Bijlage 4-concept ruimtelijke onderbouwing.pdf
Tekst van het document
Deze beekdalen spelen een belangrijke rol in de stedenbouwkundige opbouw van de stad, ze leveren een belangrijke bijdrage aan de identiteit van de stad en de buurten en wijken, ze hebben een interessante natuur- en landschapswaarde en een belangrijke functie voor het bergen en afvoeren van water. Op 2 november 2004 heeft de gemeenteraad de Inrichtingsvisie beken vastgesteld. Primair uitgangspunt van de visie is de beekdalen als een robuuste structuur in het stedelijk weefsel herkenbaar te maken en waar mogelijk te accentueren. Daarmee kunnen de beken weer hun oorspronkelijke functie van dragers van de ruimtelijke structuur krijgen. Er zijn drie hoofdlijnen van ingrepen om dit te bereiken: • versterken van de eigen identiteit van de vier beken; • barrières opheffen en continuïteit visualiseren; • de beekdalen in hun langsrichting herkenbaar en beleefbaar maken. Corio Glana Een groot deel van deelgebied West bestaat uit het beekdal van de Geleenbeek. Het gehele beekdal van deze beek, vanaf de bron in Benzenrade tot aan de Muldersplas in Schinnen, zal een kwaliteitsverbetering ondergaan. De ontwikkeling van dit traject van de Geleenbeek vindt plaats onder de titel 'Corio Glana'.
De voor dit project opgestelde ontwikkelingsvisie (Grontmij, 2009) bevat het gewenste eindbeeld van de beek, haar oevers en de omgeving en geeft een overzicht van de noodzakelijke maatregelen om de visie te realiseren. Belangrijke opgaven voor de herinrichting van het Geleenbeekdal op dit traject zijn: • • • •
herstel van de Geleenbeek en het benutten van kansen voor natuurontwikkeling; verbeteren van recreatieve gebruiksmogelijkheden door het aanbrengen van recreatieve routes; verbeteren van de landschappelijke kwaliteit in combinatie met aandacht voor cultuurhistorie; creëren van toegevoegde waarde voor recreatiebedrijven en de landbouw.
Het voorgestelde initiatief sluit inhoudelijk aan op de doelstellingen van Corio Glana door: • het tegengaan van verdere verdroging en een toevoeging van water aan het gebied; • het inbrengen van een nieuwe functie waarmee het behoud van gebouwen van deze industriële site (oorspronkelijk grootste installatie in Zuid Limburg) is gewaarborgd;
•
het aanbrengen van nieuwe functies in een lege plek, geïnitieerd door plaatselijke ondernemers. Dit sluít aan bij de methodiek van het Gebrookerbos. Het uitvoeren van agrarische activiteiten is een van de 4 thema's in deze methodiek.
Conclusie projectgebied: In het recente verleden is de Geleenbeek van de bron tot Kasteel Terworm heringericht. Behoudens enkele knelpunten is de beek op dit deeltraject op orde. De beoogde ontwikkeling sluit aan bij de uitgangspunten uit de Planvisie Corio Glana. Met het planvoornemen wordt een deel van het terrein van de voormalige rioolwaterzuiveringsinstallatie ingericht als natuur. Daarnaast krijgen de bassins van de voormalige rioolwaterzuivering een nieuwe functie voor de kweek van vissen. Op deze wijze wordt het groene, natuurlijke karakter van het beekdal versterkt en is het behoud van gebouwen van deze industriële site gewaarborgd. Een nadere toelichting op de terreininrichting is beschreven in paragraaf 4.3. 2.4.4 Parkeernota Heerlen - Deel 1 Visie- en Ambitiedocument Op 20 april 2016 heeft de gemeenteraad van Heerlen de 'Parkeernota Heerlen – Visie en Ambitiedocument' vastgesteld. Het College van Burgemeester en Wethouders en de gemeenteraad hadden de wens uitgesproken om het bestaande parkeerbeleid te herijken. Zowel in het coalitieakkoord 2014-2018 als in het addendum Parkeernota 2010 is aangegeven dat er behoefte is aan een nieuwe parkeernota waarin de diverse parkeersystemen integraal meegenomen worden. Daarnaast is de positie van de gemeente op de parkeermarkt veranderd na de verkoop van haar parkeervastgoed.
De gemeente is nu slechts een speler op de markt van straatparkeren. Ook is haar rol op publiekrechtelijk gebied constant in ontwikkeling. Op hoofdlijnen dient het nieuwe parkeerbeleid te zorgen voor een betere afstemming tussen de vraag naar en het aanbod van parkeren, zonder dat dit ten koste gaat van de leefbaarheid en de kwaliteit van de openbare buitenruimte. Het anticiperen op nieuwe ontwikkelingen en het bieden van een gastvrij en klantvriendelijk parkeersysteem maken hier onderdeel van uit. Aan de hand van de huidige situatie en een aantal toekomstige ontwikkelingen is een beeld geschetst van de verwachtingen ten aanzien van het parkeren in Heerlen de komend jaren. Hierbij is onder andere aandacht besteed aan ontwikkelingen op het gebied van mobiliteit, technologie en maatschappij. Uit de sessies met de klankbordgroep zijn drie ambities afgeleid: Toegankelijk, leefbaar en praktisch passend. Deze ambities vormen de rode draad bij de verdere invulling van de beleidsuitgangspunten en uit te werken acties c.q. maatregelen.
Enkele in het oog springende beleidskeuzes zijn, per deelgebied: • betaald parkeergebied: parkeerders parkeren in het gebied waar ze hun bestemming hebben en er wordt gezorgd voor een leefbaar woongebied met een goede verhouding tussen groen, auto's en beton; • vergunninggebied: bewoners kunnen ongelimiteerd parkeren aan de hand van hun vergunning en er zal een eenduidig digitaal vergunningensysteem worden ingevoerd; • blauwe zone gebied: de huidige blauwe zones worden op termijn vervangen door een eenduidig digitaal systeem. Daarnaast worden de acht actuele thema's die niet direct gerelateerd zijn aan één van de drie gebieden, kort uitgewerkt. Per doelgroep worden beleidspunten weergegeven, wederom per geografisch deelgebied. Enkele in het oog springende punten zijn: • werknemersparkeren in eerste instantie op eigen terrein; • beschikbare restcapaciteit in het deelgebied zelf of in een aangrenzend deelgebied wordt zo optimaal mogelijk ingezet voor meerdere doelgroepen; • per doelgroep en per deelgebied wordt nagegaan tegen welke tarieven deze kunnen parkeren. De parkeerbalans is in deze gevallen leidend en bepaalt de mogelijkheden om een tekort aan capaciteit in te vullen tegen een passend tarief.
In tegenstelling tot de eerdere 'Parkeernota Heerlen 2010' is ervoor gekozen om deze nieuwe beleidsnota in twee delen op te knippen en wel: de 'Parkeervisie & Ambitie' en de 'Parkeermaatregelen'. In het eerste deel 'Parkeervisie & Ambitie' wordt de parkeervisie van de gemeente Heerlen uiteengezet op basis van haar ambitie in de stad, de relaties naar de ruimtelijke en economische ontwikkeling in de stad en de beleidskaders die hierbij passend zijn. In het tweede deel 'Parkeermaatregelen' worden de verschillende beleidsinstrumenten (maatregelen) uitgewerkt. De Parkeernota geldt als “rode draad” voor het totale parkeerbeleid en geeft richtlijnen voor de verder uit te werken maatregelen en deelnota's. De juridische en beleidsmatige verankering is vastgelegd in het visiedocument, de uitwerking van deze visie in de praktijk vindt in diverse deelnota's, die de maatregelen bevatten, plaats. De status van deze nota is derhalve richtinggevend voor de deelnota's. Een en ander is in het onderstaande schema weergegeven. De onderhavige Parkeernota zal ondergeschikt zijn aan de nog op te stellen Verkeersvisie Heerlen. Uiteindelijk zal de Verkeersvisie Heerlen als kapstok dienen voor de diverse thematische nota's, zoals de Parkeernota. Onder de Parkeernota hangen vervolgens de verschillende uitvoeringsnota's, zoals de 'Nota Parkeernormen' en de 'Nota Digitalisering'.
