SVREZL - vastgesteld Raad Heerlen 20-12-2017
Tekst van het document
Figuur 1: procesboom winkels (Tijdelijke) vestiging van een winkel in concentratiegebied/balansgebied? (niet passend binnen bestemmingsplan)
JA
NEE
Is het een (uitbreiding van) een supermarkt? JA
NEE
JA
NEE
Is het (een uitbreiding van) een supermarkt?
In kern zonder eigen concentratie- of balansgebied? JA
NEE
JA
NEE
Afstemmen subregio (bestuurlijk)
Afstemmen Zuid-Limburg (bestuurlijk)
Melden subregio (ambtelijk)
Afstemmen subregio (bestuurlijk)
JA
JA
Afstemmen Zuid-Limburg (bestuurlijk)
NEE
Afstemmen subregio (bestuurlijk)
NEE
Piramide niveau 1-3
JA
NEE
JA
Melden subregio (ambtelijk)
In koopicoon?
Afstemmen Zuid-Limburg (bestuurlijk)
JA
Melden subregio (ambtelijk)
NEE
Afstemmen subregio (bestuurlijk)
NEE
JA
NEE
Afstemmen subregio (bestuurlijk)
Afstemmen Zuid-Limburg (bestuurlijk)
25
WANNEER DIENT DE PROCESBOOM TE WORDEN DOORLOPEN? • In gedachten bij elke aanvraag of wens • Zodra een initiatief vraagt om een intentieverklaring/bestemmingsplanprocedure/gebruikswijziging • In de procesboom veronderstellen we dat het niet voor zal komen dat er grootschalige winkelinitiatieven buiten de hoofdstructuur zullen zijn, in de geest van de hoofdprincipes van deze structuurvisie WAT BETEKENT REGIONAAL MELDEN? De regio ontvangt een afschrift van het initiatief, waarin het plan/initiatief staat beschreven en hoe de principes van dynamisch voorraadbeheer zijn vormgegeven (inclusief saldering). Jaarlijks stelt de subregio een overzicht op van alle subregionale initiatieven. Gemeenten spreken af dat wanneer initiatieven passen in het vigerend bestemmingsplan, maar strijdig zijn met de SVREZL, zij dit melden in de subregio. Dit geldt voor winkelruimte vanaf 1.500 m² wvo.
WAT BETEKENT REGIONAAL AFSTEMMEN? Uitgewerkt format over het initiatief voorleggen aan het bestuurlijk overleg op niveau van Zuid-Limburg • Beschrijving plan/initiatief • Bestaande situatie kwantitatief en kwalitatief (omvang, leegstand, meerwaarde, et cetera) • Dynamisch voorraadbeheer/saldobenadering • Effectanalyse • Aansluiting bij POL en structuurvisie Indien bestuurlijk overleg niet tot een uniform standpunt kan komen, wordt mogelijk advies gevraagd aan een wellicht op te richten onafhankelijke commissie (nader uit te werken in het regionale uitvoeringsprogramma). DYNAMISCH VOORRAADBEHEER/SALDOBENADERING: Salderen vindt plaats op niveau van de subregio. Leegstand < frictieleegstand per subregio: ontwikkeling voorraad is per saldo 0 of + Leegstand = frictieleegstand per subregio: ontwikkeling voorraad is per saldo 0 Leegstand > frictieleegstand per subregio: ontwikkeling voorraad is per saldo – Wanneer in een balansgebied de leegstand te laag is om verplaatsers te faciliteren, wordt het initiatief op basis van maatwerk aansluitend op de principes van de structuurvisie afgewogen in het relevante bestuurlijk overleg op Zuid-Limburgse schaal.
26
2.4
Uitvoeringsprogramma winkels
Gemeenten werken op regionaal en subregionaal niveau aan een uitvoeringsprogramma voor de SVREZL. Met dit doel is op niveau van Zuid-Limburg in een separaat document een uitwerking gemaakt van instrumenten die aansluiten bij de vijf doelstellingen in de SVREZL. De uitvoeringsprogramma’s worden op subregionaal niveau verder uitgewerkt, en op maat toegepast afhankelijk van het type opgave. Instrumenten om de doelen uit de SVREZL te realiseren De vijf doelstellingen voor de SVREZL vormen de basis voor een gereedschapskist van instrumenten: • Behoud van de leefbaarheid en versterking van de hoofdstructuur in de segmenten winkels en kantoren. • Het verdunnen van de bestaande vastgoedvoorraad in de segmenten winkels, kantoren en bedrijventerreinen, daar waar sprake is van een overschot. • Het stap-voor-stap terugdringen van ongewenste en onbenutte planvoorraad buiten de hoofdstructuur in winkels en kantoren tot er op subregioniveau sprake is van een gezonde frictieleegstand. • Het faciliteren van kwalitatieve toevoegingen die passen binnen de uitgangspunten van de structuurvisie. • Het door middel van herbestemming bijdragen aan verbetering van het gebruik en de functionaliteit van de bestaande locatie (kavel, pand, gebied). Overigens kan het gaan om bebouwde of onbebouwde bestemmingen.
SVREZL EN DE METAFOOR VAN DE DRUPPELENDE KRAAN Met deze vijf doelstellingen is een vergelijking te maken met een druppelde kraan: • In de eerste plaats dient het leertje in de kraan gerepareerd te worden (ofwel in de SVREZL en bestemmingsplan geen ongewenste planologische toevoegingen, en netto geen uitbreiding van planologische ruimte mogelijk maken, en onbenutte planologische ruimte weghalen). • In de tweede plaats dient de ‘plas water’ als gevolg van de lekkende kraan (‘de leegstand hoger dan de frictieleegstand’), te worden opgedweild, door bijvoorbeeld salderen, onttrekken, slopen en transformeren.
27
De uitdaging zit er voor de komende jaren in de publiekrechtelijke instrumenten systematisch en vanuit een regionaal perspectief toe te passen, en deze te combineren met privaatrechtelijke instrumenten. Instrumenten voor de uitvoering van SVREZL hebben aansluitend op de doelstellingen betrekking op de volgende onderdelen: 1. Instrumenten om plantitels te verminderen 2. Instrumenten om te komen tot uitwisseling van plantitels op gewenste locaties met plantitels op ongewenste locaties 3. Instrumenten om locaties buiten de concentratiegebieden nieuwe kansen te bieden 4. Financieringsinstrumenten die bijdragen aan verdunning en transformatie 5. Afstemmingsinstrumenten voor nieuwe planinitiatieven 6. Instrumenten die bijdragen aan kennisdeling over de transformatie en verdunningsopgave in Zuid-Limburg 7. Instrumenten om te komen tot de aanpak van leegstand 8. Monitoring In het uitvoeringsprogramma vanuit de subregio staan verder de volgende onderwerpen: • Welke prioriteiten hebben de gemeenten om gezamenlijk te komen tot uitvoering van de doelen zoals in de SVREZL staan? • Hoe het uitvoeringsprogramma georganiseerd gaat worden. • Uitwerking van de afweging rond de gewenste kwalitatieve ontwikkelrichtingen van winkelgebieden.
Op niveau van Zuid-Limburg als geheel zal het uitvoeringsprogramma in ieder geval de volgende onderwerpen uitwerken: • Hoe men jaarlijks rapporteert over de voortgang op de uitvoering. • De (mogelijke) oprichting van een onafhankelijke adviescommissie die adviseert over initiatieven waarover het relevante bestuurlijk overleg op Zuid-Limburgse schaal niet tot een eensluidende beslissing kan komen. • Verkenning van de mogelijkheden van fondsvorming.
28
29
3 30
De kantorenmarkt van Zuid-Limburg
3.1
Belangrijkste vraagstukken in de kantorenmarkt
De belangrijkste opgave in de kantorenmarkt is de transitie naar een kantorenmarkt die in de toekomst kleiner is dan de voorraad op dit moment, aansluitend op de hoofdstructuur. De uitbreidingsmarkt wordt een vervangingsmarkt. Dit hangt samen met de afnemende werkgelegenheid in kantoren: absoluut door de afname van de werkzame bevolking en relatief door verschuivingen in de werkgelegenheidsontwikkelingen. Zo worden in veel sectoren administratieve handelingen meer en meer geautomatiseerd. Dat betekent voor de komende jaren een vermindering van werkgelegenheid in een deel van de administratieve functies. Daarnaast is het ruimtegebruik per arbeidsplaats in kantoren de laatste jaren aan het afnemen. De verwachting is dat het ruimtegebruik naar de toekomst toe nog flink gaat verminderen (dit is bijvoorbeeld te zien in de ontwikkeling van nieuwe kantoorconcepten). De verwachting is dat kantoorgebruik in heel Nederland flink gaat afnemen, zo ook in Zuid-Limburg. Dit kan volgens actuele prognoses leiden tot een verdubbeling van de leegstand in kantoren, ten opzichte van de actuele leegstand die gemiddeld circa 15% bedraagt. Deze hoge leegstand heeft negatieve effecten op de uitstraling en het vestigingsklimaat, en leidt daarnaast tot een substantiële waardedaling van bestaand vastgoed. Daarnaast kent de kantorenmarkt belangrijke verschuivingen aan de vraagkant.
