Bijlage NL.IMRO.0917.BP050900W000003-0401_Toelichting
Tekst van het document
fietsers versterkt. Geconcludeerd kan worden dat het voorliggende plan past binnen de beleidsuitgangspunten zoals deze zijn vastgelegd in de intergemeentelijke Structuurvisie Parkstad Limburg.
2.3.2 Regionaal verkeers- en vervoersplan 2011-2020 Het Regionaal Verkeer- en Vervoersplan (RVVP) is aangenomen door de raad van Parkstad Limburg in 2011. Deze nota sluit sterk aan op het Regioprogramma van Parkstad Limburg waarin de nadruk wordt gelegd op de economische structuurversterking via ringwegen en Euregionaal openbaar vervoer door middel van onder andere de aanleg of optimalisatie van diverse structurerende wegen (o.a. Buitenring Parkstad Limburg, Euregioweg, flankerende infrastructuur) en het verbeteren van het Euregionaal openbaar vervoersaanbod (onder andere IC Eindhoven-Heerlen-Aachen en Avantislijn). Het RVVP stelt verder voorop dat de verkeers- en vervoersystemen moeten bijdragen aan een voor wonen en recreëren aantrekkelijke regio met goed bereikbare voorzieningen en een minimum aan verkeersonveiligheid en aan milieuoverlast. Conclusie Het voorliggende bestemmingsplan voorziet in de aanleg van een nieuwe, vrijliggende fietsverbinding langs de bestaande wegenstructuur tussen het Heuvelland en Parkstad. Door de aanleg van deze fietsverbinding kunnen fietsers in de toekomst gescheiden van het gemotoriseerd verkeer veilig gebruiken maken van deze verbinding. De beoogde ontwikkeling voldoet aan de uitgangspunten van het Regionaal verkeers- en vervoersplan 2011-2020.
2.4
Gemeentelijk beleid
In dit onderdeel wordt het algemene relevante beleid beschreven; beleid op specifieke onderdelen komt in hoofdstuk 5 bij de verschillende omgevingsaspecten aan bod.
2.4.1 Structuurvisie Heerlen 2035 Op 7 juli 2015 heeft de gemeenteraad de Structuurvisie Heerlen 2035 vastgesteld. Met dit planologisch instrument kan de gemeente de ruimtelijke sturing beter afstemmen op de ruimtelijke opgaven van de toekomst. De structuurvisie is opgesteld op basis van een belangrijk kantelpunt in de historie van ruimtelijke ontwikkeling in Nederland. De grenzen van de groei zijn bereikt. Er is een eind gekomen aan een onafgebroken periode van vraag naar ruimte en vastgoed. Nieuwe ontwikkelvraagstukken hebben nu vooral te maken met de vraag hoe om te gaan met bestaand vastgoed en vrijkomende ruimte. De ruimtelijke opgaven voor de toekomst hebben veel vaker betrekking op bestaand vastgoed in plaats van nieuwbouw en zullen gekenmerkt worden door termen als: flexibel, tijdelijk, duurzaam en kleinschalig. Ook de rol van de gemeente verandert. Heerlen moet de slag maken van een toetsende naar een faciliterende overheid. Niet alles zelf herontwikkelen, maar vooral ook initiatieven van ondernemers, marktpartijen en inwoners mogelijk maken, met de gewenste ruimtelijke ontwikkelingen in deze structuurvisie als uitgangspunt. Deze transitieopgaven lopen als een rode draad door de structuurvisie. In de structuurvisie staan inhoudelijk vier thema's centraal: Vitale stad, Centrale stad, Innovatieve stad en Verrassende stad. 2.4.1.1
Vitale stad
In het thema Vitale stad wordt een beeld geschetst van woonwijken in 2035. Aan de ene kant willen we inzetten op minder woningen, maar vooral ook op woningen met meer kwaliteit en variatie. Dus geen grootschalige uitbreidingsnieuwbouw meer, maar inzetten op het doorbreken van de eentonigheid van sommige woonbuurten. Aan de andere kant willen we goede voorzieningen blijven aanbieden. Dat kan soms betekenen dat een voorziening uit de buurt verdwijnt als het verzorgingsgebied voor die voorziening te klein wordt. In die gevallen zetten we in op het vormen van sterke voorzieningenclusters in buurten en stadsdelen.
bestemmingsplan Fietsverbinding en watermaatregelen Heuvelland-Parkstad, Heerlen 25
2.4.1.2
Centrale stad
In het thema Centrale stad beschrijven we hoe we de rol van Heerlen als centrumgemeente in de regio kunnen versterken. Belangrijke speerpunten daarbij zijn een compact kernwinkelgebied met een compleet en gevarieerd winkelaanbod, het realiseren van een Smart Services Campus en het versterken van het stedelijk woonmilieu. Cultuur in al zijn facetten is daarbij een belangrijke bindende factor. 2.4.1.3
Innovatieve stad
In het thema Innovatieve stad geven we aan hoe we anders kunnen omgaan met stedelijke ontwikkelopgaven bij veranderende omstandigheden. Het hergebruiken van bestaand vastgoed en vrijkomen van ruimte na sloop spelen daarbij een belangrijke rol. Bovendien willen we mondiale duurzaamheidsvraagstukken verbinden met lokale transitieopgaven. Heerlen heeft de ambitie om in 2040 een klimaat-neutrale stad te zijn. Dat is een stad waarin processen rond wonen, werken en leven, niet op negatieve wijze bijdragen aan klimaatverandering. 2.4.1.4
Verrassende stad
In het thema Verrassende stad wordt beschreven hoe we bestaande cultuurhistorische en natuurlijke kwaliteiten beter zichtbaar en tastbaar kunnen maken in de stad. Door het behoud van deze waarden te integreren in de lokale transitieopgaven, krijgen plekken en panden waarmee mensen zich verbonden voelen nieuwe betekenis. Het resultaat van deze transitie is een verrassende stad, waarin het “Verhaal van Heerlen” tot uitdrukking komt. 2.4.1.5
Conclusie
Voor het plan bevat de Structuurvisie Heerlen 2035 geen specifieke uitgangspunten. Het plan levert echter een bijdrage aan de ambitie om Heerlen een centrale stad te laten zijn. Door het realiseren van een vrijliggend en verkeersveilig fietspad, waarmee Heerlen voor fietsers vanuit het Heuvelland nog beter bereikbaar wordt, levert een bijdrage aan deze doelstelling. Hiermee is het plan in overeenstemming met de beleidsuitgangspunten zoals opgenomen in de Structuurvisie Heerlen 2035.
2.4.2 Groenbeleidsplan Het gemeentelijk Groenbeleidsplan is op 14 mei 2013 vastgesteld en vormt sindsdien het gemeentelijk groenbeleid. In dit plan is het vorige groenstructuurplan geïntegreerd.Het Groenbeleidsplan geeft een middellange termijnvisie (2010-2025) op de gewenste ontwikkeling van het (semi-)openbare groen van de gemeente Heerlen. Behalve een visie op de gemeentelijke groenstructuur bevat het Groenbeleidsplan ook een kader voor het groenbeheer en is er tevens een uitvoeringsprogramma aan gekoppeld. Het Groenbeleidsplan heeft als hoofddoelstelling een integrale, samenhangende en tevens duurzame groenstructuur te realiseren, die recht doet aan de identiteit en eigenheid van Heerlen als onderdeel van Parkstad Limburg en voldoende robuust van karakter is waar het gaat om behoud en verbetering van leefbaarheid en groene kwaliteit. In de visie op de groenstructuur van de gemeente Heerlen is uitgegaan van de volgende integraal samenhangende componenten: Het landschappelijke kader van Heerlen; De hoofdgroenstructuur van Heerlen; Steenbergen als symbool voor een grenzeloze regio; Schakels tussen Heerlen en het omliggende Euregionale landschap; De hoofdinfrastructuur als uithangbord voor 'park' en 'stad'; De historische structuur als (groene) parels in het stedelijke weefsel; Stadsombouw Heerlen: robuust groen met nieuwe functies.
