CConstaterende datHeerlen
Koppel je AI →
Document · PDF

t_NL.IMRO.0917.BP030801W000002-0401.pdf

Raadsvergadering . (video) 19 oktober 2022, gemeente HeerlenBij agendapunt: Bestemmingsplan "Benzenrade 32"13.907 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 2

Toelichting bestemmingsplan “Benzenrade 32”

Planstatus : vastgesteld Datum : 2022-10-19 Plan identificatie : NL.IMRO.0917.BP030801W000002-0401 Auteur : mw Arvalis

1

Inhoudsopgave Hoofdstuk 1 Inleiding .............................................................................................................................. 4 Hoofdstuk 2 Plangebied en planontwikkeling ......................................................................................... 5 2.1 Ligging plangebied ......................................................................................................................... 5 2.2 Beoogde planontwikkeling ............................................................................................................ 7 3.1 Bestemmingsplan 'Buitengebied’ ................................................................................................ 10 Hoofdstuk 4 Beleid ................................................................................................................................ 12 4.1 Rijksbeleid.................................................................................................................................... 12 4.2 Provinciaal beleid ........................................................................................................................ 13 4.3 Structuurvisie Wonen Zuid-Limburg ...........................................................................................

19 4.4 Gemeentelijk beleid .................................................................................................................... 20 Hoofdstuk 5 Milieutechnische aspecten ............................................................................................... 23 5.1 Milieueffectrapportage ............................................................................................................... 23 5.2 Bodem ......................................................................................................................................... 23 5.3 Geluid .......................................................................................................................................... 25 5.4 Milieuzonering ............................................................................................................................. 25 5.5 Luchtkwaliteit .............................................................................................................................. 26 5.6 Externe veiligheid ........................................................................................................................ 27 5.7 Milieu algemeen ..........................................................................................................................

29 Hoofdstuk 6 Overige ruimtelijke aspecten ............................................................................................ 30 6.1 Archeologie.................................................................................................................................. 30 6.2 Cultuurhistorie............................................................................................................................. 31 6.3 Kabels en leidingen...................................................................................................................... 31 6.4 Verkeer en parkeren.................................................................................................................... 32 6.5 Waterhuishouding ....................................................................................................................... 32 6.6 Natuurbescherming ..................................................................................................................... 33 6.7 Stedenbouwkundige inpassing .................................................................................................... 34 6.8 Duurzaamheid en energie ...........................................................................................................

35 Hoofdstuk 7 Uitvoerbaarheid ................................................................................................................ 36 7.1 Grondexploitatie.......................................................................................................................... 36 7.2 Planschade................................................................................................................................... 36 Hoofdstuk 8 Planstukken....................................................................................................................... 37 8.1 Algemeen..................................................................................................................................... 37 8.2 Toelichting, regels en verbeelding .............................................................................................. 37 Hoofdstuk 9 Vooroverleg, inspraak en formele procedure .................................................................. 39 9.1 Inleiding ....................................................................................................................................... 39 2

9.2 Vooroverleg ................................................................................................................................. 39 9.3 Inspraak ....................................................................................................................................... 39 9.4 Formele procedure ...................................................................................................................... 39 Bijlagen Bijlage 1: Adviesbrief gemeente Heerlen d.d. 17-1-2020 Bijlage 2: Brief buren Benzenrade 32/32a d.d. 26-2-2020 en samenvatting reacties Bijlage 3a: Verkennend bodemonderzoek - MA200332.RO1.V1.0 - 17 juni 2020 Bijlage 3b: Verkennend asbestonderzoek – MB200332.B01 d.d.20 januari 2022 Bijlage 3c: Verkennend asbestonderzoek – MC200332.B01 d.d. 24 mei 2022 Bijlage 4: Landschapsplan Benzenrade 32 & 32a Heerlen - schetsontwerp d.d. 28-1-2022 Bijlage 5: Foto’s binnenzijden romneyloods en stal op het achterterrein d.d. 14-4-2022 Bijlage 6: Verslag vooroverleg bestemmingsplan Provincie Limburg en Waterschap Limburg

3

Hoofdstuk 1 Inleiding Op de locatie Benzenrade 32 en 32a te (6419 PG) Heerlen is een agrarisch bedrijf met 2 bedrijfswoningen gelegen. Het bedrijf wordt thans als paardenhouderij geëxploiteerd.

Uitsnede topografische kaart met aanduiding plangebied

Voor de locatie is het Besluit landbouw milieubeheer en het Activiteitenbesluit milieubeheer van toepassing voor het huisvesten van 49 paarden, opslag van mest en meststoffen, hooi en stro, stallen van machines en werktuigen en het uitvoeren van kleine werkzaamheden in een werkplaats. Het voornemen van de initiatiefnemer (eigenaar) is om het agrarische bedrijf te beëindigen en de betreffende locatie te gaan benutten voor reguliere woondoeleinden (2 woningen). Tevens wordt een deel van de agrarische bebouwing (paardenstal en betonnen mestopslagplaats) en bijbehorende verhardingen op het achterterrein gesloopt. De schuur achter de woningen en de buitenbak voor de paarden worden gehandhaafd voor privé-doeleinden. Het gewenste gebruik past niet binnen de bestemmingen ‘Agrarisch’ en ‘Agrarisch met waarden’, welke op grond van het bestemmingsplan 'Buitengebied’ van de gemeente Heerlen (vastgesteld 2711-2019) van kracht zijn. De gemeente Heerlen heeft middels brief d.d. 17 januari 2020 (kenmerk: 11205) kenbaar gemaakt onder voorwaarden in te kunnen stemmen met de functiewijziging middels het doorlopen van een bestemmingsplanherziening. Zie bijlage 1 met een afschrift van de adviesbrief d.d. 17-1-2020. Voorliggend document voorziet in een toelichting op bijbehorende regels en verbeelding voor de herziening van het bestemmingsplan.

4

Hoofdstuk 2 Plangebied en planontwikkeling In dit hoofdstuk worden het plangebied, de huidige situatie en het plan beschreven. Tevens wordt in dit hoofdstuk ingegaan op de ruimtelijke effecten van het plan.

2.1 Ligging plangebied Onderhavig plangebied is gelegen binnen de bebouwde kom van Benzenrade te midden van een lintbebouwing. Aan de zuid- en zuidwestzijde wordt het plangebied begrensd door het agrarisch buitengebied. De onvoldoende ontwikkelingsmogelijkheden ter plaatse en dan met name de slechte ontsluitingsstructuur hebben er toe geleid dat de melkveehouderij al eerder is beëindigd.

Luchtfoto met aanduiding plangebied

Kadastraal betreft het plangebied de kadastrale percelen gemeente Heerlen, sectie W nr. 50 en 62 (ged.).

Kadastrale kaart met aanduiding plangebied

5

De bestaande situatie wordt weergegeven aan de hand van navolgende foto's (bron: Google Streetview, aug. 2015).

6

Foto's bestaande situatie

De woningen Benzenrade 32 en 32a zijn aansluitend aan elkaar gelegen, waarbij Benzenrade 32 aan de straatzijde is gelegen en Benzenrade 32a aansluitend aan de agrarische percelen. Beide woningen zijn in eigendom van initiatiefnemer, separaat toegankelijk en qua nutsvoorzieningen volledig gescheiden. De woningen en de schuur kennen geen achterstallig onderhoud, zijn volledig geïsoleerd en verkeren in een prima staat. Het dak van de schuur is asbestvrij.

2.2 Beoogde planontwikkeling Het voornemen is om middels een bestemmingsplanherziening een planologische wijziging door te voeren om de locatie te kunnen gaan gebruiken voor reguliere woondoeleinden.

Afbeelding planontwikkeling Benzenrade 32 en 32a waarbij de opstallen en verhardingen binnen het rode kader worden gesloopt en binnen het blauwe kader gehandhaafd blijven. De bestaande buitenbak (nr. 5) blijft ook in stand.

