722240254_Hoensbroek_QS Natuur Terhoevenderweg_Mijnwater_ANO__368619__
Tekst van het document
Quickscan Natuur Terhoevenderweg Hoensbroek Mijnwater
COLOFON Quickscan Natuur Terhoevenderweg Hoensbroek OPDRACHTNEMER
idverde Advies Willemsplein 2-4 5211 AK ‘s-Hertogenbosch T 073 205 11 00 E advies@idverde.nl
OPDRACHTGEVER
Mijnwater Energy B.V. Spoorplein 45 6411 NZ Heerlen
PROJECTNUMMER STATUS VERSIE DATUM
Definitief 5.0 7-4-2025
In deze rapportage is gebruik gemaakt van gegevens van de Nationale Databank Flora en Fauna (NDFF). Op deze gegevens rusten auteursrechten. Het schriftelijk of digitaal delen of publiceren van (een deel van) de gegevens uit de NDFF is niet toegestaan zonder toestemming van BIJ12, uitgezonderd aan bevoegd gezag in het kader van een vrijstellings- of ontheffingsprocedure of voor intern gebruik van de opdrachtgever voor de duur van het betreffende project. idverde Advies bv is niet aansprakelijk voor vervolgschade, alsmede schade die voortvloeit uit toepassingen van de resultaten van de werkzaamheden, kaartmateriaal inclusief getoonde begrenzingen of andere gegevens verkregen van idverde Advies bv. De opdrachtgever vrijwaart idverde Advies bv voor aanspraken van derden in verband met deze toepassing. idverde Advies bv is lid van het Netwerk Groene Bureaus, brancheorganisatie voor kwaliteitsbevordering en belangenbehartiging van ecologische adviesbureaus. Hierdoor zijn wij goed op de hoogte van de nieuwste ontwikkeling op het gebied van ecologie en wetgeving. Door de inzet van conform de wet ter zake kundige ecologen, waarborgen wij daarnaast onze onderzoekskwaliteit. Omdat ecologisch (veld)onderzoek een momentopname is, kan aanwezigheid van beschermde soorten soms niet worden uitgesloten of bevestigd. Daarnaast is de natuurwetgeving aan verandering en jurisprudentie onderhevig.
idverde Advies bv is niet aansprakelijk voor de gevolgen van onverwacht verschijnende of verdwijnende flora of fauna, noch voor de gevolgen van veranderende wetgeving of jurisprudentie.
Quickscan Natuur Terhoevenderweg Hoensbroek, Mijnwater
2
INHOUD COLOFON
2
1.
4
INLEIDING 1.1 Aanleiding 1.2 Plangebied en voorgenomen ontwikkelingen 1.3 Wettelijk kader en afbakening onderzoek
2.
WERKWIJZE 2.1 Bronnenonderzoek 2.2 Veldbezoek 2.3 Effectenanalyse en toetsing aan wetgeving
3.
ONDERZOEKSRESULTATEN 3.1 Soortbescherming (Flora- en fauna-activiteit) 3.1.1 Vogels met jaarrond beschermde nesten 3.1.2 Overige broedvogels 3.1.3 Vleermuizen 3.1.4 Grondgebonden zoogdieren 3.1.5 Reptielen 3.1.6 Amfibieën 3.1.7 Vissen 3.1.8 Ongewervelden 3.1.9 Vaatplanten 3.2 Exoten 3.3 Gebiedsbescherming 3.3.1 Natura 2000-gebieden 3.3.2 Natuurnetwerk Nederland (NNN) 3.4 Houtopstanden
4.
CONCLUSIE EN ADVIES 4.1 Conclusie 4.1.1 Soortbescherming 4.1.2 Gebiedsbescherming 4.2 Advies vervolgstappen 4.2.1 Nader onderzoek 4.2.2 Voorzorgsmaatregelen om schadelijke flora- en fauna-activiteiten te voorkomen 4.2.3 Voorzorgsmaatregelen om invulling te geven aan de ‘specifieke zorgplicht flora en fauna’ 4.2.4 Voorkomen verspreiding invasieve exoten 4.2.5 Algemene zorgplicht 4.2.6 Ecologisch werkprotocol
4 4 8
9 9 10 10
12 12 12 13 14 15 18 18 19 19 21 22 23 23 23 24
25 25 25 25 26 26 26 27 27 27 27
LITERATUURLIJST
28
BIJLAGE 1 FOTO-OVERZICHT
29
3
Quickscan natuur Terhoevenderweg Hoensbroek, Mijnwater
1. Inleiding 1.1 Aanleiding Mijnwater is voornemens om een nieuwe warmtebron (HLH-GT-05) te realiseren aan de voet van de Koumerberg langs de Terhoevenderweg. In het kader van de Omgevingswet moet, bij de uitvoering van deze werkzaamheden, rekening worden gehouden met beschermde planten- en diersoorten, natuurgebieden en houtopstanden. Een quickscan natuur is nodig om te onderzoeken welke beschermde soorten mogelijk aanwezig zijn in en rondom het plangebied en of de voorgenomen ontwikkelingen mogelijk negatieve effecten hebben op de aanwezige soorten en natuurgebieden. Wanneer negatieve effecten op beschermde soorten of natuurgebieden niet kunnen worden voorkomen dan dient mogelijk een omgevingsvergunning te worden aangevraagd voor een ‘schadelijke flora- en fauna-activiteit’ en/of ‘Natura 2000-activiteit’ zoals beschreven in het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal). Om na te gaan of dit voor het voorgenomen plan het geval is, is door idverde Advies op verzoek van de opdrachtgever een quickscan natuur uitgevoerd. Voorliggend rapport geeft advies met betrekking tot de voorgenomen werkzaamheden in overeenstemming met het Bal uit te voeren.
1.2 Plangebied en voorgenomen ontwikkelingen Omgeving plangebied Het plangebied ligt aan de oostkant van de Koumerberg langs de Terhoevenderweg aan de oostrand van de plaats Hoensbroek (Figuur 1.1). Het plangebied bevindt zich op de oostflank van de Koumerberg, een kunstmatige heuvel ontstaan door storting van steenafval afkomstig uit de nabijgelegen steenkolenmijnen. Ten noordwesten van het plangebied bevindt zich de Koumerberg die tegenwoordig dienst doet als een park. Ten zuidwesten van het plangebied ligt bedrijventerrein De Koumen. Ten oosten wordt het plangebied begrenst door de Terhoevenderweg. Hierachter liggen achtereenvolgens de Caumerbeek en de Heerlense wijk Rennemig.
Figuur 1.1: Luchtfoto van de omgeving met daarin het plangebied (rood omkaderd) aangegeven (Bron: maps.google.com 2024).
Quickscan Natuur Terhoevenderweg Hoensbroek, Mijnwater
4
Beschrijving plangebied Het plangebied bestaat uit een strook grasland en een naastgelegen stukje bosrand. Het grasland heeft een sterk verdichte bodem. Dit grasland bestaat uit algemene grassen aangevuld met een diversiteit aan algemene kruiden, waaronder: gewone rolklaver, paardenbloem, rode klaver, scherpe boterbloem en smalle weegbree (Figuur 1.2b). Hiernaast staan er verscheidene exemplaren van muizenoor in het grasland. Tevens staan er aan de oostkant van het plangebied (aan de rand met het fietspad) twaalf esdoorns (Figuur 1.2a). Aan de westrand van het zuidelijk deel van dit grasland is wat opslag van esdoorn aanwezig in de vorm van jonge scheuten van maximaal 1,5 meter hoog (Figuur 1.2d). De bosrand bestaat uit een grote variatie van jonge bomen en struiken van verschillende hoogten (Figuur 1.2c).
a
b v
c
d
Figuur 1.2: Het plangebied met de reeds aanwezige bomenrij (a), het grasland (b), de bosrand (c) en de esdoornopslag (d). Beschrijving voorgenomen werkzaamheden Mijnwater is voornemens om een nieuwe warmtebron in het plangebied te realiseren. Hiervoor wordt een gebouw van 20,5 meter lang en 5,5 meter breed aangelegd waarin een bronkelder en technische unit komen (Figuur 1.3). Dit gebouw zal geplaats worden in het deel van het plangebied dat nu uit bosrand (Figuur 1.2c) bestaat. Het gebouw zal ingegraven worden, deels in het talud van de heuvel. Tijdens de werkzaamheden wordt in het plangebied ruimte gemaakt voor parkeerplaatsen, containers, een boorrig en een mud (Figuur 1.4). Bij deze werkzaamheden wordt een ruimtebeslag gelegd op het grasland binnen het plangebied. Hiernaast wordt een deel van de bosrand gekapt om plaats te maken voor het gebouw. Voor aan en afvoer van materialen en machines wordt er over de groenstrook gereden vanaf de splitsing met het Fosielenerf (ten noorden van het plangebied) tot aan het plangebied. Tijdens de werkzaamheden wordt binnen het werkterrein een deel van het grasvegetatie en ook de toekomstige locatie van het gebouw afgedekt met een vloeistof kerende verharding (Figuur 1.5). Hiernaast wordt aan de oostkant van de weg een tijdelijk geluidsscherm aangelegd van 10 meter hoog (Figuur 1.6).
