NL.IMRO.0917.BP030500W000008-0401_Bijlagen bij de toelichting
Tekst van het document
in of nabij het plangebied zijn geen inrichtingen gelegen waarvan de bijbehorende plaatsgebonden risicocontouren tot in het plangebied reiken. Een nadere beoordeling is derhalve niet aan de orde;
bestemmingsplan Cityplan Heerlen
74
2.
3.
4.
in of nabij het plangebied zijn geen leidingen met vervoer van gevaarlijke stoffen gelegen waarvan de bijbehorende plaatsgebonden risicocontouren tot in het plangebied reiken. Een nadere beoordeling is derhalve niet aan de orde; het plangebied omvat de N281 (gedeelte tracé Keulseweg - knooppunt Bocholtz). Dit tracé vormt geen onderdeel van de basisnetroute voor vervoer van gevaarlijke stoffen. Uit informatie van de risicokaart blijkt dat de plaatsgebonden risicocontour van dit tracé op het tracé zelf ligt. Een nadere beoordeling is dan ook niet aan de orde; het plangebied omvat een gedeelte van de spoorlijn Sittard-Herzogenrath. Over dit traject worden brandbare gassen vervoerd. Het plaatsgebonden risico ligt op de spoorlijn zelf. In het Basisnet is vastgelegd dat de plaatsgebonden risicocontour van dit spoortraject niet hoger mag zijn dan 10- 6 zodat er geen aanleiding bestaat deze constatering aan te passen.
Geconcludeerd kan worden dat het aspect externe veiligheid in relatie tot het plaatsgebonden risico geen belemmering vormt voor onderhavig bestemmingsplan. Het plaatsgebonden risico staat dan ook niet in de weg aan de vaststelling van het bestemmingsplan Cityplan Heerlen.
4.8.4
Beoordelinggroepsrisico
Aan de hand van de risicokaart (zie: www.risicokaart.nl), het geldende bestemmingsplan, de studie 'Externe veiligheid: invloedsgebiedenkaart gemeente Heerlen voor de ruimtelijke ordening' (AVIV, projectnummer 142686 d.d. 26.11.2014) en de Regeling Basisnet is het groepsrisico in beeld gebracht. Hieruit kunnen de volgende conclusies worden getrokken: 1. 2.
3.
het plangebied bevindt zich niet binnen het invloedsgebied van inrichtingen dan wel leidingen met vervoer gevaarlijke stofffen; het invloedsgebied van de in het plangebied gelegen N281 bedraagt 355 meter (1%-letaliteitsgrens). Tevens is het plangebied binnen 200 meter van de N281 gelegen. Op basis van de risicokaart kan worden geconcludeerd dat het groepsrisico van de N281 ter plaatse tussen 0,1 en 0,3 maal de oriënterende waarde bedraagt. Deze gegevens noodzaken tot een verantwoording van het groepsrisico; het invloedsgebied van de in het plangebied gelegen spoorlijn Sittard-Herzogenrath bedraagt 460 meter (1%-letaliteitsgrens) en reikt daarmee tot het in het plangebied. De GR10- 8 bedraagt ter plaatse 153 meter. Het groepsrisico is lager dan de oriënterende waarde en in het Basisnet is het vervoer begrensd. Deze gegevens noodzaken tot een verantwoording van het groepsrisico.
Indien nader onderzoek aanleiding geeft tot de verantwoording van het groepsrisico moet deze verantwoording worden uitgevoerd voor de transportroutes, met in achtneming van de spelregels uit het Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt). Samengevat luiden deze spelregels als volgt: 1.
2.
3.
