Bijlage 5-Quickscan flora en fauna.pdf
Tekst van het document
Quickscan Wet natuurbescherming Fish farm Terworm 2021
Quickscan Wet natuurbescherming Fish farm Terworm 2021
Status: Definitief 29 april 2021
Projectnummer: 21-050 Foto omslag: Zicht op plangebied.
INHOUDSOPGAVE
1.
INLEIDING ...................................................................................................................................................... 1 1.1 Aanleiding ................................................................................................................................................. 1 1.2 Beschrijving van het plangebied ............................................................................................................... 2 1.3 Voorgenomen ontwikkeling ....................................................................................................................... 4 1.3.1 Aanleg en ingebruikname karperkwekerij ............................................................................................. 9 1.3.2 Ontwikkeling van natuurwaarden ........................................................................................................ 10 1.4 Opzet van de quickscan .......................................................................................................................... 10
2.
ANALYSE GEBIEDSBESCHERMING .......................................................................................................... 11 2.1 Inleiding................................................................................................................................................... 11 2.2 Afwegingskader Wet natuurbescherming - Natura 2000 (Voortoets) ...................................................... 11 2.2.1 Ligging ten opzichte van Natura 2000 ................................................................................................. 11 2.2.2 Instandhoudingsdoelstellingen Natura 2000-gebied Geleenbeekdal .................................................. 12 2.2.3 Mogelijk optredende storingsfactoren ................................................................................................. 13 2.2.4 Verspreiding kwalificerende habitattypen en habitatrichtlijnsoorten .................................................... 14 2.2.5 Beoordeling kans op significante gevolgen ......................................................................................... 14 2.3 Afwegingskader Omgevingsverordening Provincie Limburg 2014 .......................................................... 16 2.3.1 Ligging ten opzichte van Goudgroen, Zilvergroen en Bronsgroen ......................................................
17 2.3.2 Beoordeling effecten op Goudgroen, Zilvergroen en Bronsgroen ....................................................... 19 2.3.3 Vervolgstappen ................................................................................................................................... 19
3.
ANALYSE SOORTBESCHERMING ............................................................................................................. 20 3.1 Inleiding................................................................................................................................................... 20 3.2 Flora ........................................................................................................................................................ 20 3.3 Zoogdieren .............................................................................................................................................. 21 3.4 Vogels ..................................................................................................................................................... 22 3.5 Amfibieën ................................................................................................................................................ 24 3.6 Reptielen ................................................................................................................................................. 24 3.7 Overige beschermde soorten .................................................................................................................. 25
4.
HOUTOPSTANDEN, HOUT EN HOUTPRODUCTEN .................................................................................. 26 4.1 Inleiding................................................................................................................................................... 26 4.2 Te kappen bomen en houtopstanden...................................................................................................... 26
5.
CONCLUSIES .............................................................................................................................................. 27 5.1 Conclusies gebiedsbescherming............................................................................................................. 27 5.2 Conclusies soortbescherming ................................................................................................................. 27 5.3 Conclusies Houtopstanden, hout en houtproducten................................................................................ 28
6.
LITERATUURLIJST EN WEBSITES ............................................................................................................. 29
Bijlage 1a Achtergronden Wet natuurbescherming ............................................................................................... 30 Bijlage 1b Achtergrond bescherming Natuurnetwerk Nederland ........................................................................... 37 Bijlage 2 Gegevens NDFF ..................................................................................................................................... 41 Bijlage 3 Situatietekening bestaand....................................................................................................................... 43 Bijlage 4 Situatietekening nieuw ............................................................................................................................ 44 Bijlage 5 Foto’s verbouwing ketelhuis tot vleermuisverblijf .................................................................................... 45 Bijlage 6 Aerius-berekeningen ............................................................................................................................... 46
Bureau Meervelt
1.
Quickscan Fish farm Terworm
INLEIDING
1.1 Aanleiding De gemeente Heerlen heeft het voornemen medewerking te verlenen aan het vestigen van een karperkwekerij (verder Fish farm genoemd) en een meer natuurlijke inrichting op het terrein van de voormalige rioolzuiveringsinstallatie (RWZI) aan de Eikendermolenweg 100 in Terworm. De RWZI is in 2015 buiten gebruik gesteld. In 2017 heeft het Waterschapsbedrijf Limburg het terrein overgedragen aan de gemeente Heerlen; de Terworm Fish farm B.V. heeft met de gemeente een erfpacht-overeenkomst voor het gebruik van een deel van het terrein afgesloten. De ontwikkeling van de RWZI tot karperkwekerij en natuur vindt plaats in het kader van het IBAconcept (Internationale Bau Ausstellung) dat in Parkstad tot najaar 2022 wordt toegepast. Doel van het IBA-concept is het toepassen van een formule die in een regio of stad een krachtige impuls geeft aan economie, ruimte én samenleving. Gestelde randvoorwaarden voor het terrein waren: Het herkenbaar blijven als RWZI (industrieel erfgoed), Het bieden van ruimte voor natuurontwikkeling, Het bieden van ruimte voor kleinschalige economische ontwikkeling. Het beoogde project voldoet aan deze drie randvoorwaarden. In deze quickscan wordt in beeld gebracht welke beschermde natuurwaarden in het plangebied (mogelijk) aanwezig zijn.
De voorgenomen ontwikkeling wordt getoetst aan de Wet natuurbescherming, de Beleidsregels ten behoeve van de passieve soortenbescherming in Limburg en het gebiedsbeschermingsregime in de Omgevingsverordening Limburg 2014 (geconsolideerde versie). In onderstaande figuur 1 wordt de ligging van het terrein, verder het plangebied genoemd, weergegeven.
Figuur 1: Globale aanduiding van het plangebied en uitsnede met begrenzing plangebied (Atlas Limburg, 2021). 1
Bureau Meervelt
Quickscan Fish farm Terworm
1.2 Beschrijving van het plangebied Het plangebied in de huidige situatie bestaat uit het voormalige RWZI-terrein met uit gebruik zijnde opstallen en bassins die een functie hebben gehad in de rioolwaterzuivering1 (voor de aanduiding van de aanwezige opstallen en bassins, zie figuur 6). In 2018/2019 is een zuidelijk gelegen bassin gesloopt samen met enkele kleine opstallen en is een nieuw bergbezinkbassin aangelegd. Recent is het aanwezige lange onverharde pad uitgevoerd als pad met grasbetontegels. De toegangspoort ligt aan de Eikendermolenweg 100 tegenover de Eikendermolen. Vanuit de toegangspoort leidt een pad van grasbetontegels tot het achterste bassin; halverwege leidt een beklinkerd zijpad naar het ketelhuis en de twee slibgistingstanks; deze drie bouwwerken zijn omgevormd tot vleermuisverblijfplaats. Langs het hoofdpad ligt een lossing. Via deze lossing vond lozing plaats op de Geleenbeek die parallel aan de zuidwestgrens van het terrein ligt. De niet verharde delen bestaan uit gemaaid vrij voedselrijk grasland en enkele kleine landschapselementen. Rond het recent aanlegde bergbezinkbassin is een vegetatie in pionierstadium aanwezig. Hier is langs het pad nieuwe beplanting aangebracht ((fruit)bomen en struiken). Het terrein is geheel omheind maar heeft onderdoorgangen voor kleine zoogdieren. In onderstaande figuren wordt een impressie gegeven van het plangebied.
Figuur 2 en 3. Links zicht vanuit de Eikendermolenweg op het omheinde plangebied met een onderdoorgang waar Dassen gebruik van kunnen maken. Rechts zicht op de lossing en de twee slibgistingtanks (foto’s april 2021).
1 In grote lijnen bestond de zuivering van het rioolwater uit het verwijderen van groot materiaal (het zogenaamde roostergoed),
zandvangen, voorbezinking, beluchting, anaerobe en anoxische bewerking (in hoofdzaak bedoeld voor stikstofverwijdering) en nabezinking. Voor deze processen waren diverse torens en bassins aanwezig. Deze zijn in de huidige situatie grotendeels nog aanwezig en kunnen beschouwd worden als industrieel erfgoed zonder officiële status. In 2018/2019 is een zuidelijk gelegen bassin gesloopt samen met enkele kleine opstallen en is een nieuw bassin aangelegd. 2
Bureau Meervelt
Quickscan Fish farm Terworm
Figuur 4. Links de nieuwe aanplant in het zuidelijk deel (april 2021).
