CConstaterende datHeerlen
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlage 2 QS Natuurwaarden_2.pdf

Raadsvergadering . (video) 22 juni 2022, gemeente HeerlenBij agendapunt: Definitieve verklaring van geen bedenkingen “rondje groeves, deelgebied Oost”14.616 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 2

©

verkennend natuurwaardenonderzoek IBA-project rondje groeves – deelgebied west en zuid

30

Gebruiksfase • Vaste verblijfplaatsen: De omgeving van het Rondje Groeves blijft ook na aanleg interessant voor vestiging van Das. • Foerageergebied: Gezien het robuuste karakter van de groengebieden niet in het geding. • Migratieroutes: Niet in het geding. Conclusie: Negatieve effecten op de (mogelijke) aanwezigheid van Das zijn niet aanwezig. 4.1.3

Zoogdieren - Steenmarter en Eekhoorn

Op grond van de Wet natuurbescherming is het verboden om Steenmarters en Eekhoorns (beschermd) opzettelijk te doden of te vangen of vaste voortplanting- en rustplaatsen van de soort te vernielen of te beschadigen (door het verwijderen van dekking, of het ondermijnen van de functionaliteit van een verblijfplaats door in te grijpen in essentiële delen van het leefgebied). Conform de provinciale omgevingsverordening bestaat voor beide soorten met betrekking tot het vangen van exemplaren en het vernielen of beschadigen van rust- en voortplantingsplaatsen een vrijstelling die een deel van het jaar van toepassing is. Aanlegfase • Vaste verblijfplaatsen: Rooiwerkzaamheden aan potentiële nestbomen van Eekhoorn zijn niet voorzien. Verblijfplaatsen van Steenmarter zijn mogelijk in het geding. Hiermee dient rekening gehouden te worden bij de uitvoering. • Foerageergebied: Gezien het robuuste karakter van de groengebieden niet in het geding. Gebruiksfase • Vaste verblijfplaatsen: niet in het geding. • Foerageergebied: niet in het geding. Conclusie: Bij de uitvoering van het werk dient rekening gehouden te worden met mogelijke verblijfplaatsen van de Steenmarter. 4.1.4

Vogels zonder jaarrond beschermd nest

Op grond van de Wet natuurbescherming is het verboden om vogels (alle inheemse soorten streng beschermd) opzettelijk te doden of te vangen (door het rooien van een nestboom in het broedseizoen), nesten of eieren te vernielen of te beschadigen (door het rooien van de betreffende boom, of het ondermijnen van de functionaliteit van de nesten door het broeden te verstoren met werkzaamheden in de directe omgeving), of vogels opzettelijk te verstoren (door een ingreep te doen die het leefgebied verstoort, aantast of ongeschikt maakt). Dit laatste geldt overigens niet, indien de gunstige staat van instandhouding van de populatie er niet onder te lijden heeft. Veruit de meeste vogelsoorten bouwen jaarlijks een nieuw nest. Daarom is van verstoring of vernieling alleen sprake gedurende het broedseizoen, als het nest daadwerkelijk in gebruik is. Door rekening te houden met het broedseizoen kan worden voldaan aan de zorgplicht uit de Wet natuurbescherming. Conclusie: Door het treffen van maatregelen kan overtreding van verboden uit de Wet natuurbescherming worden voorkomen.

©

verkennend natuurwaardenonderzoek IBA-project rondje groeves – deelgebied west en zuid

4.1.5

31

Amfibieën - Rugstreeppad

Op grond van de Wet natuurbescherming is het verboden om Rugstreeppadden (streng beschermd) opzettelijk te verstoren (door het verwijderen van dekking), te doden (door het dempen van tijdelijk water) of de verblijfplaats te vernielen of te beschadigen (door in te grijpen in essentiële delen van het leefgebied). Aanlegfase • Waterhabitat: afwezig, dus niet in het geding. • Landhabitat: Niet in het geding, doordat weliswaar een bescheiden maar gesloten vegetatiedek aanwezig is en opgaand groen en plasvorming ontbreekt. Gebruiksfase • Waterhabitat: afwezig, dus niet in het geding. • Landhabitat: in voldoende mate aanwezig in de omgeving, richting de nog actieve delen van de Beaujeangroeve. Het voet-/fietspad zal geen onoverkomelijke barrière vormen in de dispersiemogelijkheden voor de soort. Daarvoor ontbreekt de functie als doorgaande route. Conclusie: De voorgenomen aanleg van het Rondje Groeves deelgebied West heeft geen negatieve werking op het (mogelijk) voorkomen van Rugstreeppad. 4.1.6

Reptielen – Levendbarende hagedis & Hazelworm

Op grond van de Wet natuurbescherming is het verboden om Levendbarende hagedissen en Hazelwormen (beschermd) opzettelijk te doden of te vangen of vaste voortplanting- en rustplaatsen van de soort te vernielen of te beschadigen (door het verwijderen van dekking, of het ondermijnen van de functionaliteit van een verblijfplaats door in te grijpen in essentiële delen van het leefgebied). Conform de provinciale omgevingsverordening bestaat voor beide soorten met betrekking tot het vangen van exemplaren en het vernielen of beschadigen van rust- en voortplantingsplaatsen een vrijstelling die een deel van het jaar van toepassing is. Aanlegfase • Leefgebied: Gezien de bijzonder kleine kans op het aantreffen van beide soorten in de groeves geldt hier als uitgangspunt het korthouden van de vegetaties, zodat het risico op aantreffen nihil is. Ter plekke van de brug dient rekening gehouden te worden met mogelijke aanwezigheid van Hazelworm. Het mogelijk leefgebied aldaar is van voldoende robuuste omvang dat dit geen grond is voor de noodzaak van een ontheffingaanvraag. Gebruiksfase • Leefgebied: De aanwezige groengebieden zijn voldoende robuust, zodat (potentieel) leefgebied niet in het geding is. Conclusie: De werkzaamheden voor aanleg van het Rondje Groeves leiden mogelijk tot een effect in de aanlegfase. Maatregelen zijn gewenst. 4.1.7

Nachtvlinders - Teunisbloempijlstaart

Op grond van de Wet natuurbescherming is het verboden om de Teunisbloempijlstaart (streng beschermd) opzettelijk te verstoren, te doden (door het maaien van vegetaties met rupsen van de soort) of de verblijfplaats te vernielen of te beschadigen (door verwijderen van waardplanten).