Dit hangt mede samen met het rijksbeleid om de kantorenvoorraad te verduurzamen en hoe vragers naar kantoorruimte hierop inspelen. Van grote invloed is echter de veranderingen in de kwalitatieve vraag, als gevolg van verschuivende huisvestingswensen en -eisen van kantoorgebruikers. Zo is de vraag van een groot aandeel grootschalige kantoorgebruikers met een voorkeur voor formele monofunctionele kantoorlocaties verschoven naar een groeiend aandeel kleinschalige en middelgrote kantoorgebruikers met een voorkeur voor een stedelijke ligging in een multifunctionele omgeving. Daarnaast kiest een deel van de kantoorgebruikers in een aantal specifieke niches voor vestiging op thematische campussen, of specifieke vestigingsmilieus met gelijkgestemden, zoals in co-workingspaces en flexibele huisvestingsconcepten.
Zuid-Limburg dient op het vlak van de kantorenmarkt in de plannen voor toekomstige meters de transitie te maken naar kwalitatief onderscheidende concepten. Die concepten kunnen voorzien in de behoefte aan kleinschalige en middelgrote kantoorgebruikers en kantorenconcepten die flexibel zijn en inspelen op de veranderende gewenste gemengde locatiemilieus.
3.2
Visie kantorenmarkt
De principes van dynamisch voorraadbeheer toepassen op locatieniveau Onderstaande basisprincipes en spelregels (aansluitend bij het POL2014) zijn het vertrekpunt in de SVREZL: • Ontwikkeling van nieuwe kantoorgebieden is niet aan de orde. • Nieuwe kantorenplannen/-programma’s zijn alleen in concentratiegebieden toegestaan. • De huidige voorraad kantoorruimte wordt per subregio begrensd, dat betekent in principe geen uitbreiding van kantoorvloeroppervlak, totdat de leegstand in de subregio de frictieleegstand is genaderd. • Alleen in concentratiegebieden hoeft de saldering in tijd en omvang niet een-op-een te geschieden, daarbij zal er op het niveau van stad en regio wel voor gewaakt moeten worden dat het totale kantoorvolume niet of slechts tijdelijk toeneemt. Nieuwe gebouwen met de hoofdfunctie kantoor zijn dus alleen mogelijk als: • het gaat om ontwikkeling van nieuwe gebouwen binnen concentratiegebieden of herbouw of verbouw van bestaande kantoren in balansgebieden; en • deze passen binnen modern en flexibel gebruik van kantoorruimte en dus een adequate toevoeging zijn voor de kwaliteit van het regionale aanbod; en • er gewerkt wordt met voorverhuur of concept-huurovereenkomsten waarbij het merendeel van de meters van een gebouw op voorhand is ingevuld; en
31
• er tegelijkertijd elders onbenutte voorraad uit de markt wordt genomen (’nieuw voor oud’) dan wel elders reële plancapaciteit wordt geschrapt; en • de principes van duurzame verstedelijking worden toegepast, dat wil zeggen de Ladder voor duurzame verstedelijking en de prioriteit voor herbenutting van leegstaande (cultuurhistorische) gebouwen, indien dit past bij de locatie van het gebouw en lokaal beleid. Op het niveau van de vestiging van kantoorgebruikers gelden de volgende uitgangspunten: 4
• Middelgrote (500-2.500 m² vvo) en grote kantoren (>2.500 m² vvo) alleen te vestigen in concentratie- en balansgebieden; uitzondering kan zijn als dergelijke kantoren zouden passen binnen de bestaande bebouwing en in een lokale behoefte voorzien. • Kleine kantoren (<500 m² vvo) die voorzien in de lokale behoefte blijven in bebouwd gebied via maatwerk mogelijk. Initiatieven voor kantoorgebouwen (<500 m² vvo) worden vrijgesteld van salderen, omdat vestiging van deze lokale initiatieven geen neveneffecten op de kantorenmarkt als geheel hebben. • Buiten concentratie- en balansgebieden streven gemeenten waar mogelijk naar schrappen van bestaande plancapaciteit. • Buiten concentratiegebieden verlenen gemeenten in principe geen afwijkingen voor gebruik of bestemmingswijzigingen ten faveure van de kantorenfunctie.
In de kantorenmarkt onderscheiden we concentratiegebieden, balansgebieden en transitiegebieden Voor kantoren gelden regionale afspraken over het concentreren van kantorencapaciteit in concentratiegebieden en balansgebieden en het schrappen van capaciteit in de in het POL2014 aangewezen transitiegebieden en daarbuiten. Daarnaast laat de verbeelding in Deel 2 zien dat de kantoorgebieden een duidelijke ruimtelijke begrenzing kennen, waarbinnen kantooractiviteiten in de toekomst zich nieuw kunnen vestigen. Alle gebieden buiten de concentratie- en balansgebieden op de kaart zijn te beschouwen als transitiegebieden, waarin het kantoorgebruik stapvoor-stap zal verminderen. Nieuwe kantoorgebouwen (>500 m²) zijn alleen mogelijk binnen concentratiegebieden en balansgebieden. Voor balansgebieden geldt in aanvulling daarop dat bouw, herbouw of verbouw van bestaande kantoren door de gemeente gefaciliteerd wordt onder de voorwaarde dat het een kwalitatieve toevoeging betreft, de afnemer bekend is en het past binnen de saldo-nul-benadering. Daarnaast geldt voor toevoeging binnen concentratieen balansgebieden dat het merendeel van de meters in het gebouw op voorhand is verhuurd.
Tabel 3: concentratie- en balansgebieden in de kantorenmarkt Concentratiegebieden
Balansgebieden
• Sittard-Geleen: centrum/stationsgebied, kantorenpark Sittard, Brightlands Chemelot Campus • Heerlen: Binnenstad (Centrum en stations gebied) Smart Services Lane • Maastricht: centrum/stationsgebied, kantorenpark Randwyck/ Brightlands Maastricht Health Campus
• Heerlen: deel Heerlen-Centrum, Coriopolis, Zeswegen • Maastricht: Ceramique, Geusselt, locatie A2
Bron: POL2014, bewerking Stec Groep, 2017
4 Er wordt in SVREZL gerekend met een gemiddelde omrekenfactor van vvo naar bvo van 85% voor kantoren.
32
De aanpak van leegstand vraagt om maatwerk en kan het beste op lokaal niveau opgepakt worden
Verbeelding
Indien kantoorpanden leeg komen te staan, kan in overleg met markpartijen een inschatting worden gemaakt of er sprake is van kansrijk vastgoed (object goed en centrale locatie, vasthouden kantoorfunctie), kanshebbend vastgoed (object goed, locatie niet centraal, verhuurbaar binnen 2-3 jaar) of kansarm vastgoed (object minder, locatie niet centraal, risico op structurele [>3 jaar] leegstand reëel).
De kantorenmarkt is vertaald in een verbeelding van de concentratie- en balansgebieden, dat overal op dezelfde wijze in heel Zuid-Limburg is afgewogen, zie Deel 2. Uitgangspunt daarbij is niet de huidige situatie, maar de toekomstig gewenste situatie, vanuit de doelstelling dat vraag en aanbod kwalitatief en kwantitatief in balans raken. Wanneer de kantoorlocatiestructuur conform de verbeelding wordt aangepast, is de leegstand tot een gezonde frictieleegstand teruggebracht.
Dit biedt dan een basis om te kunnen komen tot een koppeling van ’nieuw voor oud’, indien partijen deze linken aan eventuele nieuwbouw in concentratiegebieden.
Procesboom voor uitbreidingen, nieuwe initiatieven en initiatieven voor gebruikswijzigingen
Vastgoed zonder potentie (kansarm) dient idealiter in zowel balans- als in transitiegebieden te worden gesloopt of getransformeerd. Eventueel zelfs in concentratiegebieden als door vervangende nieuwbouw de kwaliteit en courantheid van het kantorenaanbod kan worden vergroot.