Figuur 5: Zicht op de toegangspad (grasbeton).
3
Bureau Meervelt
Quickscan Fish farm Terworm
Figuur 6: Globale aanduiding plangebied (gestippelde lijn) met aanduiding aanwezige kunstwerken (benaming ten tijde van in gebruik zijn van de RWZI) (Atlas Limburg, 2021). De doorgetrokken lijn geeft het deel van het plangebied weer dat in erfpacht wordt gegeven aan Fish farm Terworm. De slibgistingstanks, het ketelhuis en de oxidatiebedden maken geen deel uit van de erfpacht. (Ondergrond Atlas Limburg, 2021).
1.3 Voorgenomen ontwikkeling De voorgenomen ontwikkeling betreft de aanleg en ingebruikname van een non-commerciële Fish farm. Het overige deel krijgt een meer natuurlijke inrichting. Een deel van het plangebied wordt in erfpacht gegeven aan de Fish farm Terworm. Een brede strook langs de zuidgrens (onder meer de lossing), het zuidoostelijke deel (het bergbezinkbassin) en de vleermuisverblijven vallen buiten de erfpacht. Voor de delen die buiten de erfpacht vallen blijft de gemeente Heerlen verantwoordelijk voor het uitvoeren van het beheer. Voor de exacte begrenzing van het deel dat in erfpacht gegeven wordt, wordt verwezen naar bijlage 4. De kwekerij krijgt een lage bezetting van vis van maximaal 16 kg vis per m3. Hierbij wordt gewerkt met ‘groen water’, dat via de aeratietank hergebruikt gaat worden, waardoor weinig tot geen nitraat en fosfaat op het riool wordt geloosd. Er wordt geen water op de Geleenbeek geloosd; er is geen verbinding tussen het water in de bassins en de Geleenbeek. De te kweken karpers worden uitgezet in oppervlaktewateren elders ten behoeve van de hengelsport. De te ontwikkelen functies worden in de figuren hieronder weergegeven en daarna toegelicht.
4
Bureau Meervelt
Quickscan Fish farm Terworm
Figuur 7: Overzichtstekening van de voorgenomen inrichting en functies (zie voor detail de figuren hieronder en bijlage 4). Bron: Vandenberg-Windemuller, 18-03-2021.
5
Bureau Meervelt
Quickscan Fish farm Terworm
Legenda
Figuur 8: Westzijde van het plangebied met bestaande bassins die een functie krijgen als viskweekbassins. De technische ruimte wordt gevestigd in het aanwezige gebouw dat voorheen ook de functie had als technische ruimte.
6
Bureau Meervelt
Quickscan Fish farm Terworm
Legenda
Deze opstallen vallen niet onder de erfpacht van Fish farm Terworm B.V. Figuur 9: Middendeel van het plangebied met bestaande bassins die de functie krijgen als viskweekbassin. Ten noordoosten van deze bassins blijft de bestaande bebouwing (twee voormalige slibgistingtanks en ketelhuis) behouden. Deze behouden de functie c.q. worden verder ontwikkeld als vleermuisverblijf. De slibgistingtanks, het ketelhuis en de oxidatiebedden maken geen onderdeel uit van de erfpacht en blijven in beheer bij de gemeente Heerlen. 7
Bureau Meervelt
Quickscan Fish farm Terworm
Legenda
Figuur 10: Zuidoostelijk deel van het plangebied met de bestaande bassins waar nieuwe bomen en struiken zijn aangeplant en een beheer gericht op natuurwaarden gaat plaatsvinden.
8
Bureau Meervelt
Quickscan Fish farm Terworm
1.3.1 Aanleg en ingebruikname Fish farm Aanlegfase Fish farm op het deel waar een erfpacht-overeenkomst is afgesloten Het voormalig compressorgebouw (zie figuur 6) wordt gebruikt als opslagplaats (69 m2), Er worden geen nieuwe opstallen gebouwd, De bestaande bassins blijven behouden voor het kweken van vis. Omvorming van het watersysteem tot een gesloten watersysteem. Hiervoor wordt voor de zuivering van water een sleuf van circa 30 cm breed gegraven waarin een nieuwe leiding wordt aangelegd tussen het meest westelijke kweekbassin en de voormalige aeratietank. Zie figuur 11, ook in bijlage 4 ‘Situatietekening nieuw’ is deze leiding ingetekend. In het nieuwe systeem wordt geen water geloosd op de Geleenbeek, overtollig water wordt op het riool geloosd. De pompen in het pompenhuis, die staan opgesteld bij de aeratietank worden vervangen door circulatiepompen en luchtpompen van de initiatiefnemer. Het betreft elektrisch aangedreven pompen. Op termijn (2022 of later): aanleg helofytenfilter voor interne zuivering van het water. Dit helofytenfilter wordt aangelegd ten noordwesten van de bassins (zie bijlage 4 ‘Situatietekening nieuw’). Hiervoor wordt een aarden wal aangelegd met ter plekke aanwezige grond (aanwezige ophoging ontstaan door het uitgraven van de bassins).
Het helofytenfilter van folie wordt aangelegd op de bodem (geen grondwerkzaamheden anders dan het opwerpen van de wal). Herstellen van de bestaande afrastering van harmonicagaas waarbij onderdoorgangen voor Das en andere kleine zoogdieren behouden blijven (is al uitgevoerd).
Figuur 11: De aan te leggen leiding van circa 35 meter lang. Gebruiksfase Fish farm op het deel waar een erfpacht-overeenkomst is afgesloten De planning is om in 2021 de karperkwekerij in gebruik te nemen. Er wordt gestart met het uitzetten van vissen in bassin D (zie figuur 8), de vissen blijven daar voor een periode van twee jaar. Na twee jaar worden de vissen opgehaald en verkocht. De vissen worden gevoerd en krijgen de benodigde verzorging. De naast bassin D gelegen bak C (zie figuur 8) zal fungeren als filter voor dit systeem. Hierbij wordt gebruik gemaakt van twee circulatiepompen en een luchtpomp voor de filtratie. Deze luchtpomp staat in de kelder van de opslagplaats en produceert 64 dB(A). In de fasen daarna gaat gebruik gemaakt worden van bassin B en A (zie figuur 9). In deze bassins wordt gebruik gemaakt van een filter die zich in het bassin bevindt en die in beweging wordt gebracht door twee luchtpompen per bassin die ieder 64 dB(A) aan geluid produceren. Ook deze luchtpompen worden in de kelder van de opslag geplaatst. Wekelijks wordt 5 tot 10% van het water ververst. Het te verversen water wordt geloosd op de riolering. In het kader van de exploitatie van een duurzame viskwekerij wordt onderzocht of het mogelijk is om in de toekomst eerst de vaste stoffen uit het te lozen water te filteren middels een ‘Squeezer’ en deze als tuinmest te gaan verkopen.
9
Bureau Meervelt
Quickscan Fish farm Terworm
Wekelijks zal gemiddeld één personen- of bestelwagen naar het plangebied gaan om werkzaamheden te verrichten en controles uit te voeren. Per maand zal gemiddeld één vrachtwagen nieuwe jonge karpers leveren en volwassen karpers voor de verkoop ophalen.
