bijlage 1 Algemene Plaatselijke Verordening 2021.pdf
Tekst van het document
Artikel 2:55 Duiven
21
1.
2. 3.
De rechthebbende op duiven is verplicht ervoor te zorgen dat die duiven niet kunnen uitvliegen tussen 08.00 uur en 18.00 uur in een door het college te bepalen tijdvak dat ligt tussen 1 maart en 1 juni. Het college kan ontheffing verlenen van het in het eerste lid gesteld gebod. Paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht is niet van toepassing.
Artikel 2:56 Bijen 1. Het is verboden bijen te houden: a. binnen een afstand van 30 meter van woningen of andere gebouwen waar overdag mensen verblijven; b. binnen een afstand van 30 meter van de weg. 2. Het in het eerste lid gestelde verbod geldt niet indien op een afstand van ten hoogste zes meter vanaf de korven of kasten een afscheiding is aangebracht van twee meter hoogte of zoveel hoger als noodzakelijk is om het laag uit- en invliegen van de bijen te voorkomen. 3. Het in het eerste lid, aanhef en onder a, gestelde verbod geldt niet voor zover de bijenhouder rechthebbende is op de woningen of gebouwen als bedoeld in dat lid. 4 Het in het eerste lid, aanhef en onder b, gestelde verbod geldt niet voor zover in het geregelde onderwerp wordt voorzien door de Wegenverordening provincie Limburg. 5. Het college kan van het in het eerste lid gestelde verbod ontheffing verlenen. 6. Paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht is niet van toepassing. Artikel 2:57 Gebiedsontzegging 1.
In het belang van de openbare orde, het voorkomen of beperken van overlast, het voorkomen of beperken van aantasting van het woon- en leefklimaat, de veiligheid van personen of goederen, de verkeersvrijheid of veiligheid en de gezondheid of zedelijkheid kan de burgemeester of een daartoe aangewezen politieambtenaar of bijzonder opsporingsambtenaar aan een persoon die strafbare feiten of openbare orde verstorende handelingen verricht een bevel geven om zich gedurende een in het bevel bepaalde periode niet anders dan in een openbaar middel van vervoer in een of meer bepaalde, door het college aangewezen delen van de gemeente op een openbare plaats op te houden. 2. De burgemeester beperkt het in het eerste lid genoemde bevel of de daarin genoemde termijn indien dat in verband met de persoonlijke omstandigheden van betrokkene noodzakelijk is. 3. Het is verboden zich te gedragen in strijd met een door de burgemeester opgelegd bevel als bedoeld in het eerste lid. Artikel 2:58 Bedelarij Het is verboden in door het college aangewezen gebieden op een openbare plaats te bedelen om geld of andere zaken. AFDELING 9 BEPALINGEN TER BESTRIJDING VAN HELING VAN GOEDEREN Artikel 2:59 Begripsomschrijvingen In deze afdeling wordt verstaan onder: a.
handelaar: een handelaar als bedoeld in artikel 1 van de algemene maatregel van bestuur op grond van artikel 437, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht.
22
b. verkoopregister: het aantekening houden van het verkopen of op andere wijze overdragen van alle gebruikte en ongeregelde goederen door de handelaar. Artikel 2:60 Voorschriften als bedoeld in artikel 437 van het Wetboek van Strafrecht De handelaar of een voor hem handelend persoon is verplicht: a. de burgemeester of de door deze aangewezen ambtenaar binnen 3 dagen schriftelijk of digitaal in kennis te stellen. 1. dat hij het beroep van handelaar uitoefent met vermelding van zijn woonadres en het adres van de bij zijn onderneming behorende vestiging; 2. van een verandering van de in onderdeel a, onder 1, bedoelde adressen; 3. dat hij het beroep van handelaar niet langer uitoefent; 4. dat hij enig goed kan verkrijgen dat redelijkerwijs van een misdrijf afkomstig is of voor de rechthebbende verloren is gegaan; b. aan de hoofdingang van de lokaliteit waar de onderneming is gevestigd een kenteken te hebben waarop zijn naam en de aard van de onderneming duidelijk zichtbaar voorkomt; c. zijn administratie op eerste aanvraag ter inzage te geven aan de burgemeester of een daartoe door de burgemeester aangewezen ambtenaar; d. een door opkoop verkregen goed gedurende de eerste vijf dagen dat het onder zijn berusting is, in bewaring te houden in de staat waarin het goed verkregen is. Artikel 2:61 Verplichtingen met betrekking tot het verkoopregister 1.
De handelaar is verplicht in het Digitaal Opkopersregister (DOR) aantekening te houden van alle gebruikte en ongeregelde goederen die hij verkoopt of op andere wijze overdraagt. 2. In het verkoopregister vermeldt de handelaar onverwijld: a. het volgnummer van de aantekening met betrekking tot het goed; b. de datum van verkoop of overdracht van het goed; c. een omschrijving van het goed, daaronder begrepen de soort, het merk, het uniek serienummer of ander herleidbaar uniek kenmerk van het goed; d. een duidelijke kleurenfoto van een goed dat geen of een onleesbaar uniek serienummer, of een ander herleidbaar uniek kenmerk, bezit; e. de verkoopprijs of andere voorwaarden voor de overdracht of verkoop van het goed; f. de naam en het adres van degene die het goed heeft verkregen; g. zowel een omschrijving als het nummer van het document, als bedoeld in het eerste lid van de Wet op de identificatieplicht, waarmee hij de identiteit van de aanbieder heeft vastgesteld. Artikel 2:62 Handel in horeca 1. Het is de houder van een inrichting verboden toe te laten dat een handelaar of een voor hem handelend persoon in die inrichting enig voorwerp verwerft, verkoopt of op enige andere wijze overdraagt. 2. Het in het eerste lid gestelde verbod geldt niet voor openbare verkopingen en veilingen. 3. In dit artikel wordt verstaan onder: a.
inrichting: de inrichting als bedoeld in artikel 2:27, lid 1, onder a; b. houder: de houder als bedoeld in artikel 2:27, lid 1, onder b.
23
AFDELING 10 KERMISINRICHTINGEN Artikel 2:63 Definitie Onder kermisinrichtingen worden verstaan: draaimolens, schommels, kramen of andere dergelijke inrichtingen voor vermaak, terwijl daaronder mede zijn begrepen kisten, manden of kramen en dergelijke voor de verkoop van geringe hoeveelheden eetwaren, rookartikelen, speelgoed of feestartikelen. Artikel 2:64 Verbod openstelling 1. Het is de eigenaar of houder van een kermisinrichting of zijn plaatsvervanger verboden deze zonder vergunning van de burgemeester voor het publiek open te stellen of opengesteld te hebben of daarin bezoekers toe te laten, te ontvangen of te hebben. 2. Voor de toepassing van het eerste lid wordt geacht met vergunning van de burgemeester te handelen, hij die bij gelegenheid van de kermissen, bij verpachting door of vanwege het college, op de door hen aan te wijzen kermisterreinen is toegelaten. 3. Paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht is niet van toepassing. Artikel 2:65 Verbod inname van niet aangewezen plaats Het is verboden op terreinen, voor het houden van kermissen bestemd, met een kermisinrichting een plaats in te nemen, die niet door of vanwege het college is aangewezen, dan wel een plaats te blijven innemen, nadat de ontruiming daarvan door of vanwege het college is gelast.
