CConstaterende datHeerlen
Koppel je AI →
Document · PDF

14242924-018.212 Toelichtende onderbouwing BOPA Warmtebron Mijnwater_ANO__368618__

Raadsvergadering 25 juni 2025, gemeente HeerlenBij agendapunt: Adviesrecht raad aanvraag realiseren van een Mijnwater warmtebron HLH-GT-0515.890 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 2

Nationaal beleid Omgevingswet In de Omgevingswet wordt het functioneren van het landelijk watersysteem beschreven en wordt de waterveiligheid geregeld. Bovendien regelt de Omgevingswet lozingen op oppervlaktewateren en de bodem. Daarnaast zijn bepaalde wateractiviteiten op grond van de Omgevingswet en het Bal vergunningsplichtig: - lozingsactiviteit op een oppervlaktewaterlichaam of een zuiveringtechnisch werk; - een wateronttrekkingsactiviteit; - een beperkingengebiedactiviteit met betrekking tot een installatie in een waterstaatswerk. Bij het toelaten van activiteiten moet de gemeente het waterbelang wegen (art. 5.37 Bkl). Hierbij moeten de opvattingen van de waterbeheerder worden betrokken. De weging van het waterbelang geldt ook voor het afwijken van een omgevingsplan met een buitenplanse omgevingsplanactiviteit (artikel 8.0b en paragraaf 5.1.3 Bkl). Nationaal Waterprogramma 2022-2027 Voor het beheer van rijkswateren is er het Nationaal Waterprogramma 2022-2027. In het Nationaal Waterprogramma komen het Nationaal Waterplan 2016-2021 (voor beleid) en het Beheer- en ontwikkelplan voor de rijkswateren 2016-2021 (voor beheer) samen. Het Nationaal Waterprogramma beschrijft de nationale beleids- en beheerdoelen op het gebied van klimaatadaptatie, waterveiligheid, zoetwater en waterverdeling, waterkwaliteit en natuur, scheepvaart, en de functies van de rijkswateren.

Het programma geeft een overzicht van de ontwikkelingen binnen het waterdomein en legt nieuw ontwikkeld beleid vast. Bovendien is er aandacht voor de raakvlakken van water met andere sectoren.

27 | 47

Witteveen+Bos | 142429/24-018.212 | Definitief

Deltaprogramma 2023 In het Deltaprogramma 2023 worden de onderwerpen waterveiligheid, zoetwater en ruimtelijke adaptatie beschreven. Klimaatverandering is ook een terugkerend thema in het Deltaprogramma 2023, waarbij in het nieuwe Deltaprogramma Ruimtelijke Adaptatie in het bijzonder wordt benadrukt dat er aandacht is voor de preventie van overstroming, droogte dan wel wateroverlast. Ook het thema water- en bodem sturend en de opgaven in het landelijk gebied voor natuurherstel en duurzame landbouw worden benadrukt. Voor het IJsselmeergebied waarin Flevoland zich bevindt, wordt vooral gezegd dat er vanwege klimaat en zoetwater kritisch met nieuwe watervangers en ruimtelijke ingrepen moet worden omgegaan. Provinciaal Waterplan Limburg 2022-2027 Het waterbeleid in het Provinciaal Waterplan 2022-2027 omvat de strategische hoofdlijnen voor het provinciale waterhuishoudkundig beleid.

Hierin geeft de provincie uitwerking aan de in de Omgevingsvisie Limburg opgenomen provinciale belangen op het gebied van water: Een integrale en realistische benadering van hoogwaterbescherming, wateroverlast, watertekort, verdroging en de verbetering van de waterkwaliteit in het stroomgebied van de Maas; Het in samenhang bezien en aanpakken van de zoetwatervoorziening (voor drinkwater en andere functies), natuurherstel, watersysteemherstel, waterveiligheid, landbouw, landschap en de stikstofproblematiek; Een ecologisch gezond, veerkrachtig en adaptief watersysteem om weersextremen zoveel mogelijk op een natuurlijke wijze op te vangen. De provincie stelt in de Omgevingsvisie Limburg en in het Provinciaal Waterprogramma Limburg de beleidskaders voor het regionale watersysteem. Op grond van het bepaalde in artikel 3.7 van de Omgevingswet zijn de onderdelen van het Provinciaal Waterprogramma die uitvoering geven aan de diverse Europese richtlijnen over water voor het waterschap kaderstellend. Gelet op de inhoudelijke samenhang binnen het watersysteem en de hiervoor vermelde provinciale belangen is doorwerking van het volledige waterprogramma naar het waterschap noodzakelijk. Hieraan is in de Omgevingsverordening invulling gegeven.

Beleid Waterschap Limburg Het projectgebied valt binnen het beheersgebied van Waterschap Limburg, dat in het Waterbeheerprogramma 2022–2027 de strategische opgaven en maatregelen beschrijft voor een klimaatbestendig en duurzaam waterbeheer. De belangrijkste speerpunten zijn: Hoogwaterbescherming in de Maasvallei; Klimaatadaptatie, met nadruk op de balans tussen water vasthouden en afvoeren; Waterkwaliteit en ecologie, door natuurlijke inrichting van watergangen en schoon water; Zuiveringsbeheer, inclusief het terugwinnen van grondstoffen uit afvalwater. Het programma benadrukt een integrale aanpak, waarin maatregelen bij voorkeur meerdere doelen tegelijk dienen. Daarbij wordt onder meer ingezet op duurzaam grondgebruik in stroomgebieden, infiltratie van regenwater in stedelijk gebied en het voorkomen van overstorten van riolen. Hemelwaterverordening gemeente Heerlen 2023 Op 20 december 2023 heeft de gemeenteraad van Heerlen de Hemelwaterverordening gemeente Heerlen 2023 vastgesteld. Deze verordening is van toepassing op ruimtelijke initiatieven waarbij meer dan 200 m² aan nieuw of vervangend verhard oppervlak wordt aangebracht. In dat geval dient: de voorkeurstabel afkoppelen Provincie Limburg te worden toegepast (hergebruik > infiltratie > vertraagde afvoer), en een infiltratieonderzoek te worden uitgevoerd.

Indien de K-waarde ≥ 0,1 m/dag is en de grondwaterstand > 1,20 m -mv, is een infiltratievoorziening verplicht, met een maximale leeglooptijd van 24 uur bij een maatgevende bui van 35 mm (en 48 uur bij 80 mm).

28 | 47

Witteveen+Bos | 142429/24-018.212 | Definitief

Na-ijlende effecten mijnbouw Op basis van kaartmateriaal van het Gegevenshuis Mijnbouw en de beschikbare risicokaarten zijn in of in de directe nabijheid van het projectgebied geen risico’s aanwezig met betrekking tot na-ijlende effecten van de voormalige steenkoolwinning. Het projectgebied ligt buiten zones met verhoogd risico, zoals gebieden met mijndrempels, oude schachten of ondiepe winningen. Ook bevindt het plangebied zich niet binnen een EK1gebied (gebied met verhoogd risico op zettingen of opbarst). De voorgenomen werkzaamheden vinden plaats op beperkte diepte en betreffen ondiepe infiltratie. Er wordt niet gewerkt in de nabijheid van een voormalige schacht. Gelet op deze omstandigheden is de kans op schade of hinder als gevolg van mijnbouwgerelateerde na-ijlende effecten verwaarloosbaar en niet van toepassing op dit project.