1.3.2 Ontwikkeling van het overig deel van het plangebied Aanlegfase overig deel De huidige groene delen (voormalige plantsoenen) krijgen een meer natuurlijke inrichting. Door het IKL en de gemeente Heerlen is hiervoor een inrichtingsplan opgesteld (Luijten M., 2020). Het terrein wordt beheerd door het IKL. De volgende maatregelen worden genomen: Het bestaande ketelhuis is verbouwd tot vleermuisverblijf: de puien en de kozijnen zijn eruit gehaald en dichtgemetseld met betonsteenmetselwerk. In het ketelhuis is een invliegopening aangebracht. De bestaande invliegopeningen in de toren blijven behouden (zie voor foto’s van het ketelhuis bijlage 5). Aanplant van een bosrand en struweel (2000 m2). Aanplant van 50 fruitbomen voor het vergroten van het voedselaanbod voor onder meer de Das. Behoud van de aanwezige vleermuisverblijfplaats in de voormalige slibgistingtank. Behoud van andere slibgistingtank en de kelders die recent aangepast zijn om ze meer geschikt te maken als (nieuwe) vleermuisverblijfplaats. Aanbrengen slechtvalkenkast op een van de tanks. Aanbrengen steenuilenkast op een van de wilgen. Houtkap vindt niet plaats. Gebruiksfase overig deel van het plangebied In de gebruiksfase vindt beheer plaats in het overige deel. Knotten van de aanwezige knotbomen. De open delen worden beheerd als kruidenrijk grasland.
Deze worden jaarlijks gemaaid en het maaisel wordt afgevoerd. Verwijderen van exoten als de Cotoneaster, Sierkamperfoelie en de Reuzenberenklauw. Onderhoud van hekwerk en vleermuisverblijven. Gedurende 10 jaar vindt monitoring plaats van de vleermuisverblijven.
1.4 Opzet van de quickscan In hoofdstuk 2 en 3 worden respectievelijk de gebieds- en soortbescherming uitgewerkt. In hoofdstuk 4 wordt ingegaan op houtopstanden. In hoofdstuk 5 worden de conclusies op een rij gezet en de eventueel noodzakelijke vervolgstappen beschreven. In bijlage 1 wordt relevante achtergrondinformatie op het gebied van natuurwetgeving en beleid weergegeven. In bijlage 2 zijn de gegevens van de Nationale Databank Flora en Fauna opgenomen.
10
Bureau Meervelt
2.
Quickscan Fish farm Terworm
ANALYSE GEBIEDSBESCHERMING
2.1 Inleiding In dit hoofdstuk wordt per afwegingskader aangegeven of het plangebied deel uitmaakt van een beschermd gebied en wordt inzichtelijk gemaakt of door de geplande ingreep een mogelijk negatieve invloed te verwachten is op aanwezige beschermde gebieden in de omgeving. Ten aanzien van gebiedsbescherming zijn twee afwegingskaders relevant: Afwegingskader Wet Natuurbescherming, Afwegingskader Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (Natuurnetwerk Nederland). Bij onbekendheid met deze afwegingskaders wordt geadviseerd bijlage 1 eerst door te nemen.
2.2 Afwegingskader Wet natuurbescherming - Natura 2000 (Voortoets)
2.2.1 Ligging ten opzichte van Natura 2000 Het plangebied ligt als een enclave in het Natura 2000-gebied Geleenbeekdal (zie figuur 12). Op een afstand van ongeveer drie kilometer ten noorden van het plangebied ligt Natura 2000-gebied Brunssummerheide. Op een afstand van ongeveer 1,7 km ten zuiden van het plangebied ligt het Natura 2000-gebied Kunderberg.
Figuur 12: Ligging van het plangebied ten opzichte van (enkele van de deelgebieden van) Natura 2000 gebied Geleenbeekdal. (Atlas Limburg, 2021).
11
Bureau Meervelt
Quickscan Fish farm Terworm
Figuur 13: Het plangebied wordt omsloten door het Natura 2000-gebied Geleenbeekdal (Limburg Atlas, 2021).
2.2.2 Instandhoudingsdoelstellingen Natura 2000-gebied Geleenbeekdal Natura 2000-gebied Geleenbeekdal is aangewezen als Habitatrichtlijngebied. De Geleenbeek is een zijbeek van de Maas. Het gebied omvat een aantal gebieden langs de bovenloop van de beek en enkele van haar zijbeken tussen Heerlen en Geleen. De beek ontspringt op de noordflank van het Plateau van Ubachsberg ter hoogte van het Imstenraderbos en stroomt vervolgens in noordoostelijke richting. Het beekdal is vrij diep ingesneden en wordt op diverse plekken met bronnen gevoed met zeer kalkrijk en ijzerhoudend kwelwater. Hierdoor worden soortenrijke broek- en bronbossen, natte graslanden en ruigten aangetroffen. Op de beekdalflanken komen hellingbossen voor met eiken-haagbeukenbos en wintereikenbeukenbos. In de Kathagerbeemden en een terrein bij Weustenrade komen kalkmoerassen voor. (Bron: Aanwijzingsbesluit Geleenbeekdal). Het plangebied ligt in deelgebied Terworm en is het op een na meest zuidelijke deelgebied. Nog zuidelijker (ten zuiden van Heerlen ligt deelgebied Imstenraderbos). De natuurwaarden waarvoor Natura 2000-gebied Geleenbeekdal is aangewezen zijn opgenomen in onderstaande tabel. Tabel 1: Natuurwaarden waarvoor Geleenbeekdal is aangewezen met de instandhoudingsdoelen. Habitattype
Doel oppervlakte
Doel kwaliteit
H6430C - Ruigten en zomen
=
=
H7230 Kalkmoerassen
>
>
H9120 Beuken-eikenbossen met hulst
=
=
H9160B - Eiken-haagbeukenbossen
=
>
H91E0C - Vochtige alluviale bossen
>
>
H1014 Nauwe korfslak
=
=
H1016 - Zeggekorfslak
=
=
H1083 - Vliegend hert
>
>
Habitatrichtlijnsoorten
12
Bureau Meervelt
Quickscan Fish farm Terworm
Ten aanzien van Natura 2000-gebieden dient zekerheid geboden te worden omtrent het niet optreden van significante gevolgen door een plan of project afzonderlijk of in combinatie met andere plannen of projecten. In de volgende paragrafen wordt ingegaan op mogelijke storingsfactoren tijdens de aanleg- en gebruiksfase en wordt de kans op het optreden van significante gevolgen beoordeeld.
2.2.3 Mogelijk optredende storingsfactoren Om een indicatie te krijgen van de optredende storingsfactoren en gevoeligheid van de kwalificerende natuurwaarden is gebruik gemaakt van de Effectenindicator, activiteit ‘Bedrijventerrein’. De effectenindicator geeft géén informatie over de daadwerkelijke schadelijke effecten van een activiteit noch over de significantie hiervan. Hiervoor is maatwerk vereist. De effectenindicator geeft alleen generieke informatie over mogelijke effecten van de activiteit. Uit de effectenindicator kan dus niet op voorhand worden afgeleid of een activiteit schadelijk is.
Aanvullend op de Effectindicator wordt de kans op significante gevolgen als gevolg van Stikstofdepositie (verzuring, vermesting) in Natura 2000 beoordeeld. Overige storingsfactoren zoals verzoeting, verzilting, vernatting, verandering van stroomsnelheid en overstromingsfrequentie, verandering van dynamiek substraat of verandering in populatiedynamiek of bewuste verandering in soortensamenstelling vinden niet plaats. Veranderingen in het watersysteem vinden niet plaats; de karperkwekerij maakt gebruik van een vrijwel gesloten watersysteem met lozing op het riool. Het systeem is niet geheel gesloten omdat wekelijks 5 tot 10% van het water ververst ververst wordt en het te verversen water wordt geloosd op de riolering. Er vindt geen lozing plaats op de lossing of de beek. 13
Bureau Meervelt
Quickscan Fish farm Terworm
2.2.4 Verspreiding kwalificerende habitattypen en habitatrichtlijnsoorten In onderstaande figuur worden de habitattypen weergegeven die in de omgeving van het plangebied aanwezig zijn.