Voor zover het gebied ligt binnen het invloedsgebied van een weg, spoorweg of binnenwater waarover gevaarlijke stoffen worden vervoerd wordt in de toelichting van het bestemmingsplan ingegaan op: a. de mogelijkheden tot voorbereiding van bestrijding en beperking van de omvang van een ramp op die weg, spoorweg of binnenwater; b. voor zover het plan betrekking heeft op nog niet aanwezige (beperkt) kwetsbare objecten: de mogelijkheden voor personen om zich in veiligheid te brengen indien zich op die weg, spoorweg of binnenwater een ramp voordoet. Indien het bestemmingsplan is gelegen binnen 200 meter van een transportroute, wordt in de toelichting tevens ingegaan op: a. de dichtheid van personen in het invloedsgebied van de transportroute rekening houdende met de reeds aanwezige personen en de op basis van het geldende bestemmingsplan te verwachten personen alsmede de als gevolg van het bestemmingsplan te verwachten verandering van de dichtheid van personen; b. het groepsrisico op het tijdstip waarop het plan wordt vastgesteld en de bijdrage van de in dat plan toegelaten (beperkt) kwetsbare objecten aan de hoogte van het groepsrisico, vergeleken met de oriëntatiewaarde; c. de maatregelen ter beperking van het groepsrisico die bij de voorbereiding van het plan zijn overwogen, waaronder de stedenbouwkundige opzet en voorzieningen m.b.t. de inrichting van de openbare ruimte; d.
de mogelijkheden voor ruimtelijke ontwikkelingen met een lager groepsrisico;. Het gestelde onder 2 kan buiten toepassing blijven indien bij de vaststelling van het bestemmingsplan kan worden aangetoond dat: a. het groepsrisico, gelet op de dichtheid van personen, niet hoger is dan 0,1 maal de oriëntatiewaarde, of;
bestemmingsplan Cityplan Heerlen
75
b.
het groepsrisico, gelet op de redelijkerwijs te verwachten verandering van de dichtheid van personen, met niet meer dan 10% toeneemt en de oriëntatiewaarde niet wordt overschreden.
Onderhavig bestemmingsplan vormt een in hoofdzaak conserverend bestemmingsplan. In het plan zal enige flexibiliteit worden geboden m.b.t. de uitwisseling van gevoelige functies maar dit zal niet leiden tot een programmatische uitbreiding, hooguit een verschuiving van gevoelige functies. De verwachting is derhalve te rechtvaardigen dat de dichtheid van personen met niet meer dan 10% zal toenemen en dat, gezien de huidige bekende oriëntatiewaarden, de oriëntatiewaarde niet zal worden overschreden. Gezien het vorenstaande kan derhalve worden geconstateerd dat de aanwezigheid van de N281 en de spoorlijn Sittard-Herzogenrath aanleiding geeft tot het verantwoorden van het groepsrisico maar dat hierbij kan worden volstaan met een beperkte verantwoording.
4.8.5
Verantwoordinggroepsrisico
Zoals aangegeven in paragraaf 4.8.4 dient in verband met de ligging binnen het invloedsgebied van transportroutes voor gevaarlijke stoffen op basis van artikel 7 en 8 van het Bevt een beperkte verantwoording van het groepsrisico plaats te vinden. Op basis van artikel 7 van het Bevt dient ingegaan te worden op: De mogelijkheden tot voorbereiding van bestrijding en beperking van de omvang van een ramp op de weg of het spoor, en De mogelijkheden voor personen om zich in veiligheid te brengen indien zich op de weg een ramp voordoet. De verantwoording van het groepsrisico is uitgewerkt in de Notitie 'Verantwoording groepsrisico Actualisatie Cityplan te Heerlen' d.d. 25 juli 2018. Deze verantwoording is bijgevoegd als Bijlage 4 Verantwoording groepsrisico. In de onderstaande tabel is deze beperkte verantwoording weergegeven: Aspect
Verantwoording
De mogelijkheden ter voorbereiding van bestrijding en beperking van de omvang van een ramp of zwaar ongeval.
