Reactie op de RIB 12-03-2024 Stava EHO anon
Tekst van het document
)f
Gemeente Heerlen Bewijs van ontvangst
ENVIRON
Datum: 2l
vocCIten
Gebouw:
eerlen tvangst
PERSOONLIJK GEMEENTE De gemeenteraa
Het document ml
Postbus 1 6400 AA HEERLEN
202tt
Õebeuwl
Vooraf per e-mail : griffie@heerlen.nl
Fsresil Flet dseumçnl þÊsfsfrf
b,it
þrsgxijsan
Datum
25 maart 2024
Onze referentie
D2023TL 95095 Reactie op de raadsinformatiebrief d.d. 12 maart 2024 met onderwerp'Stand van zaken dossier Eurohandelsonderneming (toezegging 37!2)'
Uw referentie Inzake
Edelachtbare leden van de raad, Via de raadsinformatiebrief van 12 maart 2024 heeft het college uw raad op de hoogte gesteld van de stand van zaken in het dossier Eurohandelsonderneming (hierna: EHO). EHO heeft inmiddels ook kennisgenomen van deze raadsinformatiebrief (hiernal RIB). In de RIB worden bepaalde zaken gesteld die aantoonbaar niet correct zijn of nuancering behoeven. Nu EHO het belangrijk vindt dat uw raad volledig én correct wordt voorgelicht alsmede enkel op basis van volledige informatie besluiten neemt, zullen ondergetekenden ten behoeve van de raadsvergadering van 27 maart aanstaande namens EHO hiernavolgend reageren op de RIB. Daarbij zal de koppenstructuur van de RIB worden aangehouden,
Hercontroles Het college stelt dat uit de hercontroles zou blijken dat EHO een groot deel van de overtredingen heeft beëindigd. Dit zouden met name de kleinere overtredingen betreffen die'op eenvoudige wijze te verhelpen waren'. De grotere en meer complexe overtredingen zijn niet beëindigd, aldus het college. Hierover merken we op dat EHO naar aanleiding van de aanschrijving voortvarend aan de slag is gegaan en de in de lasten genoemde maatregelen zoveel mogelijk heeft doorgevoerd, óók ten aanzien van zaken waarvan EHO nog altijd van oordeel is dat geen sprake is van een overtreding. Dit alles teneinde onterechte verbeurte van dwangsommen en daaropvolgende invorderingsmaatregelen te voorkomen vanuit het
q
c 0)
o o o
! c o L c
o Mouritsloorr 49 6129 EL Urmond
nrr. R.J.J.lVì. Vì. [/letsemokers mr. N.A. Rijsterborgh
)t ENVIRON odvocoten college. Ten aanzien van die vermeende overtredingen zal EHO in beroep betogen dat het college niet bevoegd was handhavend op te treden. De rechter zal hierover een oordeel moeten geven in de beroepsprocedure die nu nog loopt bij de rechtbank Limburg, Indien de rechter oordeelt dat het college ten onrechte handhavend heeft opgetreden dan wel dat handhaving onevenredig was, zal de schade die EHO door dit handelen heeft geleden, op de gemeente worden verhaald.
Echter, dat EHO voornamelijk overtredingen heeft beëindigd die op eenvoudige wijze te verhelpen zouden zijn, wordt weersproken. EHO heeft veel inspanningen moeten verrichten om (tijdig) uitvoering te geven aan de lasten. Ê.r zijn allerlei grote bouwwerken afgebroken en/of verplaatst naar een andere plek op het terrein. Ook heeft EHO allerlei opgeslagen volumineuze artikelen moeten verplaatsen op het terrein. Verder heeft EHO allerlei verhardingen en betonplaten moeten verwijderen en heeft zij een groot gebied moeten saneren en de daarbij vrijgekomen grond moeten (laten) afvoeren. Het uitvoeren van de lasten is tijdrovend en kostbaar geweest voor EHO' Dat een aantal lasten nog niet uitgevoerd zijn, is correct. Dit heeft ermee te maken dat EHO nog altijd van oordeel is dat ofwel géén sprake is van een overtreding van het bestemmingsplan ofwel dat om andere redenen van handhaving moet worden afgezien. Dit mede vanwege de toezeggingen die door verschillende opvolgend wethouders zijn gedaan in het verleden en omdat handhaving onevenredig is in het voorliggende geval
(waarover hierna meer). Het doorvoeren van de door het college voorgeschreven maatregelen zou betekenen dat EHO onder meer haar receptie- c.q. kantoorgebouw zou moeten slopen, In dit gebouw zijn alle voor de bedrijfsvoering essentiële voorzieningen gelegen, Denk daarbij aan aansluitingen voor gas/water/elektriciteit, internet en het beveiligingssysteem. Een dergelijk gebouw is niet binnen een korte tijd te realiseren op een andere plek op het terrein. Bovendien staat dit gebouw (aantoonbaar met medeweten van het college, zie namelijk het collegevoorstel van 12 maart 2OO4) ter plaatse in ongewijzigde vorm al meer dan 20 jaar. Daarop is ook de hele bedrijfsvoering en verdere inrichting van het terrein gedurende die periode op afgestemd door EHO. Het uitvoering geven aan deze last zal dan ook vermijdelijk en direct leiden tot acute problemen voor de bedrijfsvoering met alle desastreuze financiële gevolgen van dien, om maar niet te spreken wat dit zou betekenen voor de ruim 70 arbeidsplaatsen. Het spreekt dan ook voor zich dat EHO zich genoodzaakt ziet om - totdat onomstotelijk en onherroepelijk vast zou komen te staan dat de lasten terecht zijn opgelegd - géén uitvoering te geven aan deze lasten.
2/ro
)t ENVIRON odvocoten Op 18 maart heeft de voorzieningenrechter - in de ogen van EHO terecht - geoordeeld dat EHO dit ook niet hoeft te doen zolang de beroepsprocedure bij de rechtbank nog loopt. Daar zal hierna nog op worden ingegaan.
Handhavingstraject 2 Het college stelt in de RIB dat tijdens hercontroles op het terrein van EHO nieuwe overtredingen zouden zijn geconstateerd. Dit is eveneens zo herhaald door de burgemeester tijdens de commissievergadering ROLO van 13 maart 2024. EHO hekelt deze beeldvorming en wil aan uw raad uitdrukkelijk benadrukken dat dit aantoonbaar
niet het qeval is! Het college heeft bij brief van 7 februari 2O24 aan EHO kenbaar gemaakt voornemens te zijn te handhaven tegen 5 beweerdelijke overtredingen, te weten 3 bouwwerken en 2 aangebrachte verhardingen die in strijd zouden zijn met het bestemmingsplan, Dit naar aanleiding van een controle die op 15 januari 2024 op het terrein heeft plaatsgevonden, Het college stelt dat de 3 bouwwerken niet aanwezig waren bij eerdere controles en dat dit dus nieuwe overtredingen betreffen. Dit is aantoonbaar niet het qeval. De betreffende bouwwerken waren al ten tijde van de controle die op 29 juni 2023 is verricht, aanwezig. Dit kan nota bene worden opgemaakt naar aanleiding van de foto's die de gemeentelijke toezichthouders zelf hebben gemaakt tijdens deze controle. EHO heeft dit in de zienswijze die zij heeft ingediend naar aanleiding van het handhavingsvoornemen onderbouwd met foto's uit de betreffende controlerapporten zelf, Ook heeft zij in deze zienswijze een luchtfoto uit april2O23 opgenomen waarop de gebouwen ook al te zien zijn. Voor de volledigheid hebben we de door EHO ingediende zienswijze bij deze brief gevoegd, zodat uw raad hier kennis van kan nemen (bijlage 1).
In het licht van het bovenstaande is het dan ook opmerkelijk dat deze gebouwen geen onderdeel hebben gevormd van de eerste handhavingsprocedure. Deze procedure is immers gestart met het besluit van 11 juli2023. Nog opmerkelijker is dat het college stelt dat dit nieuwe overtredingen zouden betreffen. Daarmee wordt uw raad onjuist voorgelicht. Met betrekking tot de 2 verhardingen doet het college het in de RIB overkomen alsof EHO deze verhardingen ten onrechte niet heeft verwijderd naar aanleiding van de eerste handhavingsprocedure. Ook dit standpunt is niet houdbaar. De betreffende lasten zoals opgenomen in het besluit van 11juli 2023 strekten namelijk helemaal niet tot verwijdering van deze verhardingen, In het handhavingsbesluit heeft het college namelijk ten aanzien van deze verhardingen gelast:
3/ro
)t ENVIRON odvocoten 'Wij willen de strijdige sÌtuatie niet laten voortduren. Daarom gelasten wij u om binnen 72 weken na verzending van dit besluit deze strijdigheid volledíg en blijvend op te heffen. Dit kunt u bijvoorbeeld doen door het parkeren op het perceel kadastraal bekend als gemeente Heerlen, sectie Q, perceelnummer 680 en 870, volledig te beëindigen en beëindigd te houden.' En:
'Wij willen de strijdige situatie niet laten voortduren. Daarom gelasten wíj u om binnen 12 weken na verzending van dit besluit deze strijdígheid volledig en blijvend op te heffen. Dit kunt u bijvoorbeeld doen door het gebruik ten behoeve van opslag volledig te beëindigen en beëindiod te houden op de aedeeltes van het perceel die bestemd ziín als'Groen - Landschappeliik'en 'Verkeer Verbliifsgebied.' De aanschrijvingen van het college strekten dus helemaal niet tot verwijdering van de verhardingen, maar tot staking van het feitelijk gebruik van de betreffende grond. EHO heeft daar tijdig uitvoering aan gegeven. Dit is ook expliciet erkend door het college, getuige het feit dat in het rapport van de controle van 6 december 2023 ten aanzien van deze aanschrijving is aangegeven:'opgeheven 6 december 2023'.
