Bijlage 5-Quickscan flora en fauna.pdf
Tekst van het document
4.2 Te kappen bomen en houtopstanden De kap van bomen of houtopstanden is niet meer voorzien. De beschermingskaders zijn niet relevant voor deze quickscan.
26
Bureau Meervelt
5.
Quickscan Fish farm Terworm
CONCLUSIES
5.1 Conclusies gebiedsbescherming
Natura 2000 Het plangebied ligt als een enclave in het Natura 2000-gebied Geleenbeekdal. Op een afstand van ongeveer drie kilometer ten noorden van het plangebied ligt Natura 2000-gebied Brunssummerheide. Op een afstand van ongeveer 1,7 km ten zuiden van het plangebied ligt het Natura 2000-gebied Kunderberg. De optredende storingsfactoren geluid en optische verstoring hebben een kleine overlap met Natura 2000-gebied Geleenbeekdal. Het betreft de grenszone van het omliggende deelgebied Terworm. De storingsfactoren reiken niet tot overige deelgebieden en overige Natura 2000-gebieden. De storingsfactoren die overlappen met het Natura 2000-gebied treden niet in die mate op dat significante gevolgen optreden in het licht van de instandhoudingsdoelen voor het Natura 2000-gebied Geleenbeekdal. Stikstof Voor de eventuele project-gerelateerde emissie door de inzet van mobiele werktuigen en (vracht)verkeer zijn drie AERIUS-berekeningen uitgevoerd (Aerius-kenmerken RYH6zcyTGKMa voor de aanlegwerkzaamheden in 2021, Rzz72V2QQ5Mn voor de aanlegwerkzaamheden in 2022, RbbJwqNPFdHK voor de fase na ingebruikname). Hieruit blijkt dat de voorgenomen ontwikkeling in de aanlegfase en in de gebruiksfase geen stikstofdepositie veroorzaakt op het omringende Natura 2000-gebied Geleenbeekdal of andere Natura 2000gebieden boven de 0,00 mol/ha/jaar.
Het opstellen van een voortoets of passende beoordeling en het aanvragen van een vergunning stikstof in het kader van de Wet natuurbescherming is niet nodig.
Omgevingsverordening Limburg Het plangebied wordt omringd door de Goudgroene natuurzone. Er gaat geen externe werking uit van de Goudgroene natuurzone. De ontwikkelingen die plaatsvinden buiten deze zone hoeven daarom niet getoetst te worden aan het beschermingskader van de Goudgroene natuurzone. Door de voorgenomen ontwikkeling in het plangebied gaan noch wezenlijke kenmerken en waarden in de omringende Goudgroene natuurzone verloren, noch worden deze aangetast. In het plangebied zelf liggen enkele smalle stroken. Deze stroken zijn aangemerkt als beheertypen N12.02 Kruiden- en faunarijk grasland en N15.02 Dennen-, eiken- en beukenbos. Deze beheertypen zijn feitelijk niet aanwezig en waren ook toen het terrein nog in eigendom was van het Waterschapsbedrijf Limburg, niet aanwezig. Door de voorgenomen ontwikkelingen gaan geen wezenlijke kenmerken en waarden verloren. Door de meer natuurlijke inrichting en het voorgenomen beheer wordt een kleine bijdrage geleverd aan het verbinden van de omliggende Goudgroene natuurzone (de enclave wordt in praktijk iets kleiner). Vervolgstappen of compensatie op grond van de Beleidsregel natuurcompensatie zijn niet nodig.
5.2 Conclusies soortbescherming
Het plangebied en de directe omgeving is leefgebied van enkele beschermde soorten. In het algemeen geldt: als dieren worden aangetroffen in het plangebied geldt te allen tijde de zorgplicht7. Bij het onverhoopt toch aantreffen van beschermde planten- of diersoorten waarvoor geen vrijstelling geldt, dienen de werkzaamheden te worden stilgelegd en dient contact opgenomen te worden met een ecoloog om benodigde vervolgstappen te bespreken.
7
De zorgplicht is als een open norm geformuleerd in het eerste lid van artikel 1.11 Wet natuurbescherming. In het tweede lid
wordt de zorgplicht nader geconcretiseerd door te bepalen dat deze plicht inhoudt dat een ieder die weet of redelijkerwijs kan vermoeden dat door zijn handelen of nalaten nadelige gevolgen kunnen worden veroorzaakt voor een Natura 2000-gebied, een bijzonder nationaal natuurgebied of voor in het wild levende dieren en planten: 1.
dergelijke handelingen achterwege laat, dan wel,
2.
indien dat achterwege laten redelijkerwijs niet kan worden gevergd, de noodzakelijke maatregelen treft om die gevolgen te voorkomen, of
3.
voor zover die gevolgen niet kunnen worden voorkomen, deze zoveel mogelijk beperkt of ongedaan maakt. 27
Bureau Meervelt
Quickscan Fish farm Terworm
Voor een deel van deze soorten geldt een vrijstelling voor het vangen en vernietigen van verblijfplaatsen bij ruimtelijke ingrepen. Om te voorkomen dat individuen gedood worden dient zorgvuldig gehandeld te worden. Maatregelen in het kader van de zorgplicht en zorgvuldig handelen worden opgenomen in een ecologisch werkprotocol. Voor een aantal soorten is nader aandacht nodig in het kader van de Wet natuurbescherming om overtredingen van de verbodsbepalingen in de aanlegfase en bij ingebruikname te voorkomen. Als deze maatregelen in acht worden genomen is een ontheffing op grond van de Wet natuurbescherming niet nodig. Deze soorten zijn opgenomen in tabel 7. De aangegeven maatregelen in de tabel worden net als de algemene maatregelen uit oogpunt van de zorgplicht en zorgvuldig handelen opgenomen in een ecologisch werkprotocol.
Tabel 7: Soorten waarvoor nader aandacht nodig is. Soort
Vleermuizen
Activiteit
Mogelijke
Onderzoek
overtreding
nodig?