De hoofdgroenstructuur van Heerlen kadert de ligging van de verschillende stadsdelen in. Om een goede aansluiting te vormen op de gemeentelijke hoofdgroenstructuur is per stadsdeel de gewenste ontwikkeling van de hoofdgroenstructuur verder uitgewerkt. Vervolgens is nog verder ingezoomd en is de gewenste groenstructuur in de buurten en buurtschappen beschreven. Hierbij is onderscheid gemaakt in verschillende buurttypen. De visies voor de verschillende buurttypen zijn vertaald in een gereedschapskist voor de bestemmingsplan Fietsverbinding en watermaatregelen Heuvelland-Parkstad, Heerlen 26
groenstructuur per buurttype, waarin de karakteristieken en functies van de hoofd- en subgroenstructuur van een buurttype zijn vastgelegd. Onderscheid wordt gemaakt in structuurgroen en snippergroen, waarbij het uitgangspunt geldt dat snippergroen kan worden afgestoten zonder dat er afbreuk wordt gedaan aan de kwaliteit van de openbare ruimte. Conclusie Het plangebied is gelgen in het Beekdalenlandschap Benzenrade
Figuur 2-4 Beekdalenlandschap Het voorliggende bestemmingsplan plan voorziet in de aanleg van een nieuwe, vrijliggende fietsverbinding langs de bestaande wegenstructuur tussen het Heuvelland en Parkstad. Door de aanleg van deze fietsverbinding zal een deel van de bestaande grasberm aan de zijde van de Daelsweg worden verhard. Het plan is wel een versterking van de bovengenoemde samenhangende componenten 'Schakels tussen Heerlen en het omliggende Euregionale landschap' en 'De hoofdinfrastructuur als uithangbord voor 'park' en 'stad'. Hiermee voldoet de beoogde ontwikkeling aan het Groenbeleidsplan.
2.4.3
Heerlense Mobiliteitsvisie
Samen onderweg Met 'Heerlen in Beweging' zetten we een transitie in gang om de toekomst van duurzame mobiliteit in Heerlen samen met inwoners, bezoekers, maatschappelijke organisaties en ondernemers vorm te geven. De ambitie gaat ook over de wens om mensen vaker te laten kiezen voor actieve en gezonde mobiliteit zoals wandelen en fietsen zodat de visie steeds een stapje dichterbij komt. De route om te komen tot deze visie is niet in beton gegoten. We kiezen voor een flexibele en adaptieve aanpak zodat we in kunnen (blijven) spelen op maatschappelijke, economische en technologische ontwikkelingen én op bijdragen van anderen. We vragen iedereen in Heerlen mee te doen aan het realiseren van de ambities zodat wij met z'n allen onze verantwoordelijkheid nemen voor een leefbare stad voor de generaties nu en na ons.
bestemmingsplan Fietsverbinding en watermaatregelen Heuvelland-Parkstad, Heerlen 27
Figuur 2-5 schets mobiliteitsvisie Duurzaam Mobiliteitssysteem Met de Mobiliteitsvisie 'Heerlen in Beweging' wordt niet alleen invulling gegeven aan het realiseren van een gezonde en groene stad. Er wordt tevens invulling gegeven aan de ambitie van de Parkstadgemeenten om in 2040 energieneutraal te zijn (Palet). Het fundament voor het realiseren van deze ambitie is een geïntegreerd duurzaam mobiliteitssysteem waarbij het bieden van keuzevrijheid en flexibiliteit centraal staat. De bestaande netwerken voor auto, fiets en openbaar vervoer worden met elkaar verbonden en verknoopt via mobiliteitshubs. Mobiliteitshubs zijn plekken in de stad waar verschillende modaliteiten (o.a. (deel)auto en fiets), voorzieningen en vervoersdiensten samenkomen en waar je makkelijk kunt overstappen tussen de modaliteiten. Deze hubs vormen een belangrijke (fysieke) voorwaarde om flexibel reizen en keuzevrijheid te bevorderen. Bewustwording We willen bereiken dat inwoners en bezoekers van Heerlen in de toekomst meer gebruik gaan maken van duurzame vervoerwijzen. Dit is een proces van de lange adem omdat men zich eerst bewust zal moeten zijn van zijn of haar huidige mobiliteitsgedrag. Pas dan kan men een verandering doormaken. De weg naar het realiseren van de ambitie is daarom minstens zo belangrijk als het einddoel.
Door met elkaar te werken aan het realiseren van een groene en gezonde stad worden inwoners en bezoekers van Heerlen zich gaandeweg bewust van hun eigen (duurzame) mobiliteitsgedrag. Iedereen draagt zijn of haar steentje bij. Een online Mobiliteitsplatform ondersteunt dit proces. Conclusie Voor het onderhavig plan bevat de Mobiliteitsvisie Heerlen geen specifieke uitgangspunten, maar het levert een bijdrage aan de ambitie om duurzame vervoerswijzen te stimuleren, de verkeersveiligheid te verbeteren en het duurzame fietsnetwerk te optimaliseren.
bestemmingsplan Fietsverbinding en watermaatregelen Heuvelland-Parkstad, Heerlen 28
2.4.4 Duurzaamheidsvisie Heerlen 2017 Duurzaamheid omvat een integrale afweging van belangen voor de korte en de lange termijn, voor alle relevante stakeholders in het gebied. In de duurzaamheidsvisie van Heerlen 2017 kiest de gemeente voor drie pijlers binnen duurzaamheid: Energietransitie, Gezonde Stad (leefomgeving) en Circulaire Economie. Deze pijlers bevatten de belangrijkste gemeenschappelijke doelstellingen van zowel de gemeente als de bedrijven en instellingen in de stad: We werken aan beperking van klimaatverandering d.m.v. energiebesparing en inzet hernieuwbare energie. We bewaken en verbeteren de kwaliteit van leefomgeving t.b.v. een gezonde en aantrekkelijke stad om in te wonen, werken en leven. We stimuleren de ontwikkeling van duurzame producten en processen waar dit een bijdrage levert aan een betere leefomgeving of aan energietransitie. Er zijn geen normen vastgelegd voor het begrip duurzaamheid. Op enkele thema's binnen duurzaamheid, zoals leefomgeving, water en groen, is sectorale wet- en regelgeving van toepassing. De toetsing aan deze kaders komt elders in de onderbouwing aan de orde. Voor energietransitie is een regionaal beleidskader geformuleerd (zie hieronder), voor klimaatadaptatie en circulaire economie is het in ontwikkeling.
Waar mogelijk en nodig sluiten we aan bij de landelijke akkoorden klimaatakkoord, deltaplan ruimtelijke adaptatie en grondstoffenakkoord. Op termijn zullen hieruit beleidsregels volgen die zullen landen in het omgevingsplan. Conclusie Voor het voorliggende bestemmingsplan bevat de Duurzaamheidsvisie Heerlen 2017 geen specifieke uitgangspunten. Wel zal het realiseren van een vrijliggend en verkeersveilig fietspad, waarmee Heerlen en het Heuvelland voor fietsers beter bereikbaar wordt als een verbetering van de kwaliteit van de leefomgeving kunnen worden gezien. Tevens kan deze realisatie een impuls zijn voor bewoners van de omgeving om meer actief te bewegen tussen wonen en werken en/of wonen en vermaak/recreatie. Door de aanleg van de fietsverbindingen zullen ook naar verwachting minder gemotoriseerde verkeersbeweging plaatsvinden, hetgeen wel een positieve bijdrage levert aan het milieu en het klimaat door bijvoorbeeld minder CO2-uitstoot. Hiermee is het plan in overeenstemming met de beleidsuitgangspunten zoals opgenomen in de Duurzaamheidsvisie Heerlen 2017.
bestemmingsplan Fietsverbinding en watermaatregelen Heuvelland-Parkstad, Heerlen 29
Hoofdstuk 3
Gebiedsbeschrijving
Voor het opstellen van een bestemmingsplan is van belang dat de uitgangssituatie, de bestaande situatie in het plangebied, goed in beeld wordt gebracht. In dit hoofdstuk is een beschrijving opgenomen van het plangebied Fietsverbinding en watermaatregelen Heuvelland-Parkstad, Heerlen en zijn directe omgeving. Zowel de historie van het plangebied als de huidige ruimtelijke en functionele structuur worden beschreven.
