Bijlage 2. Ruimtelijke_onderbouwing_Hegedyk_77_Gersloot
Tekst van het document
Scope van de QuickScan Deze QuickScan is opgesteld om de ecologische waarden van het plangebied te bepalen, en de, ten gevolge van de geplande bestemmingswijziging, eventuele strijdigheden met de Wet natuurbescherming (Wnb) in kaart te brengen, waaruit een advies zal volgen over hoe te handelen volgens deze wet. Er wordt in deze QuickScan niet ingegaan op raakvlakken met de gebiedsbescherming (Natura 2000 en Natuurnetwerk Nederland) en bescherming Houtopstanden. Een initiatiefnemer is, vanuit de natuurwetgeving, bij ruimtelijke ingrepen (maar ook maatregelen en activiteiten) verplicht op de hoogte te zijn van mogelijk voorkomende beschermde natuurwaarden binnen het plangebied, zodat hiermee rekening kan worden gehouden. De consequenties van de beoogde ruimtelijke ingreep zijn getoetst aan de bepalingen van de soortenbescherming uit de Wet natuurbescherming (Wnb). De natuur is onvoorspelbaar. Het veldbezoek beschrijft een momentopname. Indien de periode tussen veldbezoek en de invoer van de geplande verandering in het bestemmingsbesluit meerdere jaren wordt, dient overwogen te worden een herhaald veldbezoek te laten uitvoeren, hetgeen mogelijk tot gevolg heeft dat de QuickScan wordt herzien.
Datum: 24 maart 2021 rapport: R21.044, versie 1.0
blad 4 van 15
Durk Minkema QuickScan Gersloot, Hegedyk 77
Werkwijze Bureaustudie Voorafgaand aan het veldbezoek wordt de mogelijke aanwezigheid van beschermde soorten onderzocht door het raadplegen van online- en fysieke atlassen en databases, zoals bijvoorbeeld de NDFF. Het doel van de bureaustudie is het inschatten van de ligging van het projectgebied, de aanwezige habitattypes en de bekende beschermde soorten, alsmede het verkrijgen van inzicht in de kans dat beschermde soorten in een projectgebied aanwezig kunnen zijn. Veldbezoek Het veldbezoek is afgelegd door ecoloog J. Melis van JM ecologie b.v. op 5 maart 2021. Het bezoek is uitgevoerd van 9:15 tot 10:15 uur, bij 7⁰C en 1 Bft, op een zonnige dag. Het doel van het veldbezoek is het inschatten van de aanwezige habitattypes en het verkrijgen van inzicht in het plangebied. Tijdens het veldbezoek zijn alle schuren en het gebied eromheen bezocht om te bepalen of er beschermde soorten, sporen van zoogdieren of huismusnesten gevonden konden worden en/of er mestsporen van vleermuizen te vinden waren. Maatregel(en) en effecten De derde stap is de beschrijving van de geplande maatregel en de omstandigheden (planning, methode) waarin deze uitgevoerd gaat worden. Tezamen met het veldbezoek en de bureaustudie kunnen hieruit eventuele strijdigheden van de plannen met de betreffende natuurwetgeving opgespoord worden, en kunnen eventuele kennishiaten benoemd worden.
Hieraan worden conclusies verbonden en hieruit zal duidelijkheid ontstaan over de eventuele noodzaak tot het nemen van vervolgstappen, met als doel de wijziging conform de huidige Wet natuurbescherming te laten plaatvinden.
Datum: 24 maart 2021 rapport: R21.044, versie 1.0
blad 5 van 15
Durk Minkema QuickScan Gersloot, Hegedyk 77
2
Beschrijving locatie en ingreep Locatie Het plangebied is gelegen tussen Gersloot en Luxwoude (afbeelding 2.1). Ten noorden en ten zuiden van de te slopen schuren ligt een ander woonperceel. Ten oosten van het plangebied ligt het woonhuis. Op de rest van het perceel staan nog enkele bomen. De omgeving van het plangebied bestaat uit intensief beheerd agrarisch land met enkele boerderijen.
Afbeelding 2.1. Begrenzing van het plangebied (rood kader). (Bron achtergrond: Esri)
Het plangebied zelf bestaat uit vijf gekoppelde schuren, ‘de vijf gezusters’ geheten (afbeelding 2.2 t/m 2.3). De daken van de schuren bestaan uit asbesthoudende eterniet golfplaten welke op een houten skelet leunen (afbeelding 2.4). De muren van de schuren bestaan uit een gemetselde onderrand met daarop een opbouw van houten platen en -planken zonder spouw. De oudste- en meest oostelijk gelegen schuur heeft een ander houten skelet dan de overige schuren (afbeelding 2.5). Aan de zuidzijde staan enkele bomen op de perceelgrens, die gevormd wordt door een smalle watergang (afbeelding 2.6). Aan de oostzijde staat het woonhuis (afbeelding 2.7).
Afbeelding 2.2. Meest westelijk gelegen schuur
Datum: 24 maart 2021 rapport: R21.044, versie 1.0
.
Afbeelding 2.3. Noordzijde van de vijf schuren.
blad 6 van 15
Durk Minkema QuickScan Gersloot, Hegedyk 77
Afbeelding 2.4. Skeletbouw in de westelijke schuren.
Afbeelding 2.5. Skeletopbouw oostelijke schuur.
Afbeelding 2.6. Bomen en watergang aan de zuidzijde. Afbeelding 2.7. Oostzijde met woonhuis en bomen.
