bijlage 1 Algemene Plaatselijke Verordening 2021.pdf
Tekst van het document
AFDELING 4 MAATREGELEN TEGEN ONTSIERING EN STANKOVERLAST Artikel 4:13 Opslag voertuigen, vaartuigen, mest, afvalstoffen enz. 1. Het is in het belang van het uiterlijk aanzien van de gemeente, ter voorkoming of opheffing van overlast dan wel voorkoming van schade aan de openbare gezondheid, verboden om op door het college aangewezen plaatsen buiten een inrichting in de zin van de Wet milieubeheer in de openlucht, buiten de weg gelegen, een of meer van de volgende daarbij nader aangeduide, voorwerpen of stoffen op te slaan, te plaatsen of aanwezig te hebben, anders dan met inachtneming van de door hem gestelde regels: a. onbruikbare of aan hun oorspronkelijke bestemming onttrokken voer- of vaartuigen of onderdelen daarvan; b. bromfietsen en motorvoertuigen of onderdelen daarvan; c. caravans, kampeerwagens, boten, tenten en andere dergelijke, gewoonlijk voor recreatieve doeleinden gebezigde voorwerpen, indien het plaatsen of aanwezig hebben daarvan geschiedt voor verkoop of verhuur of anderszins voor een commercieel doel; d. mestopslag, gierkelder of andere verzamelplaatsen van vuil, een verzameling ingekuild gras, loof of pulp of ingekuilde landbouwproducten, afbraakmaterialen en oude metalen. 2. In het eerste lid wordt onder weg verstaan, hetgeen daaronder verstaan wordt in artikel 1 van de Wegenverkeerswet 1994. 3.
Het is verboden op een door het college krachtens het eerste lid aangewezen plaats een door hem aangeduid voorwerp of stof: a. op te slaan, te plaatsen of aanwezig te hebben; dan wel b. op te slaan, te plaatsen of aanwezig te hebben anders dan met inachtneming van de door het college gestelde regels. 4. Het in dit artikel bepaalde geldt niet voor zover in het geregelde onderwerp wordt voorzien door de Wet ruimtelijke ordening of de Provinciale milieuverordening Limburg. Artikel 4:14 Stankoverlast door gebruik van dierlijke meststoffen 1. Dit artikel verstaat onder:
45
2.
3. 4. 5. 6.
a. dierlijke meststoffen: dierlijke meststoffen als bedoeld in artikel 1 van de Meststoffenwet; b. emissiearm aanwenden: gebruiken van dierlijke meststoffen op de wijze die is aangegeven in de bij het Besluit gebruik meststoffen behorende bijlage II, met dien verstande echter dat onder 3, punt a onder 2e gelezen moet worden: 'tijdens het uitrijden van de dierlijke mest deze gelijktijdig wordt ondergewerkt'; c. grond: bouwland, maïsland en grasland. Onverminderd het bepaalde in het Besluit gebruik meststoffen is het verboden op gronden dierlijke meststoffen uit te rijden, op te brengen, te doen uitrijden of te doen opbrengen op zaterdag, zondag en op algemeen erkende feest- en gedenkdagen. Het in het tweede lid gestelde verbod is niet van toepassing voor zover de dierlijke mest emissiearm, als bedoeld in dit artikel, wordt aangewend. Het college kan ontheffing verlenen van de in het tweede lid gestelde verboden. Vervoer van dierlijke meststof als dunne mest dient te geschieden in volledig gesloten transportmiddelen die in een zindelijke staat verkeren. Paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht is niet van toepassing.
Artikel 4:15 Verbod op ontsierende, hinderlijke of gevaarlijke reclame 1. Het is verboden op of aan een roerende of onroerende zaak handelsreclame te maken of te voeren door middel van een opschrift, aankondiging of afbeelding in welke vorm dan ook indien daardoor: a. niet wordt voldaan aan de redelijke eisen van welstand; b. het verkeer in gevaar wordt gebracht; c. hinder ontstaat voor de omgeving. 2. Het eerste lid is niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien door het Activiteitenbesluit milieubeheer of de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht. 3. Het college kan, ter bescherming van de belangen genoemd in het eerste lid, nadere regels stellen. Artikel 4:16 Verkoopautomaten 1. Het is de rechthebbende op enig terrein verboden, zonder vergunning van het college, op een op dit terrein gelegen plaats, welke vanaf de weg of een voor het publiek toegankelijke plaats zichtbaar is, een verkoopautomaat te plaatsen of te hebben. 2. Paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht is niet van toepassing.