Voor wat betreft de transportroutes per spoor zijn gelet op de tussenliggende afstand en de vervoerde stoffen, uitsluitend risico's in verband met brandbare gassen relevant. Bij de transportroute over de weg is daarnaast een risico in verband met toxische stoffen relevant. De kans op overlijden ten gevolge van een incident met gevaarlijke stoffen op het spoortraject is, mede als gevolg van de tussenliggende afstand en de tussenliggende bebouwing, zeer klein. De bestrijding bij alle scenario's vindt voor zover mogelijk plaats bij de risicobron. Hierbij dient te worden opgemerkt dat het plangebied bij eventuele calamiteiten over het algemeen vanuit meerdere richtingen goed bereikbaar is voor de hulpdiensten.
bestemmingsplan Cityplan Heerlen
76
De mogelijkheden voor personen om zich in veiligheid te brengen indien zich op de transportroute een ramp voordoet (zelfredzaamheid).
Bij het beschrijven van de mogelijkheden tot zelfredzaamheid is het van belang om in te gaan op de verschillende soorten calamiteiten. Binnen het invloedsgebied van een BLEVE is vluchten in principe het uitgangspunt, waarbij gerealiseerd dient te worden dat indien daadwerkelijk een BLEVE dreigt, de vluchttijd bijzonder kort is. De functies binnen het plangebied zijn goed ontsloten en er zijn vluchtroutes in meerdere richtingen aanwezig. Voor blootstelling aan brandbare gassen biedt gelet op de tussenliggende afstand en tussenliggende bebouwing 'schuilen' in combinatie met het sluiten van ramen en deuren andere vorm van zelfredzaamheid. Schuilen vindt plaats binnen bouwwerken. Bij het vrijkomen van een toxische wolk ten gevolge van een incident op de weg is het advies om te schuilen en ramen, deuren en ventilatie te sluiten. In geval van een calamiteit is een vroegtijdige alarmering daarom van levensbelang om ervoor te zorgen dat de aanwezigen veilig kunnen vluchten. Dit gebeurt door het in werking stellen van het WAS (Waarschuwing- en AlarmeringSysteem) als onderdeel van de algemene Rampenbestrijding en mogelijk in de toekomst via NL-alert. Verder informeert de Veiligheidsregio c.q. gemeente haar inwoners over de handelingsstrategie bij calamiteiten.
Conclusie Gelet op het feit dat het plangebied op afstand van omliggende risicovolle inrichtingen of transportroutes voor gevaarlijke stoffen ligt en er invulling is gegeven aan de verantwoording van het groepsrisico, bestaan er vanuit het kader van externe veiligheid geen directe belemmeringen.
4.8.6
Advies Veiligheidsregio
Als onderdeel van de Veiligheidsregio beoordeelt de brandweer de bereikbaarheid van het plangebied en de daaraan verbonden objecten of inrichtingen. Dit doet de brandweer aan de hand van de 'Handleiding bluswatervoorziening en bereikbaarheid'. Er wordt specifieke aandacht gevraagd voor de hoofdaanrijroutes en de wijkontsluitingswegen van de brandweer. Op grond van de Wet ruimtelijke ordening kunnen planregels opgenomen worden die aanvullende eisen stellen aan de bluswatervoorziening en/of bereikbaarheid. Ook maakt de brandweer een inschatting van de risico's binnen het zogenaamde effectgebied. Het effectgebied wijkt af van het invloedsgebied. Het effectgebied is het gebied waar de effecten van de calamiteit merkbaar zijn, exclusief het gebied van de risicobron (brongebied). Het effectgebied is in de regel groter dan het invloedsgebied. Echter, bij de verantwoording van het groepsrisico speelt het effectgebied, in tegenstelling tot het invloedsgebied, formeel geen rol. Niettemin worden door de brandweer wel maatregelen voorgesteld om de effecten van een calamiteit binnen het effectgebied te beperken. Het is aan de gemeente om te bepalen in hoeverre hiermee redelijkerwijs rekening kan worden gehouden bij de ruimtelijke planvorming. in het nadere proces wordt hier invulling aan gegeven.