Datum: 24 maart 2021 rapport: R21.044, versie 1.0
blad 7 van 15
Durk Minkema QuickScan Gersloot, Hegedyk 77
Ingreep De vijf bestaande houten schuren worden volledig gesloopt waarna er een nieuwbouw schuur van 700 m2 op dezelfde locatie gerealiseerd wordt. Deze nieuwe schuur wordt uit sandwich panelen opgetrokken, met stalen skeletbouw. De watergang wordt niet aangetast en de bomen worden niet gekapt. De voorlopige planning gaat uit van de start van de werkzaamheden rond eind 2021.
Datum: 24 maart 2021 rapport: R21.044, versie 1.0
blad 8 van 15
Durk Minkema QuickScan Gersloot, Hegedyk 77
3
Resultaten veldbezoek en bureaustudie Waargenomen soorten en verwachte soorten (op basis van de aanwezige habitat en de bekende verspreiding) worden samengenomen en hun gebruik van het plangebied wordt beschreven. Hierbij ligt de nadruk op beschermde soorten, maar er zullen ook algemene en lichter beschermde soorten betrokken worden indien waargenomen of van belang voor de ingreep.
Vogels Alle broedgevallen van vogels zijn beschermd. Van 16 vogelsoorten zijn ook de nesten, vaste rust- en verblijfplaatsen jaarrond beschermd. Dit zijn soorten die vallen in de categorie 1 t/m 4 van de aangepaste lijst jaarrond beschermde vogelnesten (2012). Deze soorten zijn: boomvalk, buizerd, gierzwaluw, grote gele kwikstaart, havik, huismus, kerkuil, oehoe, ooievaar, ransuil, roek, slechtvalk, sperwer, steenuil, wespendief en zwarte wouw. Daarnaast zijn van 34 vogelsoorten de nesten jaarrond beschermd als hier een zwaarwegende ecologische reden voor is. Dit zijn soorten die vallen in de categorie 5 van de aangepaste lijst jaarrond beschermde vogelnesten (2012). Deze soorten zijn: blauwe reiger, boerenzwaluw, bonte vliegenvanger, boomklever, boomkruiper, bosuil, brilduiker, draaihals, eidereend, ekster, gekraagde roodstaart, glanskop, grauwe vliegenvanger, groene specht, grote bonte specht, hop, huiszwaluw, ijsvogel, kleine bonte specht, kleine vliegenvanger, koolmees, kortsnavelboomkruiper, oeverzwaluw, pimpelmees, raaf, ruigpootuil, spreeuw, tapuit, torenvalk, zeearend, zwarte kraai, zwarte mees, zwarte roodstaart en zwarte specht. Indien sprake is van een ecologisch zwaar wegende reden voor één of meerdere van deze soorten, dan worden deze hieronder behandeld onder ‘Jaarrond beschermd’.
Zo niet, dan worden deze soorten net als overige broedvogels behandeld onder ‘Algemene broedvogels’. Jaarrond beschermd In de omgeving van het plangebied kunnen diverse soorten vogels met jaarrond beschermde nesten voorkomen. De daken van de schuren binnen het plangebied bieden geen potentieel geschikte nestgelegenheden voor huismus en gierzwaluw. Er zijn geen nissen aanwezig waar huismussen tot broeden kunnen komen. De binnenzijde van de schuren is onderzocht op (resten van) nesten. Ook is gelet op mestsporen van vogels. Deze zijn niet aangetroffen. Voor gierzwaluwen is het karakter van de omgeving te open. Wel is het mogelijk dat er huismussen tot broeden komen in het woonhuis. De omgeving van circa 75 meter in de nabijheid van de schuren is beoordeeld op de aanwezigheid van roofvogelnesten. Deze zijn niet aangetroffen. De aanwezigheid van jaarrond beschermde nesten kan uitgesloten worden. Algemene broedvogels Het is mogelijk dat er soorten als merel tot broeden komen in de bomen rondom of in de bosschages tegen de stallen aan, en watervogels kunnen broeden in de watergang. Consequenties van de ingreep op algemene broedvogels staan beschreven in paragraaf 4.2.
Datum: 24 maart 2021 rapport: R21.044, versie 1.0
blad 9 van 15
Durk Minkema QuickScan Gersloot, Hegedyk 77
Vleermuizen Alle vleermuizen zijn zwaar beschermd (alle in Nederland voorkomende soorten staan vermeld in de Habitatrichtlijn). Vleermuizen kunnen een plangebied gebruiken als verblijfplaats, vaste vliegroute en/of foerageergebied. Verblijfplaatsen kunnen uitgesplitst worden in vier categorieën, te weten kraam-, zomer-, paar- en winterverblijven. Vleermuizen maken op verschillende manieren en in verschillende seizoenen gebruik van deze verblijfplaatsen. De eisen die vleermuizen stellen aan hun verblijfplaatsen zijn afhankelijk van de vleermuissoort en het gebruik van de verblijfplaats. Kraamverblijven worden in het voorjaar en de vroege zomer gebruikt door grote groepen drachtige vrouwtjes om hun jongen te baren en groot te brengen. Tegelijkertijd bevinden kleinere groepen mannetjes zich in de zomerverblijfplaatsen. Later in de zomer en in het najaar verplaatsen de mannetjes zich naar de paarverblijven, waaromheen ze een territorium bezetten en verdedigen tegen andere mannetjes. Binnen het territorium proberen de mannetjes langskomende vrouwtjes te lokken naar de paarverblijven, waar vervolgens de paring plaatsvindt. Het paarseizoen eindigt in de herfst, waarna de vleermuizen de winterverblijven opzoeken om te overwinteren. Sommige soorten migreren hiervoor over behoorlijke afstanden.
