CConstaterende datHeerlen
Koppel je AI →
Document · PDF

SLM016368.RAP001.RO_Rondje Groeves Sib.pdf

Raadsvergadering . (video) 26 januari 2022, gemeente HeerlenBij agendapunt: Ontwerp-verklaring van geen bedenkingen rondje groeves, deelgebied Oost17.294 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 3

33/62 — SLM016368 — Ruimtelijke Onderbouwing — RAP01 -— versie 2 – 12 november 2021

Afbeelding - impressie POI aan de groeve Sibelco Struinpad – zonweide en afplagging tot op zilverzand Tussen het POI (blauwe rechthoek) en de woning aan de Koolkoelenweg 3 zal in binnen het bestaand gebied ruimte worden gelaten voor het ontstaan van een spontaan struinpad en een zonweide. Dit gebied is in de onderstaande afbeelding aangegeven met een gele cirkel. De strook onder de zonweide en Koolkoelenweg 3 zal worden afgeplagt tot op zilverzandniveau om zo een ‘strandaanzicht’ te realiseren. Deze strook is in de onderstaande afbeelding aangegeven met een rode cirkel.

34/62 — SLM016368 — Ruimtelijke Onderbouwing — RAP01 -— versie 2 – 12 november 2021

Afbeelding – locatie en impressie van het POI, het struinpad en zonweide en “zilverzandstrand” aan de groeve Sibelco

35/62 — SLM016368 — Ruimtelijke Onderbouwing — RAP01 -— versie 2 – 12 november 2021

5 Omgevingsaspecten In de volgende paragrafen worden de relevante milieu- en andere aspecten, voor zover van belang voor het plangebied, beschreven. 5.1

Milieueffectrapportage

In de bijlage bij het Besluit m.e.r. zijn activiteiten met drempelwaarden opgenomen op basis waarvan de noodzaak van het wel of niet opstellen van een m.e.r.-beoordeling (onderdeel D) of meteen een milieueffectrapportage (onderdeel C) wordt bepaald. In onderdeel C is aangegeven bij welke activiteiten waarschijnlijk sprake is van belangrijke nadelige milieugevolgen. Hiervoor geldt een directe verplichting voor het doorlopen van de m.e.r.-procedure (onderdeel C). Onderdeel D bevat activiteiten waarvoor een m.e.r.-beoordelingsplicht geldt. Als blijkt dat aanzienlijke nadelige milieugevolgen niet zijn uit te sluiten, is alsnog een m.e.r-procedure nodig. De opgenomen drempelwaarden zijn gebaseerd op algemene kenmerken van een activiteit en een globale aanname dat bij gevallen onder de drempelwaarde geen belangrijke nadelige milieugevolgen zullen optreden. De aanleg van een wandel-/fietspad is op zichzelf geen activiteit die wordt genoemd in het Besluit milieueffectrapportage 1994 (verder: Besluit m.e.r.) en valt ook niet onder de categorie autosnelwegen, autowegen, of andere wegen met vier of meer rijstroken. Wel worden door de aansluiting hierop bestaande wegen gewijzigd, worden gronden ontgraven en vindt een functieverandering van gronden plaats.

Derhalve wordt voor de volledigheid getoetst of voor de aanleg van het wandel-/fietspad een milieueffectrapportage moet worden doorlopen. Het Besluit m.e.r. (artikel 2, vijfde lid onder b.) schrijft ook bij activiteiten onder de drempelwaarde voor dat een milieu-effectbeoordeling nodig is, waarbij wordt verwezen naar de Europese richtlijn milieueffectrapportage. Dit is de zogenaamde vormvrije m.e.r.-beoordeling. In deze m.e.r.-beoordeling moet aandacht worden besteed aan alle criteria die zijn opgenomen in Bijlage III bij de Europese richtlijn 'betreffende de milieubeoordeling van bepaalde openbare en particuliere plannen'; dit zijn: 1. kenmerken van het plan; 2. plaats van het plan; 3. kenmerken van het potentiële effect. De m.e.r. beoordeling hoort bij de ruimtelijke plannen (plan), waarin de hiervoor genoemde activiteiten (aanleg wandel-/fietspad met daarbij behorende bouwwerken geen gebouwen zijnde) mogelijk worden gemaakt.

36/62 — SLM016368 — Ruimtelijke Onderbouwing — RAP01 -— versie 2 – 12 november 2021

Een vormvrije m.e.r.-beoordeling doorloopt dezelfde procedure als een formele m.e.r.beoordeling: een initiatiefnemer van een bepaalde activiteit, dient een aanmeldnotitie vormvrije m.e.r beoordeling in bij het bestuursorgaan dat bevoegd is te besluiten op de aanvraag/het plan waarmee de activiteit mogelijk wordt gemaakt. Het bevoegd gezag neemt vervolgens een beslissing of al dan niet een milieueffectrapportage moet worden doorlopen Er is een aanmeldnotitie opgesteld (zie Bijlage 6), waarin de mogelijke nadelige milieugevolgen van de beoogde ontwikkeling zijn beschreven. Het plangebied bevindt zich na oplevering en overdracht van de Zuidplas in mei 2021 in zijn geheel in de Goudgroene Natuurzone. Hierdoor is voor het plan compensatie aan de orde, maar aangezien de natuurwaarden in dit gebied op dit moment nog niet aanwezig zijn, maar zich zullen moeten ontwikkelen kan er geen compensatie in natura plaatsvinden, conform de beleidsregel Natuurcompensatie van de provincie Limburg. Deze compensatie zal middels een financiële compensatie plaatsvinden. Voor het overige treedt er geen onevenredige aantasting op waarmee de aspecten gebiedsbescherming en soortenbescherming in het gedrang komen. In de gebruiksfase vinden er geen werkzaamheden of andere verstoringseffecten plaats.

De beoogde ontwikkeling zorgt, noch in de aanlegfase, noch in de gebruiksfase, tot zodanige belangrijke nadelige milieugevolgen dat een milieueffectrapportage zou moeten worden doorlopen. Bij besluit van PM DATUM 2021 heeft het gemeentebestuur van Heerlen besloten dat voor het plan Rondje Groeves Sibelco geen milieueffectrapportage hoeft te worden doorlopen. 5.2

Geluid

Met voorliggend omgevingsvergunning met ruimtelijke onderbouwing wordt geen nieuwe geluidsgevoelige functie mogelijk gemaakt. Anderzijds is een fietspad in het kader van de Wet geluidhinder geen geluidsbron. Hierdoor hoeft er geen akoestisch onderzoek te worden uitgevoerd voor voorliggend plan. Conclusie Het voorliggend plan heeft geen negatieve gevolgen voor de geluidbelasting op de omgeving en daarmee geen belemmering vormt voor dit bestemmingsplan. 5.3

Water

In het kader van de Watertoets moet elke ruimtelijke onderbouwing een waterparagraaf bevatten, waarin wordt aangegeven op welke wijze rekening is gehouden met de gevolgen van het plan voor de waterhuishouding. Voordat wordt ingegaan op de locatie specifieke kenmerken van het plangebied, is eerst het relevant beleid samengevat. Europees en Rijksbeleid 5.3.1.1 Kaderrichtlijn Water De Kaderrichtlijn Water (KRW) heeft als doel om de kwaliteit van de Europese wateren te verbeteren en die kwaliteit goed te houden. Het belangrijkste middel om dit doel te bereiken is

37/62 — SLM016368 — Ruimtelijke Onderbouwing — RAP01 -— versie 2 – 12 november 2021

het stroomgebiedbeheersplan (SGBP). In een dergelijk plan worden de waterkwaliteitsdoelen en de daarvoor benodigde maatregelen beschreven om deze goede kwaliteit te bereiken. Nederland maakt deel uit van vier internationale stroomgebieden, waarbij de gemeente Heerlen in het stroomgebied van de Maas is gelegen. Het stroomgebiedbeheersplan Maas is op 22 december 2015 vastgesteld en heeft een looptijd tot eind 2021. Een belangrijk onderdeel van het SGBP is een maatregelenprogramma. Het maatregelenprogramma bestaat enerzijds uit maatregelen die worden genomen in het kader van reeds bestaande nationale en/of Europese wetgeving (bijv. Europese Nitraatrichtlijn) en anderzijds een groot aantal regionale en locatie gebonden maatregelen. 5.3.1.2 Waterwet De Waterwet (22 december 2009) stelt integraal waterbeheer op basis van de 'watersysteembenadering' centraal. Deze benadering gaat uit van het geheel van relaties binnen watersystemen. Denk hierbij aan de relaties tussen waterkwaliteit, -kwantiteit, oppervlakte- en grondwater, maar ook aan de samenhang tussen water, grondgebruik en watergebruikers. Hiernaast kenmerkt integraal waterbeheer zich ook door de samenhang met de omgeving. Dit komt tot uitdrukking in relaties met beleidsterreinen als natuur, milieu en ruimtelijke ordening. De waterbodemregelgeving die voorheen was opgenomen in de wet is overgegaan naar de Waterwet.