(Mitigerende) maatregel
Ontheffing
Verlichten van
art 3.5 lid 4
Nee,
De verlichtingssituatie rond de invliegopeningen
Nee, tenzij
de Fish farm
beschadigen of
monitoring
dient ongewijzigd te blijven. Bij het aanbrengen van
verlichting sterk
Terworm.
vernielen van de
wordt
extra verlichting dient daar rekening mee
toeneemt.
voortplantings-
uitgevoerd.
gehouden te worden. Verlichting dient zo beperkt
nodig
of rustplaatsen.
mogelijk gehouden te worden, bijvoorbeeld door het aanbrengen van on-demand verlichting en/of vleermuisvriendelijke verlichting.
Broedvogels
Verwijderen
art. 3.1 lid 2
Nee.
Deze activiteit zoveel mogelijk uitvoeren na het
Nee, mits
van struweel,
vernielen,
broedseizoen of de betreffende locatie vooraf laten
rekening
hogere kruiden
beschadigen of
inspecteren door een ter zake deskundige op het
gehouden wordt
en houtachtige
wegnemen van
voorkomen van in gebruik zijnde nesten. Bij
met in gebruik
begroeiing.
nesten
aanwezigheid van in gebruik zijnde nesten dient
zijnde nesten.
art. 3.1`lid 4 en
gewacht te worden tot de jongen niet meer
lid 5 verstoren
afhankelijk zijn van het nest.
van vogels tenzij de verstoring niet van wezenlijke invloed is. Reptielen
Op termijn:
art. 3.10 lid 1a
In de huidige
Bij toekomstige maaiwerkzaamheden de maaibalk
Nee, mits
(Hazelworm
Uitvoeren van
opzettelijk doden
situatie en bij
afstellen op 10 cm hoogte om schade aan
slachtoffers
en
beheer in de
of vangen.
de huidige
individuen te voorkomen. Voorafgaand aan de
voorkomen
Levendbaren
natuurdelen,
ontwikkelinge
grondwerkzaamheden ten behoeve van de aanleg
kunnen worden.
de hagedis)
uitvoeren
n niet.
van het helofytenfilter kan een inspectie door een
grondwerkzaa
ter zake kundige nodig zijn (afhankelijk van de
mheden.
ontwikkeling van de vegetatie). Om te voorkomen dat geschikt habitat ontstaat kan de locatie voor de aanleg van de helofytenfilter ook kort gehouden worden, een inspectie is dan niet nodig.
5.3 Conclusies Houtopstanden, hout en houtproducten Er is geen kap van bomen voorzien. Vervolgstappen zijn niet nodig.
28
Bureau Meervelt
6.
Quickscan Fish farm Terworm
LITERATUURLIJST EN WEBSITES
Beleidsregels ten behoeve van de passieve soortenbescherming onder de Wet natuurbescherming in Limburg. Provinciaal blad, 6 december 2017. Buggenum H.J.M. van, R.P.G. Geraeds & A.J.W. Lenders, 2009. Herpetofauna van Limburg. Verspreiding en ecologie van amfibieën en reptielen in de periode 1980 - 2008. Stichting Natuurpublicaties Limburg, Maastricht. Europese Gemeenschappen, Richtlijn no. 79-409 inzake het behoud van de Vogelstand. Brussel, 1979. Europese Gemeenschappen, Richtlijn no. 92-43 inzake de instandhouding van de natuurlijke habitats en de wilde flora en fauna. Brussel, 1992. Huizenga C.E., R.W. Akkermans, J.C. Buys, J. van der Coelen, H. Morelissen & L.S.G.M. Verheggen, 2010. Zoogdieren van Limburg, verspreiding en ecologie in de periode 1980 - 2007. Stichting Natuurpublicaties Limburg, Maastricht. K-Adviesgroep, 2021. Akoestisch onderzoek Fish farm Terworm. In opdracht van Geonius, 28 januari 2021. Kragten, 2018a. Werkzaamheden RWZI Heerlen - Verkennend flora- en faunaonderzoek. In opdracht van de gemeente Heerlen, 26 maart 2018. Kragten, 2018b. Werkzaamheden RWZI Heerlen - Rapportage Vleermuisonderzoek. In opdracht van de gemeente Heerlen, 2 november 2018. Lange R., P. Twist, A. van Winden & A. van Diepenbeek, 1994. Zoogdieren van West-Europa. Stichting Uitgeverij van de KNNV, VZZ i.s.m. Vereniging Natuurmonumenten, 1994. Luijten M., 2020.
Inrichtingsplan RWZI Terworm. In opdracht van de gemeente Heerlen, 15 oktober 2020. Ministerie van Infrastructuur en Milieu, 2012. Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte. Nederland concurrerend, bereikbaar, leefbaar en veilig. Provincie Limburg, 2014. Geconsolideerde versie (gc03) van de omgevingsverordening Limburg 2014. Provincie Limburg, 2020. Geleenbeekdal (154) - Hoofdrapport Natura 2000-plan 2020-2026 definitief. Verdrag inzake het behoud van wilde dieren en planten en hun natuurlijke milieu in Europa, 1979. Bern.
www.limburg.nl www.natuurgegevenslimburg.nl www.zoogdiervereniging.nl
29
Bijlage 1a Achtergronden Wet natuurbescherming In deze bijlage wordt kort ingegaan op een relevant geachte selectie uit de Wet natuurbescherming. Aan deze bijlage kunnen geen rechten worden ontleend. Voor de volledige tekst wordt verwezen naar de Wet natuurbescherming.
Wet Natuurbescherming Sinds 1 januari 2017 is de Wet natuurbescherming van kracht. Deze vervangt drie wetten; de Natuurbeschermingswet 1998, de Boswet en de Flora- en Faunawet. De wet bestaat uit 12 hoofdstukken waarvan voor deze quickscan de eerste vier hoofdstukken relevant zijn: - Hoofdstuk 1: Algemene bepalingen - Hoofdstuk 2: Natura 2000 - Hoofdstuk 3: Soorten - Hoofdstuk 4: Houtopstanden, hout en houtproducten De overige hoofdstukken behandelen vrijstellingen, beschikkingen en verplichtingen, financiële bepalingen, handhaving, overige aspecten, overgangsrecht en de wijziging en samenloop van en met andere wetten en/of wetsvoorstellen. De quickscan beperkt zich tot toetsing aan de eerste vier hoofdstukken. Eventueel relevante bepalingen over vrijstellingen (bijvoorbeeld bij ruimtelijke ontwikkelingen, bestendig beheer en onderhoud) worden in de quickscan ook meegenomen, De Rijksdienst voor Ondernemend Nederland (RVO) verleent ontheffingen en vergunningen voor ruimtelijke ingrepen die gevolgen voor de natuur kunnen hebben zoals: •
Projecten van gebieden die niet op provinciaal niveau zijn ingedeeld.