Vleermuizen gebruiken vliegroutes voor dagelijkse verplaatsingen tussen verblijfplaats en foerageergebieden en in het geval van migrerende soorten, voor de jaarlijkse trek van en naar de winterverblijven. Meestal maken vleermuizen langdurig gebruik van vaste routes die ze onthouden. Daarbij worden lijnvormige elementen zoals bomenrijen, dijken en watergangen gebruikt als vliegrouteondersteuning. Het onderbreken of verwijderen van deze elementen bij een (potentiële) vliegroute kan een negatief effect hebben op de mogelijkheid van vleermuizen om hun doel te bereiken. Ten slotte kunnen vleermuizen een plangebied gebruiken als foerageergebied. De vleermuizen komen via vaste routes naar het foerageergebied om daar in de buurt van bomen en water te jagen op vliegende insecten. Net zoals vaste vliegroutes die veelvuldig gebruikt worden, maken vleermuizen ook gebruik van vaste foerageergebieden. Het ongeschikt maken van een foerageergebied door bijvoorbeeld het kappen of verlichten van bomen of het dempen van waterpartijen, kan tot gevolg hebben dat vleermuizen geen toegang meer hebben tot voldoende voedsel. Verblijven De daken van de schuren bestaan uit een enkele laag golfplaten. Ook de wanden bestaan uit een enkele laag. Er is geen zolder aanwezig. De schuur is uitgebreid gezocht naar mestsporen van vleermuizen, maar deze werden niet aangetroffen.
Er zijn in de stallen geen mogelijke verblijfplaatsen aanwezig. Vliegroutes Er kunnen in de nabijheid, zoals het woonhuis, verblijven van vleermuizen, zoals bijvoorbeeld gewone dwergvleermuis, aanwezig zijn. Zelfs indien in het woonhuis vleermuizen verblijven vormen de schuren en de bomen ernaast geen potentieel essentiële vliegrouteondersteuning vanwege de aanwezigheid van meerdere bomen en bomenrijen. Foerageergebied De omgeving van het plangebied is geschikt als foerageergebied voor diverse soorten vleermuizen. Aangezien er in de omgeving van het plangebied genoeg minstens even geschikt foerageergebied aanwezig is, wordt het plangebied niet als essentieel foerageergebied aangewezen.
Datum: 24 maart 2021 rapport: R21.044, versie 1.0
blad 10 van 15
Durk Minkema QuickScan Gersloot, Hegedyk 77
Overige fauna In de NDFF is een enkele jaren oude eenmalige waarneming van een dassenpijp in de tuin van een woonhuis op 75 meter ten zuiden van het plangebied. Er is uitgebreid gezocht naar sporen van das en steenmarter, maar deze zijn niet aangetroffen. Overige beschermde diersoorten, zoals grondgebonden zoogdieren, amfibieën, reptielen, vissen, kreeftachtigen en weekdieren, zijn niet bekend in de wijde omgeving van het plangebied en worden ook niet verwacht op basis van de aanwezige habitat en de bekende verspreidingsgegevens.
Vaatplanten De in Nederland beschermde vaatplanten stellen specifieke eisen aan hun groeiplaats, of komen slechts beperkt voor in Nederland. De meeste soorten groeien op voedselarme bodems en zijn niet te verwachten op stikstofrijke of bemeste bodems zoals landbouwgronden en de meeste wegbermen. Andere beschermde soorten groeien slechts in een specifieke biogeografische regio in Nederland, zoals in het rivierengebied of in het heuvelland van Zuid Limburg. Gezien de aanwezige habitats binnen het plangebied in combinatie met de bekende huidige verspreiding van beschermde plantensoorten, kan uitgesloten worden dat deze soorten aanwezig zijn binnen het plangebied.
Datum: 24 maart 2021 rapport: R21.044, versie 1.0
blad 11 van 15
Durk Minkema QuickScan Gersloot, Hegedyk 77
4
Effecten en gevolgen Overzicht beschermde soorten In dit hoofdstuk wordt de geplande ingreep getoetst aan de aanwezige of verwachte beschermde soorten (zie hoofdstuk 3) binnen het plangebied, en de te verwachten risico’s voor deze soorten, bij uitvoer van de geplande werkzaamheden. In de Wet natuurbescherming zijn vooral vaste verblijfplaatsen (voortplantingslocaties zoals nesten, holen, kraamkolonies etc.) van belang, maar ook de functionele leefomgeving die de vaste verblijfplaatsen in stand houdt. Voor soorten die niet genoemd worden vanuit de Vogelrichtlijn, Habitatrichtlijn of Wnb artikel 3.10 geldt de algemene vrijstelling bij ruimtelijke ontwikkelingen. Zelfs bij negatieve effecten hoeft geen ontheffing te worden aangevraagd. Ditzelfde geldt voor soorten van Wnb artikel 3.10, waarvoor een Provinciale vrijstelling is uitgegeven. Voor deze soorten geldt wel de zorgplicht, maar ze worden hieronder, ondanks eventueel voorkomen en eventueel te verwachten negatieve effecten, niet meegenomen. Soortgroep Algemene broedvogels Diverse soorten
Soort(en)
Bescherming 3.1
Aanwezig Mogelijk in broedseizoen
Tabel 4.1. Soort(groep)en van de Wet natuurbescherming waarvoor het effect van de maatregel bepaald moet worden.