4.4.1

Resultaten

Uit navraag bij de gemeente Heerlen blijkt dat het toegepaste oppervlak met grasbetontegels wordt aangemerkt als halfverharding. Omdat regenwater via deze verharding lokaal kan infiltreren in de ondergrond, wordt dit oppervlak niet beschouwd als verhard oppervlak in de zin van de verordening. De enige toename van verhard oppervlak binnen het initiatief betreft het dakoppervlak van de technische unit, met een totale omvang van 98,7 m². Daarmee blijft het project ruimschoots onder de drempel van 200 m², zoals gesteld in de hemelwaterverordening. Het initiatief valt hierdoor buiten de verplichtingen uit de verordening. Aanvullend wordt vermeld dat het regenwater afkomstig van het dak gecontroleerd wordt afgevoerd naar de achterzijde van het gebouw. De afvoer vindt plaats via regenpijpen, waarbij het water boven het maaiveld wordt geleid, zodat gecontroleerde infiltratie in de ondergrond mogelijk is.

4.5

Natuur

Toetsingskader De Wet natuurbescherming (Wnb) is beleidsneutraal overgegaan in de Omgevingswet. Het normenkader, de instrumenten en de bevoegdheidsverdeling voor het natuurbeschermingsrecht blijft ongewijzigd. Het natuurbeschermingsrecht regelt op hoofdlijnen 3 zaken: 1 bescherming van planten- en diersoorten (soortenbescherming); 2 bescherming van de in het kader van Europees natuurbeleid aangewezen Natura 2000-gebieden (gebiedsbescherming); 3 bescherming van bos en houtopstanden. Soortenbescherming Ten aanzien van soortenbescherming maakt de Omgevingswet onderscheid in 3 categorieën: - vogels: dit zijn alle van nature in Nederland in het wild levende vogels zoals bedoeld in artikel 1 van de Vogelrichtlijn; - habitatrichtlijnsoorten: dit zijn soorten uit bijlage IV van de Habitatrichtlijn, bijlage I en II van het Verdrag van Bern en bijlage II van het Verdrag van Bonn; - andere soorten: dit zijn soorten die genoemd zijn in bijlage 5 van het Besluit natuurbescherming. Het gaat hier om een aantal zoogdieren, amfibieën, reptielen, vissen, dagvlinders, libellen, kevers en vaatplanten. Voortplantingsplaatsen en rustplaatsen (inclusief functionele leefomgeving zoals foerageergebieden of vliegroutes) van beschermde soorten uit de eerste en tweede categorie mogen niet (opzettelijk) verstoord of vernietigd worden.

Daarnaast mag geen enkele beschermde soort (opzettelijk) worden gedood of verwond. Bij vogels zijn daarnaast de nesten van belang. Er zijn 5 categorieën broedvogels waarvan de nesten jaarrond beschermd zijn (categorie 1-4) of waarvan de nesten beschermd zijn als er onvoldoende alternatieven zijn (categorie 5). De categorie ‘andere soorten’ gaat om soorten die niet onder de Habitatrichtlijn of Vogelrichtlijn vallen. Deze soorten worden beschermd vanwege de breed in de maatschappij levende overtuiging dat deze dieren beschermd moeten worden.

29 | 47

Witteveen+Bos | 142429/24-018.212 | Definitief

De overige soorten uit deze bijlage worden om ecologische redenen beschermd. Hiermee wordt door Nederland uitvoering gegeven aan het Biodiversiteitsverdrag om de staat van instandhouding van dier- en plantsoorten te garanderen. Gebiedsbescherming Natura 2000 De minister van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur wijst gebieden aan die deel uitmaken van het Europese netwerk van natuurgebieden: Natura 2000. Een dergelijk besluit bevat de instandhoudingsdoelstellingen voor de leefgebieden van vogelsoorten (Vogelrichtlijn) en de instandhoudingsdoelstellingen voor de natuurlijke habitats en habitats van soorten (Habitatrichtlijn). Ten aanzien van gebiedsbescherming geldt dat de Omgevingswet de bescherming van Natura 2000- gebieden regelt. Natura 2000-activiteit Activiteiten die invloed hebben op Natura 2000-gebieden worden onder de Omgevingswet Natura 2000- activiteiten genoemd. Een Natura 2000-actitiviteit wordt gedefinieerd als ‘activiteit, inhoudende het realiseren van een project dat niet direct verband houdt met of nodig is voor het beheer van een Natura 2000- gebied, maar afzonderlijk of in combinatie met andere plannen of projecten significante gevolgen kan hebben voor een Natura 2000-gebied.’ Natura 2000-activiteiten zijn vergunningplichtig op grond van artikel 5.1 lid 1 sub e Ow. Dit artikel vormt de Nederlandse implementatie van artikel 6 van de Habitatrichtlijn.

Het is voorts verboden om te handelen in strijd met een voorschrift van een omgevingsvergunning voor een Natura 2000-activiteit (artikel 5.5 lid 2 onder f Ow). Activiteiten die geen significante gevolgen hebben voor een Natura 2000-gebied zijn niet vergunningplichtig. Daarnaast zijn er hoofdstuk 11 van het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal) gevallen aangewezen die zijn vrijgesteld van de vergunningplicht. Niet alleen activiteiten in een Natura 2000-gebied, maar ook activiteiten buiten een Natura 2000-gebied kunnen effect hebben op het Natura 2000-gebied. Als deze effecten significant zijn dan is er vanwege de ‘externe werking van een Natura 2000-gebied’ ook sprake van een Natura 2000-activiteit. Passende Beoordeling In paragraaf 8.6.1 van het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) is het toetsingskader voor een Natura 2000-activiteit opgenomen. Op grond van artikel 8.74b lid 1 Bkl wordt de omgevingsvergunning voor een Natura 2000-activiteit alleen verleend als uit de passende beoordeling (als bedoeld in artikel 16.53c lid 1 Ow) de zekerheid is verkregen dat het project de natuurlijke kenmerken van het gebied niet zal aantasten. Bij deze conclusie mag gebruik gemaakt worden van mitigerende maatregelen. Echter, wordt een passende beoordeling enkel opgesteld wanneer significante effecten niet op voorhand uitgesloten kunnen worden.

Stikstofdepositie Op grond van artikel 5.1, eerste lid, onder e van de Omgevingswet is een vergunning vereist voor een project waar op voorhand significante negatieve gevolgen op Natura 2000-gebieden niet zijn uit te sluiten. Specifiek voor het aspect stikstof geldt dat sinds de rechterlijke uitspraak van de Raad van State van 29 mei 2019 1 de ecologische gevolgen van iedere berekende depositie van 0,01 mol N/ha/jaar of meer beoordeeld moet worden. Deze voorwaarde geldt voor zowel de realisatiefase als voor de gebruiksfase van een plan of activiteit.

1

ABRvS 29 mei 2019, ECLI:NL: RVS:2019:1603.

