Reactienota definitieve versie (geanonimiseerd) Schoterlandsweg 22 te Katlijk
Tekst van het document
Reactienota ontwerpomgevingsvergunning en ontwerpverklaringen van geen bedenkingen Schoterlandseweg 22 Katlijk (‘Moskoupleats’) Inleiding De ontwerpomgevingsvergunning alsmede de daarbij behorende stukken, waaronder een ontwerpverklaring van geen bedenkingen van de gemeenteraad en het college van gedeputeerde staten, Schoterlandseweg 22 Katlijk (‘Moskoupleats’) heeft met ingang van 1 april 2021 gedurende zes weken voor eenieder ter inzage gelegen. Tijdens deze periode bestond de mogelijkheid zienswijzen in te dienen. Een en ander is op de gebruikelijke wijze bekend gemaakt door middel van een publicatie in het Gemeenteblad en de Staatscourant van 31 maart 2021. Zienswijzen Tijdens de periode dat de ontwerpomgevingsvergunning alsmede de ontwerpverklaringen van geen bedenkingen van de gemeenteraad en het college van gedeputeerde staten ter inzage heeft gelegen zijn er zestien zienswijzen ontvangen. De zienswijzen zijn ingediend door: 1. […] Katlijk, per brief, ontvangen op 29-04-2021 2. […] Katlijk, per brief, ontvangen op 07-05-2021 3. […] Katlijk, DigiD aanmelding, ontvangen op 09-05-2021 4. […] Katlijk, DigiD aanmelding, ontvangen op 09-05-2021 5. […] Katlijk, DigiD aanmelding, ontvangen op 09-05-2021 6. […] Katlijk, DigiD aanmelding, ontvangen op 10-05-2021 7. […] Katlijk, per e-mail, ontvangen op 10-05-2021 8. […] Katlijk, DigiD aanmelding, ontvangen op 10-05-2021 9.
[…] Katlijk, per e-mail, ontvangen op 10-05-2021 10. […] Heerenveen, per e-mail, ontvangen op 11-05-2021 11. […] Katlijk, DigiD aanmelding, ontvangen op 11-05-2021 12. […] Katlijk, DigiD aanmelding, ontvangen op 11-05-2021 13. […] Katlijk, per brief, ontvangen op 11-05-2021 14. […] Katlijk, per brief, ontvangen op 11-05-2021 15. […] Katlijk, per e-mail, ontvangen op 12-05-2021 16. […] Katlijk, DigiD aanmelding, ontvangen op 12-05-2021 Inhoud zienswijzen en antwoorden daarop De onderwerpen die aangevoerd worden in de zienswijzen zijn voor een groot deel gelijk. Daarom wordt de beantwoording van de zienswijzen per onderwerp gedaan, waarbij telkens de strekking van de zienswijzen (kort samengevat) wordt weergegeven. 1.
Doelgroep ontwerpomgevingsvergunning (zienswijze 1, 6 en 7)
In de voorschriften van de ontwerpomgevingsvergunning wordt niet duidelijk aangegeven voor welke doelgroep de omgevingsvergunning wordt verleend. Volstaan wordt met een verwijzing naar verschillende bijlagen waaruit niet kan worden opgemaakt welke doelgroep
het betreft. Zo verwijst het college van B&W naar het ‘Besluit gemeenteraad ontwerp vvgb’. Juist in deze verklaring van geen bedenkingen (hierna: vvgb) ontbreekt de doelgroep, terwijl die vvgb de onderlegger vormt voor de omgevingsvergunning. De beschrijving van de doelgroep is bovendien regelmatig veranderd. In de door initiatiefnemers verstuurde folder van november 2020 staat dat het gaat om cliënten met WLZ GGZ categorie 3 en 4. In de brief d.d. 25 februari 2021 is het plotseling veranderd naar WLZ GGZ categorie 1 en 2. Gevreesd wordt dat deze weer verandert als de cliënten eenmaal op locatie woonachtig zijn. Tijdens de informatieavond op 9 februari jl. is aangegeven dat hier niet op kan worden gehandhaafd. Antwoord De doelgroep wordt beschreven in de in het van toepassing zijnde voorschrift opgesomde bijlagen. Zij moeten in onderlinge samenhang worden gelezen. In de bijlage ‘Antwoord_inzake_zorgprofielen.pdf’ d.d. 26-1-2021, die integraal onderdeel is van de omgevingsvergunning en waarnaar dus ook in het voorschrift wordt verwezen, heeft initiatiefnemer duidelijk aangegeven welke zorgprofielen bij die doelgroep horen, namelijk: -
WLZ-GGZ 1 Wonen met intensieve begeleiding; WLZ-GGZ 2 Wonen met intensieve begeleiding en verzorging.
De omgevingsvergunning wordt dus verleend voor cliënten uit de doelgroep met een van bovenstaande zorgprofielen. Dat in de bijlage ‘Besluit gemeenteraad ontwerp vvgb 18032021.pdf’, waarnaar in het vergunningvoorschrift wordt verwezen, de doelgroep ontbreekt is niet waar. De ontwerpomgevingsvergunning is namelijk integraal onderdeel van deze bijlage. In het raadsvoorstel wordt deze immers expliciet als bijlage genoemd. De vrees dat cliënten met zwaardere zorgprofielen worden gehuisvest is ongegrond. De vergunning wordt verleend voor cliënten uit de doelgroep met een van bovenstaande zorgprofielen. De zorgindicatie kan worden opgevraagd om te controleren of de in de Moskoupleats woonachtige cliënten het juiste zorgprofiel hebben. Indien dat niet het geval is, wordt er in strijd met het voorschrift uit de omgevingsvergunning gehandeld en kan daartegen handhavend worden opgetreden. 2.
Doelgroep raadsbesluit (zienswijze 1, 2, 6, 8, 9, 13 en 14)
In het raadbesluit wordt niet aangegeven voor welke doelgroep de (ontwerp)verklaring van geen bedenkingen wordt afgegeven. Verzoek is om dit alsnog te doen. De wethouder heeft ons verzekerd dat het woonzorgcomplex uitsluitend gebruikt zal worden voor WLZ 1 en WLZ 2. Als de gemeenteraad dit nalaat, geeft hij het college vrijbrief om in de toekomst zwaardere categorieën te laten plaatsen, in die zin dat het college dan vergunning kan verlenen zonder tussenkomst van de gemeenteraad. Antwoord Wij verwijzen naar ons antwoord onder onderwerp 1. Het is niet nodig het verzoek in te willigen. Het raadsbesluit is genomen op grond van het raadsvoorstel. Beide maken onderdeel uit van de in het bedoelde voorschrift genoemde bijlage ‘Besluit gemeenteraad ontwerp vvgb 18032021.pdf’. In het raadsvoorstel wordt verwezen naar de (ontwerp)omgevingsvergunning. Middels een voorschrift daarin is geborgd dat alleen cliënten uit de doelgroep met een van de in het antwoord onder onderwerp 1 genoemde zorgprofielen wordt geplaatst. Als Thorp of wellicht een andere zorgaanbieder cliënten met een ander of zwaarder zorgprofiel wil plaatsen en daartoe een aanvraag
omgevingsvergunning indient, dient de gemeenteraad (onder het huidige recht) te worden verzocht om een verklaring van geen bedenkingen af te geven. 3.
Behoud en welzijn bijzondere diersoorten (zienswijze 11)
In de omgevingsvergunning dient meer aandacht te worden besteed aan behoud en welzijn van bijzondere diersoorten na de bouw. Huisvesting van 24 cliënten, werknemers en bijbehorende bezoeken van familie en zorgverleners zullen een dusdanige verstoring veroorzaken voor de natuur dat de voorgenomen en voorgestelde maatregelen ontoereikend zijn. Antwoord Ruimtelijke plannen dienen te worden getoetst aan de Wet natuurbescherming (Wnb). Daarnaast is de provincie verantwoordelijk voor de realisatie van het Natuurnetwerk Nederland (NNN). De provinciale verordening kent in dat verband een toetsing op een externe werking van onderhavig ruimtelijke plan, aangezien dit niet agrarische activiteiten betreft. Als ruimtelijk plan wordt het hele project, zowel de verbouw/nieuwbouw als de functieverandering (met een toename van personen op het terrein en vervoersbewegingen), aangemerkt. In de vergunning is dus ook aandacht besteed aan het effect van het project na de bouw op de natuur. De voorgestelde maatregelen zijn derhalve toereikend. 4.