Met de Waterwet is de gemeente beter uitgerust om onder andere wateroverlast tegen te gaan. Specifiek voor wat betreft de omgang met hemelwater is de perceeleigenaar primair verantwoordelijk gesteld voor de verwerking van het op zijn perceel gevallen hemelwater. Dit brengt met zich mee dat de perceeleigenaar verantwoordelijk is voor de ontwatering en afwatering van zijn eigen perceel. Alleen in uitzonderingsgevallen kan hemelwater geloosd worden op het openbaar riool. 5.3.1.3 Wet ruimtelijke ordening en watertoets De watertoets is per 1 november 2003 wettelijk verplicht (en vastgelegd in het Besluit ruimtelijke ordening). De watertoets betekent dat ruimtelijke plannen die vanaf deze datum ter inzage worden gelegd, voorzien moeten zijn van een waterparagraaf. Ruimtelijke plannen van de initiatiefnemer worden besproken met de waterbeheerder. In de waterparagraaf geeft de initiatiefnemer aan welke afwegingen in het plan ten aanzien van water zijn gemaakt. Het is een toelichting op het doorlopen proces en maakt de besluitvorming ten aanzien van water transparant. In geval van locatiekeuzes en bij herinrichting van bestaand bebouwd gebied geeft de initiatiefnemer expliciet aan welke rol de kosten en risico's van verdroging, verzilting, overstroming en overlast hebben gespeeld bij de besluitvorming.

De waterparagraaf grijpt zichtbaar terug op de afsprakennotitie en het wateradvies van de waterbeheerder. 5.3.1.4 Waterbeleid 21e eeuw: anders omgaan met water Door de opgetreden wateroverlast heeft de regering de commissie Waterbeheer 21e eeuw in het leven geroepen. De commissie geeft advies over de problemen en hoe die in de toekomst

38/62 — SLM016368 — Ruimtelijke Onderbouwing — RAP01 -— versie 2 – 12 november 2021

te voorkómen zijn. Op 31 augustus 2000 bracht de commissie het advies Waterbeleid voor de 21e eeuw "Geef water de ruimte en de aandacht die het verdient" uit. De commissie concludeerde dat de manier waarop wij nu met water omgaan niet voldoende is voor de verwachte klimaatsveranderingen. De bevindingen van de commissie zijn verwoord in de hedendaagse wetgeving en beleidsnota's. In grote lijnen ligt de nadruk op de kwantiteitstrits vasthouden-bergen-afvoeren en de kwaliteitstrits schoonhouden-scheiden-schoonmaken. Regionaal en gemeentelijk beleid 5.3.2.1 Keur en beleidsregels Keur Waterschap Limburg 2019 In de Keur is een nieuwe bergingsnorm opgenomen van 80 mm voor rechtstreekse lozingen op oppervlaktewater. Uitgangspunt is dat de bergingsnorm bij nieuwe verharding (rechtstreeks lozend op oppervlaktewater) bindend is. Bij bestaande verharding wordt de norm als richtlijn gebruikt. Hierbij is het streven om zoveel mogelijk naar de nieuwe norm toe te groeien. Gemeentelijk beleid 5.3.3.1 Watertakenplan 2020-2024 In het plan is de gemeentelijke wateropgave voor de middellange termijn omschreven. De speerpunten zijn: "Een klimaatbestendig Heerlen", "Anticiperen op de Omgevingswet", "Samenwerken in de waterketen", "Meten, data en rekenen", "Beheer op maat" en "Werken aan waterbewustzijn".

Door het opnemen van een uitvoeringsprogramma en een kostendekkingsplan wordt de komende jaren invulling gegeven aan de speerpunten. 5.3.4 Plangebied Watertoets Conform de regels van het waterschap Limburg dient een wateradvies gevraagd worden bij alle ruimtelijke plannen waarbij het aspect water een rol kan spelen. Het aan te leggen wandel-/fietspad maakt gebruik van reeds bestaande infrastructuur, waarbij de afwatering niet wijzigt, of zal onder een kleine hellingshoek/afschot wordt gerealiseerd, waardoor het water dat op het pad terechtkomt af zal lopen en in het omliggend maaiveld worden opgenomen zoals dat nu feitelijk ook het geval is. Aangezien het een relatief smalle strook is, verandert de watersituatie en de infiltratie niet. Tevens wordt een zilverduintuin aangelegd en zal op een deel van het terrein de grond worden afgeplagd tot op zilverzandnivieu. Hier kan water op zichzelf infiltreren in de bodem en zal derhalve ook niet voor een gewijzigde situatie zorgen. Ter plaatse van het spontaan te ontstaan struinpad en de zonweide worden geen ingrepen gedaan. Daarom heeft het plan geen nadelige invloed op de waterkwaliteit en waterkwantiteit. Tevens is een verplichte watercompensatie niet aan de orde. Conclusie Het aspect water vormt geen belemmering voor het voornemen en het verlenen van de omgevingsvergunning.

39/62 — SLM016368 — Ruimtelijke Onderbouwing — RAP01 -— versie 2 – 12 november 2021

5.4

Bodem

Algemeen Bij een ruimtelijke onderbouwing moet het bevoegde gezag op basis van de Wet bodembescherming voldoende inzicht hebben om de vraag te kunnen beantwoorden of de bodem geschikt is voor de in het bestemmingsplan toe te kennen functie('s). Daarvoor dient een bodemonderzoek. Een bodemonderzoek hoeft echter niet te worden uitgevoerd als de bodemkwaliteitskaart als bewijsmiddel kan dienen voor een bestemmingsplanwijziging. Een belangrijke voorwaarde daarbij is de vaststelling van het niet verdacht zijn van de locatie voor puntbronnen op basis van een uitgevoerd NEN 5725 vooronderzoek. Blijkt hieruit dat er geen verdachte locaties/situaties zijn, ofwel er zijn geen knelpunten, dan kan volstaan worden met dit vooronderzoek aangevuld met een veldinspectie. Uit het vooronderzoek volgens NEN 5725 kan ook blijken dat de kwaliteit van de bodem onvoldoende zou kunnen zijn ofwel een verdachte situatie bestaat. In die gevallen moet altijd een vooronderzoek gevolgd door een verkennend onderzoek conform NEN 5740 worden uitgevoerd, aangevuld met een bodemonderzoek asbest conform NEN5707. Onderzoeken die niet volgens de geldende normen zijn opgesteld en uitgevoerd zijn of verouderde onderzoeken gelden niet als representatief en onvoldoende. Beleidskader Bodembeleidsplan Voor de gemeente Heerlen is sinds 28 september 2016 het bodembeleidsplan Heerlen van toepassing.

In dit bodembeleidsplan wordt het gemeentelijk bodembeleid beschreven en het beleidsplan is derhalve het richtinggevend kader (uiteraard naast de wettelijke regelingen) voor zowel bodembescherming als bodemsanering. Besluit bodemkwaliteit Het Besluit bodemkwaliteit (Bbk) geeft invulling aan het op duurzaamheid gerichte bodembeleid. De nota bodembeheer beschrijft hoe de gemeente Heerlen invulling geeft aan het Bbk. In het bodembeleidsplan is de nota bodembeheer en de bodemkwaliteitskaart gemeente Heerlen opgenomen. De bodem in de gemeente Heerlen is beschreven in een bodemkwaliteitskaart die conform de Richtlijn Bodemkwaliteitskaarten is vervaardigd. Er kan worden geconcludeerd dat de lokale bodemkwaliteit over het algemeen voldoende wordt beschreven door de bodemkwaliteitskaart voor alle zones.

40/62 — SLM016368 — Ruimtelijke Onderbouwing — RAP01 -— versie 2 – 12 november 2021

Afbeelding – Bodemkwaliteitskaart Op basis van de bodemkwaliteitskaart is het plangebied voor het deel Rondje Groeves Sibelco gelegen in deelgebied Agrarisch en Natuur. Middels de voorliggende omgevingsvergunning wordt de aanleg en het gebruik van een wandel-/fietspad mogelijk gemaakt, maar blijf daarnaast de bestaande bestemming vigerend. In 2021 is een bodeonderzoek uitgevoerd waarvan de resultaten opgenomen zijn in bijlage 7. Het plangebied Ter plaatse is een bodemonderzoek uitgevoerd. Het uitgevoerde onderzoek voldoet niet volledig aan de NEN5740 en de NEN 5707; er zijn onvoldoende boringen verricht en proefgaten gegraven. Deze afwijkingen ten aanzien van het verkennend asbestonderzoek mogen echter als ‘niet-kritisch’ aangemerkt worden.