Zoekgebied Alluviaal bos Alluviaal bos
Geen habitattype
Eikenhaagbeukenbos (heuvelland)
Alluviaal bos
Figuur 14: Ligging habitattypen in de omgeving van het plangebied. In het plangebied zelf zijn geen habitattypen aanwezig (Limburg Atlas, 2020). Metapopulaties van Vliegend hert in het Geleenbeekdal komen voor in Oirsbeek en Hegge/Nagelbeek (deelgebied Opgebroek) en in Terstraten/Wijnandsrade (deelgebied Platsbeek en Hulsbergerbeemden). Het noordwestelijke deel van deelgebied Terworm behoort tot het potentieel leefgebied maar hier is geen populatie bekend. Binnen een straal van een kilometer is wel minimaal één waarneming bekend van Vliegend hert (NDFF Quickscanhulp). Zeggekorfslak komt voor in deelgebied Ten Esschen ten noordwesten van deelgebied Terworm. Langs de Platsbeek komt in een kleine begroeiing met moeraszegge een populatie van de Nauwe korfslak voor. Deze plek herbergt de enige bekende populatie van Nauwe korfslak in Nederland buiten de duingebieden (bron: Provincie Limburg, 2020).
2.2.5 Beoordeling kans op significante gevolgen
Oppervlakteverlies, versnippering en mechanische effecten
Deze storingsfactoren treden niet op. Alle activiteiten vinden plaats buiten het Natura 2000-gebied Geleenbeekdal. Significante gevolgen als gevolg van oppervlakteverlies, versnippering en mechanische effecten kunnen op voorhand uitgesloten worden.
Verontreiniging
In de bedrijfsvoering en bedrijfsprocessen wordt geen gebruik gemaakt van potentieel verontreinigende stoffen. Omdat er geen verbinding bestaat tussen de bassins en de lossing en/of de Geleenbeek heeft het eventueel toedienen van medicatie of andere stoffen geen gevolgen voor het Natura 2000-gebied. Significante gevolgen als gevolg van verontreiniging kunnen op voorhand uitgesloten worden.
14
Bureau Meervelt
Quickscan Fish farm Terworm
Verdroging
De activiteiten in de aanleg- en gebruiksfasen leiden niet tot verdroging. Er wordt geen water opgepompt en er worden geen andere maatregelen genomen waardoor verdroging van het omliggende Natura 2000-gebied kan optreden. Significante gevolgen door verdroging kunnen op voorhand uitgesloten worden. Geluid Ten behoeve van de geluidsbelasting op de woning aan de Eikendermolenweg 4 is een geluidsonderzoek uitgevoerd (K+-Adviesgroep, 2021). De enige relevante geluidsemitterende bron in de buitenlucht is vracht(verkeer). De hoogste piekbelasting vindt plaats door vrachtwagenverkeer (maximaal 74 dB(A) op de gevel van de woning). Vrachtwagenbewegingen zijn beperkt tot maximaal eenmaal per maand. Het gaat hier om een tijdelijke en kortdurende storingsfactor die circa 12 keer per jaar optreedt in de dagperiode. Daarnaast is geluid afkomstig van de pompen. De waterpompen produceren vrij geplaatst (in de openlucht) 70 dB(A) aan geluid. Deze pompen worden op 4 meter onder water in een betonnen put geplaatst wat een reductie van minimaal 50% van het geluid tot gevolg heeft (Terworm Fish Farm BV d.d. 18 november 2020). De uitstraling van het geluid op de omgeving is daarmee verwaarloosbaar. De luchtpompen worden in de kelder onder de opslagruimte geplaatst. De verwachte geluidsproductie is 64 db(A). Dit is vergelijkbaar met het geluid dat een afwasmachine produceert.
Door plaatsing in de kelder van de opslagruimte vindt demping van het geluid plaats en is de uitstraling naar buiten eveneens verwaarloosbaar. Geluid is niet verstorend voor de habitattypen. Nauwe korfslak en Zeggekorfslak zijn niet gevoelig voor geluid en (potentiële leefgebieden van deze) populaties van deze soorten komen voor op enige afstand van het plangebied. Bij Vliegend hert is gevoeligheid voor geluid niet bekend. Het potentieel leefgebied noordwestelijk deel van het deelgebied Terworm ligt op enige afstand van het plangebied en er vindt geen overlap plaats met de actieve periode van Vliegend hert (schemer en nacht). Voor de kwalificerende habitattypen en de kwalificerende soorten is geluid daarom geen factor die kan leiden tot significante gevolgen. Licht De habitattypen en de beide slakkensoorten worden niet als gevoelig beoordeeld voor licht. Van Vliegend hert is geen gevoeligheid voor licht bekend. Op het terrein zijn enkele lantaarnpalen aanwezig. Omdat de meeste activiteiten in de daglichtperiode plaatsvinden is terreinverlichting niet of slechts zeer beperkt nodig. Omdat voor licht gevoelige habitattypen en habitatrichtlijnsoorten ontbreken in het plangebied en de omgeving daarvan én omdat er slechts zeer beperkt verlicht wordt, kunnen significante gevolgen in het licht van de instandhoudingsdoelen op voorhand uitgesloten worden2.
Trilling In theorie kan enige trilling optreden door in bedrijf zijnde pompen, mobiele werktuigen en door vrachtwagens. Deze trillingen zijn echter zo afgeschermd voor de omgeving en zo beperkt dat deze geen uitstraling hebben tot in het Natura 2000-gebied. Significante gevolgen door optredende trillingen kunnen daarmee op voorhand uitgesloten worden. Optische verstoring Het in de omgeving voorkomende habitattype Alluviaal bos en Vliegend hert worden aangemerkt als gevoelig voor optische verstoring. Bij het habitattype gaat het dan om gevoeligheid van de typische soorten als kwaliteitsindicator voor deze habitattypen. Zowel in de aanlegfase als de gebruiksfase treedt de storingsfactor optische verstoring zeer beperkt en zeer tijdelijk op als gevolg van aanwezigheid van mensen en (zeer beperkt) materieel zoals een graafmachine. De aanwezige bouwwerken en (bos)vegetatie en de aard van de werkzaamheden tijdens de aanlegfase en fase van ingebruikname zorgen ervoor dat de mate waarin optische verstoring plaatsvindt verwaarloosbaar is. De typische soorten van het Alluviaal bos dat in de omgeving voorkomt betreffen voornamelijk plantensoorten. Daarnaast gaat het om vuursalamander, drie vlindersoorten, vier vogelsoorten en Waterspitsmuis. Gezien de huidige ligging van de percelen Alluviaal bos kan optische verstoring van deze soorten uitgesloten worden. Ook bij uitbreiding van
2 Natura 2000-gebied Geleenbeekdal is niet aangewezen voor vleermuizen. Mogelijke effecten van verlichting op vleermuizen
worden beoordeeld in het hoofdstuk Soortbescherming. 15
Bureau Meervelt
Quickscan Fish farm Terworm
Alluviaal bos richting plangebied (het huidige zoekgebied voor Alluviaal bos) kunnen significante gevolgen uitgesloten worden in het licht van de instandhoudingsdoelen vanwege de zeer beperkte uit te voeren activiteiten en de zeer beperkte aanwezigheid van mensen en machines. Stikstof Voor de project-gerelateerde emissie door de inzet van mobiele werktuigen en (vracht)verkeer is een AERIUSberekening uitgevoerd voor de aanlegfase in 2021 (aanleg leiding), een berekening voor de aanleg van het helofytenfilter (waarschijnlijk 2022, deze wordt pas aangelegd na ingebruikname) en een voor de gebruiksfase. Uit deze drie berekeningen blijkt dat de aanlegwerkzaamheden die gepland zijn in 2021 en 2022 (of later) en de fase na ingebruikname geen extra depositie tot gevolg hebben op stikstofgevoelige (zoekgebieden van) habitattypen of leefgebieden. Omdat het plangebied omringd wordt door Natura 2000-gebied en stikstofgevoelig habitat is bij toekomstige inzet van machines met een stikstofemissie (dus buiten de hieronder genoemde activiteiten) altijd een Aerius-berekening nodig. Bij een stikstofdepositie van meer dan 0,00 mol/ha/j is minimaal een voortoets nodig en kan een passende beoordeling en een vergunning op grond van de Wet natuurbescherming nodig zijn.
