6.1 Natuurnetwerk Blijkens de kaart ‘Beschermingszone natuur en landschap’ van de Omgevingsverordening Limburg 2014 is onderhavig plangebied gelegen in de ‘bronsgroene landschapszone’ en ‘zilvergroene natuurzone’. Deze zones maken geen onderdeel uit van het Natuurnetwerk.
Kaart ' Beschermingszone natuur en landschap’ uit Omgevingsverordening Limburg 2014.
6.6.2 Natura2000 Natura2000 is een Europees netwerk van beschermde natuurgebieden. In Natura2000 gebieden worden bepaalde diersoorten en hun natuurlijke leefomgeving beschermd door de biodiversiteit te behouden. Natura2000 gebieden worden beschermd door de 'Wet Natuurbescherming'. Het meest nabijgelegen Natura2000-gebied, het Geleenbeekdal, is ten zuiden van het plangebied op 485 m afstand gelegen. Het Natura2000- gebied De Kunderberg, aan de zuidwestzijde, ligt op ca. 540 m. Beoordeeld dient te worden of zowel de realisatie- als de gebruiksfase leidt tot significante effecten op nabijgelegen Natura2000-gebieden. Bij voorliggende planontwikkeling is sprake van een planologische bestemmingswijziging van een agrarische bedrijfslocatie in een reguliere woonlocatie. Binnen de vigerende bedrijfsbestemming is sprake van meer potentieel stikstofemiterende activiteiten (d.w.z. de paardenhouderij alsook de verkeers-/ transportbewegingen) dan binnen een woonbestemming.
33
Voorliggend plan zal geen significante effecten veroorzaken ter plaatse van nabijgelegen Natura 2000 gebieden. Significant negatieve effecten worden uitgesloten. Het uitvoeren van nader onderzoek in de vorm van een passende beoordeling is niet noodzakelijk. Het aspect stikstofdepositie vormt geen belemmering voor de realisatie van het plan.
6.6.3 Flora en fauna Op grond van beschikbare provinciale natuurgegevens zijn ter plekke van het plangebied waarnemingen gedaan van beschermde soorten flora en/of fauna en zijn enkele broedvogels geconstateerd binnen het plangebied dat ongewijzigd wordt gehandhaafd.
Kaart flora en fauna Provincie Limburg
Voor de beoordeling van de sloopvergunning of – melding ter uitvoering van de toekomstige sloop van de gebouwen op het achterterrein (romneyloods en paardenstal) zal in beeld worden gebracht of de sloop gevolgen heeft voor soorten die op grond van de Wet natuurbescherming (Wnb) beschermd moeten worden. Deze toets vindt pas plaats nadat onderhavige bestemmingsplanwijziging onherroepelijk is en zal mogelijk pas medio 2023 worden uitgevoerd, waardoor onderzoek op dit moment geen toegevoegde waarde heeft. De soortenbescherming staat de uitvoerbaarheid van dit plan niet in de weg, omdat sloop van de romneyloods en de stal op het achterterrein los staat van de bestemmingsplanwijziging. Verder vinden er binnen het plangebied geen andere ontwikkelingen plaats waarbij de soortenbeschermingsregeling uit de Wnb wordt overtreden en wel om de volgende redenen: - de bedrijfsgebouwen op het achterterrein waarin (tot op heden) bedrijfsmatig paarden worden gehuisvest en voer wordt opgeslagen zijn thans nog volledig in gebruik en afgesloten waardoor beschermde soorten er niet in gehuisvest zijn en niet in gehuisvest kunnen worden. Ter onderbouwing zijn in bijlage 5 een aantal foto’s weergegeven met de binnen- en buitenzijden van de romneyloods en de stal waaruit de huidige staat en het gebruik blijken; - het feitelijke gebruik van o.a.
de schuur binnen de toekomstige bestemming ‘wonen’ wijzigt in de praktijk niet ten opzichte van het huidige gebruik. Ook deze is volledig gesloten en hierin worden straks 2 paarden gehuisvest; - ook neemt de intensiteit van het gebruik van het plangebied bij medewerking aan de bestemmingswijziging af ten opzichte van het gebruik in het vigerende bestemmingsplan. Gelet op de aard, omvang en intensiteit van voorliggende planontwikkeling - namelijk een bestemmingswijziging - is er geen aanleiding om een quick-scan flora en fauna uit te voeren en staat de soortenbescherming de uitvoering van het plan niet in de weg.