Effecten op de in het plangebied (mogelijk) aanwezige flora en fauna Algemene broedvogels In het plangebied en binnen de verstoringszone hiervan kunnen meerdere algemene broedvogels tot broeden komen. Wanneer werkzaamheden in de buurt van in gebruik zijnde nesten worden uitgevoerd, heeft dit mogelijk een verstorende werking op de broedende vogels. Dit is in strijd met de verbodsartikelen uit de Wet natuurbescherming, waardoor de werkzaamheden niet uitgevoerd kunnen worden zonder dat de in paragraaf 5.1 genoemde vervolgstappen in acht worden genomen.
Datum: 24 maart 2021 rapport: R21.044, versie 1.0
blad 12 van 15
Durk Minkema QuickScan Gersloot, Hegedyk 77
5
Mitigerende maatregelen In dit hoofdstuk worden de vervolgmaatregelen beschreven voor de soorten waarvan in hoofdstuk 4 is bepaald dat deze mogelijk een effect bemerken van de geplande ingreep. Deze vervolgmaatregel kan bestaan uit het uitvoeren van nader onderzoek om de aanwezigheid te bevestigen of uit te sluiten. Maar de vervolgmaatregel kan ook aangeven dat er een aanvraag voor een ontheffing op de verbodsbepalingen in de Wet natuurbescherming benodigd is. Er kan ook een lijst met mitigerende maatregelen staan aangegeven, waarbij de ingreep uitgevoerd kan worden zonder een ontheffing. Indien de ingreep zonder enig nader onderzoek, mitigatie of ontheffingsaanvraag uitgevoerd kan worden, wordt dat in dit hoofdstuk vermeld. Soortgroep Algemene broedvogels
Soort(en) Diverse soorten
Bescherming 3.1
Aanwezig
Vervolgactie
Mogelijk in Mitigerende maatregelen vogelbroedseizoen
Tabel 5.1. Soort(groep)en van de Wet natuurbescherming waarvoor een vervolgactie benodigd is.
Algemene broedvogels; mitigatie Algemene broedvogels Alle inheemse broedvogels zijn tijdens het broeden wettelijk beschermd volgens de Vogelrichtlijn. Als er ten tijde van de beoogde start van de werkzaamheden vogels in, of binnen de verstoringszone van het plangebied broeden, kunnen de werkzaamheden ter plaatse geen doorgang vinden totdat de jongen zijn uitgevlogen. Het is niet mogelijk om een ontheffing te verkrijgen voor het verstoren en verjagen van broedende vogels. Het verdient daarom de aanbeveling om de werkzaamheden buiten het broedseizoen uit te voeren. Een wettelijk vastgestelde periode voor het broedseizoen bestaat niet, bepalend is of broedgevallen aanwezig zijn. Indicatieve datumgrenzen zijn 15 maart tot 15 juli, maar er bestaan, afhankelijk van het weer en de vogelsoort, vele uitzonderingen op deze regel. Indien de werkzaamheden starten te midden van het broedseizoen: Het plan- en verstoringsgebied dient eerst door een ter zake kundige ecoloog gecontroleerd te worden op aanwezigheid van broedvogels; Indien vastgesteld wordt dat sprake is van actuele broedgevallen binnen het plan- of verstoringsgebied, worden door de ter zake kundige ecoloog specifieke maatregelen voorgesteld en/of wordt (een deel van) het plangebied niet vrijgegeven en dienen de werkzaamheden uitgesteld te worden tot alle nesten, vanuit eigen beweging van de vogels, niet meer in gebruik zijn.
Datum: 24 maart 2021 rapport: R21.044, versie 1.0
blad 13 van 15
Durk Minkema QuickScan Gersloot, Hegedyk 77
6
Conclusie De opdrachtgever is voornemens om een vijftal gekoppelde stallen te amoveren waarna er een nieuwbouw stal van 700m2 op deze locatie gerealiseerd wordt. De opdrachtgever wil weten of en zo ja welke effecten deze werkzaamheden met zich mee brengen op aanwezige (beschermde) flora en fauna. De opdrachtgever heeft JM ecologie gevraagd om een QuickScan uit te voeren op deze locatie om te onderzoeken of de ingreep een effect heeft op beschermde soorten of verblijfplaatsen van deze soorten in het kader van de Wet natuurbescherming. Naast mogelijke algemene broedvogels zijn er geen beschermde natuurwaardes aangetroffen. Er zijn geen belemmering vanuit de Wet natuurbescherming indien de mitigerende maatregelen ten aanzien van algemene broedvogels in acht worden genomen.
Gorredijk, maart 2021 JM ecologie b.v. Datum: 24 maart 2021 rapport: R21.044, versie 1.0
blad 14 van 15
Durk Minkema QuickScan Gersloot, Hegedyk 77
Geraadpleegde bronnen
Nationale Database Flora- en Fauna (NDFF), geraadpleegd op 9 maart 2021. BIJ12, 2017. Kennisdocumenten. SOVON Vogelonderzoek Nederland 2002. Atlas van de Nederlandse broedvogels 1998-2000. Netwerk Groene Bureaus & Zoogdiervereniging, 2021. Vleermuisprotocol 2021.