Ten behoeve van het economisch goed functioneren van een winkelgebied dan wel binnenstad alsook het faciliteren van verschillende doelgroepen, zowel in garages als op straat, wordt het parkeren in Heerlen gereguleerd. In Heerlen kunnen er immers verschillende parkeerreguleringsgebieden teruggevonden worden: • betaald parkeergebieden; • vergunninggebieden; • parkeerschijfzones; • vrije parkeergebieden. Totdat deel 2 van de Parkeernota - met name “Parkeernormen” – door de gemeenteraad van Heerlen is vastgesteld, gelden de parkeernormen uit de Parkeernota Heerlen 2010. Het planvoornemen betreft een specifieke functie (viskwekerij) welke niet aansluit bij de benoemde functies zoals opgenomen in bijlage 3 van de parkeernota. Voor betreffende functie is derhalve geen parkeernorm vastgesteld. Bij de viskwekerij is geen permanent aanwezig van medewerkers voorzien. Eenmaal per dag zal een werknemer langskomen voor controle en eventueel onderhoud (1 voertuig). Daarnaast zal ongeveer maandelijks een vrachtwagen komen voor laden en lossen. De parkeerbehoefte zal zich beperken tot een of twee parkeerplaatsen. De reeds aanwezige verharding binnen het projectgebied biedt voldoende ruimte om aan de parkeereis te voldoen. Ook voor het laden en lossen is voldoende ruimte aanwezig op eigen terrein.
Conclusie projectgebied Conform het beleid van de gemeente Heerlen zijn de parkeerplaatsen volledig op eigen terrein gerealiseerd. Het perceel is voldoende groot om in de parkeereis te voorzien.
2.4.5 Duurzaamheidsvisie Heerlen 2017 Duurzaamheid betreft een integrale afweging van belangen voor de korte en de lange termijn, voor alle relevante stakeholders in het gebied. In de duurzaamheidsvisie van Heerlen 2017 kiest de gemeente voor drie pijlers binnen duurzaamheid: Energietransitie, Gezonde Stad (leefomgeving) en Circulaire Economie. Deze pijlers bevatten de belangrijkste gemeenschappelijke doelstellingen van zowel de gemeente als de bedrijven en instellingen in de stad: • We werken aan beperking van klimaatverandering d.m.v. energiebesparing en inzet hernieuwbare energie. • We bewaken en verbeteren de kwaliteit van leefomgeving t.b.v. een gezonde en aantrekkelijke stad om in te wonen, werken en leven. • We stimuleren de ontwikkeling van duurzame producten en processen waar dit een bijdrage levert aan een betere leefomgeving of aan energietransitie. Er zijn geen normen vastgelegd voor het begrip duurzaamheid. Op enkele thema’s binnen duurzaamheid, zoals leefomgeving, water en groen, is sectorale wet- en regelgeving van toepassing. De toetsing aan deze kaders komt elders in de onderbouwing aan de orde. Voor energietransitie is een regionaal beleidskader geformuleerd (zie hieronder), voor klimaatadaptatie en circulaire economie is het in ontwikkeling.
Waar mogelijk en nodig sluiten we aan bij de landelijke akkoorden klimaatakkoord, deltaplan ruimtelijke adaptatie en grondstoffenakkoord. Op termijn zullen hieruit beleidsregels volgen die zullen landen in het omgevingsplan. Conclusie projectgebied Voor het voorliggende plan bevat de Duurzaamheidsvisie Heerlen 2017 geen specifieke uitgangspunten. Wel kan de ontwikkeling, waarbij bestaande bassins van de voormalige rioolwaterzuivering een nieuwe functie krijgen voor viskweek, als duurzaam hergebruik worden gezien. Daarbij zal het opkweken op een duurzame manier gebeuren met een minimaal verbruik van water en energie. Er wordt gewerkt met het recirculatiesystemen aquacultuur (RAS) waarbij afvoerstromen naar één verzamelpunt worden geleid en efficiënt behandeld. Dit zorgt voor een minimale emissie van nutriënten. Hiermee is het plan in overeenstemming met de beleidsuitgangspunten zoals opgenomen in de Duurzaamheidsvisie Heerlen 2017. 2.4.6 Energietransitie Het Parkstad Limburg Energietransitie ambitiedocument (PALET) geeft een vooruitblik op de kansen en mogelijkheden voor een energieneutrale regio in 2040. Vanuit ruimtelijk oogpunt worden er gebieden benoemd die potentieel geschikt zouden kunnen zijn voor de opwekking van zonne- en windenergie en gebruik van bodemenergie.
In 2015-2016 is de lange termijn doelstelling om in 2040 als regio energieneutraal te zijn, vertaald in een uitvoeringsprogramma voor de korte termijn (2016 - 2020). In dit programma zijn concrete acties, maatregelen en projecten benoemd die er toe moeten leiden dat in 2020 ten minste 8% van de totaalopgave tot 2020 wat betreft energiebesparing en duurzame energieopwekking is gerealiseerd. Eén van de thematafels van PALET 3.0 is het 'regionaal afwegingskader grootschalige duurzame energieopwekking'. De Bestuurscommissie Ruimte incl. Duurzaamheid heeft hiertoe op 14 juli 2016 besloten incl. financiële middelen toegekend. Aanleiding voor dit afwegingskader was de constatering dat de ruimtelijke component weliswaar stevig is verankerd in het PALET-beleid, maar te grofmazig en globaal is om op project- en locatieniveau invulling te geven aan een zorgvuldige ruimtelijke afwegingen landschappelijke inpassing.
Conclusie projectgebied Bij de viskwekerij wordt voor het opkweken van de vis gebruik gemaakt van het recirculatiesysteem aquacultuur om het energieverbruik te reduceren. Daarnaast wordt het toepassen van zonnepanelen op bestaande daken onderzocht. Op deze wijze wil het project bijdragen aan de doelstelling om in 2040 energieneutraal te zijn.
3
Gebiedsbeschrijving
In dit hoofdstuk is een beschrijving opgenomen van het projectgebied van de voormalige rioolwaterzuiveringsinstallatie en zijn directe omgeving. Zowel de historie van het projectgebied als de huidige ruimtelijke en functionele structuur worden beschreven.
3.1
Historie
Het projectgebied is gelegen ten oosten van Heerlen, in het beekdalenlandschap van de Geleenbeek Het Geleenbeekdal met zijn aanliggende watervoerende zijdalen vormden oorspronkelijk een cultuurlandschap van dunbevolkte nederzettingen tussen natte graslanden, hooilanden, broekbossen, kastelen, watermolens en visvijvers. Akkers namen de hogere delen van het landschap in en werden afgewisseld met heischraal- en kalkgraslanden. Bos was beperkt tot enkele steile hellingen, zoals het Imstenraderbos, maar kwam verder nauwelijks voor. Sinds 1943 zijn gedeelten bebost, waarschijnlijk om de omgeving van geriefhout te voorzien. Een geriefbos is een klein bos waar in vroeger tijden het hakhout vandaan werd gehaald dat in en rond het huis werd gebruikt. Gerief betekent hier te gebruiken. De waarde van geriefbosjes is tegenwoordig een andere dan vroeger. Ze functioneren nu vaak als habitat voor bijzondere flora en fauna. Dergelijke gebieden worden daarom tegenwoordig vaak als natuurgebied beschermd. De door kwel gevoede vochtige hooilanden, het hellingveen en open gedeelten zijn ontstaan door beweiding en hooien. Ter plaatse van het projectgebied zijn langs de Geleenbeek een aantal hoeves en kastelen aanwezig, waaronder het gerestaureerde Kasteel Terworm. De Geleenbeek wordt hier gevoed door een aantal bronbeekjes.
Het projectgebied is gelegen langs de Geleenbeek tussen de ruïne van kasteel Eyckholt in het zuiden en kasteel Terworm in het noordwesten. Op het perceel is in 1968 de rioolwaterzuiveringsinstallatie gebouwd.
3.2
Ruimtelijke en functionele structuur
De projectlocatie is gelegen in het stadsdeel Heerlen-stad, in de wijk Welten - Benzenrade. Het betreft de locatie van de voormalige rioolwaterzuiveringsinstallatie Heerlen aan de Eikendermolenweg. Het perceel grenst aan de westzijde aan de Geleenbeek. Zowel aan de noord- als aan de oostzijde grenst het perceel aan het landgoed Terworm. De ontsluiting van het perceel vindt plaats via de Eikendermolenweg. Ter hoogte van het projectgebied is aan de zuidzijde van de Eikendermolenweg een woning gelegen. Nabij deze woning is de inrit van het perceel gesitueerd. De projectlocatie heeft een oppervlakte van ca. 3,2 ha en is kadastraal bekend gemeente Heerlen, sectie L, nummer 2020.