•
Hoofdwegen, hoofdvaarwegen en landelijke spoorwegen.
•
Kustbescherming: primaire waterkeringen zoals kustverdediging en rivierveiligheidsmaatregelen, zoals Ruimte voor de Rivier
projecten. •
Activiteiten op militaire terreinen en oefengebieden.
•
Landelijk energietransportnetwerk (hoogspanningsverbindingen vanaf 220kV).
•
Gastransportnetwerk
•
Activiteiten van of door een lid van het Koninklijk Huis
•
Valkeniersaktes
Voor alle andere ontheffingen en vergunningen is de provincie verantwoordelijk. In deze bijlage worden kort de kaders van de wet geschetst voor de gebiedsbescherming (Natura 2000), de soortbescherming en de houtopstanden.
Natura 2000
De biodiversiteit (soortenrijkdom) in Europa gaat al jaren achteruit. Duurzame bescherming van flora en fauna is hard nodig. Planten en dieren trekken zich weinig aan van landsgrenzen en het is daarom belangrijk om natuurbescherming in Europees verband aan te pakken. Zo wordt voorkomen dat de natuur in Europa en in Nederland steeds eenvormiger wordt. Daartoe is in 1979 de Vogelrichtlijn opgesteld en in 1992 de Habitatrichtlijn. Deze richtlijnen hebben twee componenten: soortenbescherming en gebiedsbescherming. Natura 2000 vormt de component gebiedsbescherming. Alle EU-lidstaten wijzen beschermde gebieden aan voor specifieke (leefgebieden van) (vogel-)soorten. De onder beide richtlijnen aangewezen beschermde gebieden vormen het Natura 2000-netwerk. De Nederlandse bijdrage aan dit Europese netwerk van beschermde natuurgebieden bestaat uit ruim 160 gebieden (www.synbiosys.alterra.nl).
Het is verboden zonder vergunning van gedeputeerde staten projecten te realiseren of andere handelingen te verrichten die gelet op de instandhoudingsdoelstellingen voor een Natura 2000-gebied de kwaliteit van de natuurlijke habitats of de habitats van soorten in dat gebied kunnen verslechteren of een significant verstorend effect kunnen hebben op de soorten waarvoor dat gebied is aangewezen.
Voor de habitattypen en (vogel)soorten waarvoor de Natura 2000-gebieden worden aangewezen, zijn door de overheid instandhoudingsdoelen opgesteld. Toetsing vindt altijd plaats in het licht van deze instandhoudingsdoelen. Ontwikkelingen alleen plaats kunnen vinden als zekerheid verkregen is omtrent het niet optreden van een verslechtering van de kwaliteit van de natuurlijke habitats en de habitats van soorten, dan wel de verstoring van soorten. Er is sprake van significante gevolgen als de instandhoudingsdoelstellingen door menselijk handelen (mogelijk) niet gehaald worden. Een vergunning kan alleen verleend worden als zeker is dat het plan of project niet leidt tot aantasting van de natuurlijke kenmerken. Met andere woorden: er mogen best activiteiten ontplooid worden in of bij een Natura 2000-gebied, zolang een activiteit maar niet leidt tot significante gevolgen. Voor alle Natura 2000-gebieden worden beheerplannen opgesteld. Daarin staan de instandhoudingsdoelen, hoe deze doelen bereikt kunnen worden en voorbeelden van welke activiteiten zijn toegestaan en welke vergunningplichtig zijn. Natura 2000 heeft een externe werking.
Dit betekent dat ook activiteiten buiten het Natura 2000-gebied, die negatieve gevolgen kunnen hebben voor het Natura 2000-gebied, getoetst moeten worden aan de Wet natuurbescherming (denk bijvoorbeeld aan verdroging van een natuurgebied als gevolg van grootschalige wateronttrekking enkele kilometers verder). In de quickscan wordt, als dat nodig is, een paragraaf opgenomen waarin de kans op significante negatieve effecten als gevolg van de voorgenomen ontwikkeling wordt beoordeeld. Deze paragraaf kan gezien worden als een voortoets op grond waarvan overleg gevoerd kan worden met bevoegd gezag over de noodzaak van een vergunning op grond van de Wet natuurbescherming. Als significant negatieve effecten niet op voorhand kunnen worden uitgesloten is in veel gevallen een passende beoordeling en een vergunning nodig.
Soortbescherming
Onafhankelijk van gebieden worden ook soorten beschermd in de Wet natuurbescherming. Ten aanzien van soorten gelden drie beschermingsregimes. Deze beschermingsregimes komen gedeeltelijk overeen met elkaar, in detail verschillen ze echter. De groepen waarvoor de verschillende beschermingsregimes in het leven zijn geroepen worden hieronder weergegeven met de belangrijkste verbodsbepalingen. In de daaropvolgende lijsten worden de afzonderlijke beschermde soorten weergegeven. 1. Soorten van de Vogelrichtlijn. Dit zijn alle van nature in Nederland in het wild levende vogels (zoals bedoelt in artikel 1 van de Vogelrichtlijn). Het is verboden opzettelijk nesten, rustplaatsen en eieren van deze vogels te vernielen of te beschadigen, of nesten van vogels weg te nemen, eieren te rapen of onder zich te hebben en vogels zodanig te storen dat deze storing van wezenlijke invloed is op de staat van instandhouding.