30 | 47

Witteveen+Bos | 142429/24-018.212 | Definitief

Kader vergunningverlening stikstof Momenteel geldt het volgende kader voor de vergunningverlening in het kader van de gebiedsbescherming van Natura 2000-gebieden: - er is een vergunning vereist voor projecten die een significant gevolg kunnen hebben voor een Natura 2000-gebied1. Dit is dus niet het geval indien significante gevolgen op voorhand zijn uit te sluiten; - indien niet op voorhand kan worden uitgesloten dat mogelijke significante gevolgen optreden, dient een Passende Beoordeling te worden opgesteld om in beeld te brengen of er daadwerkelijk significante gevolgen aan de orde zijn. In een Passende Beoordeling mogen ook mitigerende maatregelen (zoals externe saldering) betrokken worden. De vergunning kan worden verleend indien (eventueel met toepassing van deze mitigerende maatregelen) de voorgenomen activiteit de natuurlijke kenmerken van het Natura 2000-gebied niet zal aantasten2; - als uit de Passende Beoordeling blijkt dat significante gevolgen niet kunnen worden uitgesloten, kan een vergunning enkel worden verleend indien de ADC-toets succesvol wordt doorlopen: · A: er zijn geen alternatieve oplossingen; · D: het project is nodig om dwingende redenen van groot openbaar belang; · C: door middel van compenserende maatregelen wordt gewaarborgd dat de algehele samenhang van Natura 2000 bewaard blijft.

Besluit bouwwerken leefomgeving (stikstofemissiereductie) Bij het verrichten van bouw- en/of sloopwerkzaamheden dient een initiatiefnemer adequate maatregelen te treffen om de emissie van stikstofverbindingen naar de lucht te beperken, zo volgt uit artikel 7.19a Besluit bouwwerken leefomgeving (Bbl). De wetgever dwingt initiatiefnemers hiertoe om de emissie van stikstof te voorkomen, ook als significante negatieve gevolgen voor Natura 2000-gebieden zijn uit te sluiten. Het betreft activiteiten voor de bouw van een bouwwerk waarvoor een omgevingsvergunning voor een bouwactiviteit of een melding als bedoeld in artikel 2.18, lid 1 Bbl nodig is en op het slopen van een bouwwerk waarvoor een melding als bedoeld in artikel 7.10, lid 1 Bbl is vereist omdat de hoeveelheid sloopafval naar redelijke inschatting meer dan 10 m3 bedraagt. Bij 'adequaat' gaat het om maatregelen die doeltreffend, doelmatig en proportioneel zijn. De verplichting geldt voor de bouwfase op de bouwplaats en niet voor vervoersbewegingen van en naar de bouwplaats of voor de gebruiksfase. Het Bevoegd Gezag kan met een maatwerkvoorschrift een invulling geven van de regel over het nemen van stikstofbeperkende maatregelen (artikel 7.5, lid 4 Bbl).

Natuurnetwerk Nederland Het Natuurnetwerk Nederland (NNN) zorgt voor een aaneengesloten netwerk van natuurgebieden en natuurontwikkelingsgebieden die met elkaar verbonden worden door ecologische verbindingszones. De bescherming van het NNN is geregeld via de provinciale omgevingsverordeningen. Houtopstanden Het vellen van houtopstanden is niet zomaar toegestaan in de Omgevingswet. Dit geldt ook bij het rooien of het verrichten van handelingen die de dood of ernstige beschadiging van bomen tot gevolg hebben. De Omgevingswet spreekt van 'bebouwingscontour houtkap. De Omgevingswet verplicht de gemeenteraad om een bebouwingscontour houtkap vast te stellen in het omgevingsplan. Met het aanwijzen van de bebouwingscontour houtkap bepaalt de gemeente in feite wanneer de regels in het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal) over het vellen van houtopstanden gelden. Die gelden namelijk alleen buiten de bebouwingscontour houtkap. Het Bal geeft de mogelijkheid om met een maatwerkvoorschrift af te wijken van de rijksregels over vellen en herbeplanten.

1

Artikel 5.1 Omgevingswet.

2

Artikel 16.53c lid 1 Omgevingswet. Artikel 8.74b Besluit kwaliteit leefomgeving.

31 | 47

Witteveen+Bos | 142429/24-018.212 | Definitief

Als de minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit het bevoegd gezag is, is een herbeplantingsplan verplicht. Zo’n plan moeten aangeven hoe de initiatiefnemer aan de herbeplantingsplicht zal voldoen.

4.5.1

Resultaten

Uit natuuronderzoek van idverde Advies (2025, kenmerk 722240254), dat als bijlage bij deze vergunningaanvraag is gevoegd, blijkt dat het projectgebied ecologisch zorgvuldig moet worden benaderd. In het plangebied zijn geen strikt beschermde soorten aangetroffen die directe juridische belemmeringen vormen voor de uitvoering, mits passende voorzorgsmaatregelen worden getroffen. Om te voldoen aan de zorgplicht en om mogelijke overtredingen van de Omgevingswet te voorkomen, worden de onderstaande maatregelen genomen. Voorzorgsmaatregelen bij aanvang werkzaamheden Vleermuizen Bij de inrichting van het bouwterrein wordt ervoor gezorgd dat er geen objecten hoger dan 4 meter bijkomen die de vliegroutes van vleermuizen kunnen verstoren. Indien dit verandert, wordt vooraf ecologisch advies ingewonnen. Bouwverlichting wordt afgeschermd zodat deze geen lichtuitstraling naar de omgeving veroorzaakt. Indien dit technisch niet haalbaar blijkt, worden werkzaamheden buiten de kwetsbare perioden (nov–mrt en medio mei–medio juli) uitgevoerd, of afgestemd met een ecoloog. Broedvogels De werkzaamheden worden gepland buiten het broedseizoen (15 maart – 15 augustus). Indien werkzaamheden toch binnen deze periode plaatsvinden, wordt vooraf een broedvogelcheck uitgevoerd door een ecoloog. Indien broedgevallen worden aangetroffen, wordt een verstoringvrije zone ingesteld totdat het nest verlaten is.

Grondgebonden zoogdieren en amfibieën: Kapwerkzaamheden aan de bosrand vinden plaats buiten het voortplantingsseizoen en buiten de winterrust. Er wordt gefaseerd gewerkt: eerst verwijdering van bovengrondse vegetatie, minimaal een week later pas graafwerk. De werkrichting wordt zodanig gekozen dat dieren de gelegenheid krijgen zich terug te trekken in aangrenzend bosgebied. Natuurbevorderende maatregelen Verbetering leefgebied Takkenrillen worden aangelegd met vrijkomend houtmateriaal ter ondersteuning van verblijfplaatsen voor kleine zoogdieren en amfibieën. De grasvegetatie in het plangebied wordt na afloop hersteld, zodat de oorspronkelijke ecologische waarde behouden blijft. Twee aanwezige exemplaren van de gewone agrimonie worden voor de werkzaamheden verplant naar een geschikte groeiplaats buiten het werkgebied. De groeilocatie wordt na afronding hersteld. Voorkomen van verspreiding invasieve exoten Hoewel in het plangebied geen invasieve soorten zijn aangetroffen, wordt bij eventuele aanvoer van grond of materialen gegarandeerd dat deze vrij zijn van invasieve exoten. Specifieke en algemene zorgplicht Alle betrokkenen worden vooraf geïnstrueerd over de geldende zorgplicht. Bij het aantreffen van fauna tijdens de werkzaamheden moet deze de mogelijkheid krijgen te vluchten. Onnodige schade aan flora en fauna wordt te allen tijde vermeden.