Berekend voor de aanlegfase Fish farm: 2021: aanleg leiding, 4 uur inzet van een minigraver, 24 voertuigenbewegingen licht verkeer en 2 voertuigbewegingen zwaar vrachtverkeer; 2022 (of later): aanleg helofytenfilter; 4 uur inzet van een minigraver voor het aanleggen van een aarden wal met een klein deel van het in het plangebied aanwezige grondlichaam, 24 voertuigbewegingen licht verkeer en 2 voertuigbewegingen zwaar vrachtverkeer. Berekend voor de fase van ingebruikname Fish farm: 2022 en later: 104 voertuigenbewegingen licht verkeer en 24 voertuigbewegingen zwaar vrachtverkeer. De berekeningen worden als bijlage 6a, 6b en 6c bijgevoegd bij deze quickscan. De werkzaamheden in de aanlegfase van de overige delen zijn grotendeels al uitgevoerd. Het betrof voornamelijk handwerk en enkele vervoersbewegingen. De stikstofemissie die hiermee gepaard is gegaan wordt als verwaarloosbaar beschouwd. Voor deze werkzaamheden is geen Aerius-berekening uitgevoerd; ook voor de incidentele beheerwerkzaamheden zoals snoeien en maaien is een Aerius-berekening niet nodig.
2.3 Afwegingskader Omgevingsverordening Provincie Limburg 2014 In het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) is door het Rijk vastgelegd dat de provincie verantwoordelijk is voor de begrenzing van het Natuurnetwerk Nederland (NNN). De begrenzing en bescherming van het NNN is in Limburg als Goudgroene natuurzone vastgelegd in het POL2014 en de Omgevingsverordening Limburg 2014. De Provincie Limburg heeft behalve de Goudgroene natuurzones ook Zilvergroene natuurzones en Bronsgroene landschapszones aangewezen die onder de gebiedsbescherming vallen. De Goudgroene zone is de Limburgse invulling van het NNN, de Zilvergroene zone is een uitbreiding daarop. Voor beide zones zijn ecologische waarden geïdentificeerd die beschermd zijn. Voor de Bronsgroene landschapszones zijn geen ecologische waarden geïdentificeerd. Ruimtelijke ontwikkelingen binnen het NNN/de Goudgroene natuurzone en de overige twee zones dienen getoetst te worden aan de Omgevingsverordening Ruimte. Bij aantasting dient compensatie plaats te vinden. Met de Beleidsregel natuurcompensatie geeft de Provincie Limburg invulling aan het natuurcompensatiebeleid uit de Omgevingsverordening. De verordening wordt pas van toepassing bij een nieuwe ontwikkeling: Waarvoor het bestemmingsplan moet worden gewijzigd, en Waarbij de wezenlijke kenmerken en waarden van het gebied worden aangetast.
16
Bureau Meervelt
Quickscan Fish farm Terworm
2.3.1 Ligging ten opzichte van Goudgroen, Zilvergroen en Bronsgroen Uit figuur 15 blijkt dat het plangebied grotendeels een enclave vormt in de Goudgroene natuurzone. Binnen het plangebied zijn alleen enkele smalle stroken aangewezen als Goudgroene natuurzone. Het betreft hier een strook grasland langs/op het pad en een zijpad (zie figuur 17).
Figuur 15: Ligging van het plangebied ten opzichte van de Goudgroene en Zilvergroene natuurzone en de Bronsgroene landschapszone (Limburg Atlas, 2020). Het plangebied overlapt voor een klein deel met de Goudgroene natuurzone. Het NNN/de Goudgroene natuurzone kent geen ‘externe werking’ (geen geldigheid van de beleidsregels buiten de grenzen van de Goudgroene natuurzone). Uit jurisprudentie blijk wel dat bij vaststelling van een plan rekening gehouden dient te worden met de ligging van een plangebied ten opzichte van het NNN en eventueel aanwezige ecologische verbindingszones3. De raad dient bij vaststelling van een bestemmingsplan afwegingen te maken in het kader van een goede ruimtelijke ordening. Dit betekent dat de gevolgen van het plan niet onaanvaardbaar voor de omgeving moeten zijn. In figuur 16a wordt de beheertypenkaart weergegeven voor het plangebied en directe omgeving, in 16 b wordt de ambitiekaart weergegeven.
3
http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RVS:2016:2508 17
Bureau Meervelt
Quickscan Fish farm Terworm
Figuur 16a: Beheertypekaart. In het plangebied is een smalle strook aangewezen als beheertype N12.02 Kruidenen faunarijk grasland. Parallel daaraan loopt een smalle strook beheertype N15.02 Dennen-, eiken- en beukenbos. Het plangebied wordt omzoomd door bos met beheertypen N14.03 Haagbeuken- en essenbos, N16.03 Droog bos met productie en N14.01 Rivierbegeleidend bos (Atlas Limburg, 2021).
Figuur 16b: Ambitiekaart. Voor het plangebied zijn geen nieuwe ambities vastgesteld.
18
Bureau Meervelt
Quickscan Fish farm Terworm
De beleidsregel Natuurcompensatie is van toepassing als voorafgaand aan de activiteit is vastgesteld dat de wezenlijke kenmerken en waarden van de Goudgroene natuurzone worden vernietigd, verstoord en/of versnipperd en/of de kernkwaliteiten van de Bronsgroene landschapszone en/of van het Beschermingsgebied Nationaal landschap Zuid-Limburg worden vernietigd, verstoord en/of versnipperd. De wezenlijke kenmerken en waarden betreffen voor bestaande natuurgebieden de actueel aanwezige natuurbeheertypen en de nagestreefde natuurdoeltypen en voor te realiseren natuurgebieden de nagestreefde natuurdoeltypen zoals vastgelegd op de beheertypenkaart en de ambitiekaart van het Provinciaal Natuurbeheerplan (Omgevingsverordening Limburg).
2.3.2 Beoordeling effecten op Goudgroen, Zilvergroen en Bronsgroen De voorgenomen ontwikkeling vindt plaats op enige afstand van de Zilvergroene natuurzone en de Bronsgroene landschapszone. Omdat geen externe werking4 uitgaat van deze zones zijn effecten op deze zones op voorhand uit te sluiten. Het plangebied wordt aan vier zijden omringd door de Goudgroene natuurzone. Ook hier geldt dat geen externe werking uitgaat van de Goudgroene natuurzone. De ontwikkelingen die plaatsvinden buiten deze zone hoeven daarom niet getoetst te worden aan het beschermingskader van de Goudgroene natuurzone. Door de voorgenomen ontwikkeling in het plangebied gaan geen wezenlijke kenmerken en waarden verloren in de omringende Goudgroene natuurzone. De aanwijzing van de smalle stroken Goudgroene natuurzone in het plangebied is opmerkelijk. In de huidige situatie overlapt de strook met de recent aangelegde pad met grasbeton tegels waar eerder een onverhard pad liep. Voor de beoordeling of wezenlijke kenmerken en waarden worden of recent zijn aangetast, is het van belang te bepalen of wezenlijk kenmerken en waarden aanwezig waren. Het hele plangebied heeft in het vigerende bestemmingsplan de enkelbestemming ‘Bedrijf - Nutsvoorziening’. Op luchtfoto’s vóór 2020 is te zien dat onder de strook Goudgroen het onverharde pad liep.
Het onverharde pad kan niet aangemerkt worden als Kruidenrijk en faunarijk grasland; ook in oude natuurgegevens en vegetatieopname ontbreekt iedere indicatie van aanwezigheid van wezenlijke kenmerken en waarden (www.natuurgegevensprovincielimburg.nl). Het kleine stukje beheertype N15.02 Denneneiken- en beukenbos in het plangebied betreft eveneens een oppervlak waar een pad aanwezig is. Deze situatie bestond al in 2016 toen het plangebied nog in eigendom was van het Waterschapsbedrijf Limburg. Geconcludeerd kan worden dat door de ontwikkeling geen wezenlijke kenmerken en waarden verloren gaan. Door het ontwikkelen van natuurwaarden in het plangebied wordt een kleine bijdrage geleverd aan het verbinden van de omliggende Goudgroene natuurzone (de enclave wordt in praktijk iets kleiner).
2.3.3 Vervolgstappen Omdat geen wezenlijke kenmerken en waarden worden aangetast zijn geen vervolgstappen nodig in relatie tot het afwegingskader Omgevingsverordening 2014 c.q. de Goudgroene natuurzone.