AFDELING 5 KAMPEREN BUITEN KAMPEERTERREIN Artikel 4:17 Begripsbepaling In deze afdeling wordt onder kampeermiddel verstaan: een onderkomen of voertuig waarvoor geen omgevingsvergunning voor het bouwen in de zin van artikel 2.1, eerste lid onder a van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht is vereist, dat bestemd of opgericht is dan wel gebruikt wordt of kan worden gebruikt voor recreatief nachtverblijf. Artikel 4:18 Recreatief nachtverblijf buiten kampeerterreinen 1. Het is verboden ten behoeve van recreatief nachtverblijf kampeermiddelen te plaatsen of geplaatst te houden buiten een kampeerterrein dat als zodanig in het bestemmingsplan, de beheersverordening, exploitatieplan of een voorbereidingsbesluit is bestemd of mede
46
2. 3. 4.
5.
bestemd, of waarvoor bij een omgevingsvergunning van het bestemmingsplan of de beheersverordening is afgeweken. Het verbod geldt niet voor het plaatsen van kampeermiddelen voor eigen gebruik door de rechthebbende op het terrein. Het college kan ontheffing verlenen van het verbod als bedoeld in het eerste lid. Onverminderd het bepaalde in artikel 1.8 kan de ontheffing worden geweigerd in het belang van: a. de bescherming van natuur en landschap; b. de bescherming van het stadsgezicht. Op de ontheffing bedoeld in het derde lid is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) niet van toepassing.
Artikel 4:19 Aanwijzing kampeerplaatsen 1. Het verbod van artikel 4:18, eerste lid is niet van toepassing op door het college aangewezen plaatsen. 2. Het college kan daarbij nadere regels stellen ter bescherming van de belangen genoemd artikel 4:18, vierde lid, onder a en b.
47
HOOFDSTUK 5 ANDERE ONDERWERPEN BETREFFENDE DE HUISHOUDING DER GEMEENTE AFDELING 1 PARKEEREXCESSEN Artikel 5:1 Begripsomschrijvingen Vervallen Artikel 5:2 Parkeren van voertuigen van autobedrijf e.d. 1. Het is degene die er zijn bedrijf, nevenbedrijf dan wel een gewoonte van maakt voertuigen te stallen, te herstellen, te slopen, te verhuren of te verhandelen, verboden: a. drie of meer voertuigen die hem toebehoren of zijn toevertrouwd, op de weg te parkeren binnen een cirkel met een straal van 25 meter met als middelpunt een dezer voertuigen; b. de weg als werkplaats voor voertuigen te gebruiken. 2. Onder verhuren als bedoeld in het eerste lid wordt mede verstaan: a. het gebruiken van een voertuig voor het geven van lessen; b. het gebruiken van een voertuig voor het vervoeren van personen tegen betaling. 3. Tot de voertuigen bedoeld in het eerste lid worden niet gerekend: a. voertuigen waaraan herstel- of onderhoudswerkzaamheden worden verricht die in totaal niet meer dan een uur vergen, zulks gedurende de tijd die nodig is voor en gebruikt wordt voor deze werkzaamheden; b. voertuigen gebezigd voor persoonlijk gebruik van de in het eerste lid genoemde persoon. 4. Het college kan van het in het eerste lid gestelde verbod ontheffing verlenen. 5. Paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht is niet van toepassing. Artikel 5:3 Te koop aanbieden van voertuigen 1.
