CConstaterende datHeerlen
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlage 4-concept ruimtelijke onderbouwing.pdf

Raadsvergadering . (video) 23 juni 2021, gemeente HeerlenBij agendapunt: Ontwerp-verklaring van geen bedenkingen ‘fishfarm en natuurontwikkeling Terworm’23.992 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 3 van 3

1

http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RVS:2016:2508

Beheertypekaart omgeving projectgebied (Atlas Limburg, 2021).

De beleidsregel Natuurcompensatie is van toepassing als voorafgaand aan de activiteit is vastgesteld dat de wezenlijke kenmerken en waarden van de Goudgroene natuurzone worden vernietigd, verstoord en/of versnipperd en/of de kernkwaliteiten van de Bronsgroene landschapszone en/of van het Beschermingsgebied Nationaal landschap Zuid-Limburg worden vernietigd, verstoord en/of versnipperd. De wezenlijke kenmerken en waarden betreffen voor bestaande natuurgebieden de actueel aanwezige natuurbeheertypen en de nagestreefde natuurdoeltypen en voor te realiseren natuurgebieden de nagestreefde natuurdoeltypen zoals vastgelegd op de beheertypenkaart en de ambitiekaart van het Provinciaal Natuurbeheerplan (Omgevingsverordening Limburg). Beoordeling effecten op Goudgroen, Zilvergroen en Bronsgroen De voorgenomen ontwikkeling vindt plaats op enige afstand van de Zilvergroene natuurzone en de Bronsgroene landschapszone. Omdat geen externe werking2 uitgaat van deze zones zijn effecten op deze zones op voorhand uit te sluiten. Het projectgebied wordt aan vier zijden omringd door de Goudgroene natuurzone. Ook hier geldt dat geen externe werking uitgaat van de Goudgroene natuurzone. De ontwikkelingen die plaatsvinden buiten deze

2

Met ‘externe werking’ wordt wet- of regelgeving bedoeld die een gebied ook beschermd tegen negatieve effecten die kunnen optreden door ontwikkelingen buiten een dergelijk gebied. Natura 2000-gebieden kennen bijvoorbeeld een externe werking.

zone hoeven daarom niet getoetst te worden aan het beschermingskader van de Goudgroene natuurzone. Door de voorgenomen ontwikkeling in het projectgebied gaan geen wezenlijke kenmerken en waarden verloren in de omringende Goudgroene natuurzone. De aanwijzing van de smalle stroken Goudgroene natuurzone in het projectgebied is opmerkelijk. In de huidige situatie overlapt de strook met de recent aangelegde pad met grasbeton tegels waar eerder een onverhard pad liep. Voor de beoordeling of wezenlijke kenmerken en waarden worden of recent zijn aangetast, is het van belang te bepalen of wezenlijk kenmerken en waarden aanwezig waren. Het hele projectgebied heeft in het vigerende bestemmingsplan de enkelbestemming ‘Bedrijf - Nutsvoorziening’. Op luchtfoto’s vóór 2020 is te zien dat onder de strook Goudgroen het onverharde pad liep. Het onverharde pad kan niet aangemerkt worden als Kruidenrijk en faunarijk grasland; ook in oude natuurgegevens en vegetatieopname ontbreekt iedere indicatie van aanwezigheid van wezenlijke kenmerken en waarden (www.natuurgegevensprovincielimburg.nl). Het kleine stukje beheertype N15.02 Dennen- eiken- en beukenbos in het projectgebied betreft eveneens een oppervlak waar een pad aanwezig is. Deze situatie bestond al in 2016 toen het projectgebied nog in eigendom was van het Waterschapsbedrijf Limburg.

Geconcludeerd kan worden dat door de ontwikkeling geen wezenlijke kenmerken en waarden verloren gaan. Door het ontwikkelen van natuurwaarden in het projectgebied wordt een kleine bijdrage geleverd aan het verbinden van de omliggende Goudgroene natuurzone (de enclave wordt in praktijk iets kleiner). Vervolgstappen Omdat geen wezenlijke kenmerken en waarden worden aangetast zijn geen vervolgstappen nodig in relatie tot het afwegingskader Omgevingsverordening 2014 c.q. de Goudgroene natuurzone. 5.5.4 Beoordeling soortenbescherming

Flora Uit de verzamelde gegevens zijn geen beschermde soorten planten bekend uit het projectgebied of de omgeving daarvan. De provincie Limburg heeft een florakartering uitgevoerd in de omgeving in 1996 en 2007. Deze gegevens zijn verouderd (in beide jaren werden overigens geen beschermde plantensoorten aangetroffen in de omgeving van het projectgebied). Het projectgebied bestaat uit voormalig bedrijfsterrein en de groene delen worden momenteel beheerd als grasland. Het voorkomen van beschermde soorten kan op grond van het ontbreken van beschermde soorten in de omgeving en op grond van de voormalige inrichting en het beheer op voorhand uitgesloten worden. Nader onderzoek of een ontheffing voor planten is niet nodig. Zoogdieren In onderstaande tabel zijn waarnemingen opgenomen van zoogdieren rond het projectgebied in de laatste vijf jaar (bron: NDFF). Tabel: Voor de in grijs weergegeven soorten geldt een vrijstelling bij ruimtelijke ontwikkelingen, bestendig beheer of onderhoud. Beschermingsregime Beschermde soort Habitatrichtlijnsoort Andere soorten Das X *Eekhoorn X Egel X Haas X

Beschermde soort Hermelijn Konijn Ree Rosse woelmuis **Steenmarter

Beschermingsregime Habitatrichtlijnsoort

Andere soorten X X X X X

*Vrijstelling geldt voor de maanden maart, april en juli t/m november. **Vrijstelling geldt van 15 augustus t/m februari.

Grondgebonden zoogdieren Het projectgebied maakt naar verwachting deel uit van het leefgebied van de in de tabel genoemde soorten. De Das is in het projectgebied waargenomen in 2018. Het gaat hier, met uitzondering van de Das, om soorten die algemeen voorkomen en waarvoor een vrijstelling bestaat voor het vangen en voor het vernietigen van verblijfplaatsen bij het uitvoeren van ruimtelijke ontwikkelingen. Wel geldt altijd de zorgplicht. Maatregelen om te voldoen aan deze zorgplicht worden opgenomen in een ecologisch werkprotocol. Verblijfplaatsen van Das zijn niet waargenomen in het projectgebied. In het aangrenzende bos is minimaal één dassenburcht bekend. Het projectgebied is goed toegankelijk voor Dassen (deze kunnen onder de afrastering door). Door de voorgenomen inrichting met aanplant van inheemse struiken, bomen en fruitbomen ontstaat een zeer geschikt foerageergebied met een jaarrond aanbod van voedsel. De aanlegwerkzaamheden en de menselijke activiteit in het projectgebied na ingebruikname zijn niet van invloed op de aanwezige burcht buiten het projectgebied. Vleermuizen Het voorkomen van vleermuizen is niet bekend uit de NDFF, wel uit het onderzoek van Kragten (Kragten, 2018). Uit dit onderzoek bleek dat mogelijk verblijfplaatsen van vleermuizen aanwezig waren in de slibgistingtanks en het bedrijfsgebouw.