Het plan behelst de volgende onderdelen: omzetting van 2 bedrijfswoningen naar 2 burgerwoningen (zie voorgaande afbeelding op pagina 7 aangeduid als 1);

7

-

handhaven van de schuur achter de woningen en omzetten naar privédoeleinden voor o.a. opslag, stalling en huisvesting van max. 5 paarden (zie voorgaande afbeelding op pagina 7 aangeduid als 2). Bij nader inzien wil initiatiefnemer maximaal 2 paarden huisvesten binnen de te handhaven schuur en dit wordt in deze bestemmingswijziging dan ook aangevraagd; sloop van het bedrijfsgebouw voor de paardenhouderij op het achterterrein (zie voorgaande afbeelding op pagina 7 aangeduid als 3 en onderstaande foto’s); sloop van de betonplaat voor mestopslag (zie voorgaande afbeelding op pagina 7 aangeduid als 4 en onderstaande foto’s); handhaven van de buitenbak t.b.v. hobbymatig gebruik (zie voorgaande afbeelding op pagina 7 aangeduid als 5). De aanwezige verlichting wordt verwijderd. De buitenbak is enigszins bol gelegen met een goede afwatering. handhaven van een deel van de erfverharding op het achterterrein vanaf de ontsluiting aan de noordwestzijde tot aan de te handhaven schuur (zie voorgaande afbeelding op pagina 7 aangeduid als 6); ontsluiting van de woningen via de bestaande ontsluitingen Benzenrade en/of het perceel aan de noordwestzijde; sloop van het overig deel van de erfverharding op het achterterrein; Er is dus geen sprake van nieuwe bebouwing.

Foto van de te slopen stal en bijbehorende verhardingen gezien vanaf het bestaande weiland aan de zuidzijde

Foto met de te slopen stal

8

Foto vanaf de zuidzijde met de te slopen paardenstal en bijbehorende verhardingen en op het voorterrein de bestaande en te handhaven woningen en schuur (schuur in hout uitgevoerd).

Het beoogde gebruik van de bedrijfswoningen t.b.v. het regulier wonen alsook het gebruik van de schuur, de paardenbak en het overige terrein voor privédoeleinden is strijdig met de regels van het vigerende bestemmingsplanregime, aangezien het gebruik niet meer is gericht op agrarische doeleinden. Het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Heerlen heeft bij haar principemedewerking als voorwaarden gesteld dat: - de woningen worden toegevoegd aan de regionale woningbouwprogrammering. Compensatie is niet aan de orde; - het initiatief wordt vormgegeven middels een herziening van het bestemmingsplan. Middels een brief d.d. 26 februari 2020 zijn 8 direct aan het plangebied grenzende buurtbewoners reeds geïnformeerd over het initiatief. De opmerkingen van de buurtbewoners naar initiatiefnemer waren lovend en deze zijn samen met een afschrift van de bewonersbrief aan bijlage 2 toegevoegd. Samenvatting opmerkingen buurtbewoners: minder verkeersbewegingen naar het projectgebied langs de gevel van hun huis en hierdoor minder geluid- en stankoverlast in de tuin, meer vrij uitzicht over de weilanden/landelijk gebied.

Afbeelding met ligging van buren. De volgende buren zijn per brief geïnformeerd: Benzenrade 36, 35, 34, 31, 29a, 46, 27 en 26.

9

Hoofdstuk 3 Planologisch-juridische situatie 3.1 Bestemmingsplan 'Buitengebied’ Ter plekke van onderhavig plangebied is het bestemmingsplan 'Buitengebied’, vastgesteld door de gemeenteraad van Heerlen d.d. 27 november 2019, van kracht. De gronden binnen het plangebied hebben de bestemmingen ‘Agrarisch’ en ‘Agrarisch met waarden’. De als zodanig aangewezen gronden zijn bestemd voor agrarisch gebruik, landschappelijk gebruik en recreatief medegebruik. Tevens is ter plaatse een agrarisch bedrijf toegestaan alsmede 2 bedrijfswoningen. Voorts geldt de dubbelbestemming 'Waarde - Cultuurhistorie' en de dubbelbestemming 'Waarde - Archeologie 4' (middelhoge waarde) en voor een klein deel ‘Waarde archeologie 3’ (hoge waarde). De voor 'Waarde - Cultuurhistorie' aangewezen gronden zijn, behalve voor de andere daar voorkomende bestemming(en), mede bestemd voor de instandhouding en bescherming van waardevolle cultuurhistorische gebieden. Er gelden derhalve beperkingen voor het bouwen, het slopen en het uitvoeren van werken, geen bouwwerken zijnde, of van werkzaamheden. Zoals al eerder aangegeven is het beoogde gebruik van de bedrijfswoningen t.b.v. het regulier wonen alsook het gebruik van de schuur, de paardenbak en het overige terrein voor privédoeleinden strijdig met de regels van het vigerende bestemmingsplanregime.

Reden waarom voor het toestaan van het initiatief een bestemmingsplanherziening noodzakelijk is.

Uitsnede verbeelding 1 geldend bestemmingsplan met aanduiding plangebied

10

Uitsnede verbeelding 2 geldend bestemmingsplan met aanduiding plangebied

Uitsnede verbeelding 3 geldend bestemmingsplan met aanduiding plangebied

Uitsnede verbeelding 4 geldend bestemmingsplan met aanduiding plangebied

11

Hoofdstuk 4 Beleid In dit hoofdstuk wordt ingegaan op het Rijks-, provinciale en gemeentelijke beleid. Het Rijksbeleid wordt besproken aan de hand van de Nationale Omgevingsvisie (NOVI) die op 11-9-2020 is vastgesteld. Voor de beschrijving van het provinciale beleid is gebruik gemaakt van de Provinciale Omgevingsvisie (POVI) d.d. 1-10-2021, de Omgevingsverordening Limburg 2014 (OvL2014), de ontwerp Omgevingsverordening (welke nog niet is vastgesteld), Ladder voor duurzame verstedelijking en het provinciale woonbeleid. Het gemeentelijke beleid is ontleend aan de ‘Structuurvisie Heerlen 2015’ en ‘het Groenbeleidsplan 2013 gemeente Heerlen’.

4.1 Rijksbeleid 4.1.1. Nationale Omgevingsvisie De Nationale Omgevingsvisie (NOVI) biedt een duurzaam perspectief voor de Nederlandse leefomgeving. Hiermee kunnen we inspelen op de grote uitdagingen die voor ons liggen. De NOVI biedt een kader, geeft richting en maakt keuzes waar dat kan. Tegelijkertijd is er ruimte voor regionaal maatwerk en gebiedsgerichte uitwerking. Omdat de verantwoordelijkheid voor het omgevingsbeleid voor een groot deel bij provincies, gemeenten en waterschappen ligt, kunnen inhoudelijke keuzes in veel gevallen het beste regionaal worden gemaakt. Met de NOVI zet de Rijksoverheid een proces in gang waarmee keuzes voor onze leefomgeving sneller en beter gemaakt kunnen worden. Aan de hand van een toekomstperspectief op 2050 brengt de NOVI de langetermijnvisie in beeld. Op nationale belangen wil het Rijk sturen en richting geven. Die komen samen in vier prioriteiten: • • • •

Ruimte voor klimaatadaptatie en energietransitie; Duurzaam economisch groeipotentieel; Sterke en gezonde steden en regio's; Toekomstbestendige ontwikkeling van het landelijk gebied.

De druk op de fysieke leefomgeving in Nederland is zo groot, dat belangen soms botsen. Het streven vanuit de NOVI is combinaties te maken en win-win situaties te creëren. Soms zijn er scherpe keuzes nodig en moeten belangen worden afgewogen. Hiertoe gebruikt de NOVI drie afwegingsprincipes: • Combinaties van functies gaan voor enkelvoudige functies: In het verleden is scheiding van functies vaak te rigide gehanteerd. Met de NOVI wordt gezocht naar maximale combinatiemogelijkheden tussen functies, gericht op een efficiënt en zorgvuldig gebruik van de ruimte; • Kenmerken en identiteit van een gebied staan centraal: wat de optimale balans is tussen bescherming en ontwikkeling, tussen concurrentiekracht en leefbaarheid, verschilt van gebied tot gebied. Sommige opgaven en belangen wegen in het ene gebied zwaarder dan in het andere; • Afwentelen wordt voorkomen: het is van belang dat de leefomgeving zoveel mogelijk voorziet in mogelijkheden en behoeften van de huidige generatie van inwoners zonder dat dit ten koste gaat van die van toekomstige generaties.