2. Soorten van de Habitatrichtlijn. Dit zijn soorten die genoemd zijn in Bijlage IV van de Habitatrichtlijn, Bijlage I en II van het Verdrag van Bern en Bijlage II van het Verdrag van Bonn. In de Bijlagen van de Verdragen van Bern en Bonn worden ook vogels genoemd. Het is verboden deze dieren opzettelijk te doden of te vangen, te verstoren, eieren opzettelijk te vernielen of te rapen, voortplantingsplaatsen of rustplaatsen te beschadigen of te vernielen en het is verboden planten opzettelijk te plukken en te verzamelen, af te snijden, te ontwortelen of te vernielen.
3. Nationaal aangewezen (overige soorten). Dit zijn soorten genoemd in de bijlage van de Wet natuurbescherming. Het gaat om de bescherming van in nationaal opzicht te beschermen soorten, die zijn genoemd op de Vogel- of Habitatrichtlijn (art. 3.10 3.11 Wet natuurbescherming). Reden voor de bescherming is de maatschappelijke overtuiging dat deze dieren bescherming behoeven. Andere in de bijlage opgenomen soorten worden om ecologische redenen beschermd. Het is verboden vaste voortplantingsplaatsen of rustplaatsen van dieren opzettelijk te beschadigen of te vernielen of vaatplanten opzettelijk te plukken en te verzamelen, af te snijden, te ontwortelen of te vernielen.
De wet voorziet in mogelijkheden voor het verlenen van vrijstellingen. Deze vrijstellingen dienen steeds bij verordening door provinciale staten te worden verleend. Bij het verlenen van de vrijstelling moet aan dezelfde voorwaarden worden voldaan als bij het verlenen van een ontheffing. Aan Gedeputeerde staten van de provincies is in de Wet natuurbescherming beleidsvrijheid toegekend. De provincie Limburg heeft ter invulling van deze beleidsvrijheid ‘Beleidsregels ten behoeve van de passieve soortenbescherming onder de Wet natuurbescherming in Limburg’ vastgesteld. Doel is om ruimte voor (ruimtelijke) ontwikkelingen in Limburg te bieden, soorten in een gunstige staat van instandhouding te houden en administratieve lasten en onderzoekslasten te minimaliseren. In deze beleidsregels worden verbodsbepalingen nader uitgelegd, worden indieningsvereisten voor een ontheffingsaanvraag uiteengezet, de eisen die aan onderzoek gesteld worden en wordt ingegaan op de ontheffing. Waar nodig worden in deze quickscan de beleidsregels betrokken. In onderstaande tabel zijn de soorten van de habitatrichtlijn en de andere soorten opgenomen. Tabellen met vogelsoorten met jaarrond beschermde nesten zijn opgenomen in de quickscan. Na deze tabel volgt een tabel met soorten waarvoor een vrijstelling is opgenomen bij ruimtelijke ontwikkelingen, bestendig beheer en onderhoud.
HABITATRICHTLIJN Zoogdieren Baardvleermuis
Myotis mystacinus
Kleine hoefijzerneus
Rhinolophus hipposideros
Bechstein’s vleermuis
Myotis bechsteinnii
Laatvlieger
Eptesicus serotinus
Bever
Castor fiber
Lynx
Lynx lynx
Bosvleermuis
Nyctalus leisleri
Meervleermuis
Myotis dasycneme
Brandt’s vleermuis
Myotis brandtii
Mopsvleermuis
Barbastella barbastellus
Bruinvis
Phocoena phocoena
Nathusius’ vleermuis
Pipistrellus nathusii
Euraziatische lynx
Lynx lynx
Noordse woelmuis
Microtus oeconomus
Franjestaart
Myotis nattereri
Otter
Lutra lutra
Gewone dolfijn
Delphinus delphis
Rosse vleermuis
Nyctalus noctula
Gewone dwergvleermuis
Pipistrellus pipistrellus
Tuimelaar
Tursiops truncatus
Gewone grootoorvleermuis
Plecotus auritus
Tweekleurige vleermuis
Vespertilio murinus
Hazelmuis
Muscardinus avellanarius
Vale vleermuis
Myotis myotis
Ingekorven vleermuis
Myotis emarginatus
Wilde kat
Felis silvestris
Kleine dwergvleermuis
Pipistrellus pygmaeus
Wolf
Canus lupus
Boomkikker
Hyla arborea
Muurhagedis
Podarcis muralis
Geelbuikvuurpad
Bombina variegata
Poelkikker
Rana lessonae
Gladde slang
Coronella austriacus
Rugstreeppad
Bufo calamita
Heikikker
Rana arvalis
Vroedmeesterpad
Alytes obstreticans
Kamsalamander
Triturus cristatus
Zandhagedis
Lacerta agilis
Knoflookpad
Pelobates fuscus
Reptielen en amfibieën
Dagvlinders Donker pimpernelblauwtje
Maculinea nausithous
Tijmblauwtje
Maculinea arion
Grote vuurvlinder
Lycaena dispar
Zilverstreephooibeestje
Coenonympha hero
Pimpernelblauwtje
Maculinea teleius
Nachtvlinders Teunisbloempijlstaart
Proserpinus proserpina
Libellen Bronslibel
Oxygastra curtisii
Noordse winterjuffer
Sympecma paedisca
Gaffellibel
Ophiogomphus cecilia
Oostelijke witsnuitlibel
Leucorrhinia
Gevlekte witsnuitlibel
Leucorrhinia pectoralis
Rivierrombout
Stylurus flavipes
Groene glazenmaker
Aeshna viridis
Sierlijke witsnuitlibel
Leucorrhinia caudalis