4.8.7
Plasbrandaandachtsgebieden
In de Regeling basisnet worden gebieden langs en boven basisnetroutes aangewezen ter beperking van mogelijke gevolgen van een ongeval met brandbare vloeistoffen: de zogenaamde plasbrandaandachtsgebieden. De gevolgen hiervan worden in het plan verwerkt door bebouwingsvrije zones aan te geven.
bestemmingsplan Cityplan Heerlen
77
4.8.8
Conclusie
Het aspect externe veiligheid zal naar verwachting geen onoverkomelijke problemen of wezenlijke afwegingen voor dit bestemmingsplan vergen.
4.9
Technischeinfrastructuur
Hoogspanningsverbindingenen straalpaden In en nabij het plangebied bevinden zich geen hoogspanningsverbindingen. Ook zijn in het plangebied geen straalpaden gelegen die noodzaken tot opname in het bestemmingsplan.
Kabels en leidingen Er zijn geen planologisch relevante kabels en leidingen in het plangebied gelegen. Wanneer graafwerkzaamheden worden uitgevoerd dient in het kader van een omgevingsvergunningaanvraag een KLIC-melding te worden uitgevoerd.
4.10
Bedrijvigheid
In het bestemmingsplan worden regels gesteld met betrekking tot bestaande bedrijvigheid en nieuwe bedrijvigheid die zich, ter plaatse van bestaande bedrijvigheid, mogen vestigen. In beide gevallen moet bekeken worden of deze bedrijvigheid geen belemmerende werking heeft op zowel de bestaande als mogelijk nieuw te bouwen milieugevoelige functies. Om te bepalen of nieuwe bedrijven in het plangebied vanuit het oogpunt van milieuhinder toelaatbaar zijn, wordt voor de eerste toetsing in het bestemmingsplan gebruik gemaakt van een zogenaamde Staat van Bedrijfsactiviteiten. Deze Staat is gebaseerd op de “lijst van bedrijfstypen” uit de herziene uitgave 2009 van de publicatie “Bedrijven en Milieuzonering” van de VNG. Naast een omschrijving van de bedrijfstypen is in de Staat aangegeven tot welke milieucategorie het betreffende bedrijfstype wordt gerekend alsmede welke zogenaamde grootste afstand in meters daarvoor geldt. Dit is de indicatie van de minimale afstand die in beginsel van een dergelijk bedrijf tot een rustige woonwijk aangehouden dient te worden. Al naar gelang de aard van de bedrijvigheid, varieert de aan te houden grootste afstand, bijvoorbeeld van 10 meter bij milieucategorie 1, tot 30 meter bij milieucategorie 2. De bij dit bestemmingsplan gevoegde Bedrijvenlijst betreft een selectie uit de volledige opsomming.
Om te komen tot een lijst die is afgestemd op deze specifieke situatie zijn bepaalde bedrijven niet opgenomen. Het betreft bedrijfstypen die in het algemeen vanwege de aard van de activiteiten in een woongebied niet toelaatbaar worden geacht. De in de bedrijvenlijst genoemde afstanden dienen niet als vaststaande normen maar als indicaties te worden gehanteerd. Het vormt een eerste toets of vestiging van een bedrijf van een bepaald bedrijfstype op grond van de bestemmingsplanregels toelaatbaar is. De daadwerkelijke optredende hinder van een bepaald bedrijf kan worden beïnvloed door de ruimtelijke opzet van het bedrijf in combinatie met de concrete bedrijfsvoering.
4.10.1 Bestaande bedrijven De Staat van Bedrijfsactiviteiten kan niet zonder meer worden toegepast bij de vraag of bedrijven die al in het plangebied gevestigd zijn, wegbestemd moeten worden of niet. Uiteraard geeft de categorie-indeling van deze bedrijven wel een indicatie van de aanvaardbaarheid. In bestaande situaties moet met name gekeken worden of het bedrijf beschikt over de benodigde milieuvergunning(en) en of de milieubelasting binnen de huidige normen blijft. Alleen indien een bedrijf onaanvaardbare hinder veroorzaakt, waaraan redelijkerwijs door het treffen van voorzieningen niet tegemoet kan worden gekomen, kan een bedrijf worden wegbestemd. Voorwaarde hierbij is dat de gemeente de benodigde financiële middelen ter beschikking heeft.