32 | 47

Witteveen+Bos | 142429/24-018.212 | Definitief

Ecologisch werkprotocol Voor aanvang van de werkzaamheden wordt een ecologisch werkprotocol opgesteld waarin bovengenoemde maatregelen zijn vastgelegd. Zo wordt geborgd dat alle betrokken partijen de ecologische richtlijnen naleven en dat uitvoering binnen de wettelijke kaders van de Omgevingswet plaatsvindt. Stikstofdepositie Als gevolg van de aanleg van de nieuwe warmtebron HLH-GT-05 is er sprake van een tijdelijke toename van stikstofdepositie op stikstofgevoelige habitattypen in omliggende Natura 2000-gebieden. De depositietoename zorgt voor een beperkte toename van stikstofdepositie wat mogelijk zorgt voor een aantasting van natuurlijke kenmerken van stikstofgevoelige habitattypen en leefgebieden binnen Natura 2000-gebieden rondom de projectlocatie. Ondanks deze beperkte toename van stikstofdepositie kunnen met zekerheid1 (significant) negatieve effecten ten gevolge van de deposities worden uitgesloten voor de natuurlijke kenmerken van de Natura 2000-gebieden en de voor deze gebieden gestelde instandhoudingsdoelstellingen. De voortoets is in september 2024 afgestemd met de provincie Limburg. Deze mailwisseling is opgenomen in de bijlagen bij de vergunningaanvraag. Natuurnetwerk Nederland (NNN) De voorgenomen werkzaamheden zijn niet gelegen in NNN-gebieden en hebben geen effect op de kwalitatieve kenmerken van het Natuurnetwerk en daarom zijn geen vervolgstappen nodig.

Houtopstanden Er worden een paar bomen gekapt om een tijdelijke uitweg te kunnen plaatsen en de werkzaamheden te kunnen uitvoeren. Ook wordt voor de realisatie van de boring het werkterrein voorzien van een vloeistofkerende vloer waarvoor alle begroeiing (waaronder enkele bomen) richting het talud gerooid moet worden. Zie afbeelding 4.1 voor een weergave waar gerooid gaat worden. Afbeelding 4.1 Het rode kader is waar de rooiing plaatsvindt

Conclusie De voorzorgsmaatregelen zijn voldoende om schadelijke effecten op beschermde soorten, zoals vleermuizen en vogels, te voorkomen. De tijdelijke toename van stikstofdepositie door de aanleg van de warmtebron heeft geen significante negatieve effecten op omliggende Natura 2000-gebieden. Er is geen impact op het

1

Bevestiging provincie Limburg in mail van 25 september 2024.

33 | 47

Witteveen+Bos | 142429/24-018.212 | Definitief

Natuurnetwerk Nederland (NNN) en het kappen van bomen is toegestaan, aangezien deze niet op de Waardevolle Bomenlijst staan. Natuur vormt daarom geen belemmering voor de voorgenomen ontwikkeling.

4.6

Luchtkwaliteit

4.6.1

Toetsingskader

Om de gezondheid van de mensen te beschermen staan luchtkwaliteitseisen opgenomen in de instructieregels van het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl). De eisen aan de kwaliteit van de buitenlucht oftewel luchtkwaliteit staan opgenomen in paragraaf 5.1.4.1 van het Bkl. Voor deze regels gelden zogenoemde omgevingswaarden, waarbij stikstofdioxide (NO2) en fijnstof (PM10) maatgevend zijn. Activiteiten zijn toelaatbaar indien ze voldoen aan de volgende voorwaarden: - er is geen sprake van een feitelijke of dreigende overschrijving van een omgevingswaarde; - het project leidt per saldo niet tot een verslechtering van de luchtkwaliteit; - het project draagt alleen niet in betekende mate bij aan de luchtverontreiniging. Het Bkl geeft grenswaarden voor de concentraties van onder andere stikstofdioxide (NO2) en fijnstof (PM10). Bij ontwikkelingen dient getoetst te worden of de ontwikkeling ervoor zorgt dat omgevingswaarden worden overschreden. Deze omgevingswaarden liggen voor zowel NO2 als PM10 op een jaargemiddelde van 40 microgram/m3. Onder de Omgevingswet staan aandachtsgebieden voor luchtkwaliteit opgenomen. De aandachtsgebieden staan in artikel 5.51 lid 2 van het Bkl. Uit artikel 5.53 en 5.54 van het Bkl volgen de grenzen voor niet in betekende mate bijdraagt aan de luchtkwaliteit als de toename van de concentratie maatgevende stoffen niet hoger is dan 1,2 µg/m3.

4.6.2

Resultaten

Aan de hand van de verkeersgeneratie (weekdaggemiddelde) is bekeken of de voorgenomen tijdelijke functiewijziging in betekenende mate een bijdrage heeft op de luchtkwaliteit. Door het invullen van de verkeersgeneratie in de NIBM-tool (geraadpleegd 7 oktober 2024) is gebleken dat de voorgenomen tijdelijke functiewijziging niet in betekenende mate bijdraagt (zie afbeelding 4.2 ). Dit betreft een worst-case berekening.

34 | 47

Witteveen+Bos | 142429/24-018.212 | Definitief

Afbeelding 4.2 Resultaten NIBM-tool (d.d. 7 oktober 2024)

Achtergrondconcentratie N02 bedraagt minder dan 20 microgram per m3 en de achtergrondconcentratie PM10 bedraagt minder dan 16 microgram per m3. De achtergrondconcentraties liggen daarmee ruim onder de wettelijke grenswaarde van 40 microgram per m3. Afbeelding 4.3 Concentraties NO2. Bron: Atlas Leefomgeving

35 | 47

Witteveen+Bos | 142429/24-018.212 | Definitief

Afbeelding 4.4 Concentraties PM10. Bron: Atlas Leefomgeving

4.6.3

Conclusie

Uit artikel 5.53 en 5.54 Bkl volgt dat een project niet in betekende mate bijdraagt aan de luchtkwaliteit als de toename van de concentratie NO2 en PM10 niet hoger is dan 1,2 microgram/m3. Deze waardes worden niet overschreden. Bovendien is ter plaatse sprake van een goede luchtkwaliteit. Daarom vormt het thema luchtkwaliteit geen belemmering voor de voorgenomen ontwikkeling.

4.7

Geluid

Bij de aanvraag voor een vergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit dient het aspect geluid beoordeeld te worden. Bij het aspect geluid gaat het om het ruimtelijk mogelijk maken van een geluidsbron (zoals een weg, spoorweg of industrie) enerzijds en bestemmingen die een zekere mate van rust nodig hebben (zoals woningen, scholen en ziekenhuizen) anderzijds. Nieuwe ontwikkelingen moeten voldoen aan de wet- en regelgeving die is opgenomen in de Omgevingswet en bijbehorende besluiten.