3.3
Verbeelding en procesboom toekomstige kantorengebieden
De spelregels voor uitbreidingen, nieuwe initiatieven en initiatieven voor gebruikswijzigingen staan samengevat in de volgende procesboom. Nieuwe initiatieven en initiatieven voor gebruikswijzigingen worden aan de hand van een toetsingskader in het relevante gremium besproken. Op niveau van Zuid-Limburg bewaken de gemeenten en de subregio’s voortgang, uitgangspunten, samenhang en kwaliteit van de afspraken. Bij iedere afweging voor toevoeging van meters speelt de Ladder voor duurzame verstedelijking een rol. Gemeenten spreken af initiatieven in de relevante gremia te bespreken aan de hand van een vast bespreekformat, conform bijlage B.
Figuur 2: procesboom kantoren Nieuwe gebouwen met hoofdfunctie kantoor in concentratie- of balansgebied (niet passend binnen bestemmingsplan)
JA
JA
NEE
Melden subregio (ambtelijk) JA
NEE
Afstemmen subregio (bestuurlijk)
Afstemmen subregio (bestuurlijk)
NEE
JA
NEE
Melden subregio (ambtelijk)
Afstemmen Zuid-Limburg (bestuurlijk)
Afstemmen Zuid-Limburg (bestuurlijk)
33
WANNEER DIENT DE PROCESBOOM TE WORDEN DOORLOPEN? • •
In gedachten bij elke aanvraag of wens Zodra een initiatief vraagt om een intentieverklaring/bestemmingsplanprocedure/gebruikswijziging
WAT BETEKENT REGIONAAL MELDEN? De regio ontvangt een afschrift van het initiatief, waarin het plan/initiatief staat beschreven en hoe de principes van dynamisch voorraadbeheer zijn vormgegeven (inclusief saldering). Jaarlijks stelt de subregio een overzicht op van alle subregionale initiatieven. Gemeenten spreken af dat wanneer initiatieven passen in het vigerend bestemmingsplan, maar strijdig zijn met de structuurvisie, zij dit melden in de subregio. Dit geldt voor kantoorinitiatieven vanaf 2.500 m². WAT BETEKENT REGIONAAL AFSTEMMEN? Uitgewerkt format over het initiatief voorleggen aan het relevante bestuurlijk overleg op Zuid-Limburgse schaal. • Beschrijving plan/initiatief • Bestaande situatie kwantitatief en kwalitatief (omvang, leegstand, meerwaarde, et cetera) • Dynamisch voorraadbeheer/saldobenadering • Effectanalyse • Aansluiting bij POL en structuurvisie Indien bestuurlijk overleg niet tot een uniform standpunt kan komen, wordt mogelijk advies gevraagd aan een wellicht op te richten onafhankelijke commissie (nader uit te werken in het regionale uitvoeringsprogramma). DYNAMISCH VOORRAADBEHEER/SALDOBENADERING: Salderen vindt plaats op niveau van de subregio.
Leegstand < frictieleegstand per subregio: ontwikkeling voorraad is per saldo 0 of + Leegstand = frictieleegstand per subregio: ontwikkeling voorraad is per saldo 0 Leegstand > frictieleegstand per subregio: ontwikkeling voorraad is per saldo – Wanneer in een balansgebied de leegstand te laag is om verplaatsers te faciliteren, wordt het initiatief op basis van maatwerk aansluitend op de principes van de Structuurvisie afgewogen in het relevante bestuurlijk overleg.
34
3.4
Uitvoeringsprogramma kantoren
Gemeenten werken op regionaal en subregionaal niveau aan een uitvoeringsprogramma voor de SVREZL. Met dit doel is op niveau van Zuid-Limburg in een separaat document een uitwerking gemaakt van instrumenten die aansluiten bij de vijf doelstellingen in de SVREZL. De uitvoeringsprogramma’s worden op subregionaal niveau verder uitgewerkt, en op maat toegepast afhankelijk van het type opgave. Instrumenten om de doelen uit de SVREZL te realiseren De vijf doelstellingen voor de SVREZL vormen de basis voor een gereedschapskist van instrumenten: • Behoud van de leefbaarheid en versterking van de hoofdstructuur in de segmenten winkels en kantoren. • Het verdunnen van de bestaande vastgoedvoorraad in de segmenten winkels, kantoren en bedrijventerreinen, daar waar sprake is van een overschot. • Het stap-voor-stap terugdringen van ongewenste en onbenutte planvoorraad buiten de hoofdstructuur in winkels en kantoren tot er op subregioniveau sprake is van een gezonde frictieleegstand. • Het faciliteren van kwalitatieve toevoegingen die passen binnen de uitgangspunten van de structuurvisie. • Het door middel van herbestemming bijdragen aan verbetering van het gebruik en de functionaliteit van de bestaande locatie (kavel, pand, gebied). Overigens kan het gaan om bebouwde of onbebouwde bestemmingen.
SVREZL EN DE METAFOOR VAN DE DRUPPELENDE KRAAN Met deze vijf doelstellingen is een vergelijking te maken met een druppelde kraan: • In de eerste plaats dient het leertje in de kraan gerepareerd te worden (ofwel in de SVREZL en bestemmingsplan geen ongewenste planologische toevoegingen, en netto geen uitbreiding van planologische ruimte mogelijk maken, en onbenutte planologische ruimte weghalen). • In de tweede plaats dient de ‘plas water’ als gevolg van de lekkende kraan (‘de leegstand hoger dan de frictieleegstand’), te worden opgedweild, door bijvoorbeeld salderen, onttrekken, slopen en transformeren.
35
De uitdaging zit er voor de komende jaren in de publiekrechtelijke instrumenten systematisch en vanuit een regionaal perspectief toe te passen, en deze te combineren met privaatrechtelijke instrumenten. Instrumenten voor de uitvoering van SVREZL hebben aansluitend op de doelstellingen betrekking op de volgende onderdelen: 1. Instrumenten om plantitels te verminderen 2. Instrumenten om te komen tot uitwisseling van plantitels op gewenste locaties met plantitels op ongewenste locaties 3. Instrumenten om locaties buiten de concentratiegebieden nieuwe kansen te bieden 4. Financieringsinstrumenten die bijdragen aan verdunning en transformatie 5. Afstemmingsinstrumenten voor nieuwe planinitiatieven 6. Instrumenten die bijdragen aan kennisdeling over de transformatie en verdunningsopgave in Zuid-Limburg 7. Instrumenten om te komen tot de aanpak van leegstand 8. Monitoring In het subregionale uitvoeringsprogramma staan verder de volgende onderwerpen: • Welke prioriteiten hebben de gemeenten om gezamenlijk te komen tot uitvoering van de doelen zoals in de SVREZL staan. • Hoe het uitvoeringsprogramma georganiseerd gaat worden. Op niveau van Zuid-Limburg als geheel zal het uitvoeringsprogramma in ieder geval de volgende onderwerpen uitwerken: • Hoe men jaarlijks rapporteert over de voortgang op de uitvoering.
• De (mogelijke) oprichting van een onafhankelijke adviescommissie die wellicht adviseert over initiatieven waarover het relevante bestuurlijk overleg op Zuid Limburgse schaal niet tot een eensluidende beslissing kan komen. • Verkenning van de mogelijkheden van fondsvorming.
36
37
4 38
De bedrijventerreinenmarkt in Zuid-Limburg
4.1
Belangrijkste vraagstukken in de bedrijventerreinenmarkt
Bedrijventerreinen zijn aparte zones specifiek bestemd voor vestiging van bedrijven die, hoewel ze moeten worden beschouwd als bebouwd gebied, andere opgaven en ontwikkelingsmogelijkheden hebben dan stedelijke gebieden. In Zuid-Limburg zijn er voldoende bedrijventerreinen beschikbaar om de komende jaren aan de vraag te voldoen. In sommige segmenten, zoals lokale gemengde terreinen is er overaanbod, terwijl er in andere segmenten, zoals in de grootschalige logistiek mogelijk tekorten zijn, of in de toekomst kunnen ontstaan. De op de kaarten aangegeven bedrijventerreinen en (solitaire) bedrijfslocaties vormen de hoofdstructuur van de bedrijventerreinenmarkt. Een enkele solitaire bedrijfslocatie heeft mogelijke toekomstige ontwikkelpotenties zoals het Afcent-terrein in Schinnen. Herbestemming van zo’n solitaire bedrijfslocatie als bedrijventerrein in de toekomst, kan mogelijk worden gemaakt onder voorwaarde van passendheid binnen de hoofdstructuur en afstemming met het relevante bestuurlijke overleg. De leegstandsproblemen op bedrijventerreinen zijn substantieel minder groot dan bij kantoren en winkels. Bovendien neemt de totale behoefte aan bedrijventerreinen naar verwachting de komende jaren nog wat toe en groeien belangrijke clusters in Zuid-Limburg door, zoals in de automotive, chemie, logistiek en med-tech.