In 2018 zijn daarop drie avondbezoeken en een ochtendbezoek gebracht conform het vleermuisprotocol. Tijdens het onderzoek werden vier vleermuissoorten vastgesteld: Gewone dwergvleermuis, Rosse vleermuis, Laatvlieger en Watervleermuis. Het projectgebied werd door deze soorten gebruikt als foerageergebied. Van Gewone dwergvleermuis werd een verblijfplaats (kraamverblijfplaats) aangetroffen in de meest zuidoostelijk gelegen slibgistingtank. Het betrof een kleine kolonie van 3 tot 6 individuen. De ingang van de verblijfplaats bevindt zich aan de westzijde van de toren. In beide slibgistingtanks zijn daarnaast in totaal circa 11 paarverblijven en 11 zomerverblijven aangetroffen in de spouwmuren van de torens, hoofdzakelijk aan de zuidwestzijde. Beide bouwwerken werden als optimaal geschikt beoordeeld voor vleermuizen. Gezien het grote aantal vleermuizen wordt ook aangenomen dat de torens potentie hebben of in gebruik zijn als winterverblijfplaats voor Gewone dwergvleermuizen. Van de overige drie soorten werden in het projectgebied geen verblijfplaatsen aangetroffen. De voorgenomen ontwikkeling (aanleg en in gebruik name Fish farm en herinrichting overige deel) heeft geen negatieve gevolgen voor de verblijfplaatsen van de vleermuizen. De torens waar de verblijfplaatsen gevonden zijn maken geen deel uit van de Fish farm en blijven behouden als verblijfplaats.

Van belang is de invliegopeningen naar de verblijfplaatsen onverlicht te laten. Permanente lichtuitstraling richting de torens is niet toegestaan. De verlichtingssituatie rond de invliegopeningen dient ongewijzigd te blijven. Bij het

aanbrengen van extra verlichting dient daar rekening mee gehouden te worden. Verlichting dient zo beperkt mogelijk gehouden te worden, bijvoorbeeld door het aanbrengen van on-demand verlichting en/of vleermuisvriendelijke verlichting. Deze maatregelen worden opgenomen in het op te stellen ecologisch werkprotocol. Het projectgebied is door Kragten (2018) beoordeeld als essentieel foerageergebied voor de soorten die voorkomen in de omgeving. Gezien de grootte van de territoria van deze soorten en de zeer beperkte oppervlakte van het projectgebied kan de betekenis echter niet essentieel zijn voor het instandhouden van verblijfplaatsen. Het foerageergebied verandert enigszins door de voorgenomen ontwikkeling maar blijft als zodanig behouden voor de waargenomen soorten. Ook het voedselaanbod blijft op peil mede door de structuurrijkere begroeiing. Gezien het uitgevoerde onderzoek in 2018 en het feit dat de voorgenomen ontwikkeling geen negatieve effecten heeft op de aanwezige soorten en de aanwezige functies in het projectgebied, is nader onderzoek of een ontheffing voor vleermuizen niet nodig. Vogels In de Wet natuurbescherming zijn verbodsbepalingen opgenomen met betrekking tot vogels in het Beschermingsregime soorten Vogelrichtlijn. Nesten van een aantal soorten zijn jaarrond beschermd; ook de functionele omgeving van deze jaarrond beschermde nesten is beschermd.

Storing met als gevolg het (tijdelijk) verlaten van een jaarrond beschermd nest wordt eveneens beschouwd als vernielen van het nest als daardoor het broedsucces vermindert. In 2015 heeft de provincie Limburg een broedvogelonderzoek uitgevoerd (territoriumkartering van bijzondere en schaarse broedvogels) in de directe omgeving van het projectgebied. Vanwege het geringe oppervlak kan ervan uitgegaan worden dat ook in het projectgebied aanwezige territoria opmerkt zouden zijn. De gegevens zijn enigszins verouderd maar geven een goed beeld van de broedvogelpopulatie die aanwezig is in en nabij het projectgebied. In het projectgebied zelf werden geen territoria vastgesteld van bijzondere of schaarse soorten. Net buiten het projectgebied werden territoria vastgesteld van Zwarte kraai, Groene specht, Grote bonte specht, Holenduif, Boomklever, Boomkruiper en Appelvink. Rond de molen aan de zuidzijde van de weg werden enkele territoria van watergebonden soorten vastgesteld waaronder Grote gele kwikstaart (jaarrond beschermd nest). Het voorkomen van jaarrond beschermde nesten in het projectgebied is niet recent onderzocht. Voor gebouwbewonende soorten ontbreekt geschikte broedgelegenheid en/of ontbreken geschikte voedselomstandigheden. Het omliggende grasland was tot voor kort vrijwel ongeschikt als broedgelegenheid voor broedvogels met jaarrond beschermde nesten.

Jaarrond beschermde nesten kunnen wel voorkomen in het omliggende natuurgebied. In de randen en de kleine landschapselementen kunnen zich broedvogels vestigen waarvan het nest niet jaarrond beschermd is maar wel tijdens de broedperiode. Met de herinrichting en het op natuurwaarden gerichte beheer kan geschikte nestgelegenheid ontstaan in de aanwezige bomen, struiken en ruigere hoekjes. Alle in gebruik zijnde nesten van broedvogels zijn strikt beschermd op grond van de Wet natuurbescherming. Gezien de zeer beperkte aard van de voorgenomen ontwikkelingen en de locatie daarvan (rond de bassins en de opslag) in de aanlegfase in 2021 van de Fish farm kan ervan uitgegaan

worden dat geen verstoring of vernietiging van nesten en/of vogels optreedt. Bij werkzaamheden in het broedseizoen in hogere kruidenrijke begroeiing, nabij de bosrand, struwelen en andere broedgelegenheid dient vooraf een inspectie plaats te vinden door een ter zake kundige op het voorkomen van mogelijke broedgevallen. Indien deze (mogelijk) aanwezig zijn dient gewacht te worden tot het nest niet meer in gebruik is. De grondwerkzaamheden ten behoeve van de aanleg van de helofytenfilter vinden bij voorkeur plaats buiten het broedseizoen. Als dit niet mogelijk is dient de begroeiing op en in de ruime omgeving van de locatie van de aan te leggen helofytenfilter vanaf de start van het broedseizoen (vanaf half maart) kort gehouden te worden om het ontstaan van potentiële broedgelegenheid te voorkomen. Beheerwerkzaamheden waarbij nesten verloren kunnen gaan zoals maaien, snoeien en het vrijstellen van de omheining dienen buiten de broedperiode uitgevoerd te worden. Onderzoek naar de aanwezigheid van broedvogels of een ontheffing is niet nodig, mits rekening gehouden wordt met aanwezige broedvogels. Amfibieën Uit het projectgebied en uit een straal van 1 kilometer rond het projectgebied ontbreken waarnemingen van amfibieën. Naar verwachting komen in lage dichtheden algemeen voorkomende soorten voor in de omgeving zoals Gewone pad en Kleine watersalamander.