Het college probeert dus nu na nota bene expliciet te hebben aangegeven dat EHO uitvoering heeft gegeven aan de betreffende lasten , deze lasten achteraf alsnog op te rekken. Deze handelwijze is in strijd met de rechtszekerheid. Verder wijzen we erop dat de frase'wanneer na behandeling van de zienswijze de last onder dwangsom (al dan niet in aangepaste vorm) opgelegd wordt, staat hiertegen eveneens bezwaar, beroep en hoger beroep open'een zekere vorm van vooringenomenheid behelst. Het lijkt erop alsof het college er al bij voorbaat van uitgaat dát een last onder dwangsom zal worden opgelegd. Dit terwijl het college de door EHO ingediende zienswijze nog moet beoordelen. Er worden dus voorbarige conclusies getrokken door het college.
Bezwaar afwijzen verzoek tot herziening bestemmingsplan Tijdens de raadsvergadering van 27 september 2023 heeft uw raad besloten om - zoals het college stelt in de RIB -'hetverzoekvan EHO tot herziening van het bestemmingsplan 'Heerlerheide-Zuid af te wijzen'. EHO heeft bezwaar ingediend tegen dat besluit. Het college geeft in de RIB aan dat volgens EHO niet de juiste procedure zou zijn gevolgd.
4/ro
)t ENVIRON odvocoten Het gaat echter veel verder dan dat. EHO heeft in het Omgevingsloket een verzoek tot het voeren van vooroverleg c.q, een principeverzoek ingediend en dat ook als zodanig "gelabeld" in het Omgevingsloket. Het indienen van een verzoek tot vooroverleg is het voorstadium van het indienen van een formele omgevingsvergunningaanvraag. Ten aanzien van een vergunningaanvraag - zou deze al zijn ingediend - is het college het bevoegd gezag. Echter, zover was het nog niet. EHO wenste in samenspraak met de gemeente namelijk de (on)mogelijkheden van het masterplan te bespreken om vervolgens - te zijner tijd - de aanvraag zo volledig mogelijk te kunnen indienen. Het ingediende verzoek tot vooroverleg was dan ook verre van volledig.
Echter, een ambtenaar van uw gemeente heeft op enig moment geheel eenzijdig en zonder EHO daarin te kennen, het informele verzoek tot vooroverleg eigenhandig omgezet in een formele aanvraag, met alle gevolgen van dien. Daarbij is het verzoek ook nog eens opgevat als een verzoek tot wijziging van het bestemmingsplan (ten aanzien waarvan uw raad het bevoegd gezag is) in plaats van een aanvraag tot een omgevingsvergunning voor het afwijken van het bestemmingsplan die wellicht uiteindelijk - na het vooroverleg te hebben gevoerd - zou zijn ingediend door EHO. EHO heeft principiële bezwaren bij deze afhandelingswijze van het informele verzoek tot
vooroverleg en heeft dan ook bezwaar ingediend tegen het besluit. Dit bezwaarschrift d,d. 3 januari 2024 is onderdeel van de stukken die behoren bij het agendapunt van uw raadsvergadering, Slotsom is immers dat nu er geen formele aanvraag is ingediend tot het nemen van een besluit, er ook geen bevoegdheid is (geweest) tot besluitvorming. Noch door uw raad, noch door het college.
Verzoeken tot voorlopige voorziening & verzoek tot overleg Er zijn inmiddels meerdere verzoeken om voorlopige voorziening ingediend door EHO. Dit om te vermijden dat EHO hoge dwangsommen verbeurt terwijl er nog inhoudelijke discussies lopen over de rechtmatigheid van deze lasten, De eerste voorlopige voorzieningprocedure die gevoerd is, heeft geresulteerd in de uitspraak van 12 december 2023. Het college stelt dat uit deze uitspraak zou volgen dat de rechter van mening zou zijn dat bij slechts één van de 27 lasten een ruimere begunstigingstermijn gegeven had moeten worden. Daarnaast stelt het college dat de rechter voor het overige geen reden zag om een voorlopige voorziening te treffen.
Ook hier wordt weer een verkeerde gang van zaken geschetst. Tijdens de zitting was de rechter dermate kritisch op de begunstigingstermijnen en de onomkeerbare gevolgen die bij EHO dreigden op te treden, dat het college tijdens de zitting heeft toegezegd ruimere begunstigingstermijnen te gunnen aan EHO. Daardoor kwam het spoedeisend belang tot
s/70
)t ENVIRON odvocoten het treffen van een voorlopige voorziening voor de lasten alsnog te ontvallen. In dat kader verwijzen we naar onderstaande overweging die opgenomen is in de uitspraak: '3.2, Ten aanzien van het vereiste spoedeisend belang, overweegt de voorzieningenrechter als volgt. De voorzieningenrechter stelt vast dat verzoeksters niet ten aanzien van alle opgelegde lasten onder dwangsom een spoedeisend belang hebben. Met betrekking tot de hieronder genoemde lasten hebben verzoeksters geen spoedeisend belang, nu hierover ter zittino concrete afspraken zijn gemaakt.
- Met betrekking tot de lasten 7 tot en met 3, 6, 7, 27 en 22 heeft verweerder [het colleqe] de begunstigingstermiin verlenad tot zes weken na de te nemen beslissing op bezwaar.
- Ten aanzien van de lasten 5, 70, 71, 73 tot en met 76, 18 tot en met 20, 23 en 27 heeft verweerder [het collegel de begunstigingstermiín verlengd tot twee weken na toezending van het rapport in het kader van de hercontrole na het verstrijken van de begunstigingstermijn.' Vanwege de gemaakte afspraken, hoefde de rechter vervolgens slechts te oordelen over lasten 4, 17 en 24, zijnde de lasten waar het niet bereid was tot het maken van afspraken in de vorm van ruimere begunstigingstermijnen. Ten aanzien van last24 stelde de rechter EHO in het gelijk en heeft hij de last voorlopig geschorst. Ten aanzien van het tweede en derde verzoek om voorlopige voorziening geeft het college aan dat op 4 maart 2024 een zitting heeft plaatsgevonden en dat binnen één maand de uitspraak wordt verwacht.
Inmiddels heeft de voorzieningenrechter - op 1B maart 2024 - uitspraak gedaan met betrekking tot beide verzoeken. De uitspraak is bijgevoegd (bijlage 2).Zoals uw raad in de uitspraak kan lezen, heeft de voorzieningenrechter de verzoeken van EHO in zijn qeheel toeoewezen en zowel de beslissing op bezwaar van 9 januari 2024 alsook het primaire handhavingsbesluit van 11 juli2023 - voor zover het betreft lasten 2,3,IO,23 en 24 - geschorst tot aan de uitspraak in de bodemprocedure. Zoals hiervoor reeds is aangegeven betreffen dit de lasten die onder andere betrekking hebben op de meest cruciale gebouwen, waaronder het kantoor c.q. receptie gebouw (last 2) en een nevenkantoor annex verkoopruimte (last 23), alsmede aangebrachte verhardingen. Een samenvatting met de belangrijkste overwegingen uit de uitspraak is bij deze brief gevoegd (bijlage 3).