De relevante marktregio in de bedrijventerreinenmarkt is veelal lokaal tot regionaal. Ongeveer 90% van de verhuisbewegingen vindt plaats binnen een straal van 25 km, en het gros binnen 5 tot 10 km. Trends in alle sectoren binnen de bedrijventerreinenmarkt zijn schaalvergroting & parallellisatie (verbreding) als ook schaalverkleining & specialisatie. Ruimtevragers met specifieke kwalitatieve eisen Binnen de bedrijventerreinenmarkt is de vraag naar logistiek de komende jaren sterk. Het gaat overwegend om zeer grootschalige logistiek met kavels vanaf 5 hectare en een goede multimodale ontsluiting. Daarnaast zien we vooral specialistische niches zoals med-tech bedrijven en lokale vraag in een kleinschalig segment met een sterke lokale binding. In het aanbod van terreinen is voldoende beschikbaar aanbod voor het lokale mkb. Waar het
gaat om het aanbod aan grootschalige kavels die geschikt zijn voor logistiek gaat het met name om de volgende locaties (Holtum Noord, Aviation Valley, Trilandis/Avantis, Beatrixhaven en MaastrichtEijsden). De reikwijdte van de grootschalige logistiek is groot en heeft relaties met Midden- en Noord-Limburg. Er zijn daarbij kansen voor trimodale locaties. Het beschikbare aanbod op trimodale locaties is echter beperkt. Het is daarom belangrijk om bedrijven zoveel mogelijk op passende locaties te vestigen. Het juiste bedrijf op de juiste plek, met de gewenste modaliteiten. Voor de gebieden Chemelot, Nedcar-VDL en Maastricht Aachen Airport zijn zelfstandige gebiedsvisies in ontwikkeling. Het zijn zelfstandig te ontwikkelen gebiedsvisies die als doel hebben een kwalitatieve structuurversterking te realiseren en die niet mogen leiden tot verstoringen van de hoofdstructuur. Er wordt van uitgegaan dat de gebiedsvisies juist leiden tot een kwalitatieve versterking van de hoofdstructuur.
4.2
Visie bedrijventerreinenmarkt
De principes van dynamisch voorraadbeheer toepassen op locatieniveau De ambitie in het POL2014 is gericht op een optimale benutting van bedrijventerreinen in regionaal verband, zonder toename van het huidig areaal aan bestaande bedrijventerreinen en harde plancapaciteit. Dit kan door regionaal afspraken te maken over kwaliteitsverbetering van de bestaande voorraad aan bedrijventerreinen. Belangrijkste uitgangspunten zijn: • Behoud van harde plancapaciteit (alle typen plannen die in vastgestelde bestemmingsplannen voorkomen). • Geen nieuwe bedrijventerreinen, inclusief afschrijven van zachte plannen (plannen die niet in vastgestelde bestemmingsplannen voorkomen). • Logistiek en productie op goed ontsloten (trimodale) locaties. • Blijvende inzet op kwaliteitsverbetering van de bestaande voorraad. • Functiemenging of -wijziging alleen op stedelijke bedrijventerreinen.
39
Om deze aanpak te effectueren wordt het regionaal programmeringsoverleg in de drie regio’s opgeschaald. Provincie Limburg levert daarbij ondersteuning, onder andere via het provinciale monitoringsysteem voor werklocaties (REBIS) dat als basis dient voor verdere regionale kwantitatieve en kwalitatieve analyses. Continu werken aan de kwaliteit van de bestaande voorraad Het op peil houden van de kwaliteit van de bestaande terreinen vraagt blijvend aandacht. Te denken valt aan duurzaam beheer (energiebesparing, duurzame energieopwekking, grondstoffenkringloop), optimale inpassing in de omgeving, efficiënt ruimtegebruik door combinatie van functies, goede ontsluiting per openbaar vervoer voor terreinen met veel woon-werkverkeer of bezoekers, bereikbaarheid per fiets en ict-voorzieningen. Waar dit tekort schiet is herstructurering van terreinen een optie, uiteenlopend van revitaliseringsacties tot ingrijpender maatregelen inclusief sloop en ruilverkaveling. Hier ligt primair een rol voor de gemeenten. Kansen liggen er wellicht in nieuwe methoden van ontwikkeling en exploitatie.
• Voor vestiging van zelfstandige kantoren en detailhandel op bedrijventerreinen is geen plaats. Deze functies horen bij uitstek thuis in steden, kernen of specifieke winkelgebieden. Kantoorruimte als onderdeel van productiebedrijven is wel mogelijk (mits ondergeschikt). Er moet ook ruimte zijn voor ondergeschikte verkoop van goederen die zich bij uitstek leent voor vestiging op dit soort terreinen. Denk aan grove bouw materialen en ondergeschikte productie gerelateerde detailhandel. Het aantal branches is gelimiteerd en sluit aan bij lokaal beleid, zie ook bijlage met definities. • De milieugebruiksruimte (geluidzones, risicocontouren, geurcirkels) van bedrijven en bedrijventerreinen wordt beheerd met het oog op een duurzame inpassing van bedrijven in hun omgeving. Nieuwe ontwikkelingen alleen in combinatie met schrappen capaciteit elders De structuurvisie zorgt, in lijn met de gedachte achter het dynamisch voorraadbeheer, voor flexibiliteit: goede nieuwe plannen blijven mogelijk maar moeten wel zo mogelijk/nodig gekoppeld zijn aan het schrappen van capaciteit elders in de regio. Dit is aan de orde wanneer:
• Er binnen de bestaande voorraad aantoonbaar geen geschikte ruimte meer is. • Deze toevoeging additionele kwaliteit toevoegt aan het regionale aanbod, passend binnen • De ruimte op bedrijventerreinen dient zorgvuldig lokaal, subregionaal en regionaal bedrijvenen duurzaam gebruikt te worden. Daarbij past terreinenbeleid. Dit geldt voor nieuwe terreinen structureel beheer via parkmanagement. en grotere uitbreidingen van bestaande • Functiemenging op bedrijventerreinen kan bedrijventerreinen. bijdragen aan de kwaliteit van die terreinen • Beperkte uitbreiding van bestaande terreinen en aan een optimaal ruimtegebruik. Dat geldt (kavelniveau) voor reeds op het terrein gevestigde zeker op campussen waar een menging van bedrijven of lokale, solitair gevestigde bedrijven functies bijdraagt aan een uitnodigende is onder voorwaarden mogelijk via maatwerk en werkomgeving. Op grote logistieke en met een goede onderbouwing. productielocaties is functiemenging niet voor • Kleinschalige uitbreidingen van bedrijfsruimte de hand liggend. Daar moet juist heel zorggebruikers op bedrijventerreinen tot 3.000 m² vuldig omgegaan worden met de invulling van kavel worden vrijgesteld van saldering. het terrein, rekening houdend met de specifieke • De ontwikkeling past binnen de geformuleerde functie en het segment daarvan.
De bedrijvenalgemene verstedelijkingsprincipes (zie terreinen met een overwegend lokale functie hoofdstuk 1), waaronder de Ladder voor bieden soms meer mogelijkheden. duurzame verstedelijking. • Terughoudendheid is op zijn plaats met functies • Er tegelijkertijd elders in de regio bestaande die bij voorkeur in het stedelijk gebied of centrum voorraad of harde plannen (in vergelijkbare thuis horen. omvang) uit de markt worden genomen. • Hierover overeenstemming is bereikt conform de procesboom. We hanteren de volgende basisprincipes voor inrichting en beheer van bedrijventerreinen:
40
4.3
initiatieven en initiatieven voor gebruikswijzigingen worden aan de hand van een toetsingskader in het relevante gremium besproken. Op niveau van Zuid-Limburg bewaken de gemeenten en de subregio’s voortgang, uitgangspunten, samenhang en kwaliteit van de afspraken. Bij iedere afweging voor toevoeging van meters speelt de Ladder voor duurzame verstedelijking een rol.
Verbeelding en procesboom toekomstige bedrijventerreinen
Verbeelding De bedrijventerreinenmarkt is vertaald in een verbeelding van de hoofdstructuur van de bedrijventerreinenmarkt dat overal op dezelfde wijze in heel Zuid-Limburg is afgewogen, zie Deel 2.