Het is verboden op door het college aangewezen wegen of weggedeelten een voertuig te parkeren met het kennelijke doel het te koop aan te bieden of te verhandelen. 2. Het college kan ontheffing van dit verbod verlenen. 3. Paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht is niet van toepassing. Artikel 5:4 Defecte voertuigen Het is verboden een voertuig waarmede als gevolg van andere dan eenvoudig te verhelpen gebreken niet kan of mag worden gereden, langer dan op drie achtereenvolgende dagen op de weg te parkeren. Artikel 5:5 Voertuigwrakken en achtergelaten motorvoertuigen 1. Het is verboden op of aan de weg te parkeren: a. een voertuig dat rijtechnisch in onvoldoende staat van onderhoud en tevens in een kennelijk verwaarloosde toestand verkeert. b. een motorvoertuig te plaatsen of te hebben met de kennelijke bedoeling er als houder afstand van te doen. 2. Het in het eerste lid gestelde verbod geldt niet voor zover in het daarin geregelde onderwerp wordt voorzien door de Wet milieubeheer.
48
Artikel 5:6 Caravans e.d. 1. Het is verboden een woonwagen, kampeerwagen, caravan, camper, magazijnwagen, aanhangwagen, keetwagen of ander dergelijk voertuig dat voor de recreatie dan wel anderszins uitsluitend of mede voor andere dan verkeersdoeleinden wordt gebezigd: a. langer dan op vijf achtereenvolgende dagen op de weg te plaatsen of te hebben; b. op een door het college aangewezen plaats te parkeren, waar dit naar zijn oordeel schadelijk is voor het uiterlijk aanzien van de gemeente. 2. Het college kan ontheffing verlenen van het in het eerste lid, aanhef en onder a, gestelde verbod. 3. Het in het eerste lid gestelde verbod geldt niet voor zover in het daarin geregelde onderwerp wordt voorzien door de Wegenverordening provincie Limburg. 4. Paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht is niet van toepassing. Artikel 5:7 Parkeren van reclamevoertuigen 1. Het is verboden een voertuig dat is voorzien van een aanduiding van handelsreclame, op de weg te parkeren met het kennelijk doel om daarmee handelsreclame te maken. 2. Het college kan van het in het eerste lid gestelde verbod ontheffing verlenen. 3. Paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht is niet van toepassing. Artikel 5:8 Parkeren van grote voertuigen 1.
Het is verboden een voertuig en/of aanhangwagen met een lengte van meer dan 6 meter of een hoogte van meer dan 2,4 meter, met inbegrip van de lading, op de weg te parkeren. 2. Het college wijst plaatsen en/of tijdstippen aan waarvoor het in het eerste lid genoemde verbod niet geldt. 3. Het verbod in het eerste lid geldt niet gedurende de tijd die nodig is voor, en gebruikt wordt voor, het uitvoeren van werkzaamheden waarvoor de aanwezigheid van het voertuig en/of aanhangwagen ter plaatse noodzakelijk is. 4. Het verbod in het eerste lid geldt niet voor campers, kampeerauto’s, caravans en kampeerwagens, voor zover deze voertuigen niet langer dan vijf achtereenvolgende dagen op de weg worden geplaatst of gehouden. Artikel 5:8A Uitzichtbelemmerende voertuigen 1. Het is verboden een voertuig en/of aanhangwagen met een lengte van meer dan 6 meter of een hoogte van meer dan 2,4 meter, met inbegrip van de lading, op de weg te parkeren bij een voor bewoning of ander dagelijks gebruik bestemd gebouw op zodanige wijze dat daardoor het uitzicht van bewoners of gebruikers vanuit dat gebouw op hinderlijke wijze wordt belemmerd of hen anderszins hinder of overlast wordt aangedaan. 2. Het verbod geldt niet gedurende de tijd die nodig is voor, en gebruikt wordt voor, het uitvoeren van werkzaamheden waarvoor de aanwezigheid van het voertuig en/of aanhangwagen ter plaatse noodzakelijk is.
