CConstaterende datHeerlen
Koppel je AI →
Document · PDF

P04019_Schinkelkwadrant Noord_Toelichting_20240905__151004__

Raadsvergadering . (video) 30 oktober 2024, gemeente HeerlenBij agendapunt: Bestemmingsplan 'Schinkelkwadrant-Noord'34.242 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 3 van 4

Waterbeheerprogramma 2022-2027 Waterschap Limburg Elke zes jaar leggen waterschappen vast welke aanpak en welke maatregelen op hoofdlijnen nodig zijn om het watersysteem en de waterkeringen op orde te brengen en te houden. Met het waterbeheerprogramma (WBP) geeft Waterschap Limburg richting aan het waterbeheer in de periode 2022-2027. Dat is een verplichting vanuit de Omgevingswet. Het Nationale Waterprogramma en het Provinciaal Waterprogramma hebben dezelfde looptijd en bieden de kaders voor dit waterbeheerprogramma. Zo zijn in het Nationaal Waterprogramma de Deltabeslissingen opgenomen. Het Provinciaal Waterprogramma geeft onder andere kaders voor het strategische grondwaterbeheer, de regionale normering wateroverlast, de functietoekenning voor onze oppervlaktewateren en de waterkwaliteitsdoelen voor de KRW-waterlichamen en de overige wateren. Het waterbeheerprogramma 2022-2027 geeft hier de regionale invulling aan. Om te zorgen dat dit Waterbeheerprogramma in lijn is met het Provinciaal Waterprogramma is er zorgvuldig afgestemd. Het Waterbeheerprogramma beschrijft geen nieuw beleid, maar beschrijft de uitvoering van bestaand beleid of het voornemen om voor een thema nieuw beleid te gaan maken. De voortgang van de uitvoering van het programma wordt bewaakt via de jaarlijkse

bestemmingsplan Schinkelkwadrant Noord

46

cyclus van kadernota, meerjarenbegroting en jaarbegroting.

Keur en beleidsregels Keur Waterschap Limburg 2019 Vanaf 1 april 2019 is de nieuwe Keur van Waterschap Limburg officieel in werking getreden. De Keur is een document met regels die het waterschap hanteert om beken, dijken, waterwerken en grondwater in Limburg te beschermen. Het is een belangrijk document voor iedereen die bij, of met water, activiteiten onderneemt. In de keur zijn o.a. de normen opgenomen waaraan de verwerking van (hemel)water aan dient te voldoen. Deze normen heeft de gemeente Heerlen overgenomen en verwerkt in het Watertakenplan Heerlen 2020-2024.

Watertakenplan Heerlen 2020-2024 Goede riolering is nodig voor de bescherming van de volksgezondheid, het milieu en het tegengaan van wateroverlast en droogte in onze gemeente. Aanleg en beheer van de riolering is een gemeentelijke taak, die zijn wettelijke basis vindt in de Wet Milieubeheer en de Waterwet. Het Watertakenplan 2020-2024 omvat de volgende items: evaluatie verbreed Gemeentelijk Rioleringsplan 2016-2020; invulling van de zorgplichten afvalwater, hemelwater en grondwater; beleid, speerpunten en maatregelen; samenwerking Parkstad; personele en financiële middelen. 5.3.3 Eisen aan watertoets conform Watertakenplan Heerlen 2020 - 2024 Om de waterbelangen (hemelwater en grondwater) bij ruimtelijke ontwikkelingen te borgen dient bij alle ruimtelijke ontwikkelingen de Watertoetsprocedure doorlopen te worden. De resultaten hiervan worden uiteindelijk vastgesteld in deze waterparagraaf.

Hemelwater: Met betrekking tot de omgang met afstromend hemelwater van daken en terreinverharding ligt de verantwoordelijkheid primair bij de initiatiefnemer. Het hemelwater dat binnen het plangebied valt dient binnen de grenzen van het gebied verwerkt te worden. Voor (toekomstige) privé percelen ligt deze verantwoordelijkheid primair bij de (toekomstige) eigenaar/gebruiker. Dit is het uitgangspunt van de Waterwet. De gemeente houdt bij de verwerking van hemelwater onderstaande voorkeursvolgorde aan: hergebruiken; bergen en infiltreren in de bodem, de aanleg van groene daken; noodoverstort op oppervlaktewater of op gemeentelijk rioolstelsel vanuit berging / infiltratievoor-ziening; lozen naar oppervlaktewater; geknepen lozen op de riolering. Pas wanneer blijkt dat verwerking van hemelwater binnen het plangebied redelijkerwijs niet mogelijk is mag het overtollige hemelwater worden aangesloten op de riolering. Hierbij dient de initiatiefnemer het hemelwater altijd gescheiden aan te bieden. Wanneer de verwerking van hemelwater binnen het plangebied redelijkerwijs niet mogelijk is wordt bij de watertoets minimaal toegezien op een hydrologisch neutrale inpassing van de ontwikkelingen. Voor nieuwbouw en nieuwe verharding houden we dan minimaal een stand-still situatie aan. Het aangekoppeld verhard oppervlak op de riolering mag zeker niet groter worden.

Eisen: Bij de watertoets dient gerekend te worden met de navolgende eisen: Ontwerpbui bij (directe) lozing op oppervlakte water (eis Waterschap Limburg): Berging / infiltratie eis T=100 (gemiddeld klimaatscenario 2050), zijnde 80 mm in 2 uur.

bestemmingsplan Schinkelkwadrant Noord

47

Ontwerpbui bij overige ontwikkelingen: Berging/infiltratie eis T=25 (35 mm in 45 minuten) en doorkijk naar T=100 (45 mm in 30 minuten). Minimale eis volgens rioolaansluitverordening gemeente Heerlen. Het regenwater van de ontwerpbui dient binnen 24 uur door het systeem verwerkt te zijn. Wanneer de leeglooptijd van 24 uur wordt overschreden dient een tweede ontwerpbui geborgen te kunnen worden in het systeem inclusief het restant van de eerste bui. Er mag geen (grondwater) overlast ontstaan richting omliggende percelen. Aan de berekeningen ligt een doorlatendheidsonderzoek (k-waarde bepaling) van de bodem ten grondslag. Voor de nazuivering van hemelwater dient een bodempassage toegepast te worden dan wel mogen er geen uitlogende materialen toegepast worden. Vrijkomend vuilwater (wc's, keuken e.d.) dient aangesloten te worden op het vuil/gemengd rioolstelsel van de gemeente. Grondwater De perceeleigenaar is zelf verantwoordelijk voor het tegengaan van grondwateroverlast en/of –onderlast. Dit geldt ook voor funderingsproblemen. Ondergrondse verblijfsruimten van panden, in een kelder of een souterrain, moeten volgens de bouwregelgeving waterdicht zijn.

Van de perceeleigenaar verwachten wij dat hij de vereiste (waterhuishoudkundige en/of bouwkundige) maatregelen neemt om grondwaterproblemen te voorkomen of te bestrijden, voor zover deze problemen niet aantoonbaar worden veroorzaakt door onrechtmatig handelen of nalaten van een ander; particulier of overheid. Dat geldt ook voor woningen/gebouwen met diepe kelders. Pas wanneer de perceeleigenaar zich redelijkerwijs niet kan ontdoen van het overtollig grondwater, is er een taak voor de gemeente of waterschap. Ook hier geldt dat het water dan gescheiden van het vuilwater aangeboden dient te worden. De ontwikkeling mag geen negatieve invloed hebben op de grondwaterstand en op de grondwater-kwaliteit zowel binnen als buiten het plangebied. Voor de gewenste ontwateringsdiepten verwijzen wij naar onderstaande tabel en figuur. Functie

Gewenste ontwateringsdiepte (m, t.o.v. gemiddeld hoogste grondwaterstand) Bestaand gebied

Nieuwbouw

Woningen met kruipruimte*

0,5

0,5

Woningen zonder kruipruimte*

0,3

0,3

Tuinen/groenvoorzieningen* 0,5 Voor natuurlijke groenvoorzieningen hebben we geen normen

0,5

Hoofdwegen **

0,7

1,0

Secundaire wegen en woonstraten **

0,7

0,7

Bedrijventerreinen **

0,7

0,7

*t.o.v. onderkant vloer; ** t.o.v. de kruin van de weg

bestemmingsplan Schinkelkwadrant Noord

48

5.3.4 Plangebied Door Geonius is een watertoets opgesteld voor het plangebied. De watertoets is als Bijlage 5 opgenomen bij deze toelichting. In deze paragraaf wordt de samenvatting van de watertoets weergegeven. Conform de eis van de gemeente Heerlen moet er een bui van 35 mm (T=25), vallend op alle verharding binnen het plangebied geborgen en verwerkt kunnen worden wanneer er niet direct of indirect geloosd wordt op oppervlaktewater. Daarnaast moet een doorkijk gegeven worden naar een T=100 situatie (45 mm in 30 minuten). Aangezien indirect het stedelijk watersysteem het oppervlaktewater belast (al of niet via buffers) heeft het waterschap en de gemeente na overleg verzocht voor de ontwikkeling rekening te houden met een waterbergingshoeveelheid van 80 mm. De gemeente Heerlen is tevens voornemens om een regenwaterverordening vast te stellen met een bergingseis van 80 mm. De parkeerplaatsen worden voorzien van open bestrating bestaande uit grind in honingraat en/of gras in honingraat. Dit zal positief bijdragen aan reductie en vertraging van hemelwaterafvoer. Het totale verhard oppervlak binnen het plangebied bestaat uit 4.925 m2. Voor de ontwikkeling is ervoor gekozen om voor elke m2 verhard oppervlak een compensatievoorziening te realiseren 80mm kan verwerken. Dit betekent dat er binnen het plangebied 394m3 water verwerkt moet worden.