4.1.2 Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) Het Barro voorziet in de juridische borging van het nationale ruimtelijke beleid. Het bevat regels die de beleidsruimte van andere overheden ten aanzien van de inhoud van ruimtelijke plannen inperken, daar waar nationale belangen dat noodzakelijk maken. Navolgende onderwerpen met nationaal belang zijn opgenomen in het Barro en de eerste aanvulling (Stb. 2012, nr. 388): • project Mainportontwikkeling Rotterdam; • kustfundament en de daarbuiten gelegen primaire waterkeringen; • grote rivieren en rijksvaarwegen en de veiligheid daarom heen; • toekomstige rivierverruiming van de Maastakken; • Waddenzee en Waddengebied, en IJsselmeergebied; • verstedelijking in het IJsselmeer; • defensie; • erfgoederen van uitzonderlijke universele waarde; • hoofdwegen en landelijke spoorwegen;

12

• •

elektriciteitsvoorziening; ecologische hoofdstructuur.

4.1.3 Regeling algemene regels ruimtelijke ordening (Rarro) Naast het Barro is ook de Regeling algemene regels ruimtelijke ordening (Rarro) in werking getreden. In het Barro is bepaald dat bij ministeriële regeling verschillende militaire terreinen, gebieden, objecten en zones worden aangewezen, waar gemeenten bij de vaststelling van bestemmingsplannen rekening mee moeten houden. In de Rarro wordt daar uitvoering aan gegeven.

4.1.4 Conclusie Rijksbeleid De beoogde planontwikkeling levert geen strijd op met de NOVI, het Barro en de Rarro. Het Rijksbeleid is niet aan de orde, omdat sprake is van een kleinschalige ontwikkeling en er geen onderwerpen vanuit de NOVI en Barro op het plangebied van toepassing zijn. Ook gelden er vanuit de Rarro geen beperkingen ten aanzien van het planvoornemen.

4.2 Provinciaal beleid 4.2.1. Provinciale Omgevingsvisie Met de komst en invoering van de Omgevingswet per 1 januari 2023 dient elke provincie haar eigen provinciale omgevingsvisie op te stellen.’ Dit document is een lange termijnvisie, met als doelstelling invulling geven over hoe de provincie Limburg in de periode 2030-2050 op een integrale en toekomstbestendige manier kan door ontwikkelen. De Provinciale Omgevingsvisie Limburg vervangt het ‘Provinciaal Omgevingsplan Limburg (POL2014).’ De omgevingsvisie is dynamisch en flexibel, aangezien dit mogelijkheden biedt om het document te actualiseren met het oog op toekomstige veranderingen. In de Omgevingsvisie Limburg wordt de richting voor de periode 2021 tot 2030-2050 geschetst. In de provinciale omgevingsvisie Limburg zijn een aantal hoofdopgaven te onderscheiden, namelijk: 1. Een aantrekkelijke, sociale, gezonde en veilige leefomgeving; a. In stedelijk c.q. bebouwd gebied;. b. In landelijk gebied;. 2. Een toekomstbestendige, innovatieve en duurzame economie; 3. Klimaatadaptieve en energietransitie. De Omgevingsvisie Limburg bestaat uit twee delen: • Een thematisch deel waarin gedetailleerd wordt ingegaan op de provinciale ambities en opgaven voor de diverse thema’s; • Een gebiedsgericht deel waarin de thema’s op hoofdlijnen verbonden worden op regionale schaal voor de drie regio’s Noord-, Midden en Zuid-Limburg.

De Omgevingsvisie is een visie in tekst en bevat geen specifiek kaartmateriaal. De begrenzingen van de zoneringen en andere werkingsgebieden die voortkomen uit de Limburgse principes en de uitwerkingen in de thema’s in deze Omgevingsvisie, zullen verankerd worden in het kaartmateriaal behorende bij de Omgevingsverordening Limburg. Daarna dienen deze tevens ter ondersteuning van deze visie. De kaarten bij de Omgevingsverordening zijn zoneringskaarten. Dit betekent dat zones over bouwblokken, gebouwen, wegen, paden en ander grondgebruik, anders dan beoogt in de betreffende zonering, geprojecteerd zijn. Het landelijke gebied wordt in het POVI onderverdeeld in 3 categorieën: • Groenblauwe mantel • Natuurnetwerk Limburg (incl. Natura2000 gebieden) • Buitengebied

13

Wonen en leefomgeving De POVI houdt vast aan een dynamisch en flexibel woonbeleid, de woonbehoeften van de Limburger zijn daarbij leidend. Verder liggen hierin ook mogelijkheden bij te dragen aan klimaat-, energie-, en duurzaamheidsdoelstellingen. Vanuit de wetgeving is de rol van de provincie op dit terrein beperkt. Daarom opereert de provincie, met betrekking tot dit thema, vanuit een agenderende, stimulerende, meesturende en verbindende rol. De POVI is hierbij een op hoofdlijnen richtinggevend kader. Aangezien de toekomst onderhevig zal zijn aan veranderingen, en elke specifieke regio voor een andere aanpak vraagt zijn meer gerichte uitwerkingen in provinciale, regionale en/of gemeentelijke programma’s, agenda’s en instrumenten noodzakelijk. Op het gebied van wonen wordt er specifiek gekeken naar welke behoeften er zijn. De grootste opgave op korte- en middellange termijn zit in het toekomstgeschikt maken van de verouderde en niet courante bestaande woningvoorraad. Uitgangspunten zijn dat deze woningen in eerste instantie levensloopbestendig dienen te worden gemaakt en daarna ook verduurzaamd. Getalsmatig zijn er voldoende woningen, kwalitatief gezien zijn dit echter niet overal de juiste woningen en de juiste plannen. Met name in de middenhuur en sociale huur is er een steeds diverse wordende groep mensen aangewezen op nieuwe woon(zorg)concepten.

Verder is er ook speciale aandacht voor de betaalbaarheid van woningen, aangezien kansen voor sommige doelgroepen afnemen door de stijgende prijzen. Een belangrijk instrument om de kwaliteit van het bebouwde gebied op orde te maken is de ladder voor duurzame verstedelijking. Hierdoor wordt de ruimte in bebouwd gebied optimaal benut. Uitgangspunt hierbij is dat leegstaand vastgoed wordt hergebruikt en herbestemd wordt. Wonen is in principe alleen toegestaan in daarvoor bestemde woongebieden, hierop kunnen – tijdelijke – uitzonderingen worden gemaakt in de vorm van een flexibele schil. Woonkwaliteit is niet alleen afhankelijk van de woning zelf. Omstandigheden die hier ook op van toepassing zijn, zijn bijvoorbeeld sociaaleconomische omstandigheden, gezondheid, leefbaarheid, het voorzieningenniveau, de bereikbaarheid en een veilige omgeving. De aandacht ligt bij het ontwikkelen van gemengde wijken, die bij kunnen dragen aan een sterk sociaal weefsel en verkleinen op die manier kloven in de samenleving. Ook belangrijk zijn natuur- en klimatologische eigenschappen van een woongebied. Groen, schone lucht, het tegengaan van hittestress en voorzieningen om wateroverlast (zowel overstromingen als droogte) tegen te gaan dragen daarmee bij aan de omgevingskwaliteit waardoor deze woningen uitermate geschikt zijn voor senioren. 4.2.2.

Provinciale omgevingsverordening “hoofdstuk ruimte” Op 12 december 2014 is de Omgevingsverordening Limburg in werking getreden. In deze verordening is het provinciaal beleid nader uitgewerkt in regelgeving. Het hoofdstuk Ruimte van de Omgevingsverordening Limburg 2014 is gebaseerd op artikel 4.1 van de Wet ruimtelijke ordening (Wro). In het hoofdstuk Ruimte van de Omgevingsverordening 2014 zijn voor een beperkt aantal onderdelen van het POL-beleid regels opgenomen. Daarnaast zijn regelingen opgenomen die naar de mening van het Rijk door de Provincies nader moeten, dan wel kunnen worden uitgewerkt in een provinciale ruimteverordening. De ruimteverordening richt zich tot de gemeentebesturen. De instructies die in dit hoofdstuk staan moeten door de gemeentebesturen in acht worden genomen bij het opstellen van bestemmingsplannen en beheersverordeningen en bij het verlenen van omgevingsvergunningen. De ruimteverordening heeft dus geen rechtstreekse werking naar burgers en bedrijven, zoals dat voor de meeste andere hoofdstukken van de Omgevingsverordening 2014 wel het geval is. Omdat het hoofdstuk ruimte geen rechtstreekse doorwerking heeft is dit opgenomen onder het provinciaal beleid. Beschermingsgebied Nationaal Landschap Zuid-Limburg In Nederland zijn in totaal 20 zogenaamde nationale landschappen aangewezen.