©

verkennend natuurwaardenonderzoek IBA-project rondje groeves – deelgebied west en zuid

32

Aanlegfase • Leefgebied: De Teunisbloempijlstaart gebruikt Wilgenroosje, Teunisbloem, Basterdwederik en Kattenstaart als waardplant (daar waar de eitjes gelegd worden en de rupsen opgroeien). Op het beoogde tracé van het Rondje Groeves zijn geen waardplanten aangetroffen, zodat in het werk geen rekening gehouden hoeft te worden met de soort. Gebruiksfase • Leefgebied: Het Rondje Groeves staat een actueel dan wel toekomstig voorkomen van de soort in het gebied niet in de weg. Conclusie: Voor de Teunisbloempijlstaart zijn geen maatregelen noodzakelijk.

©

verkennend natuurwaardenonderzoek IBA-project rondje groeves – deelgebied west en zuid

4.2

Globale effectbeoordeling deelgebied Zuid

4.2.1

Zoogdieren - vleermuizen

33

Op grond van de Wet natuurbescherming is het verboden om vleermuizen (streng beschermd) opzettelijk te verstoren (door het verwijderen van de geleiding op de vliegroute), te doden (door het slopen van bijvoorbeeld bebouwing met bewoonde vaste verblijfplaatsen) of de verblijfplaats te vernielen of te beschadigen (door het rooien van holtebomen, of het ondermijnen van de functionaliteit van een verblijfplaats door in te grijpen in essentiële delen van het leefgebied). Aanlegfase • Vaste verblijfplaatsen: Niet in het geding, omdat sloop, noch rooien van holtebomen onderdeel is van het project. Verstoring mogelijk door verlichting. • Foerageergebied: Gezien robuuste omvang groengebied niet in het geding. • Migratieroutes: Gezien ontbreken ingreep in opgaande boomstructuren niet aan de orde. Verstoring mogelijk door verlichting. Gebruiksfase • Vaste verblijfplaatsen: Wijzigen dan wel aanbrengen openbare verlichting is niet voorzien. Negatieve effecten niet te verwachten. • Foerageergebied: Gezien robuuste omvang groengebied niet in het geding. • Migratieroutes: Wijziging dan wel aanbrengen openbare verlichting is niet voorzien. Negatieve effecten niet te verwachten. Conclusie: De voorgenomen aanleg van het Rondje Groeves deelgebied Zuid heeft in de aanlegfase mogelijk een verstorende werking. Maatregelen bij de uitvoering zijn wenselijk. 4.2.2

Zoogdieren – Bever

Op grond van de Wet natuurbescherming is het verboden om Bevers (streng beschermd) opzettelijk te verstoren (door het verwijderen van dekking), te doden (door het slopen van de beverburcht) of de verblijfplaats te vernielen of te beschadigen (door in te grijpen in essentiële delen van het leefgebied). Aanlegfase • Vaste verblijfplaatsen: Niet in het geding, gezien de afstand (>40m) tot de beverburcht. Om voldoende rust te bewaren in het gebied zijn tijdens de kortdurende werkzaamheden wel maatregelen nodig. • Foerageergebied: Gezien robuuste omvang van de Zuidplas niet in het geding. • Migratieroutes: Niet in het geding. Gebruiksfase • Vaste verblijfplaatsen: Het Rondje Groeves blijft op voldoende afstand van de beverburcht, zodat deze niet tot een permanente vorm van verstoring leidt. • Foerageergebied: Gezien robuuste omvang Zuidplas niet in het geding. • Migratieroutes: Niet in het geding. Conclusie: De voorgenomen aanleg van het Rondje Groeves deelgebied Zuid heeft in de aanlegfase mogelijk een verstorende werking. Maatregelen bij de uitvoering zijn wenselijk.

©

verkennend natuurwaardenonderzoek IBA-project rondje groeves – deelgebied west en zuid

4.2.3

34

Zoogdieren - Das

Op grond van de Wet natuurbescherming is het verboden om Dassen (beschermd) opzettelijk te doden of te vangen (in dit kader niet relevant) of vaste voortplanting- en rustplaatsen van de soort te vernielen of te beschadigen (door fysieke ingrepen of het ondermijnen van de functionaliteit van een dassenburcht/bijburcht/vluchtpijp). Aanlegfase • Vaste verblijfplaatsen: aanwezig, maar zodanig gelegen dat de kortdurende aanleg van de halfverharding op >20 meter afstand geen negatief effect zal opleveren op het functioneren van de dassenburcht. Daarvoor zijn echter wel maatregelen in de uitvoering nodig. • Foerageergebied: Gezien de robuuste omvang van het groengebied niet in het geding. • Migratieroutes: Niet geconstateerd. Gebruiksfase • Vaste verblijfplaatsen: De recreatieve route ligt op voldoende afstand van de burchtlocatie om niet tot een permanente vorm van verstoring te leiden. • Foerageergebied: Gezien het robuuste karakter van het groengebied niet in het geding. • Migratieroutes: Niet in het geding. Conclusie: Negatieve effecten op de aanwezigheid van Das zijn aanwezig. Maatregelen dienen te worden getroffen. 4.2.4

Zoogdieren - Steenmarter en Eekhoorn

Op grond van de Wet natuurbescherming is het verboden om Steenmarters en Eekhoorns (beschermd) opzettelijk te doden of te vangen of vaste voortplanting- en rustplaatsen van de soort te vernielen of te beschadigen (door het verwijderen van dekking, of het ondermijnen van de functionaliteit van een verblijfplaats door in te grijpen in essentiële delen van het leefgebied). Conform de provinciale omgevingsverordening bestaat voor beide soorten met betrekking tot het vangen van exemplaren en het vernielen of beschadigen van rust- en voortplantingsplaatsen een vrijstelling die een deel van het jaar van toepassing is. Aanlegfase • Vaste verblijfplaatsen: Rooiwerkzaamheden aan potentiële nestbomen van Eekhoorn zijn niet voorzien. Verblijfplaatsen van Steenmarter zijn mogelijk in het geding. Hiermee dient rekening gehouden te worden bij de uitvoering. • Foerageergebied: Gezien het robuuste karakter van het groengebied niet in het geding. Gebruiksfase • Vaste verblijfplaatsen: niet in het geding. • Foerageergebied: niet in het geding. Conclusie: Bij de uitvoering van het werk dient rekening gehouden te worden met mogelijke verblijfplaatsen van de Steenmarter. 4.2.5