Met een bergingseis van 394m3 dient er een alternatieve berging voor 248m3 gezocht te worden. Gezien de indicatief verwachte hoogste grondwaterstand (8m mv) en de beoogde terreininrichting lijkt een krattenpakket de meest kansrijke oplossing. Uitgaande van een kratafmeting (lxbxh) van 1,2m x 0,6m x 0,4m en 95% beschikbare waterberging komt dit neer op een aantal benodigde kratten van circa 910 kratten. Dit zou op verschillende manieren kunnen worden vormgegeven; 1 laag infiltratiekratten a 445 m2 onder de wadi (100% bodemoppervlak), circa 600 kratten, beschikbare berging circa 160 m3 1 laag infiltratiekratten a 585 m2 onder de parkeerplaatsen, circa 800 kratten, beschikbare berging circa 215 m3 Meerlaagse systemen, dit is tevens voordelig om de diepere beter doorlatende laten te bereiken Uit bovenstaande blijkt dat een dergelijke voorziening inpasbaar is. Gezien de beperkte doorlatendheid van de ondiepe ondergrond (door de aanwezigheid van leem) zal de benodigde leeglooptijd voor de wadi en infiltratiekratten van 24 uur hoogstwaarschijnlijk niet gehaald worden. Gezien de goede doorlatendheid van de diepe ondergrond (vanaf 4,3m/dag) kunnen er grindpalen onder de wadi/infiltratiekratten geplaatst worden om de infiltratiesnelheid te verhogen.

Een alternatief is het toepassen van een vertraagde afvoer naar de gemeentelijke riolering door een geknepen afvoer of leiding met debietsbegrenzer. In een vervolgstadium dient de voorziening nader te worden uitgewerkt. Bij de berekening van de watercompensatie is uitgegaan van een waterschijf van 80mm. Bij de uitwerking van het plan en het vaststellen van de definitieve afmetingen van de infiltratievoorzieningen dienen de infiltratievoorzieningen opnieuw getoetst te worden waarbij de infiltratie tijdens de bui meegenomen kan worden. Hieruit kan blijken dat een wat kleinere voorziening ook kan volstaan. In de toekomstige situatie zal een gescheiden rioolstelsel aangelegd worden. Hemelwater vallend op daken wordt middels regenpijpen naar de hemelwaterriolering geleid. Hemelwater vallend op bestrating zal waar mogelijk rechtstreeks afstromen naar de wadi of via kolken naar de hemelwaterriolering worden geleid. De hemelwaterriolering voert middels een welput af op de centraal gelegen wadi met krattenpakket. Hier kan het hemelwater tijdelijk geborgen worden voor het via bodempassage en grindpalen infiltreert in de ondergrond. De wadi dient voorzien te worden van een noodoverstort op de gemeentelijke riolering. Vuilwater wordt via een DWA-stelsel ingezameld en afgevoerd naar de gemeentelijke riolering.

De meest kansrijke locatie hiervoor lijken putten M3317/M3318 onder de Schinkelstraat of putten M3474 of M3475 onder de Honingmannstraat. In de Honingmannstraat is circa 2,5m dekking op de riolering aanwezig, in de Schinkelstraat circa 1,39m dekking. Gezien de relatief korte aansluitlengte (circa 10m) is aansluiting hier mogelijk.

bestemmingsplan Schinkelkwadrant Noord

49

5.4

Bodem

Bij een bestemmingsplanprocedure moet het bevoegde gezag voldoende inzicht hebben om de vraag te kunnen beantwoorden of de bodem geschikt is voor de in het bestemmingsplan toe te kennen functie. Daarvoor dient een bodemonderzoek. Een bodemonderzoek hoeft echter niet te worden uitgevoerd als de bodemkwaliteitskaart als bewijsmiddel kan dienen voor een bestemmingsplanwijziging. Een belangrijke voorwaarde daarbij is de vaststelling van het niet verdacht zijn van de locatie voor puntbronnen op basis van een uitgevoerd NEN 5725 vooronderzoek. Blijkt hieruit dat er geen verdachte locaties/situaties zijn, ofwel er zijn geen knelpunten, dan kan volstaan worden met dit vooronderzoek aangevuld met een veldinspectie. Uit het vooronderzoek volgens NEN 5725 kan ook blijken dat de kwaliteit van de bodem onvoldoende zou kunnen zijn ofwel een verdachte situatie bestaat. In die gevallen moet altijd een vooronderzoek gevolgd door een verkennend onderzoek conform NEN 5740 worden uitgevoerd, aangevuld met een bodemonderzoek asbest conform NEN5707. Onderzoeken die niet volgens de geldende normen zijn opgesteld en uitgevoerd zijn of verouderde onderzoeken gelden niet als representatief en onvoldoende.

5.4.1 5.4.1.1

Beleidskader Bodembeleidsplan

Voor de gemeente Heerlen is sinds 28 september 2016 het bodembeleidsplan Heerlen van toepassing. In dit bodembeleidsplan wordt het gemeentelijk bodembeleid beschreven en het beleidsplan is derhalve het richtinggevend kader (uiteraard naast de wettelijke regelingen) voor zowel bodembescherming als bodemsanering. 5.4.1.2

Besluit bodemkwaliteit

Het Besluit bodemkwaliteit (Bbk) geeft invulling aan het op duurzaamheid gerichte bodembeleid. De nota bodembeheer beschrijft hoe de gemeente Heerlen invulling geeft aan het Bbk. In het bodembeleidsplan is de nota bodembeheer en de bodemkwaliteitskaart gemeente Heerlen opgenomen. De bodem in de gemeente Heerlen is beschreven in een bodemkwaliteitskaart die conform de Richtlijn Bodemkwaliteitskaarten is vervaardigd. Er kan worden geconcludeerd dat de lokale bodemkwaliteit over het algemeen voldoende wordt beschreven door de bodemkwaliteitskaart voor alle zones.

bestemmingsplan Schinkelkwadrant Noord

50

Homogene deelgebiedenkaart

Het plangebied is gelegen in deelgebied Woonwijken.

5.4.2 Plangebied Ter plaatse zijn de volgende bodemonderzoeken uitgevoerd: Vooronderzoek Schinkelkwartier Noord, gelegen tussen de Honigsmannstraat, Schinkelstraat en Geerstraat te Heerlen, rapportnummer MA190004.002.R01.V1.0, d.d. 22 mei 2019 opgesteld voor Geonius. Dit onderzoek is in 2022 geactualiseerd. (zie Bijlage 6). Op basis van de recent uitgevoerde terreininspectie blijkt dat de situatie ter plaatse van de onderzoekslocatie niet meer hetzelfde is als de situatie in 2019. Ter plaatse van het westelijke terreindeel is een klein gedeelte van de bebouwing reeds gesloopt. Het overige deel van de locatie is onveranderd gebleven ten opzichte van 2019.

bestemmingsplan Schinkelkwadrant Noord

51

Ondanks de gewijzigde situatie ter plaatse, kan de conclusie uit het vooronderzoek aangehouden worden. De onderzoekslocatie is verdacht voor bodemverontreiniging. Vanwege de reeds uitgevoerde en de geplande sloopwerkzaamheden is het mogelijk dat het terrein diffuus verontreinigd raakt door het slooppuin. Derhalve is voor de gehele onderzoekslocatie hypothese “verdacht” van toepassing. Ten aanzien van de bovengrond wordt uitgegaan van de strategie “heterogeen verdacht niet lijnvormig” (VED-HE-NL). Ten aanzien van de ondergrond wordt uitgegaan van de strategie “onverdacht niet lijnvormig” (ONV-NL). Op de locatie is nog steeds sprake van een potentieel asbestverdachte locatie. Het betreft een slooplocatie die altijd verdacht is voor asbest in bodem. Derhalve is met betrekking tot asbest in bodem de hypothese verdacht (VED-HE) van toepassing.