Veiligheid omgeving (zienswijze 2, 4, 5, 11, 14, 15 en 16)
In de ontwerpomgevingsvergunning is als voorschrift opgenomen dat ter voorkoming van verstoring van de openbare orde in de nabije omgeving altijd begeleiding op het perceel aanwezig moet zijn. Tevens is als voorschrift opgenomen dat de contactgegevens altijd beschikbaar moeten zijn voor vragen en/of klachten rondom de verstoring van de openbare orde of veiligheid. Het college gaat er daarmee vanuit dat de doelgroep een groter risico vormt voor de omgeving dan mensen zonder onderhavige zorgindicatie. Tot slot wordt aangegeven dat de dagbestedingsgroep ‘koken en bakken’ aanvullende ingrediënten koopt onder begeleiding. Dit draagt niet bij aan het algemene gevoel van veiligheid. Met onderhavig initiatief worden wij, in de directe omgeving, geconfronteerd met een grote concentratie van mensen die verminderd toerekeningsvatbaar kunnen zijn, psychisch niet in orde zijn, sociale aanpassingsproblemen kunnen hebben, een justitieel verleden (diefstal, geweld of andere delicten) hebben en een (zwaar) drugsverleden hebben met een kans op recidive. Dit terwijl wij niet kundig zijn in de omgang met deze mensen en in geval van escalatie niet weten hoe deze doelgroep moet worden benaderd. De bewoners zal verder vrije beweging in de omgeving worden geboden. Zij moeten wel melden waar ze naartoe gaan. Er is te weinig begeleidingscapaciteit om dit te controleren.
Een dergelijke vrij beweging van mensen behorend tot onderhavige doelgroep draagt niet bij aan de veiligheid in de omgeving. Een locatie met 24 inwoners vergt een goede personele inzet, goed geschoold en bekend met de problematiek. Daarnaast hebben zij in Katlijk en omgeving nagenoeg niks te doen en gaan de bewoners zich met het beperkte en daarnaast vrijwillige dagbestedingsprogramma vervelen. Zij zullen zich daarom op andere manieren willen vermaken. De veiligheid van Katlijk in het algemeen en onze kinderen in het bijzonder is in het geding. Onze kinderen kunnen niet meer alleen en zonder toezicht in de omgeving spelen. Begeleiding in het gehele dorp/omgeving zou passend zijn. Antwoord De conclusie, dat wij ervan uitgaan dat de doelgroep een groter risico vormt voor de omgeving dan mensen zonder onderhavige zorgindicatie, is onjuist. De cliënten die in de Moskoupleats komen te wonen zijn onvoldoende in staat zelf vorm en inhoud aan hun leven te geven. Daarom krijgen zij begeleiding. Dat geldt ook voor het moment dat zij, in verband
met de dagbestedingsgroep ‘koken en bakken’, naar de supermarkt gaan. Begeleiding is aanwezig om de cliënten te ondersteunen bij het nemen van (voor ons makkelijke) beslissingen, zoals bijvoorbeeld in de supermarkt bij het beantwoorden van de vragen hoeveel en welke boodschappen nodig zijn. De mate van begeleiding die een cliënt nodig heeft, is onderdeel van het begeleidingsplan en is afhankelijk van zijn of haar zorgvraag. Het kan ook zijn dat de cliënt geen begeleiding nodig heeft, maar dat hij of zij het gezellig of handig (vanwege het aantal boodschappen dat gedragen moet worden) vindt, als een begeleider meegaat. Anders dan reclamanten suggereren, krijgen cliënten dus niet begeleiding om de mensen om hun heen (medebewoners, medewerkers en dorpsbewoners) tegen hen te beschermen. Het gaat hier niet om cliënten die een gevaar voor hunzelf en/of de omgeving vormen. De veiligheid van de omgeving is niet in het geding. Mensen bij wie dat wel het geval is, vallen in het justitiële kader, waarvoor veel strengere regels gelden. Forensisch psychiatrische patiënten en mensen met verslavings- en/of gedragsproblematiek zijn van plaatsing uitgesloten. Uit de stukken blijkt duidelijk dat er voldoende en goed geschoold personeel, dat bekend is met de problematiek, wordt ingezet. Daarnaast zijn er soms stagiaires en ook vrijwilligers.
De zorg en begeleiding die wordt gegeven wordt voortdurend gemonitord door de psychiater, die voor de begeleiders ook altijd bereikbaar is. Met de op locatie aangeboden begeleiding zijn wij van mening dat er sprake is van een goede ruimtelijke ordening. Om die goede ruimtelijke ordening te borgen hebben wij de voorschriften waarnaar wordt verwezen aan de (ontwerp)omgevingsvergunning verbonden. Omdat een deel van de tekst van de voorschriften een verkeerd beeld van de cliënten bij reclamanten heeft geschetst, is besloten de voorschriften (tekstueel) aan te passen, in die zin dat ze nu als volgt luiden: -
‘In het belang van een goede ruimtelijke ordening dient er, gelet op de (in het voorschrift hierboven genoemde stukken beschreven) doelgroep die op onderhavige locatie wordt gehuisvest, te allen tijde begeleiding op het perceel aanwezig te zijn’; ‘Vergunninghouder dient ervoor te zorgen dat te allen tijde actuele gegevens (waaronder een telefoonnummer) van een daarvoor aangewezen contactpersoon beschikbaar zijn, waar derden terecht kunnen in geval zij vragen en/of klachten in verband met een goede ruimtelijke ordening hebben’.
De bewoners zijn vrij om te gaan en staan waar zij willen. Zij kunnen niet worden opgesloten. Op grond van de Wet zorg en dwang mogen zij niet worden geweigerd het terrein te verlaten. Bewoners kunnen de locatie verlaten voor bijvoorbeeld een bezoek aan Heerenveen. De begeleiders van de woonvorm weten altijd waar bewoners zijn. Zij verlaten de locatie pas nadat ze dit gemeld hebben of onder begeleiding. Dit hangt af van het begeleidingsplan. Dat de bewoners niets te doen hebben, is niet aan de orde. De dagbesteding is een verplicht onderdeel van het verblijf in de woonvorm. Daarnaast hebben de cliënten vrije tijd waarbij Thorp hun ondersteunt. Deze vrije tijd kan in en rond het huis worden besteed, te denken valt aan schilderen, dierverzorging of sport. Faciliteiten daarvoor zijn aanwezig op de locatie. Ook kunnen cliënten op hun eigen kamer iets voor hunzelf doen. De bewoners in onderhavige woonvorm willen graag rust en ritme. Het activeren van hun is juist onderdeel van de begeleiding en het programma. Thorp selecteert cliënten die in deze woonvorm passen. Veroorzakers van overlast op en buiten de locatie horen daar dus niet bij. 5.
Veiligheid cliënten (zienswijze 15)
Dagbesteding is niet verplicht, waardoor de bewoners vrij zijn om te gaan en staan waar zij willen. Dit alles langs een zeer drukke provinciale weg. Dit is levensgevaarlijk voor bewoners die omwille een psychische stoornis niet zelfstandig kunnen wonen.
Antwoord De vrees is ongegrond. De dagbesteding is verplicht. Deze maakt deel uit van een vast (en verplicht) dagprogramma. Los daarvan hebben de cliënten bewegingsvrijheid: zij zijn vrij om te gaan en staan waar zij willen. Op basis van de Wet zorg en dwang mogen de cliënten niet worden geweigerd het terrein te verlaten. Dat de cliënten onvoldoende in staat zijn zelf vorm en inhoud aan hun leven te geven, specifieker zelfstandig te functioneren, betekent echter niet dat zij zich niet bekommeren om hun eigen veiligheid. 6.
Hulpdiensten (zienswijze 5, 8, 9 en 11)
Ervaring is dat bij een crisissituatie de benodigde hulp van de hulpdiensten erg langzaam op gang komt en te laat ter plekke is. Hulpdiensten zijn namelijk te ver verwijderd van het projectgebied en in het weekend is er een minimale bezetting in de wijde omgeving. Daarbij is de benodigde hulp ook nog eens ondeskundig naar cliënten toe. Ook is bewezen dat het omliggende gebied zo uitgestrekt is dat een crisisgeval in het niets kan verdwijnen en onvindbaar is voor de hulpdiensten. Twee voorbeelden hiervan zijn het overlijden van een dorpsbewoner van Nieuwehorne (500 meter van de Moskoupleats) na een poging tot zelfdoding op 17 januari 2019 en de moord op […] en […] (op onderhavige locatie) in september 2019. Antwoord Hetgeen wordt aangevoerd is niet – bijvoorbeeld aan de hand van een rapportage – onderbouwd. Er is geen aanleiding te veronderstellen dat op onderhavige locatie eerder een crisis ontstaat dan elders in Katlijk. Het projectgebied is gelegen in het buitengebied en valt volgens Dekkingsplan 2.0 in gebied 3. Op grond daarvan geldt voor de eerste eenheid voor brandweerzorg, politie en ambulance een maximale opkomsttijd van 15 minuten, ook in het weekend. Er is voor ons geen reden de opkomsttijd én de deskundigheid van de hulpdiensten in twijfel te trekken. 7.