6/ro
)t ENVIRON odvocoten EHO acht in ieder geval illustratief dat de rechter oordeelt dat: a
a
a
a
a
Het moeten voldoen aan de lasten een inqriipende wiiziqinq in de bedrijfsvoering zou betekenen en dat EHO daarom een spoedeisend belang heeft bij de schorsing van de lasten (rechtsoverweging B); Het volledig verwijderen van de verhardingen uit lasten 10 en 24 te verstrekkend is om de door het college gestelde strijd met het bestemmingsplan op te heffen, Het college heeft volgens de rechter onvoldoende oog gehad voor de mogelijkheid dat het pad, zonder aanwezigheid van parkeerplaats en stookplaats, past binnen de bestemming'Groen - Landschappelijk'en er dus helemaal qeen sprake is van een overtredino (r.o. 15); Er voldoende twiifel is over de vraag of de inrichting als pad als bedoeld in lasten 1O en 24 en het gebruik daarvan überhaupt in striid is met het bestemminqsplan en of er dus sprake is van een overtreding (r'o' 15'4); Hij vraaqtekens heeft bii nut en noodzaak van handhavend optreden tegen bouwwerken in de vorm van tuinhuizen (lasten 3 en 23) als vergelijkbare tuinhuizen (bijv, als opslag) wél zijn toegestaan. De rechter vraagt zich af welk
ruimteliik-planolooisch doel hier met handhavend optreden wordt bereikt (r.o.22.4); Hi¡ vraaqtekens heeft bii de evenrediqheid van het handhavend ootreden tegen fasten 2, 3 en 23 en daarmee dus ook tegen het hoofdgebouw ( receptie/ka ntoor).
De rechter schorst de lasten dan ook in de uitspraak. Dat betekent dat EHO de verhardingen en bouwwerken gedurende een langslepende bodemprocedure in stand mag laten zonder dwangsommen te verbeuren alsmede dat een voorlopig rechtmatigheidsoordeel over de besluiten van het college ten aanzien van voornoemde lasten is gegeven.
Daarbij roept de rechter in rechtsoverweging 22.6 bovendien expliciet op tot overleg tussen uw gemeente en EHO: 'Het voorgaande biedt naar het oordeel van de voorzieningenrechter voldoende aanknopingspunten voor een onderling overleg tussen verweerder [het college] en verzoeksters IEHO] om te kijken hoe het bedrijf van verzoeksters op een zodanige manier kan worden vormgegeven dat dit beleidsmatig, en dus niet alleen kiikend naar het in het verleden vastgestelde bestemmingsplan, passend is' De voorzieningenrechter is zich ervan bewust dat er al een zeer lang traject is geweest van overleg en onderzoek naar legalisatÌemogelijkheden, dat in 2015 is uitgemond in de vaststelling van het bestemmingsplan met positieve bestemming. Maar zoals onder 22.5 gezegd biedt iuist die bestemmingsregeling
7/70
)t ENVIRON odvocoten aanknopingspunten om de bebouwings- en aebruiksreaeling op het perceel opnieuw te bezien, waarbij wellicht over en weer voordeel behaald kan worden.' Deze oproep heeft de rechter - zoals ook in het artikel in Dagblad De Limburger van 5 maart 2024 ('Rechter dringt aan: gemeente Heerlen en Eurohandel moeten weer gaan praten over conflicf'1) correct is weergegeven - wel degelijk tijdens de zitting gedaan. Het is dan ook opvallend dat in de RIB dit volledig wordt ontkend door het college. In de RIB wordt immers het volgende door het college aangegeven:
'Tijdens de behandeling van de voorlopige voorziening hebben EHO en de rechter de vraag gesteld of het mogelijk was om een overleg tussen EHO en de gemeente te hebben. {Jit de beríchtgeving in Dagblad De Limburger van 5 maart 2024 zou geconcludeerd kunnen worden dat de rechter gedoeld heeft om het gesprek tussen Eurohandel en de gemeente Heerlen opnieuw op te starten voor wat betreft de reeds langlopende (en afgesloten) discussie over de mogelijkheden tot uitbreiding van Eurohandel. Doel van de vraag van de rechter en het overleg is om, anders dan via een voorlopige voorzieníng, tot overeenstemming te komen over het beëindigen van de overtredingen, Het is gebruikelijk dat de rechter een dergelijke vraag stelt aan het begin van een zitting.'
In tegenstelling tot hetgeen het college beweert, drong de rechter dus wel degelijk aan op een overleg over een langdurige oplossing voor dit langslepende conflict, ongeacht dat er al een zeer lang traject aan vooraf is gegaan. Een en ander is duidelijk terug te lezen in de uiteindelijke uitspraak van de rechter. De rechter doelde daarmee - in tegenstelling tot hetgeen het college stelt in de RIB en ook terdege weet - niet op overleg aangaande uitbreidingsmogelijkheden te verkennen, maar op overleg om binnen de planologische kaders zoals die er liggen tot een oplossing te komen. EHO kan de draai die het college geeft aan de oproep van de rechter in de RIB dan ook in het geheel niet plaatsen.
Afsluitend Inmiddels lijkt het college het voorgaande zelf ook te onderkennen. Bij e-mail van 21 van uw gemeente EHO - mede naaraanleiding van de maart 2O24heeft uitspraak van de voorzieningenrechter - uitgenodigd voor een overleg. Insteek van dat gesprek is volgens de e-mail het verkennen welke "denkrichtingen" er bij EHO zijn om invulling te geven aan hetgeen de voorzieningenrechter in de uitspraak van 1B maart 2024 heeft geschetst.
1 Te raadplegen via
: https ://www. limburqer. nl/cnt/dmf20240304 95707878
B/ 10
)t ENVIRON odvocoten Vooropgesteld: EHO vindt het positief dat de gemeente nu alsnog open blijkt te staan voor een overleg, Zoals ook zijdens EHO aangegeven in beide voorlopige voorzieningprocedures vóór en tijdens de zitting bij de voorzieningenrechter heeft EHO hier altijd voor open gestaan en meermaals om verzocht. Echter, dit dossier kent een omvangrijke en bewogen voorgeschiedenis, met o.a. naar het oordeel van EHO duidelijke toezeggingen die gedaan zijn door verschillende opvolgend bestuurders en een handelwijze die niet altijd de spreekwoordelijke schoonheidsprijs verdiende. EHO hoopt dat de poging om in overleg te treden niet slechts een voor de bühne is, maar
dat er daadwerkelijk en serieus zal worden gekeken naar een duurzame en werkbare oplossing en niet slechts gedacht zal worden in onmogelijkheden zoals tot heden is gedaan. Duidelijk is inmiddels dat de rechter daar ook geen genoegen mee zal nemen getuige zijn overweging dat juist de huidige 'bestemminqsreaelina aanknopingspunten biedt om de bebouwinqs- en gebruiksregelino op het oerceel opnieuw te bezien. waarbii wellicht over en weer voordeel behaald kan worden.' Insteek dient daarbij naar het oordeel van EHO ook te zijn dat in het verleden gedane toezeggingen, inhoudende dat niet zou worden gehandhaafd op de inmiddels ruim 20 jaar met medeweten van de gemeente aangelegde en aanwezige huidige hoofdgebouwen en parkeerplaats aan de noordzijde, wordt geëerbiedigd. Vooralsnog ziet EHO zonder dat een dergelijk overleg heeft plaatsgevonden en concrete oplossingen tussen partijen zijn bereikt, zich genoodzaakt - ter veiligstelling van haar rechten - door te procederen en de onderste steen wat deze toezeggingen betreft naar boven te halen, Daarin speelt eveneens een rol dat op ingediende verzoeken op grond van de Wet open overheid (Woo) stelselmatig informatie wordt geweigerd of onvolledig wordt verstrekt door het college.
Uiteraard - en dat heeft EHO ook meermaals aangegeven - blijft zij openstaan voor overleg en constructieve oplossing, waarmee een duurzame voortzetting van haar bedrijfsvoering wordt gewaarborgd. Wij danken u namens EHO voor de hieraan te besteden aandacht.
e/to
)t ENVIRON odvocoten Met vriendelijke groet, Mede namens mr. Ph.W.A.M. van Roy (Clex van Roy Advocaten),
10/10
)
)t ENVIRON odvocoten
Bijlage 1
)t ENVIRON odvocoten AANTEKENEN EN PER GEWONE POST Het college van b&w van gemeente Heerlen Domein Stad, team Bouw- en milieutoezicht Postbus 1 6400 AA HEERLEN Vooraf per e-mail :
Datum
6 maart 2024
Onze referentie
D202377 22024-00000320 Eu ro Ha ndelsonde rnem i ng : zienswijze inz. ha nd havi n gsvoornemen
Uw referentie
Inzake
Geacht college,
Bij brieven van 7 februari 2024 heeft uw college aan:
. ¡ .
De besloten vennootschap Ankiewicz & Nacken Onroerend Goed BV; De besloten vennootschap Euro Beheer BV; De besloten vennootschap Euro Handelsonderneming BV,
allen gevestigd te (6413 BP) Heerlen aan de Rennemigerveldweg 70 (hierna: cliënten), het voornemen kenbaar gemaakt om handhavend op te treden tegen vijf beweerdelijke overtredingen via oplegging van lasten onder dwangsom,
In voornoemde brieven heeft uw college cliënten in de gelegenheid gesteld om binnen vier weken na verzending van die brieven een zienswijze naar voren te brengen betrekking hebbende op het voornemen. Onderstaand ga ik daartoe namens cliënten over.