Zoogdieren – Wild zwijn (en algemene soorten als Ree, Vos)

Op grond van de Wet natuurbescherming is het verboden om Wild zwijnen (beschermd) opzettelijk te doden of te vangen of vaste voortplanting- en rustplaatsen van de soort te vernielen

©

verkennend natuurwaardenonderzoek IBA-project rondje groeves – deelgebied west en zuid

35

of te beschadigen (door het verwijderen van dekking, of het ondermijnen van de functionaliteit van een verblijfplaats door in te grijpen in essentiële delen van het leefgebied). Voor het Wild zwijn geldt een nulstandbeheer, zodat hier een deel van het jaar op de soort gejaagd mag worden. De insteek hier is echter, dat de populatie zich in de Zuidplas mag handhaven. Aanlegfase • Vaste verblijfplaatsen: De dichte oevervegetaties en het moeras- en bosgebied in de zuidwesthoek vormen een dagrustplaats voor bijvoorbeeld Wild zwijn en Ree. Maatregelen zijn hier wenselijk om onnodige verstoring tijdens de aanlegwerkzaamheden te voorkomen. • Foerageergebied: Gezien het robuuste karakter van het groengebied niet in het geding. Gebruiksfase • Vaste verblijfplaatsen: Voor de toekomstige natuurontwikkeling in de Zuidplas is het wenselijk dat de dagrustplaatsen van Ree en Wild zwijn zoveel als mogelijk met rust worden gelaten. Bij de uitwerking van het tracé van het Rondje Groeves is daarmee rekening gehouden. • Foerageergebied: niet in het geding. Conclusie: Bij de uitvoering van het werk dient rekening gehouden te worden met dagrustplaatsen van Wild zwijn en Ree. Bij de uitwerking van het Rondje Groeves worden de dagrustplaatsen ontzien. 4.2.6

Vogels zonder jaarrond beschermd nest

Op grond van de Wet natuurbescherming is het verboden om vogels (alle inheemse soorten streng beschermd) opzettelijk te doden of te vangen (door het rooien van een nestboom in het broedseizoen), nesten of eieren te vernielen of te beschadigen (door het rooien van de betreffende boom, of het ondermijnen van de functionaliteit van de nesten door het broeden te verstoren met werkzaamheden in de directe omgeving), of vogels opzettelijk te verstoren (door een ingreep te doen die het leefgebied verstoort, aantast of ongeschikt maakt). Dit laatste geldt overigens niet, indien de gunstige staat van instandhouding van de populatie er niet onder te lijden heeft. Veruit de meeste vogelsoorten bouwen jaarlijks een nieuw nest. Daarom is van verstoring of vernieling alleen sprake gedurende het broedseizoen, als het nest daadwerkelijk in gebruik is. Door rekening te houden met het broedseizoen kan worden voldaan aan de zorgplicht uit de Wet natuurbescherming. Conclusie: Door het treffen van maatregelen kan overtreding van verboden uit de Wet natuurbescherming worden voorkomen. 4.2.7

Amfibieën – Rugstreeppad & Poelkikker

Op grond van de Wet natuurbescherming is het verboden om Rugstreeppadden en Poelkikkers (streng beschermd) opzettelijk te verstoren (door het verwijderen van dekking), te doden (door het dempen van tijdelijk water) of de verblijfplaats te vernielen of te beschadigen (door in te grijpen in essentiële delen van het leefgebied). Aanlegfase • Waterhabitat: afwezig in beoogd werkterrein, dus niet in het geding. • Landhabitat: De werkzaamheden hebben in potentie een effect op het landhabitat ter plekke. ©

verkennend natuurwaardenonderzoek IBA-project rondje groeves – deelgebied west en zuid

36

Door het open karakter van het tracé en de beoogde uitkijkpunten is het geen vorstvrij terrein, zodat geen rekening gehouden hoeft te worden met winterverblijfplaatsen ter plekke. Maatregelen ten aanzien van de mobiele Rugstreeppad zijn wel nodig om tijdens de werkzaamheden aan de zorgplicht te kunnen voldoen. De uitwerking van deze maatregelen kan leiden tot de noodzaak van een ontheffing Wet natuurbescherming. Gebruiksfase • Waterhabitat: Niet in het geding. • Landhabitat: in ruim voldoende mate aanwezig. Het voet-/fietspad zal geen onoverkomelijke barrière vormen in de dispersiemogelijkheden voor de soort, omdat het pad ’s-nachts niet gebruikt wordt. De natuur rondom het wandel-/fietspad blijft voldoende schuilplekken bieden en de door Natuurmonumenten te introduceren grote grazers zullen zorgen dat voldoende dynamiek aanwezig blijft voor een duurzame instandhouding van leefgebied in de Zuidplas. Conclusie: De voorgenomen aanleg van het Rondje Groeves deelgebied Zuid heeft mogelijk een negatieve werking op het (mogelijk) voorkomen van Rugstreeppad. Het treffen van voorzorgsmaatregelen is noodzakelijk. 4.2.8

Amfibieën – Alpenwatersalamander, Kamsalamander & Vinpootsalamander

Op grond van de Wet natuurbescherming is het verboden om Kamsalamander (streng beschermd), Alpenwatersalamander en Vinpootsalamander (beide beschermd) opzettelijk te verstoren (door het verwijderen van dekking), te doden (door het dempen van tijdelijk water) of de verblijfplaats te vernielen of te beschadigen (door in te grijpen in essentiële delen van het leefgebied). Aanlegfase • Waterhabitat: Niet in het geding • Landhabitat: Niet in het geding, omdat het tracé en de beoogde locaties van de uitkijkpunten geen vorstvrije overwinteringsplekken bieden en evenmin door de soorten geliefde dekking bieden. Gebruiksfase • Waterhabitat: niet in het geding • Landhabitat: in ruim voldoende mate aanwezig. Het voet-/fietspad zal geen onoverkomelijke barrière vormen in de dispersiemogelijkheden voor de soorten (mede vanwege de bruggetjes en de moeraszones aan weerzijden van de route). Conclusie: De voorgenomen realisatie van het Rondje Groeves leidt niet tot negatieve effecten op het (mogelijk) voorkomen van Alpenwatersalamander, Kampsalamander en Vinpootsalamander. 4.2.9