4.7.1

Toetsingskader

Veel functies in de fysieke leefomgeving hebben te maken met geluid. Ze maken geluid of ze worden eraan blootgesteld. De regels over geluid gaan over het beheersen van geluid door wegen, spoorwegen en industrieterreinen en de bescherming van geluidgevoelige gebouwen en andere gebouwen en plekken. Ook zijn direct werkende regels in de bruidsschat opgenomen. Dit zijn de regels voor het bepalen en beoordelen van geluid door een toegelaten activiteit. Echter gaat het hier niet om een toegelaten activiteit en wordt daarom een BOPA aangevraagd. De regels van de bruidsschat zijn daarom niet van toepassing.

De instructieregels uit afdeling 3.5 Bkl zijn van toepassing op de beheersing van geluid door een weg, spoorweg of industrieterrein (artikel 3.18 lid 1 Bkl). De wetgever maakt onderscheid tussen geluidbronnen met een geluidproductieplafond als omgevingswaarde (gpp) en bronnen met een basisgeluidemissie (bge).

36 | 47

Witteveen+Bos | 142429/24-018.212 | Definitief

Geluid afkomstig van wegen, spoorwegen en industrieterreinen heeft invloed op de omgeving. Het Bevoegd Gezag beoordeelt geluid van deze bronnen bij geluidgevoelige gebouwen (artikel 3.20 Bkl). Het rijk stelt voor een aantal gebouwen specifieke regels. Deze instructieregels van het Bkl voor geluid zijn gericht op aangewezen geluidgevoelige gebouwen (artikel 3.20 Bkl) en stiltegebieden (artikel 7.11 Bkl). In de aanwijzing van geluidgevoelige gebouwen is de functie (zoals wonen, onderwijs of zorg) bepalend (artikel 3.20 Bkl). Voor andere gebouwen of locaties bepaalt de gemeente zelf de mate van bescherming tegen geluid. Dat doet de gemeente vanuit haar taak ‘evenwichtige toedeling van functies aan locaties’. Realisatiefase De regels voor ‘werkzaamheden met een verplaatsbaar mijnbouwwerk’ zijn opgenomen in paragraaf 4.109 van het Besluit activiteiten leefomgeving.

Artikel 4.1121a beschrijft de eisen die gelden voor het geluid van mijnbouwactiviteiten: 4 het langtijdgemiddelde beoordelingsniveau LAr,LT van het geluid en het maximaal geluidniveau LAmax veroorzaakt door het verplaatsbare mijnbouwwerk, zijn niet meer dan de waarden, bedoeld in tabel 4.1121a van het Bal (opgenomen in tabel 2.1); 5 het maximale geluidniveau LAmax is niet van toepassing op het laden en lossen, transportbewegingen, pipehandling en het verbranden van gas of aardgas in de openlucht; 6 de activiteiten, bedoeld in het tweede lid, worden verricht tussen 07.00 en 19.00 uur, tenzij dit redelijkerwijs niet mogelijk is; 7 de waarden voor geluidgevoelige ruimten binnen geluidgevoelige gebouwen gelden niet als: 1 het geluidgevoelige gebouw nog niet aanwezig is; 2 de eigenaar van het geluidgevoelige gebouw weigert mee te werken aan het onderzoek naar het geluid door het verplaatsbare mijnbouwwerk in geluidgevoelige ruimten binnen het gebouw; of, 3 het geluidgevoelige gebouw geheel of gedeeltelijk ligt op een industrieterrein waarvoor geluidproductieplafonds als omgevingswaarden zijn vastgesteld; 8 op het meten en berekenen van de geluidniveaus zijn de bij de ministeriële regeling gestelde regels van toepassing. Tabel 4.3 Toegestane geluidniveaus volgens artikel 4.1121a van het Bal 07.00 – 19.00 uur

19.00 – 23.00 uur

23.00 – 07.00 uur

langtijdgemiddelde beoordelingsniveau LAr,LT op een afstand van 300 m vanaf het hart van het verplaatsbare mijnbouwwerk

60 dB(A)

55 dB(A)

50 dB(A)

langtijdgemiddelde beoordelingsniveau LAr,LT in geluidgevoelige ruimten van geluidgevoelige gebouwen op een afstand van ten hoogste 300 m vanaf het hart van het verplaatsbare mijnbouwwerk

40 dB(A)

35 dB(A)

30 dB(A)

maximaal geluidniveau LAmax op een afstand van 300 m vanaf het hart van het verplaatsbare mijnbouwwerk

70 dB(A)

65 dB(A)

60 dB(A)

Gebruiksfase Het omgevingsplan van de gemeente Heerlen stelt in artikel 22.60 gevallen op waar het verplicht is een geluidonderzoek uit te voeren. De gebruiksfase van onderhavige situatie voldoet niet aan deze eisen, waardoor een akoestisch niet noodzakelijk is, en wordt ook niet gezien als milieubelastende activiteit. Desalniettemin is het geluid in de gebruiksfase in beschouwing genomen. De standaardwaarden die gelden voor milieubelastende activiteiten bedraagt 50, 45 en 40 dB(A) in respectievelijk de dag-, avond- en nachtperiode voor het langtijdgemiddeld beoordelingsniveau. Maximale geluidniveaus zijn toegestaan tot 70, 65 en 60 dB(A) in respectievelijk de dag-, avond- en nachtperiode.

4.7.2

Resultaten

37 | 47

Witteveen+Bos | 142429/24-018.212 | Definitief

Volgens het akoestisch onderzoek, uitgevoerd door Witteveen+Bos (2024) worden aan alle geluidseisen voldaan. De langtijdgemiddelde beoordelingsniveaus zijn lager dan de vereiste 50 dB. De geluidcontouren om de boorlocatie bevinden zich namelijk binnen een afstand van 300 m (zie afbeelding 4.5) Dat betekent dat aan deze eis wordt voldaan. Afbeelding 4.5 Resultaten langtijdgemiddeld beoordelingsniveau

Ook bevinden de maximale geluidsniveaus zich binnen de geluidscontouren van de maximale toegestane 60 dB bij een afstand van 300 m. Aan deze eis wordt dus voldaan.

38 | 47

Witteveen+Bos | 142429/24-018.212 | Definitief

Afbeelding 4.6 Resultaten maximaal geluidniveau

Tot slot geldt dat voor het binnen niveau het geluid op de gevel van de omliggende woningen ten hoogste 50 dB bedraagt in zowel de dag, de avond- en de nachtperiode. Met een gevelwering van 20 dB wordt in de nachtperiode precies aan de eis van 30 dB voldaan.

4.7.3

Conclusie

De geluidsbelasting van de warmtebron voldoet aan een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. Vanuit het thema geluid zijn er geen belemmeringen voor de voorgenomen functiewijziging.

4.8

Omgevingsveiligheid

De discipline omgevingsveiligheid houdt zich bezig met het beheersen van de hieraan verbonden risico’s voor mensen die zich in de nabijheid van gevaarlijke stoffen bevinden. Daarnaast horen bij omgevingsveiligheid de risico’s volgend uit het in werking hebben van windturbines en luchthavens. Het Nederlandse omgevingsveiligheidsbeleid is gericht op de bescherming van individuen die zich bevinden in beperkt kwetsbare en kwetsbare objecten en locaties en zeer kwetsbare gebouwen. Dit worden ook wel de risico-ontvangers genoemd. In het kader van het vaststellen van nieuwe ruimtelijke plannen zoals een omgevingsplan of afwijking van een omgevingsplan moet worden getoetst of het realiseren van het project een onacceptabel omgevingsveiligheidsrisico oplevert. Hiertoe wordt getoetst aan het plaatsgebonden risico en het groepsrisico. Het groepsrisico wordt onder de Omgevingswet vaak ingevuld door aandachtsgebieden. In deze paragraaf wordt eerst het toetsingskader beschreven met de daarbij behorende definities van het plaatsgebonden risico, het groepsrisico en aandachtsgebieden. Daarna komen de risicobronnen die zich in het gebied bevinden aan de orde en is getoetst aan de geldende wet- en regelgeving.