Datum: 24 maart 2021 rapport: R21.044, versie 1.0
blad 15 van 15
Bijlage 2
55/271
Verkennend bodem en asbestonderzoek mei 20221
Verkennend asbest- en bodemonderzoek ter plaatse van Hegedyk 77 te Gersloot
opdrachtgever datum auteur projectleider tweedelijnscontroleur projectnummer versie status
6 mei 2021
21300069 1 definitief
Protocol 2001 2002 2018
projectnummer 21300069 6 mei 2021
INHOUDSOPGAVE 1
Inleiding
1
2
Vooronderzoek en locatiegegevens
2
3
3.1 3.2 3.3 3.3.1 3.3.2 3.4 3.5
Uitvoering van het onderzoek
Onderzoeksstrategie Uitgevoerde werkzaamheden en analyses Bodemopbouw en zintuiglijke waarnemingen Bodemopbouw Zintuiglijke waarnemingen Veldmetingen grondwater Monsterneming en analyses
4
4
Resultaten
8
2.1 2.2 2.3 2.4 2.5
Algemeen Locatiegegevens en huidig gebruik Historische gegevens en bodeminformatie Locatie-inspectie Conclusie vooronderzoek
2 2 3 3 3
4 4 5 5 5 6 6
4.1 4.1.1 4.1.2 4.2 4.2.1 4.3 4.4
Toetsing en terminologie Grond en grondwater Asbest Getoetste analyseresultaten grond Analyseresultaten PFAS in grond Getoetste analyseresultaten grondwater Getoetste analyseresultaten asbest
8 8 9 9 11 11 12
5
Samenvatting, conclusies en aanbevelingen
13
BIJLAGEN Bijlage 1 Bijlage 2 Bijlage 3 Bijlage 4 Bijlage 5 Bijlage 6
Regionale situering Overzichtstekening Boorprofielen Analysecertificaten Toetsingsresultaten Tijdelijk Handelingskader
projectnummer 21300069 6 mei 2021 pagina 1 van 15
1
Inleiding In opdracht van de heer D. Minkema heeft MUG Ingenieursbureau een verkennend asbest- en bodemonderzoek uitgevoerd ter plaatse van Hegedyk 77 te Gersloot. De onderzoeklocatie geeft een agrarische bedrijfsbestemming. De bebouwing betreft een woning met aan de achterzijde aaneenliggende agrarische opstallen waarvan de dakbedekking asbesthoudend is. De verharding op de locatie bestaat uit asfalt. Ter plaatse van de noordelijke perceelsgrens is een demping aanwezig. Het bedrijfsterrein wordt bewoond en is niet meer voor agrarische doeleinden in gebruik. Aanleiding De aanleiding tot de uitvoering van het verkennend bodemonderzoek wordt gevormd door de bestemmingsplanwijziging en de geplande sloop van de opstallen en nieuwbouw. Doelstelling Het doel van het onderzoek is het vaststellen van de milieuhygiënische kwaliteit van de bodem (grond en grondwater) ter plaatse van de onderzoekslocatie en de op het terrein aanwezige demping. Daarnaast wordt de bovengrond in de druppelzone aan de buitenzijde van de agrarische opstallen onderzocht op de aanwezigheid van asbest. Kwaliteit en certificering De veldwerkzaamheden met betrekking tot de uitvoering van het veldwerk en de monsterneming van de grond zijn uitgevoerd door MUG Ingenieursbureau uitgevoerd conform en onder certificaat van de nu geldende BRL SIKB 2000 en de bijbehorende protocollen 2001, 2002 en 2018.
MUG Ingenieursbureau is gecertificeerd voor het procescertificaat 'Veldwerk bij milieuhygiënisch (water)bodemonderzoek' en zijn in het bezit van een Kwaliboerkenning (erkende bodemintermediairs). MUG Ingenieursbureau verklaart hierbij geen juridische relatie te hebben met (de bedrijfsorganisatie van) de eigenaar van de onderzoekslocatie en/of de opdrachtgever van het bodemonderzoek. MUG Ingenieursbureau heeft het bodemonderzoek als onafhankelijke organisatie uitgevoerd. In deze rapportage wordt verslag gedaan van de verrichte werkzaamheden, de resultaten en de aan de resultaten te verbinden conclusies.
projectnummer 21300069 6 mei 2021 pagina 2 van 15
2
Vooronderzoek en locatiegegevens
2.1
Algemeen Om een juiste hypothese en bijbehorende onderzoeksstrategie te kunnen vaststellen, is er een vooronderzoek uitgevoerd. Ten behoeve van het vooronderzoek is informatie verzameld op basis van NEN 5725, oktober 2017. Hierbij is de strategie ‘Opstellen hypothese over de bodemkwaliteit ten behoeve van het uit te voeren bodemonderzoek (aanleiding A)’ toegepast. Het vooronderzoek omvat het verzamelen van informatie over de locatie, de bodemopbouw en de geohydrologie, de verwachting ten aanzien van de bodemkwaliteit, het gebruik en de beïnvloeding van de locatie, de verdachte situaties, de activiteiten en ongewone voorvallen. Tevens maakt een terreininspectie deel uit van het vooronderzoek. De informatie ten behoeve van het vooronderzoek is verzameld aan de hand van de volgende bronnen. Tabel 2.1 Overzicht geraadpleegde bronnen Bron Opdrachtgever Gemeente Heerenveen Landelijke website bodeminformatie (Bodemloket) Historisch kaartmateriaal (www.topotijdreis.nl) Luchtfoto’s (Google Earth) Het Kadaster
2.2
Locatiegegevens en huidig gebruik Het perceel betreft een voormalige bedrijfslocatie met woning en aan de achterzijde aaneenliggende agrarische loodsen. De terreinverharding op het perceel bestaat uit asfalt. De onderzoekslocatie staat kadastraal bekend als gemeente Tjalleberd, sectie K met nummer 2009. De locatie heeft een oppervlakte van 4500 m2. De X- en Ycoördinaten van de locatie zijn: X= 194.351 en Y= 557.503. Afbeelding 1 toont de onderzoeksgrenzen van de locatie.