Artikel 2:66 Sluiting De eigenaar of houder van een voor het publiek opengestelde kermisinrichting of zijn plaatsvervanger, is bij het ontstaan van ongeregeldheden of ter voorkoming van gevaar voor bezoekers in zijn inrichting, verplicht op bevel van de politie terstond te sluiten en gesloten te houden, zolang de burgemeester zulks nodig acht. Artikel 2:67 Bevelen politie 1. Iedere bezoeker van een voor het publiek opengestelde kermisinrichting is verplicht deze op bevel van de politie terstond te verlaten, indien de kermisinrichting zonder vergunning van de burgemeester is opengesteld of de vrije toegang tot de inrichting door de politie, de brandweer of de door het college aan te wijzen ambtenaren van bouw- en woningtoezicht of van het marktwezen is geweigerd, of door de politie het bevel tot sluiting als bedoeld in artikel 2:66 gegeven is. 2. Degene, die in een voor het publiek opengestelde kermisinrichting de orde verstoort of de eerbaarheid schendt, is verplicht de inrichting op bevel van de politie terstond te verlaten. AFDELING 11 VEILIGHEIDSRISICOGEBIED Artikel 2:68 Veiligheidsrisicogebied De burgemeester kan overeenkomstig artikel 151b Gemeentewet bij verstoring van de openbare orde door de aanwezigheid van wapens, dan wel bij ernstige vrees voor het ontstaan daarvan, een gebied,
24
met inbegrip van de daarin gelegen voor het publiek openstaande gebouwen en daarbij behorende erven, aanwijzen als veiligheidsrisicogebied. AFDELING 12 CAMERATOEZICHT OP OPENBARE PLAATSEN Artikel 2:69 Cameratoezicht op openbare plaatsen De burgemeester is bevoegd overeenkomstig artikel 151c van de Gemeentewet te besluiten tot plaatsing van camera’s voor een bepaalde duur ten behoeve van het toezicht op een openbare plaats. AFDELING 13 WOONOVERLAST Artikel 2:70 Woonoverlast als bedoeld in artikel 151d Gemeentewet 1. Degene die een woning of een bij die woning behorend erf gebruikt, of tegen betaling in gebruik geeft aan een persoon die niet als ingezetene met een adres in de gemeente in de basisregistratie personen is ingeschreven, draagt er zorg voor dat door gedragingen in of vanuit die woning of dat erf of in de onmiddellijke nabijheid van die woning of dat erf geen ernstige en herhaaldelijke hinder voor omwonenden wordt veroorzaakt. 2. Als de burgemeester een last onder dwangsom of onder bestuursdwang oplegt naar aanleiding van een schending van deze zorgplicht kan hij daarbij aanwijzingen geven over wat de overtreder dient te doen of na te laten om verdere schending te voorkomen. 3. De last kan in ieder geval worden opgelegd bij ernstige en herhaaldelijke: a. geluid- of geurhinder; b. hinder van dieren; c.
hinder van bezoekers of personen die tijdelijk in een woning of op een erf aanwezig zijn; d. overlast door vervuiling of verwaarlozing van een woning of een erf; e. intimidatie van derden vanuit een woning of een erf. AFDELING 14 GEBRUIK VAN CONSUMENTENVUURWERK EN CARBIDSCHIETEN Artikel 2:71 Begripsbepaling In deze afdeling wordt verstaan onder - consumentenvuurwerk: hetgeen daaronder wordt verstaan in het Besluit van 22 januari 2002, houdende nieuwe regels met betrekking tot consumenten- en professioneel vuurwerk (Vuurwerkbesluit). - carbidschieten: het in een (melk)bus, container, opslagvat of ander daarmee gelijk te stellen voorwerp op explosieve wijze verbranden van acetyleengas afkomstig van een reactie tussen calciumacetylide (carbid) en water of gasmengsels met vergelijkbare eigenschappen. Artikel 2:71a Gebruik van consumentenvuurwerk 1. Het is verboden consumentenvuurwerk te gebruiken op een door het college in het belang van de voorkoming van gevaar, schade of overlast aangewezen plaats. 2. Het is verboden consumentenvuurwerk op een openbare plaats te gebruiken als dat gevaar, schade of overlast kan veroorzaken.
25
3.
De verboden bedoeld in het eerste en tweede lid zijn niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien door artikel 429, aanhef en onder 1, van het Wetboek van Strafrecht.
Artikel 2:71b Carbidschieten 1. Carbidschieten is zowel binnen als buiten de bebouwde kom verboden. 2. Het college kan ontheffing verlenen van het verbod. 3. Het college kan bij het verlenen van ontheffing nadere voorwaarden stellen. 4. Het verbod is niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien door de Wet milieubeheer, de Wet wapens en munitie of het Wetboek van Strafrecht. Artikel 2:71c Vervoeren of bij zich hebben van carbid of soortgelijke stoffen 1. Het is verboden op een openbare plaats carbid of soortgelijke stoffen (of voorwerpen) als bedoeld in artikel 2:71 te vervoeren of bij zich te hebben, waarvan gelet op hun aard of de omstandigheden waaronder deze worden aangetroffen, redelijkerwijs kan worden aangenomen dat deze zullen worden gebruikt in strijd met het bepaalde in artikel 2:71b. 2. Het verbod is niet van toepassing op degenen aan wie een ontheffing als bedoeld in artikel 2:71b lid 2 is verleend. 3. Het verbod is niet van toepassing op degenen aan wie carbid is afgeleverd gedurende de tijd die nodig is om thuis te komen, noch op degene die aannemelijk maakt dat hij het carbid nodig heeft in de uitoefening van beroep of bedrijf. 4. Dit artikel is niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien door de Wet milieubeheer, de Wet wapens en munitie, de Wet vervoer gevaarlijke stoffen of het Wetboek van Strafrecht.
AFDELING 15 LACHGAS Artikel 2:72 Lachgas Vervallen
26
HOOFDSTUK 3 DRUGSHANDEL, OPENLIJK DRUGSGEBRUIK, HORECA-INRICHTINGEN, STRAATPROSTITUTIE, SEKSINRICHTINGEN, SEKSWINKELS, ESCORTBEDRIJVEN, TEGENGAAN ONVEILIG, NIET LEEFBAAR EN MALAFIFE ONDERNEMERSPLIMAAT AFDELING 1 DRUGSHANDEL Artikel 3:1 Drugshandel op straat 1. Het is verboden op of aan de weg post te vatten of zich daar heen en weer te bewegen en zich op of aan wegen in of op een voertuig te bevinden of daarmee heen en weer of rond te rijden, met het kennelijke doel om middelen als bedoeld in de artikelen 2 en 3 van de Opiumwet, of daarop gelijkende waar, al dan niet tegen betaling af te leveren, aan te bieden of te verwerven, daarbij behulpzaam te zijn of daarin te bemiddelen. 2. Het verbod geldt niet voor zover in het daarin geregelde onderwerp wordt voorzien door de Opiumwet. Artikel 3:1a Hinderlijk drugsgebruik 1. Het is verboden op of aan de weg, op een andere openbare plaats of in een voor publiek toegankelijk gebouw, voor zover die weg of plaats dan wel dat gebouw deel uitmaakt van een door de burgemeester aangewezen gebied, middelen als bedoeld in de artikelen 2 of 3 van de Opiumwet of daarop gelijkende waar te gebruiken, toe te dienen, dan wel voorbereidingen daartoe te verrichten of ten behoeve van dat gebruik voorwerpen of stoffen voorhanden te hebben. 2.
Het is verboden op of aan de weg, op een andere openbare plaats of in een voor publiek toegankelijk gebouw middelen als bedoeld in de artikelen 2 of 3 van de Opiumwet of daarop gelijkende waar te gebruiken, toe te dienen, dan wel voorbereidingen daartoe te verrichten of ten behoeve van dat gebruik voorwerpen of stoffen voorhanden te hebben, als dit gepaard gaat met overlast of andere gedragingen die de openbare orde verstoren, het woon- en leefklimaat nadelig beïnvloeden of anderszins hinder veroorzaken. AFDELING 2 HORECA-INRICHTINGEN Paragraaf 1 Algemene bepalingen Artikel 3:2 Toepassingsbereik Indien en voor zover de bepalingen van deze afdeling afwijken van de overige bepalingen van de Algemene Plaatselijke Verordening, blijven de overige bepalingen buiten toepassing. Artikel 3:3 Begripsomschrijvingen In deze afdeling wordt verstaan onder: a. Horeca-inrichting: 1. een inrichting waarin een horecabedrijf als bedoeld in artikel 3 van de Alcoholwet wordt uitgeoefend, zomede de daarbij behorende open aanhorigheden; 2. elke voor het publiek toegankelijke lokaliteit, open plaats, tuin of gedeelte daarvan, zomede de daarbij behorende terrassen en de daarmee gemeenschap hebbende vertrekken
27
b. c.
d.
die niet uitsluitend als woning of winkel als bedoeld in de Winkeltijdenwet (met uitzondering van afhaalcentra) worden gebruikt, voor zover daar bij wijze van hoofdfunctie of overwegende nevenfunctie gelegenheid wordt gegeven om al dan niet tegen betaling enigerlei eetwaren voor directe consumptie en/of alcoholvrije dranken te verkrijgen en/of verbruiken; 3. een afhaalcentrum, zijnde een winkel waar voor gebruik elders dan ter plaatse uitsluitend eetwaren en/of alcoholvrije dranken plegen te worden verstrekt; Ondernemer: de natuurlijke of rechtspersoon voor wiens rekening en risico de horecainrichting wordt geëxploiteerd. Leidinggevende: - de natuurlijke persoon of de bestuurders van een rechtspersoon of hun gevolmachtigden voor wiens rekening en risico het horecabedrijf wordt uitgeoefend; - de natuurlijke persoon die algemene leiding geeft aan de uitoefening van het horecabedrijf; - de natuurlijke persoon die onmiddellijke leiding geeft aan de uitoefening van het horecabedrijf; Bezoeker: eenieder die zich in de horeca-inrichting bevindt met uitzondering van: 1. de gezinsleden van de ondernemer(s) alsmede diens elders wonende bloedverwanten, in de rechte lijn onbeperkt, in de zijlijn tot en met de derde graad; 2. de personen die voorkomen in het register als bedoeld in artikel 438 van het Wetboek van Strafrecht; 3.
de personen wier aanwezigheid in de horeca-inrichting wegens dringende omstandigheden noodzakelijk is; 4. het dienstdoend personeel.