Reptielen – Levendbarende hagedis & Hazelworm

Op grond van de Wet natuurbescherming is het verboden om Levendbarende hagedissen en Hazelwormen (beschermd) opzettelijk te doden of te vangen of vaste voortplanting- en rustplaatsen van de soort te vernielen of te beschadigen (door het verwijderen van dekking, of het ondermijnen van de functionaliteit van een verblijfplaats door in te grijpen in essentiële delen van het leefgebied). Conform de provinciale omgevingsverordening bestaat voor beide soorten met betrekking tot het vangen van exemplaren en het vernielen of beschadigen van rust- en voortplantingsplaatsen een vrijstelling die een deel van het jaar van toepassing is.

©

verkennend natuurwaardenonderzoek IBA-project rondje groeves – deelgebied west en zuid

37

Aanlegfase • Leefgebied: Op het tracé en de locaties van uitkijkpunten en bruggetjes dient rekening gehouden te worden met mogelijke aanwezigheid van Hazelworm en levendbarende hagedis. Het treffen van voorzorgsmaatregelen is noodzakelijk en kan leiden tot de noodzaak van een ontheffing Wet natuurbescherming. Gebruiksfase • Leefgebied: De aanwezige groengebied is voldoende robuust, zodat (potentieel) leefgebied niet in het geding is. Conclusie: De werkzaamheden voor aanleg van het Rondje Groeves leiden mogelijk tot een effect in de aanlegfase. Maatregelen zijn gewenst.

©

verkennend natuurwaardenonderzoek IBA-project rondje groeves – deelgebied west en zuid

5

38

Maatregelen, vervolgtraject en conclusie

Voor een de in hoofdstuk 4 behandelde soorten en soortgroepen zijn maatregelen nodig om te kunnen voldoen aan de algemene zorgplicht uit de Wet natuurbescherming (zie bijlage 1). De omvang van de te nemen maatregelen en het ermee samenhangende vervolgtraject zijn van belang voor het uiteindelijke inrichtingsplan voor de voorgenomen ruimtelijke ontwikkeling. In onderstaande paragrafen zijn voor beide deelgebieden allereerst de te nemen maatregelen per soort/soortgroep voorgesteld. Vervolgens is toegelicht hoe het vervolgtraject eruit ziet.

5.1

Te treffen maatregelen deelgebied West (groeves en brug mijnspoor)

Maatregelen ten behoeve van de aanlegfase

groeves

brug

Soort/soortgroep

Zoogdieren - vleermuizen

x

x

Zoogdieren - Steenmarter

x

x

Zoogdieren – algemene soorten

x

x

Broedvogels (BA) Reptielen - Hazelworm

x

x x

maatregel

Relatie met planning

1. Werkverlichting buiten de winterperiode (november – maart) tot een minimum beperken) 1. opruimwerkzaamheden uitvoeren buiten de gevoelige periode 1. zorgplicht in acht houden door eenduidige werkvolgorde en werkrichting aan te houden, zodat aanwezige dieren een veilig heenkomen kunnen zoeken. 2. grazige/kruidenrijke vegetaties voor start werk kort maaien, zodat dekking in werkterrein weg is. 1. Werken/ werk starten buiten broedseizoen

- april t/m oktober

1. werkterrein Hazelwormvrij maken in provinciale vrijstellingsperiode * 2. Plaatsen reptielenscherm om werkterrein 3. Instandhouden scherm/ herstellen beschadigingen 4. Opruimen schermen Reptielen – x 1. Ongeschikt houden tracé als (winter)habitat Levendbarende hagedis door de korte vegetaties kort te houden. * voor deze werkzaamheden is de inzet van een ecologisch deskundige noodzakelijk.

- werk in periode 15 augustus t/m februari -

- najaar - Buiten 15/0315/08 - Tussen 01/07 en 30/09 - Begin juli - Begin juli tot oplevering brug - Bij oplevering brug - najaar

De planning van de uitvoering dient in nauwe samenspraak met de ecologisch deskundige plaats te vinden. Het voordeel in het project Rondje Groeves is, dat de aard van de werkzaamheden een vlotte doorlooptijd in de aanlegfase mogelijk maakt, waardoor beschermde soorten slechts over een kortdurende periode (weken, geen maanden) hinder kunnen ondervinden. Indien bovenstaande maatregelen in relatie tot de gegeven tijdvakken in de planning niet haalbaar zijn, dan ontstaat de noodzaak om een ontheffing van de Wet natuurbescherming aan te vragen. Maatregelen ten behoeve van de gebruiksfase In het deelgebied West worden geen specifieke maatregelen getroffen ten bate van beschermde diersoorten. Wel zal, net als elders binnen de gemeente Heerlen, een aanlijnplicht van toepassing zijn voor honden.

©

verkennend natuurwaardenonderzoek IBA-project rondje groeves – deelgebied west en zuid

39

Te treffen maatregelen versus uitvoerbaarheid project Deelgebied West bezit potenties voor de ontwikkeling van bijzondere natuurwaarden. De actuele natuurwaarden zijn echter niet dusdanig waardevol, in relatie tot de Wet natuurbescherming, dat moet worden afgezien van het project. Nader onderzoek en een ontheffing van de Wet natuurbescherming zijn niet nodig, mits de randvoorwaarden ten aanzien van soorten en planning kunnen worden nageleefd. Ecologische begeleiding van het project is daarvoor noodzakelijk.