Dit zal worden verwijderd na afronding van de werkzaamheden.
5
Quickscan natuur Terhoevenderweg Hoensbroek, Mijnwater
Figuur 1.3: Toekomstige inpassing van het gebouw met de bronkelder en technische unit. Naar verwachting wordt het gebouw maximaal 20,5 meter lang en 5,5 meter breed. De kelderbak zal deels ingegraven worden en deels in het talud van de ‘berg’ komen te liggen.
Quickscan Natuur Terhoevenderweg Hoensbroek, Mijnwater
6
Figuur 1.4: Het werkgebied (zwart omkaderd) en het ruimtebeslag van de voorgenomen werkzaamheden. Inrichting kan mogelijk nog iets afwijken.
Figuur 1.5: Het gehele tijdelijke werkgebied (wit omkaderd) met daarbinnen het deel van het terrein wat wordt afgedekt met een vloeistofdichte verharding. Inrichting kan mogelijk nog iets afwijken.
7
Quickscan natuur Terhoevenderweg Hoensbroek, Mijnwater
Figuur 1.6: De locatie van het te plaatsen tijdelijke geluidsscherm.
1.3 Wettelijk kader en afbakening onderzoek Soortbescherming (Flora- en fauna-activiteit) Binnen het kader van het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal) is het doel van dit onderzoek te bepalen of de kans bestaat dat schadelijke handelingen ten aanzien van beschermde plant- en diersoorten plaatsvinden door de voorgenomen ontwikkeling. Voorliggende rapportage geeft antwoord op de volgende onderzoeksvragen ten aanzien van beschermde soorten: Zijn in het plangebied en de directe omgeving daarvan beschermde plant- of diersoorten en/of verblijfplaatsen van deze soorten aanwezig of te verwachten? Ondervinden deze soorten schade of hinder van de voorgenomen werkzaamheden? Zo ja, is het mogelijk om optredende negatieve effecten te voorkomen of te mitigeren? En op welke wijze dient dit te geschieden? Is nader onderzoek noodzakelijk om aanwezigheid van soorten of mogelijke effecten daarop uit te sluiten? Is het noodzakelijk om een omgevingsvergunning aan te vragen voor een flora- en fauna activiteit of kan worden gewerkt met een goedgekeurde gedragscode? Gebiedsbescherming Het Bal beschermt, naast soorten, ook gebieden zoals Natura 2000-gebieden en gebieden van het Nederlands Natuurnetwerk. Ook op provinciaal en gemeentelijk niveau worden gebieden en groenstructuren beschermd.
Voorliggende rapportage geeft antwoord op de volgende onderzoeksvragen ten aanzien van gebiedsbescherming: Ligt het plangebied in of nabij beschermde gebieden? Zo ja, kan het optreden van negatieve effecten bij uitvoering van de werkzaamheden worden uitgesloten? Houtopstanden Het Bal beschermt daarnaast ook houtopstanden. Ook op provinciaal en gemeentelijk niveau worden groenstructuren beschermd. Voorliggende rapportage geeft antwoord op de volgende onderzoeksvragen ten aanzien van gebiedsbescherming en houtopstanden: Worden er houtopstanden gekapt, die deel uitmaken van houtopstanden van meer dan 1000 m2 (10 are) of een bomenrij van meer dan 20 bomen buiten de bebouwingscontour houtkap? Zo ja, dan dient er een kapmelding gedaan te worden en is sprake van een herplantplicht. Valt het plangebied onder (beschermde) gemeentelijke groenstructuren? Specifieke zorgplicht Voor bovenstaande onderdelen geldt ook de specifieke zorgplicht. Dit houdt in dat, ook wanneer geen omgevingsvergunning hoeft te worden aangevraagd, nadelige effecten op wilde plant- en diersoorten, natuurgebieden en houtopstanden in alle redelijkheid zoveel mogelijk dienen te worden voorkomen. Afhankelijk van de aanwezige natuurwaarden zijn hiervoor regels opgenomen in de Omgevingswet.
Quickscan Natuur Terhoevenderweg Hoensbroek, Mijnwater
8
2. Werkwijze Een quickscan betreft een verkenning die bestaat uit een bronnenonderzoek en een veldbezoek. Op basis van de uitkomsten van dit onderzoek is een inschatting gemaakt van de aanwezige natuurwaarden en is beoordeeld of het plan (negatieve) effecten kan hebben op beschermde natuurwaarden (effectenanalyse). Indien effecten optreden of niet zijn uitgesloten dan worden deze getoetst aan de Omgevingswet en wordt geadviseerd welke vervolgstappen nodig zijn. Hieronder is per onderdeel de werkwijze toegelicht.
2.1 Bronnenonderzoek Soortenbescherming (Flora- en fauna-activiteit) Voorafgaand aan het veldbezoek is een bronnenstudie uitgevoerd om een inschatting te kunnen maken van het voorkomen van beschermde soorten en invasie exoten binnen het plangebied en in de directe omgeving hiervan. Voor deze bronnenstudie is gebruik gemaakt van de Nationale Databank Flora en Fauna (NDFF). Binnen een straal van circa 1 kilometer rondom het plangebied zijn op 07-08-2024 alle relevante waarnemingen van beschermde flora en fauna van de afgelopen 10 jaar opgevraagd. Op basis van de beschikbare gegevens is een inschatting gemaakt van het voorkomen van beschermde soorten binnen het plangebied. Omdat de NDFF nooit een volledig beeld geeft van verspreidingsgegevens worden op basis van specifieke habitatkenmerken nog aanvullende verspreidingskaarten geraadpleegd, zoals de NDFF Verspreidingsatlas en Waarneming.nl. Binnen het Bal wordt onderscheid gemaakt tussen bepaalde soortgroepen. Dit is als volgt onderverdeeld: Beschermingsregime soorten Vogelrichtlijn (§ 11.2.2) Vogels met jaarrond beschermde nesten (categorie 1 t/m 3) en vogels met jaarrond beschermde nesten als er sprake is van ecologisch zwaarwegende redenen (categorie 4). Overige broedvogels, alle in Nederland voorkomende (broed)vogels zijn beschermd onder de Vogelrichtlijn, wanneer deze aan het broeden zijn.
Beschermingsregime soorten Habitatrichtlijn (§ 11.2.3) Grondgebonden zoogdieren, vleermuizen, amfibieën, reptielen, vissen, insecten, weekdieren en vaatplanten. Beschermingsregime andere soorten (§ 11.2.4) Grondgebonden zoogdieren, vleermuizen, amfibieën, reptielen, vissen, insecten, weekdieren en vaatplanten. Binnen de provincie Limburg geldt voor een aantal soorten echter een algemene vrijstelling bij ruimtelijke ontwikkelingen (Tabel 2.1). Rode Lijstsoorten (§ 2.4.1) Dieren en planten soorten van de rode Lijsten: amfibieën, bijen, dagvlinders, haften, kokerjuffers, korstmossen, landen zoetwaterweekdieren, libellen, mossen, paddenstoelen, platwormen, reptielen, sprinkhanen en krekels, steenvliegen, vaatplanten, vogels, vissen en zoogdieren. Naast bovenstaande beschermde soorten dient in het kader van de specifieke zorgplicht flora en fauna ook te worden nagegaan of er aanwijzingen zijn dat rode lijst soorten binnen het plangebied zouden kunnen voorkomen. Deze worden daarom ook meegenomen in deze quickscan. Tevens is een advies opgesteld in hoofdstuk 4 om invulling te geven aan deze specifieke zorgplicht. Gebiedsbescherming Voorafgaand aan het veldbezoek is tevens een bronnenstudie uitgevoerd met betrekking tot gebiedsbescherming. Hierbij is gekeken naar de afstanden van het plangebied tot Natura 2000-gebieden en het Natuurnetwerk Nederland (NNN).