Artikel 5:9 Parkeren van voertuigen met stankverspreidende stoffen 1. Het is verboden een voertuig met stankverspreidende stoffen daar te parkeren waar bewoners of gebruikers van nabijgelegen gebouwen of terreinen daarvan hinder of overlast kunnen ondervinden. 2. Dit verbod geldt niet voor zover in het geregelde onderwerp wordt voorzien door de Wet milieubeheer.
49
Artikel 5:10 Aantasting groenvoorzieningen door voertuigen 1. Het is verboden een voertuig, fiets of bromfiets te rijden door dan wel deze te doen of te laten staan in een park of plantsoen of een van gemeentewege aangelegde beplanting of groenstrook. 2. Dit verbod is niet van toepassing: a. op de weg; b. op voertuigen die nodig zijn en gebruikt worden ter uitvoering van werkzaamheden door of vanwege de overheid; c. op voertuigen, waarmee standplaats wordt of is ingenomen op terreinen die mede of uitsluitend voor dit doel zijn bestemd. 3. Het college kan van het verbod ontheffing verlenen. 4. Paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht is niet van toepassing. Artikel 5:11 Overlast van fiets of bromfiets 1. Het is in het belang van het uiterlijk aanzien van de gemeente, ter voorkoming of opheffing van overlast, dan wel ter voorkoming van schade aan de openbare gezondheid verboden om op door het college aangewezen plaatsen: a. fietsen of bromfietsen onbeheerd buiten de daarvoor bestemde ruimten of plaatsen te laten staan; b. fietsen of bromfietsen langer dan een door het college te bepalen periode onafgebroken binnen de voor het plaatsen van fietsen of bromfietsen bestemde ruimten of plaatsen te stallen. 2. Het is verboden fietsen of bromfietsen die rijtechnisch in onvoldoende staat van onderhoud en in een verwaarloosde toestand verkeren, op de weg te laten staan.
AFDELING 2 COLLECTEREN, VENTEN, STANDPLAATSEN EN SNUFFELMARKTEN Artikel 5:12 Inzameling van geld of goed 1. Het is verboden een openbare inzameling van geld of goederen te houden of daartoe een intekenlijst aan te bieden, indien: a. degene die het voornemen heeft de openbare inzameling van geld of goederen te houden of daartoe een intekenlijst aan te bieden, daarvan niet minimaal zes weken van tevoren een melding heeft gedaan aan het college, of b. het college de openbare inzameling van geld of goederen te houden of het daartoe aanbieden van een intekenlijst met inachtneming van het bepaalde in het vijfde lid tijdig heeft verboden. 2. Onder een inzameling van geld of goederen wordt mede verstaan het bij het aanbieden van goederen, waartoe ook geschreven of gedrukte stukken worden gerekend, dan wel bij het aanbieden van diensten, aanvaarden van geld of goederen, indien daarbij te kennen wordt gegeven of de indruk wordt gewekt dat de opbrengst geheel of ten dele voor een liefdadig of ideëel doel is bestemd. 3. Het in het eerste lid gestelde verbod geldt niet voor een inzameling die in besloten kring gehouden wordt. 4. Het college kan besluiten de openbare inzameling van geld of goederen te houden of het daartoe aanbieden van een intekenlijst te verbieden indien daardoor de openbare orde, de openbare veiligheid of de volksgezondheid in gevaar komt. 5.
Het college dient een besluit als bedoeld in het vierde lid te nemen binnen vier weken na ontvangst van de melding.