Daarnaast heeft in 2021 op asbestsanering plaatsgevonden op de huidige bebouwing. Conclusie Voor wat betreft bodemaspecten is aanvullend onderzoek nodig om vast te stellen of er wel of geen belemmeringen zijn voor de voorgenomen ontwikkeling. In verband met huidige bebouwingsdichtheid heeft dit onderzoek pas zin na de sloop. De uiteindelijke vormgeving van de ondergrondse voorziening kan het noodzakelijk zijn aanvullend onderzoek uit te voeren. In de regels is een voorwaardelijke verplichting opgenomen waardoor de uitvoer van het aanvullend bodemonderzoek is geborgd.

5.5

Natuurwaarden

5.5.1 Gebiedsbescherming: Natura 2000 en de Wet natuurbescherming De Europese Unie (EU) wil de biodiversiteit in Europa beschermen. Dit doet zij door gebieden aan te wijzen als Natura 2000-gebied. Dat is een Europees netwerk van beschermde natuurgebieden. In Nederland zijn meer dan 160 natuurgebieden aangewezen. Deze liggen allemaal binnen de Ecologische Hoofdstructuur (EHS). Oorspronkelijk zijn deze gebieden aangewezen als Habitat- of Vogelrichtlijngebied. Al deze gebieden zijn geselecteerd op grond van het voorkomen van planten- en/ of diersoorten en habitattypen die vanuit Europees oogpunt bescherming nodig hebben. In Nederland zijn de Europese regels voor gebiedsbescherming vertaald in de Wet natuurbescherming. De Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit (LNV) wijst de gebieden aan. In dat traject kunnen provincies, gemeenten, eigenaren en gebruikers van het aan te wijzen gebied hun zienswijze kenbaar maken. In het aanwijzingsbesluit van het betreffende Natura 2000-gebied wordt de exacte ligging aangegeven, evenals de soorten en habitattypen die in het gebied moeten worden beschermd.

5.5.2 Gebiedsbescherming vanuit provinciaal beleid De provinciale groenstructuur, bestaande uit beschermingszones van verschillende typen (waaronder de Natuurnetwerk Nederland), is ruimtelijk vastgelegd in de POVI welke is vastgesteld op 1 oktober 2021. De Goudgroene natuurzone vormt het netwerk aan bestaande natuurgebieden die het Natuurnetwerk Nederland vormen en nieuw aan te leggen natuur en verbindingszones tussen de gebieden.

Daarnaast geeft de Omgevingsverordening bescherming aan natuurlijke en landschappelijke waarden in de 'Bronsgroene landschapszone', het 'Beschermingsgebied Nationaal Landschap' en de 'Zone natuurbeek'. Op 5 januari 2018 is de wijzigingsverordening (GC03) gepubliceerd, deze verordening voorziet in de toevoeging van bescherming van de 'Zilvergroene natuurzone'. Tevens is door middel van deze wijziging een uitgebreidere beschrijving van de kernkwaliteiten van de Zilvergroene natuurzone, Bronsgroene landschapszone en Beschermingsgebied Nationaal Landschap opgenomen. De feitelijke beleidsmatige

bestemmingsplan Schinkelkwadrant Noord

52

gebiedsbescherming vindt plaats middels de uitwerking van het provinciaal beleid in de gemeentelijke bestemmingsplannen.

5.5.3 Quickscan flora en fauna In het kader van voorgenomen ontwikkeling is een quickscan flora en fauna uitgevoerd. Voor de volledige rapportage wordt verwezen naar Bijlage 7.

Toetsing Vogels Bij uitvoering van de plannen gaan geen nestlocaties van soorten met een jaarrond beschermde en niet jaarrond beschermde status verloren. De voorgenomen plannen zullen geen afname van essentieel broedhabitat veroorzaken van een vogelsoort, inbreuk op de gunstige staat van instandhouding van lokale populaties is dan ook uitgesloten.

Vleermuizen Bij de sloop van de bebouwing bestaat de kans dat er één of meerdere verblijfplaatsen van een vleermuissoort verloren gaan. Verblijfplaatsen van vleermuizen zijn jaarrond beschermd. Middels een vervolgonderzoek dient duidelijk te worden of zich in de te slopen bebouwing verblijfplaatsen van een vleermuissoort bevinden. Op basis van het vervolgonderzoek wordt bepaald of er bij uitvoering van de sloop sprake is van overtreding, en of het treffen van maatregelen en een ontheffingsprocedure aan de orde is alvorens er mag worden gesloopt. Om verstoring van mogelijke verblijfplaatsen in de omliggende gebouwen te voorkomen, dient licht gericht of uitstralend op omliggende gebouwen te worden vermeden.

Grondgebonden zoogdieren De steenmarter is binnen bepaalde periode in de provincie Limburg vrijgesteld. Indien binnen deze vrijgestelde periode (15 augustus tot en met fe-bruari) gewerkt wordt, zal er geen verstoring opstreden. Er gaan geen (essentieel) leefgebied van een grondgebonden zoogdiersoort verloren. Inbreuk op de gunstige staat van instandhouding van lokale populaties van soorten en overtreding van de Wnb is niet aan de orde. In het kader van de zorgplicht is het echter wel noodzakelijk om voldoende zorg te dragen voor (incidenteel) aanwezige individuen.

Reptielen Negatieve effecten en overtredingen ten aanzien van reptielen zijn op voorhand uitgesloten.

Amfibieën De voorgenomen plannen zullen geen afname van geschikt essentieel habitat van een amfibieënsoort veroorzaken, inbreuk op de gunstige staat van instandhouding van populaties en overtreding van de Wnb is dan ook uitgesloten. In het kader van de algemene zorgplicht is het wel noodzakelijk om voldoende zorg te dragen voor eventueel passerende individuen.

Vissen Negatieve effecten en overtredingen ten aanzien van beschermde vissen zijn op voorhand uitgesloten.

Ongewervelde diersoorten Negatieve effecten en overtredingen ten aanzien van beschermde ongewervelde soorten zijn op voorhand uitgesloten.

Vaatplanten

bestemmingsplan Schinkelkwadrant Noord

53

Negatieve effecten en overtredingen ten aanzien van beschermde vaatplanten zijn op voorhand uitgesloten.

Conclusie en aanbevelingen Gelet op de potentiële ecologische waarden kan het voorgenomen plan alleen in overeenstemming met de nationale natuurwetgeving en het provinciale natuurbeleid worden uitgevoerd, mits voorafgaand en tijdens het uitvoeren van de werkzaamheden het bepaalde in de Wet natuurbescherming in acht wordt genomen: Een AERIUS-berekening dient de toename van stikstofdepositie op Natura 2000-gebieden door de werkzaamheden te berekenen; Met betrekking tot de sloop zijn overtredingen ten aanzien van het verstoren/verwijderen van verblijfplaatsen van een vleermuissoort op basis van de quickscan niet uit te sluiten. Vervolgonderzoek gedurende het juiste seizoen dient hieromtrent uitsluitsel te geven; Ten aanzien van vleermuizen dient licht gericht of uitstralend op omliggende gebouwen te worden vermeden; Om verstoring van steenmarter te voorkomen dient binnen de vrijgestelde periode (15 augustus tot en met februari) gewerkt te worden; In het kader van de algemene zorgplicht is het noodzakelijk om voldoende zorg te dragen voor aanwezige individuen. Dit houdt in dat al het redelijkerwijs mogelijke gedaan dient te worden om het doden van individuen te voorkomen. 5.5.4 Vervolgonderzoek vleermuizen Naar aanleiding van de quickscan flora en fauna is een vervolgonderzoek naar vleermuizen uitgevoerd. Voor de volledige rapportage wordt verwezen naar Bijlage 8.