41/62 — SLM016368 — Ruimtelijke Onderbouwing — RAP01 -— versie 2 – 12 november 2021

Het onderzoek omvat de tweede fase en betreft het nieuwe fiets- en wandelpad ter plaatse van het tracé: • Fietspad. • Brug en uitkijkpunten (POI Zilverduintuin). Beoordeling onderzoek 1. Fietspad: • De bovengrond (0-0,5 m-mv) zijn geen verhoogde gehaltes in de bovengrond aangetroffen. • De ondergrond (0,5-0,75 m-mv) is niet verontreinigd. • In de bodem is geen asbest en PFAS aangetoond. • Op basis van de vastgestelde bodemkwaliteit kan de hypothese “onverdacht” voor deze deellocatie worden aanvaard. 2. Brug en uitkijkpunten (POI Zilverduintuin): • De bovengrond (0-0,5 m-mv) ter plaatse van het zuidelijk geplande uitkijkpunt (boring 324) is licht verontreinigd met PCB en minerale olie. • Op basis van de vastgestelde bodemkwaliteit dient de hypothese bij boring 324 formeel gezien te worden verworpen, vanwege de aangetroffen lichte verontreiniging. Dit heeft geen gevolgen voor de gevolgde onderzoeksstrategie. Voor het overige deel van deze deellocaties kan de hypothese “onverdacht” worden aanvaard. • In de bodem is geen asbest en PFAS aangetoond. Tevens kan worden geconcludeerd dat: • Er is met voldoende betrouwbaarheid vastgesteld dat op de locatie geen asbest boven de helft van de interventiewaarde in de bodem aanwezig is. Vervolgonderzoek en maatregelen zijn niet noodzakelijk.

• De resultaten van het bodemonderzoek zijn tevens getoetst aan de in de CROW400 gehanteerde SRC‐arbo. Voor de geplande werkzaamheden op onderhavige onderzoekslocaties geldt veiligheidsklasse “Basishygiëne”. Conclusie Vanwege diverse afwijkingen heeft het onderzoek formeel een indicatieve status. Het uitgevoerde bodem- en asbestonderzoek geeft echter voldoende inzicht in de verontreinigingssituatie van de onderzoekslocatie. Het uitvoeren van een nader bodemonderzoek is niet noodzakelijk. Voor wat betreft bodemaspecten zijn er geen belemmeringen voor de voorgenomen ontwikkeling. 5.5

Wet Natuurbescherming

Gebiedsbescherming Vanaf 1 januari 2017 is de nieuwe Wet natuurbescherming (Wnb) in werking getreden. Deze vervangt drie wetten; de Natuurbeschermingswet 1998, de Boswet en de Flora- en faunawet. De nadruk komt te liggen op het samenspel tussen provincies en gemeenten. Provincies bepalen wat voor hun gebied wel en niet mag in de natuur. De provincie Limburg heeft dit

42/62 — SLM016368 — Ruimtelijke Onderbouwing — RAP01 -— versie 2 – 12 november 2021

opgenomen in de Omgevingsverordening Limburg 2014. Er gelden drie vergunningen voor activiteiten in of met een effect op een Natura 2000-gebied: • als er sprake is van effect op stikstof, geluid, licht en grondwater (Ontheffing of Vergunning gebiedsbescherming op basis van de Wet natuurbescherming); • als er sprake is van effect op beschermde dieren en planten (Ontheffing of Vergunning soortenbescherming op basis van de Wet natuurbescherming); • bij het kappen van bomen en struiken (omgevingsvergunning houtopstanden bij de gemeente en een kapmelding bij de provincie Limburg). De Europese Unie (EU) wil de biodiversiteit in Europa beschermen. Dit doet zij door gebieden aan te wijzen als Natura 2000-gebied. Dat is een Europees netwerk van beschermde natuurgebieden. In Nederland zijn meer dan 160 natuurgebieden aangewezen. Deze liggen allemaal binnen het Natuurnetwerk Nederland (NNN). Oorspronkelijk zijn deze gebieden aangewezen als Habitat- of Vogelrichtlijngebied. Al deze gebieden zijn geselecteerd op grond van het voorkomen van planten- en/of diersoorten en habitattypen die vanuit Europees oogpunt bescherming nodig hebben. De Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit (LNV) wijst de gebieden aan. In dat traject kunnen provincies, gemeenten, eigenaren en gebruikers van het aan te wijzen gebiedt hun zienswijze kenbaar maken.

In het aanwijzingsbesluit van het betreffende Natura 2000-gebied wordt de exacte ligging aangegeven, evenals de soorten en habitattypen die in het gebied moeten worden beschermd.

Afbeelding - Ligging plangebied (Markering i) ten opzichte van beschermde gebieden

43/62 — SLM016368 — Ruimtelijke Onderbouwing — RAP01 -— versie 2 – 12 november 2021

Het plangebied ligt in de directe nabijheid van vier relevante Natura 2000-gebieden: Geleenbeekdal (westen), Kunderberg (westen), Geuldal (westen) en Brunssummerheide (oosten). Stikstofdepositie Per 1 juli 2021 treedt de nieuwe Wet stikstofreductie en natuurverbetering in werking. Hiermee wordt de Wet natuurbescherming gewijzigd en wordt een vrijstelling van de vergunningplicht voor de bouwsector opgenomen in artikel 2.9a van de Wet natuurbescherming. Deze vrijstelling geldt voor alle projecten die in de gebruiksfase geen tot weinig stikstofemissie veroorzaken en heeft betrekking op de bouw- en aanlegfase van projecten inclusief de daarmee gepaard gaande vervoersbewegingen. Wel bestaat er een verplichting om de emissie van stikstof te beperken voor bouw- en sloopwerkzaamheden waarvoor een omgevingsvergunning of melding noodzakelijk is. Hiermee wordt beoogd dat machines en andere processen (eerder) worden vervangen door alternatieven met een lagere uitstoot. Het project ‘Rondje Groeves’ in de regio Parkstad kent in de gebruiksfase geen emissie van stikstof omdat enkel voetgangers en fietser op het wandel-/fietspad zijn toegestaan. Daarmee leidt deze fase dus ook niet tot een toename van de stikstofdepositie of tot significante gevolgen voor de omliggende Natura-2000 gebieden als gevolg van stikstofdepositie.

Voor de aanlegfase van het project ‘Rondje Groeves’ is aan de hand van een berekening met AERIUS Calculator (zie bijlage 3) nagegaan of de stikstofemissies die met de aanlegwerkzaamheden gepaard gaan leiden tot een toename van de stikstofdepositie in omliggende Natura 2000‐gebieden Uit deze berekening komt naar voren dat: • bij toepassing van relatief oude machines (met STAGE IIIb-motoren) een toename van de stikstofdepositie wordt berekend in diverse hexagonen variërend van 0,01 tot 0,38 mol N/ha in het jaar van aanleg. De hoogste deposities vinden plaats op habitattype H4030 Droge heide in Natura 2000‐gebied Brunssummerheide. • Indien schonere machines (met STAGE IV-motoren) worden gebruikt, liggen de berekende toenames van de stikstofdepositie tussen 0,01 en 0,15 mol N/ha/jaar. Geconcludeerd wordt dat het mogelijk is de emissie van stikstof tijdens de aanlegfase relevant te beperken door toepassing van zoveel mogelijk schoon materieel. Aangezien er geen toename van de depositie wordt berekend als gevolg van de gebruiksfase, kan in dat geval gebruikt gemaakt worden van de vrijstelling voor de aanlegfase en vormt het aspect stikstofdepositie verder geen belemmering voor het project. Conclusie gebiedsbescherming Het is mogelijk de emissie van stikstof tijdens de aanlegfase relevant te beperken door toepassing van zoveel mogelijk schoon materieel.

Tevens veroorzaakt het wandel-/fietspad in de gebruiksfase geen stikstofdepositie. Hiermee kan worden geconcludeerd dat het plan, met ingang van de nieuwe wet, niet voor een onevenredige aantasting van de omliggende Natura2000-gebieden zorgt. Gelet op het bovenstaande vormt het aspect ‘gebiedsbescherming’ geen belemmering voor het verlenen van de omgevingsvergunning.