Luchtfoto met aanduiding projectlocatie
4 Planbeschrijving In dit hoofdstuk wordt de beoogde ontwikkeling beschreven. Vervolgens wordt nader ingezoomd op de ontwikkeling rondom de viskwekerij en de verschillende aspecten van de natuurontwikkeling.
4.1
Beoogde ontwikkeling
Aan de Eikendermolenweg 100 te Heerlen bevindt zich de voormalige RWZI van Heerlen. In het kader van IBA Parkstad heeft de invulling van deze voormalige RWZI de aandacht gekregen. De reeds aanwezige bebouwing, en met name de bassins, zijn geschikt voor een viskwekerij. De planontwikkeling voorziet in de realisatie van een viskwekerij in de bestaande bassins waarbij het overige terrein wordt omgevormd tot natuur. Het aanwezige bergbezinkbassin nabij de Eikendermolenweg blijft behouden en behoudt zijn functie. De ontwikkeling betreft enerzijds de realisatie van een viskwekerij binnen de bestaande bebouwing van de RWZI en anderzijds de natuurontwikkeling van het overige terrein. De viskwekerij zal gebruikmaken van de bestaande bassins binnen het in blauwe gebied zoals aangegeven in de onderstaande figuur. Het betreft daarbij het kweken van vis (karper) ten behoeve van de heruitzetting in oppervlaktewateren en ten behoeve van de hengelsport. In het resterende gebied worden de aanwezige slibgisting tanks en ketelhuis omgedoopt tot officiële vleermuisverblijven en wordt tevens de vegetatie omgevormd tot natuur. Hierbij zal de natuur een openkarakter krijgen en bestaan uit meerdere groene elementen.
RWZI-terrein met omgeving, met aanduiding begrenzing van projectgebied (rood) en gebied t.b.v. viskweek (blauw)
4.2 Viskwekerij Het opkweken van met name karpers zal op een duurzame manier gebeuren met een minimaal verbruik van water en energie. De viskwekerij zal aan 2 tot 6 personen werkgelegenheid bieden. Door de viskwekerij zal een deel van de bassins gebruikt worden voor het kweken van karper ten behoeve van de heruitzetting in oppervlaktewater en ten behoeve van de hengelsport. Aan de westkant bevinden zich het nabezinkbassin, de pompgebouwen en een aeratietank. Aan de oostzijde van het deelgebied bevinden zich het bufferbasin en de voorbezinktank. Aan de bassins zal weinig veranderen. Er wordt een gesloten watersysteem gerealiseerd, waarbij het nabezinkbassin van de RWZI als eerste gebruikt zal worden voor de viskweek. Om het water te zuiveren wordt een nieuwe leiding aangelegd tussen het nabezinkbassin en de aeratietank nabij het compressorgebouw. In de aeratietank zal het water dan gezuiverd worden. De pompen in het pompenhuis worden vervangen door waterpompen met een beperkt bronvermogen die inpandig in de bestaande vijzelput worden aangebracht. Dit betreft een betonnen waterbak waarbij de pompen op ca. 4 meter diep worden aangebracht, waardoor de geluiduitstraling beperkt is. De pompen en de bassins met vis veroorzaken geen vibraties en daarmee trillingen naar de omgeving op. Daarnaast is er een luchtpomp voor de filtratie aanwezig welke in de kelder van de opslag staat.
Op termijn zullen ook het bufferbassin en de voorbezinktank gebruikt gaan worden voor de viskweek. Het leidingwerk hiervoor - tussen de bassins - is reeds aanwezig. In een latere fase zal een helofytenfilter van ca. 450 m² worden aangelegd om het afvalwater uit de bassins te zuiveren ten behoeve van hergebruik. Deze voorziening wordt aangelegd zonder graafwerkzaamheden door middel van een aarden rand van – ten opzichte van het bestaande maaiveld - circa 50 cm hoog en folie. De aanplant van de wal sluit daarbij aan bij de inrichting van het aangrenzende terrein. De voorziening zelf wordt beplant met nitraat en fosfaat verbruikende planten zoals rietsoorten, gele lissen en dergelijke. Het bestaande compressorgebouw zal als opslagruimte dienen. De viskwekerij zal een kwekerij zijn met een lage bezetting van maximaal 16 kg vis per m3. Daarbij wordt gewerkt met groen water, dat via de aeratietank hergebruikt gaat worden, waardoor weinig tot geen nitraat en fosfaat op het riool wordt geloosd. Daarnaast wordt gebruik gemaakt van een helofytenfilter om het afvalwater van de vissen te zuiveren. Dit gebeurt door een zogenaamd (riet)zandfilter, dat een systeem is waarbij water wordt gezuiverd door plantenwortels, bacteriën tussen de wortels en de zandlagen waarin deze moerasplanten staan. Bij de viskwekerij zal dagelijks een medewerker (kortstondig) aanwezig zijn voor controle.
Verder zullen één of enkele medewerkers op gezette tijden aanwezig zijn voor het uitvoeren van onderhoud. Daarnaast worden maandelijks jonge karpers aangeleverd en volwassen kapers opgehaald (laden en lossen). Ook tijdens deze momenten zullen één of enkele medewerkers aanwezig zijn. Er zullen geen bezoekers of publiek de viskwekerij bezoeken. Wanneer de viskwekerij volledig operationeel is zullen hierbij naar verwachting maximaal 4 a 6 personen werkzaam zijn. Een deel van deze medewerkers zal op de bovenvermelde momenten aanwezig zijn op de locatie. De viskwekerij zal een deel van het projectgebied pachten. Naast de voorzieningen ten behoeve van de viskweek is tevens een deel van de natuurontwikkeling binnen deze pachtgrens gelegen. Op de afbeelding op de volgende pagina is de beoogde situatie van de viskwekerij weergegeven.
Beoogde situatie viskwekerij
Natuurontwikkeling Het gebied dat buiten het door de viskwekerij gepachte terrein gelegen is, zal worden omgevormd tot natuur. Binnen dat gebied zullen meerdere ontwikkelingen plaatsvinden. De eerste ontwikkeling is de omdoping van de aanwezige slibgisting tanks en het ketelhuis tot officiële vleermuisverblijven. Aan de kelder van het ketelhuis zijn recent aanpassingen gemaakt om deze geschikt te maken als jaarrond verblijfplaats voor deze dieren. Verder wordt op 1 van de tanks een voorziening voor een slechtvalkennest aangebracht. Van de groenelementen zullen de huidige knotbomen behouden blijven en in de toekomst jaarlijks geknot worden. Verder wordt in 1 van de wilgen een steenuilenkast opgehangen. De 18 gekandelaberde bomen (waarbij de kruin sterk is teruggesnoeid) blijven behouden. Verder worden er in totaal 2.000 m2 aan struweel en bosrand aangeplant en, circa. 35 stuks fruitbomen geïntroduceerd als foerageergebied voor de das. Daarnaast wordt de exotische vegetatie als enkele cotoneasters, sierkamperfoelie en reuzenberenklauw bestreden en zoveel mogelijk verwijderd. Als laatste wordt de bestaande afrastering van harmonicagaas hersteld om ongewenste bezoekers te weren Voor de natuurontwikkeling is een inrichtingsplan opgesteld. Op de afbeelding op de volgende pagina is het inrichtingsplan voor het totale terrein weergegeven.
Dit inrichtingsplan is tevens, samen met een beschrijving van de kernkwaliteiten van het landschap i.r.t. het inrichtingsplan, bijgevoegd als bijlage 1.
Knotbomen aan westzijde van het terrein (foto IKL)
Inrichtingsplan Natuurontwikkeling
4.4 Ruimtelijke effecten De voorliggende planontwikkeling voorziet in een nieuwe functie van de waterbassins en slibgistingstanks op de locatie van de voormalige rioolwaterzuiveringsinstallatie Terworm. De viskwekerij zal gebruik maken van een deel van de bestaande bebouwing. Er wordt geen nieuwe bebouwing opgericht en de bestaande bebouwing wordt niet ingrijpend gewijzigd. Daarbij kent het aan te leggen helofytenfilter een natuurlijke uitstraling waarmee deze voorziening ingepast wordt in zijn omgeving. Het perceel behoudt zijn open karakter waarbij het, onder andere door de aanplant van hoogstamfruitbomen en de toepassing van kruidenrijk grasland, een natuurlijke uitstraling krijgt. De ontsluiting van het perceel blijft ongewijzigd en vindt plaats via de bestaande ontsluiting aan de Eikendermolenweg. De ruimtelijk-visuele ingrepen ten behoeve van de viskwekerij zijn zeer beperkt. Daarbij ontstaat door de natuurontwikkeling op het terrein een betere overgang van het terrein in het omringende landschap. Derhalve wordt geconcludeerd dat voorliggende planontwikkeling bijdraagt aan de verbetering van de ruimtelijke kwaliteit van het gebied.