50
Artikel 5:13 Begripsomschrijving 1. In deze afdeling wordt onder venten verstaan: het in de uitoefening van de ambulante handel te koop aanbieden, verkopen of afleveren van goederen dan wel diensten op een openbare plaats of aan huis. 2. Onder venten wordt niet verstaan: a. het aan huis afleveren van goederen door of vanwege degene die dit doet ter exploitatie van zijn winkel als bedoeld in artikel 1 van de Winkeltijdenwet; b. het te koop aanbieden, verkopen of afleveren van goederen als bedoeld in het eerste lid op jaarmarkten en markten als bedoeld in artikel 160, eerste lid, onder h, van de Gemeentewet of op snuffelmarkten als bedoeld in artikel 5:21 van deze verordening. c. het te koop aanbieden, verkopen of afleveren van goederen als bedoeld in het eerste lid op een standplaats als bedoeld in artikel 5:16 van deze verordening. Artikel 5:14 Ventverbod 1. Het is verboden te venten op door het college aangewezen openbare plaatsen. 2. Het college kan ontheffing verlenen van het verbod in het eerste lid. 3. Op de ontheffing is paragraaf 4.1.3.3. van de Algemene wet bestuursrecht niet van toepassing. 4. Het is verboden te venten indien daardoor de openbare orde, de openbare veiligheid of de volksgezondheid in gevaar komt. 5. Het is verboden te venten: a. op zondag; b. op maandag tot en met zaterdag voor 08.00 uur of na 20.00 uur. 6.
Het verbod geldt niet voor zover in het daarin geregelde onderwerp wordt voorzien door artikel 5 van de Wegenverkeerswet 1994. 7. Het verbod geldt tevens niet aanzien van het op de zondag en de feestdagen te koop aanbieden en verkopen van voor directe consumptie geschikte eetwaren en alcoholvrije dranken. Artikel 5:15 Vrijheid van meningsuiting 1. Het verbod van artikel 5:14 geldt niet voor venten met gedrukte of geschreven stukken waarin gedachten en gevoelens worden geopenbaard als bedoeld in artikel 7, eerste lid, van de Grondwet. 2. Het college kan de vrijheid van meningsuiting als bedoeld in het eerste lid beperken door een verbod in te stellen: a. op of aan door het college aangewezen openbare plaatsen, of b. voor bepaalde dagen en uren. 3. Het college kan ontheffing verlenen van het verbod van het tweede lid. 4. Paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht is niet van toepassing. Artikel 5:16 Begripsomschrijving standplaats 1.
2.
In deze afdeling wordt verstaan onder standplaats: het vanaf een vaste plaats op een openbare plaats te koop aanbieden, verkopen of afleveren van goederen of het anderszins aanbieden van goederen of diensten, al dan niet gebruikmakend van fysieke middelen, zoals een kraam, een wagen of een tafel. Onder standplaats wordt niet verstaan:
51
a. b. c.
vaste plaatsen op jaarmarkten of markten als bedoeld in artikel 160, eerste lid onder h, van de Gemeentewet; vaste plaatsen op evenementen als bedoeld in artikel 2:23; vaste plaatsen op snuffelmarkten als bedoeld in artikel 5:21.
Artikel 5:17 Standplaatsvergunning en weigeringsgronden 1. Het is verboden zonder vergunning van het college een standplaats in te nemen of te hebben. 2. Onverminderd het bepaalde in artikel 1:8 kan de vergunning worden geweigerd a. indien de standplaats hetzij op zichzelf hetzij in verband met de omgeving niet voldoet aan eisen van redelijke welstand; b. vanwege strijd met een geldend bestemmingsplan. 3. Paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht is niet van toepassing. Artikel 5:18 Toestemming rechthebbende Het is de rechthebbende op een perceel verboden toe te staan dat daarop zonder vergunning van het college standplaats wordt of is ingenomen. Artikel 5:19 Afbakeningsbepalingen 1. Het verbod van artikel 5:17, eerste lid geldt niet voor zover in het daarin geregelde onderwerp wordt voorzien door de Standplaatsenverordening, de Wet beheer rijkswaterstaatswerken of het Provinciaal wegenreglement. 2. De weigeringsgrond van artikel 1:8, onder d, geldt niet voor zover in het daarin geregelde onderwerp wordt voorzien door de Wet milieubeheer; 3. De weigeringsgrond van artikel 5:17, tweede lid, onder a, geldt niet voor bouwwerken. Artikel 5:20 Aanhoudingsplicht 1.