Conegonus oxyrrhynchus
Steur
Acipenser sturio
Drijvende waterweegbree
Luronium natans
Kruipend moerasscherm
Apium repens
Groenknolorchis
Liparis loeselii
Zomerschroeforchis
Spiranthes aestivalis
Brede geelrandwaterroofkever
Dytiscus latissimus
Heldenbok
Cerambyx cerdo
Gestreepte waterroofkever
Graphoderus bilineatus
Juchtleerkever
Osmoderma eremita
Vermiljoenkever
Cucujus cinnaberinus
Unio crassus
Platte schijfhoren
Anisus vorticulus
Blaasvaren
Cystopteris fragilis
Kleine wolfsmelk
Euphorbia exigua
Groensteel
Asplenium viride
Kluwenklokje
Campanula glomerata
Schubvaren
Ceterach officinarum
Knollathyrus
Lathyrus linifolius
Akkerboterbloem
Ranunculus arvensis
Knolspirea
Filipendula vulgaris
Akkerdoornzaad
Torilis arvensis
Korensla
Arnoseris minima
Akkerogentroost
Odontites vernus
Kranskarwij
Carum verticillatum
Beklierde ogentroost
Euphrasia rostkoviana
Kruiptijm
Thymus praecox
Berggamander
Teucrium montanum
Lange zonnedauw
Drosera longifolia
Bergnachtorchis
Platanthera montana
Liggende ereprijs
Veronica prostrata
Blauw guichelheil
Anagallis arvensis
Moerasgamander
Teucrium scordium
Bokkenorchis
Himantoglossum hircinum
Muurbloem
Erysimum cheiri
Bosboterbloem
Ranunculus polyanthemos
Naakte lathyrus
Lathyrus aphaca
Bosdravik
Bromopsis ramosa
Naaldenkervel
Scandix pecten-veneris
Pijlscheefkelk
Arabis hirsuta
Vissen Houting Vaatplanten
Kevers
Weekdieren Bataafse stroommossel
NATIONAAL Planten
Brave hendrik
Chenopodium
bonus-
henricus
Brede wolfsmelk
Euphorbia platyphyllos
Roggelelie
Lilium bulbiferum
Breed wollegras
Eriophorum latifolium
Rood peperboompje
Daphne mezereum
Bruinrode wespenorchis
Epipactis atrorubens
Rozenkransje
Antennaria dioica
Dennenorchis
Goodyera repens
Ruw parelzaad
Lithospermum arvense
Dreps
Bromus secalinus
Scherpkruid
Asperugo procumbens
Echte gamander
Teucrium chamaedrys
Schubzegge
Carex lepidocarpa
Franjegentiaan
Gentianella ciliata
Smalle raai
Galeopsis angustifolia
Geelgroene wespenorchis
Epipactis muelleri
Spits havikskruid
Hieracium lactucella
Geplooide vrouwenmantel
Alchemilla subcrenata
Steenbraam
Rubus saxatilis
Getande veldsla
Valerianella dentata
Stijve wolfsmelk
Euphorbia stricta
Gevlekt zonneroosje
Tuberaria guttata
Stofzaad
Monotropa hypopitys
Glad biggenkruid
Hypochaeris glabra
Tengere distel
Carduus tenuiflorus
Gladde zegge
Carex laevigata
Tengere veldmuur
Minuartia hybrida
Groene nachtorchis
Coeloglossum viride
Trosgamander
Teucrium botrys
Groot spiegelklokje
Legousia speculum-veneris
Veenbloembies
Scheuchzeria palustris
Grote bosaardbei
Fragaria moschata
Vliegenorchis
Ophrys insectifera
Grote leeuwenklauw
Aphanes arvensis
Vroege ereprijs
Veronica praecox
Honingorchis
Herminium monorchis
Wilde ridderspoor
Consolida regalis
Kalkboterbloem
Ranunculus polyanthemos
Wilde averuit
Artemisia campestris
Kalketrip
Centaurea calcitrapa
Wilde weit
Melampyrum arvense
Karthuizeranjer
Dianthus carthusianorum
Wolfskers
Atropa bella-donna
Karwijsalie
Selinum carvifolia
Zandwolfsmelk
Euphorbia seguieriana
Kleine ereprijs
Veronica verna
Zinkviooltje
Viola lutea subsp. calaminaria
Kleine schorseneer
Scorzonera humilis
Zweedse kornoelje
Cornus suecica
Kevers Viegend hert
Lucanus cervus
Libellen Beekrombout
Gomphus vulgatissimus
Gewone bronlibel
Cordulegaster boltonii
Bosbeekjuffer
Calopteryx virgo
Hoogveenglanslibel
Somatochlora arctica
Donkere waterjuffer
Coenagrion armatum
Kempense heidelibel
Sympetrum depressiusculum
Gevlekte glanslibel
Somatochlora flavomaculata
Speerwaterjuffer
Coenagrion hastulatum
Aardbeivlinder
Pyrgus malvae
Kleine heivlinder
Hipparchia statilinus
Bosparelmoervlinder
Melitaea athalia
Kleine ijsvogelvlinder
Limenitis camilla
Bruin dikkopje
Erynnis tages
Kommavlinder
Hesperia comma
Bruine eikenpage
Satyrium ilicis
Sleedoornpage
Thecla betulae
Duinparelmoervlinder
Argynnis niobe
Spiegeldikkopje
Heteropterus morpheus
Gentiaanblauwtje
Maculinea alcon
Veenbesblauwtje
Plebejus optilete
Grote parelmoervlinder
Argynnis aglaja
Veenbesparelmoervlinder
Boloria aquilonaris
Grote vos
Nymphalis polychloros
Veenhooibeestje
Coenonympha tullia
Grote weerschijnvlinder
Apatura iris)
Veldparelmoervlinder
Melitaea cinxia
Iepenpage
Satyrium w-album
Zilveren maan
Boloria selene
Dagvlinders
Kreeftachtigen Europese rivierkreeft
Astacus astacus
Vissen Beekdonderpad
Cottus rhenanus
Gestippelde alver
Alburnoides bipunctatus
Beekprik
Lampetra planeri
Grote modderkruiper
Misgurnus fossilis
Elrits
Phoxinus phoxinus
Kwabaal
Lota lota
Alpenwatersalamander
Mesotriton alpestris