Artikel 3:4 Vergunningplicht 1. Het is verboden een horeca-inrichting te exploiteren zonder vergunning van de burgemeester. 2. Het verbod in het eerste lid geldt niet voor: a. een horeca-inrichting in een zorginstelling; b. een horeca-inrichting in een museum; c. een bedrijfsrestaurant of bedrijfskantine. 3. Paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht is niet van toepassing. Artikel 3:5 Gelding en aanwezigheid vergunning 1. De in artikel 3:4 bedoelde vergunning geldt uitsluitend voor één of meer in de vergunning vermelde ruimten. 2. De in artikel 3:4 bedoelde vergunning dient te allen tijde in de horeca-inrichting aanwezig te zijn en op eerste vordering van een daartoe bevoegd (opsporings)ambtenaar getoond te worden. Artikel 3:6 Vrijstelling De burgemeester kan bij openbare kennisgeving: a. bepalen dat het exploiteren van categorieën horeca-inrichtingen, genoemd in artikel 3:3, onder a, al dan niet beperkt tot een bepaald gebied, vrijgesteld is van de vergunningplicht; b. nadere regels stellen aan de onder a genoemde vrijstelling. Artikel 3:7 Inlichtingenplicht Onverminderd het bepaalde in de Alcoholwet is de vergunninghouder verplicht om:
28
a.
b.
binnen vier weken, nadat een inrichting een zodanige verandering ondergaat dat zij niet langer in overeenstemming is met de in de vergunning gegeven omschrijving, dit schriftelijk te melden bij de burgemeester; binnen een door de burgemeester te stellen termijn op haar verzoek schriftelijk de gegevens en bescheiden te verstrekken die op de in het vorige lid genoemde onderwerpen betrekking hebben.
Paragraaf 2 De vergunning Artikel 3:8 Aanvraag vergunning 1. Voor het verkrijgen van een vergunning moet een schriftelijke aanvraag bij de burgemeester worden ingediend aan de hand van een door de burgemeester vast te stellen aanvraagformulier. 2. Bij de aanvraag, bedoeld in het vorige lid, wordt tenminste a. opgaaf gedaan van de personalia en het adres van de ondernemer(s) c.q. diegene(n) die de rechtspersoon rechtsgeldig vertegenwoordigt(/en) en de leidinggevende(n); b. opgaaf gedaan van het adres en de aard van de horeca-inrichting; c. overgelegd een nauwkeurige beschrijving van de horeca-inrichting, waarbij is opgenomen de oppervlakte daarvan en een plattegrond van de horeca-inrichting; d. aangetoond dat aanvrager rechthebbende is ten aanzien van de horeca-inrichting. 3. Per horeca-inrichting kan niet meer dan één aanvraag gelijktijdig in behandeling worden genomen. 4. De vergunning kan uitsluitend worden gesteld ten name van de ondernemer(s) van de horecainrichting en is niet overdraagbaar. Artikel 3:9 Weigeringsgronden De burgemeester weigert de vergunning indien: a. naar zijn oordeel door de aanwezigheid van de horeca-inrichting het woon- en leefklimaat in de naaste omgeving op ontoelaatbare wijze nadelig wordt beïnvloed.
Bij de toepassing van dit criterium wordt door de burgemeester rekening gehouden met het karakter van de straat en van de wijk waarin de horeca-inrichting is gelegen of zal komen te liggen, alsmede met de aard van de horeca-inrichting. Voorts betrekt de burgemeester in de beoordeling van de aanvraag de spanning waaraan het woonmilieu ter plaatse reeds bloot staat of bloot zal komen te staan; b. de vestiging of exploitatie strijd oplevert met het geldende bestemmingsplan dan wel met een geldende leefmilieuverordening; c. de horeca-inrichting niet voldoet aan de inrichtingseisen, als bedoeld in artikel 3:15 van deze afdeling, tenzij een ontheffing als bedoeld in artikel 3:16 is verleend; d. de ondernemer(s) c.q. diegene(n) die de rechtspersoon rechtsgeldig vertegenwoordigt(/en) een horeca-inrichting heeft/hebben geëxploiteerd die evenwel op grond van (ernstige vrees voor) verstoring van de openbare orde binnen drie jaar voor de aanvraag gesloten is geweest; e. er naar zijn oordeel sprake is van een concentratie van horeca-inrichtingen in een bepaald gebied, waardoor het gevaar voor aantasting van de openbare orde of het woon- en leefklimaat cumulatief toeneemt; f.
de horeca-inrichting gevestigd is in de onmiddellijke nabijheid van bedrijven of winkels met een dusdanig andere bezoekersgroep, dat de ontmoeting tussen de verschillende bezoekersgroepen openbare orde problemen tot gevolg heeft of tot gevolg kan hebben;
29
g.
redelijkerwijze moet worden aangenomen, dat de feitelijke toestand niet met het in de aanvraag vermelde in overeenstemming zal zijn; h. leidinggevende(n) van de in artikel 3:3, onder A, sub 2 en 3 bedoelde horeca-inrichtingen de leeftijd van 18 jaar nog niet heeft/hebben bereikt; i. door de leidinggevende(n) en/of ondernemer(s) c.q. diegene(n) die de rechtspersoon rechtsgeldig vertegenwoordigt(/en) niet wordt voldaan aan de eisen die bij of krachtens artikel 8, eerste lid sub b en c van de Drank- en Horecawet worden gesteld; j. voor de horeca-inrichting geen melding is gedaan als bedoeld in artikel 1.10 van het Activiteitenbesluit milieubeheer. De burgemeester kan de vergunning weigeren indien: k.
door de leidinggevende(n) en/of ondernemer(s) c.q. diegene(n) die de rechtspersoon rechtsgeldig vertegenwoordigt(/en) niet wordt voldaan aan de eisen die bij of krachtens artikel 8, tweede lid van de Alcoholwet worden gesteld.
Artikel 3:10 Voorschriften 1. De burgemeester kan aan een vergunning voorschriften verbinden. 2. De in het eerste lid bedoelde voorschriften kunnen onder meer betrekking hebben op: a. de openings- en sluitingstijden van de horeca-inrichting; b. de verkoop van dranken en eetwaren via een loket of automaat vanuit of buiten de besloten ruimte van de horeca-inrichting; c. de wijze waarop handelsreclame mag worden gevoerd; d. het aantal bezoekers dat gelijktijdig in de horeca-inrichting aanwezig mag zijn; e. de aanwezigheid van de leidinggevende(n). 3. De burgemeester kan de aan een vergunning verbonden voorschriften wijzigen dan wel nieuwe voorschriften aan de vergunning verbinden. 4. Het is verboden te handelen in strijd met de aan de vergunning verbonden voorschriften. Artikel 3:11 1. De burgemeester vermeldt in een vergunning: a. de vergunninghouder; b. tot welke bedrijfsuitoefening de vergunning strekt; c. de plaats waar de inrichting zich bevindt; d. de situering en de oppervlakten van de horeca- of slijtlokaliteiten; e. de voorschriften of beperkingen welke aan de vergunning zijn verbonden. 2. De burgemeester vermeldt in een aanhangsel bij de vergunning de leidinggevende(n). Ten aanzien van een leidinggevende bij wie sprake is van een situatie als bedoeld in 3:11B lid 1 onder b, maakt de burgemeester daaromtrent een aantekening. 3.