Parkeergelegenheid en verkeersveiligheid (zienswijze 2, 4, 7, 8, 9, 10, 11 en 16)
Aangaande het parkeren en de verkeersveiligheid wordt in de stukken die behoren bij de aanvraag deels uitgegaan van 15 parkeerplaatsen (o.a. p. 265 van de bijlage), maar ook van 10 plaatsen (p. 775 van de bijlage). Dit is onduidelijk en hieromtrent zal duidelijkheid moeten worden gegeven. Voor het vaststellen van het benodigde aantal parkeerplaatsen en de risico’s in de zin van verkeersveiligheid is daarnaast uitgegaan van verkeerde uitgangspunten. Gesteld wordt (o.a. op p. 776 van de bijlage) dat er 2 tot 6 professionele hulpverleners op locatie aanwezig zullen zijn. Daarmee wordt ook telkens gerekend. Dit aantal is te beperkt. Uitgaan wordt van 1 begeleider per 6 deelnemers en 1 medewerker (p. 415 van de bijlage). Daarbij is geen aandacht besteed aan ander personeel, zoals de tevens in de stukken beschreven psychiater, locatiemanager en verpleegkundigen (p. 776 van de bijlage). Ook is geen rekening gehouden met het andere onmisbare personeel, zoals medewerkers voor schoonmaak en onderhoud. Tot slot is niet gedacht aan leveranciers die spullen brengen; Verder wordt uitgegaan van maximaal 4 bezoekers op één moment. De kans is groot, zeker in het weekend, dat er op één moment de helft van de bewoners visite krijgt. Dan zijn er dus al te weinig parkeerplaatsen, indien er ook 4 medewerkers aanwezig zijn; Voorts wordt ervan uitgegaan dat de bewoners zelf geen auto hebben.
Nergens staat echter beschreven waarom zij deze niet hebben. Gezien de mogelijkheid zelfstandig te vertrekken, is het niet ondenkbaar dat bewoners wel zelf een auto hebben;
-
Bij de berekening wordt geen rekening gehouden met stagiaires en vrijwilligers, hoewel de aanvrager hen wel ‘de mogelijkheid wil geven om een bijdrage te leveren’ (p. 64 van de bijlage); Op p. 415 van de bijlage staat dat per 6 deelnemers 1 begeleider aanwezig is. Hierbij zijn dan niet externe deelnemers betrokken. In het ergste geval zou het kunnen zijn dat geen van de bewoners de (niet-verplichte) dagbesteding wil gaan gebruiken, hetgeen ruimte voor een behoorlijk aantal externe deelnemers betekent. Gezien het voorgaande kunnen de overwegingen omtrent zowel het parkeren als de verkeersveiligheid geen standhouden, nu niet uitgegaan is van de juiste aantallen. Daarbij wordt opgemerkt dat parkeren buiten het eigen terrein niet op een veilige manier mogelijk is, gezien de ligging van het perceel aan een doorgaande, drukke en gevaarlijke weg en een doorgaand fietspad. Tot slot is de impact van het toename van verkeersbewegingen onvoldoende in kaart gebracht, alsmede de ruimtelijke impact daarvan, alsmede de gevolgen voor de verkeersveiligheid. Bijvoorbeeld de komst van externe deelnemers voor de dagbesteding maakt dat uitgebreider onderzoek zou moeten worden gedaan naar de verkeersveiligheid bij toename van verkeersbewegingen. Antwoord In de ruimtelijke onderbouwing (p. 775 van de bijlage) is inderdaad vermeld dat er 10 parkeerplaatsen worden aangelegd. Dit is niet correct.
Het juiste aantal parkeerplaatsen dat zal worden gerealiseerd is 15. De ruimtelijke onderbouwing is op dit punt aangepast. Wij zijn het er niet mee eens dat voor het vaststellen van het benodigde aantal parkeerplaatsen en de risico’s in de zin van verkeersveiligheid is uitgegaan van verkeerde uitgangspunten. Het aantal parkeerplaatsen is voldoende. De parkeernorm van 0,6 per wooneenheid (zie bijv. p. 422 van de bijlage) is gebaseerd op de norm voor ‘Verpleeg en verzorgingstehuis’ van de Nota Parkeernormen Gemeente Heerenveen 2020. Uitgangspunt van het plan is het realiseren van 24 wooneenheden voor cliënten, die niet zelfstandig (begeleid) wonen. De 24 cliënten beschikken niet over een voertuig. De ervaring leert dat mensen met een Wlz-indicatie financieel niet instaat zijn een auto te kunnen bekostigen. Het aantal parkeerplaatsen van 15 is benodigd voor werknemers (dus ook stagiaires en vrijwilligers) en bezoekers. In de norm van 0,6 is dit opgenomen. Het laden en lossen legt geen beslag op de aanwezige parkeerplaatsen. Leveranciers zullen kort de locatie bezoeken om te laden en lossen. Dit geldt ook voor de ten hoogste gemiddeld 4 externe cliënten per dag die gebruik zullen maken van de dagbesteding op locatie. Deze cliënten worden gebracht of komen met de bus of op de fiets.
Parkeren langs de provinciale weg is overigens niet toegestaan op basis van artikel 24 lid 1 onder c van het Reglement Verkeersborden en Verkeersregels (RVV). Dat artikel stelt: ‘De bestuurder mag zijn voertuig niet parkeren buiten de bebouwde kom op de rijbaan van een voorrangsweg’. De verkeersveiligheid niet in het geding. Het plan heeft namelijk een beperkte toename van het aantal verkeersbewegingen tot gevolg. De dagelijkse verkeersbewegingen zijn van werknemers, bezoekers, leveranciers en cliënten die voor de dagbesteding worden gebracht. Voor de dagbesteding komen gemiddeld 4 cliënten per dag. Deze cliënten worden gebracht of komen met de bus of op de fiets. Voor het berekenen van het aantal verkeersbewegingen is als uitgangspunt de kengetallen van CROW (het nationale kennisplatform voor infrastructuur, verkeer, vervoer en openbare ruimte) aangehouden. Op basis van publicatie 381 CROW, uitgaande verkeersgeneratie (van een kinderdagverblijf) van niet-stedelijke locatie, buitengebied, geldt een gemiddelde
verkeersgeneratie van 39,9 per 100 m² bvo. De dagbesteding heeft een oppervlakte van ca 200 m² bvo. Dit komt neer op ca. 80 verkeersbewegingen per dag. Dit is een defensieve inschatting. In praktijk zal het aantal verkeersbewegingen namelijk fors lager liggen, aangezien het gaat om een dagbesteding in plaats van een kinderdagverblijf. Dit extra verkeer kan goed via de Schoterlandseweg verkeersveilig worden afgewikkeld. Het aspect 'verkeer' levert geen belemmeringen op voor dit plan. De provinciale Schoterlandseweg, intensiteit van ca. 5000 motorvoertuigen per werkdag (telling 2019), kent meer perceelaansluitingen naar woningen, bedrijven en onder meer het parkeerterrein van It Fryske Gea. Ook hier vinden afslaande bewegingen plaats die gebruikelijk en passend zijn op deze weg met deze beperkte verkeersintensiteit en aanwezige perceelaansluitingen. De ruimtelijke onderbouwing is aangevuld met bovenstaande overwegingen. Daarnaast is deze reactienota als bijlage integraal onderdeel van de omgevingsvergunning. 8.
Woonbeleid (zienswijze 2, 6, 8, 9, 11 en 13)
Gesteld wordt dat de Woonvisie gemeente Heerenveen 2015-2020 (woonvisie) de behoefte aan onderhavige woonvorm onderschrijft en dat het voor inwoners mogelijk gemaakt moet worden zo lang mogelijk in de omgeving te wonen middels duurzame zorg. Dit initiatief is echter niet gericht op inwoners van de gemeente Heerenveen, maar zal patiënten uit andere gemeenten hier laten huisvesten. Daarnaast wordt Katlijk in het woonbeleid ook niet als zoekgebied genoemd. In Katlijk is behoefte aan een woonvorm voor ouderen met daarbij eventueel op termijn instrumentale (Wlz-)zorg. Van onderschrijving van de behoefte is dan ook geen sprake. Inwoners van de gemeente Heerenveen worden achter in de rij gezet. Tijdens de informatieavond is door initiatiefnemers ook aangegeven dat er uit het hele land cliënten kunnen worden opgenomen en dat er geen garantie is op voortrekken van Wlz-cliënten uit de buurt. Dat er een behoefte is, is bovendien niet geloofwaardig. Heerenveen kent 16 GGZinstellingen. De zorgkaart is geraadpleegd. Er is nauwelijks wachttijd. Uit niets blijkt dat er in Heerenveen onvoldoende plaatsingsmogelijkheden zijn. Is er wel onderzoek gedaan naar de behoefte van een dergelijke woonvorm in deze regio? De woonvisie verzet zich ook tegen het plan.