39 | 47

Witteveen+Bos | 142429/24-018.212 | Definitief

4.8.1

Toetsingskader

Het doel van het omgevingsveiligheidsbeleid is tweeledig: - de bescherming van personen middels borgen van voldoende afstand tussen (beperkt) kwetsbare objecten & locaties en risicobronnen; - het mogelijk maken om te werken met gevaarlijke stoffen. De gevaarlijke stoffen kennen 2 verschillende bronnen: - stationaire bronnen, zoals een fabriek of een lpg-vulpunt; - mobiele bronnen, zoals transport van gevaarlijke stoffen over wegen en door leidingen. Voor transport is de 'Wet vervoer gevaarlijke stoffen' van belang. Regeling Basisnet blijft geldend, ook onder de Omgevingswet. Hieruit volgt ook dat de Handleiding Risicoanalyse Transport geldend blijft. Het plaatsgebonden risico (PR) is de kans dat een persoon, die zich gedurende een jaar onafgebroken en onbeschermd op een bepaalde plaats bevindt, overlijdt als gevolg van een ongeval met gevaarlijke stoffen. Dit risico wordt per bedrijf vastgelegd in contouren. Er geldt een contour waarbinnen die kans 10-6 (1 op 1.000.000) bedraagt. Binnen deze contour mogen in ieder geval geen zeer kwetsbare objecten, of kwetsbare objecten en locaties (onder andere scholen, gebouwen waar zich veel mensen bevinden en gebouwen waar zich minder zelfredzame personen kunnen bevinden) aanwezig zijn of voorzien worden. Er wordt anders omgegaan met het groepsrisico onder de Omgevingswet dan voorheen.

Aandachtsgebieden maken zichtbaar waar mensen binnenshuis, zonder aanvullende maatregelen, onvoldoende beschermd kunnen zijn tegen de gevolgen van ongevallen met gevaarlijke stoffen. Dit dient als een beginpunt om na te denken over veiligheid en maatregelen. Binnen een (explosie-, brand- en gifwolk) aandachtsgebied kan een gemeente voorschriftgebieden aanwijzen, welke worden opgenomen in het omgevingsplan. In de voorschriftgebieden gelden aanvullende bouweisen voor nieuwbouw volgens artikel 4.90 tot en met 4.96 van het Besluit bouwwerken leefomgeving (Bbl). Echter, blijft het groepsrisico (GR) nog wel parallel in gebruik. Het GR is de kans dat een groep personen binnen een bepaald gebied overlijdt ten gevolge van een ongeval met gevaarlijke stoffen. De oriëntatiewaarde geeft hierbij de indicatie van een aanvaardbaar groepsrisico.

4.8.2

Resultaten

De ontwikkeling leidt niet tot de realisatie van een nieuwe risicobron. Daarom leidt de warmtebron vanuit het aspect omgevingsveiligheid niet tot een eventueel knelpunt voor omliggende (beperkt) kwetsbare objecten. Ook wordt rekening gehouden met het hekwerk en wordt deze zodanig geplaatst, dat er geen onbevoegden binnen de PR=10-6 afstand kunnen komen. Uit het QRA-onderzoek van Witteveen+Bos (2024, met kenmerk 142429 MER HLH-GT-05/24-015.435), die is toegevoegd als bijlage bij de vergunningaanvraag, blijkt het volgende. De berekende risico contouren staan weergegeven in afbeelding 4.7.

40 | 47

Witteveen+Bos | 142429/24-018.212 | Definitief

Afbeelding 4.7 Plaatsgebonden risico contouren voor de boring HLH-GT-05

De plaatsgebonden risicocontour van 10-6/jaar ligt voor een groot deel binnen de inrichtingsgrens van de mijnbouwlocatie, in afbeelding 4.7 met roze aangegeven. Een deel van de 10-6/jaar contour ligt buiten de inrichtingsgrens, maar vormt geen risico voor verkeer op de nabijgelegen Terhoevenderweg. Het deel dat buiten de eigen locatie is gelegen, is relevant voor toetsing aan de norm. Binnen dit deel van de contour vallen geen gevoelige gebouwen of locaties. Er zijn geen nieuwe ontwikkelingen op binnen de PR 1E-6 contour bekend. Hiermee is voldaan aan de normwaarde van het Barmm (namelijk: binnen de 10-6/jaar mag geen kwetsbaar object aanwezig zijn). Het invloedsgebied is berekend voor de bovengenoemde scenario’s en de worst case inschatting bij verschillende weerklassen. De resultaten staan hieronder weergegeven. Zoals te zien in de tabel is dat lekkages voor de grootste effectafstanden zorgen.

Tabel 4.4 Effectafstand tot 1% kans op overlijden [m] Scenario

Effectafstand bij weertype overdag D5.0 [m]

Effectafstand bij weertype ’s nachts F1.5 [m]

lek verticaal

11

0

lek horizontaal

26

26

blow-out

15

4

Zoals in tabel 4.4 hierboven weergegeven het invloedsgebied bedraagt 26 m. In dit scenario is de afstand gebaseerd op de warmtestraling van een horizontaal brandende fakkel met een 1 % letaliteitcriterium van 10 kW/m2 voor 20 seconden.

41 | 47

Witteveen+Bos | 142429/24-018.212 | Definitief

Afbeelding 4.8 Aandachtsgebied voor boring HLH-GT-05

Aandachtsgebieden In Afbeelding 4.8 is het brandaandachtsgebied gegeven. Binnen het brandaandachtsgebied zijn geen kwetsbare locaties of gebouwen gelegen. Als gevolg zijn geen slachtoffers in de omgeving te verwachten bij een calamiteit op de boorlocatie van HLH-GT-05. Hierdoor wordt de verantwoording van het groepsrisico als ingevuld gezien.

4.8.3

Conclusie

Beschouwd is in hoeverre de risico’s omtrent omgevingsveiligheid leiden tot een belemmering voor het voorgenomen initiatief. Gebleken is dat zowel het plaatsgebonden risico als het groepsrisico geen belemmering vormen voor de voorgenomen ontwikkeling.

4.9

Archeologie en cultuurhistorie

Op grond van het Besluit ruimtelijke ordening is het verplicht om bij ruimtelijke plannen een beschrijving op te nemen van de manier waarop er rekening is gehouden met de in het gebied aanwezige cultuurhistorische waarden (gebouwd erfgoed, cultuurlandschap en archeologie). Hierbij gaat het om zowel beschermde objecten en structuren, als niet beschermde objecten als structuren. Toetsingskader De bescherming van archeologisch en cultureel erfgoed in Nederland is vastgelegd in de Erfgoedwet, die op 1 juli 2016 in werking is getreden. De Erfgoedwet is in de plaats gekomen van 6 wetten en regelingen op het gebied van cultureel erfgoed, waaronder de Monumentenwet 1988. Onderdelen van de Monumentenwet, die van toepassing waren op de fysieke leefomgeving gaan naar de Omgevingswet, die naar verwachting in 2022 van kracht wordt. Voor deze onderdelen is daartoe in de Erfgoedwet een overgangsregeling opgenomen.