3.1
Historie
Het plangebied is gelegen in de nabijheid van het buurtschap Benzenrade, dat ligt op de overgang tussen het beekdalenlandschap Geleenbeek en het plateaulandschap Kunderberg. Tussen het plateau en de bron van de Geleenbeek zit een hoogteverschil van circa 50 meter. De belangrijkste landschappelijke patronen worden gevormd door de bosrand van het Imstenraderbos, het graftenlandschap in het noordwesten en de droogdalen. Doordat de uitlopers van het Imstenraderbos met name op de randen van de droogdalen staan wordt dit microreliëf (oost-west snede) extra geaccentueerd. In het voedselrijke beekdal en op het plateau bevinden zich hoogstamboomgaarden. In het westen is een graftenlandschap aanwezig. Graften zijn een vorm van terrassering en zijn het resultaat van een bereikt evenwicht dat ontstaan is tussen het gebruik van de gronden voor landbouw en de afspoeling van de gronden door onder andere neerslag. Behalve graften komen hier ook holle wegen voor. De hoogteverschillen in het terrein zijn duidelijk waarneembaar, ze worden zelfs versterkt door de evenwijdig aan de hoogtelijnen lopende graften. De holle wegen met opgaande beplanting aan beide zijden zorgen voor beslotenheid, ze lopen loodrecht op de hoogtelijnen. Aan de noordzijde van het gebied is de Daelsweg gelegen die de verbinding tussen Heerlen en Ubachsberg vormt. Hierlangs zal het losliggend fietspad worden gerealiseerd.
bestemmingsplan Fietsverbinding en watermaatregelen Heuvelland-Parkstad, Heerlen 30
Figuur 3-1 Overzichtskaart historische atlas 1868
3.2
Ruimtelijke structuur
De belangrijkste karakteristiek van het buitengebied van Heerlen is dat dit niet alleen als een schil rond de stad ligt, maar ook uitlopers heeft in het stedelijk gebied. Heerlen wordt wel gekarakteriseerd als een 'gefragmenteerde', groene stad. Een stad die bestaat uit bebouwingskernen, omgeven door onbebouwde, groene ruimten. Deze liggen voor een groot deel binnen het plangebied van bestemmingsplan Buitengebied. Het stedelijk weefsel van Heerlen is in de loop van de tijd aan elkaar gegroeid vanuit een aantal dorpskernen, buurtschappen en mijnkoloniën. Het buitengebied van de gemeente Heerlen kent relatief weinig bebouwing. Binnen het plangebied is sprake van de aanwezigheid van een enkel kleiner buurtschap en verspreide lintbebouwing langs enkele uitlopers van buurtschappen, zoals Terschuren, Ten Esschen en Benzenrade. De bebouwing bestaat hoofdzakelijk uit woonbebouwing, op enkele plaatsen afgewisseld door agrarische bebouwing. De historische bebouwingslinten bestaan in het algemeen uit een reeks van los staande gebouwen en onbebouwde terreinen en zijn in de loop der tijd langs de oudere hoofd- en
bestemmingsplan Fietsverbinding en watermaatregelen Heuvelland-Parkstad, Heerlen 31
uitvalswegen ontstaan. Ze hebben een duidelijke functionele en visuele relatie met de route waarlangs deze zijn ontstaan. Vaak sluiten deze wegen aan op de oude kern of maken er deel van uit. Afhankelijk van de situatie maakt het landschap en de erfbeplanting, via doorzichten tussen de bebouwing, wezenlijk onderdeel uit van de belevingswaarde van deze linten. Het plangebied is gelegen in zuiden van het stadsdeel Heerlen-stad en het kleine buurtschap Benzenrade. Hier is de Daelsweg gelegen, die al sinds jaar en dag de verbinding vormt tussen Ubachsberg en Heerlen. Op het grondgebied van de gemeente Heerlen is de Daelsweg 0,6 km lang. De Daelsweg in de nabeheid van de Rijkweg A76, loopt hier vervolgens in de tunnel onderdoor en eindigt aan de John F. Kennedylaan.
Figuur 3-2 Buurtschappen en bebouwing met daarin rood omcirkeld het plangebied Benzenrade Buurtschap Benzenrade ligt nog als karakteristiek Zuid-Limburgs buurtschap in het landschap. Het buurtschap is ontstaan rond de bron van de Geleenbeek. Deze bron van de Geleenbeek ontspringt in de hoog gelegen kelders van de Benzenraderhof. Het water wordt naar een, naast de hoeve gelegen, vijver geleid. De stedenbouwkundige structuur bestaat uit lintbebouwing die de lijnen van het landschap volgt. Dat is enerzijds de Geleenbeek aan de oostzijde en het talud van een heuvelrug aan de westzijde. Tussen de beide bebouwingslinten is nog een open ruimte aanwezig die nog gedeeltelijk in gebruik is als weidegebied. Door deze groene ruimte stroomt de Geleenbeek. De ruimte draagt in belangrijke mate bij aan het ruimtelijke karakter van het buurtschap. Waar beide wegen van het buurtschap samenkomen staat een kapel. Om Benzenrade heen liggen enkele huisweiden die omheind zijn door hagen en voorzien zijn van hoogstamfruit. Ook zijn gronden in agrarisch gebruik als akkerland of als grasland. Het bestemmingsplan Fietsverbinding en watermaatregelen Heuvelland-Parkstad, Heerlen 32
gehele gebied rondom het buurtschap is landschappelijk van grote waarde. De belevingswaarde van de kleinschalige en afwisselende structuur van Benzenrade in samenhang met het bos van Imstenrade zorgen voor een sterk contrast met de achtergrond: de snelwegen, de skyline van Heerlen en de nabijheid van het stedelijk centrum van de stad. Het tracé van de fietsverbinding bevindt zich aan de noordrand van Benzenrade. Het tracé loopt vanaf de kruising met de Rietjensdalerweg, circa 90 meter ten zuidwesten van de Rijksweg A76 en vervolgt haar weg in noordoostelijke richting, onder het viaduct van de genoemde Rijksweg, tot aan de kruising met de John F. Kennedylaan. Het tracé binnen het grondgebied van Heerlen is circa 600 meter lang. Op het onderstaande topografisch kaartje is de ligging van de plangebied in het rood weergegeven:
OFiguur 3-3 ongeveer halverwege het plangebied wordt de Daelsweg aan de oostzijde aangesneden door de weg Benzenrade.
bestemmingsplan Fietsverbinding en watermaatregelen Heuvelland-Parkstad, Heerlen 33
3.3
Mobiliteit
De onderstaande afbeelding toont de plangebied ter hoogte van het westelijke uiteinde. Op de afbeelding is de Daelsweg in noordoostelijke richting weergegeven, met op de achtergrond het viaduct waarover de Rijksweg A76 voert.
Figuur 3-4 De Daelsweg, ter hoogte van het westelijke uiteinde van de plangebied Op de onderstaande afbeelding is de Daelsweg in zuidwestelijke richting weergegeven, ter hoogte van de kruising met de Rietjensdalerweg Aan de noord/westzijde van de weg (op de foto aan de rechterzijde van de weg) wordt het nieuwe fietspad aangelegd. Dit deel betreft Voerendaals grondgebied.
bestemmingsplan Fietsverbinding en watermaatregelen Heuvelland-Parkstad, Heerlen 34
Figuur 3-5 de Daelsweg in zuidwestelijke richting, ter hoogte van de kruising met de Rietjensdalerweg Op de onderstaande afbeelding is de Daelsweg in zuidwestelijke richting, net ten zuiden van de kruising met de John F. Kennedylaan weergegeven. Aan de westzijde van de weg (op de foto rechts) wordt het nieuwe vrijliggende fietspad aangelegd:
Figuur 3-6 De Daelsweg in zuidwestelijke richting, ter hoogte van de kruising met de John F. Kennedylaan
3.4
Functionele structuur
In de nabijheid van het plangebied zijn de volgende functionele structuren aanwezig: Agrarische bedrijven Het buitengebied van Heerlen kenmerkt zich door de relatief beperkte aanwezigheid van agrarische bedrijvigheid. Veel oorspronkelijk aanwezige agrarische bedrijven zijn niet meer actief en onder meer omgevormd naar woningen. Momenteel bevindt zich alleen nog een gemengd agrarisch bedrijf (Benzenrade 32a) en een melkveebedrijf (Daelsweg 14 in Voerendaal) in de omgeving van het plangebied. Natuur Hoewel het buitengebied van Heerlen qua omvang relatief beperkt is ten opzichte van het oppervlak aan stedelijk gebied, is juist wel sprake van hoge natuurwaarden. Twee op Europees niveau beschermde Natura 2000-gebieden liggen namelijk binnen de plangrenzen van bestemmingsplan Buitengebied: de Brunssummerheide en het Geleenbeekdal. Ook het eeuwenoude Imstenraderbos heeft een hoge natuurwaarde. Recreatieve voorzieningen Het buitengebied vervult een belangrijke recreatieve functie (recreatief medegebruik). Het gebied wordt doorkruist door diverse wandel-, fietspaden en ruiterpaden, met de daarbij behorende ondersteunende voorzieningen als bewegwijzering, rustplaatsen en informatieborden. Horeca In de nabijheid van het plangebied is ook horeca gevestigd, in de vorm van een restaurant aan de Kloosterkensweg 17 en een eetcafé aan Benzenrade 2.