De geldigheid daarvan is met het addendum daarop weliswaar met twee jaar verlengd, maar deze periode van twee jaar loopt parallel aan de invoering van de ophanden zijnde Omgevingswet. Het is in verband met de huidige politieke onzekerheid in Nederland maar de vraag of de invoering daarvan binnen de tijd van het ingestelde addendum wordt verwezenlijkt. Daar waken wij voor. De Omgevingswet biedt perspectief en lokaal maatwerk. Hoe stelt het college zich lokaal maatwerk voor? Antwoord Dat de aanstaande bewoners van het bouwplan thans geen inwoners van de gemeente Heerenveen zijn, verandert het toepassingsbereik van de woonvisie en het addendum daarop niet. Anders dan reclamanten stellen, volgt uit die beleidsstukken niet dat zij alleen betrekkingen hebben op bestaande inwoners van Heerenveen en niet mede op toekomstig inwoners van de gemeente. Zo gaat het woonbeleid mede over demografische veranderingen in de gemeente, waaronder toename van de bevolking van de gemeente en veranderende samenstelling van die bevolking. Verder kunnen wij bij plannen niet vastleggen welke bewoners waar worden gehuisvest of hierop toetsen. Er moet een afweging worden gemaakt of sprake is van een goede ruimtelijke ordening of niet. Het realiseren van voorzieningen als de onderhavige past binnen de geldende woonvisie.
Ook voor mensen met een zorgvraag willen we in de gemeente Heerenveen een plek bieden om te wonen.
Anders dan reclamanten denken, gaat het in casu niet om een GGZ-instelling. Zoals initiatiefnemers reeds hebben vermeld in de door hen aangeleverde ruimtelijke onderbouwing kunnen mensen die hun leven lang intensieve geestelijke gezondheidszorg (ggz) nodig hebben vanaf 2021 toegang krijgen tot de Wet langdurige zorg (Wlz). Op de website van het Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport wordt vermeld dat het naar verwachting gaat om 10.000 cliënten die permanent toezicht of 24 uur per dag zorg in de nabijheid nodig hebben. Zo’n 30-35 cliënten daarvan zijn woonachtig binnen de gemeente Heerenveen. Opgemerkt moet worden dat het beschrijven van de behoefte aan onderhavige ontwikkeling in dit geval niet nodig is. Dit hoeft namelijk pas wanneer het plan onder de definitie van ‘nieuwe stedelijke ontwikkeling’ als bedoeld in artikel 3.1.6. van het Besluit ruimtelijke ordening valt. Planologische ontwikkelingen met een ruimtebeslag tot 500 m2, zoals de onderhavige (circa 20 m2 toegevoegd ruimtebeslag), worden volgens vaste jurisprudentie van de ABRvS niet als zodanig aangemerkt. De woonvisie liep tot eind 2020. Hierin staan de doelen en de richtingen voor het beleidsveld wonen. Binnenkort wordt de Omgevingsvisie door de gemeenteraad vastgesteld. In deze visie staat het beleid op hoofdlijnen voor de fysieke leefomgeving. Er is een wisselwerking tussen deze documenten.
De woonvisie wordt geactualiseerd nadat het beleid op hoofdlijnen is vastgesteld. Welke vorm deze actualisatie krijgt, wordt na vaststelling van de Omgevingsvisie bepaald. Dat is de reden waarom de gemeenteraad op 22 juni 2020 heeft besloten in te stemmen met het verlengen van de Woonvisie 2015 – 2020 voor de periode van tenminste 2 jaar en ter aanvulling daarom een aantal beleidsregels en een actueel woningbouwprogramma daaraan toe te voegen met een addendum. Het is dus onjuist dat de periode waarmee de woonvisie is verlengd parallel loopt aan de periode waarmee de datum van inwerkingtreding van de Omgevingswet is verlengd. Bovendien treedt de Omgevingswet pas op 1 juli 2022 in werking. De vraag hoe wij ons in dat verband lokaal maatwerk voorstellen is in het kader van onderhavige procedure irrelevant. 9.
Omgevingsvisie (zienswijze 11)
De gemeente Heerenveen geeft in haar omgevingsvisie aan enkele kernopgaven te willen realiseren. Twee van de vier kernopgaven zijn: -
Zorgen voor gezonde, klimaatbestendige en leefbare wijken en dorpen; Versterken van de kwaliteit en veerkracht van het landelijk gebied.
Door dit initiatief te steunen spreekt de gemeente zichzelf tegen. Onderhavig project draagt absoluut niet bij aan deze twee kernopgaven. Een woonvoorziening voor oudere, dementerende mensen zou passender en meer in lijn met de Omgevingsvisie zijn. Onderhavige passage daaruit onderschrijft dit ook: “In 2040 is het nog aantrekkelijker om in de gemeente Heerenveen te wonen. Door de goede verbindingen, een divers landschap en de aanwezigheid van regionale voorzieningen, willen veel mensen hier (blijven) wonen. De gemeente blijft aantrekkelijk voor jongeren en gezinnen. En er is passend woningaanbod ontwikkeld voor de grotere groep senioren die 2040 in onze gemeente woont.” Bovenstaand standpunt wordt verder gestaafd door de afwegingsprincipes aan de hand waarvan initiatieven, die een plek moeten krijgen in de (geactualiseerde) Omgevingsvisie, worden beoordeeld. Volgens de eerste twee principes versterkt elk initiatief de bestaande kernkwaliteit of voegt een nieuwe omgevingskwaliteit toe en wordt het plan van de één niet het probleem van de ander. Het is duidelijk dat het plan van initiatiefnemers hier niet aan voldoet.
Antwoord Wij kunnen ons niet vinden in hetgeen reclamant aanvoert. Gelet op de afgezonderde ligging en de professionele begeleiding ter plaatse, zijn wij van mening dat de uitstraling van deze locatie zeer beperkt is. Het doet daarmee geen afbreuk aan de leefbaarheid van de omgeving. De bebouwing en de verharding op het erf nemen nauwelijks toe. De bestaande bebouwing wordt (deels) gerenoveerd en (deels) vervangen door een vergelijkbaar bouwvolume. De impact op landschappelijke kwaliteit is daarmee verwaarloosbaar. In het deel van de Omgevingsvisie dat gaat over de kwaliteit en veerkracht van het landelijk gebied is aangegeven dat we het landschap niet kunnen of willen bevriezen, maar dat de landschappelijke dragers herkenbaar moeten blijven. Bij dit plan is hier sprake van. Bij woningbouwplannen kunnen wij niet vastleggen welke bewoners daar worden gehuisvest of daar op toetsen. Er moet een afweging worden gemaakt of er sprake is van een goede ruimtelijke ordening of niet. Het realiseren van dit soort voorzieningen past binnen de geldende woonvisie. Ook voor mensen met een zorgvraag willen we in de gemeente Heerenveen een plek bieden om te wonen. Tot slot is in de huidige situatie sprake van een vervallen woonboerderij. Het kwalitatief verbeteren en benutten van dit erf ziet de gemeente wel degelijk als een verbetering van de omgevingskwaliteit.
Daarnaast wordt er voldoende rekening gehouden met de stedenbouwkundige en landschappelijke kernkwaliteiten ter plaatse. Dit wordt ondersteund door het feit dat op 23 november 2020 een positief welstandsadvies is verstrekt. Het plan past dus binnen de Omgevingsvisie. 10.
Planschade (zienswijze 11)
Het realiseren van onderhavig initiatief in deze omgeving zal een negatief effect hebben op de prijs en verkoopbaarheid van woningen in de directe omgeving. Hoe zal hierin worden gecompenseerd? Antwoord Indien reclamant meent planschade, zoals bijvoorbeeld vermindering van de waarde van een onroerende zaak, als gevolg van de omgevingsvergunning te lijden, kunt u ons verzoeken om toekenning van een planschadevergoeding. Een verzoek moet in ieder geval binnen 5 jaar na het onherroepelijk worden van de omgevingsvergunning worden ingediend. Voor het indienen van het verzoek betaalt u leges aan de gemeente. Planschade is geregeld in de Wet ruimtelijke ordening. Daarnaast heeft de gemeenteraad een procedureverordening vastgesteld waarin is vastgelegd op welke manier verzoeken om toekenning van een planschadevergoeding worden behandeld. Wij adviseren u zich in beide goed te verdiepen, alvorens u een dergelijk verzoek indient. 11.