44/62 — SLM016368 — Ruimtelijke Onderbouwing — RAP01 -— versie 2 – 12 november 2021

Soortenbescherming Door het in gebruik nemen van delen van het terrein als wandel-/fietspad en de brug kunnen er effecten optreden ten aanzien van daar aanwezige beschermde natuurwaarden. In 2018 is een oriënterend onderzoek uitgevoerd (literatuurstudie). Op basis hiervan is een quick scan natuurwaarden opgesteld (zie Bijlage 2). Om een goed beeld te krijgen van de potentiële natuurwaarden (en kansen) is in deze quick scan het plan Rondje Groeves in zijn geheel bekeken, te weten: 1. Deelgebied West/Vrieheide: Het gedeelte Beaujeangroeve, groeve Quaedvlieg, het verbindende fietspad en de aansluiting op het fietspad over het mijnspoor ter hoogte van de Bruinkoolweg. 2. Deelgebied Zuid/Sibelco: Het gedeelte van de route dat door de Zuidplas van Sibelco voert. Het Rondje Groeves en de deelgebieden zijn hieronder afgebeeld. Zoals zichtbaar is het rondje groter dan de twee deelgebieden die in de rapportage worden beschreven. De overige tracédelen volgen de bestaande wegenstructuur van Heerlen en de Brunssummerheide.

Afbeelding – Rondje Groeves en de deelgebieden Uit de uitgevoerde quick scan en onderstaande tabel blijkt dat: • In het onderzoeksgebied komen geen wettelijk beschermde plantensoorten voor; • In het onderzoeksgebied komen geen wettelijk beschermde mossoorten voor • In het onderzoeksgebied kan de aanwezigheid van de Gewone dwergvleermuis en één of enkele andere vleermuissoorten niet met zekerheid worden uitgesloten. De aanwezigheid van voor vleermuizen geschikte holle bomen kan in deelgebied West (brug mijnspoor) en deelgebied Zuid niet met zekerheid worden uitgesloten, maar deze zijn in deelgebied West (groeves) in ieder geval niet aanwezig; • Deelgebied West (groeves) maakt deel uit van het leefgebied van de Eekhoorn. Daarnaast kan de aanwezigheid van Das en Steenmarter niet met zekerheid worden uitgesloten. In deelgebied West (brug mijnspoor) kan de aanwezigheid van Das, Eekhoorn en Steenmarter niet met zekerheid worden uitgesloten. Deelgebied Zuid 45/62 — SLM016368 — Ruimtelijke Onderbouwing — RAP01 -— versie 2 – 12 november 2021

•

•

•

• • • •

maakt deel uit van het leefgebied van Vos, Ree, Bever, Das en Wild zwijn; daarnaast kan de aanwezigheid van Eekhoorn en Steenmarter niet met zekerheid worden uitgesloten; Elk van de deelgebieden vormt een geschikt broedgebied voor meerdere algemene vogelsoorten. Ten aanzien van soorten met jaarrond beschermde nesten kan worden geconcludeerd, dat deze tijdens veldbezoek binnen de deelgebieden niet zijn waargenomen. In deelgebied West (groeves) kan de aanwezigheid van de Rugstreeppad niet met zekerheid worden uitgesloten; andere wettelijk beschermde amfibieënsoorten komen hier niet voor. In deelgebied West (brug mijnspoor) komen geen wettelijk beschermde amfibieënsoorten voor. Deelgebied Zuid maakt deel uit van het leefgebied van de Rugstreeppad en de Poelkikker; daarnaast kan de aanwezigheid van Alpenwatersalamander of Kamsalamander niet met zekerheid worden uitgesloten. Andere wettelijk beschermde amfibieënsoorten komen in het deelgebied niet voor. In deelgebied West (groeves) kan de aanwezigheid van Hazelworm, Levendbarende hagedis en Zandhagedis vrijwel zeker worden uitgesloten; andere wettelijk beschermde reptielensoorten zijn in dit deelgebied niet te verwachten. In deelgebied West (brug mijnspoor) kan de aanwezigheid van de Hazelworm niet met zekerheid worden uitgesloten; andere wettelijk beschermde reptielensoorten zijn in dit deelgebied niet te verwachten.

Op deelgebied Zuid kan de aanwezigheid van Hazelworm en Levendbarende hagedis niet met zekerheid worden uitgesloten; andere wettelijk beschermde reptielensoorten zijn in dit deelgebied niet te verwachten; In het onderzoeksgebied komen geen wettelijk beschermde vissoorten voor; In de drie deelgebieden komen geen wettelijk beschermde dagvlindersoorten voor; In de deelgebieden komen geen wettelijk beschermde libellensoorten voor; In deelgebied West (groeves) kan de aanwezigheid van de Teunisbloempijlstaart niet met zekerheid worden uitgesloten; andere wettelijk beschermde vertegenwoordigers van de ‘overige soortgroepen’ komen hier niet voor. In deelgebied West (brug mijnspoor) en deelgebied Zuid komen geen wettelijk beschermde vertegenwoordigers van de 'overige soortgroepen' voor.

Conclusies op basis van veld- en literatuuronderzoek Aan de hand van de resultaten van het veldbezoek en de gegevens uit de geraadpleegde literatuur is een aantal conclusies getrokken aangaande het voorkomen van beschermde flora en fauna in het onderzoeksgebied. Soorten waarvoor een jaarrond provinciale vrijstelling bestaat (zoals Vos, Ree, Bruine kikker, Gewone pad), zijn hierbij niet benoemd. Deelgebied West (groeves) • Ten aanzien van wettelijk beschermde flora en fauna moet in het deelgebied worden gerekend met de aanwezigheid van Eekhoorn en een aantal algemene broedvogelsoorten. • Daarnaast kan de aanwezigheid van Gewone dwergvleermuis, één of enkele andere vleermuissoorten, Das, Steenmarter, Rugstreeppad, Hazelworm, Levendbarende hagedis, Zandhagedis en Teunisbloempijlstaart niet met zekerheid worden uitgesloten. • Wettelijk beschermde soorten vaatplanten, mossen, vissen, dagvlinders en libellen komen in deelgebied West (groeves) niet voor.

46/62 — SLM016368 — Ruimtelijke Onderbouwing — RAP01 -— versie 2 – 12 november 2021

Deelgebied West (brug mijnspoor) • Ten aanzien van wettelijk beschermde flora en fauna moet in dit deelgebied worden gerekend met de aanwezigheid van een aantal algemene broedvogelsoorten. • Daarnaast kan de aanwezigheid van Gewone dwergvleermuis, één of enkele andere vleermuissoorten, Das, Eekhoorn, Steenmarter en Hazelworm niet met zekerheid worden uitgesloten. • Wettelijk beschermde soorten vaatplanten, mossen, amfibieën, vissen, dagvlinders, libellen en vertegenwoordigers van 'overige soortgroepen' komen in het deelgebied niet voor. Deelgebied Zuid • Ten aanzien van wettelijk beschermde flora en fauna moet in deelgebied Zuid worden gerekend met de aanwezigheid van Bever, Das, Wild zwijn, een aantal algemene broedvogelsoorten, de Rugstreeppad en de Poelkikker. • Daarnaast kan de aanwezigheid van Gewone dwergvleermuis, één of enkele andere vleermuissoorten, Eekhoorn, Steenmarter, Alpenwatersalamander, Kamsalamander, Vinpootsalamander, Hazelworm en Levendbarende hagedis niet met zekerheid worden uitgesloten. • Wettelijk beschermde soorten vaatplanten, mossen, vissen, dagvlinders, libellen en vertegenwoordigers van 'overige soortgroepen' komen in deelgebied Zuid niet voor. Te treffen maatregelen deelgebied West (groeves en brug mijnspoor) Maatregelen ten behoeve van de aanlegfase

47/62 — SLM016368 — Ruimtelijke Onderbouwing — RAP01 -— versie 2 – 12 november 2021

De planning van de uitvoering dient in nauwe samenspraak met de ecologisch deskundige plaats te vinden. Het voordeel in het project Rondje Groeves is, dat de aard van de werkzaamheden een vlotte doorlooptijd in de aanlegfase mogelijk maakt, waardoor beschermde soorten slechts over een kortdurende periode (weken, geen maanden) hinder kunnen ondervinden. Indien bovenstaande maatregelen in relatie tot de gegeven tijdvakken in de planning niet haalbaar zijn, dan ontstaat de noodzaak om een ontheffing van de Wet natuurbescherming aan te vragen. Maatregelen ten behoeve van de gebruiksfase In het deelgebied West worden geen specifieke maatregelen getroffen ten bate van beschermde diersoorten. Wel zal, net als elders binnen de gemeente Heerlen, een aanlijnplicht van toepassing zijn voor honden. Te treffen maatregelen versus uitvoerbaarheid project Deelgebied West bezit potenties voor de ontwikkeling van bijzondere natuurwaarden. De actuele natuurwaarden zijn echter niet dusdanig waardevol, in relatie tot de Wet natuurbescherming, dat moet worden afgezien van het project. Nader onderzoek en een ontheffing van de Wet natuurbescherming zijn niet nodig, mits de randvoorwaarden ten aanzien van soorten en planning kunnen worden nageleefd. Ecologische begeleiding van het project is daarvoor noodzakelijk.