In afwijking van artikel 1:2, houdt het college de beslissing op een aanvraag om vergunning als bedoeld in artikel 5:17 aan indien er geen grond is de vergunning te weigeren, en de aanvraag een activiteit betreft waarvoor tevens een vergunning is vereist als bedoeld in artikel 8.1 van de Wet milieubeheer dan wel een omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 2.1 van die wet. 2. De aanhouding duurt tot de dag waarop is beslist op de aanvraag om een vergunning als bedoeld in artikel 8.1 van de Wet milieubeheer dan wel een omgevingsvergunning. Artikel 5:21 Snuffelmarkten e.d. 1. Het is verboden zonder vergunning van de burgemeester: a. in of op een - al dan niet met enige beperking - voor het publiek toegankelijk gebouw een markt te organiseren of toe te laten, waar ter plaatse aanwezige goederen worden verhandeld; b. toe te laten, te bevorderen of er gelegenheid toe te geven, dat in of op een - al dan niet met enige beperking - voor publiek toegankelijk gebouw met een kraam, een tafel of enig ander dergelijk middel standplaats wordt of is ingenomen om goederen aan publiek aan te bieden, te verkopen of te verstrekken. 2. Het in het eerste lid gestelde verbod geldt niet voor ruimten die uitsluitend geheel en voortdurend dan wel nagenoeg geheel en voortdurend in gebruik zijn als winkel in de zin van de Winkeltijdenwet 3.
Onverminderd het bepaalde in artikel 1:8, kan een vergunning als bedoeld in het eerste lid worden geweigerd in het belang van een krachtens de Gemeentewet ingestelde markt. 4. Paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht is van toepassing.
52
AFDELING 3 OPENBAAR WATER Artikel 5:22 Reddingsmiddelen Het is verboden een voor het redden van drenkelingen bestemd en daartoe bij het water aangebracht voorwerp te gebruiken voor een ander doel, dan wel voor dadelijk gebruik ongeschikt te maken. AFDELING 4 CROSSTERREINEN EN GEMOTORISEERD EN RUITERVERKEER IN NATUURGEBIEDEN Artikel 5:23 Crossterreinen 1. Het is verboden op enig terrein, geen weg zijnde, met een motorvoertuig of een (brom)fiets te crossen buiten wedstrijdverband, een wedstrijd dan wel, ter voorbereiding van een wedstrijd, een trainings- of proefrit te houden of te doen houden dan wel daaraan deel te nemen, dan wel een motorvoertuig of een (brom)fiets met het kennelijke doel daartoe aanwezig te hebben. 2. Het college kan terreinen aanwijzen waarvoor het in het eerste lid gestelde verbod niet van toepassing is. Het kan daarbij regels stellen ten aanzien van het gebruik van deze terreinen: a. in het belang van het voorkomen of beperken van overlast; b. in het belang van de bescherming van het uiterlijk aanzien van de omgeving en ter bescherming van andere milieuwaarden; c. in het belang van de veiligheid van de deelnemers van de in het eerste lid bedoelde wedstrijden en ritten en/of van het publiek. 3.
Het verbod is niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien door de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht, het Besluit omgevingsrecht, de Zondagswet of het Besluit geluidproduktie sportmotoren. Artikel 5:24 Beperking verkeer in natuurgebieden 1. Het is verboden binnen voor publiek toegankelijke natuurgebieden, parken, plantsoenen of voor recreatief gebruik beschikbare terreinen te rijden of zich te bevinden met een motorvoertuig, een bromfiets, een fiets of een paard. 2. Het college kan terreinen aanwijzen waarvoor het in het eerste lid gestelde verbod niet van toepassing is. Het kan daarbij regels stellen ten aanzien van het gebruik van deze terreinen: a. in het belang van het voorkomen van overlast; b. in het belang van de bescherming van natuur- of milieuwaarden; c. in het belang van de veiligheid van het publiek. 3. Het in het eerste lid gestelde verbod geldt niet voor bestuurders van motorvoertuigen en bromfietsen en voor fietsers of berijders van paarden: a. ten dienste van politie, brandweer en geneeskundige hulpverlening en van andere krachtens artikel 29, eerste lid, Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990 door de minister van Verkeer en Waterstaat aangewezen hulpverleningsdiensten; b. die worden gebruikt in verband met beheer, onderhoud of exploitatie van de terreinen als in het eerste lid bedoeld; c.
die worden gebruikt in verband met werken die krachtens wettelijk voorschrift moeten worden uitgevoerd; d. van de zakelijk gerechtigden en huurders en pachters van percelen gelegen binnen de terreinen als in het eerste lid bedoeld; e. voor het verkeer ten behoeve van bezoek en van de verzorging van de onder d bedoelde personen.