Dagbesteding (zienswijze 2, 5, 7, 8, 9, 10, 11 en 16)
Er wordt gesproken over dagbesteding, en initiatiefnemers hebben aangegeven dat de cliënten bij het Fryske Gea kunnen ondersteunen. Het Fryske Gea heeft echter meermaals aangeven hier geen mogelijkheden voor te zien. De bewoners zullen dus weinig tot geen relevante activiteiten kunnen verrichten in de omgeving. Voor dagbesteding binnen het projectgebied zijn er ook weinig mogelijkheden. Het grootste deel van het perceel staat vol met bebouwing. De aanleg van een fruit gaart en ruim opgesteld parkeerterrein beperken de mogelijkheden nog meer. Binnen is er 27 m 2 gereserveerd voor dagbesteding. Voor 24 cliënten lijkt dit onvoldoende. Wat gaan de cliënten dan wel – dag in, dag uit – doen? De zorgen spelen met name ook voor de avonden en weekenden, wanneer er geen
dagbesteding wordt aangeboden. Als er geen goede dagbesteding is, zal de doelgroep snel somber en suïcidaal worden. Dit is gesteld door de medewerkster van Thorp die de dagbesteding zal gaan aanbieden. Antwoord De zorgen zijn ongegrond. De cliënten kunnen voldoende activiteiten verrichten. Dagbesteding is – zoals reeds eerder gesteld – een verplicht onderdeel van het verblijf in de woonvorm. De dagbesteding bestaat uit 4 groepen – (1) moestuin en boomgaard, (2) creatieve groep, (3) kleinvee en tuinonderhoud en (4) koken en bakken – en vindt plaats op de locatie zelf. Daarvoor is – anders dan reclamanten stellen – voldoende ruimte. Cliënten kunnen er ook voor kiezen elders een dagbestedingsprogramma te volgen. Naast de dagbesteding hebben de cliënten vrije tijd waarbij zij ondersteund worden. Dit kan in en rond het huis zijn. Gedacht kan worden aan bijvoorbeeld schilderen, dierverzorging of sport. Faciliteiten daarvoor zijn aanwezig op de locatie. De cliënten kunnen natuurlijk ook op hun eigen kamer iets voor hun zelf doen. Dat er niets te doen is, is niet aan de orde. De bewoners in deze woonvorm zijn juist gebaat bij rust en ritme. Het activeren van hen is onderdeel van de begeleiding en het programma. Initiatiefnemers zijn nog steeds in gesprek met het Fryske Gea.
Een samenwerking tussen beide partijen is een welkome aanvulling, maar is voor de uitvoerbaarheid van onderhavig project niet noodzakelijk. 12.
Onbetrouwbaarheid initiatiefnemers (zienswijze 3, 4, 13 en 14)
Initiatiefnemers komen onbetrouwbaar en wispelturig op ons over. Zo is er onduidelijkheid over de doelgroep, het karakter (al dan niet verplicht) van de dagbesteding, het openstaan van de dagbesteding voor mensen van buiten en het aantal slaapwachten. De verstrekte informatie is tegenstrijdig. Onderhavig project vraagt om een serieus en goed voorbereid plan met duidelijke afspraken en regels. Ook spreken de initiatiefnemers bij verschillende gelegenheden meermaals uit dat een samenwerking met It Fryske Gea als invulling voor een dagbesteding realistisch is. Uit de brief van it Fryske Gea d.d. 14 oktober 2020 blijkt het tegendeel. Desondanks wordt een samenwerking door initiatiefnemers nog steeds als een valide optie uitgelegd. Dit draagt niet bij aan herstel van vertrouwen en versterkt de zorg dat deze partij niet primair naar een harmonieuze inpassing in de omgeving op zoek is. De primaire doelstelling van de initiatiefnemers lijkt hiermee bevestigd te zijn als het commercieel uitbaten van een zorginstelling waarbij voldoende marge nodig is om dit te willen/kunnen opstarten. Het grote aantal cliënten dat hiervoor nodig is en de impact daarvan op de directe omgeving lijkt van secundair belang.
Antwoord Ruim voordat wij de raad voorstelden een (ontwerp)verklaring van geen bedenkingen af te geven (en dus ook voordat de ontwerpomgevingsvergunning met bijbehorende stukken ter inzage werd gelegd/de zienswijzefase aanving) was er bij ons duidelijkheid omtrent de door reclamanten opgesomde onderwerpen. De omgevingsvergunning wordt verleend voor cliënten uit de doelgroep met zorgprofielen WLZ-GGZ 1 Wonen met intensieve begeleiding en WLZ-GGZ 2 Wonen met intensieve begeleiding en verzorging. De dagbesteding is verplicht. Externe cliënten kunnen meedoen aan de dagbesteding op locatie. Twee begeleiders vervullen de nachtdienst. De mening dat initiatiefnemers onbetrouwbaar en wispelturig overkomen delen wij dan ook niet. Wij kunnen ons voorstellen dat het omwonenden bevreemdt dat samenwerking na het schrijven van het Fryske Gea nog steeds als een valide optie werd uitgelegd, maar kunnen
ons beslist niet vinden in de gevolgtrekking dat het lijkt alsof commerciële uitbating van een zorginstelling het primaire doel is van initiatiefnemers, zonder oog te hebben voor het belang van de cliënten en een harmonieuze inpassing. Financieel is het plan alleen uitvoerbaar met het beoogde aantal cliënten. Op grond hiervan kun je echter niet zomaar ongemotiveerd concluderen dat initiatiefnemers het belang van hun cliënten bij goede zorg niet behartigen en geen oog hebben voor de omgeving. Initiatiefnemers moeten voldoen aan allerlei sociale wet- en regelgeving. Zo dient een zorgaanbieder op grond van de Wet kwaliteit, klachten en geschillen zorg (Wkkgz) goede zorg te leveren. De Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd houdt toezicht op de naleving van de Wkkgz. Getoetst is of het plan in overeenstemming is met een goede ruimtelijke ordening. Daarbij is ook gekeken naar de impact van het plan op de omgeving. Van overeenstemming met een goede ruimtelijke ordening is sprake. 13.
Woon- en leefklimaat (zienswijze 2, 3, 4, 5, 6, 7, 8, 9, 10, 12, 13, 14, 15 en 16)
In het kader van een goede ruimtelijke ordening is een goed woon- en leefklimaat essentieel. Dit kan niet worden gegarandeerd, nu er sprake is van een zeer groot aantal bewoners. Het gaat om een toename van 24 personen, die zorg nodig hebben, alsmede het permanent aanwezig zijn van personeelsleden. Katlijk is een klein dorp van maar 600 inwoners. Een toename van 24 bewoners (4% groei inwoners Katlijk) op een dergelijke compacte locatie (33% groei buurtbewoners) heeft een zeer grote ruimtelijke impact. Met zoveel cliënten op een kleine woonplek is kans op een escalatie vrij groot. Helemaal nu er in Katlijk weinig tot geen voorzieningen (en daarmee vermaak en afleiding) zijn. Dit speelt ook vooral in de avonden en weekenden, omdat er dan geen dagbesteding wordt aangeboden. Elders (focus op Heerenveen) plaatsing is volgens de Woonvisie gemeente Heerenveen 2015-2020 en het addendum daarop mogelijk. Het aantal van 24 personen is slechts gericht op een verdienmodel. Een zorgvoorziening voor een lager aantal bewoners zou veel beter passend zijn in de omgeving. Alles is dan overzichtelijker en beter in toom te houden. Integratie in het dorp vindt dan wellicht ook plaats. De aanwezigheid van 24 zorgbehoevenden en de benodigde begeleiders zal leiden tot: -
Meer geluidsproductie; Meer verkeersbewegingen; Een risico op verstoring van de rust en openbare orde, doordat deze groep bewoners in het algemeen toch onvoorspelbaarder is dan mensen zonder de betreffende indicatie.