4 Met ‘externe werking’ wordt wet- of regelgeving bedoeld die een gebied ook beschermd tegen negatieve effecten die kunnen
optreden door ontwikkelingen buiten een dergelijk gebied. Natura 2000-gebieden kennen bijvoorbeeld een externe werking. 19
Bureau Meervelt
3.
Quickscan Fish farm Terworm
ANALYSE SOORTBESCHERMING
3.1 Inleiding Ten aanzien van soortbescherming is de Wet natuurbescherming relevant. Voor meer informatie over dit afwegingskader wordt verwezen naar bijlage 1. In de Wet natuurbescherming zijn drie beschermingsregimes vastgesteld: 1. Beschermingsregime soorten Vogelrichtlijn; 2. Beschermingsregime soorten Habitatrichtlijn; 3. Beschermingsregime andere soorten (ook wel de Nationale lijst genoemd). De bepalingen van de Wet natuurbescherming zijn uitgewerkt in de ‘Beleidsregels ten behoeve van de passieve soortenbescherming onder de Wet natuurbescherming in de provincie Limburg’. Voor soorten kan een vrijstelling gelden bij ruimtelijke ontwikkelingen, bestendig beheer en onderhoud. Deze vrijstellingslijst kan per provincie verschillend zijn. De lijsten per beschermingsregime en de vrijstellingslijst zijn opgenomen in bijlage 1. Bij onbekendheid met dit wettelijk kader wordt geadviseerd deze bijlage eerst door te nemen. In dit hoofdstuk wordt onderzocht of beschermde soorten ter hoogte van het plangebied en de omgeving daarvan (kunnen) voorkomen. Daartoe zijn gegevens verzameld van de sites van de provincie Limburg en de Nationale Databank Flora en Fauna (Quickscanhulp). De natuurgegevens van de NDFF (zie bijlage 2) betreffen de gegevens uit het plangebied en een straal van ongeveer één kilometer.
De waarnemingen uit de laatste vijf jaar zijn beoordeeld op relevantie voor het plangebied5. Voor informatie over potentiële broedvogels zijn de natuurgegevens van de provincie Limburg geraadpleegd en wordt een inschatting gemaakt op basis van het veldbezoek en expert judgement. In 2018 heeft Kragten in opdracht van de gemeente Heerlen een verkennend flora- en faunaonderzoek uitgevoerd (Kragten, 2018a). Uit dit onderzoek bleek dat mogelijk verblijfplaatsen van vleermuizen aanwezig waren in de slib-gistingtanks en het bedrijfsgebouw. In 2018 zijn daarop drie avondbezoeken en een ochtendbezoek gebracht conform het vleermuisprotocol. Gedurende deze veldbezoeken is ook onderzocht of Steenmarter een verblijfplaats heeft en is gelet op overige beschermde soorten. De gegevens uit dit onderzoeksrapport (Kragten, 2018b) zijn gebruikt in deze quickscan. De gegevensset is samengesteld in april 2021 en aangevuld met een oriënterend veldbezoek op 9 april 2021. De resultaten van het veldbezoek zijn (voor zover relevant) in deze rapportage opgenomen. Indien beschermde soorten aanwezig (kunnen) zijn, wordt aangegeven welke eventuele vervolgstappen moeten worden doorlopen. Uitgangspunt is het voorkomen van negatieve effecten, als dat niet mogelijk is worden effecten zoveel mogelijk beperkt en overblijvende schade wordt gecompenseerd.
3.2 Flora Uit de verzamelde gegevens zijn geen beschermde soorten planten bekend uit het plangebied of de omgeving daarvan. De provincie Limburg heeft een florakartering uitgevoerd in de omgeving in 1996 en 2007. Deze gegevens zijn verouderd (in beide jaren werden overigens geen beschermde plantensoorten aangetroffen in de omgeving van het plangebied). Het plangebied bestaat uit voormalig bedrijfsterrein en de groene delen worden momenteel beheerd als grasland. Het voorkomen van beschermde soorten kan op grond van het ontbreken van beschermde soorten in de omgeving en op grond van de voormalige inrichting en het beheer op voorhand uitgesloten worden. Nader onderzoek of een ontheffing voor planten is niet nodig.
5
In de NDFF worden ook gegevens uit andere bronnen geïmporteerd zoals gegevens van de NGO’s en waarneming.nl; updates
vinden halfjaarlijks plaats waardoor gegevens met enige vertraging beschikbaar kunnen komen in de NDFF. 20
Bureau Meervelt
Quickscan Fish farm Terworm
3.3 Zoogdieren In onderstaande tabel 2 zijn waarnemingen opgenomen van zoogdieren rond het plangebied in de laatste vijf jaar. Tabel 2: Overzicht waargenomen soorten rond het plangebied (bron: NDFF). Grijs: soorten waarvoor een vrijstelling geldt bij ruimtelijke ontwikkelingen, bestendig beheer of onderhoud. Beschermingsregime Beschermde soort
Habitatrichtlijnsoort
Andere soorten
Das
X
*Eekhoorn
X
Egel
X
Haas
X
Hermelijn
X
Konijn
X
Ree
X
Rosse woelmuis
X
**Steenmarter
X
*Vrijstelling geldt voor de maanden maart, april en juli t/m november. **Vrijstelling geldt van 15 augustus t/m februari.
Grondgebonden zoogdieren Het plangebied maakt naar verwachting deel uit van het leefgebied van de in de tabel genoemde soorten. De Das is in het plangebied waargenomen in 2018 (Kragten, 2018). Het gaat hier, met uitzondering van de Das, om soorten die algemeen voorkomen en waarvoor een vrijstelling bestaat voor het vangen en voor het vernietigen van verblijfplaatsen bij het uitvoeren van ruimtelijke ontwikkelingen. Wel geldt altijd de zorgplicht. Maatregelen om te voldoen aan deze zorgplicht worden opgenomen in een ecologisch werkprotocol. Verblijfplaatsen van Das zijn niet waargenomen in het plangebied. In het aangrenzende bos is minimaal één dassenburcht bekend. Het plangebied is goed toegankelijk voor Dassen (deze kunnen onder de afrastering door). Door de voorgenomen inrichting met aanplant van inheemse struiken, bomen en fruitbomen ontstaat een zeer geschikt foerageergebied met een jaarrond aanbod van voedsel. De aanlegwerkzaamheden en de menselijke activiteit in het plangebied na ingebruikname zijn niet van invloed op de aanwezige burcht buiten het plangebied. Vleermuizen Het voorkomen van vleermuizen is niet bekend uit de NDFF, wel uit het onderzoek van Kragten (Kragten, 2018). Uit dit onderzoek bleek dat mogelijk verblijfplaatsen van vleermuizen aanwezig waren in de slibgistingtanks en het bedrijfsgebouw.
In 2018 zijn daarop drie avondbezoeken en een ochtendbezoek gebracht conform het vleermuisprotocol. Tijdens het onderzoek werden vier vleermuissoorten vastgesteld: Gewone dwergvleermuis, Rosse vleermuis, Laatvlieger en Watervleermuis. Het plangebied werd door deze soorten gebruikt als foerageergebied. Van Gewone dwergvleermuis werd een verblijfplaats (kraamverblijfplaats) aangetroffen in de meest zuidoostelijk gelegen slibgistingtank. Het betrof een kleine kolonie van 3 tot 6 individuen. De ingang van de verblijfplaats bevindt zich aan de westzijde van de toren. In beide slibgistingtanks zijn daarnaast in totaal circa 11 paarverblijven en 11 zomerverblijven aangetroffen in de spouwmuren van de torens, hoofdzakelijk aan de zuidwestzijde. Beide bouwwerken werden als optimaal geschikt beoordeeld voor vleermuizen. Gezien het grote aantal vleermuizen wordt ook aangenomen dat de torens potentie hebben of in gebruik zijn als winterverblijfplaats voor Gewone dwergvleermuizen. Van de overige drie soorten werden in het plangebied geen verblijfplaatsen aangetroffen. De voorgenomen ontwikkeling (aanleg en in gebruik name Fish farm en herinrichting overige deel) heeft geen negatieve gevolgen voor de verblijfplaatsen van de vleermuizen. De torens waar de verblijfplaatsen gevonden zijn maken geen deel uit van de Fish farm en blijven behouden als verblijfplaats.