bestemmingsplan Fietsverbinding en watermaatregelen Heuvelland-Parkstad, Heerlen 35
Maatschappelijke voorzieningen Aan de overzijde van de John F. Kennedylaan liggen het Zuyderland Medisch centrum, Zorgcentrum Molenpark van Sevagram, Mondriaan, Wijerode en de Buitenhof . In het buurtschap Benzenrade bevindt zich op nummer 2A een praktijk voor ostheopathie. Verderop staat op een driesprong in het buurtschap een grote kapel. Woningen De woonfunctie komt verspreid voor in de omgeving, meestal in de vorm van burgerwoningen, maar op enkele plekken ook als (voormalige) bedrijfswoning bij een (agrarisch) bedrijf. Bij de woningen kan sprake zijn van een kleinschalig beroep aan huis. Het bijbehorend erf is vaak ingericht als (sier)tuin, al dan niet als overgang naar het aangrenzende open landschap. Op een aantal grotere percelen worden hobbymatig paarden gehouden.
bestemmingsplan Fietsverbinding en watermaatregelen Heuvelland-Parkstad, Heerlen 36
Hoofdstuk 4
4.1
Planbeschrijving
Voorgenomen ontwikkeling binnen Heerlen
In paragraaf 1.1 is een algemene opzet van het project in zijn geheel gegeven. Het voorliggende bestemmingsplan voorziet in de aanleg van de nieuwe fietsverbinding, voor zo ver gelegen binnen het grondgebied van de gemeente Heerlen. Het is de bedoeling een verkeersveiligere verbinding te realiseren tussen het Heuvelland en Parkstad, waarbij zowel het reguliere verkeer, landbouwverkeer als het fietsverkeer kan worden afgewikkeld zonder hinder van elkaar te ondervinden. Dit houdt in dat een vrijliggende fietsvoorziening nodig is, waarbij voorkomen moet worden dat de snelheid van het autoverkeer op de rijbaan omhoog gaat. In de onderstaande afbeelding is het ontwerp van het tracé, voor zo ver gelegen binnen de gemeente Heerlen, te zien.
Figuur 4-1 ontwerp binnen het plangebied De gronden binnen het plangebied hebben in het vigerend bestemmingsplan de bestemmingen 'Verkeer - Wegverkeer', 'Natuur' en 'Agrarisch met waarden'. Verder gelden de dubbelbestemmingen 'Waarde Archeologie 4 (Middelhoge waarde), 'Waarde Archeologie 5 (lage waarde) en de gebiedsaanduidingen 'vrijwaringszone - weg 1' en 'vrijwaringszone - weg 2'. Het voorliggend bestemmingsplan zorgt voor de planologische verbreding van het profiel van de huidige verkeersbestemming. Hierdoor ontstaat de ruimte voor een vrijliggend fietspad en blijft het normaal gemotoriseerd verkeer over de weg mogelijk.
bestemmingsplan Fietsverbinding en watermaatregelen Heuvelland-Parkstad, Heerlen 37
Figuur 4-2 De verbeelding van het plangebied binnen de gemeente Heerlen De aanleg van de beoogde nieuwe fietsverbinding sluit aan bij de beleidsdoelstellingen in de 'Mobiliteitsvisie Heerlen'. Hoewel deze mobiliteitsvisie geen specifieke uitgangspunten omtrent de voorliggende ontwikkeling kent, levert de ontwikkeling een bijdrage aan de ambitie om duurzame vervoerswijzen te stimuleren, de verkeersveiligheid te verbeteren en het duurzame fietsnetwerk te optimaliseren.
bestemmingsplan Fietsverbinding en watermaatregelen Heuvelland-Parkstad, Heerlen 38
Hoofdstuk 5
Omgevingsaspecten
In dit hoofdstuk worden de diverse relevante omgevingsaspecten aangehaald en wordt aangegeven hoe deze in het bestemmingsplan zijn ingepast.
5.1
Milieueffectrapportage
In de bijlage bij het Besluit m.e.r. zijn activiteiten met drempelwaarden opgenomen op basis waarvan de noodzaak van het wel of niet opstellen van een m.e.r.-beoordeling (onderdeel D) of meteen een milieueffectrapportage (onderdeel C) wordt bepaald. In onderdeel C is aangegeven bij welke activiteiten waarschijnlijk sprake is van belangrijke nadelige milieugevolgen. Hiervoor geldt een directe verplichting voor het doorlopen van de m.e.r.-procedure (onderdeel C). Onderdeel D bevat activiteiten waarvoor een m.e.r.-beoordelingsplicht geldt. Als blijkt dat aanzienlijke nadelige milieugevolgen niet zijn uit te sluiten, is alsnog een m.e.r-procedure nodig. De opgenomen drempelwaarden zijn gebaseerd op algemene kenmerken van een activiteit en een globale aanname dat bij gevallen onder de drempelwaarde geen belangrijke nadelige milieugevolgen zullen optreden. De aanleg van een fietspad of waterbuffer is op zichzelf geen activiteit die wordt genoemd in het Besluit milieueffectrapportage 1994 (verder: Besluit m.e.r.) en valt ook niet onder de categorie autosnelwegen, autowegen, of andere wegen met vier of meer rijstroken. Wel worden bestaande wegen gewijzigd, worden gronden ontgraven voor waterbuffers en greppels en vindt een functieverandering van gronden plaats. Op grond van de volgende categorieën kan een m.e.r.-beoordelingsplicht aan de orde zijn: 1. 2.
3.
Europese richtlijn milieueffectrapportage, categorie II.10e van de: de aanleg van wegen; Besluit m.e.r. categorie D 16.1: delfstoffenwinning; Het gezamenlijke oppervlak van de werkzaamheden overschrijdt niet de drempelwaarde van 12,5 hectare; Besluit m.e.r. categorie D 9: een landinrichtingsproject, functiewijziging van gronden. De functiewijziging van gronden overschrijdt niet de drempelwaarde van 125 ha.
Het Besluit m.e.r. (artikel 2, vijfde lid onder b.) schrijft ook bij activiteiten onder de drempelwaarde voor dat een milieu-effectbeoordeling nodig is, waarbij wordt verwezen naar de Europese richtlijn milieueffectrapportage. Dit is de zogenaamde vormvrije m.e.r.-beoordeling. In deze m.e.r.-beoordeling moet aandacht worden besteed aan alle criteria die zijn opgenomen in Bijlage III bij de Europese richtlijn 'betreffende de milieubeoordeling van bepaalde openbare en particuliere pplannen'; dit zijn: 1. kenmerken van het plan; 2. plaats van het plan; 3. kenmerken van het potentiële effect. De m.e.r. beoordeling hoort bij de ruimtelijke plannen (plan) en het projectplan Waterwet, waarin de hiervoor genoemde activiteiten (aanleg fietsverbinding en waterbuffers) mogelijk worden gemaakt. Een vormvrije m.e.r.-beoordeling doorloopt dezelfde procedure als een formele m.e.r.-beoordeling: een particulier of ondernemer die initiatiefnemer is van een bepaalde activiteit, dient een aanmeldnotitie vormvrije m.e.r beoordeling in bij het bestuursorgaan dat bevoegd is te besluiten op de aanvraag/het plan waarmee de activiteit mogelijk wordt gemaakt. Het bevoegd gezag neemt vervolgens een beslissing of al dan niet een milieueffectrapportage moet worden doorlopen.
Er is een aanmeldnotitie gemaakt (Bijlage 5), waarin de mogelijke nadelige milieugevolgen van de beoogde ontwikkeling zijn beschreven.Het plangebied ligt in een gevoelig gebied. Desondanks zorgt de beoogde ontwikkeling niet voor onaanvaardbare effecten op deze beschermde gebieden. Daarbij is van belang dat eventuele effecten zich met name in de aanlegfase voordoen, en dat blijvende effecten (zoals de aantasting van de goudgroene
bestemmingsplan Fietsverbinding en watermaatregelen Heuvelland-Parkstad, Heerlen 39
natuurzone) volgens de regels worden gecompenseerd. In de gebruiksfase vinden er geen werkzaamheden of andere verstoringseffecten plaats. De fietsverbinding zorgt voor een toename van het fietsverkeer en een daling van het autoverkeer. De regenwaterbuffers beperken de in het gebied aanwezige wateroverlast als gevolg van extreme buien en maakt het gebied daarmee klimaatbestendiger. De beoogde ontwikkeling zorgt, noch in de aanlegfase, noch in de gebruiksfase, tot zodanige belangrijke nadelige milieugevolgen dat een milieueffectrapportage zou moeten worden doorlopen. Bij besluit van 10 augustus 2020 heeft het gemeentebestuur van Heerlen besloten dat voor het tracé van de fietsverbinding, voor zo ver gelegen binnen het grondgebied van de gemeente Heerlen, geen milieueffectrapportage hoeft te worden doorlopen.