1.
Zienswijze
1.1
Herhalen en inlassen stukken
Voordat ingegaan zal worden op elke last, wijzen cliënten uw college erop dat de kwestie een omvangrijke en bewogen voorgeschiedenis kent. Zo heeft uw college reeds bij besluiten van 1I juli2023 aan cliënten 27 lasten onderdwangsom opgelegd wegens beweerdel ij ke overtred i ngen. Mouritsloon 49 6129 EL Urmond
mr. R.J.J-M.M. Metsemokers mr. N.A. Rilsterborgh
o¡lder m:er een beperkinû vet (1" aarìs¡lrtrkelUklìe¡ít llevatien. De írlge'Ìene voorr.,,a¿¡rals¡r zij¡ì ¡ìr tê z¡et op !vrvw.env¡ron-aalvcc¿ten.llì-
)t ENVIRON odvocoten Voor een overzicht van de voorgeschiedenis en een uiteenzetting van de relevante feiten en omstandigheden verwijzen cliënten ter voorkoming van herhaling naar de volgende stukken:
. . . . ¡ . . . . . . .
Het verzoek om voorlopige voorziening in zaaknummers ROE 23/2242 WET, ROE 23/225I WET en ROE 23/2252 WET d.d. 29 september 2023; Nader stuk aan uw college d.d. 4 oktober 2O23; Nader stuk aan uw college d.d. 5 oktober 20231 Nader stuk aan uw college d.d. 1 november 2023; Nader stuk aan de Voorzieningenrechter in zaaknummers ROE 23/2242 WET, ROE 23/225I WET en ROE 23/2252 WET d.d.7 november 2023; Nader stuk aan de Voorzieningenrechter in zaaknummers ROE 23/2242 WET, ROE 23/225t WET en ROE 23/2252 WET d.d. B november 2O23; Nader stuk aan uw college d.d. 10 november 2A23i Nader stuk aan de Voorzieningenrechter in zaaknummers ROE 23/2242 WET, ROE 23/225I WET en ROE 23/2252 WET d.d. 23 november 2023; Nader stuk aan de Voorzieningenrechter in zaaknummers ROE 23/2242 WET, ROE 23/225I WET en ROE 23/2252 WET d.d. 24 november 2023; Nader stuk aan uw college d.d. 5 december 2O23; Het verzoek om voorlopige voorziening in zaaknummer ROE 24/267 WET d,d. 19 januari 2024; Het verzoek om voorlopige voorziening in zaaknummer ROE 24/606 WET d.d. B februari 2024.
Voornoemde stukken worden niet opnieuw overlegd nu uw college reeds beschikt over deze stukken. De stukken worden dan ook genoegzaam bekend verondersteld. 1 )
\/nnrnaman
zi al nn lzr¡ractiac
dia
raarlc
=rnrr¡ozin
l^rãrôn
*an
ùiìrla
.r=n
aarrlaro
lasten
Via het voornemen maakt uw college kenbaar voornemens te zijn om handhavend op te treden tegen drie bouwwerken (bouwwerk 7,2 en 3) en twee aangebrachte verhardingen (verharding A en B). Ten aanzien van de bouwwerken geeft uw college in het voornemen aan
'Tijdens de inspecties [op 6 december 2023 en 15 januari 2024, RM] hebben de toezichthouders geconstateerd dat op de locatie verschillende nieuwe bouwwerken zijn gerealiseerd buiten het in het geldende bestemmingsplan opgenomen
2/LB
)t ENVIRON odvocoten bouwvlak. Deze bouwwerken waren tijdens voorgaande controles niet aanwezig op het perceel. Het gaat om de volgende bouwwerken: (...).' Cliënten bestrijden uitdrukkelijk dat deze bouwwerken nog niet aanwezig waren tijdens eerdere controles. Daartoe dient het volgende,
Uit het rapport van de controle van 15 januari 2024 kan worden opgemaakt dat uw college voornemens is om te treden tegen de volgende bouwwerken: ll'
Figuur 1: foto's van bouwwerk 1
Figuur 2: foto's van bouwwerk 2
3/78
)t ENVIRON odvocoten l
:'lt' ^l'-,'1.- l,\:'-l \11'J1' e. '.t
Figuur 3: foto's van bouwwerk 3
Op de foto's die gemaakt zijn tijdens de controle van 29 juni 2023 zijn bovenstaande
bouwwerken duidelijk te zien en derhalve wél reeds aanwezig:
Con¡tatcring op 29 Junl 7A232
Gon¡tatcrlng op 29 tunl 2o.23l.
Figuur 4: uitsneden uit document'overzicht strijdigheden'behorende bij de besluiten d.d. 11 juli 2023
4/rB
J
)t ENVIRON odvocoten Op de foto linksboven zijn duidelijk gebouwen 2 en 3 te zien. Op de foto rechtsboven is de binnenzijde van gebouw 3 te zien, Op de foto onderaan zijn gebouwen L, 2 en (gedeeltelijk) 3 te zien. Zodoende is uw stelling dat de bouwwerken nog niet aanwezig waren tijdens eerdere controles dan ook aantoonbaar niet correct. De gebouwen waren wel degelijk tijdens de controle van 29 juni 2023 aanwezig. Sterker nog, gebouwen 1 en 2 waren reeds vóór april 2023 ter plaatse aanwezig, zie immers onderstaande luchtfoto die dateert van april 2023, waarop gebouwen 1 en 2 duidelijk te zien zijn:
Figuur 5: luchtfoto d.d. april 2023
Gebouw 3 is reeds meer dan tien jaar aantoonbaar ter plaatse aanwezig, zie immers de luchtfoto uit 2010 zoals terug te vinden is op Topotijdreis,nl:
s/18
)t ENVIRON odvocoten \
,rlì{ltl
.r
!i:ìn
1ûâ .t{}: I
.irli.: ;:1¡ ¡.i
.'llt4
a
?{:}r¿:
20i¡ lûr5 Ji}T9
;tû:{r
t¡
;íiJ r ¡¡9,
Figuur 6: uitsnede luchtfoto uit 2010 (bron: topotijdreis.nl)
In dat licht is het dan ook volstrekt onnavolgbaar dat deze - op dat moment reeds aanwezige - bouwwerken geen onderdeel vormden van de lasten van 17 juli 2023. Uw college geeft - behoudens de niet correcte stelling dat de bouwwerken ten tijde van eerdere controles niet aanwezig zouden zijn geweest - geen enkele verklaring waarom uw college in de eerder opgelegde lasten deze gebouwen niet heeft meegenomen.
Ten aanzien van de verhardingen geeft uw college in het voornemen aan
'Daarnaast werd vastgesteld dat gedeeltes van de locatie zijn verhard. Ter plaatse van deze verhardingen waren tijdens voorgaande controles strijdigheden met het bestemmingsplan aanwezig. Deze bouwkundige en functionele strijdigheden zijn sindsdien opgeheven, maar de verhardingen zijn niet verwijderd. Omdat uit het besluit van 71juli 2023, voor u wellicht niet expliciet bleek dat de verhardingen verwijderd moesten worden, hebben we omwille van zorgvuldigheid besloten om deze verhardingen op te nemen in deze nieuwe vooraankondiging. Het betreft de volgende verhardingen : (...).'