6.6.4 Conclusie natuurbescherming Gelet op vorenstaande vormt het aspect natuurbescherming geen belemmering voor onderhavige bestemmingsplanwijziging.
6.7 Stedenbouwkundige inpassing Er is geen sprake van het oprichten van nieuwe bebouwing, maar het herbestemmen van 2 bedrijfswoningen in 2 reguliere woningen en het verwijderen van de bestemming ‘Agrarisch’ met de functieaanduiding agrarisch bedrijf en bijbehorend bouwvlak. Bij de beoordeling van de
34
stedenbouwkundige inpassing dienen we ook rekening te houden met de benodigde parkeervoorzieningen. Dit is in hoofdstuk 6.4 opgenomen. Binnen de woonbestemming zullen er in de bestaande schuur hobbymatig 2 paarden in een paardenstal worden gehuisvest. De paarden worden in de huisweides geweid en bereden in de thans aanwezige en te handhaven paardenbak binnen de (nieuwe) bestemming ‘Agrarisch met waarden’. Deze paardenbak ligt op ca. 85 m. afstand van de dichtstbijzijnde woningen binnen de lintbebouwing en door de aanwezige begroeiing/tuinen is hier geen direct zicht op. Het hobbymatig houden en huisvesten van 2 paarden past prima in deze woonomgeving. Het plangebied is gelegen in een lintbebouwing aan de rand van het buitengebied en voor de paarden is een grote huiskavel beschikbaar. Tevens worden de ontsierende bedrijfsopstallen gesloopt en bijbehorende verharding verwijderd. Eén en ander is ook in beeld ingebracht in ‘Landschapsplan Benzenrade 32 & 32a Heerlen’ d.d. 28-12022, hetgeen als bijlage 4 aan deze toelichting is toegevoegd. Hierin is ook de landschappelijke inpassing aan de zijde van het buitengebied (zuidwestzijde) opgenomen met het groen en de gebruikte materialen voor de oprijlaan en de toegang.
6.8 Duurzaamheid en energie Duurzame stedenbouw verbreedt de aandacht naar meer aspecten dan alleen de verkaveling en ontsluiting. Duurzaamheid gaat ook om een zuinig ruimtegebruik, milieuvriendelijkheid, veilig verkeer en vervoer en natuur en rekening houden met het waterhuishoudingsysteem, omgevingsinvloeden, landschapsstructuren en landschapselementen. Dit betekent in de praktijk dat gelet moet worden op het materiaalgebruik, de vormgeving, gebruik van alternatieve energiebronnen, compact bouwen, intensief ruimtegebruik en flexibel bouwen (levensloopbestendig). Duurzaam bouwen heeft een volwaardige plaats in het ontwerp, het bouwen en beheren van de bebouwing. Tijdens de bouw kan door zuinig om te gaan met bouwmaterialen worden voorkomen dat er onnodig afval ontstaat. Voorliggende planontwikkeling voorziet primair in een planologische bestemmingswijziging om twee bestaande (bedrijfs)woningen om te vormen tot twee gezinswoningen. Deze zijn reeds aanwezig en volledig geïsoleerd.
35
Hoofdstuk 7 Uitvoerbaarheid De uitvoerbaarheid van de planontwikkeling dient in relatie tot de gemeentelijke financiën te zijn gewaarborgd. Daarbij dient ook te worden onderzocht of en in hoeverre de voorgenomen afwijkingen ten opzichte van het vigerende bestemmingsplan aanleiding kunnen geven tot aanspraken om planschade als bedoeld in artikel 6.1 van de Wet ruimtelijke ordening.
7.1 Grondexploitatie 7.1.1 Algemeen Afdeling 6.2 van de Wet ruimtelijke ordening draagt de titel 'Grondexploitatie'. In dit hoofdstuk wordt ingegaan op de mogelijkheden voor gemeenten (en ook provincie en Rijk indien deze als planwetgever optreden) om langs publiekrechtelijke weg eisen te stellen aan het in exploitatie brengen van gronden. Het gaat dan onder andere om eisen op het gebied van kostenverhaal, sociale woningbouw, particulier opdrachtgeverschap en fasering van de invulling van den openbare ruimte. Ook zijn in afdeling 6.2 Wro twee bepalingen opgenomen over de wijze waarop langs privaatrechtelijke weg eisen gesteld kunnen worden aan het in exploitatie brengen van gronden.