42 | 47

Witteveen+Bos | 142429/24-018.212 | Definitief

Resultaten Volgens het archeologische onderzoek van Witteveen+Bos (2024) geldt het volgende. Voor dit perceel geldt geen dubbelbestemming archeologie. Wel is de ‘Beleidsnota Archeologie gemeente Heerlen’ geraadpleegd (d.d. 11 januari 2018) waarin staat weergegeven dat het plangebied onder meerdere archeologische verwachtingswaarden valt. Volgens de hoogste verwachtingscategorie is archeologisch onderzoek verplicht bij een projectoppervlakte van >250 m² en bij bodemingrepen dieper dan 0,40 m-mv.

Afbeelding 4.9 Uitsneden van de beleidskaart archeologie en legenda. Het plangebied (rode stippellijn) valt binnen diverse archeologische verwachtingswaarden

43 | 47

Witteveen+Bos | 142429/24-018.212 | Definitief

Afbeelding 4.10 Archeologische waarde-categorieën gemeente Heerlen met bijbehorende vrijstellingsgrenzen

De voorgenomen werkzaamheden, het plaatsen van een technische unit met en bronkelder (maximale lengte 20,5 en breedte 5,5 meter), overschrijden de grens van verwachtingscategorieën 3 en 4 niet, waardoor bij geen van de verwachtingscategorieën onderzoek verplicht is. Er zullen rijplaten gebruikt worden voor de tijdelijke aanrijroute en parkeerplaats. Door rijplaten te gebruiken zijn daarvoor geen grondroerende werkzaamheden nodig. Verder geldt er op grond van art. 5.10 (paragraaf 5.4.) alleen een meldingsplicht (terstond) bij een toevalsvondst. In het geval van een toevalsvondst van archeologische resten zal een melding worden gedaan. Cultuurhistorie Het planvoornemen vindt niet plaatst in nabijheid van monumenten en heeft daarmee geen effect op Rijks, provinciale of gemeentelijke monumenten. De projectlocatie is provinciaal niet aangeduid als een gebied van cultuurhistorisch belang. Conclusie Het te ontwikkelen perceel heeft een oppervlakte van minder dan 250 m². Vanwege de omvang van het plangebied en de voorgenomen werkzaamheden is een archeologisch bureauonderzoek daarom niet verplicht. Echter geldt wel een meldingsplicht bij toevalsvondsten. Verder heeft het planvormen geen effect op monumenten en is het gebied niet aangeduid als van cultuurhistorisch belang. Ten aanzien van archeologie en cultuurhistorie zijn er geen belemmeringen op de voorgenomen ontwikkeling.

De graafwerkzaamheden worden uiterlijk twee weken voor aanvang gemeld bij de regioarcheoloog van Parkstad, zodat het bevoegd gezag in de gelegenheid is de melding te toetsen conform de vereisten van de Erfgoedwet.

4.10

Bodemkwaliteit

Op grond van de instructieregel uit artikel 5.89i Bkl moeten de waarden voor de toelaatbare kwaliteit van de bodem voor het bouwen van bodemgevoelig gebouwen op een bodemgevoelig locatie voor de in bijlage XIIIa aangewezen stoffen die de gezondheid bedreigen worden opgenomen in het definitieve omgevingsplan. Deze waarden kunnen per gebied of gebruiksfunctie verschillen. Op grond van het Bkl dient in verband met de uitvoerbaarheid van een plan rekening te worden gehouden met de bodemgesteldheid op de projectlocatie. Met andere woorden: is de milieuhygiënische kwaliteit van de bodem geschikt voor de beoogde bestemming(en)/functie(s)? Is er bodemverontreiniging die de functiedoelen kan frustreren, levert dit gezondheidsrisico’s, ecologische risico’s of verspreidingsrisico’s op en kan er tijdig iets aan gedaan worden? Uitgangspunt is dat de bodemkwaliteit geen onaanvaardbaar risico oplevert voor de gebruikers van

44 | 47

Witteveen+Bos | 142429/24-018.212 | Definitief

de bodem. Bovendien mag de bodemkwaliteit niet verslechteren door grondverzet, zoals door graafwerkzaamheden.

4.10.1 Toetsingskader In het geval dat de desbetreffende bodemkwaliteit niet voldoet aan de norm voor de beoogde functie bepaalt de Omgevingswet dat de grond functiegericht gesaneerd moet worden. Dit betekent dat de grond zodanig gesaneerd moet worden dat de grond kan worden gebruikt voor de desbetreffende functie. Nieuwe bestemmingen dienen bij voorkeur op schone grond te worden gerealiseerd en bij wijzigingen van activiteiten geldt dat de bodem geschikt moet zijn voor het beoogde gebruik. De toelaatbare kwaliteit van de bodem voor het bouwen van een bodemgevoelig gebouw worden opgenomen in het definitieve omgevingsplan conform artikel 5.89i van het Bkl. Daarnaast zijn er specifieke regels over bodem opgenomen in het Aanvullingsbesluit Bodem en de activiteiten zijn opgenomen in het Besluit activiteiten leefomgeving: - regels over nazorg van de bodem na saneren op grond van het Besluit activiteiten leefomgeving, het omgevingsplan, een omgevingsvergunning of een maatwerk voorschrift (artikel IIIa, paragraaf 2.3.6a.2); - regels over graven in de bodem (paragraaf 3.2.21 en 3.2.22; Bal); - regels over activiteiten op een locatie met historische bodemverontreiniging zonder onaanvaardbaar risico (paragraaf 2.3.6a.4); Bij wijzigingen van activiteiten geldt dat de bodem geschikt moet zijn voor het beoogde gebruik.

Dit kan betekenen dat een onderzoek moet worden verricht naar de bodem- en waterbodemkwaliteit.

4.10.2 Resultaten Ten behoeve van het planvoornemen is zowel een vooronderzoek bodem, als verkennend bodemonderzoek (Witteveen+Bos, 2024) uitgevoerd. Hieronder worden de conclusies en aanbevelingen van het vooronderzoek en het verkennend bodemonderzoek benoemd. Ter volledigheid is het onderzoek bijgevoegd in de bijlagen van onderhavig rapport. Tabel 4.4 Overzicht conclusies en aanbevelingen Deellocatie

Conclusies bodemkwaliteit

Advies voor aanvullend onderzoek

A - Deel overlap met stortplaats (<1.500).

Op locatie is een ophooglaag van mijnsteen aanwezig. Deze laag is heterogeen diffuus verontreinigd met zware metalen en PAK (bodemkwaliteitsklasse industrie). De interventiewaarde bodemkwaliteit wordt niet overschreden. De stortplaats is niet aangetroffen binnen de boordiepte van 5 mmv. De gemeten gehalten aan PFAS voldoen aan bodemkwaliteitsklasse landbouw/natuur.