6/78
)t ENVIRON odvocoten Uw college doet het in het voornemen voorkomen alsof de lasten van 11juli 2023 wél zagen op het verwijderen van de verhardingen, maar dat dat wellicht niet helemaal duidelijk was. Ook deze stelling is uitdrukkelijk niet correct. Daartoe dient het volgende
Verharding A betreft een verharding ten behoeve van de parkeerplaats. In de besluiten van 11 juli 2023 had last 1 betrekking op dit gebied. In voornoemde besluiten heeft uw college het volgende gelast:
'Wij willen de strijdige situatie niet laten voortduren. Daarom gelasten wij u om binnen 12 weken na verzending van dit besluit deze strijdigheid volbdig en blijvend op te heffen, Dit kunt u bijvoorbeeld doen door het parkeren op het perceel, kadastraal bekend als gemeente Heerlen, sectie Q, perceelnummer 680 en 870, volledig te beëindigen en beëindigd te houden.' Vervolgens heeft uw college bij de controle van 6 december 2023 geconstateerd dat de (beweerdelijke) overtreding was opgeheven. Zie immers het document'overzicht strijdigheden'van 6 december 2023, waarin met rode letters ten aanzien van last 1 wordt aangegeven'opgeheven 6 december 2023'. Zodoende heeft uw college erkend dat cliënten hebben voldaan aan de last die betrekking had op dit gebied en de beweerdelijke overtreding opgeheven was. Verharding B betreft een verharding ten behoeve van opslag van producten. In de besluiten van 11juli 2023 hadden lasten 11 en 20 betrekking op dit gebied. In voornoemde besluiten heeft uw college het volgende gelast:
'Wij willen de strijdige situatie niet laten voortduren. Daarom gelasten wij u om binnen 12 weken na verzending van dit besluit deze strijdigheid volledig en blijvend op te heffen, Dit kunt u bijvoorbeeld doen door het gebruik ten behoeve van opslag volledig te beëindigen en beëÌndigd te houden op de gedeeltes van het perceel die bestemd zijn als'Groen - Landschappeliik'en 'Verkeer Verblijfsgebied.' Vervolgens heeft uw college bij de controle van 6 december 2023 geconstateerd dat de (beweerdelijke) overtredingen waren opgeheven, Zie immers het document'overzicht strijdigheden'van 6 december 2023, waarin met rode letters ten aanzien van lasten 11 en 20 wordt aangegeven'opgeheven 6 december 2023'. Zodoende heeft uw college ook ten aanzien van dit gebied erkend dat cliênten hebben voldaan aan de lasten die betrekking hadden op dit gebied, De stelling dat uit de besluiten van 11juli 2023 dan ook wellicht niet duidelijk zou zijn gebleken dat de verhardingen verwijderd moesten worden, treft dan ook in het geheel
7/tB
)t ENVIRON odvocoten geen doel. Voornoemde besluiten hebben helemaal niet daartoe gelast. Dat wordt overigens ook erkend in het controlerapport van 15 januari 2024, waarin wordt aange9even: 'De aanleiding voor deze her-controle is de opgelegde last onder dwangsom van 11 juli 2023 voortkomend uit een aantal strijdigheden met wet- en regelgeving welke ter plaatse zijn geconstateerd bij een voorgaande integrale controle. In dit controlerapport zijn de strijdigheden opgenomen welke zijn geconstateerd tiidens de her-controle van 15 januari 2024, en waartegen nog niet handhavend is opgetreden.'
Cliënten hechten er derhalve aan om reeds te concluderen dat: a
a
1.3
De bouwwerken ten aanzien waarvan uw college voornemens is om handhavend op te treden reeds ten tijde van het eerdere handhavingstraject aantoonbaar aanwezig waren; Het verwijderen van de verhardingen - in tegenstelling tot hetgeen uw college lijkt de suggereren - géén onderdeel vormde van de eerdere aanschrijvingen,
Bouwwerken 1, 2 en 3
Cliënten geven uw college te kennen dat bouwwerken 1 en 2 (de gebouwen ten behoeve van opslag) zullen worden verplaatst in noordelijke richting waardoor deze geheel in het bouwvlak komen te liggen. Daarmee wordt - conform de last in uw voornemen - de strijdigheid met het bestemmingsplan opgeheven nu deze gebouwen op basis van artikel 6,2.1 aanhef en onder a van de planregels binnen het bouwvlak mogen worden gerea liseerd. Hoewel cliënten van oordeel zijn dat gelet op de omvangrijke en bewogen voorgeschiedenis, het onevenredig is om nu - na jarenlang als bestuur te hebben stilgezeten en actief te hebben gedoogd - handhavend op te treden tegen een bouwwerk dat aantoonbaar sinds 2010 ter plaatse aanwezig is, zullen cliënten bouwwerk 3 (de werkplaats) evenwel aanpassen waardoor geen sprake meer zal zijn van een gebouw, maar van een bouwwerk, geen gebouw zijnde. Laatstgenoemde categorie bouwwerken zijn wél buiten het bouwvlak toegelaten (zie immers artikel 6.2.2van de planregels). Daarmee wordt de strijdigheid met het bestemmingsplan opgeheven'
Cliënten gaan hiertoe vanuit pragmatisch oogpunt over en hopen hiermee naar uw college het signaal af te geven dat zij - zoals ook uitdrukkelijk en meermaals is aangegeven tijdens de zitting bij de Voorzieningenrechter van de rechtbank Limburg op 4
B/18
)t ENVIRON odvocoten maart jl, - nog altijd openstaan voor een minnelijke oplossing voor de situatie. Daarvoor is echter wel de bereidheid tot overleg voor nodig van de zijde van uw college.
1.4
Verharding A: géén overtreding
Ten aanzien van verharding A stelt uw college dat deze in strijd met het bestemmingsplan is gerealiseerd en hiervoor geen vergunning is verleend. Hiermee zouden cliënten in strijd met artikel 5.1 lid 1 aanhef en onder a van de Omgevingswet (hierna: Ow) handelen nu het bestemmingsplan op basis van artikel 4.6lid 1 sub g Invoeringswet Ow geldt als deel van het omgevingsplan'
Cliënten stellen zich op het standpunt dat het behouden van de betreffende verharding géén overtreding van artikel 5.1 lid 1 aanhef en onder a Ow behelst en dat uw college dientengevolge geen bevoegdheid heeft om handhavend op te treden. Daartoe dient het volgende. De betreffende verharding is gelegen binnen de bestemming'Agrarisch'. Op basis van artikel 3.1.2 aanhef en onder b van de planregels zijn ten behoeve van deze bestemming o.a, verhardingen toegelaten. Uw college heeft in de besluiten van 11juli 2023 cliënten gelast om het parkeren op deze verharding binnen 12 weken na verzending van die besluiten volledig te beëindigen en beëindigd te houden. Cliënten zijn van oordeel dat het college te dien aanzien niet bevoegd was om handhavend op te treden, althans dat handhaving in strijd is met het vertrouwensbeginsel en bovendien onevenredig is gelet op de decennialange voorgeschiedenis zoals uitgebreid is aangehaald in de hierboven opgesomde en bij u bekend zijnde stukken Zij hebben dan ook inmiddels beroep ingesteld tegen de beslissing op bezwaar van 9 januari 2024.
Echter, vaststaat dat cliënten - in afwachting van een uitspraak van de bestuursrechter over dit onderdeel - het gebruik van de verharding als parkeerplaats heeft gestaakt, Cliënten verwijzen naar het document'overzicht strijdigheden'van 6 december 2023, waarin ten aanzien van last 1 wordt aangegeven: 'opgeheven 6 december 2023 (...) het parkeren op het perceel is beëindigd. Deze strijdigheid is daa rmee opgeheven'.
Via het voornemen probeert uw college te bewerkstelligen dat de verharding op het perceel - ondanks dat uw college zelf heeft geconstateerd dat deze niet meer wordt gebruikt als parkeerplaats - wordt verwijderd. Deze voorgenomen last is echter onrechtmatig nu géén sprake is van een overtreding. In dat kaderverwijzen cliënten naar de uitspraak van de voorzieningenrechter van de rechtbank Limburg van 3 mei 2022 (ECLI:NL:RBLIM:2022:3531). In die uitspraak heeft het college verzoeker gelast
9/LB
)t ENVIRON odvocoten om een oppervlakteverharding te verwijderen, nu volgens dat college sprake zou zijn van een overtreding van artikel 2.I lid 1 sub c Wabo. Ter plaatse van de betreffende verharding gold de bestemming 'Agrarisch met waarden', De voorzieningenrechter stelde in die kwestie vast dat een oppervlakteverharding van meer dan 7OO m2 in beginsel niet paste binnen die bestemming omdat geen sprake was van agrarisch grondgebruik. De voorzieningenrechter oordeelde dat het desalniettemin de vraag was of de enkele aanwezigheid van de verharding met het bestemmingsplan strijdig gebruik oplevert. De voorzieningenrechter beantwoordde die vraag ontkennend. Zo overwoog de voorzieningenrechter (onderstreping RM): '78.3. De last onder dwangsom zietwat betreft de gronden waarop deze verharding is gerealiseerd op twee overtredingen: (4.t opslaq in striid met bestemminasplan en (5.) opoervlakteverhardinq aangelegd zonder omgevinosveraunning. Zoals onder 76.2 is oeconcludeerd is de met het bestemminasolan strijdiae opslag en stalling. die plaatsvond op deze verharding, inmiddels beëindiqd.