Vleermuizen Verblijfplaatsen Bij de bebouwing binnen het plangebied zijn geen rust- of verblijfplaatsen van een vleermuissoort aangetroffen. Tijdens de veldbezoeken is geen affiniteit van vleermuizen met de bebouwing binnen het plangebied waargenomen. In de bebouwing aan de Geerstraat zijn meerdere rust- of verblijfplaatsen van gewone dwergvleermuis aanwezig. Tijdens de ochtendronde in het voorjaar is het invliegen van gewone dwergvleermuis waargeno-men, bij de noordoostelijk hoek van de zuidelijk aanbouw. Daarnaast is het aantikken van de zuidgevel door een individu waargenomen, later op de avond. Zowel rond de top van de liftschacht als de zuidwest hoek van de bebouwing is tijdens de veldbezoeken in het najaar het zwermen van gewone dwergvleermuizen waargenomen. Daarnaast is er een paarterrito-rium aanwezig rond de zuidgevel van de bebouwing, waarbij het paarverblijf zich achter een open stootvoeg in de zuidoostgevel bevindt.

Foeragerende vleermuizen Tijdens vrijwel ieder veldbezoek zijn enkele (1-2) foeragerende op de binnenplaats waargenomen. Deze individuen hadden hun verblijfplaats in de aangrenzende bebouwing. Later in de avond trokken deze weg en vloog er slechts incidenteel een individu over. Gezien de vleermuizen hier niet de hele avond aanwezig waren en regelmatig een kwartier of langer verdwenen is het niet de verwachting dat het plangebied essentieel foerageergebied voor de gewone dwergvleermuis betreft. Daarnaast is er binnen het plangebied te weinig opgaand groen aanwezig om te dienen als essentieel foerageergebied. De voorgenomen plannen zullen hierdoor niet leiden tot een afname in essentieel foerageergebied.

Vliegroutes Tijdens de veldbezoeken zijn in de directe omgeving geen eenduidig vliegpatronen aangetroffen welke door meerdere individuen werd gevolgd.

Overige soorten

bestemmingsplan Schinkelkwadrant Noord

54

In de betreffende woningen kunnen ook vogels zonder jaarrond beschermd nest broeden. Hiermee dient rekening te worden gehouden door buiten het broedseizoen of na een controle te werken.

Conclusie Binnen het plangebied zijn geen rust- en verblijfplaatsen van een vleermuissoort waargenomen. Overtreding van een verbodsbepaling van de Wet natuurbescherming met betrekking tot een vleermuissoort is uitgesloten. Er hoeft geen ontheffing te worden verkregen, noch zijn er enige ver-volgstappen noodzakelijk met betrekking tot deze soort(groep)en. In aangrenzende bebouwing zijn meerdere rust- en verblijfplaatsen van gewone dwergvleermuis aanwezig. Verlichting gericht of uitstralend op omliggende bebouwing dient te worden gemeden, zowel tijdens de werk-zaamheden als in de toekomstige situatie, om verstoring te voorkomen. Het verlichtingsplan dient te worden afgestemd met een ter zake kundige ecoloog. Wel dienen de volgende maatregelen in acht te worden genomen: De kap van het opgaand groen dient buiten het broedseizoen te worden uitgevoerd. Het broedseizoen loopt globaal van half maart t/m half augustus; Met betrekking tot de zorgplicht dienen eventueel aangetroffen dieren tijdens de werkzaamheden de kans te krijgen om het plangebied zelfstandig te verlaten. Bij soorten als egel en gewone pad kunnen de dieren met beleid verplaatst worden naar een veilige plek buiten het plangebied. 5.5.5 Onderzoek stikstofdepositie Het projectgebied ligt niet binnen de grenzen van een gebied dat aangewezen is als Natura 2000-gebied.

Het meest nabijgelegen Natura 2000-gebied, 'Geleenbeekdal' is gelegen op circa 600 meter ten noordwesten van het projectgebied. Indien er sprake zou zijn van een effect, betreft dit een extern effect, zoals toename van geluid, licht of depositie van stikstof. Mede gezien de afstand tot het projectgebied zijn externe effecten als licht en geluid uitgesloten. Aangezien de voorgenomen ontwikkeling de realisatie van circa 124 woningen betreft, kan een significante toename aan stikstofdepositie tijdens de aanlegfase en de gebruiksfase op omliggende Natura 2000-gebieden vanwege het planvoornemen niet op voorhand worden uitgesloten. Derhalve is het uitvoeren van een stikstofdepositieberekening benodigd.

Door De Roever is een stikstofdepositieberekening uitgevoerd. Het rapport is als Bijlage 9 toegevoegd aan onderhavige toelichting. Hierna worden de conclusies van het onderzoek weergegeven. Voor het volledige onderzoek wordt verwezen naar de rapportage.

Uit de berekeningen van de aanlegfase (voor zowel het eerste en tweede jaar als voor het derde en vierde jaar) en de gebruiksfase blijkt dat de stikstofdepositie op de stikstofgevoelige Natura 2000-gebieden niet hoger is dan 0,00 mol N/ha/jaar. Daarnaast blijkt uit de berekeningen van de aanlegfase (voor zowel het eerste en tweede jaar als voor het derde en vierde jaar) en de gebruiksfase dat de stikstofdepositie ter plekke van de eigen rekenpunten (de Belgische en Duitse Natura 2000-gebieden binnen een straal van 25 kilometer van het plangebied) ook niet hoger is dan 0,00 mol N/ha/jaar. Het aspect stikstofdepositie vormt daarmee geen belemmering voor het vaststellen van het plan.

5.5.6 Conclusie Het aspect 'natuurwaarden' vormt geen belemmering voor het plan.

bestemmingsplan Schinkelkwadrant Noord

55

5.6

Verkeer en parkeren

In deze paragraaf wordt ingegaan op de verkeersgeneratie van het plan, de ontsluiting van de functies en de parkeerbehoefte.

5.6.1 Verkeersgeneratie Voor het bepalen van de verkeersgeneratie is gebruik gemaakt van de CROW publicatie 317 'Kencijfers parkeren en verkeersgeneratie'. Deze is gebaseerd op de landelijk gehanteerde kencijfers. De verkeersgeneratie voor de beoogde 124 woningen bedraagt circa 380 mvt/etmaal.

Hierbij is uitgegaan van de volgende uitgangspunten: 108 huurappartementen in prijssegment midden/goedkoop (incl. sociale huur): De voornoemde CROW-publicatie geeft aan dat dergelijke huurappartementen in het centrum gekoppeld worden aan een verkeersgeneratie van 2,6 verplaatsingen per woning per etmaal. Bijgevolg leiden deze huurappartementen tot een extra verkeersgeneratie van 280,8 motorvoertuigen per etmaal.

16 koopwoningen/koopappartementen in prijssegment 'midden/hoog': Conform de voornoemde CROW-publicatie dient uitgegaan te worden van de kencijfers voor de categorie 'koop, tussen/hoek', hetgeen leidt tot verkeersgeneratiecijfer van 6,2 verplaatsingen per woning per etmaal. Voor appartementen geldt eveneens een verkeersgeneratie van 6,2 verplaatsingen per woning per etmaal. Bijgevolg leiden deze koopwoningen/koopappartementen tot een extra verkeersgeneratie van 99,2 motorvoertuigen per etmaal.

De ontsluiting van het plangebied vindt plaats via de Honigmannstraat - Schinkelstraat Geerstraat. Deze wegen kunnen de extra verkeersgeneratie zonder meer afwikkelen. Ter toelichting dient het volgende. De Schinkelstraat en Honigmannstraat zijn zogenoemde 'erfontsluitingswegen'. Voor erfontsluitingswegen geldt een maximale capaciteit van 4000 motorvoertuigen per etmaal. Blijkens het verkeersmodel is de huidige etmaalintensiteit 706 motorvoertuigen per etmaal. Met de toevoeging van de verkeersgeneratie ten gevolge van onderhavig plan bedraagt de totale intensiteit 706 (huidig) en 380 (plan) afgerond 1.100 motorvoertuigen per etmaal. Gelet op de maximale capaciteit van de Schinkelstraat en Honigmannstraat is er voldoende restcapaciteit (circa 2.900 motorvoertuigen) beschikbaar voor een goede en vlotte verkeersafwikkeling. De Geerstraat kwalificeert als een gebiedsontsluitingsweg waar een maximale intensiteit van 10.000 motorvoertuigen per etmaal voor geldt. De huidige verkeersintensiteit van 8.501 (huidig) gaat met de toevoeging van de verkeersgeneratie ten gevolge van onderhavig plan naar 8.881 motorvoertuigen per etmaal. Ook voor de Geerstraat geldt dat er nog voldoende restcapaciteit beschikbaar is om het verkeer op een goede en vlotte manier af te wikkelen.