5.2
Akoestiek
De Wet geluidhinder (Wgh) bepaalt dat bij de voorbereiding van een bestemmingsplan akoestisch onderzoek moet plaatsvinden naar de geluidsbelasting als gevolg van weg-, railverkeer- of industrielawaai op woningen en andere geluidsgevoelige gebouwen of terreinen. De normen uit de Wet geluidhinder hebben tot doel nieuwe geluidhindersituaties en daarmee gezondheidsschade te voorkomen. Binnen het plangebied speelt alleen het aspect wegverkeerslawaai. Volgens de Wet geluidhinder heeft in beginsel iedere weg een geluidszone, met uitzondering van woonerven en 30 km/uur wegen. Bij de vaststelling van een bestemmingsplan moeten de ten hoogst toelaatbare waarden voor woningen en andere geluidsgevoelige gebouwen en terreinen vanwege het wegverkeerslawaai in acht worden genomen (artikel 76, eerste lid, Wet geluidhinder). Volgens artikel 76, derde lid, Wet geluidhinder bepaalt dat, als op het tijdstip van de vaststelling of herziening van een bestemmingsplan een weg, in dit plan de Rijksweg A76 en de Daelsweg, al aanwezig of in aanleg is dan behoeven die waarden niet in acht te worden genomen voor in de zone van een weg gelegen woningen, andere geluidsgevoelige gebouwen en terreinen, die op dat tijdstip al aanwezig of in aanbouw zijn. In zo'n situatie behoeft een akoestisch onderzoek naar de invloed van wegverkeerslawaai niet plaats te vinden.
5.3
Water
In het kader van de Watertoets moet elk bestemmingsplan een waterparagraaf bevatten, waarin wordt aangegeven op welke wijze rekening is gehouden met de gevolgen van het bestemmingsplan voor de waterhuishouding. In deze paragraaf is dit beschreven. Voordat wordt ingegaan op de locatie specifieke kenmerken van het plangebied, is eerst het relevant beleid samengevat.
5.3.1 5.3.1.1
Europees en Rijksbeleid Kaderrichtlijn Water
De Kaderrichtlijn Water (KRW) heeft als doel om de kwaliteit van de Europese wateren te verbeteren en die kwaliteit goed te houden. Het belangrijkste middel om dit doel te bereiken is het stroomgebiedbeheersplan (SGBP). In een dergelijk plan worden de waterkwaliteitsdoelen en de daarvoor benodigde maatregelen beschreven om deze goede kwaliteit te bereiken. Nederland maakt deel uit van vier internationale stroomgebieden, waarbij de gemeente Heerlen in het stroomgebied van de Maas is gelegen. Het stroomgebiedbeheersplan Maas is op 22 december 2015 vastgesteld en heeft een looptijd tot eind 2021. Een belangrijk onderdeel van het SGBP is een maatregelenprogramma. Het maatregelenprogramma bestaat enerzijds uit maatregelen die worden genomen in het kader van reeds bestaande nationale en/of Europese wetgeving (bijv. Europese Nitraatrichtlijn) en bestemmingsplan Fietsverbinding en watermaatregelen Heuvelland-Parkstad, Heerlen 40
anderzijds een groot aantal regionale en locatie gebonden maatregelen. 5.3.1.2
Waterwet
De Waterwet (22 december 2009) stelt integraal waterbeheer op basis van de 'watersysteem-benadering' centraal. Deze benadering gaat uit van het geheel van relaties binnen watersystemen. Denk hierbij aan de relaties tussen waterkwaliteit, -kwantiteit, oppervlakte- en grondwater, maar ook aan de samenhang tussen water, grondgebruik en watergebruikers. Hiernaast kenmerkt integraal waterbeheer zich ook door de samenhang met de omgeving. Dit komt tot uitdrukking in relaties met beleidsterreinen als natuur, milieu en ruimtelijke ordening. De waterbodemregelgeving die voorheen was opgenomen in de wet is overgegaan naar de Waterwet. Met de Waterwet is de gemeente beter uitgerust om onder andere wateroverlast tegen te gaan. Specifiek voor wat betreft de omgang met hemelwater is de perceeleigenaar primair verantwoordelijk gesteld voor de verwerking van het op zijn perceel gevallen hemelwater. Dit brengt met zich mee dat de perceeleigenaar verantwoordelijk is voor de ontwatering en afwatering van zijn eigen perceel. Alleen in uitzonderingsgevallen kan hemelwater geloosd worden op het openbaar riool. 5.3.1.3
Wet ruimtelijke ordening en watertoets
De watertoets is per 1 november 2003 wettelijk verplicht (en vastgelegd in het Besluit ruimtelijke ordening). De watertoets betekent dat ruimtelijke plannen die vanaf deze datum ter inzage worden gelegd, voorzien moeten zijn van een waterparagraaf. Ruimtelijke plannen van de initiatiefnemer worden besproken met de waterbeheerder. In de waterparagraaf geeft de initiatiefnemer aan welke afwegingen in het plan ten aanzien van water zijn gemaakt. Het is een toelichting op het doorlopen proces en maakt de besluitvorming ten aanzien van water transparant. In geval van locatiekeuzes en bij herinrichting van bestaand bebouwd gebied geeft de initiatiefnemer expliciet aan welke rol de kosten en risico's van verdroging, verzilting, overstroming en overlast hebben gespeeld bij de besluitvorming. De waterparagraaf grijpt zichtbaar terug op de afsprakennotitie en het wateradvies van de waterbeheerder. 5.3.1.4
Nationaal waterplan 2016-2021
Het Nationaal Waterplan 2016-20121 is de opvolger van het Nationaal Waterplan 2009-2015 en vervangt dit plan en de partiele herzieningen hiervan. Op basis van de Waterwet is het Nationaal Waterplan voor de ruimtelijke aspecten tevens een structuurvisie. Het NWP is zelfbindend voor het Rijk. Het Rijk is in Nederland verantwoordelijk voor het hoofdwatersysteem. In het Nationaal Waterplan legt het Rijk onder meer strategische doelen voor het waterbeheer vast. Rijkswaterstaat (RWS) neemt in het Beheer- en Ontwikkelplan voor de Rijkswateren (Bprw) de condities en maatregelen op voor het operationeel beheer om deze strategische doelen te bereiken. Het NWP is kaderstellend voor het Bprw. Het kabinet vraagt andere overheden het NWP te vertalen in hun beleidsplannen. 5.3.1.5
Waterbeleid 21e eeuw: anders omgaan met water
Door de opgetreden wateroverlast heeft de regering de commissie Waterbeheer 21e eeuw in het leven geroepen. De commissie geeft advies over de problemen en hoe die in de toekomst te voorkómen zijn. Op 31 augustus 2000 bracht de commissie het advies Waterbeleid voor de 21e eeuw "Geef water de ruimte en de aandacht die het verdient" uit. De commissie concludeerde dat de manier waarop wij nu met water omgaan niet voldoende is voor de verwachte klimaatsveranderingen. De bevindingen van de commissie zijn verwoord in de hedendaagse wetgeving en beleidsnota's. In grote lijnen ligt de nadruk op de kwantiteitstrits vasthouden-bergen-afvoeren en de kwaliteitstrits schoonhouden-scheiden-schoonmaken.
bestemmingsplan Fietsverbinding en watermaatregelen Heuvelland-Parkstad, Heerlen 41
5.3.1.6
Nationaal Bestuursakkoord Water
Met het Nationaal Bestuursakkoord Water (NBW) (2011) onderstrepen het Rijk, het Interprovinciaal Overleg, de Unie van Waterschappen en de Vereniging van Nederlandse Gemeenten de gezamenlijke opgave om het watersysteem op zo kort mogelijke termijn en tegen de laagste maatschappelijke kosten op orde te brengen en te houden. Samenwerken is de rode draad van het geactualiseerde Nationaal Bestuursakkoord. Het NBW is een uitwerking van het waterbeleid 21e eeuw (WB21) en de KWR. De belangrijkste doelen en taken zijn het teveel (overlast) of tekort (onderlast) aan water aanpakken en de verbetering van de waterkwaliteit.