In het projectgebied ontbrak in het verleden geschikt voortplantingswater en was geschikt overwinteringsgebied marginaal aanwezig. Door het beëindigen van de RWZI en de afwatering op de lossing kan geschikt voortplantingswater ontstaan en gekoloniseerd worden. In de huidige situatie kunnen incidenteel individuen van algemeen voorkomende soorten aanwezig zijn. In dat geval geldt de zorgplicht en dient het doden van individuen voorkomen te worden. Maatregelen om te voldoen aan de zorgplicht zijn opgenomen in het ecologisch werkprotocol. Nader onderzoek of een ontheffing voor amfibieën is niet nodig. Reptielen In onderstaande tabel zijn waarnemingen opgenomen van beschermde soorten rond het projectgebied in de laatste vijf jaar (bron: NDFF 2021). Tabel: Voor de in grijs weergegeven soorten geldt een vrijstelling bij ruimtelijke ontwikkelingen en bestendig beheer of onderhoud. Beschermingsregime Beschermde soort Habitatrichtlijnsoort Andere soorten *Levendbarende hagedis X **Hazelworm X * Voor Levendbarende hagedis geldt een vrijstelling in de periode 15 augustus tot en met 15 oktober. ** Voor Hazelworm geldt een vrijstelling in de maanden juli, augustus, september.

Waarnemingen uit het deelgebied Terworm van Hazelworm zijn niet bekend. Er zijn alleen waarnemingen bekend van langs de spoorlijn. Levendbarende hagedis werd in 2019 voor het eerst waargenomen in dit deelgebied maar buiten het projectgebied (waarneming.nl). Het projectgebied was in het verleden waarschijnlijk weinig geschikt voor deze soorten door de aanwezige open inrichting met voornamelijk kort gemaaid gras en plantsoen. De voorgenomen beperkte aanlegwerkzaamheden en ingebruikname van de Fish farm hebben geen effect op populaties in de omgeving. Aanlegwerkzaamheden en werkzaamheden in de gebruiksfase vinden plaats in of in de directe nabijheid van de (semi)verharde delen en hebben geen gevolgen voor eventueel aanwezige populaties in de directe omgeving.

Door het voorgenomen beheer in de overige delen in het projectgebied kan de geschiktheid voor deze soorten toenemen. Bij het uitvoeren van het beheer (met name het maaien) dient dan rekening gehouden te worden met de aanwezigheid van deze soorten. Maatregelen om te voldoen aan de zorgplicht zijn opgenomen in het ecologisch werkprotocol. Nader onderzoek of een ontheffing voor reptielen is in de huidige situatie niet nodig. Overige beschermde soorten In onderstaande tabel zijn waarnemingen opgenomen van beschermde soorten rond het projectgebied in de laatste vijf jaar (bron: NDFF 2021).

Beschermde soort Iepenpage Kleine ijsvogelvlinder Vliegend hert

Beschermingsregime Habitatrichtlijnsoort

Andere soorten X X X

Het projectgebied is niet geschikt als voortplantingslocatie voor de in de tabel genoemde soorten, vanwege het ontbreken van waardplanten of anderszins geschikt voortplantingsbiotoop. Iepen ontbreken (voortplantingsbomen van Iepenpage), Kamperfoelie ontbreekt (essentieel voor Kleine ijsvogelvlinder) en ook oude eikenstobben of ander rottend hout ontbreekt in het projectgebied. Overige beschermde soorten zijn niet bekend en niet te verwachten gezien het ontbreken van populaties in de directe omgeving, het voormalige gebruik als RWZI, de voormalige inrichting en het voormalig beheer. Nader onderzoek naar overige beschermde soorten of het aanvragen van een ontheffing voor overig beschermde soorten is niet nodig. 5.5.5 Houtopstanden, hout en houtproducten

Er is geen kap van bomen voorzien. Vervolgstappen zijn niet nodig. 5.5.6 Conclusies

Conclusie gebiedsbescherming Natura 2000 Het projectgebied ligt als een enclave in het Natura 2000-gebied Geleenbeekdal. Op een afstand van ongeveer drie kilometer ten noorden van het projectgebied ligt Natura 2000-gebied Brunssummerheide. Op een afstand van ongeveer 1,7 km ten zuiden van het projectgebied ligt het Natura 2000-gebied Kunderberg. De optredende storingsfactoren geluid en optische verstoring hebben een kleine overlap met Natura 2000-gebied Geleenbeekdal. Het betreft de grenszone van het omliggende deelgebied Terworm. De storingsfactoren reiken niet tot overige deelgebieden en overige Natura 2000-gebieden. De storingsfactoren die overlappen met het Natura 2000-gebied treden niet in die mate op dat significante gevolgen optreden in het licht van de instandhoudingsdoelen voor het Natura 2000-gebied Geleenbeekdal. Stikstof Voor de eventuele project-gerelateerde emissie door de inzet van mobiele werktuigen en (vracht)verkeer zijn drie AERIUS-berekeningen uitgevoerd (Aerius-kenmerken RYH6zcyTGKMa voor de aanlegwerkzaamheden in 2021, Rzz72V2QQ5Mn voor de aanlegwerkzaamheden in 2022, RbbJwqNPFdHK voor de fase na ingebruikname). Hieruit blijkt dat de voorgenomen ontwikkeling in de aanlegfase en in de gebruiksfase geen stikstofdepositie veroorzaakt op het omringende Natura 2000-gebied Geleenbeekdal of

andere Natura 2000-gebieden boven de 0,00 mol/ha/jaar. Het opstellen van een voortoets of passende beoordeling en het aanvragen van een vergunning stikstof in het kader van de Wet natuurbescherming is niet nodig. Omgevingsverordening Limburg Het projectgebied wordt omringd door de Goudgroene natuurzone. Er gaat geen externe werking uit van de Goudgroene natuurzone. De ontwikkelingen die plaatsvinden buiten deze zone hoeven daarom niet getoetst te worden aan het beschermingskader van de Goudgroene natuurzone. Door de voorgenomen ontwikkeling in het projectgebied gaan noch wezenlijke kenmerken en waarden in de omringende Goudgroene natuurzone verloren, noch worden deze aangetast. In het projectgebied zelf liggen enkele smalle stroken. Deze stroken zijn aangemerkt als beheertypen N12.02 Kruiden- en faunarijk grasland en N15.02 Dennen-, eiken- en beukenbos. Deze beheertypen zijn feitelijk niet aanwezig en waren ook toen het terrein nog in eigendom was van het Waterschapsbedrijf Limburg, niet aanwezig. Door de voorgenomen ontwikkelingen gaan geen wezenlijke kenmerken en waarden verloren. Door de meer natuurlijke inrichting en het voorgenomen beheer wordt een kleine bijdrage geleverd aan het verbinden van de omliggende Goudgroene natuurzone (de enclave wordt in praktijk iets kleiner). Vervolgstappen of compensatie op grond van de Beleidsregel natuurcompensatie zijn niet nodig.

Conclusies soortbescherming • Het projectgebied en de directe omgeving is leefgebied van enkele beschermde soorten. In het algemeen geldt: als dieren worden aangetroffen in het projectgebied geldt te allen tijde de zorgplicht. Bij het onverhoopt toch aantreffen van beschermde planten- of diersoorten waarvoor geen vrijstelling geldt, dienen de werkzaamheden te worden stilgelegd en dient contact opgenomen te worden met een ecoloog om benodigde vervolgstappen te bespreken. •

Voor een deel van deze soorten geldt een vrijstelling voor het vangen en vernietigen van verblijfplaatsen bij ruimtelijke ingrepen. Om te voorkomen dat individuen gedood worden dient zorgvuldig gehandeld te worden. Maatregelen in het kader van de zorgplicht en zorgvuldig handelen worden opgenomen in een ecologisch werkprotocol. Voor een aantal soorten is nader aandacht nodig in het kader van de Wet natuurbescherming om overtredingen van de verbodsbepalingen in de aanlegfase en bij ingebruikname te voorkomen. Als deze maatregelen in acht worden genomen is een ontheffing op grond van de Wet natuurbescherming niet nodig. Deze soorten zijn opgenomen in onderstaande tabel. De aangegeven maatregelen in de tabel zijn net als de algemene maatregelen uit oogpunt van de zorgplicht en zorgvuldig handelen opgenomen in een ecologisch werkprotocol.