5.6.2 Ontsluiting Ontsluiting van het plangebied vindt plaats via de Honigmannstraat en Schinkelstraat. Bewoners en bezoekers dienen, in geval van aanleg eigen parkeervoorzieningen, via de Honigmannstraat te rijden.

5.6.3

Parkeren

Auto Voor het in het bestemmingsplan opgenomen woningbouwprogramma geldt dat de parkeerbehoefte voor de maximaal 124 nieuwe woningen in totaal 83 parkeerplaatsen

bestemmingsplan Schinkelkwadrant Noord

56

bedraagt, gebaseerd op de Nota Mobiliteitsnormen Heerlen 2023. De in deze nota aangegeven parkeernorm voor een middelduur/ goedkoop (incl. sociale huur) huurappartement in het centrum bedraagt 0,6 parkeerplaats per woning x 108 woningen en voor een middeldure koopwoning 1,1 parkeerplaats per woning x 16 woningen hetgeen resulteert in afgerond 83 parkeerplaatsen. De genoemde normering is inclusief een bezoekersnorm van 0,1 parkeerplaats per woning. Daarnaast is er binnen 200 meter van de projectlocatie hoogwaardig openbaar vervoer (HOV) aanwezig, waardoor het aantal parkeerplaatsen met 20 procent kan worden gereduceerd. Dit resulteert in een totale parkeereis van 67 parkeerplaatsen. Hoewel het algemene uitgangspunt is dat de parkeereis van een ontwikkeling volledig binnen het plangebied op eigen terrein beschikbaar is, geldt die verplichting niet voor het centrum. Deze parkeerplaatsen mogen conform het vigerende parkeerbeleid op eigen terrein of (gedeeltelijk) in parkeergarages en private terreinen buiten het plangebied worden opgevangen.

De parkeerbehoefte van dit plan wordt volledig op eigen terrein binnen het plangebied opgevangen.

Binnen het plangebied worden op eigen terrein 22 parkeerplaatsen gerealiseerd. De overige 45 parkeerplaatsen worden, volgens afspraken tussen ontwikkelaar en gemeente, eveneens op eigen terrein binnen het plangebied opgevangen. Beoogd zijn de private parkeerplaatsen van de naastgelegen Geerflat met een beschikbare capaciteit van 108 parkeerplaatsen op een loopafstand van maximaal 100 meter. Voor zover zou blijken dat vorenstaande niet afdoende blijkt te zijn, volgt uit onderzoek dat er binnen een maximale loopafstand van 400 meter in de parkeergarages een groot overschot aan parkeercapaciteit aanwezig is die ingevuld kan worden door de parkeerbehoefte die ontstaat bij de verschillende (woon)ontwikkelingen, voor zover 'de voorraad aan parkeerplaatsen strekt' (dit wordt structureel gemonitord).

Fiets Met betrekking tot het fietsparkeren ziet het Bouwbesluit er op toe dat er dat er een minimaal benodigde oppervlaktemaat aan stallingsruimte wordt gereserveerd. Per appartement dient, conform het facetbestemmingsplan 'Stedenbouwkundige bepalingen', een stallingsruimte voor twee fietsen voorzien te zijn. Voor rij- en vrijstaande woningen geldt een norm van 5 fietsen per woning. In de appartementencomplexen wordt op de begane grond, dan wel in de kelder, fietsparkeerplaatsen mogelijk gemaakt. Voor de grondgebonden woningen worden bergingen gerealiseerd waarin fietsparkeerplaatsen zijn beoogd.

5.7

Luchtkwaliteit

In de Wet milieubeheer (Wm) zijn in hoofdstuk 5 onder titel 2 eisen ten aanzien van luchtkwaliteit opgenomen. Daarmee hangen de volgende besluiten en regelingen samen: Besluit gevoelige bestemmingen Besluit 'Niet in betekenende mate' (NIBM) Regeling 'Niet in betekenende mate' (NIBM) Deze wet- en regelgeving omvat maatregelen om aan de ene kant de uitstoot van schadelijke stoffen te beperken en aan de andere kant te voorkomen dat mensen langdurig worden blootgesteld aan verontreiniging.

bestemmingsplan Schinkelkwadrant Noord

57

5.7.1 Besluit gevoelige bestemmingen Conform artikel 5.16a van de Wm kunnen bij Algemene Maatregel van Bestuur (AMvB) nadere regels worden gesteld om te voorkomen dat bij een (dreigende) overschrijding van één of meerdere grenswaarden projecten doorgang vinden die ertoe leiden dat het aantal blootgestelden met een verhoogde gevoeligheid toeneemt. In dit kader is het Besluit gevoelige bestemmingen (Besluit) opgesteld. Het Besluit beperkt de mogelijkheden om ruimtelijke ontwikkelingen uit te voeren in overschrijdingssituaties voor zogenaamde 'gevoelige bestemmingen'. Tot die gevoelige bestemmingen worden scholen, kinderopvang en bejaarden-, verpleeg- of verzorgingshuizen gerekend. In het Besluit is aangegeven dat moet worden onderzocht of op een locatie sprake is van een daadwerkelijke of een dreigende overschrijding van de grenswaarden, indien de locatie is gelegen binnen 300 meter vanaf Rijkswegen of binnen 50 meter vanaf provinciale wegen.

De planlocatie ligt niet binnen de 50 meter contour van de N281. Daarom is het Besluit gevoelige bestemmingen niet van toepassing en vormt het geen beperking voor de ontwikkeling.

5.7.2 Niet in betekenende mate (NIBM) De wet stelt bij een (dreigende) grenswaardenoverschrijding aanvullende eisen en beperkingen voor ruimtelijke plannen die "in betekenende mate" (IBM) leiden tot verslechtering van de luchtkwaliteit. Daarnaast moet uit het oogpunt van een goede ruimtelijke ordening afgewogen worden of het aanvaardbaar is het plan op deze plaats te realiseren. Hierbij speelt de blootstelling aan luchtverontreiniging een rol, ook als het plan "niet in betekende mate" (NIBM) bijdraagt aan de luchtverontreiniging.

Op 1 augustus 2009 is het nationaal samenwerkingsprogramma luchtkwaliteit (NSL) in werking getreden. Hierdoor dient bij plannen die de luchtkwaliteit beïnvloeden niet langer te worden uit gegaan van de normen uit de interim-periode. Nu het NSL in werking is getreden is een project NIBM, als aannemelijk is dat het project een toename van de concentratie veroorzaakt van maximaal 3%.

De 3% grens wordt gedefinieerd als 3% van de grenswaarde voor de jaargemiddelde concentratie van fijnstof (PM10) of stikstofdioxide (NO2). Dit komt overeen met 1,2 microgram/m3 voor zowel fijnstof en NO2. Als de 3% grens voor PM10 of NO2 niet wordt overschreden, dan hoeft geen verdere toetsing aan grenswaarden plaats te vinden.

5.7.3 Regeling NIBM Binnen de getalsmatige grenzen van de Regeling NIBM draagt een project altijd niet in betekenende mate bij aan een verslechtering van de luchtkwaliteit. Voor woningen gelden in de Regeling NIBM de volgende getalsmatige grenzen:

Woningen (maximaal)

Minimaal 1 ontsluitingsweg

Minimaal 2 ontsluitingswegen

3%-norm

3%-norm

1.500

3.000

Bij de voorgenomen ontwikkeling is er slechts sprake van de realisatie van maximaal 124 woning, waarmee binnen het 3% criterium van de NIBM-grens gebleven wordt. De voorgenomen ontwikkeling draagt hierdoor 'niet in betekenende mate' (NIBM) bij aan de luchtkwaliteit. Desondanks is volledigheidshalve voor de ontwikkeling de bijdrage aan een verslechtering van de luchtkwaliteit in beeld gebracht. Hiervoor is gebruikt gemaakt van de NIBM-tool van het Ministerie van Infrastructuur & Milieu. In deze tool dient het extra aantal verkeersbewegingen ten opzichte van de bestaande situatie te worden ingevoerd, waarbij dient te worden uitgegaan van het weekdaggemiddelde. De verkeersgeneratie is bepaald op basis van de CROW-rekentoor 'Kencijfers parkeren en verkeersgeneratie':

bestemmingsplan Schinkelkwadrant Noord

58

Uit deze berekening kan worden geconcludeerd dat de bijdrage van het extra verkeer in niet betekenende mate bijdraagt aan de luchtverontreiniging en er geen nader onderzoek noodzakelijk is. De luchtkwaliteitseisen zoals aangegeven in artikel 5.16 lid 1 onder c Wet milieubeheer leveren derhalve geen beperkingen op voor de ontwikkeling.