5.2

Te treffen maatregelen deelgebied Zuid

Maatregelen ten behoeve van de aanlegfase Zilverduintuin

Brug zuidwest

Voet/fietspad

Zoogdieren vleermuizen

UP zuidoost

Soort/soortgroep

x

x

x

x

Zoogdieren - Bever

x

x

Zoogdieren - Das

Zoogdieren Steenmarter

x

x

x

Zoogdieren – Ree en Wild zwijn

Zoogdieren – algemene soorten

x

x

x

x

x

x

x

x

Broedvogels (BA)

x

x

x

x

Amfibieën – Poelkikker en Rugstreeppad

x

x

x

x

©

maatregel

Relatie met planning

1. Werkverlichting buiten de winterperiode (november – maart) tot een minimum beperken) 1. werken buiten de gevoelige periode van de Bever. 2. gezien afstand tot burcht (>40m) werken volgens principe 3 dagen werk, 1 week rust. 1. zo mogelijk werken buiten de gevoelige periode van de Das.

- april t/m oktober

2. gezien afstand tot burcht (>20-40m) werken volgens principe 3 dagen werk, 1 week rust. 1. opruimwerkzaamheden uitvoeren buiten de gevoelige periode 1. zoveel mogelijk werken buiten de periode dat de dieren jongen hebben. 2. gezien nabijheid van dagrustplekken werken volgens principe 3 dagen werk, 1 week rust. 1. zorgplicht in acht houden door eenduidige werkvolgorde en werkrichting aan te houden, zodat aanwezige dieren een veilig heenkomen kunnen zoeken. 2. grazige/kruidenrijke vegetaties voor start werk kort maaien, zodat dekking in werkterrein weg is. 1. Werken/ werk starten buiten broedseizoen 1. In samenhang met reptielen vaststellen waar grootste risico op aanwezigheid soort is */ ** tbv bepalen noodzaak tijdelijke reptielenschermen. 2. Wegvangen NIET toegestaan zonder ontheffing Wnb 3. Omgang met schermen idem aan reptielen.

- Buiten mei t/m augustus - In september t/m april - Buiten december t/m juni - hele jaar - werk in periode 15 augustus t/m februari - Buiten april t/m augustus - hele jaar -

- najaar - Buiten 15/0315/08 - juni/juli

verkennend natuurwaardenonderzoek IBA-project rondje groeves – deelgebied west en zuid

Reptielen - Hazelworm

Reptielen – Levendbarende hagedis

x

x

x

x

x

x

x

x

1. relevante delen werkterrein Hazelwormvrij maken in provinciale vrijstellingsperiode * 2. Plaatsen reptielenscherm om werkterrein 3. In stand houden scherm/ herstellen beschadigingen 4. Opruimen schermen 1. idem als bij Hazelworm

40

- Tussen 01/07 en 30/09 - rond bouwvak - Begin juli tot oplevering werk - Bij oplevering werk - Tussen 15/08 en 15/10 -

2. Indien Levendbarende hagedis aanwezig, dan handelen als bij Hazelworm * voor deze werkzaamheden is de inzet van een ecologisch deskundige noodzakelijk. ** Indien werkzaamheden in de winter worden uitgevoerd, dus in de periode december t/m maart, dan is het wenselijk om vanaf september de vegetaties op het werkterrein (!) kort te houden, zodat dekking ontbreekt voor reptielen en amfibieën en het werkterrein geen aantrekkelijk landhabitat/winterverblijf vormt.

De planning van de uitvoering dient in nauwe samenspraak met de ecologisch deskundige plaats te vinden. Het voordeel in het project Rondje Groeves is, dat de aard van de werkzaamheden een vlotte doorlooptijd in de aanlegfase mogelijk maakt, waardoor beschermde soorten slechts over een kortdurende periode (weken, geen maanden) hinder kunnen ondervinden. Indien bovenstaande maatregelen in relatie tot de gegeven tijdvakken in de planning niet haalbaar zijn, dan ontstaat de noodzaak om een ontheffing van de Wet natuurbescherming aan te vragen. Maatregelen ten behoeve van de gebruiksfase •

•

•

• •

De aanleg van het Rondje Groeves met een halfverhard pad draagt ertoe bij dat bezoekers van het gebied minder geneigd zijn te gaan dwalen door het gebied, er ligt straks immers een heldere te volgen route. Dit draagt ertoe bij dat de aanwezige populatie Reewild, Wilde zwijnen, Das en Bever meer rust zullen blijven ervaren dan op basis van het eindplan het geval zou zijn. In de zuidwesthoek van de Zuidplas wordt het aanwezige bruggetje verplaatst in de richting van de plas, zodat de padenstructuur hier verder van het bosje af komt te liggen. Dit draagt bij aan het behoud van rust in deze hoek van het terrein, omdat hier de dagrustplaatsen van Ree en Wild zwijn zijn gelegen. Als gevolg van het opheffen van delen van het onderhoudspad en het verplaatsen van een bruggetje komt 733 m2 vrij voor natuurontwikkeling passend bij de ecotopen uit het eindplan. Deze oppervlakte natuur zal worden gerealiseerd als onderdeel van het Rondje Groeves. Op het terrein van de Zuidplas zal een aanlijnplicht gelden voor honden, om verstoring van het aanwezige wild tot een minimum te beperken. Het hekwerk rondom de Zuidplas, mede ten behoeve van de door Natuurmonumenten te introduceren grote grazers, wordt zodanig geplaatst dat het voor wild mogelijk is te blijven migreren tussen Zuidplas en Brunssummerheide. Klein wild, zoals Das, kan onder het hekwerk door.

Te treffen maatregelen versus uitvoerbaarheid project De aard van de voorgenomen ingreep is in relatie tot de (mogelijk) aanwezige beschermde en streng beschermde soorten niet dusdanig dat moet worden afgezien van het project. Wel zijn in de aanlegfase en gebruiksfase specifieke maatregelen nodig om aan de zorgplicht te kunnen voldoen. Het Rondje Groeves kan zo bijdragen aan een gecontroleerde openstelling van het gebied

©

verkennend natuurwaardenonderzoek IBA-project rondje groeves – deelgebied west en zuid

41

Zuidplas en de conditionering van omwonenden als toekomstige frequente gebruikers van het gebied. Nader onderzoek en een ontheffing van de Wet natuurbescherming zijn niet nodig, mits de randvoorwaarden ten aanzien van soorten en planning kunnen worden nageleefd. Ecologische begeleiding van het project is daarvoor noodzakelijk.