De vergunning en het daarbij behorende aanhangsel, of afschriften daarvan, en in de voorkomende gevallen een afschrift van de aanvraag, bedoeld in artikel 3:11B lid 1, en de ontvangstbevestiging, als bedoeld in artikel 3:11B lid 4, of een afschrift daarvan, zijn in de inrichting aanwezig. Artikel 3:11A 1. Een vergunninghouder meldt aan de burgemeester zijn wens: a. een persoon als leidinggevende te laten bijschrijven; b. de aantekening door te laten halen dat een leidinggevende geen bemoeienis heeft met de bedrijfsvoering of de exploitatie van de inrichting. 2. Deze melding geldt als aanvraag tot wijziging van het aanhangsel. 3. De aanvraag moet schriftelijk bij de burgemeester worden ingediend aan de hand van een door de burgemeester vast te stellen formulier.
30
4. 5. 6.
De burgemeester bevestigd onverwijld schriftelijk of elektronisch de ontvangst van de aanvraag. De burgemeester weigert de wijziging van het aanhangsel indien de persoon in het eerste lid, niet voldoet aan de bij of krachtens artikel 3:9 onder h en i gestelde eisen; Alvorens te beslissen op een aanvraag tot wijziging van het aanhangsel kan het Bureau bevordering integriteitsbeoordelingen, bedoeld in artikel 8 van de Wet bevordering integriteitsbeoordelingen, door het openbaar bestuur om een advies bedoeld in artikel 9 van die wet worden gevraagd.
Artikel 3:11B Het is verboden een horecalokaliteit voor het publiek geopend te houden indien in de inrichting niet aanwezig is: a. een leidinggevende die vermeld staat op de vergunning hetzij op het aanhangsel bij de vergunning, bedoeld in 3:11, tweede lid, met betrekking tot die inrichting of een andere vergunning van dezelfde vergunninghouder of; b. een persoon wiens bijschrijving op grond van artikel 3:11A, eerste lid is gevraagd, mits de ontvangst van die aanvraag is bevestigd, zolang nog niet op die aanvraag is beslist. Artikel 3:12 Intrekkingsgronden 1.
2.
De burgemeester trekt de vergunning in, indien: a. ter verkrijging van de vergunning gegevens zijn verstrekt die zodanig onjuist of anders blijken te zijn, dat op de aanvraag een andere beslissing zou zijn genomen, als bij de beoordeling daarvan de juiste omstandigheden volledig bekend waren geweest; b. door de wijze van exploitatie het woon- en leefklimaat in de naaste omgeving op ontoelaatbare wijze nadelig wordt aangetast of dreigt te worden aangetast; c. zich in de betrokken horeca-inrichting feiten of omstandigheden hebben voorgedaan die de ernstige vrees wettigen dat het van kracht blijven van de vergunning gevaar oplevert voor de openbare orde; d. niet langer wordt voldaan aan de eisen, bedoeld in artikel 3:9 aanhef en onder i APV; e. de horeca-inrichting niet meer voldoet aan de inrichtingseisen, als bedoeld in artikel 3:15 van deze afdeling, tenzij een ontheffing als bedoeld in artikel 3:16 is verleend; f. binnen een termijn van zes maanden na de dagtekening van de vergunning geen gebruik is gemaakt van de vergunning, anders dan wegens overmacht; g. de exploitatie van de horeca-inrichting voor een periode van langer dan drie maanden is of wordt onderbroken, anders dan wegens overmacht; h. de vergunninghouder c.q. -houders hierom verzoekt c.q. verzoeken; i.
de vergunninghouder in de in artikel 3:11A bedoelde gevallen geen melding als in die artikelen bedoeld heeft gedaan. De burgemeester kan de vergunning intrekken, indien: a. naar zijn oordeel gehandeld wordt in strijd met de aan de vergunning verbonden voorschriften; b. er sprake is van een wijziging in de aard van de horeca-inrichting; c. naar zijn oordeel gehandeld wordt in strijd met de bepalingen van deze afdeling; d. op grond van een verandering van de omstandigheden of inzichten opgetreden na het verlenen van de vergunning moet worden aangenomen dat intrekking wordt gevorderd door het belang of de belangen ter bescherming waarvan de vergunning is vereist; e. een vergunninghouder in een periode van twee jaar ten minste drie maal op grond van artikel 3:11A, om bijschrijving van een persoon op het aanhangsel bij de vergunning heeft
31
verzocht en de burgemeester die wijziging van het aanhangsel tenminste driemaal heeft geweigerd op grond van artikel 3:11A lid 6. Artikel 3:13 Vervallen van de vergunning Een vergunning vervalt: a. wanneer voor dezelfde horeca-inrichting een nieuwe vergunning als bedoeld in artikel 3:4 van kracht wordt; b. zodra de ingevolge artikel 3:4 op de vergunning vermelde vergunninghouder, de exploitatie van de inrichting feitelijk heeft beëindigd. Paragraaf 3 Inrichtingseisen Artikel 3:14 Vervallen Artikel 3:15 Inrichtingseisen De horeca-inrichting als bedoeld in artikel 3:3 aanhef, onder a, sub 2 voldoet aan de eisen gesteld bij of krachtens artikel 10 van de Alcoholwet indien deze meer dan 20 zitplaatsen heeft. Artikel 3:16 Ontheffing inrichtingseisen 1. De burgemeester kan op schriftelijk verzoek ontheffing verlenen van de in artikel 3:15 bedoelde eisen. 2. De burgemeester beslist binnen dertien weken nadat het verzoek om ontheffing is ingekomen. Deze beslissing kan vervat zijn in zijn beschikking op de aanvraag om vergunning. 3. De burgemeester kan zijn beslissing voor ten hoogste dertien weken verdagen. Van het besluit tot verdaging wordt voor de afloop van de in het tweede lid bedoelde termijn schriftelijk mededeling gedaan aan de aanvrager. 4. Aan een ontheffing kunnen voorschriften worden verbonden. Een ontheffing kan worden gewijzigd of ingetrokken. 5.
Paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht is niet van toepassing. Artikel 3:17 Vervallen Paragraaf 4 Vervallen Artikel 3:18 Vervallen Artikel 3:19 Vervallen
32
Paragraaf 5 Dwangbepalingen Artikel 3:20 Sluiting 1. Het bevoegde orgaan kan de sluiting, al dan niet voor een bepaalde termijn, van de horecainrichting bevelen indien: a. de ondernemer(s) in strijd handelt/handelen met het bepaalde in 3:4 van deze verordening; b. gehandeld wordt in strijd met de aan de vergunning verbonden voorschriften; c. de exploitatie van een horeca-inrichting op een zodanige wijze plaatsvindt dat het woon- en leefklimaat in de naaste omgeving op ontoelaatbare wijze nadelig wordt beïnvloed dan wel de vrees bestaat voor een ernstige aantasting van het woon- en leefklimaat. Tot dit bevel wordt, behoudens spoedeisende gevallen, niet overgegaan alvorens de ondernemer(s) schriftelijk is/zijn gewaarschuwd en in de gelegenheid is/zijn gesteld te worden gehoord. 2. Het in het eerste lid bepaalde geldt niet voor zover in het daarin geregelde onderwerp wordt voorzien door artikel 13b Opiumwet. 3. De sluiting wordt geacht openbaar bekend te zijn, zodra een afschrift van het bevel tot sluiting op of nabij de toegang of de toegangen van de horeca-inrichting is aangebracht. 4. Zolang het bevel tot sluiting van kracht is, is het verboden bezoekers tot de horeca-inrichting toe te laten of daarin te laten verblijven. 5. Zolang het bevel tot sluiting van kracht is, is het verboden deze als bezoeker te betreden of daarin als bezoeker te verblijven. 6.