Gemeenten spreken af initiatieven in de relevante gremia te bespreken aan de hand van een vast bespreekformat, conform bijlage B.
Procesboom voor uitbreidingen, nieuwe initiatieven en initiatieven voor gebruikswijzigingen De spelregels voor uitbreidingen, nieuwe initiatieven en initiatieven voor gebruikswijzigingen staan samengevat in de volgende procesboom. Nieuwe
Figuur 3: procesboom bedrijventerreinen
5
Toevoegen m2 bedrijfterreinen (niet passend binnen bestemmingsplan)
Binnen (contouren) bestaand bedrijventerrein of direct aangesloten aan bedrijventerrein?
JA
NEE
Uitbreiding bestaand bedrijf?
Afstemmen subregio (bestuurlijk)
Afstemmen Zuid-Limburg (bestuurlijk)
JA
NEE
Afstemmen subregio (bestuurlijk)
Afstemmen Zuid-Limburg (bestuurlijk)
NEE
Melden subregio (ambtelijk)
NEE
NEE
JA
JA
JA
JA
NEE
Afstemmen subregio (bestuurlijk)
Afstemmen Zuid-Limburg (bestuurlijk)
5 Er wordt in de SVREZL gerekend met een gemiddelde omrekenfactor van vvo naar bvo van 90%.
41
WANNEER DIENT DE PROCESBOOM TE WORDEN DOORLOPEN? • •
In gedachten bij elke aanvraag of wens Zodra een initiatief vraagt om een intentieverklaring/bestemmingsplanprocedure/gebruikswijziging
Bij faciliteren: best practices melden op regionaal niveau. Bij optie voorleggen: mogelijkheden verkennen bij buurgemeenten en subregio. WAT BETEKENT REGIONAAL MELDEN? De regio ontvangt een afschrift van het initiatief, waarin het plan/initiatief staat beschreven en hoe de principes van dynamisch voorraadbeheer zijn vormgegeven (inclusief saldering). Jaarlijks stelt de subregio een overzicht op van alle subregionale initiatieven. Gemeenten spreken af dat wanneer initiatieven passen in het vigerend bestemmingsplan, maar strijdig zijn met de SVREZL, zij dit melden in de subregio. Dit geldt voor bedrijfsruimte op bedrijventerreinen vanaf 5.000 m² kavel. WAT BETEKENT REGIONAAL AFSTEMMEN? Uitgewerkt format over het initiatief voorleggen aan het relevante bestuurlijk overleg op Zuid-Limburgse schaal. • Beschrijving plan/initiatief • Bestaande situatie kwantitatief en kwalitatief (omvang, leegstand, meerwaarde, et cetera) • Dynamisch voorraadbeheer/saldobenadering • Effectanalyse • Aansluiting bij POL en structuurvisie Indien het relevante bestuurlijk overleg niet tot een uniform standpunt kan komen, wordt mogelijk advies gevraagd aan een wellicht op te richten onafhankelijke commissie (nader uit te werken in het regionale uitvoeringsprogramma). DYNAMISCH VOORRAADBEHEER/SALDOBENADERING: Salderen vindt plaats op niveau van de subregio.
Wanneer in een balansgebied de leegstand te laag is om verplaatsers te faciliteren, wordt het initiatief op basis van maatwerk aansluitend op de principes van de Structuurvisie afgewogen in het relevante bestuurlijk overleg.
42
4.4
Uitvoeringsprogramma bedrijventerreinen
Gemeenten werken op regionaal en subregionaal niveau aan een uitvoeringsprogramma voor de SVREZL. Met dit doel is op niveau van Zuid-Limburg in een separaat document een uitwerking gemaakt van instrumenten die aansluiten bij de vijf doelstellingen in de SVREZL. De uitvoeringsprogramma’s worden op subregionaal niveau verder uitgewerkt, en op maat toegepast afhankelijk van het type opgave. Instrumenten om de doelen uit de SVREZL te realiseren De vijf doelstellingen voor de SVREZL vormen de basis voor een gereedschapskist van instrumenten: • Behoud van de leefbaarheid en versterking van de hoofdstructuur in de segmenten winkels en kantoren. • Het verdunnen van de bestaande vastgoedvoorraad in de segmenten winkels, kantoren en bedrijventerreinen, daar waar sprake is van een overschot. • Het stap-voor-stap terugdringen van ongewenste en onbenutte planvoorraad buiten de hoofdstructuur in winkels en kantoren tot er op subregioniveau sprake is van een gezonde frictieleegstand. • Het faciliteren van kwalitatieve toevoegingen die passen binnen de uitgangspunten van de structuurvisie. • Het door middel van herbestemming bijdragen aan verbetering van het gebruik en de functionaliteit van de bestaande locatie (kavel, pand, gebied). Overigens kan het gaan om bebouwde of onbebouwde bestemmingen.
SVREZL EN DE METAFOOR VAN DE DRUPPELENDE KRAAN Met deze vijf doelstellingen is een vergelijking te maken met een druppelde kraan: • In de eerste plaats dient het leertje in de kraan gerepareerd te worden (ofwel in de SVREZL en bestemmingsplan geen ongewenste planologische toevoegingen, en netto geen uitbreiding van planologische ruimte mogelijk maken, en onbenutte planologische ruimte weghalen). • In de tweede plaats dient de ‘plas water’ als gevolg van de lekkende kraan (‘de leegstand hoger dan de frictieleegstand’), te worden opgedweild, door bijvoorbeeld salderen, onttrekken, slopen en transformeren.
43
De uitdaging zit er voor de komende jaren in de publiekrechtelijke instrumenten systematisch en vanuit een regionaal perspectief toe te passen, en deze te combineren met privaatrechtelijke instrumenten. Instrumenten voor de uitvoering van SVREZL hebben aansluitend op de doelstellingen betrekking op de volgende onderdelen: 1. Instrumenten om plantitels te verminderen 2. Instrumenten om te komen tot uitwisseling van plantitels op gewenste locaties met plantitels op ongewenste locaties 3. Instrumenten om locaties buiten de concentratiegebieden nieuwe kansen te bieden 4. Financieringsinstrumenten die bijdragen aan verdunning en transformatie 5. Afstemmingsinstrumenten voor nieuwe planinitiatieven 6. Instrumenten die bijdragen aan kennis deling over de transformatie en verdunningsopgave in Zuid-Limburg 7. Instrumenten om te komen tot de aanpak van leegstand 8. Monitoring In het subregionale uitvoeringsprogramma staan verder de volgende onderwerpen: • Welke prioriteiten hebben de gemeenten om gezamenlijk te komen tot uitvoering van de doelen zoals in de SVREZL staan? • Hoe het uitvoeringsprogramma georganiseerd gaat worden. Op niveau van Zuid-Limburg als geheel zal het uitvoeringsprogramma in ieder geval de volgende onderwerpen uitwerken: • Hoe men jaarlijks rapporteert over de voortgang op de uitvoering.
• De (mogelijke) oprichting van een onafhankelijke adviescommissie die wellicht adviseert over initiatieven waarover het relevante bestuurlijk overleg op Zuid Limburgse schaal niet tot een eensluidende beslissing kan komen. • Verkenning van de mogelijkheden van fondsvorming. • Beleid ten aanzien van vrijkomende agrarische bebouwing (VAB’s).
44
45
5 46
Uitvoeringsafspraken
Het voorgaande laat zien dat de Zuid-Limburgse transformatieopgave in de winkelmarkt, de kantorenmarkt en (in mindere mate) de bedrijventerreinenmarkt groot en ingewikkeld is en op veel punten een gemeentegrens overstijgend karakter heeft. Dit maakt dat de 18 Zuid-Limburgse gemeenten gezamenlijke bindende beleidsafspraken maken om de transformatieopgave aan te pakken. Fundament onder deze afspraken is dat het zwaartepunt van de aandacht uitgaat naar de bestaande voorraad in de drie segmenten. Er worden in beginsel alleen toevoegingen in deze segmenten gefaciliteerd in de daartoe afgebakende concentratie- en balansgebieden. In balansgebieden gaat het om kwalitatieve versterkingen. In concentratiegebieden is naast kwalitatieve versterking ook kwantitatieve versterking mogelijk. Telkens onder de voorwaarde van het principe van ‘saldo nul, tot aan de frictieleegstand in de kantorenmarkt en de winkelmarkt’. In de bedrijventerreinenmarkt geldt dat harde plannen hard blijven, en zachte plannen niet hard worden, tenzij dit past binnen lokaal beleid en onder voorbehoud van saldering.