5.3

Vervolgtraject

Aanstellen ecologisch deskundige voor de verdere ecologische begeleiding van de uitwerking en uitvoering van het Rondje Groeves. Daarbij is een zorgvuldige afstemming tussen de gemeentelijk projectleider, de aannemer en de ecologisch deskundige noodzakelijk. Het is ook aan de ecologisch deskundige om waar nodig tijdens de uitvoering van de werkzaamheden bij te sturen indien de zorgplicht in het geding komt.

5.4

Eindconclusie

Op basis van het verkennend natuurwaardenonderzoek moet geconcludeerd worden dat rondom het werkterrein voor het Rondje Groeves in vooral deelgebied Zuid meerdere (streng) beschermde soorten voorkomen, maar deelgebied West ook veel potentie bezit. Door zorgvuldig om te gaan met de voorbereiding en planning van de werkzaamheden kan aan de zorgplicht als bedoeld in de Wet natuurbescherming worden voldaan. De aard van de voorgenomen ingrepen en de aard van de aangetroffen soorten sluiten elkaars aanwezigheid niet uit, zodat het Rondje Groeves niet leidt tot een onomkeerbare en ontheffingplichtige inbreuk in de staat van instandhouding van de (mogelijk) aanwezige soorten. Voor een zorgvuldige toepassing van de zorgplicht is begeleiding van de werkzaamheden door een ecologisch deskundige noodzakelijk.

©

verkennend natuurwaardenonderzoek IBA-project rondje groeves – deelgebied west en zuid

42

Literatuurlijst Bos, F., M. Boesveld, D. Groenendijk, C. van Swaay, I. Wynhoff, De Vlinderstichting, 2006. De dagvlinders van Nederland, verspreiding en bescherming (lepidoptera: hesperioidea, papilionoidae), Nederlandse Fauna 7. Nationaal Natuurhistorisch Museum Naturalis, KNNV Uitgeverij & EIS-Nederland, Leiden. Broekhuizen, S., K. Spoelstra, J.B.M. Thissen, K.J. Canters & J.C. Buys, 2016. Atlas van de Nederlandse Zoogdieren, Natuur van Nederland 12. Naturalis Biodiversity Center & EIS Kenniscentrum Insecten en andere ongewervelden, Leiden. Buggenum, H.J.M. van, R.P.G. Geraeds, & A.J.W. Lenders, 2009. Herpetofauna van Limburg, verspreiding en ecologie van amfibieën en reptielen in de periode 1980-2008. Stichting Natuurpublicaties Limburg, Maastricht. Huizenga, C.E., R.W. Akkermans, J.C. Buys, J. van der Coelen, H. Morelissen & L.S.G.M. Verheggen, 2010. Zoogdieren van Limburg, verspreiding en ecologie in de periode 1980-2007. Stichting Natuurpublicaties Limburg, Maastricht. Hustings, F., J. van der Coelen, B. van Noorden, R. schols & P. Voskamp, 2006. Avifauna van Limburg. Stichting Natuurpublicaties Limburg, Maastricht. Janssen, J.A.M. & J.H.J. Schaminée, 2008. Europese natuur in Nederland, Soorten van de Habitatrichtlijn. Tweede sterk herziene druk. KNNV Uitgeverij, Zeist. Kleukers, R.M.J.C., E.J. van Nieukerken, B. Odé, L.P.M. Willemse & W.K.R.E. van wingerden, 1997.

De sprinkhanen en krekels van Nederland (orthoptera), Nederlandse Fauna 1. Nationaal Natuurhistorisch Museum, KNNV Uitgeverij & EIS-Nederland, Leiden. Nederlandse Vereniging voor Libellenstudie, 2002. De Nederlandse Libellen (odonata), Nederlandse Fauna 4. Nationaal Historisch Museum Naturalis, KNNV Uitgeverij & EIS-Nederland, Leiden. Provincie Limburg, 2017. Wijzigingsverordening Hoofdstuk 3 Natuur van de Omgevingsverordening 2014, provinciaal blad 2017, nr1845. Provincie Limburg, Maastricht. Provincie Limbrug, 2017. Beleidsregels ten behoeve van de passieve soortenbescherming onder de Wet natuurbescherming in Limburg, provinciaal blad 2017, nr5634. Provincie Limburg, Maastricht. Turin, H., 2000. De Nederlandse loopkevers, verspreiding en ecologie (coleoptera: carabidae), Nederlandse Fauna 3. Nationaal Natuurhistorisch Museum Naturalis, KNNV Uitgeverij & EIS-Nederland. www.natuurgegevensprovincielimburg.nl (verspreidingsgegevens vaatplanten en broedvogels; laatst geraadpleegd, 28 september 2021) www.ndff-ecogrid.nl/uitvoerportaal/secure/index.zul geraadpleegd 28 september 2021)

(verspreidingsgegevens

flora

en

fauna;

laatst

www.vogelatlas.nl (verspreidingsgegevens broedvogels met jaarrond beschermde nesten op uurhok basis; laatst geraadpleegd op 24 september 2021) www.waarneming.nl

©

verkennend natuurwaardenonderzoek IBA-project rondje groeves – deelgebied west en zuid

43

Bijlage 1: Wet natuurbescherming Per 1 januari 2017 heeft de Wet natuurbescherming de Flora- en faunawet, de Natuurbeschermingswet 1998 en de Boswet vervangen. Daarmee is een integraal en vereenvoudigd wettelijk kader voor het behoud van de biologische diversiteit en een duurzaam gebruik van bestanddelen daarvan gevormd, mede ter uitvoering van de Europese Vogel- en Habitatrichtlijn en diverse verdragen inzake de biologische diversiteit en de bescherming van bedreigde dier- en plantensoorten en hun natuurlijke leefomgeving. De Wet natuurbescherming is gericht op: • Het beschermen en ontwikkelen van de natuur, mede vanwege de intrinsieke waarde, en het behouden van de biologische diversiteit • Het doelmatig beheren, gebruiken en ontwikkelen van de natuur ter vervulling van maatschappelijke functies.