48/62 — SLM016368 — Ruimtelijke Onderbouwing — RAP01 -— versie 2 – 12 november 2021

Te treffen maatregelen deelgebied Zuid Maatregelen ten behoeve van de aanlegfase

49/62 — SLM016368 — Ruimtelijke Onderbouwing — RAP01 -— versie 2 – 12 november 2021

De planning van de uitvoering dient in nauwe samenspraak met de ecologisch deskundige plaats te vinden. Het voordeel in het project Rondje Groeves is, dat de aard van de werkzaamheden een vlotte doorlooptijd in de aanlegfase mogelijk maakt, waardoor beschermde soorten slechts over een kortdurende periode (weken, geen maanden) hinder kunnen ondervinden. Indien bovenstaande maatregelen in relatie tot de gegeven tijdvakken in de planning niet haalbaar zijn, dan ontstaat de noodzaak om een ontheffing van de Wet natuurbescherming aan te vragen. Maatregelen ten behoeve van de gebruiksfase • De aanleg van het Rondje Groeves met een halfverhard pad draagt ertoe bij dat bezoekers van het gebied minder geneigd zijn te gaan dwalen door het gebied, er ligt straks immers een heldere te volgen route. Dit draagt ertoe bij dat de aanwezige populatie Reewild, Wilde zwijnen, Das en Bever meer rust zullen blijven ervaren dan op basis van het eindplan het geval zou zijn. • In de zuidwesthoek van de Zuidplas wordt het aanwezige bruggetje verplaatst in de richting van de plas, zodat de padenstructuur hier verder van het bosje af komt te liggen. Dit draagt bij aan het behoud van rust in deze hoek van het terrein, omdat hier de dagrustplaatsen van Ree en Wild zwijn zijn gelegen.

• Als gevolg van het opheffen van delen van het onderhoudspad en het verplaatsen van een bruggetje komt 733 m2 vrij voor natuurontwikkeling passend bij de ecotopen uit het eindplan. Deze oppervlakte natuur zal worden gerealiseerd als onderdeel van het Rondje Groeves. • Op het terrein van de Zuidplas zal een aanlijnplicht gelden voor honden, om verstoring van het aanwezige wild tot een minimum te beperken. • Het hekwerk rondom de Zuidplas, mede ten behoeve van de door Natuurmonumenten te introduceren grote grazers, wordt zodanig geplaatst dat het voor wild mogelijk is te blijven migreren tussen Zuidplas en Brunssummerheide. Klein wild, zoals Das, kan onder het hekwerk door. Te treffen maatregelen versus uitvoerbaarheid project De aard van de voorgenomen ingreep is in relatie tot de (mogelijk) aanwezige beschermde en streng beschermde soorten niet dusdanig dat moet worden afgezien van het project. Wel zijn in de aanlegfase en gebruiksfase specifieke maatregelen nodig om aan de zorgplicht te kunnen voldoen. Het Rondje Groeves kan zo bijdragen aan een gecontroleerde openstelling van het gebied Zuidplas en de conditionering van omwonenden als toekomstige frequente gebruikers van het gebied. Nader onderzoek en een ontheffing van de Wet natuurbescherming zijn niet nodig, mits de randvoorwaarden ten aanzien van soorten en planning kunnen worden nageleefd.

Ecologische begeleiding van het project is daarvoor noodzakelijk. 5.3 Vervolgtraject Aanstellen ecologisch deskundige voor de verdere ecologische begeleiding van de uitwerking en uitvoering van het Rondje Groeves. Daarbij is een zorgvuldige afstemming tussen de gemeentelijk projectleider, de aannemer en de ecologisch deskundige noodzakelijk.

50/62 — SLM016368 — Ruimtelijke Onderbouwing — RAP01 -— versie 2 – 12 november 2021

Het is ook aan de ecologisch deskundige om waar nodig tijdens de uitvoering van de werkzaamheden bij te sturen indien de zorgplicht in het geding komt. Conclusie Op basis van het verkennend natuurwaardenonderzoek moet geconcludeerd worden dat het werkterrein voor het Rondje Groeves deelgebied West veel potentie bezit. Door zorgvuldig om te gaan met de voorbereiding en planning van de werkzaamheden kan aan de zorgplicht als bedoeld in de Wet natuurbescherming worden voldaan. De aard van de voorgenomen ingrepen en de aard van de aangetroffen soorten sluiten elkaars aanwezigheid niet uit, zodat het Rondje Groeves niet leidt tot een onomkeerbare en ontheffingplichtige inbreuk in de staat van instandhouding van de (mogelijk) aanwezige soorten. Voor een zorgvuldige toepassing van de zorgplicht is begeleiding van de werkzaamheden door een ecologisch deskundige noodzakelijk. Noodzaak ontheffing Wet natuurbescherming Voor de (mogelijk) aan te treffen soorten is in de directe omgeving van het werkterrein voldoende alternatief leefgebied aanwezig. Daarnaast laten de werkzaamheden zich goed buiten de gevoelige periodes plannen. Negatieve effecten op populatieniveau zijn daarom uit te sluiten. Voor de werkzaamheden ter plekke van de Beaujeangroeve, Groeve Quaedvlieg en het kolenspoor kan zodoende worden voldaan aan de zorgplicht uit de Wet natuurbescherming.

Het aanvragen van een ontheffing voor de hier voorgenomen werkzaamheden is niet nodig, mits het hierboven benoemde ecologisch werkplan wordt aangehouden. Rondje Groeves versus provinciaal natuurbeleid. Het IBA-project Rondje Groeves maakt deels gebruik van bestaande verharde wegen en deels niet. Onder deze laatste categorie valt een aantal uitkijkpunten en een deel van het aan te leggen wandel-/fietspad. Door Bureau Verbeek is een notitie opgesteld (zie Bijlage 4) die betrekking heeft op die delen van het tracé van het Rondje Groeves die in het Provinciaal Omgevingsplan Limburg zijn aangeduid met Goudgroene Natuurzone. Aanvullend gaat deze notitie in op de situatie in de Zuidplas, omdat hier de situatie zich anders voordoet als de kaart van het POL suggereert.

51/62 — SLM016368 — Ruimtelijke Onderbouwing — RAP01 -— versie 2 – 12 november 2021

Afbeelding - Kaart van het Rondje Groeves met daarop in groen de Goudgroene Natuurzone en de blauwgrijs de Bronsgroene Landschapszone. Voor de volledigheid is het Natura2000-gebied Brunssummerheide aangeduid met zwarte arcering. Het projectgebied Rondje Groeves – Sibelco is in bovenstaande afbeelding en onderstaande tabellen aangeduid met nr. 3.

Afbeelding - Tabel overzicht oppervlakte ingreep binnen Bronsgroene Landschapszone (BL) en Goudgroene Natuurzone (GN)

52/62 — SLM016368 — Ruimtelijke Onderbouwing — RAP01 -— versie 2 – 12 november 2021

Conclusie De Zuidplas kent in het POL op dit moment slechts 3 hoekjes met Bronsgroene Landschapszone. Na oplevering en overdracht van de Zuidplas in juli 2021 is de plas in het provinciaal beleid in zijn geheel toegevoegd aan de Goudgroene Natuurzone. Voor het Rondje Groeves wordt het reeds bestaande, maar onverharde wandelpad omgevormd tot een halfverhard wandel-/fietspad. Daarnaast worden nog enkele toeristisch-recreatieve voorzieningen aangelegd. Het Rondje Groeves en de Zilverduintuin beslaan straks circa 3% van de totale Zuidplas (circa 32,6 hectare). In overleg met de provincie Limburg (19 mei 2021; rayonplanoloog & -ecoloog) is het volgende geconcludeerd: • De Zilverduintuin kan worden gezien als invulling van het uitkijkpunt uit het eindplan (zie bijlage 4-1 & 4-2) en als invulling van het ecotoop ‘infrastructuur’ (zie bijlage 4-4). De beleidsregel natuurcompensatie is hier niet van toepassing. • Het uitkijkpunt aan de zuidoostzijde kan gezien worden als invulling van het eindplan (bijlage 4-1 & 4-2), maar strookt niet met het ecotopenplan (bijlage 4-4), zodat voor dit uitkijkpunt de beleidsregel natuurcompensatie wel van toepassing is. • Het verbindend voet/fietspad vormt een invulling van de padenstructuur uit het eindplan en volgt grotendeels bestaande paden (zie bijlage 4-3).