SALDEREN EN LEEGSTAND IN DE WINKEL- EN KANTORENMARKT, HOE WERKT DAT? • Leegstand < frictieleegstand: ontwikkeling voorraad is per saldo 0 of + • Leegstand = frictieleegstand: ontwikkeling voorraad is per saldo 0 • Leegstand > frictieleegstand: ontwikkeling voorraad is per saldo – SALDEREN EN LEEGSTAND IN DE BEDRIJVENTERREINENMARKT, HOE WERKT DAT? • Ontwikkeling voorraad is per saldo 0
SVREZL van 18 gemeenten, geborgd in de provinciale verordening De SVREZL wordt door alle 18 Zuid-Limburgse gemeenteraden vastgesteld en is daarmee zelfbindend voor die gemeenten. Gemeenten zullen elkaar op uitvoering en naleving van de SVREZL aanspreken. De werking van de structuurvisie wordt geborgd in de Provinciale Omgevingsverordening. De provincie zal op basis van die verordening actief optreden indien gemeenten zich niet aan de beleidsafspraken uit deze visie houden. Het provinciale belang is geborgd door POL2014, gemeenten vragen de provincie haar publiekrechtelijke juridische instrumenten in te zetten, waar gemeenten zich niet houden aan de afspraken in de SVREZL. De SVREZL biedt een kader, dat op basis van monitoring nadere flexibiliteit kan bieden De SVREZL heeft een looptijd tot 2030 en geeft een globale ontwikkelrichting aan, waarbinnen het belangrijk is flexibel in te kunnen spelen op verwachte en onverwachte ontwikkelingen aan de vraagkant. Om deze reden verankert de SVREZL de transitieopgave met jaarlijkse monitoring van de vraag, en het aanbod in kwantitatieve en kwalitatieve zin. De SVREZL legt de structuur vast en is een basis voor de uitvoering De SVREZL legt een voor overheden bindende basis voor de uitvoering.
Deze vindt in de praktijk plaats in een lokale uitwerking in de vorm van het bestemmingsplan.6 Daarnaast maakt de structuurvisie de gewenste ruimtelijke hoofdstructuur inzichtelijk (met betrekking tot winkels, kantoren en bedrijventerreinen) waarbinnen gemeenten dienen te opereren en initiatieven getoetst worden. Tot slot bereidt de structuurvisie voor op de uitvoering door handelingskaders en procesbomen te formuleren waarbinnen de subregio’s en de gemeenten opereren. Daar hoort bij dat afwegingen voor initiatieven – afhankelijk van schaal en invloedssfeer – telkens in het juiste regionale of subregionale gremium plaatsvinden. Op het niveau van Zuid-Limburg en op het niveau van de subregio’s wordt er daarnaast een uitvoeringsprogramma opgesteld. Tot slot biedt de SVREZL ook een handvat voor de ontwikkeling van nieuwe instrumenten voor de uitvoering, alvast zoveel mogelijk passend binnen de regels van de nieuwe Omgevingswet.
6 Onder de Omgevingswet gaat het bestemmingsplan op in het Omgevingsplan, waarin naast RO-regels ook andere ruimtelijke regels en verordeningen zijn geïntegreerd.
47
5.1
Afspraken over initiatieven tot 2030
Fundament onder de afspraken is dat het zwaartepunt van de aandacht uitgaat naar de bestaande voorraad in de drie segmenten en dat alleen toevoegingen in deze segmenten plaatsvinden die een kwalitatieve versterking betekenen in de daartoe afgebakende concentratie- en balansgebieden. Toevoegingen zijn in principe alleen mogelijk onder de voorwaarde van de kaders van de structuurvisie, het salderingsbeleid (bijlage saldering) en de procesbomen. DE SPELREGELS HIERONDER HEBBEN EEN BEPAALDE VOLGORDELIJKHEID IN ZICH
en 2) balansgebieden in kwalitatieve zin versterken. De kwaliteit van initiatieven wordt beoordeeld in de systematiek zoals deze in de procesboom per vastgoedsegment staat in het daartoe aangewezen bestuurlijke gremium. Daarnaast wordt op Zuid-Limburgse schaal overwogen, of per vastgoedsegment een onafhankelijke commissie wordt ingericht, waarin experts worden geselecteerd als vertegenwoordigers van gemeenten, provincie en relevante marktpartijen, die adviseren over initiatieven. De (mogelijke) oprichting en samenstelling van de commissies en het specifieke adviesgebied van deze commissies wordt nader uitgewerkt in het (sub)regionale uitvoeringsprogramma van de SVREZL.
3) Het toevoegen van kwalitatief goede initiatieven in de segmenten volgens de volgende uitgangspunten te faciliteren. Zo spreken de gemeenten af: i) Compenseren met onttrekking van planologische 1. In beginsel te starten met het zoveel mogelijk capaciteit, zoals planologische ruimte, panden wegvegen van niet benutte plancapaciteit. en onbenutte plancapaciteit (indien ruimtelijk 2. De afbakening van concentratie- en wenselijk gekoppeld aan sloop) buiten de balansgebieden uit de structuurvisie in afgebakende hoofdstructuur, zoals benoemd op de structuurvisiekaart in een verhouding bestemmingsplannen te bekrachtigen. van 1 m² netto vloeroppervlak staat tot 1 m² 3. Tijdens het uitvoeringsproces van de SVREZL netto vloeroppervlak. maximaal in te zetten op de juiste functie op ii) Compenseren met onttrekking van planologische de juiste plek, waaraan het salderen kan capaciteit, zoals planologische ruimte, panden bijdragen.
en onbenutte plancapaciteit (indien ruimtelijk wenselijk gekoppeld aan sloop) binnen (andere) gebieden in de afgebakende De Zuid-Limburgse gemeenten spreken in deze hoofdstructuur, zoals benoemd op de SVREZL het volgende af: verbeelding in een verhouding van 1 m² netto vloeroppervlak staat tot 1 m² netto 1) Als gemeenten de planvoorraad maximaal in vloeroppervlak, in een subregionaal nader af te perken door het schrappen van onbenutte te spreken periode, volgens de onder i genoemde bouwmogelijkheden en ongewenste uitgangspunten. Subregio’s verkennen de plancapaciteit in de segmenten. Schrappen van mogelijkheden om de verhouding van rechten plancapaciteit buiten de hoofdstructuur (binnen en buiten de hoofdstructuur) in tijd versterkt de hoofdstructuur. stap-voor-stap te wijzigen, afhankelijk van de resultaten van monitoring en evaluatie. 2) Als gemeenten in nauw overleg met initiatiefiii) De (voorgenomen en feitelijke) onttrekkingen nemers kwalitatief goede initiatieven in de drie worden geadministreerd door de provincie. segmenten te faciliteren mits deze niet Uiteindelijk worden deze in het bestemmingsplan strijdig zijn met de hoofdstructuur voor winkels, of Omgevingsplan 7 vastgelegd. In de periode kantoren en bedrijventerreinen.
Kwalitatief daaraan voorafgaand worden de onttrekkingen goede initiatieven zijn initiatieven die geen privaatrechtelijk verankerd in het kadaster ongewenste neveneffecten hebben op de bijvoorbeeld door een combinatie van 8 hoofdstructuur en 1) een concentratiegebied kettingbeding en kwalitatieve verplichting waar in kwalitatieve en/of kwantitatieve zin versterken mee de bestemming de facto is onttrokken. 7 Na ingang van de Omgevingswet die volgens de laatste planning in 2016 van de Rijksoverheid wordt voorzien in 2019, gaan bestemmingsplannen op in omgevingsplannen. 8 Dit kan in een notariële akte worden opgenomen tussen kopende en verkopende partij, die vervolgens kadastraal wordt ingeschreven.