Meerkikker
Rana ridibunda
Bruine kikker
Rana temporaria
Middelste groene kikker
Pelophylax kl. esculentus
Gewone pad
Bufo bufo
Vinpootsalamander
Lissotriton helveticus
Kleine watersalamander
Lissotriton vulgaris
Vuursalamander
Salamandra salamandra
Adder
Vipera berus ssp. berus
Levendbarende hagedis
Zootoca vivipara
Hazelworm
Anguis fragilis
Ringslang
Natrix natrix
Amfibieën
Reptielen
Zoogdieren Aardmuis
Microtus agrestis
Konijn
Oryctolagus cuniculus
Boommarter
Martes martes
Molmuis
Arvicola scherman
Bosmuis
Apodemus sylvaticus
Ondergrondse woelmuis
Pitymys subterraneus
Bunzing
Mustela putorius
Ree
Capreolus capreolus
Damhert
Dama dama
Rosse woelmuis
Clethrionomys glareolus
Das
Meles meles
Steenmarter
Martes foina
Dwergmuis
Micromys minutus
Tweekleurige bosspitsmuis
Sorex coronatus
Dwergspitsmuis
Sorex minutus
Veldmuis
Microtus arvalis
Edelhert
Cervus elaphus
Veldspitsmuis
Crocidura leucodon
Eekhoorn
Sciurus vulgaris
Vos
Vulpes vulpes
Egel
Erinaceus europeus
Waterspitsmuis
Neomys fodiens
Eikelmuis
Eliomys quercinus
Wezel
Mustela nivalis
Gewone bosspitsmuis
Sorex araneus
Wild zwijn
Sus scrofa
Grote bosmuis
Apodemus flavicollis
Woelrat
Arvicola terrestris
Haas
Lepus europeus
Gewone zeehond
Phoca vitulina
Hermelijn
Mustela erminea
Grijze zeehond
Halichoerus grypus
Huisspitsmuis
Crocidura russula
VRIJSTELLING RUIMGTELIJKE ONTWIKKELINGEN 3.8 LIMBURG (bijlage II zorgplicht, gehele jaar of vrijstelling in de maanden die genoemd zijn) Nederlandse naam
Periode
Nederlandse naam
Periode
Bruine kikker
Gehele jaar
Haas
Gehele jaar
Gewone pad
Gehele jaar
Hermelijn
Gehele jaar
Kleine watersalamander
Gehele jaar
Huisspitsmuis
Gehele jaar
Meerkikker
Gehele jaar
Konijn
Gehele jaar
Middelste groene kikker
Gehele jaar
Ondergrondse woelmuis
Gehele jaar
Hazelworm
juli, augustus en september
Molmuis
Gehele jaar
Levendbarende hagedis
15 aug t/m 15 oktober
Ree
Gehele jaar
Aardmuis
Gehele jaar
Rosse woelmuis
Gehele jaar
Bosmuis
Gehele jaar
Steenmarter
15 aug t/m februari
Bunzing
Gehele jaar
Tweekleurige bosspitsmuis
Gehele jaar
Dwergmuis
Gehele jaar
Veldmuis
Gehele jaar
Dwergspitsmuis
Gehele jaar
Vos
Gehele jaar
Eekhoorn
maart, april en juli t/m nov
Wezel
Gehele jaar
Egel
Gehele jaar
Woelrat
Gehele jaar
Gewone bosspitsmuis
Gehele jaar
GECONSOLIDEERDE VERSIE (GC03) VAN DE OMGEVINGSVERORDENING LIMBURG 2014 Artikel 3.8.3 Vrijstelling ruimtelijke ontwikkeling en bestendig beheer of onderhoud 1.
In afwijking van de verboden in artikel 3.10, eerste lid, onder a en b, van de Wet natuurbescherming is het aan eenieder toegestaan om de in bijlage II bij dit artikel aangewezen soorten te vangen en hun vaste voortplantingsplaatsen of rustplaatsen opzettelijk te beschadigen of te vernielen.
2.
De soorten bedoeld in het eerste lid mogen worden gevangen met behulp van schepnetten, schermen, vangemmers, vangkooien en kastvallen.
3.
Het vangen van dieren, bedoeld in het eerste lid, is slechts toegestaan wanneer het niet redelijkerwijs mogelijk is om de dieren te verdrijven van de locatie waar de werkzaamheden plaatsvinden
4.
De in het eerste lid genoemde vrijstellingen gelden ten behoeve van de volgende belangen:
a. in het kader van de ruimtelijke inrichting of ontwikkeling van gebieden, daaronder begrepen het daarop volgende gebruik van het ingerichte of ontwikkelde gebied; b. in het kader van bestendig beheer of onderhoud in de landbouw of bosbouw; c. in het kader van bestendig beheer of onderhoud aan vaarwegen, watergangen, waterkeringen, waterstaatswerken, oevers, vliegvelden, wegen, spoorwegen of bermen, of in het kader van natuurbeheer; d. in het kader van bestendig beheer of onderhoud van de landschappelijke kwaliteiten van een bepaald gebied. 5.
De vrijstellingen gelden gedurende de periode genoemd in bijlage II bij de betreffende soort.
Wet Natuurbescherming ontheffing/vrijstelling Of een ontheffing of vrijstelling verleend kan worden of van toepassing is, ligt aan de voorwaarden die gesteld zijn in de wet. Deze voorwaarden zijn zwaarder bij soorten van de vogel- en habitatrichtlijn en minder zwaar bij overige soorten. Een voorbeeld: voor een overige soort kan bij een ontheffingsaanvraag als belang het uitvoeren van een ruimtelijke ontwikkeling genoemd worden, voor een vogelrichtlijnsoort geldt dit belang niet en moet aangetoond worden dat er geen andere bevredigende oplossing is en dat de voorgenomen ontwikkeling een groot belang dient (bijvoorbeeld volksgezondheid of openbare veiligheid). De belangen staan genoemd in de wet.