Afbeelding 1. Situering van de onderzoekslocatie (bron: Google Maps)
projectnummer 21300069 6 mei 2021 pagina 3 van 15
Bijlage 1 toont de globale topografische situering van de onderzoekslocatie en bijlage 2 een overzicht van de onderzoekslocatie.
2.3
Historische gegevens en bodeminformatie Uit de raadpleging van oude (historisch) topografische kaarten en luchtfoto’s (www.topotijdreis.nl) blijkt dat de onderzoekslocatie rond 1910 is bebouwd. De locatie is van het noordelijk aangrenzend perceel afgescheiden door een sloot. Rond 1980 zijn de agrarische opstallen gebouwd. Deze bestaan uit vijf loodsen waarvan vier aaneenliggend zijn. Op de topografische kaart van 1997 is de sloot aan de noordzijde van het perceel niet meer ingetekend. Uit de gegevens van de opdrachtgever blijkt dat de sloot op de noordelijke perceelsgrens begin jaren ’80 is gedempt. Uit informatie van de opdrachtgever en het bodeminformatiesysteem van gemeente Heerenveen, blijkt dat ter plaatse van de onderzoekslocatie geen eerdere onderzoeken zijn uitgevoerd. Ter plaatse van omliggende percelen van de onderzoekslocatie zijn (ondergrondse) opslagtanks geregistreerd maar deze zijn voor de onderhavige onderzoekslocatie niet van belang. De locatie heeft momenteel een agrarische bestemming en is als zodanig in gebruik (geweest). De bebouwing op de locatie is geïnventariseerd op asbest. Uit dit onderzoek komt naar voren dat de dakbedekking van de agrarische opstallen asbesthoudend is en dat in de ramen asbesthoudende kit/stopverf is verwerkt. De dakbedekking is verweerd en bij enkele daken mist de dakgoot voor de afvoer van het regenwater.
Hierdoor is de bovengrond onder de dakrand van de loods (druppelzone) verdacht op de aanwezigheid van asbest Op basis van de bodemkwaliteitskaart van gemeente Heerenveen wordt zowel de boven- als ondergrond geclassificeerd als bodemkwaliteitsklasse achtergrondwaarde (naar verwachting geen bodemverontreinigingen aanwezig). Wat betreft PFAS wordt zowel de boven- als ondergrond ter plaatse van de onderzoekslocatie geclassificeerd als achtergrondwaarde (voldoet aan landelijke achtergrondwaarden ‘Tijdelijk handelingskader PFAS’).
2.4
Locatie-inspectie Voorafgaand aan de veldwerkzaamheden heeft een locatie-inspectie plaatsgevonden. Hierbij zijn op het maaiveld geen asbestverdachte materialen waargenomen. Verder zijn zintuiglijk op het maaiveld geen waarnemingen gedaan die kunnen duiden op de aanwezigheid van een bodemverontreiniging.
2.5
Conclusie vooronderzoek Op basis van de hiervoor genoemde gegevens wordt vooralsnog geconcludeerd dat op de locatie geen (bedrijfs)activiteiten of calamiteiten hebben plaatsgevonden waardoor de bodem op de locatie verontreinigd kan zijn geraakt. Daarnaast wordt niet verwacht dat eventueel milieubelastende activiteiten op aangrenzende percelen van invloed zijn geweest op de milieuhygiënische bodemkwaliteit ter plaatse van de onderzoekslocatie. Op basis van de voormalige agrarische bedrijfsactiviteiten wordt de locatie wel als verdacht beschouwd op het voorkomen van (lichte) verontreinigingen met parameters uit het standaardpakket bodem. Daarnaast wordt de onverharde bovengrond onder de dakrand rond de bedrijfsloodsen verdacht op de aanwezigheid van asbest. Vooralsnog kan geen uitspraak worden gedaan of de locatie verdacht is op het voorkomen van PFAS (PFOS en PFOA). Op basis van de bodemkwaliteitskaart wordt verwacht dat de gehalten PFAS in de bodem voldoen aan de landelijke achtergrondwaarden volgens het geactualiseerde ‘Tijdelijk handelingskader PFAS’. Er zijn geen aanwijzingen voor een mogelijke verontreiniging met GenX. GenX is tot op dit moment vooral aangetroffen in de directe omgeving van bronnen waar GenX is geproduceerd of is geloosd (bekende bronnen zijn Dordrecht en Helmond).
In gebieden waar geen directe bron of lozing heeft plaatsgevonden, is daarom geen noodzaak om op GenX te onderzoeken (bron: bodemplus.nl).
projectnummer 21300069 6 mei 2021 pagina 4 van 15
3
Uitvoering van het onderzoek
3.1
Onderzoeksstrategie Het verkennend bodemonderzoek is uitgevoerd conform de strategie ‘Verdachte niet lijnvormige locatie met een heterogeen verdeelde verontreinigde stof (VED-HE-NL)’ als opgenomen in paragraaf 5.6 van NEN 5740:2009+A1:2016. Het verkennend asbestonderzoek is uitgevoerd conform de strategie ‘Verdachte locatie met diffuse bodembelasting, heterogeen verdeeld (VED-HE), zoals opgenomen in paragraaf 6.4.5 van NEN 5707+C2:2017. Beide onderzoeken zijn gecombineerd uitgevoerd. Om een volledig beeld van de onderzoekslocatie te krijgen, zijn de gecombineerde inspectiegaten/boringen zoveel mogelijk gelijkmatig verspreid.