5.3.2 5.3.2.1
Regionaal en gemeentelijk beleid Provinciaal Waterplan Limburg 2016-2021
Het waterbeleid in het Provinciaal Waterplan 2016-2021 omvat de strategische hoofdlijnen voor het provinciale waterhuishoudkundig beleid. Dit gaat over: Hoogwaterbescherming in de Maasvallei Aanpak van regionale wateroverlast en watertekort, mede in verband met klimaatverandering Behoud en herstel van beken en waterrijke natuurgebieden en verbetering van hun waterkwaliteit Drinkwatervoorziening en grondwaterbeheer. Provinciale Staten hebben het beleid vastgesteld. Waterschap Limburg, gemeenten en derden voeren het uit. Een belangrijk onderdeel van het Provinciaal Waterplan is de alliantie tussen Provincie en Waterschap Limburg. In de planperiode 2016-2021 investeren Waterschap Limburg, gemeenten, de Rijksoverheid, de Europese Unie en de Provincie gezamenlijk 580 miljoen euro in het Limburgse water. De Provincie draagt hier aan 24 miljoen euro bij. Met het Provinciaal Waterplan wordt niet alleen voldaan aan de eisen die Europa stelt in de Kaderrichtlijn Water en de Rijksoverheid in de Waterwet en het Deltaprogramma. Het Provinciaal Waterplan vormt samen met het van de Rijksoverheid en het Waterbeheersplan Limburg 2016-2021 van Waterschap Limburg een onderdeel van het tweede Stroomgebiedbeheerplan Maas 2016-2021. Provinciale Staten hebben het beleid vastgesteld. Waterschap Limburg, gemeenten en derden voeren het uit.
De operationele uitwerking vindt plaats via POL-aanvullingen en beleidsregels. 5.3.2.2
Waterbeheerplan 2016-2021 Waterschap Limburg
Per 1 januari 2017 zijn de waterschappen Limburg en Peel en Maasvallei gefuseerd tot het nieuwe Waterschap Limburg. Vooruitlopend op deze fusie hebben de waterschappen Limburg en Peel en Maasvallei gezamenlijk het Waterbeheerplan 2016-2021 opgesteld. Het Waterbeheerplan 2016-2021 is een integraal beleids- en uitvoeringsplan van Waterschap Limburg. Het bevat de beleidsvoornemens voor de periode 2016 tot en met 2021. Daarnaast wordt een globale doorkijk geboden naar de verdere toekomst Zo wordt de koers uitgezet voor een toekomstbestendig waterbeheer in Limburg waarbij nadrukkelijk de gevolgen van de klimaatverandering en de ontwikkeling in de maatschappij worden betrokken. In het Waterbeheerplan 2016-2021 is beschreven hoe het waterschap het watersysteem en waterkeringen op orde wil brengen, welke thema's hierbij spelen, welke maatregelen het waterschap gaat uitvoeren, wie hun partners daarin zijn en hoe het waterschap dit monitort en bijstuurt. Voorbeelden van maatregelen zijn: het aanleggen en verbeteren van dijken ten overstormingen, het aanpakken van knelpunten van wateroverlast, herstellen van beken en het verbeteren van de effluentkwaliteit van de rioolwaterzuiveringsinstallaties. Ook staat beschreven welke bijdrage de waterschappen leveren aan de Europese Kaderrichtlijn Water.
Voorbeelden van maatregelen zijn: het aanleggen en verbeteren van dijken tegen overstromingen, het aanpakken van knelpunten van wateroverlast, herstellen van beken en het optimaliseren van de rioolwaterzuiveringsinstallaties.
bestemmingsplan Fietsverbinding en watermaatregelen Heuvelland-Parkstad, Heerlen 42
5.3.2.3
Keur en beleidsregels Keur Waterschap Limburg 2019
In de Keur is een nieuwe bergingsnorm opgenomen van 80 mm voor rechtstreekse lozingen op oppervlaktewater. Uitgangspunt is dat de bergingsnorm bij nieuwe verharding (rechtstreeks lozend op oppervlaktewater) bindend is. Bij bestaande verharding wordt de norm als richtlijn gebruikt. Hierbij is het streven om zoveel mogelijk naar de nieuwe norm toe te groeien. Uitgangspunt gemeente blijft bergingseis T=25 (35 mm in 45 minuten) en doorkijk naar T=100 (45 mm in 30 minuten).
5.3.3
Gemeentelijk beleid
5.3.3.1
Integraal Waterplan
Goede riolering is nodig voor de bescherming van de volksgezondheid, het milieu en het tegengaan van wateroverlast in onze gemeente. Aanleg en beheer van de riolering is een gemeentelijke taak, die zijn wettelijke basis vindt in de Wet Milieubeheer en de Waterwet. Al sinds 2011 wordt in de regio Parkstad met onze waterpartners samengewerkt aan het verbeteren van de waterketen (riolering en afvalwaterzuivering) en het watersysteem (beken). Het Integraal Waterplan is het eerste gezamenlijke visiedocument. In het plan is de regionale ambitie en visie beschreven van de samenwerkingsregio Parkstad. De speerpunten zijn: "Een klimaatbestendige stad", "Gezond, schoon en voldoende water", "Werken aan waterbewustzijn", "Anticiperen op de Omgevingswet" en "Samenwerken inde waterketen". 5.3.3.2
Watertakenplan 2020-2024
In het plan is de gemeentelijke wateropgave voor de middellange termijn omschreven. De speerpunten zijn: "Een klimaatbestendig Heerlen", "Anticiperen op de Omgevingswet", "Samenwerken in de waterketen", "Meten, data en rekenen", "Beheer op maat" en "Werken aan waterbewustzijn". Door het opnemen van een uitvoeringsprogramma en een kostendekkingsplan wordt de komende jaren invulling gegeven aan de speerpunten. 5.3.3.3
Beleidsplan verbreed Gemeentelijk Rioleringsplan Heerlen 2016-2020
Vanuit de Wet milieubeheer zijn gemeenten wettelijk verplicht een vigerend rioleringsplan te hebben. Het verbreed gemeentelijk Rioleringsplan (vGRP) Heerlen 2016-2020 van de gemeente Heerlen is daar een uitvloeisel van en heeft een looptijd van 2016 tot en met 2020. Het vGRP is de opvolger van het Beleidsplan Stedelijk Watermanagement 2011-2015. Het vGRP heeft een strategisch en beleidsmatig karakter, en vormt de basis voor het bestuur bij besluiten over de aanpak van aanleg en beheer van het stedelijk watermanagement binnen de planperiode. Hoofddoelstelling van het vGRP is invulling geven aan de gemeentelijke zorgplichten voor afvalwater, overtollig hemelwater en overtollig grondwater. Het vGRP geeft inzicht in: evaluatie Beleidsplan Stedelijk Watermanagement 2011-2015; invulling zorgplichten afvalwater, hemelwater en grondwater; maatregelen; samenwerking Parkstad; personele en financiële middelen. 5.3.4
Plangebied
Watertoets Conform de regels van het waterschap Limburg dient de watertoets te worden doorlopen bij toevoeging van minimaal 2.000 m² aan verharding en/of bebouwing. Het fietspad zal heeft binnen de gemeente Heerlen een lengte van 600 meter en is 4 meter breed. Hiermee zal het verhard oppervlak met 2.400 m² toenemen. Het doorlopen van de watertoets is daarom aan de orde. Het inrichtingsplan dat is opgesteld voor de aanleg van de beoogde fietsverbinding Heuvelland-Parkstad voorziet, naast de aanleg van een vrijliggende fietspad, ook in de realisatie van waterhuishoudkundige voorzieningen, waaronder drie regenwaterbuffers in de
bestemmingsplan Fietsverbinding en watermaatregelen Heuvelland-Parkstad, Heerlen 43
gemeente Gulpen-Wittem en één regenwaterbuffer in de gemeente Voerendaal. Binnen het grondgebied van de gemeente Heerlen wordt, ten noorden van de kruising Daelsweg/Benzenrade een nieuwe afwaterloop aangelegd, waarmee het water afkomstig van de wegenverharding wordt opgevangen. Op de onderstaande afbeelding is de nieuwe afwaterloop middels een rode pijl aangeduid:
Figuur 5-1 afwateringssituatie De waterhuishoudkundige voorzieningen die binnen het plangebied van Heerlen worden gerealiseerd, hebben een positief effect op de waterhuishouding ter plaatse en zijn in overeenstemming met het waterbeleid zoals hiervoor beschreven. Geconcludeerd kan worden dat het aspect water geen belemmering vormt voor de realisatie van het plan.
5.4
Bodem
Algemeen Bij een bestemmingsplanprocedure moet het bevoegde gezag op basis van de Wet bodembescherming voldoende inzicht hebben om de vraag te kunnen beantwoorden of de bodem geschikt is voor de in het bestemmingsplan toe te kennen functie('s).