Wanneer het plangebied in de directe nabijheid van een Natura 2000-gebied ligt, wordt een inschatting gemaakt of er mogelijk negatieve effecten kunnen optreden waardoor nadere toetsing (voortoets) noodzakelijk is voor het uitvoeren van de ingreep. Tenslotte is bepaald of het plangebied binnen de begrenzing van het NNN of andere gebieden met een provinciale of gemeentelijke status valt. Houtopstanden Ten aanzien van het onderdeel houtopstanden wordt beoordeeld of eventuele te kappen bomen of beplanting binnen de bebouwde kom houtopstanden is gelegen. Indien dit het geval is, wordt beoordeeld of sprake is van een meldings- en herplantplicht voor het onderdeel houtopstanden van de Omgevingswet.
9
Quickscan natuur Terhoevenderweg Hoensbroek, Mijnwater
Tabel 2.1: Vrijgestelde soorten in de provincie Limburg. Soort Grondgebonden zoogdieren Aardmuis Konijn Bosmuis Molmuis Bunzing Ondergrondse woelmuis Dwergmuis Ree Dwergspitsmuis Rosse woelmuis Egel Steenmarter2 Eekhoorn1 Tweekleurige bosspitsmuis Gewone bosspitsmuis Veldmuis Haas Vos Hermelijn Wezel Huisspitsmuis Woelrat Amfibieën Bruine kikker Meerkikker Gewone pad Bastaardkikker Kleine watersalamander Reptielen Hazelworm3 Levendbarende hagedis4 1. Deze vrijstelling geldt in de maanden maart, april en juli tot en met november 2. Deze vrijstelling geldt in de periode 15 augustus tot en met februari 3. Deze vrijstelling geldt in de maanden juli, augustus en september 4. Deze vrijstelling geldt in de periode 15 augustus tot en met 15 oktober
2.2 Veldbezoek Het veldbezoek bestaat uit een biotooptoets met als doel een inschatting te maken van de ecologische kwaliteiten van het plangebied. De bevindingen van het bronnenonderzoek zijn hierbij in het veld getoetst en waar nodig aangevuld. Op 7 augustus 2024 is een veldbezoek uitgevoerd door een ecoloog van idverde Advies ter plaatse van het plangebied. Het was bewolkt, windkracht 3 en de temperatuur lag rond de 22 °C. Op het moment dat het veldbezoek is uitgevoerd, zijn niet alle soorten zichtbaar aanwezig. Diersoorten zijn bijvoorbeeld alleen nachtactief of in een bepaalde periode van het jaar aan- of afwezig. Zo houden vleermuizen, amfibieën en kleine zoogdieren als egel een winterslaap op een beschutte plaats of zijn alleen in de nacht actief. Daarom zijn de eisen die soorten/soortgroepen met betrekking tot vaste rust- en verblijfplaatsen, foerageergebieden en migratierouten aan hun leefomgeving stellen, vergeleken met en getoetst aan de situatie in het veld. Voor planten is gelet op de vegetatiestructuur en de abiotische omstandigheden van de groeiplaats. Op deze manier is ook het belang van het plangebied beoordeeld voor flora en fauna die niet zijn waargenomen gedurende de biotooptoets, maar desondanks toch mogelijk kunnen voorkomen ter plaatse van het plangebied.
Tevens is gelet op de aanwezigheid van invasieve exotische plantensoorten zowel binnen als direct grenzend aan het plangebied. Invasieve exoten als Japanse duizendknoop en reuzenberenklauw hebben zich als gevolg van menselijke activiteiten gevestigd in Nederland. Deze soorten kunnen zich snel verspreiden en concurreren hierbij de oorspronkelijke vegetatie weg. Daarnaast kunnen deze soorten voor overlast zorgen bij mensen. De opdrachtgever heeft in veel gevallen de plicht om verdere verspreiding van exoten te voorkomen.
2.3 Effectenanalyse en toetsing aan wetgeving Soortenbescherming (Flora- en fauna-activiteit) Op basis van de uitkomsten van het bronnen- en veldonderzoek is beoordeeld of de voorgenomen werkzaamheden (negatieve) effecten hebben op beschermde natuurwaarden. Indien sprake is van een conflictsituatie tussen de aanwezigheid van beschermde soorten en de geplande ruimtelijke ingreep, is in onderhavige rapportage aangegeven welke voorzorgsmaatregelen genomen moeten worden om negatieve effecten op beschermde soorten te voorkomen. Indien negatieve effecten door het nemen van voorzorgsmaatregelen niet te voorkomen of uit te sluiten zijn, is aangegeven welke vervolgstappen noodzakelijk zijn om conform het Bal werkzaamheden uit te voeren.
Quickscan Natuur Terhoevenderweg Hoensbroek, Mijnwater
10
De mogelijkheid om een complete effectanalyse te maken is afhankelijk van de volledigheid en bruikbaarheid van de beschikbare verspreidingsgegevens en duidelijkheid over de uit te voeren werkzaamheden en uitvoeringsplanning. In hoofdstuk 3 wordt beoordeeld of voor dit project de beschikbare gegevens over de aanwezige soorten voldoende zijn om een goede effectenbeoordeling uit te voeren of dat aanvullend onderzoek naar het voorkomen van soorten nodig is. Gebiedsbescherming Voor het beoordelen van de effecten op eventueel aanwezige Natura 2000- gebieden is een inschatting gemaakt van de ingreep en de verwachtte verstoringselementen. Op basis hiervan wordt een inschatting gegeven of de ingreep mogelijk negatieve effecten heeft om nabijgelegen N2000- gebieden. Indien het plangebied is gelegen binnen de NNN of een andere beschermde status heeft, wordt beoordeeld of de ontwikkeling de wezenlijke kenmerken en waarden van deze gebieden aantast en of vervolgonderzoek nodig is.
11
Quickscan natuur Terhoevenderweg Hoensbroek, Mijnwater
3. Onderzoeksresultaten De basis voor de toetsing wordt gevormd door gegevens over het (mogelijk) voorkomen van beschermde planten- en diersoorten binnen de invloedsfeer van de voorgenomen ruimtelijke ingreep en werkzaamheden. Onderstaand zijn per soortgroep de resultaten van het bronnenen veldonderzoek beschreven. Tevens is een effectenanalyse gemaakt van de te verwachten effecten op de soorten die aanwezig zijn of verwacht worden.
3.1 Soortbescherming (Flora- en fauna-activiteit) Vanuit de NDFF zijn waarnemingen van planten en dieren opgevraagd om een eerste inschatting te kunnen maken van de beschermde flora en fauna welke voorkomen in of nabij het plangebied. Voor deze eerste inschatting is rekening gehouden met de kenmerken van het plangebied en de grootte ervan. Aansluitend hierop is het veldonderzoek uitgevoerd, om een concreet beeld te maken, van de mogelijk voorkomende soorten. Hierna is op basis van deze informatie een effectenanalyse gemaakt. Met deze effectenanalyse is bepaald of de geplande ingreep mogelijk negatieve effecten heeft op beschermde natuurwaarden.
3.1.1
Vogels met jaarrond beschermde nesten
Bronnenstudie In de NDFF-database zijn in de omgeving van het plangebied meldingen bekend van soorten met jaarrond beschermde nesten (categorie 1 t/m 3). Het betreft hier onder andere boomvalk, grote gele kwikstaart, oehoe en wespendief. Daarnaast zijn meldingen bekend van soorten uit categorie 4. Dit zijn soorten waarvan de nesten jaarrond beschermd zijn indien er sprake is van zwaarwegende ecologische omstandigheden. In de directe omgeving van het plangebied zijn meldingen gedaan van onder andere blauwe reiger, buizerd, grauwe vliegenvanger en zwarte roodstaart. Een volledig overzicht van gemelde soorten met jaarrond beschermde nesten binnen de invloedssfeer van het plangebied is weergegeven in Tabel 3.1. Veldbezoek Broedvogels jaarrond, beschermingscategorie 1 t/m 3 Tijdens het veldbezoek zijn geen vogels of nesten van vogels met jaarrond beschermde nesten aangetroffen. Wegens het ontbreken van bebouwing kunnen soorten die nestelen in bebouwing op voorhand uitgesloten worden. Hiernaast zijn de meeste bomen in het plangebied te klein om te dienen als nestboom voor (roof)vogels met jaarrond beschermde nesten. De grote bomen waren goed te bekijken en hierin zijn ook geen nesten aangetroffen. Jaarrond beschermde nesten van soorten van categorie 1 t/m 3 zijn binnen het plangebied of in de directe omgeving niet aanwezig.