Dit zijn landschappen met elk een unieke combinatie van cultuurhistorische en natuurlijke elementen. De Nationale Landschappen kenmerken zich door de specifieke samenhang tussen de verschillende onderdelen van het landschap, zoals natuur, reliëf, grondgebruik en bebouwing.

14

Afbeelding uitsnede kaart aandachtsgebieden Provinciale omgevingsverordening 2014 met milieubeschermende gebieden.

Onderhavig plangebied is blijkens de kaart 'Milieubeschermingsgebieden' grotendeels gelegen in het beschermingsgebied ‘Nationaal Landschap Zuid-Limburg’. De bestaande woningen Benzenrade 32 en 32a liggen buiten dit beschermingsgebied. Het plan ligt binnen het deelgebied Plateau van Ubachsberg. Bijzonder op dit plateau is het lokaal dagzomen (gesteente dat aan de oppervlakte komt) en de winning van Kunradersteen. Ook op Benzenrade 32 en 32a is Kunradersteen in de oorspronkelijk bouw van de woonhuizen gebruikt. In de omgevingsverordening Limburg 2014 wordt ten aanzien van het beschermingsgebied ‘Nationaal Landschap Zuid-Limburg’ voorgeschreven dat de toelichting bij een ruimtelijke plan dat betrekking heeft op een gebied gelegen in deze gebieden – waarvan in onderhavig geval sprake is - een beschrijving bevat van de in het plangebied voorkomende kernkwaliteiten, de wijze waarop met de bescherming en versterking van de kernkwaliteiten is omgegaan en hoe de negatieve effecten zijn gecompenseerd. Schaalcontrast van zeer open naar besloten Het contrast tussen de openheid en beslotenheid van het landschap Zuid-Limburg is de basis bepaald door het reliëf. Het hooggelegen plateau en het lage dal zorgt voor een scala aan verschillende zichtwerkingen. Het plangebied kenmerkt zich door de ligging aan een helling in de overgang naar een beekdal met een beperkt zicht.

In voorliggend planvoornemen is sprake van een bestemmingsplanwijziging aan de rand van de lintbebouwing van Benzenrade. Een gedeelte van de bestaande bebouwing en verhardingen, grenzend aan de agrarische gronden worden verwijderd. De bestaande bebouwing nabij de lintbebouwing (2 woningen en bestaande schuur) worden gehandhaafd evenals een gedeelte van de verharding voor bereik van de schuur (via het Straatje). Per saldo is sprake afname van bebouwing en verharding en er vindt geen onevenredige aantasting plaats van het bestaande schaalcontrast van open buitengebied naar het besloten bebouwd gebied. Door de open ruimte wordt de relatie tussen de lintbebouwing/dorpsrand en het achterliggende landschap versterkt. Van enig negatief effect is geen sprake. Het groene karakter Het groene karakter van het Nationaal Landschap Zuid-Limburg is een combinatie van natuurlijke invloeden van flora en fauna en menselijke activiteit sinds de prehistorie. Het groene karakter is hierbij niet alleen belangrijk voor de ecologie van het landschap, maar heeft ook een visueel aspect. De mens vestigde zich in het begin langs de beken, maar verplaatste zich in de loop der tijden meer richting de plateaus. Het planvoornemen wordt deels inpandig uitgevoerd én per saldo neemt de bebouwing door sloop op het achterterrein af.

Ter plaatse van het plangebied wordt de bestemming ‘Agrarisch met Waarden’ als ook de weide met een kruidenrijk grasmengsel ter plaatse uitgebreid. Zie ‘Landschapsplan

15

Benzenrade 32 & 32a Heerlen d.d. 28-1-2022’ in bijlage 4 behorende bij deze toelichting. Hierdoor sluit het geheel beter aan bij de bestaande bebouwing van Benzenrade. Van een onevenredige aantasting hiervan kan dan ook geen sprake zijn. Door de sloop binnen het agrarische bedrijf wordt het agrarisch grondgebruik en het groene karakter zelfs vergroot. Reliëf en ondergrond De basis van het landschap en van de drie landschapstypen plateau, helling en dal worden gevormd door het reliëf. Het plangebied is gelegen aan een voet van een helling op de overgang naar het dal. Voorliggende planontwikkeling voorziet niet in het wijzigen van het bestaande reliëf danwel het roeren van de ondergrond. Er is dan ook geen sprake van een onevenredige aantasting van het reliëf en ondergrond; deze zullen dan ook worden gerespecteerd. De grond onder de te slopen opstallen is ter plaatse al geroerd. Rijk en gevarieerd cultuurhistorisch erfgoed Flauwe hellingen zijn door de kap van het bos geschikt gemaakt voor de landbouw en het nabijgelegen dal vormt de bewoningsgeschiedenis van Zuid-Limburg. De vroegste nederzettingen zijn ontstaan op smalle hoger gelegen zones tussen dalbodem en helling in de nabijheid van water. De bebouwing ter plekke is niet expliciet aangeduid als monumentaal en/of karakteristieke bebouwing.

De bebouwing van het planvoornemen aan de straatzijde - Benzenrade - is en blijft in gebruik als woningen, bestaat uit Kunradersteen en verkeert in een prima bouwkundige staat. Het is wenselijk dat dit straatbeeld wordt behouden en met de beoogde planwijziging wordt verloedering voorkomen. Dit doet ook recht aan de cultuurhistorische waarden. Het cultuurhistorisch erfgoed ter plekke wordt derhalve beschermd door voorliggend planvoornemen. Zonering Limburg

Afbeelding uitsnede kaart aandachtsgebieden Provinciale omgevingsverordening 2014 met zonering.

Het plangebied is grotendeels binnen de bronsgroene landschapszone gelegen en de te handhaven paardenbak binnen de zilvergroene landschapszone. Bronsgroene landschapszone De 'bronsgroene landschapszone' betreft de beekdalen én gebieden met steilere hellingen met een grote variatie aan functies, die in hoge mate bepalend zijn voor het beeld van het Limburgs landschap. De provinciale beleidsaccenten zijn gericht op de kwaliteit en het functioneren van het regionale watersysteem, de ontwikkeling van de landbouw in balans met de omgeving, het versterken van de kernkwaliteiten landschap en cultuurhistorie en recreatief medegebruik. Het plangebied met uitzondering van de te handhaven paardenbak wordt gerekend tot de bronsgroene landschapszone. Dit betreft overwegend landbouwgronden maar ook andere functies als verblijfsrecreatieve terreinen, woningen en linten van bebouwing komen hierin voor.