Tabel: Soorten waarvoor nader aandacht nodig is. Soort

Activiteit

Mogelijke overtreding

Onderzoek nodig?

(Mitigerende) maatregel

Ontheffin g nodig

Vleermuiz en

Verlichten van de Fish farm Terworm.

art 3.5 lid 4 beschadigen of vernielen van de voortplantin gs- of rustplaatsen .

Nee, monitoring wordt uitgevoerd.

De verlichtingssituatie rond de invliegopeningen dient ongewijzigd te blijven. Bij het aanbrengen van extra verlichting dient daar rekening mee gehouden te worden. Verlichting dient zo beperkt mogelijk gehouden te worden, bijvoorbeeld door het aanbrengen van on-demand verlichting en/of vleermuisvriendelijke verlichting.

Nee, tenzij verlichtin g sterk toeneemt .

Broedvog els

Verwijderen van struweel, hogere kruiden en houtachtige begroeiing.

Nee.

Deze activiteit zoveel mogelijk uitvoeren na het broedseizoen of de betreffende locatie vooraf laten inspecteren door een ter zake deskundige op het voorkomen van in gebruik zijnde nesten. Bij aanwezigheid van in gebruik zijnde nesten dient gewacht te worden tot de jongen niet meer afhankelijk zijn van het nest.

Nee, mits rekening gehouden wordt met in gebruik zijnde nesten.

Reptielen (Hazelwo rm en Levendba rende hagedis)

Op termijn: Uitvoeren van beheer in de natuurdelen , uitvoeren grondwerkz aamheden.

art. 3.1 lid 2 vernielen, beschadigen of wegnemen van nesten art. 3.1`lid 4 en lid 5 verstoren van vogels tenzij de verstoring niet van wezenlijke invloed is. art. 3.10 lid 1a opzettelijk doden of vangen.

In de huidige situatie en bij de huidige ontwikkelin gen niet.

Bij toekomstige maaiwerkzaamheden de maaibalk afstellen op 10 cm hoogte om schade aan individuen te voorkomen. Voorafgaand aan de grondwerkzaamheden ten behoeve van de aanleg van het helofytenfilter kan een inspectie door een ter zake kundige nodig zijn (afhankelijk van de ontwikkeling van de vegetatie). Om te voorkomen dat geschikt habitat ontstaat kan de locatie voor de aanleg van de helofytenfilter ook kort gehouden worden, een inspectie is dan niet nodig.

Nee, mits slachtoffe rs voorkome n kunnen worden.

Conclusies Houtopstanden, hout en houtproducten Er is geen kap van bomen voorzien. Vervolgstappen zijn niet nodig Gezien het vorenstaande vormt het aspect natuurwaarden geen belemmering voor het verlenen van een omgevingsvergunning voor de beoogde ontwikkeling.

5.6

Bedrijfshinder

Om te komen tot een ruimtelijk relevante toetsing van bedrijfsvestigingen op milieuhygienische aspecten wordt het begrip milieuzonering gehanteerd. Onder milieuzonering wordt verstaan het waar nodig zorgen voor een voldoende ruimtelijke scheiding tussen enerzijds bedrijven of overige milieubelastende functies en anderzijds milieugevoelige functies zoals woningen. Bij de planontwikkeling dient rekening gehouden te worden met milieuzoneringen om zodoende de kwaliteit van het woon- en leefmilieu te handhaven en te bevorderen en daarnaast bedrijven voldoende zekerheid te bieden dat zij hun activiteiten duurzaam binnen aanvaardbare voorwaarden kunnen uitvoeren. Bij de milieuzonering wordt gebruik gemaakt van de door de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG) opgestelde publicatie 'Bedrijven en milieuzonering'. 5.6.1 Scheiding van functies versus functiemenging

Scheiding van milieubelastende en milieugevoelige functies met behulp van milieuzonering is in de omgeving van sterk milieubelastende activiteiten zonder meer noodzakelijk. Een vergaande scheiding van functies kan echter ook leiden tot inefficiënt ruimtegebruik en een verlies aan ruimtelijke kwaliteit. Een gemengd gebied met een mix van wonen en werken, winkels en horeca stimuleert een levendig straatbeeld, een hogere sociale veiligheid en extra draagvlak voor voorzieningen. Vanuit het oogpunt van efficiënt ruimtegebruik verdient het de voorkeur om functiescheiding niet verder door te voeren dan met het oog op een goed woon- en leefklimaat noodzakelijk is. 5.6.2 Richtafstandenlijsten

De twee belangrijkste bouwstenen voor milieuzonering zijn de twee richtafstandenlijsten in bijlage 1 van de VNG-publicatie. Voor een scala aan milieubelastende activiteiten (lijst 1) en opslagen en installaties (lijst 2) zijn richtafstanden aangegeven ten opzichte van een rustige woonwijk. In de lijsten wordt onderscheid gemaakt naar richtafstanden voor de ruimtelijk relevante milieuaspecten geur, stof, geluid en gevaar. De grootste van deze vier richtafstanden is bepalend voor de indeling van een activiteit in een milieucategorie. Daarbij omvat categorie 1 de lichtste en categorie 6 de zwaarste vormen van bedrijvigheid. De richtafstanden gaan uit van gemiddeld moderne bedrijven. Indien bekend is welke activiteiten concreet worden beoogd of aanwezig zijn, kan gemotiveerd worden uitgegaan van de daadwerkelijk te verwachten milieubelasting (in plaats van de richtafstanden). 5.6.3 Projectgebied

Volgens de VNG-publicatie 'Bedrijven en Milieuzonering' wordt een bedrijf dat zich bezighoudt met visteelt (SBI032) tot een categorie 3.1 bedrijf gerekend. Hierbij geldt een richtafstand (gebaseerd op geur alsook geluid) van 50 meter t.o.v. gevoelige bestemmingen. De dichtstbijzijnde gevoelige bestemming betreft de woning aan de Eikendermolenweg 4, op ca. 10 meter afstand van de bestaande inrit van het projectgebied. Geur De bassins van de viskwekerij liggen op een afstand van minimaal 90 meter ten opzichte van de woning aan de Eikendermolenweg. Voor geur kan worden gesteld dat de visvijvers zijn gelegen op een afstand van meer dan 50 meter tot de woning en daarmee wordt er voor het aspect geur voldaan aan de richtafstanden.