De sluiting kan op verzoek van belanghebbende(n) door het bevoegd orgaan worden opgeheven wanneer later bekend geworden feiten en omstandigheden hiertoe aanleiding geven en naar zijn oordeel voldoende garanties aanwezig zijn dat geen herhaling van de feiten of gedragingen die tot sluiting hebben geleid zal plaatsvinden. AFDELING 3 STRAATPROSTITUTIE Paragraaf 1 Begripsomschrijvingen Artikel 3:21 Begripsomschrijving In deze afdeling en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder: a. prostitutie: het zich beschikbaar stellen tot het verrichten van seksuele handelingen met een ander tegen vergoeding. Paragraaf 2 Prostitutieverbod Artikel 3:22 Prostitutieverbod 1. Het is verboden op of aan een weg of een gedeelte van een weg door houding, woord, gebaar of op andere wijze, handelingen te verrichten waarvan redelijkerwijs kan worden aangenomen dat deze worden verricht om zich ter prostitutie aan te bieden. 2. Het is verboden op of aan een weg of een gedeelte van een weg door houding, woord, gebaar of op andere wijze, handelingen te verrichten waarvan redelijkerwijs kan worden aangenomen dat deze worden verricht om een ander tot prostitutie aan te lokken of daartoe uit te nodigen.
33
3.
Het is verboden personen, van wie redelijkerwijs kan worden aangenomen dat zij zich ter prostitutie aanbieden in de zin van het eerste lid en personen die tot prostitutie uitnodigen of aanlokken in de zin van het tweede lid, daarbij te ondersteunen.
Artikel 3:23 vervallen Artikel 3:24 vervallen Artikel 3:25 vervallen Artikel 3:26 vervallen Paragraaf 3 Handhaving en nadere regels Artikel 3:27 Handhaving openbare weg Met het oog op de naleving van de in artikel 3:22 gestelde verboden kan door politieambtenaren het bevel worden gegeven zich onmiddellijk in een bepaalde richting te verwijderen. Artikel 3:28 vervallen Artikel 3:29 vervallen AFDELING 4 SEKSINRICHTING, SEKSWINKELS EN ESCORTBEDRIJVEN Paragraaf 1 Algemene bepalingen; nadere regels Artikel 3:30 Begripsomschrijvingen In dit hoofdstuk wordt verstaan onder: a. prostitutie: het zich beschikbaar stellen tot het verrichten van seksuele handelingen met een ander tegen vergoeding; b. prostitué(e): degene die zich beschikbaar stelt tot het verrichten van seksuele handelingen met een ander tegen vergoeding; c. inrichting: een seksinrichting en een escortbedrijf; d. seksinrichting: de voor het publiek toegankelijke, besloten ruimte waarin bedrijfsmatig, of in een omvang alsof zij bedrijfsmatig was, seksuele handelingen worden verricht, of vertoningen van erotisch pornografische aard plaatsvinden. Onder een seksinrichting worden in elk geval verstaan: een prostitutiebedrijf waaronder tevens begrepen een erotische massagesalon en seksclub, een seksbioscoop, seksautomatenhal, sekstheater of een parenclub, al dan niet in combinatie met elkaar;
34
e.
f.
g.
h. i.
escortbedrijf: een bedrijf gevoerd door een natuurlijke persoon, groep van personen of rechtspersoon die bedrijfsmatig, of in een omvang alsof zij bedrijfsmatig was, prostitutie aanbiedt, die op een andere plaats dan in de bedrijfsruimte wordt uitgeoefend; sekswinkel: de voor het publiek toegankelijke, besloten ruimte waarin hoofdzakelijk goederen van erotisch pornografische aard aan particulieren plegen te worden verkocht dan wel verhuurd; exploitant: de natuurlijke persoon of personen, of indien de aanvraag is gedaan door een rechtspersoon, de in het aanvraagformulier aangewezen tot vertegenwoordiging van die rechtspersoon bevoegde natuurlijke persoon, die een seksinrichting of escortbedrijf exploiteert; beheerder: de natuurlijke persoon die de onmiddellijke feitelijke leiding uitoefent in een seksinrichting of escortbedrijf; bezoeker: degene die aanwezig is in een seksinrichting, met uitzondering van: 1. de exploitant; 2. de beheerder; 3. de prostitué(e); 4. het personeel dat in de inrichting werkzaam is; 5. toezichthouders als bedoeld in artikel 6:2; 6. andere personen wier aanwezigheid in de inrichting wegens dringende redenen noodzakelijk is.
Artikel 3:31 Bevoegd bestuursorgaan In dit hoofdstuk wordt verstaan onder bevoegd bestuursorgaan: het college of, voor zover het betreft voor het publiek openstaande gebouwen en daarbij behorende erven als bedoeld in artikel 174 van de Gemeentewet, de burgemeester. Artikel 3:32 Nadere regels Het college kan ter bescherming van de in artikel 3:43 genoemde belangen nadere regels vaststellen. Paragraaf 2 Vergunningplicht seksinrichtingen; sekswinkels; verbod raamprostitutie e.d. Artikel 3:33 Vergunningplicht 1. Het is verboden een inrichting te exploiteren of te wijzigen zonder vergunning van het bevoegd bestuursorgaan. 2. De aanvraag daartoe dient te geschieden door middel van een door het bevoegd bestuursorgaan vastgesteld formulier. 3. In de aanvraag om een vergunning wordt in ieder geval vermeld en bijgevoegd: a. de persoonsgegevens van de exploitant; b. de persoonsgegevens van de beheerder; c. de aard van de inrichting; d. de locatie van de inrichting; e. het aantal werkzame prostituees; f. een bewijs van inschrijving in het Handelsregister bij de Kamer van Koophandel; g. een nauwkeurige plattegrondtekening van de inrichting, schaal tenminste 1:100, met vermelding van de oppervlakte van de verschillende ruimten in m2; h. een verklaring en het rapport van de GGD-OZL dat de seksinrichting voldoet aan de vereisten zoals gesteld in het Inspectie Hygiëne Protocol. 4.
De vergunning wordt uitsluitend verleend aan de exploitant. Zij is persoonsgebonden en kan niet worden overgedragen.
35
5. 6.
Per inrichting wordt niet meer dan een aanvraag tegelijk in behandeling genomen. Paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht is niet van toepassing.
Artikel 3:34 Vervallen Artikel 3:35 Sluitingsuur 1. Het is verboden een seksinrichting, met uitzondering van seksbioscopen en seksautomatenhallen, voor bezoekers geopend te hebben en daarin bezoekers toe te laten of te laten verblijven: a. op maandag tot en met vrijdag tussen 02.00 uur en 07.00 uur; b. op zaterdag en zondag tussen 03.00 uur en 07.00 uur. 2. Het is verboden een seksinrichting, met uitzondering van seksbioscopen en seksautomatenhallen, voor bezoekers geopend te hebben en daarin bezoekers toe te laten of te laten verblijven: a. op maandag tot en met vrijdag tussen 02.00 uur en 07.00 uur; b. op zaterdag en zondag tussen 3.00 uur en 07.00 uur. 3. In afwijking van het eerste lid kan het bevoegd bestuursorgaan door middel van een vergunningvoorschrift als bedoeld in artikel 1:4 voor een afzonderlijke seksinrichting andere sluitingsuren vaststellen. 4. Het is bezoekers van een seksinrichting verboden zich daarin te bevinden gedurende de tijd dat die inrichting krachtens het eerste lid of tweede lid gesloten dient te zijn. 5. Het in het eerste, tweede en derde lid bepaalde geldt niet voor zover in het daarin geregelde onderwerp wordt voorzien door de op de Wet milieubeheer gebaseerde voorschriften. Artikel 3:36 Afwijking sluitingsuur; sluiting 1.
Met het oog op de in artikel 3:43, tweede lid, genoemde belangen of in geval van handelen of nalaten in strijd met de bepalingen in dit hoofdstuk, de aan de vergunning verbonden voorschriften, of de nadere regels als bedoeld in artikel 3:32, kan het bevoegd bestuursorgaan van een afzonderlijke seksinrichting al dan niet voor een bepaalde termijn de gedeeltelijke of algehele sluiting bevelen. 2. Onverminderd het bepaalde in artikel 3:41 van de Algemene wet bestuursrecht, doet het bevoegd bestuursorgaan mededeling van het in het eerste lid bedoelde besluit in een van overheidswege uitgegeven blad of een dag-, nieuws- of huis-aan-huisblad. Artikel 3:37 Intrekking van de vergunning Onverminderd het bepaalde in artikel 1:6 kan het bevoegde bestuursorgaan de vergunning intrekken met het oog op de in artikel 1:8 of artikel 3:43, tweede lid, genoemde belangen of in geval van handelen of nalaten in strijd met de eisen als bedoeld in artikel 3:43, de bepalingen in dit hoofdstuk, de aan de vergunning verbonden voorschriften, of de nadere regels als bedoeld in artikel 3:32. Artikel 3:38 Aanwezigheid van en toezicht door exploitant en beheerder 1. Het is verboden een seksinrichting voor bezoekers geopend te hebben, zonder dat de ingevolge artikel 3:33 op de vergunning vermelde exploitant of beheerder in de seksinrichting aanwezig is. 2.