16

Zilvergroene natuurzone Een klein deel van het plangebied met de te handhaven paardenbak als de te slopen ruwvoeropslag en vaste mestopslag liggen binnen de zilvergroene natuurzone. De ‘zilvergroene natuurzone’ omvat landbouwgebieden waar grote kansen liggen voor natuurwaarden. Hier zijn de provinciale beleidsaccenten gericht op de ontwikkeling van grondgebonden landbouw, het beheer en de ontwikkeling van flora en fauna en het recreatief medegebruik. Deze zone omvat vooral landbouwgebieden, die belangrijk zijn vanwege de aanwezige natuurwaarden. Het accent ligt hier op het bieden van mogelijkheden voor agrarisch natuurbeheer. Op basis van omgevingsverordening dient te worden onderbouwd: a. Welke waarde heeft het plangebied binnen de zilvergroene natuurzone als ecologische verbinding tussen gebieden gelegen binnen de Goudgroene natuurzone met het oog op de impact voor de habitattypen in de Natura 2000 – gebieden? b. Welke waarden heeft het plangebied binnen de zilvergroene natuurzone met het oog op de instandhouding van de natuurdoeltypen in de aangrenzende gebieden van de Goudgroene natuurzone? c. Op welke wijze is rekening gehouden met de waarden onder a. en b.

en vindt er op gebiedsniveau per saldo geen kwaliteitsverlies plaats van bedoelde waarden? Het gedeelte van het plangebied gelegen binnen de Zilvergroene natuurzone ligt aan de rand van de Zilvergroene natuurzone op de overgang naar de bronsgroene landschapszone. De Zilvergroene natuurzone vormt een buffer tussen de Bronsgroene Landschapszone en de Goudgroene natuurzone. De aanwezige verhardingen voor de opslag van vaste mest en opslag van ruwvoer binnen dit deel van het plangebied worden verwijderd en ingezaaid met kruidenrijk grasland. Dit draagt in positieve zin bij aan de gewenste habitattypen in de Natura-2000 gebieden en de gewenste natuurdoeltypen in de aangrenzende gebieden van de Goudgroene Natuurzone. De aanwezige paardenbak binnen het plangebied binnen de Zilvergroene Natuurzone blijft ongewijzigd gehandhaafd. Echter, het gebruik van deze paardenbak wordt geëxtensiveerd doordat de paardenstal binnen het plangebied wordt gesloopt en de bedrijfsmatige activiteiten inclusief het huisvesten van paarden wordt beëindigd. Alleen 2 paarden worden hobbymatig gehouden en deze maken gebruik van de te handhaven paardenbak. Kortom, het plan heeft een positief effect op de na te streven waarden. Ten opzichte van de vigerende situatie is er bij medewerking aan het plan geen sprake van kwaliteitsverlies van de bedoelde waarden.

Toets Onderhavig plan past binnen de in het provinciale beleid gehanteerde zoneringen. De omvorming van de bedrijfswoningen in reguliere woningen past binnen de uitgangspunten van de bronsgroene landschapszone. Tevens worden de waarden van de aansluitende zilvergroene natuurzone niet aangetast en door de ontstening ter plaatse en beëindiging van de bedrijfsmatige activiteiten zelfs versterkt. De gronden ten zuiden van het plangebied (botanische weilanden met o.a. struweelhagen) zijn in eigendom en beheer van initiatiefnemer en het beheer hiervan wijzigt niet. Deze gronden vormen ook een belangrijke basis voor de vormgeving van de zilvergroene natuurzone. 4.2.3. Ontwerp Omgevingsverordening De provincie Limburg heeft met ingang van 7 juni 2021 de Ontwerp Omgevingsverordening Limburg ter inzage gelegd. Dit vormt een belangrijke stap om te komen tot de herziening van de nu nog geldende verordening. Met deze Ontwerp Omgevingsverordening wordt aangesloten bij de kaders en het instrumentarium van de Omgevingswet. De inhoud van de Ontwerp Omgevingsverordening (2021) verschilt inhoudelijk niet veel van de huidige Omgevingsverordening (2014). Het betreft, zoals de provincie zelf ook aangeeft, een grotendeels beleidsneutrale omzetting van de huidige omgevingsverordening.

17

Afbeelding uitsnede kaart aandachtsgebieden ontwerp Omgevingsverordening Limburg.

Binnen de ontwerp-Omgevingsverordening Limburg is het plangebied gelegen binnen de groenblauwe mantel. De kernkwaliteiten zijn het groene karakter, het visueel-ruimtelijk karakter, het cultuurhistorisch erfgoed en het reliëf. De beschrijving hiervan komt overeen met de beschrijving van de kernkwaliteiten in paragraaf 4.2.2. (bron Handvat Kern Kwaliteiten Nationaal Landschap ZuidLimburg).

4.2.4 Ladder voor duurzame verstedelijking De zogenaamde ‘ladder voor duurzame verstedelijking’ is opgenomen in artikel 3.1.6, tweede lid, Besluit ruimtelijke ordening en luidt als volgt: 'De toelichting bij een bestemmingsplan dat een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk maakt, bevat een beschrijving van de behoefte aan die ontwikkeling, en, indien het bestemmingsplan die ontwikkeling mogelijk maakt buiten het bestaand stedelijk gebied, een motivering waarom niet binnen het bestaand stedelijk gebied in die behoefte kan worden voorzien.' De ladder voor duurzame verstedelijking is door de provincie verankerd in de Omgevingsverordening Limburg 2014 (OvL2014) in artikel 2.2.2, lid 1. Aanvullend op deze ladder heeft de provincie daarin bepaald dat tevens de mogelijkheden van herbenutting van leegstaande monumentale en beeldbepalende gebouwen moet worden onderzocht. Uitgangspunt voor toepassing van de ladder voor duurzame verstedelijking is dat sprake dient te zijn van een stedelijke ontwikkeling. Conform artikel 2.2.1 van de OvL2014 is de definitie van een stedelijke ontwikkeling een ‘ruimtelijke ontwikkeling van een bedrijventerrein of van kantoren, detailhandel, woningbouwlocaties of andere stedelijke voorzieningen’.

In onderhavig planvoornemen is sprake van een herbestemming van twee bestaande woningen, bijbehorende schuur en een buitenbak voor privé-matig gebruik gelegen te Benzenrade 32 en 32a Heerlen én de sloop van bedrijfsopstallen en -verhardingen als het beëindigen van een agrarisch bedrijf (paardenhouderij). Onderhavige ontwikkeling betreft geen stedelijke ontwikkeling als bedoeld in artikel 1.1.1, eerste lid, aanhef en onder i, Bro. Zulks blijkt uit overzichtsuitspraak1 over de ladder voor duurzame verstedelijking van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op 28 juni 2017 (uitspraak 201608869/1/R3). Voorliggende planontwikkeling wordt derhalve niet aangemerkt als een stedelijke ontwikkeling als bedoeld in deze bepaling van het Bro, zodat artikel 3.1.6, tweede lid, van het Bro niet van toepassing is.

18

4.2.5 Provinciaal woonbeleid In de Omgevingsverordening Limburg 2014 wordt in paragraaf 2.4.2 Wonen ingegaan op woningbouwplannen. Ten aanzien van nieuwe woningen is daarbij het navolgende opgenomen: • Een ruimtelijk plan voor een gebied gelegen in de regio Noord-Limburg voorziet niet in de toevoeging van woningen aan de bestaande voorraad woningen alsmede aan de bestaande planvoorraad woningen anders dan op de wijze zoals beschreven in de door de gemeenteraden vastgestelde Regionale Structuurvisie Wonen Noord-Limburg. • Een ruimtelijk plan voor een gebied gelegen in de regio Midden-Limburg voorziet niet in de toevoeging van woningen aan de bestaande voorraad woningen alsmede aan de bestaande planvoorraad woningen anders dan op de wijze zoals beschreven in de door de gemeenteraden vastgestelde Structuurvisie Wonen, Zorg en Woonomgeving Midden-Limburg. • Een ruimtelijk plan voor een gebied gelegen in de regio Zuid-Limburg voorziet niet in de toevoeging van woningen aan de bestaande voorraad woningen alsmede aan de bestaande planvoorraad woningen anders dan op de wijze zoals beschreven in de door de gemeenteraden vastgestelde Regionale Structuurvisie Wonen Zuid-Limburg.

• Als een ruimtelijk plan niet voldoet aan het gestelde in het eerste, tweede of derde lid , kunnen Gedeputeerde Staten, rekening houdend met het standpunt van het Regionaal Bestuurlijk Overleg, gelegenheid bieden voor maatwerk in afwijking van het bepaalde in die leden. • De toelichting bij het ruimtelijke plan voor een gebied gelegen in de regio Noord-Limburg respectievelijk de regio Midden-Limburg respectievelijk de regio Zuid-Limburg, dat betrekking heeft op het toevoegen van woningen aan de bestaande voorraad woningen alsmede aan de bestaande planvoorraad woningen, bevat een verantwoording van de wijze waarop invulling is gegeven aan het bepaalde in het eerste lid respectievelijk het tweede lid respectievelijk het derde lid, dan wel van de wijze waarop invulling is gegeven aan het bepaalde in het vierde lid. • De toelichting bij het ruimtelijk plan bevat tevens een verantwoording van de bijdrage die met de vaststelling van dat ruimtelijk plan wordt geleverd aan de regionale opgave gericht op het terugdringen van de planvoorraad van nog onbenutte bouwmogelijkheden voor woningen en als het vierde lid van toepassing is, van het versterken van de kwalitatieve woningvoorraad. De gemeenteraad van Heerlen heeft de Structuurvisie Wonen Zuid-Limburg vastgesteld op 23 november 2016. Onderhavig plan voldoet aan het bepaalde in die structuurvisie.