Voor de afzet van het vrijkomende mijnsteen uit de te graven kelder kan geen gebruik worden gemaakt van de bodemkwaliteitskaart. Op basis van dit onderzoek kan de vrijkomende mijnsteen worden beschouwd als één partij. Het advies is om een partijkeuring conform protocol 1001 uit te voeren om een geldig bewijsmiddel te verkrijgen voor afzet van het mijnsteen. Dit kan zowel in-situ (voorafgaand uitvoering) als ex-situ (door aannemer tijdens uitvoering).

De nulsituatie bodemkwaliteit is voldoende vastgesteld voor het werkterrein. B - Deel zonder overlap stortplaats (<500).

Op locatie is een ophooglaag van mijnsteen aanwezig. Deze laag is heterogeen diffuus verontreinigd met zware metalen en PAK (bodemkwaliteitsklasse industrie). De interventiewaarde bodemkwaliteit wordt niet overschreden. De gemeten gehalten aan PFAS overschrijden aan de oostzijde bodemkwaliteitsklasse wonen/industrie. De nulsituatie bodemkwaliteit is voldoende vastgesteld voor het werkterrein.

45 | 47

Witteveen+Bos | 142429/24-018.212 | Definitief

In de directe omgeving van de verontreiniging met PFAS is grondroering in de bovengrond voorzien voor de aanleg van het werkterrein en een vloeistofkerende vloer. Ook is een tijdelijke greppel voorzien. Voorafgaand aan de uitvoering van de werkzaamheden moet aanvullend onderzoek gedaan worden door de aannemer om de verontreiniging af te perken. Dit wordt contractueel vastgelegd met de aannemer. De met PFAS verontreinigde grond

Deellocatie

Conclusies bodemkwaliteit

Advies voor aanvullend onderzoek moet tijdens graafwerkzaamheden separaat worden ontgraven en afgevoerd.

C - HBB-locatie (<50).

Op locatie is een ophooglaag van mijnsteen aanwezig. Deze laag is heterogeen diffuus verontreinigd met zware metalen en PAK (bodemkwaliteitsklasse industrie). De interventiewaarde bodemkwaliteit wordt niet overschreden. Er zijn geen aanwijzingen voor bodemverontreiniging

Aanvullend onderzoek wordt niet noodzakelijk geacht.

4.10.3 Conclusie Uit het uitgevoerde vooronderzoek en het verkennend bodemonderzoek (Witteveen+Bos, 2024) blijkt dat de bodemkwaliteit op de onderzochte deellocaties in overwegende mate voldoet aan de gestelde normen voor het voorgenomen gebruik. Op alle locaties is sprake van een ophooglaag van mijnsteen die diffuus verontreinigd is met zware metalen en PAK, waarbij de interventiewaarden niet worden overschreden. Voor de deellocaties A en B zijn aanvullende maatregelen of onderzoeken noodzakelijk, met name ten aanzien van de afvoer en verwerking van het vrijkomende materiaal en het omgaan met PFAS-verontreiniging. Dit wordt contractueel vastgelegd met de aannemer. Voor de HBB-locatie (deellocatie C) zijn geen aanwijzingen voor ernstige verontreiniging en is aanvullend onderzoek niet nodig. Op basis van de huidige onderzoeksresultaten vormt de bodemkwaliteit geen belemmering voor de voorgenomen ontwikkeling. Wel moeten bij de uitvoering van de werkzaamheden de aanbevelingen uit het bodemonderzoek worden opgevolgd. Het volledige onderzoek is opgenomen als bijlage bij de vergunningaanvraag.

46 | 47

Witteveen+Bos | 142429/24-018.212 | Definitief

5 UITVOERBAARHEID 5.1

Maatschappelijke uitvoerbaarheid en participatieproces

Een project dient maatschappelijk uitvoerbaar te zijn. Bij het aanvragen van een BOPA dient de initiatiefnemer aan te geven of er aan participatie is gedaan. Zo ja, in welke vorm, en wat de resultaten hiervan zijn. Mijnwater Energy B.V. heeft de omwonenden uit de aangrenzende wijk Rennemig en bedrijven uit het aangrenzende bedrijventerrein De Koumen geïnformeerd via een brief. De brief bevatte tevens een uitnodiging om een informatiebijeenkomst bij te wonen. Vanwege het lage aantal aanmeldingen is besloten om de bijeenkomst te annuleren en de enige 2 aangemelde omwonenden persoonlijk te benaderen. De vragen en zorgen van de omwonenden zijn verwerkt in de Q&A-sectie op de projectwebsite en is vastgelegd in het participatieverslag (als bijlage meegestuurd met de vergunningaanvraag). Hiermee wordt de informatie toegankelijk gemaakt voor het bredere publiek.

5.2

Economische uitvoerbaarheid

5.2.1

Financiering

Voor het gebruik van de grond wordt door Mijnwater Energy B.V. een privaatrechtelijke overeenkomst afgesloten met de gemeente Heerlen (grondeigenaar) en worden er geen omstandigheden verwacht, waardoor aannemelijk wordt dat de ontwikkeling niet kan worden gerealiseerd. Zo is er ook een KLICmelding gedaan en zijn de kabels & leidingen inzichtelijk. Mijnwater Energy B.V. garandeert de financiering van de uitvoering tijdens de exploitatieduur.

5.2.2

Beheer en onderhoud

Mijnwater verzorgt het beheer en onderhoud van de bebouwing en de belaste strook gedurende het gebruik van de warmtebron. Maandelijks vindt er een werkplekinspectie plaats, jaarlijks een inspectie ten behoeve van onderhoud en 5-jaarlijks wordt groot onderhoud uitgevoerd.

5.3

Handhaafbaarheid

De omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit is bindend voor zowel de overheid als de burger. De primaire verantwoordelijkheid voor controle en handhaving van de omgevingsvergunning ligt bij de gemeente. Het handhavingsbeleid van de gemeente Heerlen vormt de basis van de handhaving binnen de gemeentelijke grenzen. Handhaving kan worden omschreven als elke handeling die erop gericht is de naleving van regelgeving te bevorderen of een overtreding te beëindigen. Het doel van handhaving is om de bescherming van mens en omgeving te waarborgen tegen ongewenste activiteiten en overlast. In het kader van handhaving zal afstemming met gemeente en politie plaatsvinden.

47 | 47

Witteveen+Bos | 142429/24-018.212 | Definitief

In het kader van de implementatie van de bopa in het omgevingsplan is het van belang om de voorgenomen activiteit duidelijk te kwalificeren en aan te geven binnen welke planologische randvoorwaarden deze plaatsvindt. De volgende randvoorwaarden zijn van toepassing: -

Bouwvlak: gehele terrein moet worden aangewezen als bouwvlak en voorwaarde is dat het bouwvlak 100% bebouwd mag worden; Ondergronds bouwen: toegestaan tot max. 3 meter; Verharding ten behoeve van parkeren: halve verharding, blijft onder de 100 m2.

Deze kwalificatie en randvoorwaarden zullen worden meegenomen door de gemeente Heerlen bij de latere verwerking van de bopa in het definitieve deel van het omgevingsplan.

48 | 47

Witteveen+Bos | 142429/24-018.212 | Definitief

www.witteveenbos.com

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Heerlen&id=8e90c649-cd06-41be-9a4e-923f5f4bc00d