De exploitant en de beheerder zijn verplicht er voortdurend op toe te zien dat in de inrichting: a. geen strafbare feiten plaatsvinden, waaronder in ieder geval de feiten als genoemd in de titels XIV (misdrijven tegen de zeden), XVIII (misdrijven tegen de persoonlijke vrijheid), XX
36
(mishandeling), XXII (diefstal) en XXX (heling) van het Tweede Boek van het Wetboek van Strafrecht, in de Opiumwet en in de Wet wapens en munitie; b. geen prostitutie wordt uitgeoefend door personen in strijd met het bij of krachtens de Wet arbeid vreemdelingen of de Vreemdelingenwet 2000 bepaalde. Artikel 3:39 Verbod raamprostitutie Het is aan personen van wie redelijkerwijs kan worden aangenomen dat zij zich op dat moment ter prostitutie aanbieden verboden zich binnenshuis bevindende, door handelingen, houding, woord, gebaar, kledij of op enige andere wijze de aandacht te trekken van iemand die zich op of aan de weg bevindt. Artikel 3:40 Sekswinkels Het is de rechthebbende op een onroerende zaak verboden daarin een sekswinkel te exploiteren in door het college in het belang van de openbare orde of de woon- en leefomgeving aangewezen gebieden of delen van de gemeente. Artikel 3:41 Tentoonstellen, aanbieden en aanbrengen van erotisch pornografische goederen, afbeeldingen en dergelijke 1. Het is de rechthebbende op een onroerende zaak verboden daarin of daarop goederen, opschriften, aankondigingen, gedrukte of geschreven stukken dan wel afbeeldingen van erotisch pornografische aard openlijk ten toon te stellen, aan te bieden of aan te brengen: a.
indien het bevoegd bestuursorgaan aan de rechthebbende heeft bekendgemaakt dat de wijze van tentoonstellen, aanbieden of aanbrengen daarvan, de openbare orde of de woon- en leefomgeving op ontoelaatbare wijze aantast; b. anders dan overeenkomstig de door het bevoegd bestuursorgaan in het belang van de openbare orde of de woon- en leefomgeving gestelde regels. 2. Het in het eerste lid gestelde verbod is niet van toepassing op het tentoonstellen, aanbieden of aanbrengen van goederen, opschriften, aankondigingen, gedrukte of geschreven stukken dan wel afbeeldingen, die dienen tot het openbaren van gedachten en gevoelens als bedoeld in artikel 7, eerste lid van de Grondwet. Paragraaf 3 Beslissingstermijnen en weigeringsgronden Artikel 3:42 Beslissingstermijn 1. Het bevoegd bestuursorgaan beslist op de aanvraag voor een vergunning als bedoeld in artikel 3:33, eerste lid, binnen dertien weken na de dag waarop de aanvraag ontvangen is. 2. Het bevoegd bestuursorgaan kan zijn beslissing eenmaal voor ten hoogste dertien weken verdagen. Artikel 3:43 Weigeringsgronden 1. De burgemeester weigert de vergunning als bedoeld in artikel 3:33, eerste lid indien: a. door de leidinggevende(n) en/of ondernemer(s) c.q.
diegene(n) die de rechtspersoon rechtsgeldig vertegenwoordigt(/en) niet wordt voldaan aan de eisen die bij of krachtens artikel 8, eerste en tweede lid van de Alcoholwet worden gesteld;
37
b.
2.
de vestiging of de exploitatie van de inrichting in strijd is met een geldend bestemmingsplan, stadsvernieuwingsplan of leefmilieuverordening in de zin van de Wet op de Stads- en dorpsvernieuwing. c. er aanwijzingen zijn dat in de inrichting personen werkzaam (zullen) zijn in strijd met artikel 273f van het Wetboek van Strafrecht, of met het bij of krachtens de Wet arbeid vreemdelingen of de Vreemdelingenwet 2000 bepaalde. d. de exploitant of de beheerder binnen de laatste vijf jaar exploitant of beheerder is geweest van een inrichting die voor ten minste één maand door het bevoegde bestuursorgaan is gesloten, of waarvan de vergunning als bedoeld in artikel 3:33 is ingetrokken, tenzij aannemelijk is dat hem ter zake geen verwijt treft. Onverminderd het bepaalde in artikel 1:8 kan de vergunning als bedoeld in artikel 3:33, eerste lid worden geweigerd: a. in het belang van het voorkomen of beperken van aantasting van het woon- en leefklimaat; b. in het belang van de arbeidsomstandigheden van de in de inrichting werkzame prostitué(e); c. indien niet voldaan is aan het gestelde in de nadere regels als bedoeld in artikel 3:32.
Paragraaf 4 Beëindiging exploitatie; wijziging beheer; vervallen vergunning Artikel 3:44 Beëindiging exploitatie Binnen een week na de feitelijke beëindiging van de exploitatie geeft de exploitant daarvan schriftelijk kennis aan het bevoegd bestuursorgaan. Artikel 3:45 Wijziging beheer 1. Indien de beheerder het beheer in de inrichting feitelijk heeft beëindigd geeft de exploitant daarvan binnen een week na de feitelijke beëindiging van het beheer schriftelijk kennis aan het bevoegd bestuursorgaan. 2. Het beheer kan slechts worden uitgeoefend door een nieuwe beheerder indien het bevoegd bestuursorgaan op aanvraag van de exploitant heeft besloten de verleende vergunning overeenkomstig de wijziging in het beheer te wijzigen. Het bepaalde in artikel 3:43, eerste lid, aanhef en onder a, is van overeenkomstige toepassing. Artikel 3:46 Vervallen vergunning De vergunning vervalt: a. zodra de ingevolge artikel 3:33 op de vergunning vermelde exploitant, de exploitatie van de inrichting feitelijk heeft beëindigd; b. indien er een wijziging heeft plaatsgevonden in de persoon van de exploitant; c. indien er een wijziging van bouwkundige aard in de inrichting heeft plaatsgevonden; d. indien de inrichting naar een andere locatie wordt verplaatst.
38
AFDELING 5 TEGENGAAN ONVEILIG, NIET LEEFBAAR EN MALAFIDE ONDERNEMERSKLIMAAT Paragraaf 1 Vergunningplicht Artikel 3:47 Begripsomschrijvingen In deze afdeling wordt verstaan onder: a. exploitant: natuurlijke persoon of de bestuurder van een rechtspersoon of, indien van toepassing, de tot vertegenwoordiging van die rechtspersoon bevoegde natuurlijke persoon, voor wiens rekening en risico de bedrijfsmatige activiteiten worden uitgeoefend; b. beheerder: de natuurlijke persoon die door de exploitant is aangesteld voor de feitelijke leiding over de bedrijfsmatige activiteiten; c. bedrijf: de bedrijfsmatige activiteit die plaatsvindt in een gebouw, niet zijnde een inrichting zoals bedoeld in de artikelen 2:27, 2:66, 3:3 of 3:30, of op een daarbij behorend perceel of in enige andere ruimte, niet zijnde een woning die als zodanig in gebruik is, of op een onbebouwd perceel. Artikel 3:48 Aanwijzing vergunningplichtige bedrijfsmatige activiteiten 1.
2.
3. 4. 5.
6.
De burgemeester kan gebouwen, percelen, gebieden of bedrijfsmatige activiteiten aanwijzen waar(op) het verbod uit het tweede lid van toepassing is: a. een gebouw, perceel of gebied wordt uitsluitend aangewezen als in of rondom dat gebouw, op het perceel dan wel in dat gebied naar het oordeel van de burgemeester de leefbaarheid of de openbare orde en veiligheid onder druk staat; b. een aanwijzing van een gebouw, perceel of gebied kan zich tot één of meer bedrijfsmatige activiteiten beperken. c. een bedrijfsmatige activiteit wordt uitsluitend voor de gehele gemeente aangewezen als naar het oordeel van de burgemeester de leefbaarheid of openbare orde en veiligheid door de bedrijfsmatige activiteit onder druk staat. Het is verboden om zonder vergunning van de burgemeester een bedrijf uit te oefenen: a. in een door de burgemeester op grond van het eerste lid aangewezen gebouw, op een perceel of in een gebied voor door de burgemeester benoemde bedrijfsmatige activiteiten; of b. indien de uitoefening van het bedrijf een door de burgemeester op grond van het eerste lid aangewezen bedrijfsmatige activiteit betreft. De aanvraag daartoe dient te geschieden door middel van een door de burgemeester vastgesteld formulier. De vergunning is persoons- en pandgebonden en kan niet worden overgedragen.