Alleen daar waar het Rondje Groeves afwijkt van de bestaande padenstructuur (bijlage 4-4) is de beleidsregel natuurcompensatie van toepassing. Dit geldt ook voor het te verplaatsen en renoveren bruggetje en het nieuw te plaatsen bruggetje, beide in de zuidwesthoek (zie bijlage 4-4). • De totale impact op de ecotopen in de Zuidplas op basis van de beleidsregel natuurcompensatie bedraagt 1.037 m2 inclusief kwaliteitstoeslag (zie bijlage 4-4). • De wezenlijke kenmerken en waarden van het gebied worden slechts beperkt aangetast, omdat de reeds bestaande padenstructuur en bruggetjes optimaal worden benut, de Zilverduintuin en het uitkijkpunt aan de zuidoostzijde optimaal in het landschap worden geïntegreerd en bijdragen aan het levend houden van de historie en ondergrond van de plek. De fysieke aantasting van de ingreep (voor zover afwijkend ten opzichte van het eindplan) is slechts beperkt en kan daarom worden bestempeld als kleinschalige ingreep in de zin van artikel 2.6.5 uit de provinciale omgevingsverordening. • Relevant hierbij is dat met de recente overdracht van de Zuidplas aan Natuurmonumenten de openstelling van het terrein voor de recreant een gegeven is, opgenomen in het eindplan voor de plas. De introductie van het Rondje Groeves staat hier los van.

• De kwalitatieve versterking van de Goudgroene Natuurzone als bedoeld in artikel 2.6.5 lid 2 sub b van de provinciale omgevingsverordening is tweeledig. Enerzijds vindt deze plaats in natura. De volgende ingrepen in het terrein zijn daarbij relevant: o De aanleg van het Rondje Groeves met een halfverhard pad draagt ertoe bij dat bezoekers van het gebied minder geneigd zijn te gaan dwalen door het gebied, er ligt straks immers een heldere te volgen route. Dit draagt ertoe bij dat de aanwezige populatie Reewild, Wilde zwijnen, Das en Bever meer rust zullen blijven ervaren dan op basis van het eindplan het geval zou zijn. o In de zuidwesthoek van de Zuidplas wordt het aanwezige bruggetje verplaatst in de richting van de plas, zodat de padenstructuur hier verder van het bosje af

53/62 — SLM016368 — Ruimtelijke Onderbouwing — RAP01 -— versie 2 – 12 november 2021

•

•

komt te liggen. Dit draagt bij aan het behoud van rust in deze hoek van het terrein, omdat hier de dagrustplaatsen van Ree en Wild zwijn zijn gelegen. o Als gevolg van het opheffen van delen van het onderhoudspad en het verplaatsen van een bruggetje komt 733 m2 vrij voor natuurontwikkeling passend bij de ecotopen uit het eindplan. Deze oppervlakte natuur zal worden gerealiseerd als onderdeel van het Rondje Groeves. o Op het terrein van de Zuidplas zal een aanlijnplicht gelden voor honden, om verstoring van het aanwezige wild tot een minimum te beperken. o Het hekwerk rondom de Zuidplas, mede ten behoeve van de door Natuurmonumenten te introduceren grote grazers, wordt zodanig geplaatst dat het voor wild mogelijk is te blijven migreren tussen Zuidplas en Brunssummerheide. Anderzijds vindt kwalitatieve versterking plaats middels een financiële compensatie. De reden hiervoor is, dat het terrein pas net is opgeleverd en de natuur dus eerst zelf de kans moeten krijgen zich te ontwikkelen. Daarom wordt aanvullend aan de fysieke kwaliteitsslag een financiële compensatie gedaan voor de oppervlakte van 1.037 m 2 te compenseren natuur – 733 m2 te realiseren natuur = 304 m2 financieel te compenseren natuur.

Op basis van het normbedrag 2021 van de provincie Limburg voor de Parkstadregio à € 93.732,00/hectare natuurcompensatie leidt dit op basis van 304 m 2 tot een bedrag van € 2.849,45 te voldoen aan de provincie Limburg. Op bovenstaande wijze kan de oppervlakte natuur in de Goudgroene Natuurzone minimaal gelijk worden gehouden.

Voor de financiële natuurcompensatie wordt met de provincie een “Overeenkomst kleinschalige ingreep inzake IBA-project Rondje Groeves” afgesloten. Een conceptversie van deze overeenkomst is als Bijlage 5 opgenomen bij deze ruimtelijke onderbouwing. Dubbeltelling oppervlaktes met Natura2000-gebied Brunssummerheide (H2 Wet natuurbescherming) Nee, de Zuidplas ligt geheel buiten het Natura2000-gebied. Binnen dit project is dus geen sprake van dubbeltellingen. Bronsgroene Landschapszone Voor het gedeelte Bronsgroene Landschapszone in de Zuidplas gaat de gemeente Heerlen ervan uit dat dit eveneens is omgezet in Goudgroene Natuurzone na de overdracht aan Natuurmonumenten. De aan te leggen voorzieningen van het Rondje Groeves aan de Zuidplas zullen voorzien worden van een goede landschappelijke inpassing, maar worden primair getoetst als zijnde Goudgroene Natuurzone.

54/62 — SLM016368 — Ruimtelijke Onderbouwing — RAP01 -— versie 2 – 12 november 2021

5.6

Luchtkwaliteit

Niet in betekenende mate Bij de besluitvorming in het kader van een ruimtelijk plan dient het bevoegd gezag de luchtkwaliteitsaspecten die samenhangen met het plan in acht te nemen. Dit betekent dat de gevolgen voor de luchtkwaliteit die samenhangen met de nieuwe functies getoetst dienen te worden aan de luchtkwaliteitseisen uit de Wet milieubeheer ook wel de Wet luchtkwaliteit genoemd. Ingevolge de systematiek van deze wet vormen de luchtkwaliteitseisen in ieder geval geen belemmering voor een ontwikkeling indien deze niet in betekenende mate (hierna NIBM) bijdraagt aan de concentraties luchtverontreinigende stoffen. Dit is het geval indien aan één van de volgende voorwaarden is voldaan: • er is geen sprake van een feitelijke of dreigende overschrijding van een grenswaarde; • een project leidt - al dan niet per saldo – niet tot een verslechtering van de luchtkwaliteit; • een project draagt “niet in betekenende mate” bij aan een verslechtering van de luchtkwaliteit, hetgeen inhoudt dat door het project de luchtkwaliteit met minder dan 3% verslechtert; • een project past binnen het NSL (Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit), of binnen een regionaal programma van maatregelen. De 3%-grens van een project dat 'niet in betekenende mate bijdraagt', is ook omgezet in een getalsmatige grens.

Als deze getalsmatige grens (hieronder) niet wordt overschreden, wordt deze 3%-grens gerespecteerd. • kantoorlocaties: 100.000 m2 bruto vloeroppervlak bij 1 ontsluitingsweg, 200.000 m2 bruto vloeroppervlak bij 2 ontsluitingswegen. (voorschrift 3A.1); • woningbouw: 1.500 woningen netto bij 1 ontsluitingsweg, 3.000 woningen bij 2 ontsluitingswegen (voorschrift 3A.2). De aanleg of het gebruik van een wandel-/fietspad met een lengte van circa 1200m valt niet onder één van deze functies. De aanleg van het wandel-/fietspad zorgt hooguit voor een tijdelijke toename van emissies naar de lucht, vanwege het gebruik van materieel. Het gebruik van het wandel-/fietspad zorgt niet voor een verslechtering van de luchtkwaliteit. Conclusie Op grond van artikel 5.16 lid 1 onder c. Wm jo. artikel 5.16 lid 4 Wm jo. artikel 4 lid 1 Besluit niet in betekenende mate jo. bijlage 4a voorschrift 3A.2, draagt het voorliggend plan niet in betekenende mate bij aan een verslechtering van de luchtkwaliteit. 5.7

Externe veiligheid

Dit bestemmingsplan maakt het aanleggen van een wandel-/fietspad mogelijk. Omdat het hier gaat om personen buitenshuis op de openbare weg zonder verblijfsfunctie is externe veiligheid niet van toepassing.