Broedvogels jaarrond, beschermingscategorie 4 Tijdens het veldbezoek zijn geen vogels of hun nestplaatsen uit categorie 4 aangetroffen. Hiervoor geldt dat binnen het plangebied geen bomen aanwezig zijn met mogelijk geschikte nestplaatsen. In het deel van de bosrand die wordt gekapt, zijn momenteel vooral struikvormers en jonge bomen aanwezig (Figuur 1.2c). Deze vormen nog niet het geschikte broedbiotoop voor boombroedende categorie 4 soorten. De aanwezigheid van jaarrond beschermde nesten in het plangebied van soorten van categorie 4 kan daarom op voorhand uitgesloten worden. Effectenanalyse Op basis van de gegevens uit het bronnen- en veldonderzoek is gebleken dat jaarrond beschermde nesten van categorie 1 t/m 4 broedvogelsoorten niet aanwezig zijn binnen het plangebied of in de directe omgeving. Negatieve effecten van de voorgenomen werkzaamheden op nesten van deze vogelsoorten met jaarrond beschermde nesten zijn uit te sluiten. Voorkomen vogels met jaarrond beschermde nesten: In de bomen binnen het plangebied zijn jaarrond beschermde nesten van vogels uit alle vier de beschermingscategorieën uit te sluiten. Binnen het plangebied zijn geen nesten van jaarrond beschermde broedvogels aanwezig. Bij het kappen of anderszins aantasten van bomen binnen het plangebied kunnen negatieve effecten op deze beschermde nesten dan ook op voorhand worden uitgesloten.
Quickscan Natuur Terhoevenderweg Hoensbroek, Mijnwater
12
Tabel 3.1: Overzicht van vogels met jaarrond beschermde nesten; de soorten welke in de directe omgeving (+/- 200 meter) van het plangebied zijn waargenomen zijn dikgedrukt weergegeven. Soort Locatie Categorie Boerenzwaluw Buiten plangebied 1 t/m 3 Boomvalk Buiten plangebied 1 t/m 3 Bosuil Buiten plangebied 1 t/m 3 Gierzwaluw Buiten plangebied 1 t/m 3 Grote gele kwikstaart Buiten plangebied 1 t/m 3 Havik Buiten plangebied 1 t/m 3 Huismus Buiten plangebied 1 t/m 3 Huiszwaluw Buiten plangebied 1 t/m 3 Kerkuil Buiten plangebied 1 t/m 3 Oehoe Buiten plangebied 1 t/m 3 Ooievaar Buiten plangebied 1 t/m 3 Raaf Buiten plangebied 1 t/m 3 Ransuil Buiten plangebied 1 t/m 3 Rode wouw Buiten plangebied 1 t/m 3 Roek Buiten plangebied 1 t/m 3 Slechtvalk Buiten plangebied 1 t/m 3 Steenuil Buiten plangebied 1 t/m 3 Torenvalk Buiten plangebied 1 t/m 3 Wespendief Buiten plangebied 1 t/m 3 Zwarte wouw Buiten plangebied 1 t/m 3 Bijeneter Buiten plangebied 4 Blauwe reiger Buiten plangebied 4 Buizerd Buiten plangebied 4 Draaihals Buiten plangebied 4 Grauwe klauwier Buiten plangebied 4 Grutto Buiten plangebied 4 IJsvogel Buiten plangebied 4 Kramsvogel Buiten plangebied 4 Kwartelkoning Buiten plangebied 4 Oeverzwaluw Buiten plangebied 4 Paapje Buiten plangebied 4 Ringmus Buiten plangebied 4 Roerdomp Buiten plangebied 4 Sperwer Buiten plangebied 4 Spotvogel Buiten plangebied 4 Visdief Buiten plangebied
4 Wulp Buiten plangebied 4 Zomertortel Buiten plangebied 4 Zwarte specht Buiten plangebied 4
3.1.2
Overige broedvogels
Bronnenstudie Uit de gegevens van de NDFF zijn binnen 1 kilometer rondom het plangebied meldingen bekend van een breed scala een broedvogels die ieder jaar een nieuw nest maken. Nesten van deze soorten zijn daarom alleen beschermd wanneer ze in gebruik zijn. Hieronder vallen soorten als appelvink, gaai en koekoek. Veldbezoek Tijdens het veldbezoek zijn kauw, merel en vink waargenomen binnen het plangebied. Het is aannemelijk dat deze soorten tot broeden kunnen komen in de nabije omgeving van het plangebied, evenals vele andere soorten. De bosschage (Figuur 1.2c), de bomen (Figuur 1.2a) en het lange gras (Figuur 1.2d) vormen geschikte broedlocaties voor verschillende soorten vogels. Effectenanalyse Op basis van de gegevens uit het bronnen- en veldonderzoek is het voorkomen van overige broedvogels niet uitgesloten. Deze soorten kunnen tot broeden komen binnen het plangebied in de broedperiode. De broedperiode loopt globaal van 15 maart tot en met 15 augustus, maar soorten als houtduif kunnen tot in november nog broedend gevonden worden. Aanwezigheid van (broedende) vogels binnen het plangebied tijdens het broedseizoen kan niet worden uitgesloten. Het uitvoeren van de 13
Quickscan natuur Terhoevenderweg Hoensbroek, Mijnwater
werkzaamheden kan leiden tot verstoring van nesten van broedvogels. Dit is een overtreding van artikel 11.37 van het Bal aangezien alle vogels beschermd zijn tijdens het broeden. Door te werken buiten het broedseizoen kan in de meest gevallen worden voorkomen dat werkzaamheden leiden tot overtreding van de wet. Er dient echter, ook buiten het broedseizoen, altijd zorgvuldig te worden nagegaan of broedgevallen aanwezig zijn (zoals van houtduif). Wanneer werkzaamheden binnen het broedseizoen worden uitgevoerd, dan dienen de groenstructuren door een ecologisch deskundige gecontroleerd te worden op aanwezigheid van broedgevallen. Voorkomen overige broedvogels: Nesten van overige broedvogels zijn niet uitgesloten. Mogelijk zijn er in het plangebied of in nabije omgeving van het plangebied nesten aanwezig van soorten zoals merel of vink. Werkzaamheden kunnen worden uitgevoerd buiten het broedseizoen van algemene broedvogels. Het broedseizoen loopt globaal van 15 maart tot 15 augustus. Indien werkzaamheden toch binnen het broedseizoen uitgevoerd worden dient er uiterlijk 3 dagen voor de start van de werkzaamheden een broedvogelcontrole plaats te vinden. Indien nesten worden aangetroffen wordt er een verstoringsvrije zone ingesteld waarbinnen geen werkzaamheden mogen plaatsvinden.
De grootte van deze zone is afhankelijk van de soort en zal door de begeleidend ecoloog bepaald worden.
3.1.3
Vleermuizen
Bronnenstudie Bij het gebruik van het landschap door vleermuizen kan onderscheid gemaakt worden tussen vaste verblijfplaatsen, vliegroutes en foerageergebieden. Uit de gegevens van de NDFF zijn meldingen bekend van vleermuizen binnen een straal van ca. 1 km rondom het plangebied (Tabel 3.2). In de omgeving zijn waarnemingen gedaan van de gewone dwergvleermuis, gewone grootoorvleermuis en watervleermuis. Daarnaast kunnen op basis van bekende verspreidingsgegevens soorten als laatvlieger, rosse vleermuis en ruige dwergvleermuis voorkomen. Het betreffen voornamelijk overvliegende of foeragerende dieren. De dichtstbijzijnde waarnemingen bevinden zich op enkele honderden meters van het plangebied. Tabel 3.2: Overzicht van vleermuizen die waargenomen zijn in en rondom het plangebied (Bron: NDFF). Soort Gedrag Gewone dwergvleermuis Zowel foeragerend waargenomen als met territorium indicerend gedrag Gewone grootoorvleermuis In de omgeving waargenomen Watervleermuis Foeragerend waargenomen in de omgeving van het plangebied
Beschermingsstatus Habitatrichtlijn Habitatrichtlijn Habitatrichtlijn
Veldbezoek Verblijfplaatsen Vaste verblijfplaatsen van vleermuizen kunnen worden onderverdeeld in kraamverblijfplaats, (massa)winterverblijfplaats, paarverblijfplaats en zomerverblijfplaats. Vleermuizen hebben verblijfplaatsen in gebouwen, kunstwerken en bomen. Het plangebied bevat geen bebouwing. De bomen binnen het plangebied zijn klein en bevatten geen holten waar boombewonende vleermuizen in zouden kunnen verblijven. Verblijfplaatsen van zowel gebouw- als boombewonende soorten in het plangebied kunnen daarom uitgesloten worden. Vliegroutes Vleermuizen maken veelal gebruik van lijnvormige (donkere) landschapselementen als houtsingels, beken en lanen om zich te verplaatsen tussen verblijfplaatsen en foerageergebieden. Het plangebied bevat een bomenrij en bosrand die een lijnvormig element in het landschap vormen. Hierdoor is het niet uit te sluiten dat deze bomenrij en bosrand als vliegroute voor vleermuizen worden gebruikt. Foerageergebieden Vleermuizen maken gebruik van allerlei typen groen en wateren om te foerageren. Het plangebied kan mogelijkerwijs dienen als foerageergebied voor vleermuizen.