5
Omgevingsaspecten
In dit hoofdstuk worden de diverse relevante omgevingsaspecten aangehaald en wordt aangegeven hoe deze in deze ruimtelijke onderbouwing zijn ingepast.
5.1
Milieueffectrapportage
In de bijlage bij het Besluit m.e.r. zijn activiteiten met drempelwaarden opgenomen op basis waarvan de noodzaak van het wel of niet opstellen van een m.e.r.-beoordeling (onderdeel D) of meteen een milieueffectrapportage (onderdeel C) wordt bepaald. In onderdeel C is aangegeven bij welke activiteiten waarschijnlijk sprake is van belangrijke nadelige milieugevolgen. Hiervoor geldt een directe verplichting voor het doorlopen van de m.e.r.-procedure (onderdeel C). Onderdeel D bevat activiteiten waarvoor een m.e.r.-beoordelingsplicht geldt. Als blijkt dat aanzienlijke nadelige milieugevolgen niet zijn uit te sluiten, is alsnog een m.e.r-procedure nodig. De opgenomen drempelwaarden zijn gebaseerd op algemene kenmerken van een activiteit en een globale aanname dat bij gevallen onder de drempelwaarde geen belangrijke nadelige milieugevolgen zullen optreden. De realisatie van een viskwekerij is een activiteit die voorkomt op de bijlage bij het Besluit milieueffectrapportage 1994. Categorie 28 van onderdeel D van de bijlage noemt de activiteit ‘Intensieve aquacultuur van vis dan wel de wijziging of uitbreiding daarvan.', waaronder een viskwekerij wordt verstaan. Omdat de kwekerij zich richt op het opkweken van vissen ten behoeve van de hengelsport en niet op consumptievis, ligt de productiecapaciteit beduidend lager dan de zogenaamde drempelwaarde van 1000 ton/jaar. Het Besluit m.e.r.
(artikel 2, vijfde lid onder b.) schrijft echter ook bij activiteiten onder de drempelwaarde voor dat een milieu-effectbeoordeling nodig is, waarbij wordt verwezen naar de Europese richtlijn milieueffectrapportage. Dit is de zogenaamde vormvrije m.e.r.-beoordeling. Een vormvrije m.e.r.-beoordeling doorloopt dezelfde procedure als een formele m.e.r.-beoordeling: een particulier of ondernemer die initiatiefnemer is van een bepaalde activiteit, dient een aanmeldnotitie vormvrije m.e.r beoordeling in bij het bestuursorgaan dat bevoegd is te besluiten op de aanvraag/het plan waarmee de activiteit mogelijk wordt gemaakt. Het bevoegd gezag neemt vervolgens een beslissing of al dan niet een milieueffectrapportage moet worden doorlopen. Er is een aanmeldnotitie gemaakt (Bijlage 2), waarin de mogelijke nadelige milieugevolgen van de beoogde ontwikkeling zijn beschreven. Het projectgebied grenst direct aan een gevoelig gebied. Desondanks zorgt de beoogde ontwikkeling niet voor onaanvaardbare effecten op deze beschermde gebieden. De beoogde ontwikkeling zorgt, noch in de aanlegfase, noch in de gebruiksfase, tot zodanige belangrijke nadelige milieugevolgen dat een milieueffectrapportage zou moeten worden doorlopen. Het gemeentebestuur van Heerlen heeft besloten dat voor de herontwikkeling van het terrein van de voormalige RWZI geen milieueffectrapportage hoeft te worden doorlopen.
5.2
Akoestiek
De Wet geluidhinder (Wgh) bepaalt dat bij de voorbereiding van een bestemmingsplan akoestisch onderzoek moet plaatsvinden naar de geluidsbelasting op woningen en andere geluidsgevoelige gebouwen of terreinen. De normen uit de Wet geluidhinder hebben tot doel nieuwe geluidhindersituaties en daarmee
gezondheidsschade te voorkomen. Bij het opstellen van bestemmingsplannen dient dan ook rekening te worden gehouden met het aspect 'geluid'. In de Wet geluidhinder is een zonering van industrieterreinen, wegen en spoorwegen geregeld. Enerzijds betekent dit dat (geluids)eisen worden gesteld aan de milieubelastende functies, anderzijds betekent dit dat beperkingen worden opgelegd aan milieugevoelige functies. Conclusie project Voor het projectgebied is de Wet geluidhinder niet van toepassing. De wettelijke snelheid op de Eikendermolenweg bedraagt 30 km/u en heeft wettelijk geen zone. Het projectgebied ligt verder niet binnen de zone van het spoor Heerlen – Maastricht. Daarnaast ligt het projectgebied niet binnen de contour van een gezoneerd industrieterrein.
5.3
Water
In het kader van de Watertoets moet elk bestemmingsplan een waterparagraaf bevatten, waarin wordt aangegeven op welke wijze rekening is gehouden met de gevolgen van het bestemmingsplan voor de waterhuishouding. In deze paragraaf is dit beschreven. Voordat wordt ingegaan op de locatie specifieke kenmerken van het projectgebied, is eerst het relevant beleid samengevat. 5.3.1 Europees en Rijksbeleid
Kaderrichtlijn Water De Kaderrichtlijn Water (KRW) heeft als doel om de kwaliteit van de Europese wateren te verbeteren en die kwaliteit goed te houden. Het belangrijkste middel om dit doel te bereiken is het stroomgebiedbeheersplan (SGBP). In een dergelijk plan worden de waterkwaliteitsdoelen en de daarvoor benodigde maatregelen beschreven om deze goede kwaliteit te bereiken. Nederland maakt deel uit van vier internationale stroomgebieden, waarbij de gemeente Heerlen in het stroomgebied van de Maas is gelegen. Het stroomgebiedbeheersplan Maas is op 22 december 2015 vastgesteld en heeft een looptijd tot eind 2021. Een belangrijk onderdeel van het SGBP is een maatregelenprogramma. Het maatregelenprogramma bestaat enerzijds uit maatregelen die worden genomen in het kader van reeds bestaande nationale en/of Europese wetgeving (bijv. Europese Nitraatrichtlijn) en anderzijds een groot aantal regionale en locatie gebonden maatregelen. Waterwet De Waterwet (22 december 2009) stelt integraal waterbeheer op basis van de 'watersysteem-benadering' centraal. Deze benadering gaat uit van het geheel van relaties binnen watersystemen. Denk hierbij aan de relaties tussen waterkwaliteit, -kwantiteit, oppervlakte- en grondwater, maar ook aan de samenhang tussen water, grondgebruik en watergebruikers. Hiernaast kenmerkt integraal waterbeheer zich ook door de samenhang met de omgeving.
Dit komt tot uitdrukking in relaties met beleidsterreinen als natuur, milieu en ruimtelijke ordening. De waterbodemregelgeving die voorheen was opgenomen in de Wet bodembeschermingis overgegaan naar de Waterwet. Met de Waterwet is de gemeente beter uitgerust om onder andere wateroverlast tegen te gaan. Specifiek voor wat betreft de omgang met hemelwater is de perceeleigenaar primairverantwoordelijk gesteld voor de verwerking van het op zijn perceel gevallen hemelwater. Dit brengt met zich mee dat de
perceeleigenaar verantwoordelijk is voor de ontwatering en afwatering van zijn eigen perceel. Alleen in uitzonderingsgevallen kan hemelwater geloosd worden op het openbaar riool. Wet ruimtelijke ordening en watertoets De watertoets is per 1 november 2003 wettelijk verplicht (en vastgelegd in het Besluit ruimtelijke ordening). De watertoets betekent dat ruimtelijke plannen die vanaf deze datum ter inzage worden gelegd, voorzien moeten zijn van een waterparagraaf. Ruimtelijke plannen van de initiatiefnemer worden besproken met de waterbeheerder. In de waterparagraaf geeft de initiatiefnemer aan welke afwegingen in het plan ten aanzien van water zijn gemaakt. Het is een toelichting op het doorlopen proces en maakt de besluitvorming ten aanzien van water transparant. In geval van locatiekeuzes en bij herinrichting van bestaand bebouwd gebied geeft de initiatiefnemer expliciet aan welke rol de kosten en risico's van verdroging, verzilting, overstroming en overlast hebben gespeeld bij de besluitvorming. De waterparagraaf grijpt zichtbaar terug op de afsprakennotitie en het wateradvies van de waterbeheerder. Waterbeleid 21e eeuw: anders omgaan met water Door de opgetreden wateroverlast heeft de regering de commissie Waterbeheer 21e eeuw in het leven geroepen. De commissie geeft advies over de problemen en hoe die in de toekomst te voorkómen zijn.