Antwoord Van een onevenredige aantasting van het woon- en leefklimaat van reclamanten is geen sprake. Ervaring van initiatiefnemers is dat bij woonvormen als de onderhavige crisissen (escalaties) nooit voorkomen (zie hiervoor ons antwoord onder onderwerp 26). Dat er weinig tot geen mogelijkheden tot vermaak en afleiding zijn, is ook onjuist. In ons antwoord onder onderwerp 11 hebben wij dit reeds besproken. Gemakshalve verwijzen wij daar dan ook naar. Bij woningbouwplannen kunnen wij niet vastleggen welke bewoners waar worden gehuisvest of daar op toetsen. Er moet een afweging worden gemaakt of er sprake is van een goede ruimtelijke ordening of niet. Het realiseren van dit soort voorzieningen past binnen de geldende woonvisie. Ook voor mensen met een zorgvraag willen we in de gemeente Heerenveen een plek bieden om te wonen. In het kader van een goede ruimtelijke ordening is ruimtelijke afstemming tussen bedrijfsactiviteiten, voorzieningen en gevoelige functies (woningen) noodzakelijk. Bij deze afstemming is gebruik gemaakt van de richtafstanden uit de VNG- brochure Bedrijven en milieuzonering (editie 2009). Een richtafstand is de afstand waarbij onaanvaardbare milieuhinder (waaronder ook geluidhinder) als gevolg van bedrijfsactiviteiten redelijkerwijs kan worden uitgesloten.
Voor voorzieningen binnen de gezondheids- en welzijnszorg gelden richtafstanden die variëren van 10-30 m. Hier wordt ruimschoots aan voldaan. De
dichtstbijzijnde woning ligt op een afstand van circa 75 m. Van onaanvaardbare geluidhinder is dus geen sprake. In ons antwoord onder onderwerp 7 hebben wij reeds gemotiveerd uiteengezet dat het plan slechts een beperkte toename van het aantal verkeersbewegingen tot gevolg heeft en dat dit extra verkeer goed en verkeersveilig via de Schoterlandseweg kan worden afgewikkeld. Gemakshalve verwijzen wij daar dan ook naar. Het aspect 'verkeer' levert geen belemmeringen op voor dit plan. Tot slot hebben wij in ons antwoord onder onderwerp 4 uitvoerig onderbouwd dat verstoring van de rust en openbare orde niet aan de orde is bij het type cliënten dat op onderhavige locatie wordt gehuisvest. Gemakshalve verwijzen wij daar dan ook naar. Van een onevenredige aantasting van het woon- en leefklimaat is dan ook geen sprake. Dat een zorgvoorziening voor een lager aantal bewoners volgens reclamanten veel beter passend zou zijn in de omgeving is niet relevant. Aangevraagd is een omgevingsvergunning voor een project bestaande uit een woonvorm met dagbesteding voor 24 cliënten. Dit project achten wij in overeenstemming met een goede ruimtelijke ordening. 14.
Kennisgeving start zienswijzefase (zienswijze 4, 6, 8, 9 en 12)
Op donderdag 8 april jl. hebben wij van de gemeente Heerenveen een brief ontvangen omtrent de (ontwerp) verklaring van geen bedenkingen (kenmerk Z.21.339788). Deze brief heeft een dagtekening van 29 maart 2021 en maakt vermelding van de ingang van de zienswijzefase op 1 april 2021. Dit betekent dat er bijna anderhalve week heeft gezeten tussen de dagtekening van de brief en de ontvangst van de brief, met als gevolg dat er inmiddels een week van de genoemde zes weken is verstreken alvorens wij als belanghebbenden op de hoogte zijn gesteld. Antwoord Het feit dat reclamanten de brief pas op 8 april jl. hebben ontvangen betekent niet dat zij benadeeld zijn in die zin dat zij een week minder te tijd hebben gehad om een zienswijze in te dienen. Wij hebben namelijk – op wettelijk voorgeschreven wijze – in het Gemeenteblad en de Staatscourant van 31 maart 2021 bekend gemaakt dat de ontwerpbeschikking alsmede de daarbij behorende stukken met ingang van 1 april 2021 gedurende zes weken ter inzage lagen in het gemeentehuis en dat de stukken tevens digitaal raadpleegbaar waren via de website ruimtelijke plannen. Wij hebben de brief vanwege de ontstane onrust in het dorp verstuurd. Dit waren wij niet verplicht te doen. 15.
Zelfstandige wooneenheden (zienswijze 4)
In de stukken worden de op te delen onderkomens als woonstudio’s aangemerkt. Ook wordt er nadrukkelijk opgemerkt dat het niet gaat om woningen. Uit het voorstel aan de gemeenteraad lijkt te kunnen worden opgemaakt dat dit is gedaan, omdat de bestemming van het perceel niet toelaat dat er meerdere woningen op het perceel worden gerealiseerd. Volgens de Hoge Raad geldt echter de definitie woning als een eenheid oorspronkelijk voor bewoning is ontworpen en gebouwd. Of het pand naar aard en inrichting ook geschikt is om als woning te dienen, is hierbij niet van doorslaggevend belang. Wat in de stukken wordt aangemerkt als studio is conform de tekeningen expliciet ontworpen voor bewoning en biedt zelfstandige wooneigenschappen (keuken, badkamer en woonkamer annex slaapkamer). Het is dan ook niet correct dat het college in dit geval niet uitgaat van 24 woningen (zelfstandige wooneenheden) binnen een overkoepelend pand. Dit enkel en alleen omdat er naast een woonplek ook therapie en dagbesteding wordt geboden of een maatschappelijk karakter aan de woonplek wordt gegeven.
Antwoord De suggestie van reclamant is onjuist. De vigerende bestemming laat ook een maatschappelijke voorziening als onderhavige niet toe. Daarnaast is de jurisprudentie waarnaar reclamant verwijst in onderhavig geval niet relevant. In de rechtspraak waarnaar wordt verwezen heeft de Hoge Raad duidelijkheid gegeven over wanneer sprake is van een ‘woning’ als bedoeld in de in die rechtspraak van toepassing zijnde belastingwet. Gelet op het doel van de begeleiding en de mate van toezicht en begeleiding kan bij onderhavig project niet worden gesproken van nagenoeg zelfstandige bewoning die past binnen de bestemming ‘Woondoeleinden V’. Er is sprake van een bewoning met een overwegend verzorgend karakter. Deze gevolgtrekking is conform jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State en is relevant omdat, als er sprake was geweest van zelfstandige bewoning, deze woningen ten koste zouden gaan van het woningcontingent. 16.
Controle zorgprofielen (zienswijze 4, 6, 8, 9, 13, 14 en 15)
Door Thorp is op meerdere manieren uitgelegd welke zorgprofielen geplaatst zullen worden. In eerste instantie was sprake van categorieën 3 en 4. Later is dit gewijzigd in categorieën 1 en 2. Dit is uitgelegd als een vergissing. De wetgeving kan veranderd zijn, maar dat wordt ruim van tevoren aangekondigd. Van een vergissing is geen sprake. Verder zit aan elke schaal een boven- en onderzijde van kwalificatie. Soms is er niet veel nodig om van bijvoorbeeld categorie 2 naar 3 te gaan. De gemeente zal geen actieve rol spelen in de fase na vergunningverlening, zijnde exploitatie van de Moskoupleats. Hierdoor krijgen we het gevoel aan ons lot te worden overgelaten, omdat er weinig controlemechanismes zijn om handhaving van het beleid te controleren of uitzonderingen c.q. afwijkingen te signaleren. Antwoord Of van een vergissing sprake was of niet, is niet relevant. Slechts belangrijk is dat, voordat wij de raad verzocht hebben een (ontwerp)verklaring van geen bedenkingen af te geven, bij ons duidelijk was welke zorgprofielen horen bij de doelgroep die wordt geplaatst. Daarnaast is het gevoel ongegrond. De zorgindicatie kan worden opgevraagd om te controleren of de in de Moskoupleats woonachtige cliënten het juiste zorgprofiel hebben.
Indien dat niet het geval is, wordt er in strijd met het voorschrift uit de omgevingsvergunning gehandeld en kan daartegen handhavend worden opgetreden. 17.