Door de geringe omvang van het plangebied en het grote oppervlakte aan vergelijkbare bosschages, boomlanen en open plekken op de Koumenberg en Overkluisde Caumerbeek aan de overkant van de Terhoevenderweg, maakt dat het plangebied op zichzelf nooit een essentieel onderdeel zal uitmaken van het foerageergebied van vleermuizen. Effectenanalyse Door het plangebied loopt mogelijk een vliegroute van vleermuizen. De aanwezigheid van het toekomstige gebouw zal geen effect hebben op de aanwezige lijnstructuur en het plangebied blijft dan ook geschikt als vliegroute. Vleermuizen zijn echter wel gevoelig voor verlichting. Bij het gebruik van buitenverlichting op of rondom het gebouw zou dus wel rekening worden gehouden met vleermuizen, maar er wordt geen buitenverlichting toegepast in de gebruiksfase van het gebouw.
Quickscan Natuur Terhoevenderweg Hoensbroek, Mijnwater
14
Tijdens de aanleg van de warmtebron kan de lijnstructuur (die mogelijk als vliegroute wordt gebruikt) wel verstoord worden. Op basis van de geplande inrichting van het bouwterrein (Figuur 1.4), wordt niet verwacht dat de vliegroute geheel ongeschikt wordt door de inrichting van het bouwterrein. Op de bouwplaats aan de westkant van de Terhoevenderweg zal de boorinstallatie vermoedelijk het hoogste zijn. De overige tijdelijke elementen op het bouwterrein zullen vermoedelijk niet hoger zijn dan 4 meter. Hierdoor kunnen vleermuizen hier gemakkelijk overheen vliegen en tussendoor vliegen. Ook het naastgelegen fietspad kan nog als alternatieve route worden gebruikt. Het tijdelijke geluidsscherm dat aan de oostkant van de Terhoevenderweg opgetrokken zal worden zal 10 meter hoog worden. Dit is echter een lijnvormig element, dit kan hierdoor tijdelijk een nieuwe vliegroute voor vleermuizen ontstaan. Dit zal echter geen significante verstorende werking hebben op de lokale vleermuizen populatie. Het gebruik van felle verlichting op het bouwterrein kan ervoor zorgen dat vleermuizen het gehele gebied gaan vermijden, waardoor het plangebied tijdelijk ongeschikt zou kunnen worden voor vleermuizen.
Dit kan verstorend werken voor vleermuizen, omdat ze langer moeten vliegen naar foerageergebieden of dat ze verblijfplaatsen gaan verlaten omdat alternatieve vliegroutes niet aanwezig of veel langer zijn. Beide zijn een ‘schadelijke handelingen’ onder de omgevingswet en zijn vergunningsplichtig. Het verstoren van de vliegroute dient dus in eerste instantie voorkomen te worden door hier rekening mee te houden met de inrichting van het bouwterrein en het gebruik van bouwverlichting na zonsondergang. Tijdens het boren wordt 24/7 bouwverlichting toegepast. Om negatieve effecten op foerageermogelijkheden van vleermuizen zoveel mogelijk te voorkomen dient de tijdens de werkzaamheden gebruikte verlichting dusdanig afgeschermd te worden dat deze niet uitstraalt naar de nabije omgeving. In het geval dat dit niet mogelijk is dienen deze werkzaamheden plaats te vinden buiten de kwetsbare perioden van vleermuizen (kwetsbare periode van november tot maart en van medio mei tot medio juli). Voorkomen vleermuizen: In het plangebied kan van belang zijn als vliegroute of foerageergebied voor vleermuizen. Bij de inrichting van het bouwterrein en het gebruik van bouwverlichting tijdens het boren, dient te worden gezorgd dat de gebruikte verlichting niet uitstraalt naar de nabije omgeving.
Indien dit niet kan, dienen deze werkzaamheden plaats te vinden buiten de kwetsbare perioden van vleermuizen (kwetsbare periode van november tot maart en van medio mei tot medio juli).
3.1.4
Grondgebonden zoogdieren
Bronnenstudie Uit de gegevens van de NDFF zijn meldingen bekend van beschermde grondgebonden zoogdieren binnen een straal van circa 1 km rondom het plangebied (Tabel 3.3). Hiernaast komen de in Limburg vrijgestelde zoogdiersoorten bosmuis, bunzing, egel, haas, hermelijn, huisspitsmuis, konijn, ree, rosse woelmuis, veldmuis, vos, wezel en woelrat (Tabel 2.1) in de omgeving van het plangebied voor. Tabel 3.3: Overzicht van beschermde (niet vrijgestelde) grondgebonden zoogdieren die waargenomen zijn in en rondom het plangebied (Bron: NDFF). Soort Beschermingsstatus Bever Habitatrichtlijn Das Nationaal beschermd Eekhoorn Nationaal beschermd Steenmarter Nationaal beschermd Wild zwijn Nationaal beschermd Veldbezoek Bever Bever is sterk gebonden aan water waardoor deze soort alleen te verwachten is langs watergangen. Gedurende het veldbezoek zijn geen bevers of sporen van deze soort waargenomen. Hoewel de Caumerbeek op korte afstand van het plangebied ligt, is deze watergang te klein om een geschikt leefgebied voor de bever te vormen. De bomen in het plangebied zouden potentieel geschikt kunnen zijn als voedsel voor de bever. Gezien de afwezigheid van water in de omgeving is het echter zeer onwaarschijnlijk dat de bever deze voedselbron aanspreekt. Ook zijn geen vraatsporen aangetroffen binnen het plangebied.
Het is uitgesloten dat het plangebied een essentieel onderdeel uitmaakt van het leefgebied van bevers. Das Dassen verzamelen hun voedsel ’s nachts in weilanden en andere open terreinen. De burchten van de das worden voornamelijk in bosrijke gebieden gegraven. Gedurende het veldbezoek zijn geen dassen of sporen van deze soort waargenomen. Een burcht of andere verblijfplaats binnen het plangebied zou opgevallen zijn gedurende het veldbezoek. Het is echter niet uit te sluiten dat zowel het grasland als de bosrand binnen het plangebied geschikt zijn als foerageergebied voor de das. Vanwege de grote hoeveelheid vergelijkbaar habitat in de omgeving is het plangebied op zichzelf niet essentieel voor de das.
15
Quickscan natuur Terhoevenderweg Hoensbroek, Mijnwater
Eekhoorn De eekhoorn komt voor in loofbos, naaldbos of gemengd bos maar ook in tuinen, parken en houtwallen in de buurt van bos. In het plangebied bevinden zich een bosrand en een bomenrij. De bomen in deze bosrand en bomenrij zijn relatief laag wat ze minder geschikt maakt als nestboom voor de eekhoorn. Gedurende het veldbezoek zijn geen eekhoorns of nesten van deze soort waargenomen. Nestplaatsen van eekhoorn in het plangebied zijn uit te sluiten, om dat de hoge bomen die geschikt waren goed te inspecteren waren vanaf de grond. De bosrand sluit aan op een groter bosgebied in de omgeving. Het is daarom niet uit te sluiten dat de eekhoorn gebruik maakt van deze bosrand. Vanwege het grote oppervlak bos in de directe omgeving vormt de bosrand in het plangebied geen essentieel onderdeel van het leefgebied van de eekhoorn. Steenmarter Steenmarters verblijven graag in de buurt van bebouwing. Ook bomen, takkenhopen en grote beschutte holen of stapels stenen kunnen dienen als verblijfplaats voor de steenmarter. Gedurende het veldbezoek zijn geen steenmarters of sporen van deze soort waargenomen. Het is niet aannemelijk dat in de dicht begroeide bosschage geschikte holtes voor steenmarter aanwezig zijn. Om dit met zekerheid te kunnen uitsluiten dient de bosschage is de bladloze periode nog een keer bekeken te worden.