Geluid Voor geluid geldt dat de inrit is gelegen op een afstand van minder dan 50 meter tot de woning zodat er een nadere beschouwing noodzakelijk is. Daarvoor is door K+ Adviesgroep een akoestisch onderzoek uitgevoerd naar geluid als gevolg van de bevoorrading. Het rapport van dit onderzoek is opgenomen in bijlage 6. Uit de resultaten van dit akoestisch onderzoek blijkt het volgende: • Uit het onderzoek is gebleken dat in de dagperiode er maximaal 22 verkeersbewegingen van een zware vrachtwagen mogelijk zouden zijn wil de gevelbelasting binnen de streefwaarde van 45 dB(A) blijven. In de praktijk zal het aantal bewegingen ruim onder de 22 bedragen en daarmee zal de langtijdgemiddelde gevelbelasting voldoen aan een etmaalwaarde van 45 dB(A). • Uit het onderzoek is gebleken dat de piekniveaus op de gevel maximaal 74 dB(A) zullen bedragen. Deze piekgeluiden komen alleen in de dagperiode voor, zijn qua frequentie beperkt tot 1 a 2 maal per week en zijn een gevolg van laad- en losactiviteiten die op grond van het Activiteitenbesluit buiten beschouwing worden gelaten en daarmee zijn dergelijke geluidniveaus toch toelaatbaar. • Uit het binnenwaardeonderzoek is nagegaan met welke bouwkundige scheidingsconstructies een voldoende geluidwering kan worden behaald om ervoor te zorgen dat de binnenwaarde in de dagperiode onder de 55 dB(A) zal blijven.

Met het vorenstaande is aangetoond dat er sprake zal zijn van een acceptabel woon- en leefklimaat. Conclusie projectgebied Gelet op vorenstaande vormt het aspect bedrijfshinder geen belemmeringen voor het geplande gebruik van de locatie.

5.7

Luchtkwaliteit

5.7.1 Nationaal beleid

In de Wet milieubeheer (Wm) zijn in hoofdstuk 5 onder titel 2 eisen ten aanzien van luchtkwaliteit opgenomen. Daarmee hangen de volgende besluiten en regelingen samen: • Besluit gevoelige bestemmingen • Besluit 'Niet in betekenende mate' (NIBM) • Regeling 'Niet in betekenende mate' (NIBM) Deze wet- en regelgeving omvat maatregelen om aan de ene kant de uitstoot van schadelijke stoffen te beperken en aan de andere kant te voorkomen dat mensen langdurig worden blootgesteld aan verontreiniging. 5.7.2 Niet in betekenende mate (NIBM)

In de AMvB 'Niet in betekenende mate' en de ministeriële regeling NIBM zijn de uitvoeringsregels vastgelegd die betrekking hebben op het begrip NIBM. Het begrip 'niet in betekenende mate' is gedefinieerd als 3% van de grenswaarde voor NO2 en PM10. In de Regeling NIBM is een lijst met categorieën van gevallen (inrichtingen, kantoor- en woningbouwlocaties) opgenomen die binnen de getalsmatige grenzen vallen en daardoor niet in betekenende mate bijdragen aan luchtverontreiniging. Deze gevallen kunnen zonder toetsing aan de grenswaarden voor het aspect luchtkwaliteit worden uitgevoerd. Dit moet gemotiveerd worden door de gemeente. 5.7.3 Projectgebied

Middels dit projectbesluit wordt een viskwekerij mogelijk gemaakt. Deze ontwikkeling wordt niet toegewezen aan één van de beschreven categorieën van gevallen. Op deze locatie was een rioolwaterzuiveringsinstallatie gevestigd. De verkeersbewegingen die deze R.W.Z.I. genereerde komt

grotendeels overeen met de verkeersbewegingen die de viskwekerij gaat generen. De luchtkwaliteit zal gelijk blijven of nauwelijks verslechteren. Op grond van artikel 5.16 lid 1 onder b. 1 Wet milieubeheer kan dit plan doorgang vinden.

5.8

Externe veiligheid

5.8.1 Nationaal beleidskader

Externe veiligheid beschrijft de risico's die ontstaan als gevolg van de opslag van of handelingen met gevaarlijke stoffen. Dit kan betrekking hebben op inrichtingen (bedrijven) of transportroutes. Op beide categorieën is landelijke wet- en regelgeving van toepassing. In de landelijke regelgeving zijn kwaliteitseisen en normen op het gebied van externe veiligheid geformuleerd. Doel is om bepaalde risico's, waaraan burgers in hun leefomgeving worden blootgesteld, tot een aanvaardbaar minimum te beperken. Deze bedoelde risico's hangen vooral samen met: • activiteiten met gevaarlijke stoffen in inrichtingen; • transport van gevaarlijke stoffen door buisleidingen; • transport van gevaarlijke stoffen over de weg, spoor en water. Ook zijn er onder meer landelijke regels voor de opslag en verkoop van vuurwerk. Verder wordt bij de plaatsing van windmolens tegenwoordig ook de externe veiligheid in ogenschouw genomen. De risico's voor externe veiligheid komen tot uitdrukking via het plaatsgebonden risico (PR) en het groepsrisico (GR). Voor het groepsrisico geldt een verantwoordingsplicht. Afhankelijk van de ruimtelijke ontwikkeling en beschikbare gegevens is deze beperkt of ruim van opzet. 5.8.2 Plaatsgebonden risico

Het plaatsgebonden risico (PR) is de kans, per jaar, op overlijden van een onbeschermd individu ten gevolge van ongevallen met gevaarlijke stoffen. De aanwezigheid van een persoon is fictief. Niet wordt beoordeeld hoe groot de kans op de aanwezigheid van een persoon feitelijk is. Het PR kan op de kaart van een gebied worden weergeven met zogeheten risicocontouren: lijnen die punten verbinden met eenzelfde PR. Via het PR wordt een basisbeschermingsniveau gewaarborgd. 5.8.3 Groepsrisico

Het groepsrisico (GR) is een maat voor de kans per jaar dat een groep van bijvoorbeeld 10, 100 of 1000 personen het slachtoffer wordt van een ongeval met gevaarlijke stoffen. Het GR wordt ook beschouwd als een maat voor de maatschappelijke ontwrichting. Bij het GR wordt wel beoordeeld hoeveel personen zich, redelijkerwijs, feitelijk in de omgeving kunnen bevinden. Voor het GR geldt geen grenswaarde, maar een oriëntatiewaarde. Dit is een ijkwaarde waaraan veranderingen getoetst kunnen worden. Deze oriëntatiewaarde mag overschreden worden, mits goed beargumenteerd door het bevoegd gezag. Deze argumentatie is een onderdeel van de verantwoording van het groepsrisico. Voor het bevoegd gezag geldt een verantwoordingsplicht, wanneer binnen het invloedsgebied van een risicobron kwetsbare en/of beperkt kwetsbare objecten via het bestemmingsplan worden toegelaten. Dit betreft ook de al bestaande (beperkt) kwetsbare objecten, zoals al gebouwde woningen. Een risicobron is bijvoorbeeld een buisleiding die wordt gebruikt voor het transport van gevaarlijke stoffen. Met het invloedsgebied wordt gedoeld op het gebied waarbinnen minimaal 1% van de aanwezige personen overlijdt als gevolg van een calamiteit met gevaarlijke stoffen ter plaatse van de risicobron. Het invloedsgebied van een risicobron is soms vastgelegd in de wet.

In de andere gevallen kan het worden berekend aan de hand van vastgelegde rekenregels.