5.7.4 Achtergrondwaarden In het kader van een goede ruimtelijke ordening dient te worden bezien of de luchtkwaliteit ter plaatse goed genoeg is om een goed woon- en leefmilieu te kunnen waarborgen. Volgens de kaarten van het planbureau voor de leefomgeving bedraagt de concentratie PM10 ter plaatse onder de 14 µg/m³, de concentratie PM2,5 tussen de 6-8 µg/m³ en de concentratie NO 2 tussen 10-15 µg/m³. In de Wet milieubeheer is de jaargemiddelde grenswaarde voor PM10 en NO 2 40 µg/m³ en is de jaar gemiddelde grenswaarde voor PM2,5 25 µg/m³. Volgens de kaarten van het planbureau voor de leefomgeving is de luchtkwaliteit ter plaatse dus goed te noemen. De luchtkwaliteitseisen zoals aangegeven in artikel 5.16 lid 1 onder a Wet milieubeheer leveren daarom geen beperkingen op voor de ontwikkeling. Conclusie Met de vaststelling van dit bestemmingsplan worden geen wettelijke eisen ten aanzien van luchtkwaliteit overschreden.

5.8

Externe veiligheid

5.8.1 Nationaal beleidskader Externe veiligheid beschrijft de risico's die ontstaan als gevolg van de opslag van of handelingen met gevaarlijke stoffen. Dit kan betrekking hebben op inrichtingen (bedrijven) of transportroutes. Op beide categorieën is landelijke wet- en regelgeving van toepassing. In de landelijke regelgeving zijn kwaliteitseisen en normen op het gebied van externe veiligheid geformuleerd. Doel is om bepaalde risico's, waaraan burgers in hun leefomgeving worden blootgesteld, tot een aanvaardbaar minimum te beperken. Deze bedoelde risico's hangen vooral samen met: activiteiten met gevaarlijke stoffen in inrichtingen; transport van gevaarlijke stoffen door buisleidingen;

bestemmingsplan Schinkelkwadrant Noord

59

transport van gevaarlijke stoffen over de weg, spoor en water. Ook zijn er onder meer landelijke regels voor de opslag en verkoop van vuurwerk. Verder wordt bij de plaatsing van windmolens tegenwoordig ook de externe veiligheid in ogenschouw genomen. De risico's voor externe veiligheid komen tot uitdrukking via het plaatsgebonden risico (PR) en het groepsrisico (GR). Voor het groepsrisico geldt een verantwoordingsplicht. Afhankelijk van de ruimtelijke ontwikkeling en beschikbare gegevens is deze beperkt of ruim van opzet. 5.8.1.1

Plaatsgebonden risico

Het plaatsgebonden risico (PR) is de kans, per jaar, op overlijden van een onbeschermd individu ten gevolge van ongevallen met gevaarlijke stoffen. De aanwezigheid van een persoon is fictief. Niet wordt beoordeeld hoe groot de kans op de aanwezigheid van een persoon feitelijk is. Het PR kan op de kaart van een gebied worden weergeven met zogeheten risicocontouren: lijnen die punten verbinden met eenzelfde PR. Via het PR wordt een basisbeschermingsniveau gewaarborgd. 5.8.1.2

Groepsrisico

Het groepsrisico (GR) is een maat voor de kans per jaar dat een groep van bijvoorbeeld 10, 100 of 1000 personen het slachtoffer wordt van een ongeval met gevaarlijke stoffen. Het GR wordt ook beschouwd als een maat voor de maatschappelijke ontwrichting. Bij het GR wordt wel beoordeeld hoeveel personen zich, redelijkerwijs, feitelijk in de omgeving kunnen bevinden. Voor het GR geldt geen grenswaarde, maar een oriëntatiewaarde. Dit is een ijkwaarde waaraan veranderingen getoetst kunnen worden. Deze oriëntatiewaarde mag overschreden worden, mits goed beargumenteerd door het bevoegd gezag. Deze argumentatie is een onderdeel van de verantwoording van het groepsrisico. Voor het bevoegd gezag geldt een verantwoordingsplicht, wanneer binnen het invloedsgebied van een risicobron kwetsbare en/of beperkt kwetsbare objecten via het bestemmingsplan worden toegelaten. Dit betreft ook de al bestaande (beperkt) kwetsbare objecten, zoals al gebouwde woningen. Een risicobron is bijvoorbeeld een buisleiding die wordt gebruikt voor het transport van gevaarlijke stoffen. Met het invloedsgebied wordt gedoeld op het gebied waarbinnen minimaal 1% van de aanwezige personen overlijdt als gevolg van een calamiteit met gevaarlijke stoffen ter plaatse van de risicobron. Het invloedsgebied van een risicobron is soms vastgelegd in de wet.

In de andere gevallen kan het worden berekend aan de hand van vastgelegde rekenregels. De verantwoording van het groepsrisico is één van de onderdelen van een goede ruimtelijke ordening. De omvang en diepgang van de verantwoording is daarbij afhankelijk van de gevolgen voor het groepsrisico. Dit wordt per bestemmingsplan beoordeeld.

5.8.2 Externe veiligheid inrichtingen Het huidige beleid voor inrichtingen (bedrijven) is opgenomen in het 'Besluit externe veiligheid inrichtingen' (Bevi). Ter uitvoering van het Bevi geldt de 'Regeling externe veiligheid inrichtingen' (Revi). Hierin zijn aan te houden afstanden opgenomen voor zogenaamde categoriale inrichtingen. Daarnaast zijn in het Revi regels opgenomen voor de berekening van de aan te houden afstanden voor de niet-categoriale inrichtingen.

5.8.3 Externe veiligheid buisleidingen Voor het transport van gevaarlijke stoffen door buisleidingen geldt het 'Besluit externe veiligheid buisleidingen' (Bevb). De aanwijzing van buisleidingen, de risicoafstanden en de aanwijzing van de rekenmethodiek zijn opgenomen in de 'Regeling externe veiligheid buisleidingen' (Revb). De toetsingssystematiek uit het Bevi wordt ook toegepast bij buisleidingen.

bestemmingsplan Schinkelkwadrant Noord

60

5.8.4 Externe veiligheid transport Het beleid voor het transport van gevaarlijke stoffen over de weg, via het spoor en via het water staat beschreven in het Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt). Hierin is het 'Basisnet vervoer gevaarlijke stoffen' verankerd. Het primaire doel van dit basisnet is het creëren van een plafond voor het vervoer van gevaarlijke stoffen over Rijkswegen, hoofdvaarwegen en spoorwegen. Aan de hand van deze maximale vervoerstromen van gevaarlijke stoffen kunnen de externe veiligheidsrisico's worden bepaald.

5.8.5 Gemeentelijk beleid In de 'Beleidsregel voor externe veiligheid 2011-2015' heeft de gemeente Heerlen het beleid voor externe veiligheid geformuleerd. Dit beleid is op 1 november 2011 door de gemeenteraad vastgesteld. Het doel van het externe veiligheidsbeleid van de gemeente Heerlen is het behouden van een verantwoord en aanvaardbaar veiligheidsniveau. Het beleid in deze nota leidt tot het beperken van de risico's van de bronnen waar dat nodig is. Dit beleid kan worden doorgevoerd in de gemeentelijke structuurvisie en bestemmingsplannen.

Het gevolg van dit beleid is dat bepaalde bedrijven, die zijn gevestigd op locaties waar dat op grond van dit beleid ongewenst is, zullen worden beperkt in hun mogelijkheden. Ook zal de ontwikkeling van bepaalde gebieden anders moeten worden beoordeeld vanwege de aanwezige risico's. Dit beleid zal ertoe leiden dat op de langere termijn in Heerlen de risico's door het gebruik en de toepassing van gevaarlijke stoffen binnen aanvaardbare grenzen kunnen blijven. Het beleid is niet bedoeld als een keurslijf. Het biedt een afwegingskader om optimaal met externe veiligheid in samenspel met andere belangen en andere instanties rekening te houden.

5.8.6 Quickscan externe veiligheid Aan de hand van de risicokaart (zie: www.risicokaart.nl) en het geldende bestemmingsplan, en de Regeling Basisnet zijn externe veiligheidsrisico's beoordeeld. De resultaten van deze beoordeling zijn opgenomen in de QuickScan Externe veiligheid Schinkelkwartier Noord te Heerlen, opgesteld door Kragten, welkeis opgenomen in Bijlage 10.