In paragraaf 4.3 van voorliggende toelichting wordt daarop ingegaan.

4.2.6 Conclusie provinciaal beleid Gelet op vorenstaande uiteenzetting van het vigerende provinciale beleid, bestaan er geen onoverkomelijke belemmeringen met betrekking tot voorliggende planontwikkeling. De ter plekke van onderhavig plangebied van toepassing zijnde provinciale zonering ‘bronsgroene landschapszone’ en ‘zilvergroen natuurzone’ (Omgevingsverordening Limburg) resp. groenblauwe mantel (ontwerp Omgevingsverordening Limburg) impliceren geen belemmeringen vanuit beleidsoogpunt. Voorts is geen sprake van strijdigheid met de uitgangspunten van het beschermingsgebied ‘Nationaal Landschap Zuid-Limburg’ en eventuele andere beschermingsgebieden. De ladder voor duurzame verstedelijking is niet aan de orde.

4.3 Structuurvisie Wonen Zuid-Limburg Op 23 november 2016 heeft de gemeenteraad van Heerlen ingestemd met de Structuurvisie Wonen Zuid-Limburg (SVWZL). De SVWZL is een gezamenlijke, Zuid-Limburgse ruimtelijke visie op de woningmarkt, opgesteld door de Zuid-Limburgse gemeenten Beek, Brunssum, Eijsden-Margraten, Gulpen-Wittem, Heerlen, Kerkrade, Landgraaf, Maastricht, Meerssen, Nuth, Onderbanken, Schinnen, Simpelveld, Sittard-Geleen, Stein, Vaals, Valkenburg aan de Geul en Voerendaal. Het kader voor de SVWZL is het in samenwerking met de provincie en andere direct betrokken partijen tot stand gekomen en in december 2014 vastgestelde Provinciaal Omgevingsplan Limburg (POL), dat eveneens een visie bevat op Zuid-Limburg. In de SVWZL staat de transformatieopgave centraal, dat wil zeggen de totale woningbehoefte op basis van het aantal huishoudens, rekening houdend met de huidige woningvoorraad en de leegstand. De SVWZL bevat een driedelige opgave voor gemeenten, namelijk:

19

• • •

a. het verdunnen van de bestaande voorraad waar sprake is van een overschot; b. het terugdringen van de ongewenste planvoorraad tot het niveau van de transformatieopgave; c. het toevoegen van woonproducten waar een tekort van is, passend binnen de uitgangspunten van de SVWZL.

Om invulling te geven aan deze opgave hebben de Zuid-Limburgse gemeenten in totaal dertien beleidsafspraken met elkaar gemaakt. Eén van de afspraken luidt als volgt: op een uniforme wijze dient een afweging te worden gemaakt om kwalitatief goede nieuwe woningbouwinitiatieven aan de woningmarktprogrammering toe te voegen. Nieuwe woningbouwinitiatieven moeten worden gecompenseerd. Hierbij kan in volgorde gebruik gemaakt worden van: • Compenseren met direct gekoppelde sloop of onttrekking; • Elke nieuw toe te voegen woning wordt financieel gecompenseerd door middel van een op Zuid-Limburgs niveau uitwerkte uniforme financiële compensatieregeling, waarvan de middelen in een sub regionaal op te zetten sloopfonds vloeien; • De gemeente neemt de sloopverplichting over en voert deze binnen de raadstermijn uit, waarbinnen dit besluit is genomen; • Door middel van het schrappen van reeds bestaande harde plancapaciteit in de regionale woningmarktprogrammering. Hiervan mag ¼ deel gezet worden als compensatie voor het nieuwe woningbouwinitiatief. In het geval van een woningbouwinitiatief in een monument of beeldbepalend pand kan volstaan worden met een één op één compensatie. Conclusie Bij voorliggende planontwikkeling is sprake een functiewijziging van twee bestaande (bedrijfs)woningen in twee nieuwe gezinswoningen.

Op basis van de notitie ‘Omzetten bedrijfswoning naar burgerwoning bij duurzame bedrijfsbeëindiging’ hoeft het omvormen van een bedrijfswoning in een reguliere burgerwoning niet te worden gecompenseerd, omdat sprake is van een duurzame beëindiging van de bedrijfsvoering op een locatie waarbij de reeds aanwezige woonfunctie behouden blijft. Er mag dan wel geen sprake zijn van een uitbreiding van de woonfunctie in aantal woningen en dit is niet het geval. Voorliggende plan past binnen de kaders van de Structuurvisie Wonen Zuid-Limburg.

4.4 Gemeentelijk beleid 4.4.1 Structuurvisie Heerlen 2035 Op 7 juli 2015 is door de gemeenteraad van Heerlen de ‘Structuurvisie Heerlen 2015 ‘ vastgesteld. Heerlen kenmerkt zich door diverse woonmilieus: centrum stedelijk wonen, stedelijk wonen, substedelijk wonen, ruim opgezet wonen, dorps wonen en landelijk wonen. Het plangebied is gelegen binnen het gebied ‘landelijk wonen’. Hier ligt de nadruk op het wonen in buurtschappen met van oorsprong agrarische bebouwing. Deze buurtschappen zijn veelal solitair gelegen in het landschap. Het gaat om boerderijen en grondgebonden koopwoningen in zeer lage woningdichtheden. Kansen zijn er voor het behoud van het vaak historische karakter van de bebouwing. Daarnaast geldt dat de percelen zijn gelegen in het Geleenbeekdal. De Geleenbeek en de Caumerbeek zijn de twee belangrijkste groene structuurelementen in de stad. Een belangrijke strategie om het vestigingsklimaat van de stad te versterken is dus om de potentie van de beekdalen als groene structuurdragers beter te benutten.

20

Uit de kaart ‘Vitale stad - visie: aandachtsgebied en kansen zones wonen’

Toets Het plan leidt tot een minder intensief gebruik van het plangebied door de beëindiging van de bedrijfsmatige paardenhouderij, wat een gunstig effect heeft op de natuurlijke waarden van de omgeving en het beekdal. 4.4.2 Groenbeleidsplan 2013 gemeente Heerlen Het gemeentelijk Groenbeleidsplan is op 14 mei 2013 vastgesteld en vormt sindsdien het gemeentelijk groenbeleid. Het Groenbeleidsplan geeft een middellange termijnvisie (2010-2025) op de gewenste ontwikkeling van het (semi-)openbare groen van de gemeente Heerlen. Landschappelijk kader Het plangebied is gelegen binnen het beekdalenlandschap van Benzenrade aan de rand van de lintbebouwing naar het (agrarische) buitengebied. In dit beekdalenlandschap wordt o.a.

nagestreefd: • Het behouden en het versterken van het landelijk karakter agrarische enclave Benzenrade door het behoud (extensief) van het agrarisch grondgebruik; • Hobbymatig grondgebruik in Benzenrade is mogelijk, mits dit niet leidt tot verrommeling en in samenhang gebeurt met de versterking van de landschappelijke inbedding van het buurtschap; • Het versterken van de landschappelijke inbedding van Benzenrade door het stimuleren van aanplant hagen, hoogstamfruit en bijvoorbeeld de toepassing van knot-essen in de hagen; • De realisatie van de instandhoudings- en ontwikkelingsdoelstellingen Natura2000 en EHS in het Imstenraderbos in samenhang met het creëren van een duurzame balans tussen natuur en recreatie; • De duurzame ontwikkeling en de instandhouding kleine landschapselementen in het agrarische gebied; • De duurzame ecologische ontwikkeling en de instandhouding van het natuurlijke watersysteem van de Geleenbeek; • Het verbeteren van de uitwisselingsmogelijkheden van flora en fauna tussen de Hooghees, het Imstenraderbos, de Kunderberg en het Welterpark; • Het opheffen van de barrière tussen de John F. Kennedylaan door verwijderen van de dijk en het creëren van een zichtrelatie met de Zorgboulevard (met name richting de Rousch). Dit dient te worden gecombineerd met het verbeteren van de ecologische en de recreatieve verbinding tussen Benzenrade en de Zorgboulevard.