53
4.
5. 6.
Het in het eerste lid gestelde verbod geldt voorts niet: a. op wegen als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onder b, van de Wegenverkeerswet 1994; b. binnen de bij of krachtens de Provinciale milieuverordening Limburg aangewezen stiltegebieden, ten aanzien van motorrijtuigen die bij of krachtens die verordening zijn aangewezen als ‘toestel’. Het college kan ontheffing verlenen van het in het eerste lid gestelde verbod. Paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht is niet van toepassing.
AFDELING 5 Vuurverbod Artikel 5:25 Verbod afvalstoffen te verbranden buiten inrichtingen of anderszins vuur te stoken 1. Het is verboden in de openlucht afvalstoffen te verbranden buiten inrichtingen of anderszins vuur aan te leggen, te stoken of te hebben. 2. Mits geen sprake is van gevaar, overlast of hinder voor de omgeving, is het verbod niet van toepassing op: a. verlichting door middel van kaarsen, fakkels en dergelijke; b. sfeervuren zoals terrashaarden en vuurkorven, voor zover geen afvalstoffen worden verbrand; c. vuur voor koken, bakken en braden. 3. Het college kan ontheffing verlenen van het verbod. 4. Onverminderd het bepaalde in artikel 1:8 kan de ontheffing worden geweigerd ter bescherming van de flora en de fauna. 5. Het in het eerste lid gestelde verbod geldt niet voor zover in het geregelde onderwerp wordt voorzien door artikel 429, aanhef en onder 1 of 3, van het Wetboek van Strafrecht of de Provinciale milieuverordening. 6. Paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht is niet van toepassing. AFDELING 6 VERSTROOIING VAN AS Artikel 5:26 Begripsomschrijving In deze afdeling wordt verstaan onder incidentele asverstrooiing: het verstrooien van as als bedoeld in de Wet op de Lijkbezorging op een door de overledene of nabestaande(n) gewenste plek buiten een permanent daartoe bestemd terrein. Artikel 5:27 Verboden plaatsen 1.
Incidentele asverstrooiing is verboden op: a. verharde delen van de weg; b. gemeentelijke begraafplaatsen en crematoriumterreinen. 2. Het college kan een besluit nemen waarin voor een bepaalde termijn wordt verboden dat op andere plaatsen dan genoemd in het eerste lid asverstrooiing plaatsvindt. 3. Het college kan op verzoek van de nabestaande die zorg draagt voor de asbus op grond van bijzondere omstandigheden ontheffing verlenen van het verbod uit het eerste lid, behoudens de gemeentelijke begraafplaatsen en crematoriumterreinen. 4. Paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht is niet van toepassing.
54
Artikel 5:28 Hinder of overlast Incidentele asverstrooiing is verboden indien daardoor hinder of overlast wordt veroorzaakt voor derden. AFDELING 7 OVERIGE BEPALINGEN Artikel 5:29 Liggen of slapen op of aan de weg 1. Het is verboden op of aan de weg: a. tussen zonsondergang en zonsopgang te liggen of te slapen; b. tussen zonsopgang en zonsondergang te liggen of te slapen, nadat een ambtenaar van politie, of een door/namens het college aangewezen toezichthouder in het belang van de openbare orde, veiligheid of zedelijkheid is aangezegd dat dit moet worden beëindigd; 2. In bijzondere gevallen kan het college plaatsen aanwijzen, waarop gedurende bepaalde uren het verbod, bedoeld in het eerste lid, onder a, niet van toepassing is. Artikel 5:30 Sproei- en wasverbod 1. Het is verboden water uit de waterleiding te gebruiken voor het sproeien van tuinen en voor het wassen van auto's gedurende door het college te bepalen tijdvakken. 2. Bekendmaking van het besluit waarbij de in het eerste lid bedoelde tijdvakken worden vastgesteld, zal ten minste een dag voor de aanvang daarvan op de gebruikelijke wijze plaatsvinden.