55/62 — SLM016368 — Ruimtelijke Onderbouwing — RAP01 -— versie 2 – 12 november 2021

Conclusie Externe veiligheid hoeft niet te getoetst en vormt geen belemmering voor het verlenen van de omgevingsvergunning. 5.8

Bedrijven en milieuzonering

Bij milieuzonering is er sprake van een interne en externe werking. Indien door middel van een plan nieuwe functies mogelijk worden gemaakt, moet worden aangetoond dat de nieuwe functie in het plangebied geen hinder ondervindt van bestaande functies in de omgeving (interne werking). Anderzijds dient te worden aangetoond dat functies in de directe omgeving van het plangebied niet negatief worden beïnvloed door de ontwikkeling die mogelijk wordt gemaakt (externe werking). Een wandel-/fietspad is geen milieubelastende functie voor de omgeving en zal niet zorgen voor extra geluid, geur, gevaar en stof. Er is dan ook geen sprake van een aantasting van het woon- en leefklimaat van omwonenden. Anderzijds is een wandel-/fietspad ook geen milieugevoelige functie, waardoor geen beoordeling hoeft plaats te vinden over de effecten van omliggende functies op het wandel-/fietspad. Conclusie Het aspect bedrijven en milieuzonering vormt daarmee geen belemmering voor het verlenen van de omgevingsvergunning. 5.9

Geur

Met voorliggend plan wordt geen nieuwe geurgevoelige functie mogelijk gemaakt. Anderzijds is een wandel-/fietspad geen geurbron. Hierdoor hoeft er geen geuronderzoek te worden uitgevoerd voor voorliggend plan. Conclusie Het voorliggend plan heeft geen negatieve gevolgen voor de geurbelasting op de omgeving en vormt daarmee geen belemmering voor het verlenen van de omgevingsvergunning. 5.10 Archeologie Het "Europees Verdrag inzake de bescherming van het archeologisch erfgoed", kortweg het Verdrag van Malta, is op 16 januari 1992 te Valetta tot stand gekomen. Het Verdrag beoogt het cultureel erfgoed dat zich in de bodem bevindt beter te beschermen. In 1992 ondertekende Nederland het 'Verdrag van Malta'. In het verdrag is de omgang met het Europees archeologisch erfgoed geregeld. Het verdrag is geratificeerd door de Eerste en Tweede Kamer en sinds september 2007 is de Archeologische monumentenzorg geïmplementeerd in de Monumentenwet 1988. De essentie is dat voorafgaand aan de uitvoering van plannen onderzoek moet worden gedaan naar de aanwezigheid van archeologische waarden en daar in de ontwikkeling van plannen zoveel mogelijk rekening mee te houden.

56/62 — SLM016368 — Ruimtelijke Onderbouwing — RAP01 -— versie 2 – 12 november 2021

Volgens de wettelijke verplichting wordt in bestemmingsplannen rekening gehouden met bekende en verwachte archeologische waarden. De Erfgoedwet juncto Monumentenwet 1988 geeft een vrijstelling van onderzoeksplicht voor plannen kleiner dan 100 m 2, maar geeft de gemeente de vrijheid deze vrijstelling aan te passen. Die afwijking kan zowel naar boven als naar beneden. Voor de diepte van bodemingrepen bevat de wet geen grens. Beleidsnota archeologie Op 31 oktober 2018 is de beleidsnota archeologie 'Erfgoed is identiteit, beleidsnota archeologie gemeente Heerlen' vastgesteld. In deze beleidsnota is het beleid ten aanzien van de omgang met het archeologisch bodemarchief voor de komende jaren vastgelegd. Het archeologisch beleid van de gemeente Heerlen heeft tot doel haar archeologische erfgoed te beschermen en te ontsluiten als bron van het 'gemeenschappelijke geheugen' en als middel voor wetenschappelijke studie, zonder meer maatschappelijke lasten in het leven te roepen dan strikt noodzakelijk. Deze formulering waarborgt behoud en ontsluiting van het archeologisch erfgoed in de gemeente, maar laat ruimtelijke ontwikkelingen even goed toe. Het is een doelstelling die niet alleen praktisch uitvoerbaar en proportioneel is, maar ook haalbaar. Naast het beleidsmatige aspect wil de gemeente Heerlen ook de economie versterken door het potentieel van de archeologie te gebruiken.

Cultureel erfgoed en toerisme zijn nauw verbonden. Cultureel erfgoed is een waardevolle faciliteit voor zowel bewoners van, als bezoekers aan een gebied. Het cultureel erfgoed vormt vaak de bepalende factor in de regionale of lokale identiteit. Vanuit economisch perspectief kan cultureel erfgoed beschouwd worden als kapitaalgoed met een potentieel hoge economische waarde. Archeologische verwachtings- en beleidskaart Heerlen Voor geheel Parkstad Limburg is een archeologische waarden- en verwachtingenkaart opgesteld. Deze kaart is gebaseerd op uitgevoerd inventariserend archeologisch onderzoek. Voor de gemeente Heerlen en de overige Parkstadgemeenten is door archeologisch adviesbureau RAAP een uitgebreid onderzoek uitgevoerd. Het RAAP-rapport betreft een bureauonderzoek naar de archeologische verwachtingen waarbij een inventarisatie heeft plaatsgevonden van de bekende archeologische vindplaatsen binnen de Parkstadgemeenten en van landschappelijke (geologische en geomorfologische) en bodemkundige gegevens van het grondgebied. Daarnaast zijn de uitgevoerde archeologische onderzoeken geïnventariseerd, waarbij rekening is gehouden met vergraven of ontgronde gebieden, en heeft een literatuuronderzoek plaatsgevonden. In dit verband is onder andere ook het Actueel Hoogtebestand Nederland bestudeerd.

Op basis van de genoemde inventarisaties is een archeologisch verwachtingsmodel opgesteld, dat is vertaald in een geactualiseerde archeologische verwachtingenkaart. De archeologische verwachtingskaart is door de gemeenteraad van Heerlen vastgesteld op 1 oktober 2013. Het doel van de archeologische verwachtingenkaart is het zichtbaar maken waar archeologische waarden aanwezig zijn of kunnen worden verwacht, en het daaraan koppelen van een onderzoeksplicht. Hiermee wordt tevens duidelijk bij welke werkzaamheden wel en bij welke geen archeologisch onderzoek noodzakelijk zal zijn.

57/62 — SLM016368 — Ruimtelijke Onderbouwing — RAP01 -— versie 2 – 12 november 2021

In de kaart worden de volgende zes categorieën onderscheiden: • beschermde Rijksmonumenten: voor werkzaamheden is hier altijd een vergunning volgens de Erfgoedwet juncto de Monumentenwet 1988 vereist. • gebieden van zeer hoge waarde en de historische dorpskernen: voor deze gebieden is voor de oppervlakte het wettelijk minimum van 100 m2 genomen. Plannen die over een groter oppervlak de bodem verstoren zijn onderzoeksplichtig. De verstoring van de bodem dient dieper dan 40 cm onder de oppervlakte plaats te vinden voordat de onderzoekplicht geldt. • Categorie 3 en 4: gebieden met een hoge en middelhoge verwachtingswaarde: voor deze gebieden zijn de ondergrenzen nog verder verruimd (respectievelijk 250 m2 en 2500 m2 oppervlakte, bij meer dan 40 cm diepte). Hierdoor zijn alleen de grotere plannen en onderzoeksplichtig en geldt voor de meeste kleinere (particuliere) vergunningaanvragen geen onderzoeksplicht. • Categorie 5: gebieden met een lage verwachtingswaarde: in gebieden met een lage verwachtingswaarde, geldt alleen voor grotere plannen (10.000 m2 en meer dan 40 cm diepte) een onderzoeksplicht. • Categorie 6: gebieden zonder verwachtingswaarde: in deze gebieden geldt geen onderzoeksplicht.

In het algemeen geldt dat een ontheffing van de onderzoeksplicht mogelijk is wanneer blijkt (na archeologisch advies van een gekwalificeerde archeoloog) dat het plan een gering risico vormt voor het "bodemarchief".