7.1.2 Exploitatieplan Afdeling 6.4 Wro beschrijft een publiekrechtelijk stelsel waarbinnen door gemeenten (en in voorkomend geval provincie of Rijk) eisen gesteld kunnen worden aan de grondexploitatie. Dit publiekrechtelijk instrumentarium is aanvullend van aard. Het primaat ligt bij vrijwillige civielrechtelijke afspraken. Deze civielrechtelijke afspraken worden gemaakt in hetzij een anterieure overeenkomst (er is nog geen exploitatieplan vastgesteld) hetzij een posterieure overeenkomst (er is al een exploitatieplan vastgesteld). Artikel 6.12, lid 1 Wro bepaalt dat de gemeenteraad wordt verplicht om de gronden, waarop een bij algemene maatregel van bestuur aangewezen bouwplan is voorgenomen, een exploitatieplan op te stellen. Artikel 6.2.1 Besluit ruimtelijke ordening geeft aan om welke bouwplannen het gaat. Onderhavig plan is geen bouwplan in de zin van artikel 6.2.1. Bro, derhalve is er geen verplichting voor de gemeente Heerlen aanwezig om het verhaal van de kosten te hebben verzekerd voor de uitvoerbaarheid van het plan. Om die reden wordt er dan ook geen anterieure overeenkomst tussen de gemeente Heerlen en initiatiefnemer gesloten. De kosten worden door de gemeente Heerlen verhaald via de door de gemeenteraad vastgestelde leges.
7.2 Planschade Artikel 6.1 Wet ruimtelijke ordening biedt de grondslag voor de vergoeding van zogenoemde planschade. Deze schadevergoeding wordt (in beginsel) door het college van burgemeester en wethouders van de betreffende gemeente toegekend aan degene die als gevolg van een planontwikkeling schade lijdt. Artikel 6.4a Wro bepaalt dat de gemeente de mogelijkheid heeft om met een initiatiefnemer van een planontwikkeling een overeenkomst te sluiten. De strekking van dergelijke planschadeovereenkomst is dat de door derden geleden schade geheel (of gedeeltelijk) voor rekening komt van de initiatiefnemer, omdat de schade voortvloeit uit het op zijn of haar verzoek ten behoeve van een planontwikkeling wijzigen van het bestemmingsplan of verlenen van een omgevingsvergunning. In het kader van voorliggende bestemmingsplanherziening is het sluiten van een planschadeovereenkomst tussen initiatiefnemer en de gemeente derhalve niet aan de orde, omdat derden geen schade zullen ondervinden als gevolg van dit plan.
36
Hoofdstuk 8 Planstukken Het bestemmingsplan 'Benzenrade 32’ van de gemeente Heerlen bestaat uit voorliggende toelichting, regels en een verbeelding.
8.1 Algemeen Op 1 juli 2008 is de Wet ruimtelijke ordening (Wro) in werking getreden. Behalve een vernieuwd stelsel voor processen voor de ruimtelijke ordening in Nederland, worden met de inwerkingtreding van de Wro ook de resultaten van DURP (Digitale Uitwisseling in Ruimtelijke Processen) wettelijk verankerd. Dit houdt in dat nagenoeg alle instrumenten uit de Wro door bronhouders digitaal beschikbaar zijn, waardoor de bestemmingsplannen onderling vergelijkbaar worden. Hiervoor is het pakket 'RO Standaarden 2012' ontwikkeld, dat wettelijk is vastgelegd in de bij de Wro behorende 'Regeling standaarden ruimtelijke ordening'. Vergelijkbaarheid van bestemmings- en inpassingsplannen wordt door de SVBP2012 (Standaard Vergelijkbare Bestemmingsplannen 2012) op drie manieren gerealiseerd: • er is een begrippenkader gegeven dat in de plannen toegepast moet worden. Het gaat dan bijvoorbeeld om lijsten van bestemmingshoofdgroepen met mogelijke gebruiksdoelen, dubbelbestemmingen, aanduidingen, indeling van regels etc. Voor het hanteren van het begrippenkader is geen specifieke software vereist; • er is een verplichte 'analoge verbeelding' voorgeschreven, hetgeen inhoudt de manier waarop het plan op papieren kaarten moet worden getoond. Er zijn dwingende regels inzake de opmaak van het plan.