bestemmingsplan Cityplan Heerlen
78
Het beleid is erop gericht de in het plangebied voorkomende bedrijvigheid positief te bestemmen. Het gaat daarbij om bedrijven die vallen onder de milieucategorieën 1, 2 en 3.1, zoals weergegeven in de VNG-brochure Bedrijven en Milieuzonering, geheel herziene uitgave 2009. Dergelijke bedrijvigheid is in het algemeen in milieuhygiënische zin aanvaardbaar in een gemengd gebied. Binnen de genoemde milieucategorieën kunnen bestaande bedrijven tevens vrij uitwisselen met andere qua milieucategorie gelijksoortige bedrijven. In de nadere fase wordt onderzoek gedaan naar de aanwezigheid van bedrijven en naar de mogelijkheden en onmogelijkheden ten aanzien van bestaande situaties. Ook zal worden gewerkt met de systematiek van Functiemenging als bedoeld in VNG-brochure Bedrijven en Milieuzonering, geheel herziene uitgave 2009.
4.10.2 Spoorwegemplacement Aan het Stationsplein 1 te Heerlen ligt een spoorwegemplacement. Dit emplacement ligt deels in het plangebied. Voor dit emplacement zijn de volgende vergunningen verleend: op 18 juni 2013 is een revisievergunning verleend voor de inrichting; op 15 december 2015 is een veranderingsvergunning verleend voor het bouwen van een geluidwerende voorziening; op 12 oktober 2018 is een veranderingsvergunning verleend voor het aanpassen aan de representatieve bedrijfssituatie; op 4 februari 2021 een omgevingsvergunning verleend, voor het milieuneutraal veranderen of veranderen van de inrichting ter voorbereiding op de spoorverdubbeling Heerlen-Landgraaf. Externe veiligheid Uit de omgevingsvergunningen blijkt dat er geen emplacementshandelingen worden verricht aan treinen met gevaarlijke stoffen. Hier mogen enkel emplacementswerkzaamheden worden uitgevoerd aan reizigerstreinen. Binnen het emplacement zijn ook spoorwegen aanwezig die deel uitmaken van het doorgaande spoor. Dit betekent dat treinpaden t.b.v. personentreinen en/of goederentreinen via het emplacement kunnen rijden. Dit wordt niet gezien als een emplacementshandeling. Alle spoorwegemplacementen waar wel handelingen worden verricht aan treinen met gevaarlijke stoffen, genoemd in bijlage 3 van de Regeling externe veiligheid inrichtingen (REVI).
Het emplacement te Heerlen wordt in deze regeling niet genoemd. Daarmee is duidelijk dat het besluit externe veiligheid inrichtingen (BEVI) niet aan de orde is. Gevolgen voor het milieu Bij de vergunning van 2021 is beoordeeld of de aangevraagde wijzigingen geen andere of grotere nadelige gevolgen voor het milieu heeft. De aangevraagde wijzigingen zijn niet van invloed op afvalstoffen, afvalwater, bodem, energieverbruik, externe veiligheid en emissies naar de lucht. De wijzigingen zijn wel van invloed op het thema geluid. Echter uit het bij de omgevingsvergunning behorende akoestisch rapport blijkt dat het lantijdgemiddelde geluidniveau blijft voldoen. Zodoende is geen sprake van andere of grotere nadelige gevolgen voor het milieu. De geluidnormen en andere voorschriften uit de milieuvergunning van 2018 blijven overigens ongewijzigd van kracht. Gevolgen bestemmingsplan-actualisatie voor de vergunde rechten Naast het bovenstaande is nagegaan of het bestemmingsplan past binnen de kaders van de vigerende omgevingsvergunning voor het spoorwegemplacement. Het bestemmingsplan Cityplan Heerlen maakt geen ontwikkelingen mogelijk. Gezien het actualiserend karakter van het bestemmingsplan, leidt dit niet tot knelpunten met de bestaande rechten (de vergunde geluidssituatie).
bestemmingsplan Cityplan Heerlen
79