58/62 — SLM016368 — Ruimtelijke Onderbouwing — RAP01 -— versie 2 – 12 november 2021

Afbeelding - Uitsnede waardenkaart (plangebied is in rood aangeven) Het plangebied is gelegen op gronden met diverse archeologische waardecategorieën, te weten categorie 3 (Overige monumenten en gebieden met een hoge verwachtingswaarde), categorie 4 (Gebieden met een middelhoge verwachtingswaarde), categorie 5 (Gebieden met een lage verwachtingswaarde) en categorie 6 (Geen verwachtingswaarde) gelegen. Tevens is heb gebied parallel aan de Euregioweg voorzien van een aanduiding ‘begrenzing beekdal”. Dit archeologische beleid is vertaald in de dubbelbestemmingen Waarde - Archeologie 3, 4 en 5 die zijn opgenomen in de regels van het vigerende bestemmingsplan. De toegestane grootte van een bodemingrepen op deze gronden mogen respectievelijk niet meer beslaan dan 250 m2, 2.500 m2 en 10.000 m2. Daarbij mag de verstoringsdiepte niet meer dan 40 cm onder maaiveld bedragen. Het nieuwe wandel-/fietspad zal worden gerealiseerd op de plek van bestaande paden. Tijdens de aanleg van deze paden zal reeds een eventuele verstoring van de bodem hebben plaatsgevonden. Voor de realisatie van het nieuwe wandel-/fietspad zullen graafwerkzaamheden verricht die bestaan uit het verwijderen van de bestaande paden en het egaliseren van deze gronden.

Door deze werkzaamheden worden de maximale verstoringsoppervlakten per waardecategorie niet overschreden en derhalve is een archeologisch (bureau)onderzoek niet noodzakelijk.

59/62 — SLM016368 — Ruimtelijke Onderbouwing — RAP01 -— versie 2 – 12 november 2021

Op de gronden ter plaatse van de zilverduintuin en waar het terrein wordt afgeplagd tot op zilverzandniveau is de waardecategorie 6 van toepassing. Hier is derhalve sprake van een gebied zonder verwachtingswaarde en daarom geldt hiervoor geen onderzoeksplicht. Conclusie Het plangebied is gelegen binnen de diverse archeologische waardecategorieën. Tijdens de te verrichten graafwerkzaamheden worden bestaande paden verwijderd en de ondergrond geëgaliseerd. Door deze werkzaamheden zullen de maximale verstoringsoppervlakten per waardecategorie niet overschreden. Het is daarom niet noodzakelijk om voor het plangebied archeologisch vervolgonderzoek uit te voeren. Het aspect Archeologie vormt daarmee geen belemmering voor het verlenen van de omgevingsvergunning. Mochten tijdens graafwerkzaamheden archeologische resten of sporen aangetroffen worden, moet hiervan volgens artikel 5.10 en 5.11 van de Erfgoedwet terstond melding worden gemaakt bij de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap en de gemeente Heerlen of de provincie Limburg. 5.11 Cultuurhistorie Het planvoornemen is erop gericht om het landschap en de werkzaamheden die daarbinnen hebben plaatsgevonden in de afgelopen tientallen jaren zichtbaar te maken, nu deze activiteiten gestaakt zijn.

Op diverse locaties komen derhalve relevante elementen, zoals zandspinnen en gereedschappen, op een functionele en esthetische wijze terug. Hiermee worden de recente cultuurhistorische waarden ook voor de toekomst bewaard en duidelijk zichtbaar gemaakt. Gezien de overwegend bedrijfsmatige (op het gebied van ontgrondingen) activiteiten zijn er in het plangebied geen andere of oudere cultuurhistorische waarden aanwezig. 5.12 Niet gesprongen explosieven De planlocatie is niet gelegen in een gebied dat verdacht is voor “niet gesprongen explosieven” en vormt daarmee geen belemmering voor het verlenen van de omgevingsvergunning. 5.13 Verkeer en Parkeren De beoogde ontwikkeling voorziet in een wandel-/fietspad. Het wandel-/fietspad zal niet voor onevenredig veel extra gemotoriseerd verkeer gaan zorgen. Bezoeker die met de auto komen kunnen deze op de diverse parkeergelegenheden in de omgeving van het plan parkeren. De aspecten verkeer en parkeren zorgen niet voor een belemmering voor het verlenen van de omgevingsvergunning.

60/62 — SLM016368 — Ruimtelijke Onderbouwing — RAP01 -— versie 2 – 12 november 2021

6 Uitvoerbaarheid en Handhaving 6.1

Handhavingsbeleid

Binnen de gemeente Heerlen vormt de handhaving van bestemmingsplannen een expliciet onderdeel van het handhavingsbeleid en is opgenomen in de beleidsnota “Handhaving bouwen ruimtelijke regelgeving”. In deze nota wordt onder meer aandacht besteed aan de wijze, waarop handhaving zal plaatsvinden. Uitgangspunt is dat tegen iedere overtreding wordt opgetreden. Verder wordt in deze nota de wijze van prioritering weergegeven. Op basis van jaarlijks vast te stellen uitvoeringsprogramma’s vindt vervolgens het uitvoeren van toezicht en daadwerkelijke handhaving plaats. Bij het overtreden van de regels en/of voorwaarden behorende bij een (verleende) omgevingsvergunning kan het college de volgende sanctionerende maatregelen toepassen: • Bestuursrechtelijk handhaven (bestuursdwang of dwangsom), of • Strafrechtelijk handhaven (economisch delict). 6.2

Economische uitvoerbaarheid

In beginsel is de gemeenteraad verplicht een exploitatieplan vast te stellen voor gronden waarop een bouwplan is voorgenomen. In een exploitatieplan wordt opgenomen welke kosten met de uitvoering van het bouwplan gemoeid zijn en wie welke kosten voor zijn of haar rekening gaat nemen. Dit is opgenomen in artikel 6.12 lid 1 van de Wet ruimtelijke ordening. Deze verplichting geldt niet als het 'verhaal van kosten van de grondexploitatie over de in het plan of besluit begrepen gronden anderszins verzekerd zijn', aldus lid 2 van dit artikel. Het plan is een initiatief van de gemeente Heerlen. De procedure en uitvoering van het plan zal in opdracht van de gemeente Heerlen worden uitgevoerd. De kosten van dit project zal de gemeente Heerlen derhalve op zich nemen. Eventuele planschade-claims zullen ook voor rekening van de gemeente Heerlen zijn. Hiermee is de economische haalbaarheid van het project gegarandeerd. 6.3

Maatschappelijke uitvoerbaarheid

Het ontwerpbesluit van de omgevingsvergunning wordt gedurende zes weken ter inzage gelegd. Eenieder kan een zienswijze indienen. Na afloop van deze periode wordt een definitief besluit genomen, waarin de eventuele zienswijzen zijn betrokken.

61/62 — SLM016368 — Ruimtelijke Onderbouwing — RAP01 -— versie 2 – 12 november 2021

7 Overleg en Procedure 7.1

Procedurestappen

Op de voorbereiding van een Omgevingsvergunning ex artikel 2.1 c / 2.12 eerste lid, onderdeel a, sub 3° Wabo is conform het bepaalde in de Wabo (paragraaf 3.3) de uitgebreide procedure van toepassing, met dien verstande dat het ontwerpbesluit gedurende een periode van zes weken voor eenieder ter inzage ligt. Uitgebreide procedure Voor de uitgebreide procedure geldt afdeling 3.4 van de Awb. Het bevoegd gezag plaatst de kennisgeving van het ontwerpbesluit Omgevingsvergunning en de mededeling van het definitieve besluit in de Staatscourant. Tevens stuurt het bevoegd gezag de kennisgeving van het ontwerpbesluit Omgevingsvergunning en de mededeling van het definitieve besluit aan de eigenaar van de grond en eventuele beperkt gerechtigden daarop. Binnen zes maanden dient op de aanvraag Omgevingsvergunning te zijn beslist, waarbij de eenmalige mogelijkheid geboden wordt deze termijn met zes weken te verlengen. Het bevoegd gezag doet de mededeling van het definitieve besluit ook langs de elektronische weg en stel het beschikbaar op de landelijke voorziening (www.ruimtelijkeplannen.nl) conform artikel 6.14 Bor. Het ontwerpbesluit Omgevingsvergunning is op PM DATUM -2021 gepubliceerd en heeft aansluitend gedurende een periode van zes weken ter inzag gelegen. Eenieder is hiermee in de gelegenheid gesteld om zijn/haar zienswijze(n) op het plan in te brengen.

Er zijn wel/geen zienswijze(n) ingediend.

62/62 — SLM016368 — Ruimtelijke Onderbouwing — RAP01 -— versie 2 – 12 november 2021

Overzicht bijlage(n) Uitwerking plan Sibelco (Bureau Verbeek)

Quickscan Natuurwaarden

Notitie Stikstofdepositie

Notitie Goudgroene Natuurzone

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Heerlen&id=6607eac9-0edf-4c57-b27d-7aef9737ac31