Houtopstanden, hout en houtproducten
Een houtopstand is een zelfstandige eenheid van bomen, boomvormers, struiken, hakhout of griend die: a. een oppervlakte grond beslaat van tien are of meer, of b. bestaat uit een rijbeplanting die meer dan twintig bomen omvat, gerekend over het totaal aantal rijen. Het is op grond van de Wet natuurbescherming verboden een houtopstand geheel of gedeeltelijk te vellen of te doen vellen, met uitzondering van het periodiek vellen van griend- of hakhout, zonder voorafgaande melding daarvan bij gedeputeerde staten. Provinciale staten kunnen bij verordening regels stellen over een dergelijke melding. Deze regels kunnen in elk geval betrekking hebben op: a. de gegevens die bij de melding worden verstrekt, b. de termijn waarbinnen de melding wordt gedaan, en c. de wijze waarop de melding wordt gedaan. Gedeputeerde staten kunnen het vellen van houtopstanden telkens voor ten hoogste vijf jaar verbieden ter bescherming van bijzondere natuur- of landschapswaarden. De verbodsbepaling heeft geen betrekking op: a. houtopstanden binnen de bij besluit van de gemeenteraad vastgestelde grenzen van de bebouwde kom; b. houtopstanden op erven of in tuinen; c. fruitbomen en windschermen om boomgaarden; d. naaldbomen, kennelijk bedoeld om te dienen als kerstbomen, indien niet ouder dan twintig jaar; e. kweekgoed; f. uit populieren of wilgen bestaande: 1°. wegbeplantingen; 2°.
beplantingen langs waterwegen, en 3°. eenrijige beplantingen langs landbouwgronden; g. het dunnen van een houtopstand; h. uit populieren, wilgen, essen of elzen bestaande beplantingen die kennelijk zijn bedoeld voor de productie van houtige biomassa, indien zij: 1°. ten minste eens per tien jaar worden geoogst; 2°. bestaan uit minstens tienduizend stoven per hectare per beplantingseenheid, zijnde een aaneengesloten beplanting die niet wordt doorsneden door onbeplante stroken breder dan twee meter, en 3°. zijn aangelegd na 1 januari 2013.
Ingeval een houtopstand geheel of gedeeltelijk is geveld, met uitzondering van het periodiek vellen van griend- of hakhout, of anderszins teniet is gegaan, draagt de rechthebbende zorg voor het op bosbouwkundig verantwoorde wijze herbeplanten van dezelfde grond binnen drie jaar na het vellen of tenietgaan van de houtopstand. Als de beplanting niet aan slaat moet deze binnen drie jaar na de herbeplanting vervangen worden. Het verbod op vellen en de herplantplicht is niet van toepassing op - het vellen van houtopstanden ter uitvoering van een instandhoudingsmaatregel of een passende maatregel als bedoeld in artikel 2.2 (Natura 2000); - het vellen van houtopstanden voor de aanleg en het onderhoud van brandgangen op natuurterreinen, of - het vellen van houtopstanden en herbeplanten op een wijze die is beschreven in en aantoonbaar wordt gerealiseerd overeenkomstig een door Onze Minister goedgekeurde gedragscode. De wijze van vellen en herplanten wordt dan zodanig uitgevoerd dat: a. geen afbreuk wordt gedaan aan bijzondere natuur- of landschapswaarden; b. de te vellen houtopstanden geen deel uitmaken van een boskern; c. herbeplanting op een bosbouwkundig verantwoorde wijze plaatsvindt; d. de grond waarop herbeplanting plaatsvindt ten minste dezelfde kwaliteit heeft als de grond waarop de gevelde houtopstand zich bevond, en e.
de grond waarop de herbeplanting plaatsvindt ten minste een gelijke oppervlakte heeft als de grond waarop de gevelde houtopstand zich bevond.
Bijlage 1b Achtergrond bescherming Natuurnetwerk Nederland In deze bijlage wordt kort ingegaan op de achtergronden van het Natuurnetwerk Nederland. Aan deze bijlage kunnen geen rechten worden ontleend. Voor de volledige informatie wordt verwezen naar de Structuurvisie Infrastructuur en ruimte en de provinciale verordeningen ruimte. Om flora- en faunasoorten in staat te stellen om op lange termijn te overleven en zich te ontwikkelen zijn vanuit ruimtelijk oogpunt twee zaken essentieel: het behoud van leefgebieden en de mogelijkheden om zich te kunnen verplaatsen tussen leefgebieden. In internationaal verband heeft Nederland zich met het Biodiversiteitsverdrag en de Europese Vogel- en Habitatrichtlijn (Natura 2000) gecommitteerd aan afspraken over soorten (flora en fauna) en leefgebieden van soorten (habitats). Binnen de door het Rijk gestelde kaders begrenzen, beschermen en onderhouden de provincies een natuurnetwerk met de juiste ruimtelijke, water- en milieucondities voor kenmerkende ecosystemen van (inter)nationaal belang. Dit provincie- en landsgrensoverschrijdende netwerk is de herijkte nationale Ecologische Hoofdstructuur (EHS), nu het Nationale natuurnetwerk (NNN) geheten. De provincies geven bij de inzet van middelen voor inrichting en beheer prioriteit aan internationale verplichtingen voortvloeiend uit Natura 2000, de Kaderrichtlijn Water en de soortenbescherming.
De natuur in de EHS blijft goed beschermd met een ‘nee, tenzij’-regime. Binnen de EHS zijn nieuwe projecten, plannen en handelingen met een significant negatief effect op de wezenlijke kenmerken en waarden van de EHS niet toegestaan, tenzij er sprake is van een groot openbaar belang en reële alternatieven ontbreken. De flexibiliteit in begrenzing en de mogelijkheden om ontwikkelingen toe te staan, die in het beleidskader Spelregels EHS zijn uitgewerkt (EHS-saldobenadering, herbegrenzen EHS, compensatie), blijven hierbij overeind. De uitwerking van het nee,tenzij regime vindt plaats in de provinciale omgevingsverordeningen of verordeningen Ruimte. In de provincie Limburg wordt het NNN gevormd door de Goudgroene natuurzone. De regels ter bescherming van deze Goudgroene natuurzone zijn opgenomen in de geconsolideerde versie (gc05) van de Omgevingsverordening Limburg 2014. Paragraaf 2.6 Goudgroene natuurzone Artikel 2.6.1 Begrippen In deze paragraaf wordt verstaan onder:
a. Goudgroene natuurzone: gebied dat op de kaarten behorende bij deze verordening is aangeduid als Goudgroene natuurzone; b. wezenlijke kenmerken en waarden Goudgroene natuurzone: voor bestaande natuurgebieden de actueel aanwezige natuurbeheertypen en de nagestreefde natuurdoeltypen en voor te realiseren natuurgebieden de nagestreefde natuurdoeltypen zoals vastgelegd op de beheertypenkaart en de ambitiekaart van het Provinciaal Natuurbeheerplan. Artikel 2.6.2 Bescherming Goudgroene natuurzone Een ruimtelijk plan dat betrekking heeft op een gebied dat deel uitmaakt van de Goudgroene natuurzone, maakt geen nieuwe activiteiten dan wel wijziging van bestaande activiteiten mogelijk die de wezenlijke kenmerken en waarden van het gebied aantasten. Artikel 2.6.3 Ontwikkelingen van groot openbaar belang Het verbod van artikel 2.6.2 is niet van toepassing op nieuwe activiteiten dan wel wijziging van bestaande activiteiten, indien: a. er sprake is van een groot openbaar belang; b. er geen reële alternatieven zijn en c. uit het ruimtelijk plan blijkt dat en hoe negatieve effecten waar mogelijk worden beperkt en voor het overige worden gecompenseerd, waarbij: 1. de compensatie niet mag leiden tot verlies van areaal, samenhang en kwaliteit van de wezenlijke kenmerken en waarden; en 2.