Transport over het water Het plangebied ligt niet binnen het invloedsgebied van waterwegen. De risico's als gevolg van de transporten met gevaarlijke stoffen over het water vormen geen aandachtspunt voor de planlocatie. Een verantwoordingsplicht is derhalve niet aan de orde.

Transport over de weg Het plangebied ligt niet binnen een PR 10 -6 risicocontour of PAG van een weg waarover gevaarlijke stoffen worden getransporteerd. Op grond van de stoffen die over de rijksweg A76 getransporteerd worden, ligt een plangebied binnen het invloedsgebied van deze weg. De risico's als gevolg van het transport van gevaarlijke stoffen voer de weg (toxisch scenario) dienen meegenomen te worden in een beperkte verantwoording van het groepsrisico.

Transport over het spoor Op een afstand van circa 190 meter tot de grens van het plangebied is spoorlijn Sittard aansl. - Heerlen (traject 380) gelegen. Over dit traject vindt transport van gevaarljke stoffen plaats. Deze spoorlijn is opgenomen in het Basisnet spoor. Er is voor dit spoortraject geen sprake van een PR 10 -6 risicocontour of van PAG. Over de spoorlijn worden brandbare gassen vervoerd, waardoor het plangebied binnen het invloedsgebied van de spoorlijn ligt. Uit een eerder uitgevoerde RBMII-berekening voor "Cityplan" waarvan het Schinkelkwadrant Noord onderdeel uitmaakt, is gebleken dat zowel in de huidige als in de berekende toekomstige situatie sprake is van een groepsrisico dat groter is dan de oriëntatiewaarde. De risico's als gevolg van het transport van gevaarlijke stoffen over het spoor (BLEVE-scenario) dienen meegenomen te worden in een uitgebreide

bestemmingsplan Schinkelkwadrant Noord

61

verantwoording van het groepsrisico.

Buisleidingen Het plangebied ligt niet binnen de 1% letaliteitsastand van ene buisleiding. De risico's als gevolg van de tranpsorten met gevaarljke stoffen door buisleidingen vormen geen aandachtspunt voor de planlocatie. Een verantwoordingsplicht is derhalve niet aan de orde.

Inrichtingen Het plangebied bevindt zich niet binnen een invloedsgebied van een risicovolle inrichting in de omgeving. de risico's als gevolg van inrichting in de omgevingen vormen gene aandachtspunt voor de planvorming waardoor een verantwoordingsplicht niet aan de orde is.

5.8.7

Verantwoording groepsrisico

Door Kragten is een verantwoording groepsrisico opgesteld. De volledige verantwoording is als Bijlage 11 opgenomen aan onderhavige toelichting.

Algemene beschouwing Personendichtheid binnen invloedsgebied Het plangebied is gelegen binnen het invloedsgebied van de A76 en de spoorlijn Sittard aansl. – Heerlen. Als gevolg van de toekomstige ontwikkeling wijzigen de personenaantallen binnen het invloedsgebied. Conform informatie van de gemeente Heerlen wordt 9.100 m² kantoorbestemming gesloopt. Op grond van het kengetal voor kantoren (1 persoon per 30 m²), zijn in de huidige situatie 303 personen in de dagperiode aanwezig. In de toekomstige situatie worden 124 woningen gerealiseerd. Conform het kengetal voor wonen van 2,4 personen per woning, met een aanwezigheid van 50% in de dagperiode en 100% in de nachtperiode, zijn in de dagperiode circa 149 personen aanwezig en in de nachtperiode circa 298 personen. De reeds 124 bestaande woningen en 1.200 m² kantoorbestemming blijven gehandhaafd. De planvorming leidt tot een afname van het aantal personen in de dagperiode, maar een toename in de nachtperiode.

Maatgevende scenario's Als gevolg van vervoer van gevaarljke stoffen over de weg en het spoor dient binnen de planlocatie rekening gehouden te worden met verschillende scenario's.

BLEVE-scenario Een BLEVE is een afkorting voor "Boiling Liquid Expanding Vapour Explosion" (kokende vloeistofgasexpansie-explosie). Er bestaat een koude en een warme BLEVE. Bij een koude BLEVE explodeert de tank meteen. Bij een warme BLEVE explodeert de tank als gevolg van een brandhaard.

bestemmingsplan Schinkelkwadrant Noord

62

Toxisch scenario Toxische vloesitoffen en gassen kunnen vrijkomen als de tankwagen, of container met toxische stoffen het begeeft als gevolg van bijvoorbeeld een incident. Hierbij komen de toxische stoffen vrij in de vorm van een plas of een wolk. Bij een toxische plas zal deze vervolgens (gedeeltelijk) verdampen, waarbij een toxische wolk wordt gevormd. Afhankelijk van de windrichting en de weersomstandigheden kan de toxische wolk richting het plangebied drijven.

Noodzaak ruimtelijke ontwikkeling De gemeente Heerlen heeft de ambitie uitgesproken om de woonfunctie van het centrum te versterken. De regio heeft een sterk centrum nodig om te anticiperen op demografische ontwikkelingen als krimp en vergrijzing en economische ontwikkelingen als terugloop van het winkel- en kantorenareaal. De gemeente Heerlen zet al sedert jaren in op het stimuleren van wonen in de stad. De invulling van het plan voorziet in de huidige woonbehoefte voor bewoners van jong tot oud. De ombouw van panden met kantoor- en winkelfuncties tot woonvoorzieningen, bestrijdt leegstand en biedt nieuwe noodzakelijke impulsen voor het centrum op gebied van levendigheid, aantrekkelijkheid en duurzaamheid. Het onbenut laten van deze kansen zou de kracht van het centrum en daarmee van de regio uithollen.

Bestrijdbaarheid/beheersbaarheid De beheersbaarheid is afhankelijk van de inzetbaarheid van hulpverleningsdiensten. De brandweer moet in staat zijn om haar taken goed uit te kunnen voeren om daarmee verdere escalatie van een incident te voorkomen. Hierbij kan gedacht worden aan het voldoende/adequaat aanwezig zijn van aanvalswegen en bluswatervoorzieningen, maar ook de brandweerzorgnorm wordt hier onder geschaard. Hierbij hanteert de regionale brandweer richtlijnen zoals beschreven in de publicatie “Handleiding bluswatervoorziening en bereikbaarheid” van brandweer Nederland. Uit bovengenoemde handleiding volgt het advies dat het plangebied en de risicobronnen goed bereikbaar moeten zijn voor de hulpverleningsdiensten via twee van elkaar onafhankelijke aanvalswegen, waardoor in geval van calamiteiten het plangebied en de risicobronnen goed bereikbaar zijn. De risicobronnen en het plangebied zijn vanuit verschillende windrichtingen bereikbaar. Opgemerkt wordt dat de vaststelling van het bestemmingsplan geen invloed heeft op de bereikbaarheid en bluswatervoorziening ter plaatse van de risicobronnen. Door de Veiligheidsregio is aangegeven dat het planlocatie bereikbaar is via twee onafhankelijk routes. Daarnaast zal het binnenterrein van het plangebied bereikbaar en geschikt zijn voor het opstellen van voertuigen van hulpverleningsdiensten.

Zorgnorm De brandweerzorgnorm is een aanbevolen opkomsttijd die afhankelijk is van het soort object en de risico's voor de aanwezige personen. De opkomsttijd bestaat uit een optelsom van de uitruktijd en de aanrijd. De uitruktijd betreft de tijd die men nodig heeft vanaf het alarmeren totdat men gereed is om te vertrekken naar de plaats van het incident. De uitruktijd voor een beroepskorps ligt lager dan die van een vrijwillig korps omdat de beroepsmedewerkers zich in de directe nabijheid van de kazerne bevinden. Uitgangspunt is dat het brandweerkorps binnen de wettelijke opkomsttijd aanwezig is.

Bestrijdbaarheid per scenario Een koude BLEVE is niet te bestrijden omdat de tankwagen of container meteen explodeert. Gezien de snelle ontwikkeltijd zijn er geen mogelijkheden voor bronbestrijding en primaire effectbestrijding. De effectbestrijding zal daarom gericht zijn op het bestrijden van secundaire branden. Voor het voorkomen van een warme BLEVE dient een aangestraalde tankwagen tijdig te worden gekoeld en de brandhaard te worden geblust. Hiervoor dient voldoende bluswater nabij de risicobron aanwezig te zijn. Bij een ongeval met toxische gassen en vloestoffen kan de brandweer, afhankelijk van de

bestemmingsplan Schinkelkwadrant Noord

63

stofintensiteit en het groeiscenario, optreden door de gaswolk neer te slaan of te verdunnen/ op te nemen met water. Hiertoe dienen voldoende bluswatervoorziening nabij de risicobron aanwezig te zijn. De aanwezigheid van bluswatervoorzieningen binnen het plangebied is van belang indien een toxische wolk richting het plangebied drijft. Ook ten aanzien van de bereikbaarheid is bij een toxisch scenario met name de bereikbaarheid van de risicobron maatgevend. De inrichting van het plangebied heeft geen invloed op de bereikbaarheid en de bluswatervoorzieningen ter plaatse van de risicobron.