3.2
Uitgevoerde werkzaamheden en analyses Het verrichten van de boringen en het graven van de inspectiegaten is op 29 en 30 maart 2021 uitgevoerd door gekwalificeerde monsternemer voor protocol 2001 en 2018 van MUG Ingenieursbureau de heerA.W. Dijk. Tevens zijn op 23 april 2021 aanvullende en verifiërende boringen verricht door de gekwalificeerde monsternemer voor protocol 2001 van MUG Ingenieursbureau de heer B.O. Roelfzema. Voorafgaand aan de veldwerkzaamheden is een KLIC-melding verricht ter bepaling van de eventuele ligging van kabels en leidingen. Tevens is voorafgaand aan het verrichten van de boringen de onderzoekslocatie visueel geïnspecteerd conform NEN 5725 en NEN 5740, aangevuld met een maaiveldinspectie conform NEN 5707. De inspectie is uitgevoerd bij voldoende daglicht en droog/helder weer. Op basis van locatie specifieke omstandigheden is de inspectie-efficiëntie als goed beschouwd (80-100%). In de druppelzone van de loods zijn drie inspectiegaten gegraven met een minimale omvang van circa 0,30 m x 0,30 m x 0,5 m-mv. Het opgegraven materiaal uit deze gaten is met behulp van een zeef (20 mm) beoordeeld op de aanwezigheid van asbestverdachte materialen (voorbehandeling). Van de gezeefde grond is in het veld een mengmonster samengesteld voor asbestanalyses (< 20 mm). Eventuele asbestverdachte materialen > 20 mm zijn meegenomen voor een analyse asbest in materiaal.
Bij het verrichten van de boringen en het beschrijven van het opgeboorde materiaal is de bodem beoordeeld op kleur, textuur en zintuiglijk waarneembare verontreinigingen. De bodemopbouw is per boring omschreven conform NEN 5104. Tevens is de opgeboorde grond geïnspecteerd op het voorkomen van asbestverdachte materialen. De opgegraven en opgeboorde grond is bemonsterd per de te onderscheiden bodemlaag, in trajecten van maximaal 0,5 m. Afhankelijk van de bodemopbouw en de veldwaarnemingen is eventueel een kleiner monstertraject gekozen. De onderstaande tabel 3.1 toont een overzicht van alle uitgevoerde veld- en laboratoriumwerkzaamheden. Tabel 3.1 Overzicht uitgevoerde werkzaamheden en analyses Omschrijving
Boringen
Boringen met peilbuis
Analyses grond
Analyses grondwater
Demping
3 tot 0,5 m-demping
1 tot 1,5 m-gws
2 x standaardpakket grond
1 x standaardpakket grondwater
1 x PFAS 7 x PAK (10 VROM) Rondom de schuren (druppelzone)
3 gaten tot 0,5 m-mv
Overig terrein
14 tot 0,5 m-mv 3 tot 2,0 m-mv
-
2 x asbest in grond
1 x standaardpakket grondwater
1 tot 1,5 m-gws
3 x standaardpakket grond
-
1 boring tot ongeroerde grond
standaardpakket grond: standaardpakket grondwater: asbest in grond: PAK (10 VROM)
zware metalen (9), minerale olie, PAK (10 VROM) en PCB (7, som) zware metalen (9), minerale olie, vluchtige aromaten, gechloreerde koolwaterstoffen asbest in grond Polycyclische Aromatische Koolwaterstoffen
projectnummer 21300069 6 mei 2021 pagina 5 van 15
3.3
Bodemopbouw en zintuiglijke waarnemingen
3.3.1
Bodemopbouw De boven- en ondergrond ter plaatse van de onderzoekslocatie bestaat uit matig fijn, zwak siltig zand. De bovengrond is matig tot zwak humeus. Aan de voor- en zuidzijde van het perceel is plaatselijk een veenlaagje in de ondergrond (traject 0,7-1,0 m-mv) aangetroffen en aan de zuidzijde van de locatie is plaatselijk een leemlaag in de ondergrond waarneembaar (1,5-2,0 m-mv).