De verantwoording van het groepsrisico is één van de onderdelen van een goede ruimtelijke ordening. De omvang en diepgang van de verantwoording is daarbij afhankelijk van de gevolgen voor het groepsrisico. Dit wordt per bestemmingsplan beoordeeld. 5.8.4 Externe veiligheid inrichtingen

Het huidige beleid voor inrichtingen (bedrijven) is opgenomen in het 'Besluit externe veiligheid inrichtingen' (Bevi). Ter uitvoering van het Bevi geldt de 'Regeling externe veiligheid inrichtingen' (Revi). Hierin zijn aan te houden afstanden opgenomen voor zogenaamde categoriale inrichtingen. Daarnaast zijn in het Revi regels opgenomen voor de berekening van de aan te houden afstanden voor de niet-categoriale inrichtingen. 5.8.5 Externe veiligheid buisleidingen

Voor het transport van gevaarlijke stoffen door buisleidingen geldt het 'Besluit externe veiligheid buisleidingen' (Bevb). De aanwijzing van buisleidingen, de risicoafstanden en de aanwijzing van de rekenmethodiek zijn opgenomen in de 'Regeling externe veiligheid buisleidingen' (Revb). De toetsingssystematiek uit het Bevi wordt ook toegepast bij buisleidingen. 5.8.6 Externe veiligheid transport

Het beleid voor het transport van gevaarlijke stoffen over de weg, via het spoor en via het water staat beschreven in het Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt). Hierin is het 'Basisnet vervoer gevaarlijke stoffen' verankerd. Het primaire doel van dit basisnet is het creëren van een plafond voor het vervoer van gevaarlijke stoffen over Rijkswegen, hoofdvaarwegen en spoorwegen. Aan de hand van deze maximale vervoerstromen van gevaarlijke stoffen kunnen de externe veiligheidsrisico's worden bepaald. 5.8.7 Gemeentelijk beleid

In de 'Beleidsregel voor externe veiligheid 2011-2015' heeft de gemeente Heerlen het beleid voor externe veiligheid geformuleerd. Dit beleid is op 1 november 2011 door de gemeenteraad vastgesteld. Het doel van het externe veiligheidsbeleid van de gemeente Heerlen is het behouden van een verantwoord en aanvaardbaar veiligheidsniveau. Het beleid in deze nota leidt tot het beperken van de risico's van de bronnen waar dat nodig is. Het gevolg van dit beleid is dat bepaalde bedrijven, die zijn gevestigd op locaties waar dat op grond van dit beleid ongewenst is, zullen worden beperkt in hun mogelijkheden. Ook zal de ontwikkeling van bepaalde gebieden anders moeten worden beoordeeld vanwege de aanwezige risico's. Een aanscherping c.q. actualisatie wordt meegenomen in de nog op te stellen omgevingsvisie. Dit beleid zal ertoe leiden dat op de langere termijn in Heerlen de risico's door het gebruik en de toepassing van gevaarlijke stoffen binnen aanvaardbare grenzen kunnen blijven. Het beleid is niet bedoeld als een keurslijf. Het biedt een afwegingskader om optimaal met externe veiligheid in samenspel met andere belangen en andere instanties rekening te houden. In 2014 is in opdracht van de provincie Limburg door Adviesgroep AVIV in beeld gebracht welke risicobronnen in de gemeente Heerlen aanwezig zijn en welke risico's deze voor de omgeving kunnen opleveren.

De invloedsgebieden van respectievelijk BEVI-inrichtingen, hogedruk aardgasleidingen en spoor, rijks- en provinciale wegen zijn op kaarten weergegeven. De invloedsgebiedenkaarten lenen zich als praktisch instrument voor een quick scan bij een ruimtelijk project om gemakkelijk vast te stellen of de externe veiligheid in beschouwing genomen moet worden en het groepsrisico verantwoord. De kaarten hebben een signaalfunctie. Ze geven ook aan waar de zoneringen voor de grens- en richtwaarde van het plaatsgebonden risico liggen die zich wettelijk verplicht dienen te vertalen in de planregels. Voor meer informatie wordt verwezen naar de rapportage van dit onderzoek: 'Externe veiligheid: invloedsgebiedenkaart gemeente Heerlen voor de ruimtelijke ordening, Adviesgroep AVIV, 26 november 2014'. In het vervolg van voorliggende paragraaf is gebruik gemaakt van de informatie uit dit onderzoek.

5.8.8 Projectgebied Aan de hand van de risicokaart (zie: www.risicokaart.nl), het geldende bestemmingsplan, de studie 'Externe veiligheid: invloedsgebiedenkaart gemeente Heerlen voor de ruimtelijke ordening' (AVIV, projectnummer 142686 d.d. 26.11.2014) en de Regeling Basisnet zijn externe veiligheidsrisico's beoordeeld.

Uitsnede ‘Risicokaart’ met aanduiding projectgebied

Conclusie

Uit de beoordeling blijkt dat in en nabij het projectgebied geen bedrijven zijn gevestigd en/of activiteiten bekend die, gezien de aard en omvang en de ligging ten opzichte van het projectgebied, een onacceptabel extern veiligheidsrisico opleveren. Ook zijn direct nabij het projectgebied geen wegen voor het transport van gevaarlijke stoffen aangewezen. Binnen de inrichting worden geen activiteiten verricht waarbij externe veiligheidsrisico's ontstaan. Daarnaast worden er geen gevaarlijke stoffen opgeslagen in dusdanige hoeveelheden dat hiervoor nadere externe veiligheidseisen of -contouren gelden. Het plaatsgebonden risico voor externe veiligheid staat dan ook niet in de weg voor het verlenen van de omgevingsvergunning voor dit ruimtelijk plan. 5.8.9 Beoordeling groepsrisico

Het voorliggende plan maakt de realisatie van een viskwekerij en de ontwikkeling van natuur mogelijk op het perceel van de voormalige RWZI aan de Eikendermolenweg 100. In het vigerend bestemmingsplan "Buitengebied" dat 27 november 2019 is vastgesteld, hebben de gronden de bestemming ‘Bedrijf Nutsvoorziening ' gekregen. In dat plan is ook de verantwoording van het GR gemotiveerd. Bij de voorliggende ontwikkeling wordt een deel van de gronden gebruikt voor een viskwekerij en worden de overige gronden ingericht als natuur. Bij de viskwekerij is structurele aanwezigheid van medewerkers niet aan de orde. Een medewerker zal dagelijks (kortstondig) aanwezig zijn voor controle. Verder zullen een of enkele medewerkers op gezette tijden aanwezig zijn voor het uitvoeren van onderhoud. Daarnaast worden maandelijks jonge karpers aangeleverd en volwassen kapers opgehaald (laden en lossen). Ook tijdens deze momenten zullen één of enkele medewerkers aanwezig zijn. Er zullen geen bezoekers of publiek de viskwekerij bezoeken. Wanneer de viskwekerij volledig operationeel is zullen hierbij naar verwachting maximaal 4 a 6 personen werkzaam zijn. Een deel van deze medewerkers zal op de bovenvermelde momenten op de locatie aanwezig zijn.

De locatie was voorheen in gebruik als RWZI. Ook toen was aanwezigheid van personeel gekoppeld aan het beheer en het onderhoud. Een redelijk vergelijkbare situatie met de toekomstige functie van viskwekerij, al zal de controlefrequentie van de viskwekerij mogelijk wat hoger liggen. Het aantal mensen dat werkzaam is binnen het projectgebied zal daarmee niet of slechts zeer beperkt toenemen. Voor zover een groepsrisico aan de orde is, verandert dit niet door de beoogde ontwikkeling. 5.8.10 Conclusie projectgebied

Bij de totstandkoming van de voorliggende ruimtelijke onderbouwing is op voldoende wijze rekening gehouden met de externe veiligheid. De realisatie van dit project wordt niet belemmerd door externe veiligheidsaspecten.