48
iv) Omgevingsvergunningen voor nieuw te realiseren vastgoed en uitbreidingen van vastgoed in de concentratie- en balansgebieden worden alleen verleend onder voorbehoud van correcte administratie van de onttrekkingen door de gemeenten. Voor winkels geldt dat initiatieven die zich vestigen in de twee koopiconen binnen de specifieke segmenten waar zij koopicoon voor zijn, worden vrijgesteld van saldering. Daarnaast geldt dat winkels tot 100 m² netto vloeroppervlak in kleine kernen zonder concentratie- en balansgebieden worden vrijgesteld van saldering. Voor nieuwe supermarkten en uitbreidingen van supermarkten binnen de hoofdstructuur die daarmee in totaal groter worden dan 1.200 m² wvo dient altijd op Zuid-Limburgs schaalniveau bestuurlijke instemming gezocht te worden. Voor nieuwe initiatieven en uitbreidingen van supermarkten tot in totaal maximaal 1.200 m² wvo volstaat afstemming op subregionaal niveau. Het uitgangspunt dat supermarkten binnen de hoofdwinkelstructuur op passende niveaus van de winkelhiërarchie gevestigd moeten worden, is leidend. v) Het salderingsprincipe wordt na drie jaar geëvalueerd. Voor kantoren geldt dat initiatieven tot een maximum van 500 m² netto vloeroppervlak worden vrijgesteld van saldering. Voor bedrijventerreinen geldt dat uitbreidingen tot een maximum van 3.000 m² kaveloppervlak worden vrijgesteld van saldering.
vi) Optioneel kan een omgevingsvergunning onder de opschortende voorwaarde worden verleend totdat de ontwikkelende partij zorg draagt voor het voldoende onttrekken van de betreffende bestemming. vii) Gemeenten zich committeren aan deze afspraken en erop toezien dat deze afspraken in de praktijk worden nageleefd. 4) i)
ii)
Buiten de afgebakende gebieden in de hoofdstructuur op de structuurvisiekaart waar mogelijk te verdunnen. Door onbenutte (onbebouwde) plancapaciteit in 9 bestemmingsplannen weg te bestemmen. Ter voorkoming van succesvolle planschadeclaims is het cruciaal dat het wegbestemmen voorzienbaar wordt gemaakt. Door onbenutte omgevingsvergunningen voor de segmenten in te trekken. Indien het risico van het indienen van een nieuwe aanvraag aanwezig is, zal de gemeente gelijktijdig met het intrekken van de omgevingsvergunning een wijziging van het
bestemmingsplan starten middels het nemen van een voorbereidingsbesluit. Door privaatrechtelijke overeenkomsten op ongewenste nieuwbouwlocaties daar waar mogelijk te verkennen of een overeenkomst ruimte biedt om niet langer planologische medewerking te verlenen aan het in stand houden van onbenutte plancapaciteit. We spreken van het afwegen van privaatrechtelijke contracten. iii) Ongewenste bestemmingen buiten de hoofdstructuur (in bebouwing) te respecteren en alleen bij structurele leegstand van minimaal drie jaar weg te bestemmen. Voor het behalen van dat doel is er bij voorkeur een afspraak met de eigenaar c.q. een andere investeerder, voorafgaande aan de herbestemming, waarin de marktpartij de bereidheid uitspreekt de nieuwe bestemming te zullen realiseren. iv) In beginsel geen toevoegingen/nieuwe ontwikkelingen buiten de concentratie- en balansgebieden toe te staan. v) Nieuwe ontwikkelingen conform procesbomen te beoordelen/doorlopen. Dit moet zorgen voor een verhuisbeweging naar concentratie- en balansgebieden. 5)
Voor locaties waar bestemmingen (waar mogelijk) moeten worden onttrokken, een zeer zorgvuldige afweging maken over het nieuw faciliteren van bebouwde bestemmingen. De afweging of het gaat om maatwerk, baseren gemeenten op de volgende cumulatieve voorwaarden: herbestemming van kantoren, detailhandel en bedrijventerreinen buiten de hoofdstructuur is niet toegestaan, tenzij: i) Een bebouwde functie op deze locatie ruimtelijk noodzakelijk is. ii) De herbestemming past binnen de uitgangspunten binnen deze structuurvisie. iii) De herbestemming geen ongewenste neveneffecten genereert. iv) De herbestemming past binnen de vraagaanbodverhouding van de betreffende functie. v) De herbestemming in principe geen verdringing van andere bestemmingen in dit segment met zich meebrengt. 6)
Te streven naar vitale clusters, en daarmee indirect vermindering van de leegstand in winkels en kantoren tot een gewenste frictieleegstand van 6% binnen de subregio’s Maastricht Heuvelland, Parkstad Limburg en Westelijke Mijnstreek, te
9 Het wegbestemmen van onbenutte plancapaciteit gebeurt met een bestemmingsplan of een veegplan. Belangrijk is de volgorde en inhoud van planologische documenten zorgvuldig op elkaar af te stemmen.
49
realiseren voor 2030. Daarbij staat voorop dat de hoogste prioriteit daarbij ligt in kwantitatieve en kwalitatieve versterking van de concentratiegebieden en kwalitatieve versterking van de balansgebieden. 7)
Herinvulling van waardevol bestaand vastgoed zoals monumenten en/of cultureel erfgoed in de eerste plaats te prioriteren in concentratie- en balansgebieden, waarbij ook keuzes gemaakt kunnen worden om bepaald waardevol leegstaand vastgoed buiten de concentratie- en balansgebieden geen nieuwe invulling met winkels, kantoren of bedrijfsruimte te geven, want de prioriteit ligt bij versterking van de aangewezen hoofdstructuur.
8)
De markten voor winkels, kantoren en bedrijventerreinen jaarlijks te blijven monitoren, zodat er bijgestuurd kan worden wanneer dit nodig is.
9)
Wanneer een gemeente wenst af te wijken van deze afspraken, dient dit altijd door de betreffende gemeente ter besluitvorming te worden voorgelegd aan het relevante gremium uit de procesboom.
5.2
Procesafspraken bij de uitvoering van SVREZL
Relevante gremia die toezien op de uitvoeringsafspraken in de SVREZL Aan de SVREZL worden uitvoeringafspraken verbonden, waaraan de 18 gemeenten en de provincie zich committeren. De (sub)regionale overleggen vormen het bestuurlijke gremium dat via afstemming en instemming de subregionale programmering en het faciliteren van initiatieven van winkels, kantoren en bedrijventerreinen bespreekt.
ruimtelijke economie in Zuid-Limburg te borgen. Daarnaast werken de drie subregio’s Maastricht Heuvelland, Parkstad Limburg en Westelijke Mijnstreek binnen de uitgangspunten en afspraken zoals deze in de SVREZL voorkomen nadere programmeringen uit voor winkels, kantoren en bedrijventerreinen. Deze programmering heeft tot doel een helder kader te bieden voor zowel het opstellen als het schrappen van plannen en omgevingsvergunningen. Overwegingen vinden veelal plaats op niveau van overleggroepen voor kantoren en bedrijventerreinen en winkels op niveau van de subregio’s Maastricht Heuvelland, Parkstad Limburg en Westelijke Mijnstreek. Rol van de Provincie Limburg in relatie tot de SVREZL Aan de Provincie Limburg wordt gevraagd om de voorzorgsbepalingen in de Omgevingsverordening Limburg zo in te richten dat deze de afspraken in de SVREZL exact borgen. Een en ander overeenkomstig de regeling voor Wonen Zuid-Limburg opgenomen in artikel 2.4.2, lid 3 en 4 van de huidige verordening. Als een gemeente deze afspraken schendt, verwachten de overige Zuid-Limburgse gemeenten dat de provincie Limburg daarop zal handhaven. Daarnaast verwachten de Zuid-Limburgse gemeenten dat de provincie Limburg met haar publiekrechtelijke bevoegdheden ervoor zorgt dat gemeenten in Zuid-Limburg, die de SVREZL niet vaststellen zich houden aan de uitgangspunten van de SVREZL.
Ook dient de provincie ongewenste concurrentie met andere gemeenten in Noord- en Midden-Limburg te voorkomen. De Zuid-Limburgse gemeenten verwachten van de provincie dat ze dit uitgangspunt borgt.
Als er niet wordt afgestemd en ingestemd conform de principes in de structuurvisie, het salderingsbeleid en de procesbomen, kan de provincie Limburg haar wettelijk instrumentarium (instructieregels voor bestemmingsplan of omgevingsplan in amvb c.q. verordening ruimte of te zijner tijd onder de 10 Omgevingswet: de Omgevingsverordening) inzetten om de belangen voor het functioneren van de 10 Naar huidig recht kan de provincie bij ingrijpen kiezen tussen een proactieve aanwijzing en een inpassingsplan. Met de inwerkingtreding van de Omgevingswet verdwijnt het inpassingplan als planfiguur zonder dat daarvoor een vergelijkbare planfiguur terugkomt. Voor de proactieve aanwijzing komen (proactieve) instructieregels in de plaats. Daarnaast kan de provincie de reactieve aanwijzing inzetten, na indiening van een zienswijze. Deze mogelijkheid blijft ook na invoering van de Omgevingswet bestaan.