Voor het opmaken van plannen is in de praktijk speciale software benodigd; • er is een verplichte 'digitale verbeelding' voorgeschreven, waarmee wordt gedoeld op het tonen van het plan in een digitale omgeving (website). Vanaf 1 januari 2010 dient een bestemmingsplan digitaal raadpleegbaar en uitwisselbaar te zijn. Voorliggend wijzigingsplan voldoet aan deze digitaliseringverplichting.
8.2 Toelichting, regels en verbeelding Een bestemmingsplan bestaat uit een toelichting, regels en een verbeelding. De regels en verbeelding vormen tezamen het juridisch bindende gedeelte van het bestemmingsplan. Beide planonderdelen dienen in onderling verband te worden bezien. De regels en de verbeelding zijn namelijk onlosmakelijk met elkaar verbonden, aangezien op de verbeelding de bestemmingen visueel zijn weergegeven en de regels onder andere het gebruik en de bouwmogelijkheden bij deze bestemmingen geven.
8.2.1 Toelichting De toelichting van het bestemmingsplan heeft geen rechtskracht, maar is wel een belangrijk onderdeel van het totale plan. De toelichting geeft namelijk een weergave van de beweegredenen, de onderzoeksresultaten en de beleidsuitgangspunten zoals deze aan het bestemmingsplan ten grondslag liggen. Tot slot is de toelichting een belangrijk hulpmiddel bij de interpretatie van het plan.
8.2.2 Regels Conform de SVBP2012 dienen de regels van een bestemmings-/wijzigingsplan volgens een bepaalde opbouw te worden opgesteld, waarbij opgemerkt dient te worden dat niet elk bestemmingsplan alle elementen van navolgende opbouw bevat: • • •
Hoofdstuk 1: Inleidende regels Begrippen Wijze van meten Hoofdstuk 2: Bestemmingsregels Bestemmingen Dubbelbestemmingen Hoofdstuk 3: Algemene regels Anti-dubbeltelregel Algemene bouwregels Algemene gebruiksregels
37
•
Algemene aanduidingsregels Algemene afwijkingsregels Algemene wijzigingsregels Verwezelijking in de naaste toekomst Algemene procedureregels Overige regels Hoofdstuk 4: Overgangs- en slotregels Overgangsrecht Slotregel
De regels van de verschillende bestemmingen worden als volgt opgebouwd, waarbij eveneens geldt dat een bestemmingsregel niet alle elementen hoeft te bevatten: - Bestemmingsomschrijving - Bouwregels - Nadere eisen - Afwijken van de bouwregels - Specifieke gebruiksregels - Afwijken van de gebruiksregels - Omgevingsvergunning voor het uitvoeren van werken of werkzaamheden - Omgevingsvergunning voor het slopen van een bouwwerk - Wijzigingsbevoegdheid Vorenstaande gestandaardiseerde opbouw is gehanteerd bij het opstellen van de regels behorende bij voorliggen bestemmingsplan.
8.2.3 Verbeelding De 'vroegere' plankaart wordt in het kader van het huidige planologische regime aangeduid als 'verbeelding'. Op een verbeelding wordt de grens van het plangebied weergegeven waarbinnen onder meer de verschillende (dubbel)bestemmingen, bouwvlakken en bouw-/functie-/maatvoeringsaanduidingen (en de ligging daarvan) visueel zijn weergegeven. Verder voorziet bijbehorende verbeelding in de naam van voorliggend bestemmingsplan en een tekeningnummer. Dit zijn verplichtingen in het kader van de Wet ruimtelijke ordening. De verbeelding is direct (juridisch) verbonden met de bijbehorende regels. In deze regels worden de condities en voorwaarden gesteld behorende bij de verschillende bestemmingen.