Zelfredzaamheid Zelfredzaamheid is het zichzelf kunnen onttrekken aan een dreigend gevaar, zonder daadwerkelijke hulp van hulpverleningsdiensten. De mogelijkheden voor zelfredzaamheid bestaan globaal uit schuilen en ontvluchten.

Mobiliteit van de aanwezigen Binnen het plangebied worden geen nieuwe functies mogelijk gemaakt die specifiek gericht zijn op minder zelfredzame personen. Dit betekent dat personen zich bij een eventuele dreigende situatie op eigen kracht in veiligheid kunnen brengen danwel met hulp van valide personen in veiligheid gebracht kunnen worden.

Mogelijkheden voor ontvluchting/schuilen per scenario Bij incidenten zal een afweging gemaakt worden moeten worden tussen schuilen of vluchten. Binnen het invloedsgebied van een BLEVE-scenario is vluchten het uitgangspunt waarbij gerealiseerd dient te worden dat indien daadwerkelijk een BLEVE dreigt, de vluchttijd bijzonder kort is. In geval van een calamiteit is een vroegtijdige alarmering van levensbelang om ervoor te zorgen dat de aanwezigen veilig kunnen vluchten. Tussen het plangebied en het spoor zijn grote bouwvolumes aanwezig, waardoor sprake is van afscherming van de bron. Daarnaast is het mogelijk om inpandig, afzijdig van de bron, te vluchten naar het binnenterrein. Vervolgens is het vanuit het plangebied mogelijk om afgeschermd door omringende bebouwing te vluchten. Bij een toxische wolk kunnen mensen komen te overlijden als gevolg van blootstelling aan de toxische stof. Of mensen daadwerkelijk komen te overlijden is afhankelijk van de dosis, die bestaat uit de blootstellingsduur en de concentratie waaraan de persoon is blootgesteld. Aangenomen wordt dat de personen die zich in een van de buitenlucht afgesloten ruimte bevinden een 10 keer zo lange kans hebben te overlijden als personen die zich bevinden in de buitenlucht (PGS3).

Het beste advies bij het vrijkomen van een toxische wolk als gevolg van een incident op de weg of het spoor is schuilen, mits ramen, deuren en ventilatie kunnen worden gesloten. Om personen goed te kunnen beschermen tegen de effecten van een giftige gaswolk dienen ramen en deuren dan ook goed gesloten te kunnen worden. Aangezien de woningen nieuw gerealiseerd worden, zal hier voldoende aandacht zijn voor luchtdichtheid op grond van de vigerende bouwregelgeving. Aanwezige luchtbehandelingsinstallaties moeten met één handeling zijn uit te schakelen. De luchtinlaat dient niet aan de zijde van het spoor en de A76 voorzien te worden. Indien desalniettemin bij een toxische wolk wordt besloten het gebied te ontruimen, is het van belang dat personen haaks op de wolk kunnen vluchten. Hiervoor is het nodig dat er haaks op elkaar staande vluchtwegen beschikbaar zijn, die van de bron af gericht zijn. De bestaande wegenstructuur biedt voldoende mogelijkheden om haaks op de wolk te kunnen vluchten.

Risicocommunicatie In zijn algemeenheid kan worden gesteld dat de zelfredzaamheid kan worden verbeterd door maatregelen zoals een waarschuwings- en alarmeringssysteem en risicocommunicatie (hoe te handelen bij een incident, gebaseerd op de eerder genoemde scenario’s). In geval van een calamiteit is het van levensbelang dat de aanwezigen tijdig gewaarschuwd worden. Vluchtroutes dienen zichtbaar en duidelijk te worden aangeduid. Ten aanzien van de kantoorfunctie is het opstellen van een bedrijfsnoodplan en de

bestemmingsplan Schinkelkwadrant Noord

64

bedrijfshulpverlening inrichten en oefenen op het beschreven scenario interne maatregelen die de zelfredzaamheid verhogen. In het ontruimingsplan (dit maakt onderdeel uit van het bedrijfsnoodplan) dient onder andere te worden beschreven: wie de organisatie van het evacueren begeleidt; de verantwoordelijkheden; waar de verzamelplaats is; de organisatie op de verzamelplaats; wie zorg draagt voor alarmering; Het ontruimingsplan dient opgesteld te worden in samenspraak met de brandweer. Daarnaast dienen ontruimingsoefeningen te worden gedaan waarbij de frequentie hiervan in overleg met de brandweer kan worden vastgesteld.

De invulling van de risicocommunicatie dient conform de Wet veiligheidsregio’s door het bestuur van de Veiligheidsregio uitgevoerd te worden. De Veiligheidsregio ondersteunt en adviseert hierin de gemeenten in voorbereiding op een alarmering bij rampen. In het regionaal beleidsplan dient uitgewerkt te zijn hoe binnen de regio aan risicocommunicatie vorm gegeven wordt.

5.9

Technische infrastructuur

Volgens het vigerende bestemmingsplan en de kaarten van de Gasunie, zijn binnen het plangebied en de directe omgeving geen kabels of leidingen met een planologische beschermingszone gelegen, die een belemmering zouden kunnen vormen voor de beoogde ontwikkeling.

5.10

Bedrijfshinder

Om te komen tot een ruimtelijk relevante toetsing van bedrijfsvestigingen op milieuhygienische aspecten wordt het begrip milieuzonering gehanteerd. Onder milieuzonering wordt verstaan het waar nodig zorgen voor een voldoende ruimtelijke scheiding tussen enerzijds bedrijven of overige milieubelastende functies en anderzijds milieugevoelige functies zoals woningen. Bij de planontwikkeling dient rekening gehouden te worden met milieuzoneringen om zodoende de kwaliteit van het woon- en leefmilieu te handhaven en te bevorderen en daarnaast bedrijven voldoende zekerheid te bieden dat zij hun activiteiten duurzaam binnen aanvaardbare voorwaarden kunnen uitvoeren. Bij de milieuzonering wordt gebruik gemaakt van de door de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG) opgestelde publicatie 'Bedrijven en milieuzonering'.

5.10.1 Scheiding van functies versus functiemenging Scheiding van milieubelastende en milieugevoelige functies met behulp van milieuzonering is in de omgeving van sterk milieubelastende activiteiten zonder meer noodzakelijk. Een vergaande scheiding van functies kan echter ook leiden tot inefficiënt ruimtegebruik en een verlies aan ruimtelijke kwaliteit. Een gemengd gebied met een mix van wonen en werken, winkels en horeca stimuleert een levendig straatbeeld, een hogere sociale veiligheid en extra draagvlak voor voorzieningen. Vanuit het oogpunt van efficiënt ruimtegebruik verdient het de voorkeur om functiescheiding niet verder door te voeren dan met het oog op een goed woon- en leefklimaat noodzakelijk is.

bestemmingsplan Schinkelkwadrant Noord

65

5.10.2 Richtafstandenlijsten De twee belangrijkste bouwstenen voor milieuzonering zijn de twee richtafstandenlijsten in bijlage 1 van de VNG-publicatie. Voor een scala aan milieubelastende activiteiten (lijst 1) en opslagen en installaties (lijst 2) zijn richtafstanden aangegeven ten opzichte van een rustige woonwijk. In de lijsten wordt onderscheid gemaakt naar richtafstanden voor de ruimtelijk relevante milieuaspecten geur, stof, geluid en gevaar. De grootste van deze vier richtafstanden is bepalend voor de indeling van een activiteit in een milieucategorie. Daarbij omvat categorie 1 de lichtste en categorie 6 de zwaarste vormen van bedrijvigheid. De richtafstanden gaan uit van gemiddeld moderne bedrijven. Indien bekend is welke activiteiten concreet worden beoogd of aanwezig zijn, kan gemotiveerd worden uitgegaan van de daadwerkelijk te verwachten milieubelasting (in plaats van de richtafstanden).

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Heerlen&id=5e03d2c9-878d-4c1f-937a-dcfa5db45f61