5.9

Technische infrastructuur

Volgens het vigerende bestemmingsplan en de kaarten van de Gasunie, zijn binnen het besluitgebied en de directe omgeving geen kabels of leidingen met een planologische beschermingszone gelegen, die een belemmering zouden kunnen vormen voor de beoogde ontwikkeling.

5.10 Archeologie Het "Europees Verdrag inzake de bescherming van het archeologisch erfgoed", kortweg het Verdrag van Malta, is op 16 januari 1992 te Valetta tot stand gekomen. Het Verdrag beoogt het cultureel erfgoed dat zich in de bodem bevindt beter te beschermen. In 1992 ondertekende Nederland het 'Verdrag van Malta'. In het verdrag is de omgang met het Europees archeologisch erfgoed geregeld. Het verdrag is geratificeerd door de Eerste en Tweede Kamer en sinds september 2007 is de Archeologische monumentenzorg geïmplementeerd in de Monumentenwet 1988. De essentie is dat voorafgaand aan de uitvoering van plannen onderzoek moet worden gedaan naar de aanwezigheid van archeologische waarden en daar in de ontwikkeling van plannen zoveel mogelijk rekening mee te houden. Volgens de wettelijke verplichting wordt in bestemmingsplannen rekening gehouden met bekende en verwachte archeologische waarden. De Erfgoedwet juncto Monumentenwet 1988 geeft een vrijstelling van onderzoeksplicht voor projecten kleiner dan 100 m2, maar geeft de gemeente de vrijheid deze vrijstelling aan te passen. Die afwijking kan zowel naar boven als naar beneden. Voor de diepte van bodemingrepen bevat de wet geen grens. 5.10.1 Beleidsnota archeologie

Op 31 oktober 2018 is de beleidsnota archeologie 'Erfgoed is identiteit, beleidsnota archeologie gemeente Heerlen' vastgesteld. In deze beleidsnota is het beleid ten aanzien van de omgang met het archeologisch bodemarchief voor de komende jaren vastgelegd. Het archeologisch beleid van de gemeente Heerlen heeft tot doel haar archeologische erfgoed te beschermen en te ontsluiten als bron van het 'gemeenschappelijke geheugen' en als middel voor wetenschappelijke studie, zonder meer maatschappelijke lasten in het leven te roepen dan strikt noodzakelijk. Deze formulering waarborgt behoud en ontsluiting van het archeologisch erfgoed in de gemeente, maar laat ruimtelijke ontwikkelingen even goed toe. Het is een doelstelling die niet alleen praktisch uitvoerbaar en proportioneel is, maar ook haalbaar. Naast het beleidsmatige aspect wil de gemeente Heerlen ook de economie versterken door het potentieel van de archeologie te gebruiken. Cultureel erfgoed en toerisme zijn nauw verbonden. Cultureel erfgoed is een waardevolle faciliteit voor zowel bewoners van, als bezoekers aan een gebied. Het cultureel erfgoed vormt vaak de bepalende factor in de regionale of lokale identiteit. Vanuit economisch perspectief kan cultureel erfgoed beschouwd worden als kapitaalgoed met een potentieel hoge economische waarde.

5.10.2 Archeologische verwachtings- en beleidskaart Heerlen

Voor geheel Parkstad Limburg is een archeologische waarden- en verwachtingenkaart opgesteld. Deze kaart is gebaseerd op uitgevoerd inventariserend archeologisch onderzoek. Voor de gemeente Heerlen en de overige Parkstadgemeenten is door archeologisch adviesbureau RAAP een uitgebreid onderzoek uitgevoerd. Het RAAP-rapport betreft een bureauonderzoek naar de archeologische verwachtingen waarbij een inventarisatie heeft plaatsgevonden van de bekende archeologische vindplaatsen binnen de Parkstadgemeenten en van landschappelijke (geologische en geomorfologische) en bodemkundige gegevens van het grondgebied. Daarnaast zijn de uitgevoerde archeologische onderzoeken geïnventariseerd, waarbij rekening is gehouden met vergraven of ontgronde gebieden, en heeft een literatuuronderzoek plaatsgevonden. In dit verband is onder andere ook het Actueel Hoogtebestand Nederland bestudeerd. Op basis van de genoemde inventarisaties is een archeologisch verwachtingsmodel opgesteld, dat is vertaald in een geactualiseerde archeologische verwachtingenkaart. De archeologische verwachtingskaart is door de gemeenteraad van Heerlen vastgesteld op 1 oktober 2013. Het doel van de archeologische verwachtingenkaart is het zichtbaar maken waar archeologische waarden aanwezig zijn of kunnen worden verwacht, en het daaraan koppelen van een onderzoeksplicht.

Hiermee wordt tevens duidelijk bij welke werkzaamheden wel en bij welke geen archeologisch onderzoek noodzakelijk zal zijn. In de kaart worden de volgende zes categorieën onderscheiden: • beschermde Rijksmonumenten: voor werkzaamheden is hier altijd een vergunning volgens de Erfgoedwet juncto de Monumentenwet 1988 vereist. • gebieden van zeer hoge waarde en de historische dorpskernen: voor deze gebieden is voor de oppervlakte het wettelijk minimum van 100 m2 genomen. Projecten die over een groter oppervlak de bodem verstoren zijn onderzoeksplichtig. De verstoring van de bodem dient dieper dan 40 cm onder de oppervlakte plaats te vinden voordat de onderzoekplicht geldt. • Categorie 3 en 4: gebieden met een hoge en middelhoge verwachtingswaarde: voor deze gebieden zijn de ondergrenzen nog verder verruimd (respectievelijk 250 m2 en 2500 m2 oppervlakte, bij meer dan 40 cm diepte). Hierdoor zijn alleen de grotere projecten onderzoeksplichtig en geldt voor de meeste kleinere (particuliere) vergunningaanvragen geen onderzoeksplicht. • Categorie 5: gebieden met een lage verwachtingswaarde: in gebieden met een lage verwachtingswaarde, geldt alleen voor grotere projecten (10.000 m2 en meer dan 40 cm diepte) een onderzoeksplicht. • Categorie 6: gebieden zonder verwachtingswaarde: in deze gebieden geldt geen onderzoeksplicht.

In het algemeen geldt dat een ontheffing van de onderzoeksplicht mogelijk is wanneer blijkt (na archeologisch advies van een gekwalificeerde archeoloog) dat het project een gering risico vormt voor het "bodemarchief". 5.10.3 Conclusie projectgebied

Op de gemeentelijke archeologische beleidskaart heeft het projectgebied gekarteerd als gebied een hoge verwachtingswaarde (waardecategorie 3). Aangezien bij het project geen bouwwerkzaamheden zijn voorzien zal er geen verstoring plaatsvinden van de ondergrond, Hierdoor is het uitvoeren van archeologisch onderzoek niet noodzakelijk.

Het aspect archeologie vormt geen belemmeringen voor onderhavige planontwikkeling.