Hiernaast is het niet uit te sluiten dat de steenmarter het plangebied incidenteel betreedt. Extra veldbezoek steenmarter: Op 24 september 2024 heeft een ecoloog van idverde Advies een extra controle uitgevoerd op de aanwezigheid van elementen (grotere holtes, takkenhopen en holle bomen) binnen het plangebied die mogelijk geschikt zouden kunnen zijn om door steenmarter als verblijfplaats te worden gebruikt. Ten tijden van het 2de veldbezoek was het bladvolume al aanzienlijk afgenomen binnen het bosschage waardoor deze goed en volledig was te onderzoeken. Op basis van het extra veldbezoek kan met zekerheid worden uitgesloten dat er binnen het bosschage verblijfplaatsen van steenmarter aanwezig zijn. Wel zijn kleine (muizen-)holen aangetroffen die mogelijk door wezel als verblijfplaats kunnen worden gebruikt (Figuur 3.1) . Wild zwijn Het wild zwijn komt voor in voedselrijke loofbossen en gemende bossen met natte plekken. Er zijn tijdens het veldbezoek geen wilde zwijnen of sporen van deze soort aangetroffen. Door de stedelijke ligging is ook niet te verwachten dat de Koumenberg het leefgebied vormt voor wilde zwijnen. Dit wordt ook ondersteund door het feit dat er de afgelopen 10 jaar geen meldingen van wilde zwijnen op de Koumenberg zijn gedaan. Het voorkomen van deze soort is uit te sluiten binnen het plangebied.
Figuur 3.1: Muizenhol dat is gezien tijdens extra controle voor de steenmarter op 24 September 2024.
Vrijgestelde soorten (wel specifieke zorgplicht flora en fauna) Bunzing, hermelijn en wezel Kleine marterachtigen zoals bunzing, hermelijn en wezel hebben grote behoefte aan lijnvormige landschapsstructuren en plaatsen met voldoende beschutting. Het plangebied bestaat uit een grasland, een bos(rand) en een bomenrij. Gedurende het veldbezoek zijn Quickscan Natuur Terhoevenderweg Hoensbroek, Mijnwater
16
geen kleine marterachtigen of sporen van deze soorten waargenomen. Een deel van het grasland in het plangebied bevat esdoornopslag (Figuur 1.2d). Ook binnen de bosrand in het plangebied is beschutting aanwezig in de vorm van dicht struikgewas en bomen (Figuur 1.2b en c). In deze habitats is er afdoende beschutting en voedsel voor kleine marterachtige aanwezig. Het is daarom niet uit te sluiten dat deze habitats dienen als onderdeel van het leefgebied voor kleine marterachtigen. Met name bunzing en wezel zijn te verwachten. Hermelijn houdt over het algemeen van ander type landschap en is de afgelopen 10 jaar ook niet meer gemeld op de Koumenberg of in de directe omgeving. Met name in de bosrand in het plangebied is er dusdanig veel dekking aanwezig, dat de aanwezigheid van bijvoorbeeld een verblijfplaats van wezel in een oud muizenhol, niet is uit te sluiten (Figuur 3.1). Vos Vos komt rondom het plangebied voor. Met name langs de Caumerbeek is vos vaker gemeld. Binnen het plangebied zijn geen graafsporen en burchten van vossen aangetroffen. Door het relatief kleine oppervlakte van het plangebied zal de voorgenomen ontwikkeling ook geen significant effect hebben op het beschikbare leefgebied van de vos. Haas Het leefgebied van de haas bestaat uit verschillende open landschapstypen, waaronder akkers, weilanden, heiden en open bossen.
Ook de verblijfplaats van de haas bevindt zich in deze habitattypen in een klein kuiltje in de grond. Er zijn tijdens het veldbezoek geen hazen of sporen van deze soort aangetroffen. Het plangebied bevat een stuk van een grasland. De vegetatie is in dit grasland te kort voor een haas om hier een verblijfplaats in te maken. Er is niet uit te sluiten dat dit grasland dient als foerageergebied voor een haas, maar de afgelopen 10 jaar zijn van de haas helemaal geen meldingen gedaan van de haas op de Koumerberg. Door de stedelijke ligging ligt het plangebied ook geïsoleerd van het buitengebied. Er zijn geen aanwijzingen dat de haas voorkomt binnen het plangebied of in de directe omgeving. Konijn Het leefgebied van het konijn bestaat uit verschillende open landschapstypen, waaronder weilanden, tuinen en duinen. Konijnen graven holen als verblijfsplaats. Het plangebied bevat een stuk van een grasland. Er zijn tijdens het veldbezoek geen konijnen of sporen van deze soort aangetroffen. Vanwege de lage vegetatie zouden in het grasland holen van konijnen zeker opgevallen zijn tijdens het veldbezoek. Er is echter niet uit te sluiten dat dit grasland onderdeel uitmaakt van het leefgebied van een konijn. De begroeiing in de bosrand binnen het plangebied is zeer dicht. Op 24 september 2024 heeft een ecoloog van idverde Advies een extra controle uitgevoerd op de aanwezigheid holen.
Tijdens dit veldbezoek was het bladvolume veel minder waardoor het plangebied goed te onderzoeken was. Binnen het plangebied zijn toen geen konijnenholen aangetroffen. Ree Het ree komt voor in open agrarisch landschap en bossen. Tijdens het veldbezoek zijn geen reeën of sporen van deze soort aangetroffen. Door de stedelijke ligging is ook niet te verwachten dat de Koumenberg het leefgebied vormt voor reeën. Dit wordt ook ondersteund door het feit dat er de afgelopen 10 jaar geen meldingen van reeën op de Koumenberg zijn gedaan. Het voorkomen van deze soort is uit te sluiten binnen het plangebied. Overige soorten Egel, bosmuis, huisspitsmuis, rosse woelmuis, veldmuis, en woelrat kunnen allemaal voorkomen binnen de bosschages en het hoge gras binnen het plangebied. Met name in de bosschage kunnen ze ook verblijfplaatsen hebben (Figuur 3.1). In de omgeving is meer dan voldoende vergelijkbaar biotoop aanwezig, dus het verdwijnen van een deel van de bosschage zal op de lange termijn geen effect hebben op de geschiktheid van de omgeving als leefgebied voor deze soorten. Effectenanalyse Het voorkomen van verblijfplaatsen en/of belangrijke onderdelen van het leefgebied is voor de beschermde (niet vrijgestelde) soorten uit te sluiten op basis van het verkennend onderzoek het extra veldbezoek voor steenmarter.
Grondgebonden zoogdieren als bunzing, wezel, konijn, egel en diverse muizensoorten kunnen voorkomen binnen het plangebied. Voor deze soorten geldt bij ruimtelijke ontwikkelingen een vrijstelling van vergunningplicht voor het vernielen of verwijderen van vaste rust- en verblijfplaatsen. Deze vrijgestelde soorten vallen echter wel onder de ‘specifieke zorgplicht flora en fauna’. Dit houdt in dat negatieve effecten op deze soorten zoveel mogelijk voorkomen moeten worden of anders ongedaan moeten worden gemaakt. Het (opzettelijk) doden van deze soorten valt niet onder deze vrijstelling en blijft een ‘schadelijke flora- en fauna-activiteit’ die vergunningsplichtig is en dient dus voorkomen te worden. Door het verwijderen van de bosschages in de minst kwetsbare periode uit te voeren en voorzorgsmaatregelen te nemen kan dit voorkomen worden. Door het permanent verdwijnen van een deel van de bosschages, verdwijnt ook een deel van het geschikt leefgebied en (potentiële) verblijfplaatsen van deze soorten. In de omgeving is echter meer dan voldoende vergelijkbaar biotoop aanwezig, dus het verdwijnen van een deel van de bosschage zal op de lange termijn geen effect hebben op de geschiktheid van de omgeving als leefgebied voor deze soorten. Als kans adviseren we wel om het
17
Quickscan natuur Terhoevenderweg Hoensbroek, Mijnwater
hout en de takken die vrij komen bij het kappen te verwerken in takkenrillen in open plekken in de aangrenzende bosschages. Zo ontstaan extra verblijfplaatsen voor bovenstaande soorten en zo kan het leefgebied lokaal makkelijk verbeterd worden. Voorkomen zoogdieren: Binnen het plangebied (met name in de bosschage en hoge vegetatie) kunnen grondgebonden zoogdieren als bunzing, wezel, konijn, egel en diverse muizensoorten voorkomen. Het opzettelijk doden van deze soorten dient voorkomen te worden. Om invulling te geven aan de specifieke zorgplicht kunnen daarnaast takkenrillen worden aangelegd met het hout dat vrijkomt uit de kap van de bosschage.