Op 31 augustus 2000 bracht de commissie het advies Waterbeleid voor de 21e eeuw "Geef water de ruimte en de aandacht die het verdient" uit. De commissie concludeerde dat de manier waarop wij nu met water omgaan niet voldoende is voor de verwachte klimaatsveranderingen. De bevindingen van de commissie zijn verwoord in de hedendaagse wetgeving en beleidsnota's. In grote lijnen ligt de nadruk op de kwantiteitstrits vasthouden-bergen-afvoeren en de kwaliteitstrits schoonhouden-scheiden-schoonmaken. Nationaal Bestuursakkoord Water Met het Nationaal Bestuursakkoord Water (NBW) (2011) onderstrepen het Rijk, het Interprovinciaal Overleg, de Unie van Waterschappen en de Vereniging van Nederlandse Gemeenten de gezamenlijke opgave om het watersysteem op zo kort mogelijke termijn en tegen de laagste maatschappelijke kosten op orde te brengen en te houden. Samenwerken is de rode draad van het geactualiseerde Nationaal Bestuursakkoord. Het NBW is een uitwerking van het waterbeleid 21e eeuw (WB21) en de KRW. De belangrijkste doelen en taken zijn: • het teveel (overlast) of tekort (onderlast) aan water aanpakken; • verbetering van de waterkwaliteit. 5.3.2 Regionaal en gemeentelijk beleid
Provinciaal Waterplan Limburg 2016-2021 Het waterbeleid in het Provinciaal Waterplan 2016-2021 omvat de strategische hoofdlijnen voor het provinciale waterhuishoudkundig beleid. De operationele uitwerking vindt plaats via POL-aanvullingen en beleidsregels. Samen met deze uitwerkingen vormt het waterbeleid in het Provinciaal Waterplan het nieuwe provinciale waterhuishoudingsplan.
Waterbeheerplan 2016-2021 Waterschap Limburg Per 1 januari 2017 zijn de waterschappen Roer en Overmaas en Peel en Maasvallei gefuseerd tot het nieuwe Waterschap Limburg. Vooruitlopend op deze fusie hebben de waterschappen Roer en Overmaas en Peel en Maasvallei gezamenlijk het Waterbeheerplan 2016-2021 opgesteld. Het Waterbeheerplan 2016-2021 is een integraal beleids- en uitvoeringsplan van Waterschap Limburg. Het bevat de beleidsvoornemens voor de periode 2016 tot en met 2021. Daarnaast wordt een globale doorkijk geboden naar de verdere toekomst Zo wordt de koers uitgezet voor een toekomstbestendig waterbeheer in Limburg waarbij nadrukkelijk de gevolgen van de klimaatverandering en de ontwikkeling in de maatschappij worden betrokken. In het Waterbeheerplan 2016-2021 is beschreven hoe het waterschap het watersysteem en waterkeringen op orde wil brengen, welke thema's hierbij spelen, welke maatregelen het waterschap gaat uitvoeren, wie hun partners daarin zijn en hoe het waterschap dit monitort en bijstuurt. Ook staat beschreven welke bijdrage de waterschappen leveren aan de Europese Kaderrichtlijn Water. Voorbeelden van maatregelen zijn: het aanleggen en verbeteren van dijken tegen overstromingen, het aanpakken van knelpunten van wateroverlast, herstellen van beken en het optimaliseren van de rioolwaterzuiveringsinstallaties.
Keur en beleidsregels Keur Waterschap Limburg 2019 In de Keur is een nieuwe bergingsnorm opgenomen van 80 mm voor rechtstreekse lozingen op oppervlaktewater. Uitgangspunt is dat de bergingsnorm bij nieuwe verharding (rechtstreeks lozend op oppervlaktewater) bindend is. Bij bestaande verharding wordt de norm als richtlijn gebruikt. Hierbij is het streven om zoveel mogelijk naar de nieuwe norm toe te groeien. Uitgangspunt gemeente blijft bergingseis T=25 (35 mm in 45 minuten) en doorkijk naar T=100 (45 mm in 30 minuten). 5.3.3 Gemeentelijk beleid
Integraal Waterplan Goede riolering is nodig voor de bescherming van de volksgezondheid, het milieu en het tegengaan van wateroverlast in onze gemeente. Aanleg en beheer van de riolering is een gemeentelijke taak, die zijn wettelijke basis vindt in de Wet Milieubeheer en de Waterwet. Al sinds 2011 wordt in de regio Parkstad met onze waterpartners samengewerkt aan het verbeteren van de waterketen (riolering en afvalwaterzuivering) en het watersysteem (beken). Het Integraal Waterplan is het eerste gezamenlijke visiedocument. In het plan is de regionale ambitie en visie beschreven van de samenwerkingsregio Parkstad. De speerpunten zijn: "Een klimaatbestendige stad", "Gezond, schoon en voldoende water", "Werken aan waterbewustzijn", "Anticiperen op de Omgevingswet" en "Samenwerken inde waterketen". Watertakenplan 2020-2024 In het plan is de gemeentelijke wateropgave voor de middellange termijn omschreven. De speerpunten zijn: "Een klimaatbestendig Heerlen", "Anticiperen op de Omgevingswet", "Samenwerken in de waterketen", "Meten, data en rekenen", "Beheer op maat" en "Werken aan waterbewustzijn". Door het opnemen van een uitvoeringsprogramma en een kostendekkingsplan wordt de komende jaren invulling gegeven aan de speerpunten.
Beleidsplan verbreed Gemeentelijk Rioleringsplan Heerlen 2016-2020 Vanuit de Wet milieubeheer zijn gemeenten wettelijk verplicht een vigerend rioleringsplan te hebben. Het verbreed gemeentelijk Rioleringsplan (vGRP) Heerlen 2016-2020 van de gemeente Heerlen is daar een uitvloeisel van en heeft een looptijd van 2016 tot en met 2020. Het vGRP is de opvolger van het Beleidsplan Stedelijk Watermanagement 2011-2015. Het vGRP heeft een strategisch en beleidsmatig karakter, en vormt de basis voor het bestuur bij besluiten over de aanpak van aanleg en beheer van het stedelijk watermanagement binnen de planperiode. Hoofddoelstelling van het vGRP is invulling geven aan de gemeentelijke zorgplichten voor afvalwater, overtollig hemelwater en overtollig grondwater. Het vGRP geeft inzicht in: • evaluatie Beleidsplan Stedelijk Watermanagement 2011-2015; • invulling zorgplichten afvalwater, hemelwater en grondwater; • maatregelen; • samenwerking Parkstad; • personele en financiële middelen. 5.3.4 Projectgebied
In de Keur van het Waterschap Limburg zijn regels opgenomen met betrekking tot het lozen, afvoeren, onttrekken of aanvoeren van grondwater en water uit beken en andere wateren. Ook kent de Keur gebodsen verbodsbepalingen over zaken die niet mogen in of om watergangen, dijken en lijnvormige elementen. Conform de regels van het waterschap Limburg is het verboden zonder vergunning van het bestuur in stedelijk gebied meer dan 1.000 m² verhard oppervlak aan te brengen. Hemelwater Het onderhavige plan voorziet in de realisatie van een viskwekerij op het perceel van de voormalige RWZI. De viskwekerij zal gebruik maken van de reeds aanwezige bebouwing, bassins en verhardingen op het perceel. Er is geen nieuwe bebouwing of verhardingen voorzien. Daarbij is de aanwezige terreinverharding reeds afgekoppeld. Hoewel bij de ontwikkeling geen nieuwe bebouwing is voorzien, wordt wel een helofytenfilter gerealiseerd met een oppervlakte van ca. 450 m2. Deze voorziening wordt aangelegd middels een aarden rand en folie. Hemelwater dat ter plaatse van het helofytenfilter valt wordt samen met het overige water in deze voorziening hergebruikt voor de viskweek. Afvalwater Bij de viskwekerij wordt gewerkt met het recirculatiesysteem aquacultuur (RAS) waarbij afvoerstromen naar één verzamelpunt worden geleid en efficiënt worden behandeld.