In het voornemen tot handhavend optreden van 37 oktober 2019 ging verweerder er nog vanuit dat de verharding een overtreding was van artikel 2.7, eerste lid, onder b, van de Wabo (uitvoeren van een werk/werkzaamheden) en artikel 5.7.1 van de planregels (verbod tot het u itvoeren va n werken/werkzaa mh eden zond er omg evi ngsverg u n n i ng ). Deze overtreding kon worden beëindigd door het verwijderen van de verharding, In het primaire besluit komt verweerder hiervan in zoverre terug dat vastgesteld is dat de verharding al gerealiseerd was voordat verzoeker het perceel heeft gekocht, wat zo vult de voorzieningenrechter aan, betekent dat verzoeker niet de overtreder is van het verbod tot het uitvoeren van werken/werkzaamheden: verzoeker is niet degene geweest die de verharding heeft aangelegd en kan dus ook niet als overtreder van het verbod tot aanleggen worden gezien' In het primaire en ook in het bestreden besluit stelt verweerder dat de verhardinq een dat de verharding momenteel hoofdzakelijk wordt gebruikt voor opslag en stalling die niet inherent is aan de aararische bestemmina en dat de aanwezigheid van de verharding oeen enkel verband houdt met de gebruiksdoeleinden inaevolge deze bestemming. Het aanweziq houden van de verharding ziet verweerder daarom als striidig gebruik.
De last houdt (nog steeds, dus ongewijzigd ten opzichte van het voornemen) in dat de verharding verwijderd moet worden en verwiiderd gehouden moet blijven. De iuridische grondslag van de overtreding is dus gewijzigd, maar de last zelf is ongewijzigd gebleven. Aan de conclusie dat verzoeker niet de overtreder is van het aanlegverbod verbindt verweerder dus eigenlijk geen consequenties: de door de rechtsvoorganger van verzoeker aangebrachte verharding moet nog steeds door verzoeker worden verwijderd.
10/18
)t ENVIRON sdvocoten 18,4. Het bestemmingsplan gaat uit van toelatingsplanologie: in het bestemmingsplan staat welk qebruik toegestaan en r wel qebruik verboden is maar er is geen plicht om toeqestaan qebruik te realiseren. Dat betekent dat realisatie van de aararische bestemming niet afgedwongen kan worden (...).
18.5. Verweerder stelt dat de verharding wel als met het bestemmingsplan strijdiq qebruik heeft te gelden (artikel 2.7, eerste lid. onder c van de Wabo in combinatie met de bestemminqsomschriiving in het bestemminasplan). Naar voorlopiq oordeel is als de verhardino niet wordt aebruikt in striid met het bestemminosplan (zoals onder 76.2 en 78.2 is oeconcludeerdL enkel het aanwezia laten van de verharding zonder dat die actief in stand wordt aehouden feiteliik komt dit neer op braak laten liogen van de verharde grond en niet aebruiken van die grond - niet in strijd met het bestemminasplan dat slechts een actief qebruik kan verbieden en niet een nietgebruiken. Dat artikel 2.7, eerste lid, onder c van de Wabo ziet op gebruik in ruime zin en dus ook op aanleggen of aangelegde werken en op bouwen en slopen van bouwwerken, zoals verweerder met een beroep op de wetsgeschiedenis stelt, wil niet zeggen dat een passieve houding (niet gebruiken van aangelegd werk) per definitie een handelen (gebruÌken.\ in striid met het bestemminasplan is. Een aanschriiving tot verwijderen van de verharding op basis van strijdig gebruik komt naar voorlopig oordeel neer op een omzeiling van het onder 78.4 genoemde feit dat het in stand laten van een illegaal aangebrachte verharding, in tegenstelling tot het in stand laten van een illegaal gebouwd bouwwerk, niet verboden is.
In die redenering zou immers ook artikel 2.3a van de Wabo niet nodig zijn geweest om handhavend te kunnen optreden tegen een door een rechtsvoorganger zonder vergunning gebouwd bouwwerk, omdat dit als gebruik in ruime zin ook onder het verbod van artikel 2.7, eerste lid, onder c, van de Wabo zou vallen en dat is juist uitdrukkelijk nÌet het geval. 78,6, Het voorqaande betekent dat de last onder dwangsom, voor zover die erop
rechtmatiq is. Dat betekent dat het bestreden besluit op dit onderdeel (overtreding 5) geschorst blijft, Dat de last in zoverre naar voorlopig oordeel niet in stand kan blijven, laat uiteraard onverlet dat partijen in het door verzoeker in gang gezette traject richting de gemeenteraad afspraken kunnen maken over verwijdering van deze verharding om zo ruimtelijke kwaliteitswinst te behalen.'
In casu staat vast dat het bestemmingsplan ter plaatse verhardingen toelaat. Zie immers artikel 3.1.2 aanhef en onder b van de planregels. Tevens staat vast dat de verharding niet meer gebruikt wordt voor parkeerdoeleinden, maar door cliënten enkel aanwezig
11/18
)t ENVIRON odvocoten wordt gelaten zonder dat die actief in stand wordt gehouden. Dit passieve gebruik kan niet door een bestemmingsplan worden verboden, zo blijkt uit de bovenstaande duidelijke - uitspraak De enige juiste conclusie kan dan ook zijn dat het in stand laten van deze verharding niet strijdig is met artikel 2.7lid 1 sub c Wabo (thans: artikel 5.1 lid 1 aanhef en onder a Ow), Zodoende heeft uw college dan ook helemaal géén bevoegdheid om handhavend op te treden tegen deze verharding, Een voorgenomen last strekkende tot verwijdering van deze verharding is onrechtmatig en zal onvermijdelijk door een voorzieningenrechter c.q. bestuursrechter worden vernietigd. Uw college heeft dit ten onrechte niet onderkend in het voornemen,
1.5
Verhardino B: primair: géén overtreding
Ten aanzien van verharding B stelt uw college dat deze in strijd met het bestemmingsplan is gerealiseerd en hiervoor geen vergunning is verleend. Hiermee zouden cliënten - net zoals bij verharding A - in strijd met artikel 5.1 lid l aanhef en onder a van de Ow handelen nu het bestemmingsplan op basis van artikel 4.6lid 1 sub g Invoeringswet Ow geldt als deel van het omgevingsplan. De betreffende verharding is gelegen binnen de bestemming 'Groen - Landschappelijk'. Op basis van artikel 9.t.2 aanhef en onder c van de planregels zijn ten behoeve van deze bestemming o.a. verhardingen, zoals in- en uitritten, fiets- en/of voetpaden toegelaten. Uw college heeft in de besluiten van 11juli 2023 cliënten gelast om de opslag van bestratingl en houtz op deze verharding binnen 12 weken na verzending van die besluiten volledig te beëindigen en beëindigd te houden. Cliënten zijn van oordeel dat opslag op deze verharding niet in strijd is met het bestemmingsplan en dat dientengevolge geen sprake is van een overtreding, reden waarom zij - zoals hiervoor reeds is aangegeven - beroep hebben ingesteld tegen de beslissing op bezwaar, Dit geldt temeer nu cliënten expliciete toestemming hebben verkregen van uw college om deze verharding in stand te mogen laten als onderdeel van de gelegaliseerde detailhandelsinrichting. Daar wordt hierna in onderdeel 1.6 nader op ingegaan.
Hoe dan ook, vaststaat dat cliënten - in afwachting van een uitspraak van de bestuursrechter - het gebruik van de verharding ten behoeve van de opslag van bestrating en hout hebben gestaakt. CIiënten verwijzen naar het document'overzicht strijdigheden'van 6 december 2023, waarin ten aanzien van lasten 11 respectievelijk 20 1 Dit betreft last 11 en strijdigheid 15
2 Dit betreft last 20 en str¡jdighe¡d 29
T2/TB
)t ENVIRON odvocoten wordt aangegeven:'opgeheven 6 december 2023 (...) de opslag op het terrein is verwijderd. Deze strijdigheid is daarmee opgeheven'en:'opgeheven 6 december 2023 (...) de opslag van het hout is verplaatst naar een gedeelte van het perceel met de bestemmingscategorie'Detailhandel. Deze strijdigheid is daarmee opgeheven'. Ook ten aanzien van verharding B stellen cliënten zich op het standpunt dat het behouden van de betreffende verharding géén overtreding van artikel 5.1 lid 1 aanhef en onder a Ow behelst en dat uw college dientengevolge geen bevoegdheid heeft om hiertegen handhavend op te treden. Ter voorkoming van herhaling verwijzen cliënten naar de uiteenzetting hierover zoals opgenomen in paragraaf I.4 van deze zienswijze. Gelet op de hierin aangehaalde jurisprudentie dient te worden geconcludeerd dat géén sprake is van een overtreding en dat de voorgenomen last dan ook niet mag strekken tot verwijdering van de verharding.