38
Hoofdstuk 9 Vooroverleg, inspraak en formele procedure 9.1 Inleiding De procedure voor vaststelling van een bestemmingsplan zijn door de wetgever geregeld. Aangegeven is dat tussen gemeente en verschillende instanties overleg over het plan moet worden gevoerd alvorens een ontwerp bestemmingsplan ter visie kan worden gelegd. Bovendien is het noodzakelijk dat belanghebbenden de gelegenheid hebben om hun visie omtrent het plan te kunnen geven. Pas daarna kan de wettelijke procedure met betrekking tot vaststelling van het bestemmingsplan van start gaan.
9.2 Vooroverleg Artikel 3.1.1 Besluit ruimtelijke ordening (Bro) bepaalt dat burgemeester en wethouders bij de voorbereiding van een bestemmingsplan, waar nodig, overleg plegen andere betrokken overheden en overheidsdiensten (wettelijke adviseurs). Daarbij moet worden gedacht aan naburige gemeenten, het waterschap, en de diensten van het Rijk en de provincie. Overleg met het waterschap is altijd verplicht, terwijl het tot de verantwoordelijkheid van de gemeente behoort om te beoordelen of overleg met de desbetreffende diensten van het Rijk en de provincie nodig is. Artikel 3:6 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) is van overeenkomstige toepassing. De bedoeling van dit vooroverleg is voornamelijk om de opstellers van het plan tijdig de mogelijkheid te geven het plan desgewenst aan opmerkingen van andere overheden aan te passen. De Provincie Limburg en Waterschap Limburg hebben van deze mogelijkheid gebruik gemaakt en met de uitkomst van het vooroverleg is rekening gehouden door verwerking van de gestelde eisen in het plan. Een verslag van het vooroverleg is in bijlage 6 opgenomen.
9.3 Inspraak Middels het publiceren en de terinzagelegging van een bestemmingsplan wordt de mogelijkheid geboden zienswijzen in te dienen of kan een onafhankelijke adviesinstantie advies uitbrengen. Ook is in voornoemd artikel bepaald dat het voornemen tot het voorbereiden van een bestemmingsplan, waarbij geen MER wordt opgesteld, dient te worden gepubliceerd conform artikel 3:12, lid 1 en 2 van de Algemene wet bestuursrecht en langs elektronische weg. Ten behoeve van voorliggend planvoornemen behoeft op grond van de inspraakverordening van de gemeente Heerlen geen inspraakprocedure te worden gevolgd. Initiatiefnemer heeft omwonenden van de plannen en wijziging van de bestemming per brief op 26 febr. 2020 geïnformeerd. De reacties hierop zijn opgenomen zijn in bijlage 2.
9.4 Formele procedure 9.4.1 Algemeen De wettelijke (formele) bestemmingsplanprocedure, die circa 26 weken in beslag neemt, bestaat uit navolgende stappen: 1. Openbare kennisgeving van het ontwerp bestemmingsplan. 2. Ter inzage legging van het ontwerp bestemmingsplan met alle bijbehorende stukken gedurende 6 weken. Tevens wordt de bekendmaking toegezonden aan Gedeputeerde Staten, belanghebbenden en betrokken Rijksdiensten. 3. Gedurende de termijn van ter inzage legging kan een ieder zienswijzen naar voren brengen. 4. Vaststelling van het bestemmingsplan door de gemeenteraad binnen 12 weken. 5. Algemene bekendmaking van het bestemmingsplan door ter inzage legging met voorafgaande kennisgeving en toezending van het besluit tot vaststelling aan Gedeputeerde Staten en betrokken Rijksdiensten, Waterschappen en gemeenten: binnen 2 weken dan wel, indien
39
6. 7.
Gedeputeerde Staten of de inspecteur zienswijzen hebben ingebracht of het bestemmingsplan gewijzigd is vastgesteld, binnen 6 weken na vaststelling. Mogelijkheid tot beroep bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen 6 weken na bekendmaking voor belanghebbenden. Inwerkingtreding op de dag na afloop van de beroepstermijn, zijnde 6 weken na de bekendmaking, tenzij binnen deze termijn een verzoek om voorlopige voorziening is ingediend bij de Voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
9.4.2 Zienswijzen Het ontwerp van voorliggend bestemmingsplan heeft met ingang van 1 juli 2022 tot en met 11 augustus 2022 voor zienswijzen ter visie gelegen. Gedurende deze periode is voor een ieder de mogelijkheid geboden een zienswijze in te dienen. Gedurende deze termijn zijn geen zienswijzen ingekomen.
40