B1.1 De algemene zorgplicht De Wet natuurbescherming erkent de intrinsieke waarde van Natura2000-gebieden, bijzondere nationale natuurgebieden en in het wild levende dieren en planten en hun directe leefomgeving. Hiertoe is in de wet een algemene zorgplicht opgenomen (artikel 1.11). Deze zorgplicht houdt in dat handelingen die nadelig zijn, of waarvan een ieder redelijkerwijs kan vermoeden dat ze nadelig zijn, achterwege blijven, dan wel maatregelen worden getroffen om die gevolgen te voorkomen en voor zover dat niet mogelijk is die gevolgen zoveel mogelijk worden beperkt of ongedaan gemaakt.

B1.2 Bescherming Natura2000-gebieden De Wet natuurbescherming regelt de bescherming van Natura2000-gebieden, de aanwijzing en begrenzing daarvan. Een aanwijzingsbesluit omvat in elk geval de instandhoudingsdoelstellingen ten aanzien van leefgebieden voor vogelsoorten voor zover nodig ter uitvoering van de Europese Vogelrichtlijn en/of de natuurlijke habitats van soorten voor zover nodig ter uitvoering van de Europese Habitatrichtlijn. Gedeputeerde Staten stellen voor het betreffende gebied een beheerplan op waarin, gelet op de instandhoudingsdoelstellingen, de nodige instandhoudingsmaatregelen en de beoogde resultaten staan geformuleerd. Het is verboden zonder vergunning van Gedeputeerde staten projecten te realiseren of andere handelingen te verrichten die gelet op de instandhoudingsdoelstellingen voor een Natura2000gebied de kwaliteit van de natuurlijke habitats of de habitats van de soorten in dat gebied kunnen verslechteren of een significant verstorend effect kunnen hebben op de soorten waarvoor dat gebied is aangewezen. Dit geldt zowel voor initiatieven binnen de begrenzing van een Natura2000-gebied als voor initiatieven buiten een Natura2000-gebied maar met een externe werking in dat Natura2000-gebied. Ten behoeve van de vergunningverlening dient initiatiefnemer een passende beoordeling uit te voeren van de gevolgen van het initiatief voor het Natura2000-gebied.

Vergunning wordt slechts verleend indien de zekerheid is verkregen dat het initiatief de natuurlijke kenmerken van het gebied niet zal aantasten. Indien de vereiste zekerheid niet kan worden verkregen, dan kan vergunning worden verleend indien voldaan wordt aan elk van de volgende voorwaarden: ©

verkennend natuurwaardenonderzoek IBA-project rondje groeves – deelgebied west en zuid

44

1. Er zijn geen alternatieven; 2. Het initiatief is nodig om dwingende redenen van groot openbaar belang, met inbegrip van redenen van sociale of economische aard, en 3. De nodige compenserende maatregelen worden getroffen om te waarborgen dat de algehele samenhang van Natura2000 bewaard blijft. Voor prioritaire habitattypen geldt in afwijking van punt 2 dat een project nodig is vanwege: 4. Argumenten die verband houden met de menselijke gezondheid, de openbare veiligheid of met voor het milieu wezenlijke gunstige effecten, of 5. Andere dwingende redenen van openbaar belang, na advies van de Europese Commissie.

B1.3 Soortbescherming - soorten Europese Vogelrichtlijn Op basis van de Wet natuurbescherming zijn alle van nature in het wild levende vogelsoorten op het Europese grondgebied van de lidstaten waarop de Vogelrichtlijn van toepassing is streng beschermd. In de voorliggende rapportage zijn de betreffende soorten aangeduid als zijnde streng beschermd. Het is verboden: • opzettelijk van nature in Nederland in het wild levende vogels van soorten als bedoeld in artikel 1 van de Vogelrichtlijn te doden of te vangen; • opzettelijk nesten, rustplaatsen en eieren te vernielen of te beschadigen, of nesten van vogels weg te nemen; • eieren van vogels te rapen of onder zich te hebben; • vogels opzettelijk te storen; • Het voorgaande verbod is niet van toepassing indien de storing niet van wezenlijke invloed is op de staat van instandhouding van de desbetreffende vogelsoort. Gedeputeerde staten is bevoegd ontheffing te verlenen van de hiervoor benoemde verboden ten aanzien van vogels van daarbij aangewezen soorten, dan wel ten aanzien van hun nesten, rustplaatsen of eieren. Daarbij dient voldaan te zijn aan de volgende voorwaarden: 1. Er bestaat geen andere bevredigende oplossing; 2. Zij is nodig a. In het belang van volksgezondheid en openbare veiligheid; b. In het belang van de veiligheid van het luchtverkeer; c.

Ter voorkoming van belangrijke schade aan gewassen, vee, bossen, visserij en wateren; d. Ter bescherming van flora en fauna; e. Voor onderzoek of onderwijs, het uitzetten of herinvoeren van soorten, of voor de daarmee samenhangende teelt, of f. Om te vangen, het onder zich hebben of elke andere wijze van verstandig gebruik van bepaalde vogels in kleine hoeveelheden selectief en onder strikt gecontroleerde omstandigheden toe te staan. 3. De maatregelen leiden niet tot verslechtering van de staat van instandhouding van de desbetreffende soort.

©

verkennend natuurwaardenonderzoek IBA-project rondje groeves – deelgebied west en zuid

45

B1.4 Soortbescherming - soorten Europese Habitatrichtlijn De Habitatrichtlijn heeft tot doel bij te dragen aan het waarborgen van de biologische diversiteit door het instandhouden van de natuurlijke habitats en de wilde flora en fauna op het Europese grondgebied van de lidstaten waarop het verdrag betrekking heeft. De in deze richtlijnen benoemde soorten uit deze categorie zijn in deze rapportage aangeduid als zijnde streng beschermd. Nota bene: Een deel van de vogelsoorten valt als gevolg van de Europese richtlijnen en verdragen zowel onder de bescherming van artikel 3.1 als artikel 3.5 uit de Wet natuurbescherming. Het is verboden • In het wild levende dieren van soorten uit bijlage IV van de Habitatrichtlijn, bijlage II van het Verdrag van Bern of bijlage I bij het Verdrag van Bonn, in hun natuurlijke verspreidingsgebied opzettelijk te doden of te vangen; • Dieren opzettelijk te verstoren; • Eieren van dieren in de natuur opzettelijk te vernielen of te rapen; • De voortplantingsplaatsen of rustplaatsen van dieren te beschadigen of te vernielen; • Planten van soorten, genoemd in bijlage IV, onderdeel b, bij de Habitatrichtlijn of bijlage I bij het verdrag van Bern, in hun natuurlijke verspreidingsgebied opzettelijk te plukken en te verzamelen, af te snijden, te ontwortelen of te vernielen.