In een latere fase zal het water uit de kweekbakken tevens worden gezuiverd door middel van een helofytenfilter. Na zuivering wordt het water hergebruikt. Hierdoor hoeft alleen het verdampte water te worden aangevuld. Het water dat geloosd wordt op het gemeentelijk stelsel beperkt zich tot het water dat nodig is voor verversing en voor het spoelen van de filters van de bassins. Door de aanwezige nitraten en fosfaten dient dit water geloosd te worden op het vuilwaterriool (gemengd stelsel). Gedurende de opstartfase, als het helofytenfilter nog niet functioneert, wordt daarnaast ca. 5% van het water van de bekkens wekelijks ververst en geloosd op het gemeentelijk riool. Zodra het helofytenfilter functioneert, zal er nagenoeg geen water meer worden geloosd ten behoeve van verversing. Er vindt geen lozing op de Geleenbeek plaats.
Overleg waterbeheerder Het voorliggend plan is op 22 april 2021 ter toetsing voorgelegd aan het Waterschap. Het plan betreft uitsluitend een functiewijziging waarbij het oppervlakte aan (dak)verhardingen niet wijzigt en de Geleenbeek buiten het perceel is gelegen en er geen uitwisseling van water tussen de Geleenbeek en de bassins plaatsvindt. Met het plan wordt voldaan een de aandachtspunten zoals aangegeven in de reactie van het Waterschap. De reactie van het Waterschap Limburg is opgenomen in bijlage 3.
5.4
Bodem
Algemeen Bij een bestemmingsplanprocedure of bij een functiewijziging (bij een omgevingsvergunning voor planogisch strijdig gebruik) moet het bevoegde gezag voldoende inzicht hebben om de vraag te kunnen beantwoorden of de bodem geschikt is voor de toe te kennen functie. Daarvoor dient een bodemonderzoek. Een bodemonderzoek hoeft echter niet te worden uitgevoerd als de bodemkwaliteitskaart als bewijsmiddel kan dienen voor een bestemmingsplanwijziging. Een belangrijke voorwaarde daarbij is de vaststelling van het niet verdacht zijn van de locatie voor puntbronnen op basis van een uitgevoerd NEN 5725 vooronderzoek. Blijkt hieruit dat er geen verdachte locaties/situaties zijn, ofwel er zijn geen knelpunten, dan kan volstaan worden met dit vooronderzoek aangevuld met een veldinspectie. Uit het vooronderzoek volgens NEN 5725 kan ook blijken dat de kwaliteit van de bodem onvoldoende zou kunnen zijn ofwel een verdachte situatie bestaat. In die gevallen moet altijd een vooronderzoek gevolgd door een verkennend onderzoek conform NEN 5740 worden uitgevoerd, aangevuld met een bodemonderzoek asbest conform NEN5707. Onderzoeken die niet volgens de geldende normen zijn opgesteld en uitgevoerd zijn of verouderde onderzoeken gelden niet als representatief en onvoldoende.
Beleidskader Bodembeleidsplan Voor de gemeente Heerlen is sinds 28 september 2016 het bodembeleidsplan Heerlen van toepassing. In dit bodembeleidsplan wordt het gemeentelijk bodembeleid beschreven en het beleidsplan is derhalve het richtinggevend kader (uiteraard naast de wettelijke regelingen) voor zowel bodembescherming als bodemsanering. Besluit bodemkwaliteit Het Besluit bodemkwaliteit (Bbk) geeft invulling aan het op duurzaamheid gerichte bodembeleid. De nota bodembeheer beschrijft hoe de gemeente Heerlen invulling geeft aan het Bbk. In het bodembeleidsplan is de nota bodembeheer en de bodemkwaliteitskaart gemeente Heerlen opgenomen. De bodem in de gemeente Heerlen is beschreven in een bodemkwaliteitskaart die conform de Richtlijn Bodemkwaliteitskaarten is vervaardigd. Er kan worden geconcludeerd dat de lokale bodemkwaliteit over het algemeen voldoende wordt beschreven door de bodemkwaliteitskaart voor alle zones.
Het projectgebied is gelegen in het deelgebied Agrarisch en Natuur. Projectgebied Ter plaatse is het volgende bodemonderzoek uitgevoerd: ‘ verkennend bodemonderzoek Eikendermolenweg 100 (RWZI)’, opgesteld door Geonius en gedateerd 24-09-2019, rapportnr. MA150152.131.R01. Het rapport van dit onderzoek is opgenomen in bijlage 4. Uit het onderzoeksrapport blijkt het volgende: • De bovengrond is plaatselijk licht verontreinigd met diverse zware metalen, PAK en/of minerale olie. • In de ondergrond worden plaatselijk lichte verontreinigingen met zware metalen, PAK, PCB en minerale olie aangetoond. • Op 1 boorlocatie (boring 024) wordt de interventiewaarde voor minerale olie overschreden. Door middel van aanvullende boringen is in voldoende mate vastgesteld dat deze verontreiniging zich tot maximaal 1,0 m-mv heeft verspreid (verticale inkadering). In horizontale richting is de verontreiniging nog niet ingekaderd. Op basis van de zintuiglijke waarnemingen en de analyses kan de inschatting worden gemaakt dat geen sprake is van een geval van ernstige bodemverontreiniging. Als in de toekomst graafwerkzaamheden plaatsvinden bij de minerale olie- verontreiniging is een aanvullend bodemonderzoek naar de horizontale verspreiding van de minerale olie noodzakelijk;
•
• •
Het grondwater is licht verontreinigd met barium en plaatselijk met molybdeen. Een duidelijke oorzaak voor deze lichte verontreiniging kan niet worden gegeven. Mogelijk heeft deze een natuurlijke oorzaak of wordt veroorzaakt door een bron die stroomopwaarts is gelegen; Op basis van de vastgestelde bodemkwaliteit dient de hypothese “verdacht” te worden aanvaard; Er is met voldoende betrouwbaarheid vastgesteld dat in de bovengrond op de locatie geen asbest in de bodem aanwezig is. Vervolgonderzoek en maatregelen zijn niet noodzakelijk.
De voorgenomen ontwikkeling betreft de realisatie van een viskwekerij en de ontwikkeling van natuur. Voor de kweek van de vissen zal gebruik worden gemaakt van de op het terrein aanwezige betonnen bassins. Voor de betreffende ontwikkeling hoeven geen graafwerkzaamheden te worden uitgevoerd in de bodem. Om deze reden kan worden geconcludeerd dat er vanuit de milieuhygiënische kwaliteit van de bodem geen belemmeringen bestaan voor de voorgenomen ontwikkeling voor de realisatie van de viskwekerij. Uit het onderzoek blijkt dat de bodemkwaliteit van het overige terrein geschikt is voor de functie natuur. Alleen rondom boring 024, waar een minerale olie- verontreiniging is aangetroffen, zijn graafwerkzaamheden ten behoeve van de ontwikkeling van natuur alleen toegestaan als eerst de omvang van de verontreiniging wordt bepaald, zodat daarna de juiste procedure voor het verwijderen van de verontreiniging kan worden gevolgd. Conclusie projectgebied Voor wat betreft bodemaspecten zijn er geen belemmeringen voor de voorgenomen ontwikkeling van het projectgebied. Voorwaarde hierbij is dat rekening gehouden wordt met de voorwaarden voor graafwerkzaamheden in of nabij de verontreiniging met minerale olie. Gelet op vorenstaande vormt het aspect bodem geen belemmeringen voor het geplande gebruik van de locatie.