3.1.5
Reptielen
Bronnenstudie Uit de gegevens van de NDFF zijn enkel meldingen bekend van de nationaal beschermde hazelworm rondom Hoensbroek (Tabel 3.4). Deze warnemingen bevinden zich allemaal langs de Geleenbeek ten Westen van Hoensbroek op > 2km van het plangebied. Op de Koumenberg zelf zijn nog nooit meldingen gedaan van hazelwormen binnen de NDFF. Tabel 3.4: Overzicht van beschermde reptielen die waargenomen zijn in en rondom het plangebied (Bron: NDFF). Soort Beschermingsstatus Hazelworm Nationaal beschermd Veldbezoek Tijdens het veldbezoek zijn geen reptielen waargenomen. De hazelworm wordt voornamelijk waargenomen in bos- en heideterreinen, maar komt ook voor in bosranden, struwelen en weg- en spoorbermen. Het plangebied vormt dus potentieel geschikt leefgebied. Het plangebied en de Koumenberg liggen echter helemaal geïsoleerd in het stedelijk gebied tussen Hoensbroek en Heerlen. De soort is zeer gevoelig voor versnippering van het landschap door o.a. drukke wegen en verstedelijking. Door de geïsoleerde ligging van het plangebied en de afwezigheid van de soort in de lokale verspreidingsgegvens kan het voorkomen van de soort binnen het plangebied redelijkerwijs worden uitgesloten. Effectenanalyse Op basis van de gegevens uit het bronnen- en veldonderzoek is het voorkomen van de beschermde hazelworm in de omgeving van het plangebied uit te sluiten.
Voorkomen reptielen: De aanwezigheid van de hazelworm en andere reptielen in het plangebied is op basis van het bronnen en veldonderzoek uitgesloten.
3.1.6
Amfibieën
Bronnenstudie Uit de gegevens van de NDFF zijn enkele meldingen bekend van Alpenwatersalamander binnen een straal van circa 1 km rondom het plangebied en rugstreeppad op ruim 1,5 km (Tabel 3.5). Voor de Alpenwatersalamander gaat het om één waarneming bij het water ten noorden van de Koumenberg en waarnemingen van larven in een particuliere tuin in de wijk ten oosten van het plangebied. De rugstreeppad is enkel op grote afstand bij de zandwinning ten oosten van het plangebied ooit waargenomen. Hiernaast zijn er meldingen bekend van de in de provincie Limburg vrijgestelde amfibieën bruine kikker, gewone pad en kleine watersalamander (Tabel 2.1). Tabel 3.5: Overzicht van beschermde vissen die waargenomen zijn in en rondom het plangebied (Bron: NDFF). Soort Beschermingsstatus Alpenwatersalamander Nationaal beschermd Rugstreeppad Habitatrichtlijn Veldbezoek Tijdens het veldbezoek zijn geen amfibieën aangetroffen. Het plangebied bestaat uit een grasland en een bosrand. Binnen het plangebied liggen geen waterlichamen. Voortplantginshabitat voor amfibieën is dan ook afwezig binnen het plangebied. Het dichtstbijzijnde open water is de Caumerbeek. Deze ligt op ongeveer 75 meter van het plangebied met er tussenin de Terhoevenderweg. Het snelstromende water van deze beek is echter geen geschikt voortplantingshabitat voor Alpenwatersalamander en rugstreeppad.
Ook voor bruine kikker, gewone pad en kleine watersalamander vormt dit niet het meest geschikte voortplantingswater, al zijn deze soorten wel minder kritisch. Overige open water ligt op grotere afstand van het
Quickscan Natuur Terhoevenderweg Hoensbroek, Mijnwater
18
plangebied. Het plangebied zal daarom geen belangrijk land- of winterhabitat vormen voor amfibieën, omdat de meeste soorten geen grote afstanden afleggen tussen hun voortplantingswater en landhabitat. Enkel van gewone pad is bekend dat deze wel grotere afstanden kan afleggen over land. Dit is ook te zien aan meldingen van de gewone pad op de Koumenberg. Voor de gewone pad is het dus wel aannemelijk dat deze de bosschages gebruikt als land- of winterhabitat. Effectenanalyse Op basis van de gegevens uit het bronnen- en veldonderzoek is het voorkomen van Rugstreeppad en Alpenwatersalamander uit te sluiten binnen het plangebied. Ook voor de meeste overige amfibieënsoorten zal het plangebied geen belangrijk onderdeel van het leefgebied uit maken en zijn ze ook niet te verwachten. Gewone pad kan de bosschages wel als leefgebied gebruiken om onder andere in te overwinteren. Voor deze soort geldt bij ruimtelijke ontwikkelingen een vrijstelling van vergunningplicht voor het vernielen of verwijderen van vaste rust- en verblijfplaatsen. Het (opzettelijk) doden van deze soort valt niet onder deze vrijstelling en blijft een ‘schadelijke flora- en fauna-activiteit’ die vergunningsplichtig is. Het opzettelijk doden of verwonden en dient dus voorkomen te worden.
Door het verwijderen van de bosschages in de minst kwetsbare periode uit te voeren en voorzorgsmaatregelen te nemen kan dit voorkomen worden. Voorkomen amfibieën: Het voorkomen van de meeste (beschermde) amfibieënsoorten is binnen het plangebied uitgesloten wegens de afwezigheid van geschikte voortplantingswateren in de wijde omgeving van het plangebied. Gewone pad kan wel voorkomen binnen het plangebied. Het opzettelijk doden of verwonden van deze soort dient voorkomen te worden. Hiervoor moeten voorzorgsmaatregelen worden genomen.
3.1.7
Vissen
Bronnenstudie Uit de gegevens van de NDFF zijn geen meldingen bekend van beschermde vissoorten binnen een straal van circa 1 km rondom het plangebied. Veldbezoek Het plangebied bevat geen waterlichamen. Door het gebrek aan open water binnen het plangebied is het voorkomen van beschermde vissoorten op voorhand uit te sluiten. Effectenanalyse Op basis van de gegevens uit het bronnen- en veldonderzoek is het voorkomen van beschermde vissen in de omgeving van het plangebied uitgesloten. Het optreden van negatieve effecten op beschermde vissoorten als gevolg van de voorgenomen werkzaamheden is dan ook op voorhand uit te sluiten. Voorkomen vissen: In het plangebied komen geen vissen voor door een gebrek aan waterlichamen. Het optreden van negatieve effecten op (beschermde) vissoorten als gevolg van de voorgenomen werkzaamheden is dan ook op voorhand uit te sluiten.
3.1.8
Ongewervelden
Bronnenstudie Uit de gegevens van de NDFF zijn waarnemingen van één soort van de habitatrichtlijn en vijf soorten die een nationale bescherming genieten binnen een straal van circa 1 kilometer rondom het plangebied naar voren gekomen (Tabel 3.6). Het gaat hier om de juffer, de bosbeekjuffer (nationaal beschermd), de dagvlinders grote vos, grote weerschijnvlinder en iepenpage (allen nationaal beschermd), de nachtvlinder teunisbloempijlstaart (habitatrichtlijn) en de kever vliegend hert (nationaal beschermd). Ook is in de NDFF gekeken naar meldingen van rode lijstsoorten binnen 200 meter van het plangebied. Deze zijn gesorteerd (Tabel 3.6) van meest kwetsbaar naar minder kwetsbaar volgens de rode lijst. Veldbezoek Tijdens het veldbezoek zijn geen van de beschermde soorten die uit het bronnenonderzoek naar voren kwamen, waargenomen. Het plangebied bestaat uit een grasland en een bosrand, waardoor het geschikt leefgebied vormt voor vele ongewervelden. Hieronder is voor iedere beschermde soort aangegeven of er specifiek voor deze soorten geschikt leefgebied aanwezig is. Libellen - bosbeekjuffer Tijdens het veldbezoek zijn geen bosbeekjuffers of sporen van deze soort waargenomen. Bosbeekjuffer komen voor in en om schone, beschaduwde, koude en zuurstofrijke beken. Het plangebied bevat geen open water. Er bevindt zich daarom geen
19
Quickscan natuur Terhoevenderweg Hoensbroek, Mijnwater
voortplantingshabitat voor de bosbeekjuffer in het plangebied. Het dichtstbijzijnde open water is de Caumerbeek. Deze ligt op ongeveer 75 meter van het plangebied. Het snelstromende water van deze beek is mogelijk geschikt als voortplantingshabitat voor de bosbeekjuffer. Door de nabijheid van dit mogelijk voortplantingshabitat is niet uit te sluiten dat volwassen exemplaren (imago’s) van de bosbeekjuffer het plangebied incidenteel bezoeken. Tabel 3.6: Overzicht van Europees (habitatrichtlijn en nationaal beschermde ongewervelden die zijn waargenomen zijn binnen 1 km rondom het plangebied. Ook zijn de rode lijstsoorten weergegeven die direct in of rondom (binnen 200m) van het plangebied zijn waargenomen (Bron: NDFF). Soort Beschermingsstatus Bosbeekjuffer Nationaal beschermd Grote vos Nationaal beschermd Grote weerschijnvlinder Nationaal beschermd Iepenpage Nationaal beschermd Teunisbloempijlstaart Habitatrichtlijn Vliegend hert Nationaal beschermd Rode lijstsoorten (binnen 200m van het plangebied) Boswitje Rode Lijst: Bedreigd Geelsprietdikkopje Rode Lijst: Bedreigd Wikkebij Rode Lijst: Kwetsbaar Bruin blauwtje Rode Lijst: Gevoelig Oranje zandoogje Rode Lijst: Gevoelig Zuidelijke oeverlibel Rode Lijst: Gevoelig Dagvlinders - grote vos, grote weerschijnvlinder en iepenpage Meldingen van grote vos en iepenpage zijn vooral gedaan op de Brunssummerheide.