de compensatie plaatsvindt: - op financiële wijze of - in natura in nog niet gerealiseerde delen van de Goudgroene natuurzone. Artikel 2.6.4 Saldobenadering bij samenhangende ontwikkelingen 1. Het verbod van artikel 2.6.2 is niet van toepassing bij een combinatie van onderling samenhangende activiteiten, waarvan één of meer afzonderlijk een negatief effect hebben op de Goudgroene natuurzone, maar waarvan de gecombineerde uitvoering leidt tot een verbetering van de kwaliteit en samenhang van de Goudgroene natuurzone op gebiedsniveau. 2. Toepassing van de saldobenadering als bedoeld in het eerste lid, vindt alleen plaats, indien: a. de combinatie van plannen, projecten of handelingen binnen één samenhangende gebiedsvisie wordt gepresenteerd; b. per saldo sprake is van verbetering van de natuurwaarden in en rond het gebied, waarbij de samenhang van de goudgroene natuurzone verbetert; c. ten aanzien van de te nemen maatregelen ter verbetering van de natuurwaarden in de gebiedsvisie wordt aangegeven: - de aard, omvang, locaties en tijdvak van realisatie van deze maatregelen, en - op welke wijze deze maatregelen feitelijk en planologisch duurzaam worden geborgd. d. de uitvoering van deze visie voldoende is gegarandeerd; e. de kwaliteitswinst niet wordt gefinancierd uit reguliere middelen voor realisatie van de Artikel 2.6.5 Kleinschalige ingrepen 1.
Het verbod van artikel 2.6.2 is niet van toepassing op een individuele, kleinschalige ingreep die leidt tot een verbetering van de Goudgroene natuurzone in het desbetreffende gebied. 2. Toepassing van het eerste lid vindt alleen plaats indien uit het ruimtelijk plan blijkt dat: a. de voorgestelde ingreep slechts leidt tot een beperkte aantasting van de wezenlijke kenmerken en waarden en samenhang van de Goudgroene natuurzone in het desbetreffende gebied; b. de voorgestelde ingreep leidt tot een kwalitatieve versterking van de Goudgroene natuurzone; c. de oppervlakte natuur van de Goudgroene natuurzone ten minste gelijk blijft, en d. de kwaliteitswinst niet wordt gefinancierd uit reguliere middelen voor realisatie van de Goudgroene natuurzone; Artikel 2.6.6 Wijzigen van de begrenzing Gedeputeerde Staten kunnen de begrenzing van de Goudgroene natuurzone wijzigen: 1. ten einde de ecologische kwaliteit te verbeteren, voor zover
a. de oorspronkelijke kwalitatieve en kwantitatieve ambities van de Goudgroene natuurzone worden behouden of versterkt; b. vaststaat welk onderdeel van de Goudgroene natuurzone verdwijnt en op welke alternatieve locatie dit onderdeel wordt gerealiseerd en c. de oppervlakte natuur van de Goudgroene natuurzone ten minste gelijk blijft. 2. na toepassing van artikel 2.6.3 tot en met 2.6.5. Artikel 2.6.7 Beleidsregels 1. Gedeputeerde Staten stellen beleidsregels vast voor wijze waarop invulling wordt aan de bepalingen van de artikelen 2.6.3 tot en met 2.6.5. 2. Gedeputeerde Staten stellen beleidsregels8 vast voor de wijze waarop de compensatie als bedoeld in artikel 2.6.3 dient te worden uitgevoerd. Voor ruimtelijke activiteiten in de Goudgroene natuurzone zie stroomschema volgende pagina. In de Omgevingsverordening ruimte van de provincie Limburg is ook de bescherming opgenomen van de Zilvergroene natuurzone en de Bronsgroene landschapszone. Deze zones flankeren de Goudgroene natuurzone. Voor deze zones geldt dat de kernkwaliteiten behouden dienen te blijven. De kernkwaliteiten zijn beschreven in bijlage 5.
8
Dit is de Beleidsregel natuurcompensatie Limburg.
Bijlage 2 Gegevens NDFF
Bijlage 3: Situatietekening bestaand Bron: Vandenberg -Windemuller, laatste wijziging 18-3-2021. Deze situatietekening wordt als PDF meegeleverd voor meer detail.
Bijlage 4 Situatietekening nieuw Bron: Vandenberg -Windemuller, laatste wijziging 18-3-2021. Deze situatietekening wordt als PDF meegeleverd voor meer detail.
Bijlage 5: Foto’s verbouwing ketelhuis tot vleermuisverblijf
Bijlage 6 Aerius-berekeningen De originele PDF’s worden als bijlage meegestuurd. Hier zijn alleen de resultaten weergegeven. 6a Aerius-berekening aanlegfase 2021 (sleuf graven ten behoeve van leiding)
6b Aerius-berekening aanlegfase 2022 (grondwerkzaamheden tbv helofytenfilter)
6c Aerius-berekening gebruiksfase vanaf 2022