• De soorten als bedoeld in het voorgaande punt en het eerste punt onder zich te hebben of te vervoeren, tenzij de bedoelde planten en dieren aantoonbaar zijn gefokt of gekweekt. Gedeputeerde staten is bevoegd ontheffing te verlenen van de hiervoor benoemde verboden ten aanzien van planten en dieren van daarbij aangewezen soorten, dan wel ten aanzien van hun voortplantingsplaatsen, rustplaatsen of eieren van dieren. Daarbij dient voldaan te zijn aan de volgende voorwaarden: 1. Er bestaat geen andere bevredigende oplossing; 2. Zij is nodig a. In het belang van de bescherming van de wilde flora en fauna, of in het belang van de instandhouding van de natuurlijke habitats; b. Ter voorkoming van ernstige schade aan vooral gewassen, veehouderijen, bossen, visgronden, wateren of andere vormen van eigendom; c. In het belang van de volksgezondheid, de openbare veiligheid of andere dwingende redenen van groot openbaar belang, met inbegrip van redenen van sociale of economische aard en met inbegrip van voor het milieu wezenlijk gunstige effecten; d. Voor onderzoek en onderwijs, repopulatie of herintroductie van deze soorten, of voor daartoe benodigde kweek, met inbegrip van de kunstmatige vermeerdering van planten, of e.

Om het onder strikt gecontroleerde omstandigheden mogelijk te maken op selectieve wijze en binnen bepaalde grenzen een beperkt, bij de ontheffing of vrijstelling vastgesteld aantal van bepaalde dieren van de aangewezen soorten te vangen of onder zich te hebben, onderscheidenlijk een beperkt bij de ontheffing of vrijstelling vastgesteld aantal van bepaalde planten van de aangewezen soort te plukken of onder zich te hebben. 3. Er wordt geen afbreuk gedaan aan het streven de populaties van de betrokken soort in hun natuurlijke verspreidingsgebied in een gunstige staat van instandhouding te laten voortbestaan.

©

verkennend natuurwaardenonderzoek IBA-project rondje groeves – deelgebied west en zuid

46

B1.5 Soortbescherming - andere soorten Naast de soorten die beschermd zijn op grond van de Europese Vogelrichtlijn en de Europese Habitatrichtlijn is op nationaal niveau een aanvullende lijst vastgesteld van diersoorten en plantensoorten die eveneens beschermd zijn op basis van de Wet natuurbescherming. In de voorliggende rapportage zijn de betreffende soorten aangeduid als zijnde beschermd. In analogie van het beschermingsregime voor soorten uit de Europese Habitatrichtlijn is het verboden om: • De betreffende diersoorten opzettelijk te doden of te vangen; • Vaste voortplantingsplaatsen of rustplaatsen van de betreffende diersoorten te beschadigen of te vernielen, of • De betreffende plantensoorten in hun natuurlijke verspreidingsgebied opzettelijk te plukken en te verzamelen, af te snijden, te ontwortelen of te vernielen. De eerste twee punten zijn niet van toepassing op Bosmuis, Huisspitsmuis en Veldmuis voor zover deze dieren zich in of op gebouwen bevinden of daarbij behorende erven of roerende zaken bevinden. In aanvulling op de ontheffingsgronden voor soorten uit de Habitatrichtlijn is Gedeputeerde staten voor de onder dit beschermingsregime vallende diersoorten en plantensoorten bevoegd om tevens op grond van onderstaande redenen ontheffing te verlenen: f.

In het kader van ruimtelijke inrichting of ontwikkeling van gebieden, daaronder begrepen het daarop volgende gebruik van het ingerichte of ontwikkelde gebied; g. Ter voorkoming van schade of overlast, met inbegrip van schade aan sportvelden, schietterreinen, industrieterreinen, kazernes, of begraafplaatsen; h. Ter beperking van de omvang van de populatie van dieren, in verband met door deze dieren ter plaatse en in het omringende gebied veelvuldig veroorzaakte schade of in verband met de maximale draagkracht van het gebied waarin de dieren zich bevinden; i. Ter voorkoming of bestrijding van onnodig lijden van zieke of gebrekkige dieren; j. In het kader van bestendig beheer of onderhoud in de landbouw of bosbouw; k. In het kader van bestendig beheer of onderhoud aan vaarwegen, watergangen, waterkeringen, waterstaatswerken, oevers, vliegvelden, wegen, spoorwegen of bermen, of in het kader van natuurbeheer l. In het kader van bestendig beheer en onderhoud van de landschappelijke kwaliteiten van een bepaald gebied, of, m. In het algemeen belang.

B1.6 Provinciale regelgeving - soortbescherming In verband met de inwerkingtreding van de Wet natuurbescherming per 1 januari 2017 heeft de provincie Limburg een wijziging doorgevoerd in de Omgevingsverordening Limburg 2014. Hierin zijn enerzijds de wijzigingen in de verwijzingen naar beschermingsniveaus en wetartikelen geregeld. Anderzijds maakt de provincie gebruik van haar bevoegdheid om op basis van artikel 3.10 lid 2 van de West natuurbescherming voor het grondgebied van deze provincie een vrijstelling te verlenen van verboden uit artikel 3.10. Het betreft de verboden uit artikel 3.10 lid 1 over het vangen van door de provincie aangewezen soorten en het vernielen of opzettelijk beschadigen van hun vaste verblijfplaatsen of rustplaatsen.

©

verkennend natuurwaardenonderzoek IBA-project rondje groeves – deelgebied west en zuid

47

Het vangen is slechts toegestaan wanneer het niet redelijkerwijs mogelijk is om de dieren te verdrijven van de locatie waar de werkzaamheden plaatsvinden. Dit vangen dient plaats te vinden met de in de omgevingsverordening voorgeschreven middelen. De hier genoemde vrijstelling is slechts van toepassing op de belangen f, j, k en l uit voorgaande paragraaf B1.5.

©

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Heerlen&id=bbaabd2b-a3d0-446f-979a-d8ba4b2e1c2d