5.5
Natuurwaarden
5.5.1
Natura 2000-gebieden
De Europese Unie (EU) wil de biodiversiteit in Europa beschermen. Dit doet zij door gebieden aan te wijzen als Natura 2000-gebied. Dat is een Europees netwerk van beschermde natuurgebieden. In Nederland zijn meer dan 160 natuurgebieden aangewezen. Deze liggen allemaal binnen de Ecologische Hoofdstructuur (EHS). Oorspronkelijk zijn deze gebieden aangewezen als Habitat- of Vogelrichtlijngebied. Al deze gebieden zijn geselecteerd op grond van het voorkomen van planten- en/of diersoorten en habitattypen die vanuit Europees oogpunt bescherming nodig hebben. In Nederland zijn de Europese regels voor gebiedsbescherming vertaald in de Wet natuurbescherming. De Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit (LNV) wijst de gebieden aan. In dat traject kunnen provincies, gemeenten en andere belanghebbenden hun zienswijze kenbaar maken. In het aanwijzingsbesluit van het betreffende Natura 2000-gebied wordt de exacte ligging aangegeven, evenals de soorten en habitattypen die in het gebied moeten worden beschermd. 5.5.2 Wet natuurbescherming (Wnb)
Vanaf 1 januari 2017 is de nieuwe Wet natuurbescherming (Wnb) in werking getreden. Deze vervangt drie wetten; de Natuurbeschermingswet 1998, de Boswet en de Flora- en faunawet. De nadruk komt te liggen op het samenspel tussen provincies en gemeenten. Provincies bepalen wat voor hun gebied wel en niet mag in de natuur.
De provincie Limburg heeft dit opgenomen in de Omgevingsverordening Limburg 2014, hoofdstuk 3. Er gelden drie vergunningen voor activiteiten in of met een effect op een Natura 2000-gebied: • als er sprake is van effect op stikstof, geluid, licht en grondwater (Vergunning gebiedsbescherming); • als er sprake is van effect op beschermde dieren en planten (Vergunning soortenbescherming); • bij het kappen van bomen en struiken (Vergunning houtopstanden). In het kader van het voorliggende project is een QuickScan Flora en Fauna uitgevoerd om na te gaan welke natuurwaarden in de directe omgeving van het projectgebied aanwezig zijn en welke vervolgstappen eventueel nodig zijn in het kader van de Wet natuurbescherming (Wnb). Het rapport van deze QuickScan is opgenomen in bijlage 5. 5.5.3 Beoordeling gebiedsbescherming
Ten aanzien van gebiedsbescherming zijn twee afwegingskaders relevant: • Afwegingskader Wet Natuurbescherming, • Afwegingskader Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (Natuurnetwerk Nederland). Afwegingskader Wet natuurbescherming - Natura 2000 (Voortoets) Ligging ten opzichte van Natura 2000 Het projectgebied ligt als een enclave in het Natura 2000-gebied Geleenbeekdal (zie onderstaande afbeelding). Op een afstand van ongeveer drie kilometer ten noorden van het projectgebied ligt Natura 2000-gebied Brunssummerheide. Op een afstand van ongeveer 1,7 km ten zuiden van het projectgebied ligt het Natura 2000-gebied Kunderberg.
Ligging van het projectgebied ten opzichte van Natura 2000 gebied Geleenbeekdal. (Atlas Limburg, 2021).
Instandhoudingsdoelstellingen Natura 2000-gebied Geleenbeekdal Natura 2000-gebied Geleenbeekdal is aangewezen als Habitatrichtlijngebied. De Geleenbeek is een zijbeek van de Maas. Het gebied omvat een aantal gebieden langs de bovenloop van de beek en enkele van haar zijbeken tussen Heerlen en Geleen. De beek ontspringt op de noordflank van het Plateau van Ubachsberg ter hoogte van het Imstenraderbos en stroomt vervolgens in noordoostelijke richting. Het beekdal is vrij diep ingesneden en wordt op diverse plekken met bronnen gevoed met zeer kalkrijk en ijzerhoudend kwelwater. Hierdoor worden soortenrijke broek- en bronbossen, natte graslanden en ruigten aangetroffen. Op de beekdalflanken komen hellingbossen voor met eiken-haagbeukenbos en wintereikenbeukenbos. In de Kathagerbeemden en een terrein bij Weustenrade komen kalkmoerassen voor. (Bron: Aanwijzingsbesluit Geleenbeekdal). Het projectgebied ligt in deelgebied Terworm en is het op een na meest zuidelijke deelgebied. De natuurwaarden waarvoor Natura 2000-gebied Geleenbeekdal is aangewezen zijn opgenomen in onderstaande tabel. Habitattype H6430C - Ruigten en zomen H7230 Kalkmoerassen H9120 Beuken-eikenbossen met hulst H9160B - Eiken-haagbeukenbossen H91E0C - Vochtige alluviale bossen Habitatrichtlijnsoorten H1014 Nauwe korfslak H1016 - Zeggekorfslak H1083 - Vliegend hert
Doel oppervlakte Doel kwaliteit = = > > = = = > > > = = >
= = >
Ten aanzien van Natura 2000-gebieden dient zekerheid geboden te worden omtrent het niet optreden van significante gevolgen door een plan of project afzonderlijk of in combinatie met andere plannen of projecten. Mogelijk optredende storingsfactoren Om een indicatie te krijgen van de optredende storingsfactoren en gevoeligheid van de kwalificerende natuurwaarden is gebruik gemaakt van de Effectenindicator, activiteit ‘Bedrijventerrein’. Aanvullend op de Effectindicator is de kans op significante gevolgen als gevolg van Stikstofdepositie (verzuring, vermesting) in Natura 2000 beoordeeld. Overige storingsfactoren zoals verzoeting, verzilting, vernatting, verandering van stroomsnelheid en overstromingsfrequentie, verandering van dynamiek substraat of verandering in populatiedynamiek of bewuste verandering in soortensamenstelling vinden niet plaats. Veranderingen in het watersysteem vinden niet plaats; de karperkwekerij maakt gebruik van een vrijwel gesloten watersysteem met lozing op het riool. Het
systeem is niet geheel gesloten omdat wekelijks 5 tot 10% van het water ververst wordt en het te verversen water wordt geloosd op de riolering. Er vindt geen lozing plaats op de lossing of de beek. Verspreiding kwalificerende habitattypen en habitatrichtlijnsoorten In onderstaande figuur worden de habitattypen weergegeven die in de omgeving van het projectgebied aanwezig zijn.
Zoekgebied Alluviaal bos Alluviaal bos
Geen habitattype
Eikenhaagbeukenbo s (heuvelland)
Alluviaal bos
Ligging habitattypen in de omgeving van het projectgebied. In het projectgebied zelf zijn geen habitattypen aanwezig (Limburg Atlas, 2020).
Metapopulaties van Vliegend hert in het Geleenbeekdal komen voor in Oirsbeek en Hegge/Nagelbeek (deelgebied Opgebroek) en in Terstraten/Wijnandsrade (deelgebied Platsbeek en Hulsbergerbeemden). Het noordwestelijke deel van deelgebied Terworm behoort tot het potentieel leefgebied maar hier is geen populatie bekend. Binnen een straal van een kilometer is wel minimaal één waarneming bekend van Vliegend hert (NDFF Quickscanhulp). Zeggekorfslak komt voor in deelgebied Ten Esschen ten noordwesten van deelgebied Terworm. Langs de Platsbeek komt in een kleine begroeiing met moeraszegge een populatie van de Nauwe korfslak voor. Deze plek herbergt de enige bekende populatie van Nauwe korfslak in Nederland buiten de duingebieden (bron: Provincie Limburg, 2020). Beoordeling kans op significante gevolgen • Oppervlakteverlies, versnippering en mechanische effecten Deze storingsfactoren treden niet op. Alle activiteiten vinden plaats buiten het Natura 2000-gebied Geleenbeekdal. Significante gevolgen als gevolg van oppervlakteverlies, versnippering en mechanische effecten kunnen op voorhand uitgesloten worden.
• Verontreiniging In de bedrijfsvoering en bedrijfsprocessen wordt geen gebruik gemaakt van potentieel verontreinigende stoffen. Omdat er geen verbinding bestaat tussen de bassins en de lossing en/of de Geleenbeek heeft het eventueel toedienen van medicatie of andere stoffen geen gevolgen voor het Natura 2000-gebied. Significante gevolgen als gevolg van verontreiniging kunnen op voorhand uitgesloten worden. • Verdroging De activiteiten in de aanleg- en gebruiksfasen leiden niet tot verdroging. Er wordt geen water opgepompt en er worden geen andere maatregelen genomen waardoor verdroging van het omliggende Natura 2000gebied kan optreden. Significante gevolgen door verdroging kunnen op voorhand uitgesloten worden. • Geluid Ten behoeve van de geluidsbelasting op de woning aan de Eikendermolenweg 4 is een geluidsonderzoek uitgevoerd (K+-Adviesgroep, 2021). De enige relevante geluidsemitterende bron in de buitenlucht is vracht(verkeer). De hoogste piekbelasting vindt plaats door vrachtwagenverkeer (maximaal 74 dB(A) op de gevel van de woning). Vrachtwagenbewegingen zijn beperkt tot maximaal eenmaal per maand. Het gaat hier om een tijdelijke en kortdurende storingsfactor die circa 12 keer per jaar optreedt in de dagperiode. Daarnaast is geluid afkomstig van de pompen. De waterpompen produceren vrij geplaatst (in de openlucht) 70 dB(A) aan geluid.