Hoofdgroenstructuur Binnen de hoofdgroenstructuur vormt het Caumerbeekdal de belangrijkste schakel en aansluitend is het Geleenbeekdal gelegen waarbinnen het plangebied ligt. Het Caumerbeekdal en het Geleenbeekdal wil men ontwikkelen tot ‘stadspark’, welke dienen als ‘groene draad’ tussen de verschillende buurten en stadsdelen van Heerlen en een plek waar de Heerlenaren zich thuis voelen. De dragers van de eenheid in het stadspark zijn de ecologische groenstructuur, het watersysteem, maar ook de recreatieve routestructuur. Hierdoor moeten alle delen van Heerlen met elkaar worden verbonden en hierbinnen dient zich de grote verscheidenheid aan (toekomstige) functies van de

21

groenstructuur te manifesteren, zoals sport, recreatie, bezienswaardigheden, maar ook innovatie op het gebied van voedselvoorziening, energie en duurzaamheid. Het plangebied is gelegen binnen de historische kern en bebouwingslint van Benzenrade. Dit kenmerkt zich als een stedenbouwkundigde structuur met lintbebouwing, voormalige boerderijen, een agrarisch karakter en huisweides. Het vrijkomende bedrijfsperceeltje wordt opgenomen in de aanwezige (agrarische) groenstructuur. Conclusie Met deze planwijziging vindt sloop van een bedrijfsgebouw, mest- en ruwvoeropslag en bijbehorende verharding plaats en hierdoor wordt het agrarische grondgebruik ter plaatse vergroot. Het agrarische karakter wordt hierdoor behouden en verrommeling wordt voorkomen. In bijlage 4 is de landschappelijke inpassing voor Benzenrade 32 en 32a uitgewerkt. Op deze wijze wordt de landschappelijke inbedding van de bestaande woonbebouwing en dus van Benzenrade verder versterkt. 4.4.3 Conclusie gemeentelijk beleid Gelet op vorenstaande uiteenzetting van het gemeentelijke beleid wordt geconcludeerd dat onderhavig plan niet strijdig is met het beleid.

22

Hoofdstuk 5 Milieutechnische aspecten Bij de realisering van een planontwikkeling moet in de eerste plaats rekening worden gehouden met aspecten uit de omgeving die een negatieve invloed kunnen hebben op het plangebied. Dit geldt omgekeerd ook voor de uitwerking die het project heeft op zijn omgeving. Voor de locatie zijn in dit hoofdstuk de milieuaspecten mer, bodem, geluid, milieuzonering, luchtkwaliteit en externe veiligheid onderzocht.

5.1 Milieueffectrapportage Toets m.e.r.-plicht In het plangebied worden 2 bestaande bedrijfswoningen gewijzigd in 2 burgerwoningen. Deze activiteit komt niet voor in onderdeel C van de bijlage bij het Besluit milieueffectrapportage (Besluit m.e.r.). Er is dus geen sprake van de verplichting om een m.e.r. procedure te doorlopen. Toets m.e.r.-beoordelingsplicht In onderdeel D van de bijlage bij het Besluit m.e.r. is aangegeven bij welke activiteiten, plannen en besluiten een m.e.r.-beoordeling moet plaatsvinden, dat wil zeggen een nadere afweging of mogelijk een m.e.r.-procedure moet worden gevolgd. De realisatie van een woning valt onder onderdeel D (11.2): “de aanleg, wijziging of uitbreiding van een stedelijk ontwikkelingsproject met inbegrip van de bouw van winkelcentra of parkeerterreinen”. Hierbij is opgenomen dat een plan m.e.r.beoordelingsplichtig is wanneer de activiteit betrekking heeft op: 1. een oppervlakte van 100 hectare of meer; 2. een aaneengesloten gebied en 2.000 woningen of meer omvat, of; 3. een bedrijfsvloeroppervlakte van 200.000 m² of meer. De voorliggende ontwikkeling is geen stedelijk ontwikkelingsproject en de omvang blijft ruimschoots onder bovengenoemde drempelwaarden. Een m.e.r.- beoordelingsplicht is dus niet aan de orde. Vormvrije m.e.r.-beoordeling Op 7 juli 2017 is het gewijzigde Besluit milieueffectrapportage in werking getreden.

Daarin is een nieuwe procedure voor de vormvrije m.e.r.-beoordeling opgenomen. Die geldt nu voor iedere activiteit die is opgenomen op de D-lijst, ongeacht of de activiteit onder of boven de drempelwaarde van de Dlijst valt. Woningbouw kan vallen onder onderdeel D (11.2): “de aanleg, wijziging of uitbreiding van een stedelijk ontwikkelingsproject met inbegrip van de bouw van winkelcentra of parkeerterreinen.” Gelet op de aard en omvang van de beoogde ontwikkeling is er geen sprake van een stedelijk ontwikkelingsproject als bedoeld in het Besluit milieueffectrapportage. Het gaat immers slechts om de verandering van de planologische status van twee reeds gerealiseerde bedrijfswoningen naar twee reguliere woningen. Deze verandering levert geen verschil op qua gebruik en vindt plaats in een reeds ontwikkeld gebied, waarin overwegend wordt gewoond, waardoor de 'ontwikkeling' geen negatieve impact heeft op het milieu. Er hoeft dan ook geen milieueffectrapport te worden opgesteld en er hoeft ook geen vormvrije m.e.r.beoordeling te worden doorlopen.

5.2 Bodem 5.2.1 Algemeen Indien sprake is van een planologische bestemmingswijziging, dient te worden bezien of de milieuhygiënische kwaliteit van de bodem ter plaatse geschikt is voor het voorgenomen gebruik. Voorliggende planontwikkeling voorziet in een planologische wijziging van de bestemmingen, namelijk van 'Agrarisch' met de functieaanduiding ‘agrarisch bedrijf’ in 'Wonen', ‘Tuin’ en ‘Agrarisch met Waarden’. Voor een deel van het plangebied blijft de bestemming ‘Agrarisch met Waarden’ ongewijzigd gehandhaafd.

23

Vanwege het wijzigen van een bedrijfsbestemming naar wonen is het noodzakelijk een vooronderzoek NEN 5725 en indien nodig een verkennend bodemonderzoek NEN 5740/5707 uit te voeren. Hierdoor kan worden beoordeeld of de milieu hygiënische kwaliteit van de bodem geschikt is voor het beoogde gebruik voor reguliere woondoeleinden.

5.2.2 Verricht bodemonderzoek Ten behoeve van voorliggende planontwikkeling is op 2 april 2020 een bodemonderzoek verricht. In onderhavig rapport, rapportnummer MA200332.R01.V1.0 d.d. 17 juni 2020, worden de resultaten van het vooronderzoek, de gehanteerde onderzoeksopzet, de uitgevoerde veldwerkzaamheden en de resultaten van het analytisch onderzoek beschreven. Tot slot worden de resultaten getoetst aan de referentiewaarden en worden conclusies, en eventueel aanbevelingen, geformuleerd. Voor de uitvoering van het onderzoek zijn er 17 boringen verricht in combinatie met asbestinspectiegaten systematisch verdeeld over het plangebied. Naar aanleiding van de visuele bevindingen zijn er een aantal diverse grondmengmonsters samengesteld en onderzocht. Voorts is er 1 peilbuis geplaatst vanwege de aanwezigheid van grondwater binnen 5,0 m. – mv en is ook een watermonster onderzocht. De rapportage van het verrichte onderzoek is bijgevoegd als bijlage 3a.