1,6
Verharding B: subsidiair: verharding aangelegd conform overeenkomst bevoeqd
qezag
Voorts constateren cliënten dat de inrichting (met verharding) van het terrein heeft plaatsgevonden conform de verleende vrijstelling ex. artikel 19 lid 1 WRO (oud) met bouwvergunning eerste fase van 10 juni 2010. Daartoe dient het volgende. Op 30 juni 2008 hebben cliënten de aanvraag voor een bouwvergunning ingediend voor het bouwen van een kantoor met overdekte opslag alsmede de legalisatie van de detailhandelsactiviteiten op het bijbehorende terrein, hetgeen uiteindelijk heeft geleid tot de verlening van de vrijstelling met bouwvergunning eerste fase op 10 juni 2010. Eén van de voorwaarden van deze vrijstelling en bouwvergunning hield in dat verloren gegane natuur zou worden gecompenseerd, een en ander conform het rapport landschappelijke inpassing van de Bosgroep Zuid Nederland van augustus 2008. Voornoemd rapport is ook onderdeel van voornoemd besluit. Een van de onderdelen van het inrichtingsplan betrof het aanplanten van Limburgs
haagmengsel aan de westzijde op het eigen terrein van cliënten. De betreffende heggen zouden volgens paragraaf 3.2.1 van het rapport landschappelijke inpassing worden aangeplant in een strook van 7 meter breed en 125 meter lang. Nadat het rapport landschappelijke inpassing was opgesteld, zijn cliënten vervolgens in 2OOB/2OO9 voortvarend aan de slag gegaan met de inrichting van het gebied. Op enig moment is echter geconstateerd dat het verschil in hoogte tussen het terrein van cliënten en de westelijk gelegen sloot dermate groot was dat de beoogde aanplant van het Limburgs haagmengsel niet onverkort mogelijk was. De beoogde breedte van 7 meter zou niet kunnen worden behaald. Naar aanleiding van de melding daarvan door cliënten
13/18
)t ENVIRON odvocoten aan het college heeft op 13 januari 2009 een locatiebezoek plaatsgevonden door het bevoegd gezag. Daaropvolgend zijn tussenpartijen afspraken gemaakt en voorwaarden gesteld waaronder de aangepaste situatie - zoals deze vervolgens is ingericht en in stand is gelaten - akkoord was voor het college. Cliënten verwijzen naar hun brief hierover aan van uw gemeente van 15 januari 2009 (bijlage 1) alsmede de memo van de gemeente van 15 januari 2009 (bijlage 2), Een en ander heeft - conform de door het bevoegd gezag gestelde voorwaarden -
uiteindelijk geleid tot een aangepast landschapsinrichtingsplan. Verwezen wordt naar het document'Errata Landschappelijke inpassing Eurohandelsonderneming februari 2OO9' met bijbehorende kaart. Voornoemde documenten maken eveneens deel uit van de vrijstelling met bouwvergunning eerste fase van 10 juni 2010,3 Volgens het aangepaste plan zou de heg niet meer in een strook van 7 meter, maar 3,5 meter worden aangeplant. in de overeenkomst'Natuurcompensatie Eurohandelsonderneming BV te Heerlen' is vervolgens tussen uw gemeente, de provincie en cliënten overeengekomen dat de natuurcompensatie wordt uitgevoerd conform het document'Errata Landschappelijke inpassing Eurohandelsonderneming februari 2009'met bijbehorende kaart, zie immers artikel 3.1 van voornoemde overeenkomst, Vast staat dit Limburgs haagmengsel vervolgens is aangeplant en wel in de overeengekomen breedte van 3,5 meter. Dit is ook door uw gemeente bevestigd. Verwezen zij naar het verslag'oplevering 1e deel landschappelijke inpassing Eurohandelsonderneming'van B december 2010 (bijlage 3), In voornoemd verslag wordt zijdens uw gemeente aangegeven: '
3. Limburgs haagmengsel
Dít mengsel is aanaeplant. De afgesproken maat 100/125 is niet gehaald doch het materiaal is goed aangeslagen. Het hekwerk is hier conform afspraak aangeplant met Hedera. Verwacht wordt dat daar in 2011 volledig met Hedera begroeid zal zijn. Er is over de hele lengte groen hekwerk geplaatst.' Resumerend: de landschappelijke inpassing van het terrein van cliënten heeft plaatsgevonden conform het landschapsinrichtingsplan dat onderdeel uitmaakt van de verleende vrijstelling en bouwvergunning eerste fase én de afspraken zoals neergelegd in de overeenkomst'Natuurcompensatie Eurohandelsonderneming BV te Heerlen'. Uit de memo van 15 januari 2009 volgt dat het voor het college akkoord was dat het gebied gelegen ten oosten van de 3,5 meter brede haag vervolgens onderdeel zou gaan uitmaken van het terrein van cliënten, welk gedeelte was verhard en waar reeds opslag documenten zijn door uw college overlegd in het procesdossier in de voorlopige voorziening met zaaknummers ROE 2312242 WET, ROE 23/225L WET en ROE 23/2252 WET. 3 Voornoemde
t4/18
)t ENVIRON odvocoten plaatsvond. Deze nieuwe grens van de inrichting is met het'Errata Landschappelijke inpassing Euroha ndelsondernemi ng februari 2OO9' ook a ls zodanig verg u nd'
In dit kader zij verwezen naar pagina 1 'Errata Landschappelijke inpassing Eurohandelsonderneming februari 2009': 'Aan de oostzijde van de heg, op de perceelsgrens met het bedrijventerrein, wordt een groen hekwerkgeplaatst.' Dat de raad vervolgens in het bestemmingsplan om voor cliënten volstrekt onduidelijke redenen aanleiding heeft gezien om een veel bredere strook de bestemming 'Groen Landschappelijk'toe te kennen, laat dit onverlet. Immers, uit luchtfoto's van de periode voordat het bestemmingsplan werd vastgesteld is duidelijk te zien dat de verharding en de 3,5 meter groenstrook reeds aanwezig was. Zie onderstaande luchtfoto uit 2014:
"' 7lt*'
Figuur 7: luchtfoto terrein in 2OI4 (bron: topotijdreis.nl)
1sl18
)t ENVIRON odvocoten +
4;
t 't¡fr:* F-f-
iËifl¡l
tt aF
F¡guur B: verbeelding bestemmingsplan'Heerlerheide Zuid'
Bovendien geldt dat de betreffende strook in bovenstaande figuur 6 met de bestemming 'Groen - Landschappelijk'ook nog eens divergeert ten opzichte van het vergunde hekwerk/inrichtingsgrens en aan de noordzijde breder is dan aan de zuidzijde ten opzichte van de inrichtingsgrens. Evident is derhalve dat de planwetgever bij de vaststelling van het bestemmingsplan een volstrekt verkeerde bestemming heeft toegekend aan de betreffende strook die reeds vóór verlening van de omgevingsvergunning op 10 juni 2010 onderdeel uitmaakte van de inrichting en gebruikt mag worden voor detailhandelsdoeleinden.
76/LB
J
)t ENVIRON odvocoten Hoe dan ook, de verharding was derhalve vergund én reeds feitelijk aanwezig ten tijde
van de vaststelling en inwerkingtreding van het bestemmingsplan. Gelet daarop valt deze verharding - zou deze al strijdig zijn met het bestemmingsplan - onder de beschermende werking van het overgangsrecht zoals vervat in artikel 36.2 van de planregels. Concluderend: cliënten zijn primair van oordeel dat de aangebrachte verharding géén strijd oplevert met het bestemmingsplan en dat dientengevolge uw college geen bevoegdheid heeft om handhavend op te treden, Mocht al sprake zijn van een overtreding (quod non), dan heeft te gelden dat de feitelijke inrichting ter plaatse waaronder de verharding - via de vrijstelling en bouwvergunning eerste fase is vergund en dan ook onder de beschermende werking van het overgangsrecht valt. Ook om deze reden heeft uw college dan ook geen bevoegdheid om handhavend op te treden. Uw college heeft dit ten onrechte niet onderkend in het voornemen'
2.
Conclusie
Gelet op het voorgaande concluderen cliënten: a
a
a
a
Bouwwerken 1en 2zullen worden verplaatst naar binnen het bouwvlak. Daarmee is geen sprake meer van een overtreding; Bouwwerk 3 zal aangepast worden zodat geen sprake meer is van een gebouw. Daarmee is geen sprake meer van een overtreding; De aanwezigheid van verharding A en B levert géén overtreding op van het bestemmingsplan. Zodoende is uw college niet bevoegd handhavend op te treden en cliënten te gelasten de verhardingen te verwijderen; Verharding B is daarenboven vergund via de vrijstelling en bouwvergunning eerste fase van 10 juni 2010 zodat deze onder de beschermde werking van het overgangsrecht valt.
Cliënten vertrouwen er dan ook op dat hiermee een eind is gekomen aan dit traject en dat uw college af zal zien van handhavend optreden.