De exploitant is verplicht elke verandering in de uitoefening van zijn bedrijf waardoor deze niet langer in overeenstemming is met de in de vergunning opgenomen gegevens zo spoedig mogelijk aan de burgemeester te melden. Op de vergunning als bedoeld in het tweede lid is paragraaf 4.1.3.3. van de Algemene wet bestuursrecht (positieve beschikking bij niet tijdig beslissen) niet van toepassing.
39
Artikel 3:49 Weigeringsgronden Onverminderd het bepaalde in artikel 1:8, wordt een vergunning als bedoeld in artikel 3:48 geweigerd indien: a. b c. d. e. f. g.
ter verkrijging daarvan onjuiste of onvolledige gegevens zijn verstrekt; de leefbaarheid in het gebied door de wijze van exploitatie nadelig wordt beïnvloed of dreigt te worden beïnvloed; de exploitant in enig opzicht van slecht levensgedrag is; redelijkerwijs moet worden aangenomen dat de feitelijke toestand niet met het in de aanvraag vermelde in overeenstemming zal zijn; er aanwijzingen zijn dat in het bedrijf personen werkzaam zijn of zullen zijn in strijd met het bij of krachtens de Wet arbeid Vreemdelingen of de Vreemdelingenwet 2000 bepaalde; de vestiging of de exploitatie in strijd is met een geldend bestemmingsplan; de exploitant of een of meer beheerders van het bedrijf binnen drie jaar vóór het indienen van de vergunningaanvraag een bedrijf heeft geëxploiteerd of daar leiding aan heeft gegeven, dat wegens het aantasten van de openbare orde, de aantasting van het woon- en leefklimaat daaronder begrepen, gesloten is geweest dan wel waarvoor de vergunning om die reden is ingetrokken.
Artikel 3:50 Beheerder 1. 2. 3. 4.
De exploitant van een bedrijf kan beheerders aanstellen. De exploitant verzoekt de burgemeester met het daartoe aangewezen formulier en bijlagen om een beheerder bij te schrijven op het aanhangsel behorende bij de exploitatievergunning. Een beheerder die in enig opzicht van slecht levensgedrag is, wordt geweigerd of verwijderd van het aanhangsel. Het is verboden een bedrijf voor het publiek geopend te hebben indien in het bedrijf geen exploitant of beheerder feitelijk aanwezig is.
Artikel 3:51 Intrekking vergunning Onverminderd het bepaalde in artikel 1:6 kan een vergunning als bedoeld in artikel 3:48 worden ingetrokken indien: a. b
c. d. e. f. g. h.
de exploitant in enig opzicht van slecht levensgedrag is; de exploitant of beheerder betrokken is of ernstige nalatigheid kan worden verweten bij activiteiten of strafbare feiten in of vanuit het bedrijf dan wel toestaat of gedoogt dat strafbare feiten of activiteiten worden gepleegd waarmee de openbare orde nadelig wordt beïnvloed; er strafbare feiten in het bedrijf hebben plaatsgevonden of plaatsvinden; er aanwijzingen zijn dat in het bedrijf personen werkzaam zijn of zullen zijn in strijd met het bij of krachtens de Wet arbeid Vreemdelingen of de Vreemdelingenwet 2000 bepaalde; de bedrijfsmatige activiteiten door de exploitant zijn beëindigd dan wel sprake is van een gewijzigde exploitatie; redelijkerwijs moet worden aangenomen dat de feitelijke toestand niet met het in de vergunning vermelde in overeenstemming is; de vestiging of exploitatie in strijd is met een geldend bestemmingsplan; zich in het betrokken bedrijf feiten hebben voorgedaan, die de vrees wettigen, dat het van kracht blijven der vergunning gevaar zou opleveren voor de openbare orde, veiligheid of zedelijkheid;
40
i.
naar het oordeel van de burgemeester moet worden aangenomen dat de woon- en leefsituatie in de omgeving van het bedrijf en/of de openbare orde op ontoelaatbare wijze nadelig worden beïnvloed door het laten voortbestaan van de vergunning.
Artikel 3:52 Bevelen sluiting De burgemeester kan een bedrijf als bedoeld in artikel 3:48 gesloten verklaren indien: a. de exploitant van het bedrijf handelt in strijd met het bepaalde in artikel 3:48, tweede lid; b. de exploitant van het bedrijf handelt in strijd met de aan de vergunning verbonden voorschriften. c. gehandeld wordt in strijd met het bepaalde in artikel 3:50, vierde lid. Paragraaf 2 Sluiting van voor het publiek openstaande gebouwen Artikel 3:53 Sluiting overlast gevende, voor het publiek openstaande gebouwen De burgemeester kan, indien zulks naar zijn oordeel in het belang van de openbare orde of ter voorkoming of beperking van overlast of nadelige beïnvloeding van het woon- en leefklimaat is vereist, de gehele of gedeeltelijke sluiting bevelen van een voor het publiek openstaand gebouw – niet zijnde een inrichting als bedoeld in de artikelen 2:27, 2:66, 3:3 of 3:30 – of een bij dat gebouw behorend erf, een perceel of perceelsgedeelte of enige andere ruimte, niet zijnde een woning die als zodanig in gebruik is.
Artikel 3:54 Sluiting voor het publiek openstaande gebouwen in geval van misdrijf De burgemeester kan, ter bescherming van de openbare orde, de gehele of gedeeltelijke sluiting bevelen van een voor het publiek openstaand gebouw of een bij dat gebouw behorend erf, een perceel of perceelsgedeelte of enige andere ruimte, niet zijnde een woning die als zodanig in gebruik is, indien daar door misdrijf verkregen zaken voorhanden, bewaard, of verborgen zijn dan wel zijn verworven of overgedragen.
41
HOOFDSTUK 4 BESCHERMING VAN HET MILIEU EN HET NATUURSCHOON EN ZORG VOOR HET UITERLIJK AANZIEN VAN DE GEMEENTE AFDELING 1 GELUID- EN LICHTHINDER Artikel 4:1 Begripsomschrijvingen In deze afdeling wordt verstaan onder: a. Besluit: het Activiteitenbesluit milieubeheer; b. inrichting: hetgeen daaronder wordt verstaan in artikel 1.1 van de Wet milieubeheer, met dien verstande dat de artikelen 4:2 tot en met 4:5 uitsluitend van toepassing zijn op inrichtingen type A of type B als bedoeld in het Activiteitenbesluit milieubeheer; c. houder van een inrichting: degene die als eigenaar, ondernemer, leidinggevende of anderszins een inrichting drijft; d. collectieve festiviteit: festiviteit die niet specifiek aan één of een klein aantal inrichtingen is verbonden; e. incidentele festiviteit: festiviteit of activiteit die gebonden is aan één of een klein aantal inrichtingen; f. overmatige hinder: er is sprake van overmatige hinder indien meer dan 20 dB(A) (muziek)geluid wordt geproduceerd boven de vigerende geluidsnorm van de betreffende inrichting c.q. festiviteit. Artikel 4:2 Aanwijzing collectieve festiviteiten 1.
De geluidsnormen bedoeld in de artikelen 2.17 en 2.20 van het Activiteitenbesluit milieubeheer gelden niet voor: a. de festiviteiten carnaval van carnavalsvrijdag tot en met carnavalsdinsdag, Koningsnacht en -dag en oudjaarsavond; b. door het college aan te wijzen collectieve festiviteiten gedurende de daarbij aan te wijzen dagen of dagdelen. Het college kan voorschriften voorschrijven inzake het geluidniveau in het belang van: het voorkomen van hinder voor de omgeving de gezondheid van de bezoekers van de inrichting. 2. De voorwaarden met betrekking tot de verlichting ten behoeve van sportbeoefening in de buitenlucht als bedoeld in artikel 3.148, eerste lid, van het Activiteitenbesluit milieubeheer (Besluit algemene regels voor inrichtingen milieubeheer) gelden niet voor door het college aan te wijzen collectieve festiviteiten gedurende de daarbij aan te wijzen dagen of dagdelen. 3. In een aanwijzing als bedoeld in het eerste en tweede lid, kan het college bepalen dat de aanwijzing slechts geldt in een of meer delen van de gemeente. 4. Het college maakt de aanwijzing ten minste vier weken voor het begin van de collectieve festiviteit bekend. 5. Het college kan wanneer een collectieve festiviteit redelijkerwijs niet te voorzien was, een festiviteit terstond als collectieve festiviteit als bedoeld in het eerste lid aanwijzen. 6.