Geschiktheid cliënten (zienswijze 2, 5, 8, 9, 12 en 13)
De cliënt moet geschikt zijn voor de groep zorgbewoners. Gedragsproblematiek met overlast voor cliënten, personeel en omwonenden wordt niet toegelaten binnen de zorginstelling. Dit wordt geborgd op basis van het behandelplan. De psychiater indiceert dit waarschijnlijk. Op welke wijze werkt deze ‘borging middels een behandelplan’ exact? Waar haalt de gemeente de overtuiging vandaag dat dit eventuele overlast door gedragsproblematiek zal gaan voorkomen? Deze werkwijze baart ons zorgen. Als de vergunning eenmaal onherroepelijk is, heeft de gemeente geen zeggenschap meer. Beloofde opties zullen in de doofpot worden gestopt. Hoe zou het college het vinden als de Moskoupleats een plaatsje zou krijgt naast het gemeentehuis? Antwoord Als een aanvraag is ingediend, wordt door Thorp beoordeeld of de persoon in kwestie het juiste zorgprofiel heeft voor deze woonvorm. Daarna borgt Thorp op basis van het
behandelplan of diegene in de woonvorm past. Thorp heeft dus vrijheid om een aanvraag af te wijzen. De wijze waarop dat geborgd wordt laten we aan Thorp. Thorp is een deskundige partij. Wij kunnen dit niet controleren. Maar er is voor ons geen reden te twijfelen aan de deskundigheid van Thorp. Wel kunnen wij de zorgindicatie van cliënten opvragen om te controleren of in overeenstemming met de vergunning wordt gehandeld. Daarnaast moet bedacht worden dat Thorp er geen enkel belang bij heeft overlastveroorzakers toe te laten tot de woonvorm. De groep is gebaat bij rust en regelmaat. Het toelaten van overlastveroorzakers zou de groepsdynamiek aantasten, met als gevolg extra werkzaamheden voor Thorp. Als initiatiefnemers een aanvraag omgevingsvergunning zouden hebben ingediend voor een locatie naast het gemeentehuis en het bouwplan dat onderdeel is van die aanvraag zou niet hebben gepast binnen het aldaar vigerende bestemmingsplan dan zouden we ook hebben onderzocht of we medewerking zouden kunnen verlenen aan afwijking van het bestemmingsplan ten behoeve van het bouwplan. Overigens wil dat niet zeggen dat de uitkomst hetzelfde zou zijn als bij onderhavige plan. Van vergelijkbare situaties is namelijk geen sprake. 18.
Vooringenomenheid (zienswijze 3, 4 en 13)
De toonzetting van de wethouder heeft een vervelend gevoel gegeven. We mochten blij zijn dat we überhaupt geïnformeerd werden, want dat is niet verplicht. Alles leek al in kannen en kruiken. De gemeente Heerenveen heeft onderdak voor een aantal van haar ‘probleemgevallen’ en wat de gevolgen zijn voor een dorp als Katlijk lijkt totaal ondergeschikt. De rol van de gemeente en haar ambtenaren is natuurlijk om beleid in uitvoer te brengen en aanvragen zoals die van de initiatiefnemers te toetsen aan de weten regelgeving. Naast deze rol heeft de gemeente zeker ook de cruciale rol om de belangen van haar inwoners te bewaken en te voorzien in leefbaarheid. Aan die laatste twee punten wordt nu redelijk eenvoudig voorbijgegaan. Vraag is of de bagatellisering van de vragen en de zorgen van omwonenden net zo makkelijk was afgedaan als de initiatiefnemers zelf zo dicht op Moskoupleats zouden hebben gewoond, deze stelling is eveneens van toepassing op het college B&W, beleidsmedewerkers en de gemeenteraad van de gemeente Heerenveen. Het krantenartikel in het weekblad Sa! draagt eveneens bij aan het gevoel van vooringenomenheid. Er wordt gesproken over brede support vanuit plaatselijk belang en de buurtverenigingen. De kou zou uit de lucht zijn en dat zou de weerstand in de buurt hebben doen kantelen. Het tegendeel blijkt waar. Dit draagt niet bij aan de opinievorming van objectief bestuur.
Het lijkt erop dat een aantal mensen dit wel heel graag wil laten gebeuren, om onduidelijke redenen. Het is dan ook zeer kwalijk dat de wethouder dergelijke uitspraken doet, meewerkt aan krantenartikelen met die strekking zonder dat daar enige fundatie voor lijkt te zijn. Antwoord Wij kunnen ons in het verwijt aan het adres van de wethouder niet vinden. Wij zijn gehouden elke aanvraag om een aanvraag omgevingsvergunning op zijn eigen merites te beoordelen. Dat is in casu ook gedaan. In de belangenafweging die aan de besluitvorming is voorafgegaan zijn, zo blijkt uit de ontwerpomgevingsvergunning, de bijlagen daarbij en onze antwoorden onder (onder andere) de onderwerpen 4, 7, 13 en 33, de belangen van de omwonenden wel degelijk meegewogen. 19.
Verlaten terrein (zienswijze 2, 5, 8 en 9)
In de aanvraag (o.a. op p. 58, 59 en 239 van de bijlage) wordt een aantal keren vermeld dat de bebouwing ’s nachts ‘op slot’ gaat. Initiatiefnemers hebben echter tijdens de vergaderingen herhaaldelijk aangegeven dat de voorziening niet wordt afgesloten. Dit zou
niet nodig zijn, omdat de cliënten ’s nachts slapen. Wat is nu waar? Waarom wordt in de aanvraag iets anders vermeld dan daadwerkelijk wordt gerealiseerd? Wat staat er nog meer in de aanvraag waarvan de initiatiefnemers nu al weten dat zij hier toch anders invulling aan gaan geven? In het verslag van het overleg dat op 8 juli 2020 op het gemeentehuis is gepleegd wordt ook opgemerkt: ‘eerder werd aangegeven dat cliënten toestemming krijgen het terrein te verlaten, dit is later aangepast naar alleen onder begeleiding. Volgens de heer […] is beide mogelijk’. Kunnen de initiatiefnemers nu in heldere bewoordingen aangeven wat nu het beleid zal zijn ten aanzien van het verlaten van de voorziening door de cliënten? Antwoord Met de bebouwing gaat s’ nachts ‘op slot’ wordt bedoeld dat de voorziening op slot gaat om inbraak en insluiping te voorkomen. Het betekent niet dat de cliënten de woonvorm niet kunnen verlaten. De Wet zorg en dwang bepaalt namelijk dat mensen waarbij geen sprake is van een justitieel kader niet mogen worden opgesloten. De doelgroep die daar wel onder valt vorm een gevaar voor de omgeving of voor zichzelf. Bij onderhavige doelgroep is daar beslist geen sprake van. De deur gaat gewoon op slot, net zoals bij u thuis. Dit voor de eigen veiligheid. Regel is dat als een cliënt naar buiten wil, hij of zij zich meldt bij de nachtwacht.
Garantie dat dit gebeurt, kan niet worden gegeven. Maar bedacht moet worden dat de cliënten helemaal geen belang hebben om s’ nachts naar buiten te gaan. Zij zoeken juist naar rust en geborgenheid. De tweede vraag van reclamanten is suggestief. Wij hebben geen reden de betrouwbaarheid van initiatiefnemers in twijfel te trekken. Cliënten mogen onder begeleiding of na melding het terrein verlaten. Ingespeeld moet worden op de behoefte van de cliënt. 20.
Bodemonderzoek (zienswijze 2 en 5)
In het bodemrapport (p. 134 van de bijlage) wordt vermeld dat er wel verontreiniging in de bodem is aangetroffen, maar dat er geen aanvullend onderzoek benodigd is. Wel wordt er aangegeven dat bij eventuele toekomstige grondwerkzaamheden mogelijk aanvullende analyses noodzakelijk zijn en dat de grond mogelijk niet zonder restricties buiten de locatie kan worden toegepast. Het Besluit bodemkwaliteit zal dan van kracht kunnen worden. Betekent dit dat er mogelijk toch een risico is voor de gezondheid van de (toekomstige) bewoners van de Moskoupleats en/of de omwonenden? Antwoord Er zijn tijdens het Verkennend bodem- en asbestonderzoek Schoterlandseweg 22 Katlijk (Bodemvisie, kenmerk: 180592, d.d. 30 november 2018) rondom de bestaande opstallen maximaal licht verhoogde gehalten aangetoond in de boven- en ondergrond (overschrijding achtergrondwaarden). Er is zintuiglijk en analytisch geen asbest aangetoond in de grond. In het grondwater zijn na herbemonstering geen verhoogde concentraties aangetoond (ten opzichte van de streefwaarden). De aangetoonde gehalten zijn getoetst aan de Wet bodembescherming en hieruit blijken geen risico’s (humane, ecologische of verspreidingsrisico’s) aanwezig voor de toekomstige functie omdat er maximaal sprake is van licht verhoogde gehalten. Er zijn derhalve geen risico’s te verwachten (voor de bewoners en omwonenden).
Wanneer de grond buiten de locatie zal worden toegepast, is niet de Wet bodembescherming maar het Besluit Bodemkwaliteit van toepassing. Het Besluit Bodemkwaliteit stelt iets andere eisen aan de monstername en analyses dan volgens de Wet bodembescherming het geval is. Vandaar deze zinsnede in de rapportage/conclusie.
21.