Van belang is de invliegopeningen 21
Bureau Meervelt
Quickscan Fish farm Terworm
naar de verblijfplaatsen onverlicht te laten. Permanente lichtuitstraling richting de torens is niet toegestaan. De verlichtingssituatie rond de invliegopeningen dient ongewijzigd te blijven. Bij het aanbrengen van extra verlichting dient daar rekening mee gehouden te worden. Verlichting dient zo beperkt mogelijk gehouden te worden, bijvoorbeeld door het aanbrengen van on-demand verlichting en/of vleermuisvriendelijke verlichting. Deze maatregelen worden opgenomen in het op te stellen ecologisch werkprotocol. Het plangebied is door Kragten (2018) beoordeeld als essentieel foerageergebied voor de soorten die voorkomen in de omgeving. Gezien de grootte van de territoria van deze soorten en de zeer beperkte oppervlakte van het plangebied kan de betekenis echter niet essentieel zijn voor het instandhouden van verblijfplaatsen (zie ook het kader hieronder). Het foerageergebied verandert enigszins door de voorgenomen ontwikkeling maar blijft als zodanig behouden voor de waargenomen soorten. Ook het voedselaanbod blijft op peil mede door de structuurrijkere begroeiing.
De Raad van State heeft onlangs in een uitspraak6 (opnieuw) de definities gegeven van essentiële vliegroutes en essentiële foerageergebieden: Essentiele vliegroutes: ‘Onder een essentiële vliegroute wordt verstaan een vliegroute die van wezenlijk belang is als er geen goede alternatieve vliegroute is om vanuit de voortplantingsplaats of rustplaats een essentieel foerageergebied te bereiken of omvliegen vanuit de voortplantingsplaats of rustplaats naar een essentieel foerageergebied via een alternatieve route teveel energie kost.’ (ECLI:NL:RVS:2019:2169 d.d. 3 juli 2019). Essentieel foerageergebied: ‘Onder essentieel foerageergebied wordt verstaan een foerageergebied dat van wezenlijk belang is voor het functioneren van de voortplantingsplaats of rustplaats wanneer er geen alternatieve foerageergebieden zijn om eventuele aantasting daarvan op te vangen’. (ECLI:NL:RVS:2019:2169 d.d. 3 juli 2019). De afdeling voegt in diezelfde uitspraak daar nog aan toe dat niet ieder initiatief dat tot gevolg heeft dat een beschermde diersoort zich moet aanpassen aan de veranderde omgeving een opzettelijke verontrusting is in de zin van die bepaling. Het ophangen van nestkasten van Slechtvalk en Steenuil zoals opgenomen in het inrichtingsplan van het IKL wordt ontraden. Beide soorten staan erom bekend dat ze ook vleermuizen als prooi kunnen vangen.
Vanwege de grote betekenis van het plangebied voor vleermuizen is het niet wenselijk deze roofvogels broedgelegenheid te bieden in het plangebied. Gezien het uitgevoerde onderzoek in 2018 en het feit dat de voorgenomen ontwikkeling geen negatieve effecten heeft op de aanwezige soorten en de aanwezige functies in het plangebied, is nader onderzoek of een ontheffing voor vleermuizen niet nodig.
3.4 Vogels In de Wet natuurbescherming zijn verbodsbepalingen opgenomen met betrekking tot vogels in het Beschermingsregime soorten Vogelrichtlijn. In grote lijnen komen deze verbodsbepalingen op het volgende neer: het is verboden vogels te doden of te vangen, het is verboden in gebruik zijnde nesten en rustplaatsen te beschadigen of weg te nemen, het is verboden eieren te beschadigen, te rapen of onder zich te hebben, het is verboden vogels te storen behalve als de storing niet van wezenlijke invloed is op de staat van instandhouding van de desbetreffende soort. Een ontheffing of vrijstelling is mogelijk onder bepaalde voorwaarden (zie ook bijlage 1).
6
ECLI:NL:RVS:2019:2169 d.d. 3 juli 2019. 22
Bureau Meervelt
Quickscan Fish farm Terworm
Jaarrond beschermde nesten Nesten van een aantal soorten zijn jaarrond beschermd; ook de functionele omgeving van deze jaarrond beschermde nesten is beschermd. Storing met als gevolg het (tijdelijk) verlaten van een jaarrond beschermd nest wordt eveneens beschouwd als vernielen van het nest als daardoor het broedsucces vermindert. De lijst van soorten met een jaarrond beschermd nest is hieronder opgenomen: Tabel 3: Lijst jaarrond beschermde vogelnesten (Beleidsregels tbv de passieve soortenbescherming onder de Wet natuurbescherming in Limburg, 6-12-2017). Soort
Categorie
Soort
Categorie
Soort
Categorie
Huiszwaluw
2
Roek
1
Boerenzwaluw
2
Boomvalk
3
Kerkuil
1
Slechtvalk
2
Bosuil
2
Oehoe
1
Steenuil
1
Gierzwaluw
2
Ooievaar
2
Torenvalk
3
Grote gele kwikstaart
2
Ransuil
3
Wespendief
3
Havik
3
Raaf
3
Zwarte wouw
3
2
Rode wouw
3
Huismus Categorie 1: Categorie 2:
Categorie 3:
Jaarrond gebruikte nesten (ook buiten broedseizoen gebruik van de nestplaats). Zeer plaatstrouwe broedvogels of soorten die afhankelijk zijn van bebouwing Deze soorten broeden elk broedseizoen op dezelfde plaats en zijn daarin zeer conservatief. De fysieke voorwaarden voor de nestplaats zijn vaak zeer specifiek en limitatief beschikbaar Plaatstrouwe vogels die ieder jaar terugkeren naar specifiek nest omdat ze niet of nauwelijks in staat zijn om zelf een nest te bouwen. Deze soorten zijn niet in staat een geheel eigen nest te bouwen en maken gebruik van oude kraaiennesten of nesten waar zij eerder gebroed hebben. Of ze bouwen een nieuw nest op het oude nest van het voorgaande jaar en zijn extra kwetsbaar voor verstoring. Hier vallen ook roofvogels onder die zich sinds kort aan het vestigen zijn in de provincie waarvan de staat van instandhouding nog verre van gunstig van is.
Broedvogels waarbij getoetst moet worden of voldoende functioneel leefgebied aanwezig blijft Voor de soorten in onderstaande tabel dient te worden vastgesteld dat er voldoende alternatieve leefomgeving in de omgeving aanwezig is voor de soort om zich te kunnen vestigen. In dat geval geldt geen jaarronde bescherming van het nest. Als er onvoldoende alternatieve leefomgeving aanwezig is, geldt wel een jaarronde bescherming. Tabel 4: Soorten waarvan het nest jaarrond beschermd is als er onvoldoende alternatieve leefomgeving in de omgeving aanwezig is voor de soort om zich te kunnen vestigen. (Beleidsregels tbv de passieve soortenbescherming onder de Wet natuurbescherming in Limburg, 6-12-2017). Bijeneter
Grauwe klauwier
Kwartelkoning
Blauwe reiger
Grutto
Buizerd
IJsvogel Kramsvogel
Draaihals Categorie 4:
Roerdomp
Wulp
Oeverzwaluw
Sperwer
Zomertortel
Paapje
Spotvogel
Zwarte specht
Ringmus
Visdief
Nesten van plaatstrouwe vogels die over voldoende flexibiliteit beschikken om zich elders te vestigen indien de nestplaats verloren gaat. Ze zijn dusdanig kwetsbaar dat de functionaliteit niet in het geding mag komen. Indien de omgeving van de bekende nestplaats vernietigd wordt moet worden bepaald of er voldoende functionaliteit behouden blijft.