Onverminderd het bepaalde in het eerste lid, dient de houder van de inrichting voor dergelijke festiviteiten zodanige maatregelen te treffen dat overmatige hinder wordt voorkomen.
42
Artikel 4:3 Kennisgeving incidentele festiviteiten 1. Het is een inrichting toegestaan maximaal 12 incidentele festiviteiten per kalenderjaar te houden waarbij de geluidsnormen als bedoeld in de artikelen 2.17 en 2.20 van het Activiteitenbesluit milieubeheer niet van toepassing zijn, mits de houder van de inrichting ten minste vijf werkdagen voor de aanvang van de festiviteit het college daarvan in kennis heeft gesteld. 2. Het is een inrichting toegestaan om tijdens maximaal 12 incidentele festiviteiten per kalenderjaar de verlichting langer aan te houden ten behoeve van sportactiviteiten waarbij artikel 3.148, eerste lid, van het Activiteitenbesluit milieubeheer niet van toepassing is, mits de houder van de inrichting ten minste 5 werkdagen voor de aanvang van de festiviteit het college daarvan in kennis heeft gesteld. 3. Het college stelt een (web)formulier vast voor het doen van een kennisgeving. 4. De kennisgeving wordt geacht te zijn gedaan wanneer het (web)formulier, volledig en naar waarheid ingevuld, tijdig is ingeleverd op de plaats op dat formulier vermeld. 5. De kennisgeving wordt tevens geacht te zijn gedaan wanneer het college op verzoek van de houder van een inrichting een incidentele festiviteit, die redelijkerwijs niet te voorzien was, terstond toestaat. 6.
Onverminderd het bepaalde in het eerste en tweede lid, dient de houder van de inrichting zodanige maatregelen te treffen dat overmatige hinder wordt voorkomen.
Artikel 4:4 Verboden incidentele festiviteiten Het is verboden een incidentele festiviteit te organiseren, toe te laten, feitelijk te leiden of daaraan deel te nemen, indien: a. de kennisgeving daarvan niet overeenkomstig het bepaalde in artikel 4:3 is gedaan; b. gehandeld wordt in afwijking van de gegevens die in de kennisgeving als bedoeld in artikel 4:3 zijn verstrekt; c. de houder van de inrichting verzuimt te doen of na te laten hetgeen redelijkerwijs gevergd kan worden om overmatige hinder te voorkomen; d. de burgemeester het organiseren van een incidentele festiviteit verboden heeft, hetzij op grond van het overschrijden van het maximum van twaalf incidentele festiviteiten, hetzij wanneer naar zijn oordeel de woon- en leefsituatie in de omgeving van de inrichting en/of de openbare orde op ontoelaatbare wijze worden beïnvloed. Artikel 4:5 Overige geluidhinder 1. Het is verboden buiten een inrichting in de zin van de Wet milieubeheer toestellen of geluidsapparaten in werking te hebben of handelingen te verrichten op een zodanige wijze dat voor een omwonende of overigens voor de omgeving geluidhinder wordt veroorzaakt. 2. Het college kan van het verbod ontheffing verlenen. 3.
4.
Het verbod is niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien door de Wet geluidhinder, de Zondagswet, de Wet openbare manifestaties, het Vuurwerkbesluit, het Activiteitenbesluit milieubeheer, het Bouwbesluit 2012 of de provinciale milieuverordening. Paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht is niet van toepassing.
Artikel 4:6 (Geluid)hinder in de open lucht 1. Het is verboden buiten een inrichting in de zin van de Wet milieubeheer in de open lucht een geluidsapparaat, een (recreatie)toestel of een (bouw)machine in werking te hebben op en zodanige wijze dat voor een omwonende of overigens voor de omgeving (geluid)hinder wordt veroorzaakt.
43
2. 3.
4.
5. 6.
Het college kan van het bepaalde in het eerste lid ontheffing verlenen. Het college kan terreinen of wateren aanwijzen, waar het verbod, vervat in het eerste lid, niet van toepassing is op het in werking hebben van bepaalde bij dat besluit aangewezen categorieën van geluidsapparaten, (recreatie)toestellen of (bouw)machines, voor zover wordt voldaan aan de door het college vast te stellen voorschriften ter voorkoming of beperking van (geluid)hinder. De in het derde lid bedoelde voorschriften kunnen onder meer betreffen: - het maximale geluidsniveau; - de situering van de geluidsbronnen; - de frequentie en tijden van gebruik. Paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht is niet van toepassing. Het verbod is niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien door de Wet geluidhinder, de Zondagswet, de Wet openbare manifestaties, het Vuurwerkbesluit, het Activiteitenbesluit milieubeheer, het Bouwbesluit 2012 of de provinciale milieuverordening.
Artikel 4:7 (Geluid)hinder door dieren Degene die buiten een inrichting in de zin van de Wet milieubeheer de zorg heeft over een dier, moet voorkomen dat dit voor de omwonenden of overigens voor de omgeving geluidhinder veroorzaakt. Artikel 4:8 (Geluid)hinder door bromfietsen e.d. Het is verboden buiten een inrichting in de zin van de Wet milieubeheer zich met een motorvoertuig of een bromfiets zodanig te gedragen, dat daardoor voor een omwonende of overigens voor de omgeving (geluid)hinder ontstaat. AFDELING 2 BODEM-, WEG- EN MILIEUVERONTREINIGING Artikel 4:9 Straatvegen Het is verboden op een door het college ten behoeve van de werkzaamheden van de gemeentelijke of een door de gemeente ingeschakelde reinigingsdienst aangewezen weggedeelte, een voertuig te parkeren of enig ander voorwerp te laten staan op een daarbij aangeduide tijdsperiode. Artikel 4:10 Natuurlijke behoefte doen Het is verboden binnen de bebouwde kom op of aan de weg zijn natuurlijke behoefte te doen buiten een daarvoor bestemde inrichting of plaats. Artikel 4:11 Toestand van sloten en andere wateren en niet-openbare riolen en putten buiten gebouwen Sloten en andere wateren en niet-openbare riolen en putten buiten gebouwen mogen zich niet bevinden in een toestand die gevaar oplevert voor de veiligheid, nadeel voor de gezondheid of hinder voor de gebruikers van de gebouwen of voor anderen.
AFDELING 3 BESCHERMING VAN FLORA EN FAUNA Artikel 4:12 Beschermde planten; hout sprokkelen
44
1. 2. 3.
4.
5. 6. 7.
Het college is bevoegd bosgebieden of gedeelten daarvan aan te wijzen, waar het om redenen van milieubeheer verboden is hout te sprokkelen of gesprokkeld hout bij zich te hebben. Het is verboden op een, door het college, krachtens het eerste lid, aangewezen plaats hout te sprokkelen of gesprokkeld hout bij zich te hebben. Het in dit artikel bepaalde geldt niet: a. ten aanzien van door of met toestemming van de rechthebbende ter plaatse verkregen dan wel van elders afkomstig hout; b. indien de in dit artikel bedoelde handelingen worden verricht in het kader van normale onderhoudswerkzaamheden; c. voor zover in het geregelde onderwerp wordt voorzien door de . Het in het tweede lid bepaalde geldt voorts niet: a. ten aanzien van hout afkomstig van houtopstanden waarop de Kapverordening niet van toepassing is; b. ten aanzien van hout dat moet worden verwijderd krachtens een verordening van het Bosschap. Het college kan ontheffing verlenen van het in het tweede lid gestelde verbod. Onder sprokkelen van hout wordt in dit artikel verstaan: het verzamelen en verwijderen van staand of losliggend, vermolmd dan wel uitdrogend, dood hout. Paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht is niet van toepassing.