Asbestinventarisatierapport (zienswijze 2 en 5)
In het asbestinventarisatierapport (p. 183 van de bijlage) wordt een aantal te nemen maatregelen genoemd. Kunnen de initiatiefnemers aangeven in hoeverre aan de aanbevelingen in paragraaf 1.6 van het rapport is voldaan en kunnen zij daarnaast garanderen dat er geen risico's voor zowel de (toekomstige) bewoners van de Moskoupleats als wel de omwonenden meer zijn. Antwoord Een asbestinventarisatie wordt door gekwalificeerd personeel uitgevoerd. Dit is een deskundig bedrijf dat gecertificeerd is voor het uitvoeren van een asbestinventarisatie. Dergelijke bedrijven worden geregeld gecontroleerd. Om te voorkomen dat ‘de slager niet zijn eigen vlees keurt’ worden saneringswerkzaamheden uitgevoerd door een bedrijf dat is gecertificeerd voor verwijdering van asbesthoudende materialen. Dit kan dus nooit hetzelfde bedrijf zijn. In 1.6 worden aanbevelingen/handreikingen gedaan naar de sloper/het asbest verwijderingsbedrijf. Dit zijn aanbevelingen die vaak worden gedaan om de kwaliteit van de verwijderingswerkzaamheden op een kwalitatief hoog niveau te brengen. Op het moment dat het asbest is verwijderd wordt een zogenaamde vrijgave afgeven. Op dat moment is voldoende onderbouwd dat het asbest is verwijderd overeenkomstig de verwijderingsvoorschriften van asbest, dat het perceel geschikt is voor het realiseren van verblijfsruimten en dat er geen risico is voor bewoners en omwonenden. 22.
Brandveiligheidsrapport (zienswijze 2 en 5)
In het brandveiligheidsrapport (p. 232 van de bijlage) wordt aangegeven dat een automatisch werkende deur en een voorziening voor toegangs- of uitgangscontrole in een vluchtroute het vluchten niet mogen belemmeren. Kunnen de initiatiefnemers aangeven hoe hieraan wordt voldaan? Ook (p. 236 van de bijlage) wordt voor de oriëntatie geadviseerd om de gezamenlijke vluchtwegen te voorzien van noodverlichting. Kunnen de initiatiefnemers aangeven of en hoe aan dit advies zal worden voldaan? Verder wordt in het rapport (p. 238 van de bijlage) aangegeven dat het verticaal verdelen in brandcompartimenten bij de ontruiming een belangrijk onderdeel is. Dit zal in de oefeningen en opstellen van het ontruimingsplan behandeld moeten worden. Kunnen initiatiefnemers aangeven of er al een calamiteiten- en ontruimingsplan is opgesteld en zo nee, welke onderwerpen behandeld zullen gaan worden in deze plannen? Kunnen initiatiefnemers daarnaast aangeven hoe er omgegaan zal gaan worden met het oefenen van ontruimingen? Tot slot wordt vermeld (p. 239 van de bijlage) dat in hoofdstuk 2 van het rapport aandachtspunten zijn aangegeven om branddoorslag en –overslag te voorkomen.
Kunnen initiatiefnemers aangeven op welke wijze de genoemde aandachtspunten opvolging hebben gekregen in de definitieve plannen? Antwoord Op grond van artikel 6.25 van het Bouwbesluit 2012 moeten deuren in een vluchtroute altijd direct te openen zijn voor het vluchten. Dit betekent dat onder andere wordt gekeken naar de draairichting, de vrije breedte, het aantal personen, hang- en sluitwerk(beslag) of sturingen van deuren (installaties). Daarbij moeten passende voorzieningen worden getroffen. Bij een automatische deur moet deze openen bij een calamiteit. Op het moment men niet wil dat iedereen zondermeer direct naar buiten kan lopen, kan worden gekozen voor een voorziening waarbij eenvoudige handelingen nodig zijn om een vluchtdeur te passeren. Dit kan bijvoorbeeld een toegangscode zijn of een deuropener, maar er zijn meer
oplossingen (zie daarvoor artikel 6.25 lid 8). Echter is/blijft het wel noodzakelijk dat bij een calamiteit iedereen tijdig naar buiten kan vluchten. Het vluchten mag dus niet worden belemmerd door voorzieningen die het vluchten kunnen belemmeren bij een calamiteit. In een ontruimingsplan wordt opgenomen op welke wijze dit wordt geregeld. Het ontruimingsplan is op dit moment nog niet beschikbaar. Noodverlichting is geen vereiste. Deze eis is alleen van toepassing op grond van artikel 6.3 van het Bouwbesluit 2012. Het is een aanbeveling. Deze voorziening hoeft niet te worden aangebracht als dit wettelijk niet vereist is. Op grond van artikel 6.20 (brandmeldinstallatie) en artikel 7.11a (hulpverlening bij ontruiming bij brand) van het Bouwbesluit 2012 is een ontruimingsplan vereist. Daarnaast is een vergunning brandveilig gebruik nodig, omdat aan meer dan 10 personen dag- en nachtverblijf wordt verschaft. Het gebruik betreft groepszorgwoningen met 24 uurszorg en een daarbij behorende woonkamer met dagbesteding. Bij het indienen van een aanvraag voor een gebruiksvergunning wordt dus ook een ontruimingsplan gevraagd. Omdat we op dit moment deze gegevens nog niet hebben kunnen deze we deze nog niet laten zien. Op het moment van ingebruikname van het gebouw moet de aanvraag brandveilig gebruik zijn vergund.
Het is aan de aanvrager/gebruiker om tijdig een aanvraag brandveilig gebruik in te dienen. Bij deze aanvraag hoort dus het ontruimingsplan. Er wordt door de gemeente gecontroleerd op het oefenen van het ontruimen. Onderhavig plan voldoet aan de eisen uit het Bouwbesluit 2012 ten aanzien van branddoorslag en –overslag. 23.
Oppervlakte appartementen (zienswijze 2 en 5)
Op pagina 241 van de bijlage worden voor de afmetingen van de appartementen op de 2 de etage (nummer 23 en 24) andere afmetingen genoemd dan op pagina 259 van de bijlage. Vervolgens worden op pagina 397 weer andere afmetingen genoemd. Kunnen initiatienemers aangeven: -
Waarom er met verschillende afmetingen wordt gewerkt in de verschillende documenten? Wat nu de juiste afmeting is? Dat de afwijking in de m2 geen impact heeft op het advies dat is gegeven door Sijperda-Hardy (pagina 241 van de bijlage)? Of er nog andere documenten zijn waarin de afmetingen en uitgangspunten afwijken van elkaar?
Daarnaast is appartement 24 qua afmetingen duidelijk (in negatieve zin) afwijkend van de overige appartementen. Kunnen initiatiefnemers aangegeven dat de voorgenomen vierkante meters voldoen aan de gestelde eisen voor afmetingen van een dergelijk zorgappartement? Tot slot vermeldt het gespreksverslag van het overleg d.d. 8 juli 2020 (p. 416 van de bijlage) dat de appartementen 30 m2 zijn, met eigen sanitair, slaapgelegenheid, een bureau en een pantry. In de bijlage bij het ontwerpbesluit worden echter herhaaldelijk andere afmetingen (veelal kleiner) van de appartementen genoemd. Kunnen initiatiefnemers aangeven waarom er eerst bij de gemeente wordt aangegeven dat de appartementen 30m2 groot zullen zijn, terwijl naar nu blijkt in werkelijkheid maar 4-5 appartementen 30M2 of groter zijn? Kan de gemeente aangeven of deze afwijking in afmeting ook nog van invloed is op de keuzes die zij heeft gemaakt?
Antwoord De verschillende afmetingen zijn logisch verklaarbaar. In eerste instantie was de indeling gebaseerd op oude tekeningen (blauwdrukken) van de voormalige boerderij. Later bleek dat het pand in slechtere staat verkeerde dan verwacht. Door het schuiven van de (buiten)wanden zijn de interne afmetingen veranderd. Dit kwam onder andere voort uit brandveiligheidseisen die door het Bouwbesluit 2012 worden gesteld, waardoor de muren dikker moesten zijn. Belangrijk is dat op de recentste tekeningen, die dateren van 03-112020, de juiste afmetingen van de appartementen staan. Appartement 23 en 24 hebben een oppervlakte van respectievelijk 24 en 15 m 2. Overigens heeft de afwijking in oppervlakte geen impact gehad op de juistheid van het advies van Syperda-Hardy. De afwijking heeft ook geen invloed op de keuzes die door het college zijn gemaakt. Het Bouwbesluit 2012 kent geen specifieke afmetingen voor zorgappartementen. Er zijn wel minimale eisen voor een verblijfsgebied. Het gaat dan om een minimale oppervlakte daarvan. Ook worden minimale breedtes en hoogtes benoemd. Hier wordt aan voldaan. Door de gemeente wordt hier niet op getoetst, omdat wij volgens het Heerenveens model werken. Dit betekent dat alleen op de onderdelen veiligheid en gezondheid (brandveiligheid, constructieve veiligheid, ventilatie eisen en geluideisen op de buitengevels) wordt getoetst.