50
51
Bijlage A: 52
toelichting winkelhiërarchie
1. Koopicoon Koopiconen de binnenstad van Maastricht en de Woonboulevard Heerlen zijn de belangrijkste winkelgebieden in Zuid-Limburg, met een sterke bovenregionale/euregionale aantrekkingskracht. De omvang zal gelijk blijven of licht toenemen.
Tabel A1: winkelhiërarchie Niveau in de in de Niveau winkel-hiërarchie winkelhiërarchie
Maastricht Heuvelland
Parkstad Limburg
Westelijke Mijnstreek
Koopicoon
Binnenstad Maastricht
Woonboulevard Heerlen (thema wonen)
-
Spelregels
Concentratiegebied • De koopiconen zijn elk op hun eigen manier uniek en onderscheidend binnen Zuid-Limburg. Vestiging van een winkel in de specifieke segmenten waar de koopiconen uniek in zijn, wordt vrijgesteld van saldering. Vestiging naar de twee specifieke koopiconen in de gespecificeerde segmenten is in beginsel een ruimtelijke ontwikkeling die de winkelstructuur op Zuid-Limburgse schaal als geheel versterkt en in het bijzonder de euregionale concurrentiepositie. Belangrijk is dat deze niet ten koste gaat van lokale en subregionale ontwikkelingen. In de evaluatie van de structuurvisie (drie jaar na vaststelling), worden alle cases van verhuizingen naar de twee koopiconen expliciet betrokken. De Woonboulevard Heerlen is de grootste woonboulevard in Zuid-Limburg op het gebied van woonwinkels en trekt ook euregionaal veel bezoekers uit met name Duitsland. Dat betekent dat de reikwijdte van de woonwinkels groter is dan Zuid-Limburg alleen en dat versterking van de woonboulevard en daarmee de euregionale trekkracht ten faveure van heel 11 Zuid-Limburg komt. Toevoeging van woonwinkels aan de woonboulevard gaat niet ten koste van winkels elders in de subregio of Zuid-Limburg als geheel. Daarom zijn deze vrijgesteld van salderen.
• Het centrum van Maastricht geniet als winkelbestemming landelijk en internationaal trekkracht vanwege het grote onderscheidende vermogen op het vlak van ‘funshoppen’, mode, accessoires en hieraan gerelateerd design. Dit is de reden om bij toevoeging van winkels in dit profiel in het centrum van Maastricht niet te salderen omdat de binding van de koopkracht die hiermee gemoeid gaat niet ten koste gaat van andere winkelbestemmingen binnen de subregio of Zuid-Limburg als geheel. Afstemming van nieuwe initiatieven en initiatieven voor gebruikswijzigingen vindt plaats op niveau van Zuid-Limburg en subregio.
11 Het gaat daarbij om de branches die behoren tot wonen. Dus uitsluitend winkels in de branches babywoonwinkel, slaapkamer/bedden, keukens, meubelen, woonwarenhuis, (Oosterse)-tapijten, keukens, badkamers, verlichting, parket/laminaat, tegels, woninginrichting, woningtextiel, woondecoratie, zonwering.
53
2. Stadscentrum De centra van Heerlen en Sittard zullen de positie als regionale centrumsteden in de (sub)regio behouden. Door dalende bevolkingsomvang zal de omvang kleiner worden, met daarbuiten ruimte voor een beperkt aanloopmilieu (winkels en andere functies).
Tabel A2: winkelhiërarchie Niveau in de in de Niveau winkel-hiërarchie winkelhiërarchie
Maastricht Heuvelland
Parkstad Limburg
Westelijke Mijnstreek
Regionaal centrum
-
Centrum Heerlen (concentratiegebied en deels balansgebied)
Centrum Sittard (concentratiegebied en deels balansgebied)
Spelregels
• Afbakening van concentratie- en balansgebieden. • Transitieopgave daarbuiten. • Salderen binnen de subregio tot aan niveau van frictieleegstand is bereikt. • Inzetten op kwalitatieve en kwantitatieve versterking in het concentratiegebied en kwalitatieve versterking in het balansgebied. • Afstemming van nieuwe initiatieven en initiatieven voor gebruikswijzigingen op niveau van Zuid-Limburg en subregio.
54
3. Perifere concentratie Voor de perifere concentraties geldt dat er sprake is van thematische en niet thematische concentraties gericht op de regio. De grotere thematische concentratie is Roda Boulevard (leisure en sport). Daarnaast hanteren we de kleinere perifere thematische concentraties (bovenlokaal). Het gaat om Gardenz, 12 Belvedère, de Sportzone Limburg en Handelcentrum Bergerweg. Tot slot kent Zuid-Limburg een tweetal perifere concentraties zonder thema. Het gaat om Retailpark A2 in Gronsveld en Makado in Beek. Dit zijn concentraties die een (boven)lokale aantrekkingskracht hebben vanwege ligging en bereikbaarheid/parkeren maar waar we naar de toekomst toe vooral een kwalitatieve versterking beogen, zonder kwantitatief uit te breiden.
Tabel A3: winkelhiërarchie Niveau in de winkel-hiërarchie winkelhiërarchie perifere concentratie Niveau in de
Maastricht Heuvelland
Parkstad Limburg
Perifere thematische concentratie (boven)regionaal
-
Roda Boulevard (concentratiegebied)
-
Perifere thematische concentratie (boven)lokaal
Belvedère (concentratiegebied)
-
Gardenz (concentratiegebied) Winkels in Sportzone Limburg (balansgebied) Handelscentrum Bergerweg (balansgebied)
Perifere niet thematische concentratie (boven) lokaal
Retailpark A2 Gronsveld (balansgebied)
-
Makado (balansgebied)
Spelregels
• Transitieopgave daarbuiten. • Salderen binnen de subregio tot aan niveau van frictieleegstand is bereikt. • Inzetten op kwalitatieve en kwantitatieve versterking in het concentratiegebied en kwalitatieve versterking in het balansgebied, onder voorbehoud dat deze versterking niet ten koste gaat van de vitaliteit van binnensteden en geen andere ongewenste neveneffecten heeft. • Afstemming van nieuwe initiatieven en initiatieven voor gebruikswijzigingen op niveau van Zuid-Limburg en subregio.
13
Westelijke Mijnstreek
12 Het gaat specifiek om het winkelgebied binnen Sportzone Limburg. 13 Voor het thema sport en leisure geldt het label concentratiegebied, voor de ondergeschikte thema’s doe-het-zelf en tuin, en megasupermarkt geldt het label balansgebied.
55
4. Stadsdeelcentrum De stadsdeelcentra in Zuid-Limburg zijn zeer divers in omvang en functioneren. Hierdoor is ook het toekomstperspectief verschillend. Enkele stadsdeelcentra zijn in de huidige omvang te groot en het perspectief wordt eerder slechter dan beter. De stadsdeelcentra liggen overwegend in een gebied met circa 30.000 inwoners als primair verzorgingsgebied. De grootste opgave ligt in de grotere centra zoals Geleen en Kerkrade.
Tabel A4: winkelhiërarchie Niveau in de winkel-hiërarchie winkelhiërarchie Niveau in de
Maastricht Heuvelland
Parkstad Limburg
Westelijke Mijnstreek
Stadsdeelcentrum
Brusselse Poort (concentratiegebied) Heer (concentratiegebied)
Brunssum Centrum (concentratiegebied) Landgraaf Centrum (Op de Kamp) (concentratiegebied) Kerkrade Centrum (concentratiegebied) Hoensbroek Centrum (concentratiegebied)
Geleen Centrum (concentratiegebied)
Spelregels
• Afbakening van concentratie en balansgebieden. • Transitieopgave daarbuiten. • Salderen binnen de subregio tot aan niveau van frictieleegstand is bereikt. • Inzetten op kwalitatieve en kwantitatieve versterking in het concentratiegebied en kwalitatieve versterking in het balansgebied. • Afstemming van nieuwe initiatieven en initiatieven voor gebruikswijzigingen op niveau van subregio.
56
5. Boodschappencentrum in een dorp of een wijk In de dorpskernen in Zuid-Limburg zien we een grote diversiteit in winkelgebieden. Enkele dorpscentra zijn relatief groot en zijn ook gelegen in een grotere gemeente/kern. De toekomst van dorpscentra is vooral geënt op de aanwezigheid van een of meerdere supermarkten (trekkers) en enig aanvullend winkelaanbod. In de wijkcentra van de steden zien we een soortgelijk beeld. Naar de toekomst zullen er winkelgebieden zijn die compacter worden. In Maastricht zullen deze winkelgebieden an sich niet (zo sterk) krimpen in omvang, ze functioneren op wijkniveau en het totale aanbod is beperkt.