Op de Koumenberg zijn de afgelopen 10 jaar geen meldingen meer gedaan. Beide soorten gebruiken als waardplant de iep. De grote vos kan daarnaast ook nog sleedoorn, populier en sommige wilgensoorten als waardplant gebruiken. Iepen, populieren en wilgen in de bosrand die gekapt gaat worden niet aanwezig. Sleedoorn is ook niet gezien, maar het is niet geheel uit te sluiten dat er ergens enkele scheuten tussen de dichte vegetatie groeien. Deze zullen dan echter zeker te klein zijn om als geschikte waardplant te dienen. De bosrand die gekapt wordt is daarom door afwezigheid van geschikte waardplanen niet geschikt voor beide soorten om hun eieren te leggen en voor rupsen om als geschikt leefgebied te dienen. Grote weerschijnvlinders zijn de afgelopen jaren enkele keren gemeld in de omringende wijken, maar niet op de Koumenberg zelf. De grote weerschijnvlinder gebruikt enkel wilgensoorten als waardplant. Deze zijn niet aanwezig binnen de te kappen bosrand en voor deze soort geldt dus ook dat bosrand geen geschikt leefgebied vormt. Nachtvlinders - teunisbloempijlstaart Tijdens het veldbezoek zijn geen teunisbloempijlstaarten of sporen van deze soort waargenomen. De teunisbloempijlstaart is een nachtvlinder van open plekken in vochtige bossen en bosranden. Binnen de bomenrij en bosrand in het plangebied zijn de juiste abiotische condities te vinden voor het habitat van deze soorten.
Naast deze abiotische condities is het echter ook van belang dat de waardplanten van de teunisbloempijlstaart (wilgenroosje, basterdwederik, kattenstaarten en teunisbloemen) in de omgeving te vinden zijn. Deze kruiden zijn niet in de omgeving van het plangebied waargenomen. Het plangebied kan daarom niet dienen als voortplantingshabitat voor de teunisbloempijlstaart. Er is echter niet uit te sluiten dat er incidenteel volwassen exemplaren (imago’s) van de teunisbloempijlstaart het plangebied betreden. Kevers - Vliegend hert Tijdens het veldbezoek zijn geen vliegende herten of sporen van deze soort waargenomen. Het vliegend hert is een soort van oude eikenbossen met afdoende dood hout. De bosrand in het plangebied bevat geen eiken bomen of dood hout. Er bevindt zich daarom geen voortplantingshabitat voor het vliegend hert in het plangebied. Het is echter niet uit te sluiten dat volwassen exemplaren (imago’s) vliegende herten incidenteel het plangebied betreden. Rode lijstsoorten Rondom het plangebied zijn waarnemingen bekend van een aantal kwetsbare dagvlinders (boswitje, geelsprietdikkopje, bruin blauwtje en oranje zandoogje), een bij (Wikkebij) en een libel (Zuidelijke oeverlibel). De zuidelijke oeverlibel is voor zijn leefgebied aan het water gebonden en het is dus op voorhand uitgesloten dat het plangebied geschikt leefgebied vormt.
De vier vlindersoorten hebben allemaal bloeiende kruiden of grassen als waardplanten. De grasvegetatie binnen het plangebied, het hogere deel dat niet intensief gemaaid wordt, vormt dus potentieel leefgebied voor deze soorten. De wikkebij foerageert ook op bloeiende kruiden die binnen grasvegetatie binnen het plangebied aanwezig kunnen zijn. Deze bijensoort nestelen in open stukken lemerige of zanderige grond. Deze zijn binnen het plangebied niet aanwezig.
Quickscan Natuur Terhoevenderweg Hoensbroek, Mijnwater
20
Effectenanalyse Op basis van het bronnen en veldonderzoek zijn alleen enkele rode lijstsoorten (vier dagvlinders en een bij) te verwachten binnen het plangebied. Voor deze soorten geldt de specifieke zorgplicht flora en fauna. Dit wil zeggen dat negatieve effecten zoveel mogelijk voorkomen of anders gemitigeerd dienen te worden. Op de lange termijn verdwijnt enkel een deel van het bosperceel permanent. De grasvegetatie wordt tijdelijk verstoord door inrichting van het bouwterrein, maar op de lange termijn kan de grasvegetatie zich weer ontwikkelen en is er geen sprake van oppervlakte verlies. De huidige kwaliteit van de aanwezige grasvegetatie is niet bijzonder hoog en vergelijkbaar met grote oppervlaktes grasvegetatie in de omgeving. Omdat het plangebied relatief klein is zal de tijdelijk verstoring geen groot effect hebben op de populaties van rode lijssoorten in de omgeving. Wel is het van belang dat de grasvegetatie na de werkzaamheden goed wordt hersteld zodat deze snel weer van vergelijkbare of betere kwaliteit is. Voorkomen geleedpotigen: De grasvegetatie kan waardevol leefgebied zijn voor verschillende rode lijstsoorten. Op de korte termijn zullen effecten (zeer) beperkt zijn. Wel is van belang dat de grasvegetatie na afronding van de werkzaamheden goed hersteld wordt.
3.1.9
Vaatplanten
Bronnenstudie Uit de gegevens van de NDFF zijn geen meldingen bekend van Europees (habitatrichtlijn) of nationaal beschermde soorten vaatplanten binnen een straal van circa 1 km rondom het plangebied. Er zijn wel meldingen bekend van 10 rode lijstsoorten binnen 200m van het plangebied (Tabel 3.7). Deze zijn gesorteerd van meest kwetsbaar naar minder kwetsbaar volgens de rode lijst. Tabel 3.7: Overzicht van gemelde rode lijstsoorten binnen 200m rondom het plangebied (Bron: NDFF). Soort Beschermingsstatus Driedistel Rode Lijst: Bedreigd Verfbrem Rode Lijst: Bedreigd Geelhartje Rode Lijst: Kwetsbaar Paardenbloemstreepzaad Rode Lijst: Kwetsbaar Ruige anjer Rode Lijst: Kwetsbaar Bosaardbei Rode Lijst: Gevoelig Brede waterpest Rode Lijst: Gevoelig Gele kornoelje Rode Lijst: Gevoelig Gewone agrimonie Rode Lijst: Gevoelig Kamgras Rode Lijst: Gevoelig Veldbezoek Het plangebied bevat grasland, een bomenrij, esdoornopslag en een bosrand. Dit vormt geen bekend biotoop voor nationaal beschermde vaatplanten die binnen Zuid-Limburg voorkomen. Deze soorten zijn ook niet waargenomen tijdens het veldbezoek. Ook veel rode lijstsoorten stellen zeer specifieke eisen aan hun groeiplaats. Tijdens het veldbezoek is alleen de gewone agrimonie waargenomen in het grasland binnen het plangebied (Afbeelding 3.2).
Het plangebied zou ook een geschikt habitat kunnen vormen voor rode lijstsoorten zoals rapunzelklokje en steenanjer, maar deze soorten zijn niet waargenomen tijdens het veldbezoek. Aangezien het veldbezoek in de bloeitijd van deze soorten is uitgevoerd, kan worden aangenomen dat de soorten momenteel niet voorkomen binnen het plangebied. Effectenanalyse Op basis van de gegevens uit het bronnen- en veldonderzoek is het voorkomen nationaal beschermde vaatplanten uit te sluiten. Wel is de rode lijstsoort gewone argimonie in het plangebied aangetroffen. De habitats die binnen het plangebied aanwezig zijn ook in de directe omgeving van het plangebied voor, waarschijnlijk komen in de omgeving nog meer geschikte groeiplaatsen van deze soort voor. De inrichting van het bouwterrein zorgt er wel voor dat huidige groeiplaatsen (tijdelijk) verloren gaan. Gewone agrimonie is een overblijvende plant, wat betekent dat hij meerdere jaren achter elkaar kan groeien. Gewone agrimonie valt onder de specifieke zorgplicht en negatieve effecten moeten zoveel mogelijk worden voorkomen. Het behoud van de groeiplaats gaat niet omdat deze zich te dicht bij de boorlocatie bevindt. Wel kunnen voor aanvang van de werkzaamheden aanwezige exemplaren uit worden gegraven en buiten het werkterrein worden geplant.