55
HOOFDSTUK 6 STRAF-, OVERGANGS- EN SLOTBEPALINGEN Artikel 6:1 Strafbepaling 1. Overtreding van het bij of krachtens deze verordening bepaalde wordt gestraft met hechtenis van ten hoogste drie maanden of geldboete van de tweede categorie en kan bovendien worden gestraft met openbaarmaking van de rechterlijke uitspraak. 2. In afwijking van het eerste lid is artikel 1a van de Wet op de economische delicten van toepassing op overtreding van het bepaalde bij of krachtens de artikelen 2:10 of 2:11 voor zover een omgevingsvergunning is vereist. Artikel 6:2 Toezichthouders Met het toezicht op de naleving van het bepaalde bij of krachtens deze verordening zijn belast de bij besluit van het college of de burgemeester aangewezen personen. Artikel 6:3 Binnentreden woningen Zij die belast zijn met het toezicht op de naleving of de opsporing van een overtreding van de bij of krachtens deze verordening gegeven voorschriften welke strekken tot handhaving van de openbare orde of veiligheid of bescherming van het leven of de gezondheid van personen, zijn bevoegd tot het binnentreden in een woning zonder toestemming van de bewoner. Artikel 6:4 Inwerkingtreding 1. De Algemene Plaatselijke Verordening voor de gemeente Heerlen 2012, vastgesteld op 3 juli 2012, wordt ingetrokken. 2. Deze verordening treedt in werking op de dag na haar bekendmaking.
Artikel 6:5 Overgangsbepaling Besluiten, genomen krachtens de verordening bedoeld in artikel 6:4, eerste lid, die golden op het moment van de inwerkingtreding van deze verordening, alsook besluiten die op grond van het overgangsrecht van de in artikel 6:4, eerste lid, bedoelde verordening hun gelding hebben behouden, en waarvoor deze verordening overeenkomstige besluiten kent, gelden als besluiten genomen krachtens deze verordening. Artikel 6:6 Citeertitel Deze verordening wordt aangehaald als: Algemene Plaatselijke Verordening Heerlen 2021. Aldus besloten tijdens de openbare vergadering van de gemeenteraad van de gemeente Heerlen van 29 september 2021. griffier,
voorzitter,
drs. T.W. Zwemmer
drs. R. Wever
56
Formulier algemene informatie Vastgesteld door:
Gemeenteraad van Heerlen
Officiële naam van de verordening:
Algemene Plaatselijke Verordening Heerlen 2021
Citeertitel van de verordening:
Algemene Plaatselijke Verordening Heerlen 2021
Publiceertitel
Algemene Plaatselijke Verordening Heerlen 2021
Onderwerp van de verordening:
Openbare orde en veiligheid
Wettelijke grondslag:
Artikel 149 Gemeentewet
Afdelingscode:
Gemeente Heerlen
Registratienummer van de verordening:
BW-21001285
Registratienummer collegevoorstel:
BW-21001285
Beleidsonderwerp
Openbare orde en veiligheid
Datum inwerkingtreding:
1 dag na publicatie
Datum inwerkingtreding:
1 dag na publicatie
Datum inwerkingtreding:
Na publicatie
Datum terugwerkende kracht (t/m) (indien
Nee
van toepassing Datum besluit/ondertekening:
29 september 2021
Geldig voor bepaalde duur: (ja/nee)
Nee
Algemeen verbindend voorschrift?
Ja
de verordening treedt in de plaats van:
Algemene Plaatselijke Verordening 2012
Registratienummer vorige verordening:
2012/595
Onderstaande gegevens niet zelf invullen. Datum besluit intrekking: Datum publikatie intrekking: Datum inwerkingtreding intrekking
57