5.4.1
Beleidskader
Bodembeleidsplan Voor de gemeente Heerlen is sinds 28 september 2016 het bodembeleidsplan Heerlen van toepassing. In dit bodembeleidsplan wordt het gemeentelijk bodembeleid beschreven en het beleidsplan is derhalve het richtinggevend kader (uiteraard naast de wettelijke regelingen) voor zowel bodembescherming als bodemsanering. Bij het actualiseren van bestemmingsplannen wordt de bestaande functie veelal gehandhaafd. Dan vindt geen grondverzet plaats en worden geen saneringen opgestart. Bij de actualisatie van een bestemmingsplan, zoals in onderhavige procedure, vinden geen functiewijzigingen plaats. Hierbij kan volstaan worden met een globale toets, bijvoorbeeld middels de bodemkwaliteitskaart. Bij latere ontwikkelingen in deze gebieden zal in het kader van bouwactiviteit mogelijk een bodemonderzoek moeten plaatsvinden. Als toelichting hierop wordt nog vermeld dat bij geconstateerde knelpunten in een actualiserend bestemmingsplan aangegeven moet worden hoe hiermee om te gaan, niet alle knelpunten hoeven dus uitputtend vermeld te zijn. Besluit bodemkwaliteit bestemmingsplan Fietsverbinding en watermaatregelen Heuvelland-Parkstad, Heerlen 44
Het Besluit bodemkwaliteit (Bbk) geeft invulling aan het op duurzaamheid gerichte bodembeleid. De nota bodembeheer beschrijft hoe de gemeente Heerlen invulling geeft aan het Bbk. In het bodembeleidsplan is de nota bodembeheer en de bodemkwaliteitskaart gemeente Heerlen opgenomen. De bodem in de gemeente Heerlen is beschreven in een bodemkwaliteitskaart die conform de Richtlijn Bodemkwaliteitskaarten is vervaardigd. Er kan worden geconcludeerd dat de lokale bodemkwaliteit over het algemeen voldoende wordt beschreven door de bodemkwaliteitskaart voor alle zones.
bestemmingsplan Fietsverbinding en watermaatregelen Heuvelland-Parkstad, Heerlen 45
Figuur 5-2 Bodemkwaliteitskaart
5.4.2 Het plangebied Het plangebied is, voor zover het betreft Heerlens grondgebied, gelegen in deelgebied Agrarisch en Natuur. Het deel A76 valt in het deelgebied “niet gezoneerd”. Bodemonderzoeken (bij ontwikkelingsplan) Ter plaatse is een historisch bodemonderzoek uitgevoerd (Bijlage 7). Beoordeling onderzoek Uit dit onderzoek blijkt dat de bodemkwaliteit van de wegbermen als “diffuus verdacht“ wordt beschreven. Conform het bodembeleidsplan Heerlen 2016 is dan een verkennend onderzoek nodig voordat gestart wordt met de werkzaamheden. Niet in het rapport vermeld is een registratie conform de WKBP (Wet Kenbaarheid Publiekrechtelijke Beperkingen) op een deel van het tracé. Dit betreft verontreinigde wegbermen langs de A76. Graafwerkzaamheden zijn hier alleen toegestaan met toestemming van bevoegd gezag Wbb de gemeente Heerlen. Conclusie Voordat de werkzaamheden starten moet een verkennend onderzoek NEN5740 worden uitgevoerd. Graafwerkzaamheden in de wegbermen langs de A76 ter hoogte van het geplande tracé zijn alleen toegestaan met toestemming van bevoegd gezag Wbb de gemeente Heerlen. Wanneer rekening wordt gehouden met het hiervoor genoemde, vormt de bodemkwaliteit geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling.
5.5
Wet natuurbescherming
Vanaf 1 januari 2017 is de nieuwe Wet natuurbescherming (Wnb) in werking getreden. Deze vervangt drie wetten; de Natuurbeschermingswet 1998, de Boswet en de Flora- en faunawet. De nadruk komt te liggen op het samenspel tussen provincies en gemeenten. Provincies bepalen wat voor hun gebied wel en niet mag in de natuur. De provincie Limburg heeft dit opgenomen in de Omgevingsverordening Limburg 2014, hoofdstuk 3. Er gelden drie vergunningen voor activiteiten in of met een effect op een Natura 2000-gebied: als er sprake is van effect op stikstof, geluid, licht en grondwater (Ontheffing of Vergunning gebiedsbescherming op basis van de Wet natuurbescherming); als er sprake is van effect op beschermde dieren en planten (Ontheffing of Vergunning soortenbescherming op basis van de Wet natuurbescherming); bij het kappen van bomen en struiken (omgevingsvergunning houtopstanden bij de gemeente en een kapmelding bij de provincie Limburg).
bestemmingsplan Fietsverbinding en watermaatregelen Heuvelland-Parkstad, Heerlen 46
5.5.1 Gebiedsbescherming De Europese Unie (EU) wil de biodiversiteit in Europa beschermen. Dit doet zij door gebieden aan te wijzen als Natura 2000-gebied. Dat is een Europees netwerk van beschermde natuurgebieden. In Nederland zijn meer dan 160 natuurgebieden aangewezen. Deze liggen allemaal binnen het Natuurnetwerk Nederland (NNN). Oorspronkelijk zijn deze gebieden aangewezen als Habitat- of Vogelrichtlijngebied. Al deze gebieden zijn geselecteerd op grond van het voorkomen van planten- en / of diersoorten en habitattypen die vanuit Europees oogpunt bescherming nodig hebben. De Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit (LNV) wijst de gebieden aan. In dat traject kunnen provincies, gemeenten, eigenaren en gebruikers van het aan te wijzen gebied hun zienswijze kenbaar maken. In het aanwijzingsbesluit van het betreffende Natura 2000-gebied wordt de exacte ligging aangegeven, evenals de soorten en habitattypen die in het gebied moeten worden beschermd.
Figuur 5-3 Ligging plangebieden (in rood) ten opzichte van beschermde gebieden (bron: www.limburg.nl) Het gebied ligt in de directe nabijheid van twee Natura 2000-gebieden: Geuldal (westen) en Kunderberg (oosten). Wat betreft de gemeente Heerlen is alleen het gebied de Kunderberg relevant.
bestemmingsplan Fietsverbinding en watermaatregelen Heuvelland-Parkstad, Heerlen 47
Figuur 5-4 Ligging plangebied (in rood) in relatie tot Natura 2000-gebieden (in geel), bron: rapport quickscan, zie Bijlage 8 en Bijlage 9. Verder ligt het plangebied deels in provinciaal beschermde gebieden, waaronder de Goudgroene Natuurzone (Natuurnetwerk Nederland), de zilvergroene natuurzone en de bronsgroene landschapszone (Nationaal Landschap Zuid-Limburg). Natura 2000-gebied Kunderberg Het plangebied overlapt met het Natura 2000-gebied Kunderberg; een deel van de aanleg van het fietspad vindt plaats in de randzone van een deelgebied van het Natura 2000-gebied. Dit Natura 2000-gebied is alleen aangewezen voor habitattypen (dus enkel voor vegetatietypen, niet voor habitatsoorten of vogelsoorten). Als gevolg van de beoogde ontwikkeling treedt géén oppervlakteverlies van habitattypen of potentiële ontwikkellocaties op. Significante gevolgen in het licht van de instandhoudingsdoelstellingen voor het gebied Kunderberg zijn daardoor uit te sluiten. De beoogde ontwikkeling leidt wel tot versnippering in ecologische zin, omdat de deelgebieden van het Natura 2000-gebied door de aanleg van de fietsverbinding – een verbreding van de bestaande infrastructuur – fysiek verder van elkaar komen te liggen. Voor de formeel aangewezen oppervlakten van de habitattypen heeft dit geen negatieve gevolgen. Dit zorgt wel voor een extra barrière voor met name de grondgebonden typische soorten.
Deze lopen meer kans om slachtoffer te worden van verkeer of predatoren (vanwege de toegenomen openheid en afstand tussen de leefgebieden). Stikstofdepositie Ten behoeve van het plan is een stikstof depositieberekening uitgevoerd (Bijlage 10). De realisatie van het fietspad maakt onderdeel uit van het plan “Regionale fietsverbinding Heuvelland-Parkstad”. Het fietspad is gedeeltelijk gelegen binnen de grenzen van het Natura 2000-gebied Kunderberg. Ten behoeve van de aanleg van het fietspad wordt landbouwgrond aangekocht. Met dit onderzoek wordt het ruimtelijk effect van de beoogde verandering beschouwd. Voor het onderzoek is een stikstof berekening uitgevoerd voor de twee situaties; het huidige landbouw gebruik en de aanlegfase van het fietspad. De gebruiksfase wordt niet bekeken omdat hierin meer fietsers gebruik maken van de verbinding en minder gemotoriseerd verkeer. Daarom zal de gebruiksfase geen toename van stikstofdepostie veroorzaken. Plan gerelateerde stikstofdepositie leidt niet tot significante gevolgen voor de omliggende Natura 2000-gebieden. De beperkte toename van stikstofdepositie, uitsluitend tijdens de aanlegfase, wordt gesaldeerd met de afname van stikstofdepositie als gevolg van het staken van landbouwkundig gebruik van gronden.