Deze pompen worden op 4 meter onder water in een betonnen put geplaatst wat een reductie van minimaal 50% van het geluid tot gevolg heeft (Terworm Fish Farm BV d.d. 18 november 2020). De uitstraling van het geluid op de omgeving is daarmee verwaarloosbaar. De luchtpompen worden in de kelder onder de opslagruimte geplaatst. De verwachte geluidsproductie is 64 db(A). Dit is vergelijkbaar met het geluid dat een afwasmachine produceert. Door plaatsing in de kelder van de opslagruimte vindt demping van het geluid plaats en is de uitstraling naar buiten eveneens verwaarloosbaar. Geluid is niet verstorend voor de habitattypen. Nauwe korfslak en Zeggekorfslak zijn niet gevoelig voor geluid en (potentiële leefgebieden van deze) populaties van deze soorten komen voor op enige afstand van het projectgebied. Bij Vliegend hert is gevoeligheid voor geluid niet bekend. Het potentieel leefgebied noordwestelijk deel van het deelgebied Terworm ligt op enige afstand van het projectgebied en er vindt geen overlap plaats met de actieve periode van Vliegend hert (schemer en nacht). Voor de kwalificerende habitattypen en de kwalificerende soorten is geluid daarom geen factor die kan leiden tot significante gevolgen. • Licht De habitattypen en de beide slakkensoorten worden niet als gevoelig beoordeeld voor licht. Van Vliegend hert is geen gevoeligheid voor licht bekend.
Op het terrein zijn enkele lantaarnpalen aanwezig. Omdat de meeste activiteiten in de daglichtperiode plaatsvinden is terreinverlichting niet of slechts zeer beperkt nodig. Omdat voor licht gevoelige habitattypen en habitatrichtlijnsoorten ontbreken in het projectgebied en de omgeving daarvan én omdat er slechts zeer beperkt verlicht wordt, kunnen significante gevolgen in het licht van de instandhoudingsdoelen op voorhand uitgesloten worden. • Trilling In theorie kan enige trilling optreden door in bedrijf zijnde pompen, mobiele werktuigen en door vrachtwagens. Deze trillingen zijn echter zo afgeschermd voor de omgeving en zo beperkt dat deze geen uitstraling hebben tot in het Natura 2000-gebied. Significante gevolgen door optredende trillingen kunnen daarmee op voorhand uitgesloten worden.
• Optische verstoring Het in de omgeving voorkomende habitattype Alluviaal bos en Vliegend hert worden aangemerkt als gevoelig voor optische verstoring. Bij het habitattype gaat het dan om gevoeligheid van de typische soorten als kwaliteitsindicator voor deze habitattypen. Zowel in de aanlegfase als de gebruiksfase treedt de storingsfactor optische verstoring zeer beperkt en zeer tijdelijk op als gevolg van aanwezigheid van mensen en (zeer beperkt) materieel zoals een graafmachine. De aanwezige bouwwerken en (bos)vegetatie en de aard van de werkzaamheden tijdens de aanlegfase en fase van ingebruikname zorgen ervoor dat de mate waarin optische verstoring plaatsvindt verwaarloosbaar is. De typische soorten van het Alluviaal bos dat in de omgeving voorkomt betreffen voornamelijk plantensoorten. Daarnaast gaat het om vuursalamander, drie vlindersoorten, vier vogelsoorten en Waterspitsmuis. Gezien de huidige ligging van de percelen Alluviaal bos kan optische verstoring van deze soorten uitgesloten worden. Ook bij uitbreiding van Alluviaal bos richting projectgebied (het huidige zoekgebied voor Alluviaal bos) kunnen significante gevolgen uitgesloten worden in het licht van de instandhoudingsdoelen vanwege de zeer beperkte uit te voeren activiteiten en de zeer beperkte aanwezigheid van mensen en machines.
• Stikstof Voor de project-gerelateerde emissie door de inzet van mobiele werktuigen en (vracht)verkeer is een AERIUS-berekening uitgevoerd voor de aanlegfase in 2021 (aanleg leiding), een berekening voor de aanleg van het helofytenfilter (waarschijnlijk 2022, deze wordt pas aangelegd na ingebruikname) en een voor de gebruiksfase. Uit deze drie berekeningen blijkt dat de aanlegwerkzaamheden die gepland zijn in 2021 en 2022 (of later) en de fase na ingebruikname geen extra depositie tot gevolg hebben op stikstofgevoelige (zoekgebieden van) habitattypen of leefgebieden. De werkzaamheden in de aanlegfase van de overige delen zijn grotendeels al uitgevoerd. Het betrof voornamelijk handwerk en enkele vervoersbewegingen. De stikstofemissie die hiermee gepaard is gegaan wordt als verwaarloosbaar beschouwd. Voor deze werkzaamheden is geen Aerius-berekening uitgevoerd; ook voor de incidentele beheerwerkzaamheden zoals snoeien en maaien is een Aerius-berekening niet nodig. Afwegingskader Omgevingsverordening Provincie Limburg 2014 In het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) is door het Rijk vastgelegd dat de provincie verantwoordelijk is voor de begrenzing van het Natuurnetwerk Nederland (NNN). De begrenzing en bescherming van het NNN is in Limburg als Goudgroene natuurzone vastgelegd in het POL2014 en de Omgevingsverordening Limburg 2014.
De Provincie Limburg heeft behalve de Goudgroene natuurzones ook Zilvergroene natuurzones en Bronsgroene landschapszones aangewezen die onder de gebiedsbescherming vallen. De Goudgroene zone is de Limburgse invulling van het NNN, de Zilvergroene zone is een uitbreiding daarop. Voor beide zones zijn ecologische waarden geïdentificeerd die beschermd zijn. Voor de Bronsgroene landschapszones zijn geen ecologische waarden geïdentificeerd. Ruimtelijke ontwikkelingen binnen het NNN/de Goudgroene natuurzone en de overige twee zones dienen getoetst te worden aan de Omgevingsverordening Ruimte. Bij aantasting dient compensatie plaats te vinden. Met de Beleidsregel natuurcompensatie geeft de Provincie Limburg invulling aan het natuurcompensatiebeleid uit de Omgevingsverordening. De verordening wordt pas van toepassing bij een nieuwe ontwikkeling: • Waarvoor het bestemmingsplan moet worden gewijzigd, en • Waarbij de wezenlijke kenmerken en waarden van het gebied worden aangetast.
Ligging ten opzichte van Goudgroen, Zilvergroen en Bronsgroen Het projectgebied vormt grotendeels een enclave in de Goudgroene natuurzone. Binnen het projectgebied zijn alleen enkele smalle stroken aangewezen als Goudgroene natuurzone. Het betreft hier een strook grasland langs/op het pad en een zijpad.
Ligging van het projectgebied ten opzichte van de Goudgroene en Zilvergroene natuurzone en de Bronsgroene landschapszone (Limburg Atlas, 2020). Het projectgebied overlapt voor een klein deel met de Goudgroene natuurzone.
Het NNN/de Goudgroene natuurzone kent geen ‘externe werking’ (geen geldigheid van de beleidsregels buiten de grenzen van de Goudgroene natuurzone). Uit jurisprudentie blijk wel dat bij vaststelling van een plan rekening gehouden dient te worden met de ligging van een projectgebied ten opzichte van het NNN en eventueel aanwezige ecologische verbindingszones1. De raad dient bij vaststelling van een bestemmingsplan afwegingen te maken in het kader van een goede ruimtelijke ordening. Dit betekent dat de gevolgen van het plan niet onaanvaardbaar voor de omgeving moeten zijn. Uit de beheerstypekaart blijkt dat in het projectgebied een smalle strook is aangewezen als beheertype N12.02 Kruiden- en faunarijk grasland. Parallel daaraan loopt een smalle strook beheertype N15.02 Dennen-, eiken- en beukenbos. Het projectgebied wordt omzoomd door bos met beheertypen N14.03 Haagbeuken- en essenbos, N16.03 Droog bos met productie en N14.01 Rivierbegeleidend bos. Uit de ambitiekaart blijkt dat voor het projectgebied geen nieuwe ambities zijn vastgesteld.