Ik dank uw college voor de hieraan te besteden aandacht'
77/rB
)t ENVIRON odvocoten Met vriendelijke groet, ENVIRON Advocaten
R.J.J.M.M. Metsemakers en N,A. Rijsterborgh
18/18
J
)t ËNVIRON odvocoten
Bijlage I
Eurohandelsonderneming þv Rennemigorveldweg 7ûa 6413 BP Heer{en
Datum: Kenmerk: Betreft:
15-01-2009 J,A/0g006iNJ 7 meter groensïrook
Geachte
Naar aanleiding van ons prettig onderhoud op 13 januari, waarbij oot< wil ik graag het een en ander resumeren.
aanwêeig was,
Zoals ik al aangegeven heþ is er fijdens het bestraien iet$ fout gegaan mçt de meting om 7 meter groen te krijgen vânaf het begin van de sloot tot het einde eryan, Þe firma die toen aan het bestraten was is van hèt einde van de sloot uitgeg aan + berm aan 2 kanten (ze hadden van het begín van de sloot moetçn meten, dif resulteert in 3,5 meter groen te weinig). Ze hebben wal en afrastering meegeteld, Tijdens het bestuderen van de tekening was het ook bijna niet mogelijk dit te.realiseren omdat de tei<ening van bovenaf bekeken wordt en geen rekening mee gehouden is dat het hele verharde terrein 1.,5 tot 6 meter is opgevutd. Orn dit hoogteverschil op te vangen moeçt {e greppel schuiner gemaaki worden om inçtorten te voorkoen, vanaf de çloot die al ongeveer al 3,5 meter bedroeg dus blj elltaar 7 meter. ( zie foto), ln grote pr"ojecten kunnen wel eens fouten insluipen, desondanks wil ík een voorstel doen om toch tot een positief en tevreden einde te komen.
1, Als eerste l(unnen we þOven op de þerm naast de bestrating een hekwerk plaatserr en dit met
bijvoorbeeld klimop laten begroeien zodat het zÍcht op onzÊ voorraad onttrokken wordt' 2. Qok kunnen we de hoge en de tage bermen laten beplanten. 3. Aan de kant van de al&er tot aan het eind van de greppel warden dan bomen geplant die tot 5 meter hcogte komen waardoor van deze kant ook het zicht op Eurohandelsonderneming weggenomen wordt, dc totalc hoogte vanaf de altker tol boven voorraad is 4 meter' 4, In ñãt achterete gedeelte is reeds óen vijver aangelegd met daarornheen een aarden wal dle van de bosrand schuin dood loopt tot in de aklqer, deze wordt uiteraard ook nog eens beplanl zodat het achterste en tevens het hoogste gedeelte van het te verharde terrein ook helemaal uit het zicht valt, Hier is ook het parkeerterrein gepland en komt dus geen voorraad, g, Ook zal ik als compensatie het pad van 3 meter + ingangspoort of hek welke eigenlijk door de gemeente zou *oid*n bekostigb en onderhouden voor mijn rekening nemen, zolang de Eurohandelsonderneming op deze plek gesitueerd is,
Eurohandelsonderneming bv Rennernigerveldweg 70a 6413 BP Heerlen
Er kunnen nieuwe foto's van de situalie van de Rennemigerveldweg tot aan het einde van de o
akker gemaakt en opgestuurd worden, Èr zal-h¡erme" Oan niét gewacht worden tot aan het einde van het traject, ongeveer 4 jaar maar voer deze klus nog dit jaar uit zodat alles al dichtgegroeid is als de einddatum van voltooiing nadert.
jufste bomen en planten beplant gaat Dit wil ik helemaal laten uitwerken door Bosgroep zodat alles met de .worden, tevens vraag ik adyies over het hekwerk en alle overige zaken die.hiermee gernoeid zijn. t:rã cit år"s gerea[sõerd is worden van het aanzicht van do Rennemigerveldweg tot aan het einde van de akker nieuwe foto's gemaakt en opgestuurd. Hopende met deze verandering en toezegging aan Jullie wensen le voldoen verblijf ik,
Met vriendelijke groet,
J. Ankiewicz
Ëurohandelsond
I
N ENVIRCN odvocoten
Bijlage 2
Gemeente Heerlen
postbus 1 6400 AA hestlon relefoon [045i 660 60 40 telefax [045J 560 44 90 wv¡w.heerlen.nl
'
Eurohandelsonderneming hv Dhr. J,M, Ankiewicz Rennemigerveldweg 70 a 6413 BP HEERLEN
dt||,ll,tlh'lhl,lltll'l'l"llll'lllll
billase{nï
ons kenmerk
uw kenmerk
Joorkl""nun'',m",
hehandeld door afdeling
Stadsplanning
heenerì
ondêrwetp
20 januari 2009
verslag locatiebezoek l3-01-2009
r/ERz0t'l0tlllóJ¿ilftns Geachle heer Ankiewicz,
Hierþij0ntvangtuhetVerslagvâ! q
l"ãåäirãïier*
-en
kte.af¡Prakeninhetgesorektussenuenonze op 13 Januari 200e'
Zødrawü dit verslag heþben besproken met contact mêt u op.
de rayoneooloog van de provincie Limburg'
Mocht u tussentijds nog vragen hebben, dan kunt
u zich r¡venden tot
nemen wil
telofgonnummel
, oí ema¡lãcreic en wethauders van Heerlen,
,;g) É
su
beltandeld door
Pavl¡stsd timbrtrg tlfllr,ðilit, tltilf ltrr, lilrrlll!'l {illl l¡:l.st¡d Ihill¡'Jlll
ING Bank l'leerlen 67 28 1A 471
Þostl)snk 1 033750
(]u-
*r
meênte fleerlen
Stadsplanning StedeliJk BeleÌd
rnemo datum: 15 januari 2009
aan: onderwerP: $tâtus:
ËH0 1 3-01 -2ooe
Terugkoppeling
bijlage{n); afschrift aan:
5 o 3 o
I
lnleiding/aanleiding
gemeld dat de
heeft de gemeente Heerlen recentelijk I Dhr. Ankiewioz van Eurohandelsonderneming nLt conroim het inrichtingsplan van de Bossroep Zuid srqppet_en bedr¡Jfsteiiåin f- äJJ;fiifiil'i*'ä juni en gemeente Heerlen goedgekeurd) kan proïincie Limburg 2008; ¿oor Nederrand {versie worden ingericht. Näiiaãnl"¡iiing ¡aàrvanËbú
d,d. 1g
en
een toelichtins te januari eOæ een lçcati-ebezoek'gr,1xaàll-iT'-91,-:jtrttit te bekijken, van dhr. Ankiewicz en naaf een oplossing te
zoeren,
"iìivairgén
Schets huidige situatiP primair.bedoeld om het bedrijfsterrein landschappel'tjk in conform inrichtingsplan ¿ou de groenstrook, ï¿ onurekken, 7 meter breed ároeten zijn. Na recentelijke re passen un ro sjåd*ååõåiirlååÃË.*é gescheiden door een talud van werkzaarnheden zijn greppel en rand Ëãiñ¡r-tåi"in 1á¡,g¡aar OÍ ftl!taludgroen zal worden Ìngericht' Feit stechts ongeveqr 3ls meter. Dhr, Anklerii; äi-O þreed is dan vereist iñ het inricrrtingsplan' Bovendien is dat de overgentåîen iiiooi oè nert m¡ñàeî çtrook nu worden gerealiseerd op een steil falud moet de groene inrichtlng van de.ovetgá¡lãu"n wat hãt lastig zoniet onmogelijk zal rfors hooqreverschit tussen beor¡fsterrJii-;;;-,p-p;ilàrkàtj, planten' daar cf. inrlchtingsplan þomen te
til
;.;kd;m
Uitkomstgeaprekdhr,Ankier¡¡icz, nCla (circe.1,5 meter diep) waarop de opslag nu ln verband met gestorïe korrelmíx/prìrg*"rluat terùg te draaien teneincié de afgesnoeple strook staat, is de lngreðp op het redrilfstJËìn'lastig hiermee ru given'ä"n de groenstrool<. Gemeente kan 3,5 **tr,
äãñãi;iædr-ióiur;rurüg akkoordfftfi#'fåorijrsrerrein
van
rer plekke voÌtedis w9¡{r atqSlgprl!^f:r een
hekwerk waar-
opgroeìen;
r"ñô" u* heer Ankiewicz klimop of .vergelijkbâar laat aåñgeplant die rekening houworden Z. Aan de akkerkant u"n Aä'g*îpåf no-m"î lncl. opslag eñ bedr¡fsterrein enerzijds akker hoogtev"ì6ñir-i,.iru.n dend met het inpaslandschappelijke voor zorgen ta om anderziids) hoog genoeä runnãn worden sing vah (óe opslag op) het bedr$fsterrein; 3. Heítalud'groen wordt aangeplant;t Vm . ^ een separaat inrichtingsvoorçtel doet 0ver g 4. De heer Anklewioz ouur'pïnt*n daarbii aan de Bosgroep Zuid soorten en hoeveeth*oårlïlir,*ãiÁntiã*i.r {eefi