Deze interne saldering is vastgelegd in een vergunning op grond van de Wet natuurbescherming en de agrarische bestemming van de landbouwgronden is in de ruimtelijke plannen gewijzigd, zodat geen agrarisch gebruik meer mogelijk is. Natuurnetwerk Nederland (NNN)
bestemmingsplan Fietsverbinding en watermaatregelen Heuvelland-Parkstad, Heerlen 48
De provincies zijn verantwoordelijk voor de begrenzing en de bescherming van het Natuurnetwerk Nederland (verder: NNN). In de provinciale omgevingsverordening van Limburg is het NNN weergegeven als goudgroene natuurzone. Daarnaast zijn gebieden aangeduid als zilvergroene natuurzone en bronsgroene landschapszone en ook deze hebben een bepaalde mate van bescherming gekregen in de verordening. Het is niet toegestaan om de wezenlijke waarden en kenmerken in de Goudgroene natuurzone en/of kernkwaliteiten in de zilvergroene natuurzone en Bronsgroene landschapszone aan te tasten. Onder voorwaarden is dit wel mogelijk en is de Beleidsregel natuurcompensatie 2018 van toepassing. Deelgebied Daelsweg: Het plangebied overlapt met de Goudgroene natuurzone en Bronsgroene landschapszone. Bronsgroene landschapszone Ten aanzien van de Bronsgroene landschapszone worden de bestaande steilranden (= kernkwaliteit) gespaard, door bij de inrichting van taluds gebruik te maken van leidende ontwerpprincipes (ingegeven door de kernkwaliteiten). Uitgangspunt is dat geen kernkwaliteiten worden aangetast waardoor de Beleidsregel natuurcompensatie 2018 van de provincie Limburg niet van toepassing is. Goudgroene natuurzone en compensatie Wezenlijke kenmerken en waarden van de Goudgroene natuurzone worden aangetast.
De ‘Beleidsregel natuurcompensatie 2018’ (provincie Limburg) is daardoor van toepassing, want: 1. de wezenlijke kenmerken en waarden van de Goudgroene natuurzone worden vernietigd, verstoord en/of versnipperd en/of; 2. de kernkwaliteiten “groene karakter” van de Zilvergroene natuurzone, de Bronsgroene landschapszone en/of van het Beschermingsgebied Nationaal landschap Zuid-Limburg worden vernietigd, verstoord en/of versnipperd.’ Zoals al aangegeven wordt de goudgroene natuurzone geraakt. Omdat het plan een groot openbaar belang dient is aantasting in beginsel toegestaan, onder de voorwaarde dat de aantasting wordt gecompenseerd op basis van de Beleidsregel natuurcompensatie 2018 van de provincie Limburg. Hiervoor is een compensensatieplan opgesteld (zie Bijlage 11). Voor het compensatieplan is de eerste stap het in beeld brengen van de oppervlakte die verloren gaat oppervlakte. Hiertoe is in de eerder uitgevoerde quickscan aangegeven welke oppervlakten en natuurdoeltypen verloren gaan door de voorgenomen ontwikkeling. Conform de Beleidsregel natuurcompensatie 2018, Provincie Limburg (inwerkingtreding 15 februari 2018), is aangegeven welke oppervlakten verloren gaan en welke toeslag hiervoor gehanteerd wordt.
De bestemmingsplannen van Heerlen en Voerendaal, deel 2 maken inbreuk op de goudgroene natuurzone: de gezamenlijke compensatieoppervlakte bedraagt 12.431 m² (1,24 hectare). Met de provincie hebben de gemeenten Voerendaal en Heerlen in het najaar van 2020 een overeenkomst over financiële compensatie van de oppervlakte Goudgroene natuur gesloten. Conclusie gebiedsbescherming Als gevolg van de beoogde ontwikkeling (aanleg fietspad en watermaatregelen) vindt – op beperkte schaal – aantasting van beschermde gebieden en beschermde soorten plaats. Dit leidt niet tot significante effecten op de Natura 2000-gebied Kunderberg. Voor wat betreft de stikstofdepositie is dit ook vastgelegd in een vergunning op grond van de Wet natuurbescherming, verleend op 8 oktober 2020 (zie bijlage 15). Voor zover dit leidt tot een aantasting van wezenlijke waarden en kenmerken van de gebieden met de aanduiding Goudgroene Natuurzone (NNN), wordt dit volgens de regels in de Provinciale Omgevingsverordening Limburg en de Beleidsregel natuurcompensatie 2018 afgehandeld door middel van financiële compensatie.
5.5.2 Soortenbescherming Ten behoeve van het plan is een quick scan natuurwaarden (zie Bijlage 8) en een nader natuurwaardenonderzoek (zie Bijlage 9) uitgevoerd. Uit de uitgevoerde quick scan is gebleken dat verschillende beschermde dieren- en plantensoorten in de deelgebieden aanwezig kunnen zijn. Deelgebied Daelsweg bestemmingsplan Fietsverbinding en watermaatregelen Heuvelland-Parkstad, Heerlen 49
Uit de quick scan is bleek voor de volgende soorten nader onderzoek nodig: 1. Beschermde soorten planten en waardplanten van beschermde soorten vlinders; 2. Das, Steenmarter, vleermuizen (gebruik gebied en voorkomen vaste rust- en verblijfplaatsen); 3. Jaarrond beschermde nesten; 4. Vroedmeesterpad en overige beschermde soorten amfibieën (voortplantingswateren, overwinteringsverblijfplaatsen); 5. Hazelworm, Levendbarende hagedis. Dit nader onderzoek is uitgevoerd. Uit het onderzoek blijkt het volgende; Er zijn geen beschermde plantensoorten aanwezig; Er is een dassenburcht aangetroffen buiten het plangebied; naar verwachting leidt de beoogde ontwikkeling niet tot het verlaten van de burcht; er zijn maatregelen nodig om een toename van verkeersslachtoffers te voorkomen; Er zijn vleermuizen waargenomen (foeragerend), maar geen vaste rust- en verblijfplaatsen; Er zijn geen jaarrond beschermde nesten van broedvogels aangetroffen, wel veel soorten broedvogels; De vroedmeesterpad is waargenomen; omdat voortplantingsgebied en bijbehorende winterhabitat (poeltje) verloren gaat is een ontheffing nodig. Hierin wordt ook de alpenwatersalamander meegenomen (aanwezigheid bekend); De levendbarende hagedis en hazelworm komen in het gebied voor: deze worden meegenomen in de aanvraag om een ontheffing op grond van de Wet natuurbescherming.
Er wordt een ecologisch werkprotocol met maatregelen opgesteld in het kader van de zorgplicht voor de das en de broedvogels. Voor de vroedmeesterpad, de alpenwatersalamander, de levendbarende hagedis en de hazelworm, wordt een activiteitenplan opgesteld en een ontheffing aangevraagd. Conclusie soortenbescherming Als gevolg van de beoogde ontwikkeling (aanleg fietspad en watermaatregelen) vindt – op beperkte schaal – aantasting van beschermde soorten plaats. Er wordt een ecologisch werkprotocol met maatregelen opgesteld in het kader van de zorgplicht voor de das en de broedvogels. Voor de vroedmeesterpad, de alpenwatersalamander, de levendbarende hagedis en de hazelworm, wordt een activiteitenplan opgesteld en op 17 juni 2020 is een ontheffing aangevraagd. Deze ontheffing, op grond van de Wet natuurbescherming, is op 13 augustus 2020 verleend (zie bijlage 16). De soortenbescherming vormt in beginsel dan ook geen belemmering voor de vaststelling van dit bestemmingsplan.
5.5.3 Houtopstanden Er zal een kapmelding bij de provincie gedaan worden voor bomen die onder de wet natuurbescherming vallen; er wordt binnen het plangebied in de directe omgeving van de te kappen bomen herplant; tevens zal voor een aantal te kappen bomen een omgevingsvergunning bij de gemeente worden gevraagd; een aantal bomen is in d)e gemeentelijke regelgeving namelijk aangewezen als beschermde boom.