Voor kunstmatige nestgelegenheid geldt dat deze verplaatst mogen worden als de functionaliteit effectief behouden blijft ondanks de verplaatsing. Nesten van andere soorten zijn buiten het gebruik voor de voortplanting niet beschermd. Broedvogels in het plangebied In 2015 heeft de provincie Limburg een broedvogelonderzoek uitgevoerd (territoriumkartering van bijzondere en schaarse broedvogels) in de directe omgeving van het plangebied. Vanwege het geringe oppervlak kan ervan uitgegaan worden dat ook in het plangebied aanwezige territoria opmerkt zouden zijn. De gegevens zijn enigszins verouderd maar geven een goed beeld van de broedvogelpopulatie die aanwezig is in en nabij het plangebied. In het plangebied zelf werden geen territoria vastgesteld van bijzondere of schaarse soorten. Net buiten het 23
Bureau Meervelt
Quickscan Fish farm Terworm
plangebied werden territoria vastgesteld van Zwarte kraai, Groene specht, Grote bonte specht, Holenduif, Boomklever, Boomkruiper en Appelvink. Rond de molen aan de zuidzijde van de weg werden enkele territoria van watergebonden soorten vastgesteld waaronder Grote gele kwikstaart (jaarrond beschermd nest). Het voorkomen van jaarrond beschermde nesten in het plangebied is niet recent onderzocht. Voor gebouwbewonende soorten ontbreekt geschikte broedgelegenheid en/of ontbreken geschikte voedselomstandigheden. Het omliggende grasland was tot voor kort vrijwel ongeschikt als broedgelegenheid voor broedvogels met jaarrond beschermde nesten. Jaarrond beschermde nesten kunnen wel voorkomen in het omliggende natuurgebied. In de randen en de kleine landschapselementen kunnen zich broedvogels vestigen waarvan het nest niet jaarrond beschermd is maar wel tijdens de broedperiode. Met de herinrichting en het op natuurwaarden gerichte beheer kan geschikte nestgelegenheid ontstaan in de aanwezige bomen, struiken en ruigere hoekjes. Alle in gebruik zijnde nesten van broedvogels zijn strikt beschermd op grond van de Wet natuurbescherming. Gezien de zeer beperkte aard van de voorgenomen ontwikkelingen en de locatie daarvan (rond de bassins en de opslag) in de aanlegfase in 2021 van de Fish farm kan ervan uitgegaan worden dat geen verstoring of vernietiging van nesten en/of vogels optreedt.
Bij werkzaamheden in het broedseizoen in hogere kruidenrijke begroeiing, nabij de bosrand, struwelen en andere broedgelegenheid dient vooraf een inspectie plaats te vinden door een ter zake kundige op het voorkomen van mogelijke broedgevallen. Indien deze (mogelijk) aanwezig zijn dient gewacht te worden tot het nest niet meer in gebruik is. De grondwerkzaamheden ten behoeve van de aanleg van de helofytenfilter vinden bij voorkeur plaats buiten het broedseizoen. Als dit niet mogelijk is dient de begroeiing op en in de ruime omgeving van de locatie van de aan te leggen helofytenfilter vanaf de start van het broedseizoen (vanaf half maart) kort gehouden te worden om het ontstaan van potentiële broedgelegenheid te voorkomen. Beheerwerkzaamheden waarbij nesten verloren kunnen gaan zoals maaien, snoeien en het vrijstellen van de omheining dienen buiten de broedperiode uitgevoerd te worden. Onderzoek naar de aanwezigheid van broedvogels of een ontheffing is niet nodig, mits rekening gehouden wordt met aanwezige broedvogels.
3.5 Amfibieën Uit het plangebied en uit een straal van 1 kilometer rond het plangebied ontbreken waarnemingen van amfibieën. Naar verwachting komen in lage dichtheden algemeen voorkomende soorten voor in de omgeving zoals Gewone pad en Kleine watersalamander. In het plangebied ontbrak in het verleden geschikt voortplantingswater en was geschikt overwinteringsgebied marginaal aanwezig. Door het beëindigen van de RWZI en de afwatering op de lossing kan geschikt voortplantingswater ontstaan en gekoloniseerd worden. In de huidige situatie kunnen incidenteel individuen van algemeen voorkomende soorten aanwezig zijn. In dat geval geldt de zorgplicht en dient het doden van individuen voorkomen te worden. Maatregelen om te voldoen aan de zorgplicht worden opgenomen in het ecologisch werkprotocol. Nader onderzoek of een ontheffing voor amfibieën is niet nodig.
3.6 Reptielen In onderstaande tabel 5 zijn waarnemingen opgenomen van beschermde soorten rond het plangebied in de laatste vijf jaar. Tabel 5: Overzicht van waargenomen soorten rond het plangebied (bron: NDFF 2021). Voor de in grijs weergegeven soorten geldt een vrijstelling bij ruimtelijke ontwikkelingen en bestendig beheer of onderhoud. Beschermingsregime Beschermde soort
Habitatrichtlijnsoort
Andere soorten
*Levendbarende hagedis
X
**Hazelworm
X
* Voor Levendbarende hagedis geldt een vrijstelling in de periode 15 augustus tot en met 15 oktober. ** Voor Hazelworm geldt een vrijstelling in de maanden juli, augustus, september. 24
Bureau Meervelt
Quickscan Fish farm Terworm
Waarnemingen uit het deelgebied Terworm van Hazelworm zijn niet bekend. Er zijn alleen waarnemingen bekend van langs de spoorlijn. Levendbarende hagedis werd in 2019 voor het eerst waargenomen in dit deelgebied maar buiten het plangebied (waarneming.nl). Het plangebied was in het verleden waarschijnlijk weinig geschikt voor deze soorten door de aanwezige open inrichting met voornamelijk kort gemaaid gras en plantsoen. De voorgenomen beperkte aanlegwerkzaamheden en ingebruikname van de Fish farm hebben geen effect op populaties in de omgeving. Aanlegwerkzaamheden en werkzaamheden in de gebruiksfase vinden plaats in of in de directe nabijheid van de (semi)verharde delen en hebben geen gevolgen voor eventueel aanwezige populaties in de directe omgeving. Door het voorgenomen beheer in de overige delen in het plangebied kan de geschiktheid voor deze soorten toenemen. Bij het uitvoeren van het beheer (met name het maaien) dient dan rekening gehouden te worden met de aanwezigheid van deze soorten. Maatregelen om te voldoen aan de zorgplicht worden opgenomen in het ecologisch werkprotocol. Nader onderzoek of een ontheffing voor reptielen is in de huidige situatie niet nodig.
3.7 Overige beschermde soorten In onderstaande tabel 6 zijn waarnemingen opgenomen van beschermde soorten rond het plangebied in de laatste vijf jaar. Tabel 6: Overzicht van waargenomen overige beschermde soorten rond het plangebied (bron: NDFF 2021). Beschermingsregime Beschermde soort
Habitatrichtlijnsoort
Andere soorten
Iepenpage
X
Kleine ijsvogelvlinder
X
Vliegend hert
X
Het plangebied is niet geschikt als voortplantingslocatie voor de in de tabel genoemde soorten, vanwege het ontbreken van waardplanten of anderszins geschikt voortplantingsbiotoop. Iepen ontbreken (voortplantingsbomen van Iepenpage), Kamperfoelie ontbreekt (essentieel voor Kleine ijsvogelvlinder) en ook oude eikenstobben of ander rottend hout ontbreekt in het plangebied. Overige beschermde soorten zijn niet bekend en niet te verwachten gezien het ontbreken van populaties in de directe omgeving, het voormalige gebruik als RWZI, de voormalige inrichting en het voormalig beheer. Nader onderzoek naar overige beschermde soorten of het aanvragen van een ontheffing voor overig beschermde soorten is niet nodig.
25
Bureau Meervelt
4.
Quickscan Fish farm Terworm
HOUTOPSTANDEN, HOUT EN HOUTPRODUCTEN
4.1 Inleiding Ten aanzien van bescherming van bomen en houtopstanden zijn de volgende kaders relevant. Voor meer informatie over het afwegingskader in de Wet natuurbescherming wordt verwezen naar bijlage 1. 1. Wet natuurbescherming, 2. Algemene plaatselijke verordening van de gemeente.