Op grond van het verrichte onderzoek zijn de volgende conclusies getrokken en aanbevelingen gedaan: - De bovengrond (0-0,5 m-mv) is licht verontreinigd met diverse zware metalen, PAK, PCB en/of minerale olie; - De ondergrond (0,5-2,0 m-mv) is niet verontreinigd met de onderzochte parameters; - Het grondwater is eveneens niet verontreinigd met de onderzochte parameters; - Na de indicatieve toetsing aan het Besluit en de Regeling Bodemkwaliteit varieert de kwaliteit van indicatief “achtergrondwaarde” tot “industrie”; - Op basis van de vastgestelde bodemkwaliteit dient de hypothese “onverdacht” te worden verworpen voor de bovengrond. Dit heeft geen consequenties voor de gevolgde onderzoeksstrategie. Op basis van de vastgestelde bodemkwaliteit dient de hypothese “onverdacht” te worden aanvaard voor de ondergrond; - Er is geen asbest aangetoond boven de detectielimiet in de bodem op de locatie. Wel is lokaal asbest aangetoond in en onder een repaclaag. Dit vormt in beginsel geen belemmering voor de bestemmingsplanwijziging, omdat het hier geen bodem betreft. Op basis van de resultaten van onderhavig verkennend bodemonderzoek is geconcludeerd dat geen milieu hygiënische belemmeringen bestaan voor het huidige en toekomstige gebruik van de locatie. De milieu hygiënische bodemkwaliteit heeft dan ook geen consequenties voor de bestemmingswijziging.

Wel wordt aanbevolen, indien in de toekomst graafwerkzaamheden gaan plaatsvinden rondom proefgaten 003 en 004 (d.w.z. het verdachte gebied) de asbestplaten en eventueel de laag asbesthoudend puingranulaat te verwijderen middels een Plan van Aanpak en dit te laten uitvoeren door een BRL7000, protocol 7001 gecertificeerd bedrijf, onder milieukundige begeleiding door een BRL 6000, protocol 6001 gecertificeerd bedrijf. De gemeente Heerlen heeft vervolgens aangegeven dat voor medewerking aan de bestemmingswijziging de laag met asbesthoudend plaatmateriaal ter hoogte van boring 003 dient te worden gesaneerd en hier is uitvoering aan gegeven (zie onder paragraaf 5.2.3.). 5.2.3 Verkennend asbestonderzoek(en) Op een deel van de achtertuin (proefgat 003 en 004) is een uiterst puinhoudende funderingslaag bestaande uit repac onder de tegel/betonverharding aangetroffen. Dit deel van het achterterrein is daarom als asbestverdacht te beschouwen. Ter hoogte van boring 003 is tevens direct onder de repac een volledige laag met asbesthoudend plaatmateriaal aangetroffen (bodemlaag van 0,3 – 0,31 mmv.). De repac en het asbesthoudend materiaal is verwijderd en verantwoord afgevoerd. Vervolgens heeft er een bodemonderzoek plaatsgevonden ter plaatse van de ontgraving (15 m2) om vast te stellen dat alle asbesthoudende materialen (grove en fijne fractie) geheel zijn verwijderd. Een

24

afschrift hiervan is in bijlage 3b opgenomen. De gemeente Heerlen was echter van mening dat het aanvullend onderzoek uitgevoerd diende te worden ter hoogte van het hele astbestverdachte deel van het achterterrein (groot 500 m2). Hiervoor is een 2e aanvullend bodemonderzoek uitgevoerd, waarvan een afschrift in bijlage 3c is opgenomen. Voor het 2e verkennend asbestonderzoek 3 proefgaten (0,3 * 0,3) tot max. 0,5 m. in de verdachte laag en 1 proefgat (0,3 x 0,3) tot de onderzijde van de verdachte laag (max. 2,0 m. – mv) onderzocht op asbest (NEN 5898). De veldwerkzaamheden zijn op 22 april 2022 uitgevoerd. De eindconclusie is dat op het maaiveld en in de ontgraven grond uit de proefgaten geen asbest verdachte materialen zijn waargenomen en met voldoende betrouwbaarheid is vastgesteld dat op de locatie geen asbest in de bodem aanwezig is. Vervolgonderzoek en maatregelen zijn dan ook niet noodzakelijk. De bevindingen zijn vastgelegd in de rapporten met de kenmerken MB200332.B01 d.d. 20 januari 2022 resp. MC200332.B01 d.d. 24 mei 2022, welke als bijlage 3b resp. bijlage 3c zijn opgenomen.

5.2.4. Conclusie bodem Gelet op vorenstaande uiteenzetting vormt het aspect bodem geen belemmeringen voor de beoogde planontwikkeling.

5.3 Geluid 5.3.1 Algemeen Met betrekking tot het aspect geluid (van externe komaf) kan sprake zijn van geluidbelasting als gevolg van wegverkeerslawaai, industrielawaai en spoorweglawaai. De functiewijziging naar regulier wonen wordt in het kader van geluid niet gezien als een nieuwe bestemming. Het aspect geluid is al getoetst bij de bouw van de bedrijfswoningen destijds. Bovendien is voorliggend plangebied gelegen te Benzenrade, alwaar een maximum snelheidsregime geldt van 30 km/u. Op ca. 300 m. ligt de John F. Kennedylaan met een maximum snelheidslimiet van 50 km/u en op 500 m. de autosnelweg A76. De stadsautoweg N281 ligt op een afstand van ca. 550 m. van het plangebied. Industriegebied de Beitel ligt op ruim 1,5 km van het plangebied en de spoorwegen op een nog grotere afstand. Gezien de afstanden tot het plangebied zijn nadere akoestisch onderzoeken niet noodzakelijk. Door de beëindiging van de bedrijfsactiviteiten in het plangebied zullen de transportbewegingen over de weg door Benzenrade en omgeving van en naar het plangebied behoorlijk afnemen, hetgeen een gunstig effect heeft op de directe (woon)omgeving. Voor de woningen vinden er per saldo geen wijzigingen plaats. Het woon- en leefklimaat ter plaatse wordt door de bedrijfsbeëindiging positief beïnvloed.

5.3.2 Conclusie geluid Ten behoeve van voorliggende planontwikkeling vormt het aspect geluid geen belemmeringen voor de beoogde bestemmingswijziging. Het woon- en leefklimaat wordt door het initiatief positief beïnvloed, hetgeen van belang is voor de beoordeling van een goede ruimtelijke ordening.

5.4 Milieuzonering 5.4.1 Algemeen Milieuzonering zorgt ervoor dat nieuwe bedrijven een passende locatie in de nabijheid van woningen krijgen en dat (andersom) nieuwe woningen op een verantwoorde afstand van bedrijven gesitueerd worden. Het waar mogelijk scheiden van bedrijven en woningen bij nieuwe ontwikkelingen dient twee doelen: • het reeds in het ruimtelijke spoor voorkomen of zoveel mogelijk beperken van hinder en gevaar voor woningen; • het tegelijk daarmee aan de bedrijven voldoende zekerheid bieden dat zij hun activiteiten duurzaam binnen aanvaardbare voorwaarden kunnen uitoefenen. De gemeente beslist zelf of zij op een bepaalde locatie bedrijven of woningen wil mogelijk maken. Dit besluit dient echter wel zorgvuldig te worden afgewogen en te worden verantwoord.

25

5.4.2 Bestaande bedrijvigheid In de directe nabijheid van het plangebied zijn geen bestaande bedrijvigheden. Op ca. 225 m. ligt aan de doorgaande weg door Benzenrade een kleinschalige horecagelegenheid (het koffiehuuske). Uitgaande van de categorie 'Hotels en pensions met keuken, conferentieoorden en congrescentra' (SBI-2008: 5510) en 'Restaurants, cafetaria's, snackbars, ijssalons met eigen ijsbereiding, viskramen e.d.' (SBI-2008: 561) genoemd in de VNG-publicatie 'Bedrijven en milieuzonering (editie 2009)' dient voor deze bedrijvigheid een grootste richtafstand van 10 meter (vanwege geluid) in acht te worden genomen tussen de grens van de inrichting en de gevel van een (geluid)gevoelig object. Deze afstand wordt in casu ruimschoots behaald waardoor geen sprake is van belemmeringen over en weer. Voor het overige is geen sprake van bedrijvigheid in de omgeving van onderhavig plangebied die mogelijk van invloed is op het woon- en leefklimaat.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Heerlen&id=d660f8a6-e4a8-4aaf-b5d1-03bbddba3921