Archeologische Beleidskaart Heerlen met aanduiding projectlocatie (rood omlijnd)

Mochten tijdens graafwerkzaamheden archeologische resten of sporen aangetroffen worden, moet hiervan volgens artikel 5.10 en 5.11 van de Erfgoedwet terstond melding worden gemaakt bij de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap en de gemeente Heerlen of de regioarcheoloog.

5.11 Cultuurhistorie Het onderhavige projectgebied is niet gelegen in een rijksbeschermd stadsgezicht, dan wel een gemeentelijk cultuurhistorische object en/of ligging in een door de gemeente geselecteerd stadsgezicht. Ook zijn er binnen het projectgebied geen Rijks- en/of gemeentelijke monumenten aanwezig. Wel is direct ten zuiden van het projectgebied Kasteel Eyckholt (Rijksmonument) aanwezig. Ten noordwesten van het projectgebied is het Rijksmonument Kasteel ter Worm gelegen. Het planvoornemen vormt gezien de aard en omvang geen belemmering voor in de omgeving aanwezige cultuurhistorische waardevolle elementen. Vanuit het oogpunt van cultuurhistorie zijn er geen belemmeringen voor dit project.

5.12 Verkeer De ontsluiting van het perceel blijft ongewijzigd en vindt plaats via de Pijperstraat-Eikendermolenweg. Bij deze ontsluiting is een hoogterestrictie aanwezig van 3,2 meter. Het aantal voertuigbewegingen beperkt zich tot personeel en (incidentele) bevoorrading. Dagelijks zullen er één of enkele medewerkers aanwezig zijn voor controle en onderhoud van de technische installaties. Na de opstartfase van een half jaar zullen er maandelijks enkele auto’s en/of vrachtwagens op de bestemming moeten zijn voor bevoorrading en afvoer van de gekweekte vis. Het parkeren vindt plaats op eigen terrein. Gezien de beperkte omvang van de ontwikkeling zal de verkeerstoename dusdanig gering zijn dat deze geen noemenswaardige invloed heeft op de huidige verkeersafwikkeling. Het aspect verkeer vormt geen belemmeringen voor onderhavige planontwikkeling.

6

Uitvoerbaarheid en handhaving

6.1

Handhavingsbeleid

Binnen de gemeente Heerlen is handhavingsbeleid voor de Wabo-taken (bouwen, ruimtelijke ordening, brandveiligheid en milieu) vastgelegd in het Toezicht- en handhavingsbeleid 2019-2022 Wabo. In dit beleid staan de doelen en uitgangspunten voor toezicht en handhaving geformuleerd. Tevens is de beleidscyclus beschreven, ook wel de “dubbele regelkring” of “Big 8” genoemd. Er is een minimaal uitvoeringsniveau van de wettelijke taken voor toezicht en handhaving vastgesteld en er zijn bestuurlijke prioriteiten benoemd. Deze vormen de basis voor het beleid en voor het jaarlijks vast te stellen toezicht- en handhavingsprogramma. Om een goed naleefgedrag te bereiken zijn in het handhavingsbeleid verschillende toezicht- en handhavingsinstrumenten beschreven. In de sanctiestrategie is de basisaanpak voor bestuursrechtelijk en strafrechtelijk optreden bij overtredingen vastgelegd. Bij overtredingen van de Wabo en de hieraan gerelateerde wet- en regelgeving, wordt het stappenplan uit de Landelijke Handhavingsstrategie toegepast. Wat betreft klachten over bouwof ruimtelijke ordening, worden deze geprioriteerd opgepakt. Indien er echter sprake is van een handhavingsverzoek, dient de beslissing op het handhavingsverzoek binnen een wettelijke termijn te gebeuren en kan het besluit bestaan uit handhavend optreden, daarvan af te zien of te gedogen (alleen in bijzondere omstandigheden).

Tegen dit besluit is bezwaar en beroep mogelijk.

6.2

Financiële uitvoerbaarheid

Ingevolge het bepaalde in artikel 5.20 van het Besluit omgevingsrecht is onder andere artikel 3.1.6 van het Besluit ruimtelijke ordening (hierna Bro) van overeenkomstige toepassing op - de ruimtelijke onderbouwing behorende bij - een omgevingsvergunning ex artikel 2.12, eerste lid, onderdeel a, onder 3°, Wabo. Artikel 3.1.6 Bro bepaalt dat in de toelichting van een bestemmingsplan inzicht moet worden gegeven over de uitvoerbaarheid van het plan. Hiermee wordt mede de financiële uitvoerbaarheid bedoeld. Artikel 6:12 van de Wet ruimtelijke ordening (hierna: Wro) verplicht de gemeente over te gaan tot het vaststellen van een exploitatieplan als sprake is van een bouwplan als bedoeld in artikel 6.2.1 van het Besluit ruimtelijke ordening (hierna: Bro). De gemeente kan afzien van het vaststellen van een exploitiatieplan als: • het verhaal van kosten van grondexploitatie anderszins verzekerd is; • het bepalen van een tijdvak of fasering niet noodzakelijk is; • het stellen van eisen, regels, of een uitwerking van regels Het project voorziet niet in een bouwplan zoals bedoeld in het Bro. De gemeente heeft met de initiatiefnemer een overeenkomst tot de vestiging van een zakelijk recht van erfpacht waarin afspraken zijn gemaakt over het gebruik van de grond, welke overeenkomst kwalificeert als een overeenkomst als bedoeld in artikel 6.24 van de Wro.

7

Procedure en overleg

7.1

Procedurestappen

Op de voorbereiding van een omgevingsvergunning ex artikel 2.1 c / 2.12 eerste lid 1, onderdeel a, sub 3° Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (hierna Wabo) is, conform het bepaalde in de Wabo (paragraaf 3.3) de uitgebreide procedure van toepassing, met dien verstande dat het ontwerpbesluit gedurende zes weken ter inzage ligt. Uitgebreide procedure Voor de uitgebreide procedure geldt afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb). Het bevoegd gezag plaatst de kennisgeving van het ontwerpbesluit en de mededeling van het definitieve besluit in de Staatscourant. Het bevoegd gezag stuurt de kennisgeving van het ontwerpbesluit en de mededeling van het definitieve besluit aan de eigenaar van de grond en eventuele beperkt gerechtigden daarop. Binnen zes maanden dient op de aanvraag omgevingsvergunning te zijn beslist waarbij de eenmalige mogelijkheid geboden wordt deze termijn met zes weken te verlengen. Het bevoegd gezag doet de mededeling van het definitieve besluit ook langs elektronische weg en stelt het beschikbaar op de landelijke voorziening (art. 6.14 Bor).

7.2

Vooroverleg

In artikel 6.18 van het Besluit omgevingsrecht is artikel 3.1.1 van het Besluit ruimtelijke ordening van overeenkomstige toepassing verklaard. Voor de onderhavige procedure dient dan ook vooroverleg te worden gevoerd met diensten van het Rijk, de Provincie en het Waterschap. Deze instanties kunnen aangeven dat in bepaalde gevallen vooroverleg niet noodzakelijk is. Bij de voorbereiding van een omgevingsvergunning voor het afwijken van het bestemmingsplan moeten burgemeester en wethouders, indien niet is aangegeven dat van vooroverleg kan worden afgezien, daarom overleg plegen met het Waterschap, met andere gemeenten wiens belangen bij het plan betrokken zijn en met de betrokken rijksen provinciale diensten.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Heerlen&id=29c47b47-8d41-4016-91fd-bd0f873ba15b