3.3.2
Zintuiglijke waarnemingen De aangetroffen bijmengingen zijn weergegeven in tabel 3.2. Een uitgebreide beschrijving van de bodemopbouw en de zintuiglijke waarnemingen is weergegeven in de boor-profielen die zijn opgenomen als bijlage 3. Tabel 3.2 Overzicht aangetroffen bijmengingen en bijzonderheden Boring
Traject (m-mv)
Grondsoort
Waargenomen bijzonderheden en bijmengingen
01
0,00 - 1,00
zand
sporen baksteen, geen olie-waterreactie, geroerd
1,00 - 1,30
zand
resten hout, geen olie-waterreactie
1,30 - 1,50
zand
sterk slibhoudend, zwakke olie-waterreactie, oude slootbodem
01A
0,00 - 1,00
zand
resten baksteen, zwak grindhoudend
02
1,25 - 1,60
zand
sporen hout, geen olie-waterreactie
06
0,70 - 0,80
zand
boring gestaakt
06A
0,00 - 0,70
zand
resten baksteen
0,70 - 0,80 06B 07
volledig baksteen
0,80 - 1,30
zand
resten baksteen
0,25 - 0,60
zand
zwak baksteenhoudend, resten glas
0,60 - 1,00
zand
resten baksteen
0,00 - 0,50
zand
sporen baksteen, geen olie-waterreactie, geroerd
0,50 - 0,60 07A
0,00 - 0,50
boring gestaakt zand
0,50 - 0,60 07B 14
resten baksteen volledig baksteen
0,60 - 1,00
zand
resten baksteen
0,00 - 0,50
zand
resten baksteen
0,50 - 1,00
zand
sporen baksteen
0,50 - 0,90
zand
resten baksteen, geen olie-waterreactie, geroerd
0,90 - 1,00
boring gestaakt
18
0,00 - 0,50
zand
sporen baksteen, geen olie-waterreactie, geroerd
19
0,00 - 0,50
zand
resten baksteen, resten grind, resten asfalt, geen olie-waterreactie, sterk geroerd
19A
0,00 - 0,50
zand
resten grind, resten baksteen, resten asfalt, resten kolengruis
0,50 - 0,70
zand
zwak kolengruishoudend, zwak grindhoudend, resten hout
19B
0,50 - 0,80
zand
sporen kolengruis
19C
0,00 - 0,80
zand
resten hout
19D
0,00 - 0,50
zand
zwak grindhoudend, resten baksteen
0,50 - 0,90
zand
sporen kolengruis, sporen asfalt, sporen baksteen
20
0,30 - 0,40
21
0,00 - 0,30
boring gestaakt zand
0,30 - 0,40 25
0,70 - 1,00
resten asfalt, resten puin, geen olie-waterreactie boring gestaakt
zand
brokken baksteen
projectnummer 21300069 6 mei 2021 pagina 6 van 15 Boring
25A
Traject (m-mv)
Grondsoort
Waargenomen bijzonderheden en bijmengingen
1,00 - 1,20
zand
sterk slibhoudend, zwakke olie-waterreactie, oude slootbodem
0,50 - 0,70
zand
resten grind, resten hout
0,70 - 1,00
zand
zwak slibhoudend
1,00 - 1,30
zand
sporen slib
1,30 - 1,35
gestaakt
Ter plaatse van de demping zijn zowel in de boven- als in de ondergrond bijmengingen met baksteenpuin, hout, grind, kolengruis en asfalt waargenomen. De oude slootbodem betrof waarschijnlijk het traject vanaf 0,7 tot 1,5 m-mv gezien de opgeboorde slib of slibhoudende bijmengingen in dit dieptetraject. Aan de achterzijde van het terrein, bij boring 21, zijn resten puin aangetroffen direct aan het maaiveld. In geen van de boringen en inspectiegaten is zintuiglijk asbest aangetroffen in het opgeboorde/gegraven materiaal. In NEN 5707 is opgenomen dat (puin)bijmengingen als asbestverdacht kan worden gezien rekening houdend met het soort puin, de ouderdom, de mate van bijmenging en het historisch gebruik. In onderhavig geval is op basis van de aangetroffen bijmengingen in het opgeboorde materiaal geen sprake van verdenkingen op asbest.
3.4
Veldmetingen grondwater Op 6 april 2021 is het grondwater volgens protocol 2002 bemonsterd door een gekwalificeerd veld-medewerker van MUG Ingenieursbureau, de heer W. Dijk. De grondwaterstand, de zuurgraad (pH), het elektrisch geleidend vermogen (EC) en de troebelheid (NTU) zijn tijdens de grondwatermonsterneming in het veld gemeten. De gegevens van de veldmetingen zijn opgenomen in de onderstaande tabel 3.3. Tabel 3.3 Veldmetingen grondwater 01-1-1
Filterstelling (m-mv) 1,99 - 2,99
Grondwaterstand (m-mv) 0,59
02-1-1
2,02 - 3,02
0,62
Peilbuis
6,4
Geleidbaarheid (µS/cm) 600
Troebelheid (NTU) 4,18
6,3
920
9,26
Zuurgraad (pH)
Tijdens het bemonsteren van het grondwater zijn geen afwijkingen geconstateerd. De gemeten waarden komen van nature voor in de regio waar de onderzoekslocatie zich bevindt.
3.5
Monsterneming en analyses Voor de onderzoekslocatie zijn op basis van de zintuiglijke waarnemingen en conform de gehanteerde onderzoekstrategie monsters geselecteerd voor analyse. De meest verdachte bodemlagen zijn ingezet op basis van ‘worstcasebenadering’. In het veld zijn uit de drie inspectiegaten twee monsters samengesteld en geanalyseerd op asbest in grond. Naar aanleiding van de analyseresultaten is een uitsplitsing op PAK uitgevoerd door middel van het separaat analyseren van de bovengrond ter plaatse van boring 19 en 21. De grond- en grondwatermonsters zijn voorbehandeld conform de richtlijnen van AS3000. De analyses zijn uitgevoerd door het door de Raad voor Accreditatie geaccrediteerde testlaboratorium Eurofins Omegam te Amsterdam. De samenstelling van de mengmonsters is weergegeven in tabel 3.4.
projectnummer 21300069 6 mei 2021 pagina 7 van 15
Tabel 3.4 Overzicht uitgevoerde analyses Analysemonster
Traject in m-mv
Deelmonsters (m-mv)
Analysepakket
MMO01
0,00 - 0,50
19 (0,00 - 0,50) 21 (0,00 - 0,30)
AS3000: Standaardbodem incl. lutum en humus
MMO02
0,00 - 0,50
05 (0,00 - 0,35) 20 (0,00 - 0,30) 23 (0,00 - 0,50) 24 (0,00 - 0,35)
AS3000: Standaardbodem incl. lutum en humus
MMO03
0,60 - 1,00
02 (0,80 - 1,00) 03 (0,70 - 1,00) 04 (0,75 - 0,90) 05 (0,60 - 0,80)
AS3000: Standaardbodem incl. lutum en humus
PFAS04
0,00 - 0,50
01 (0,00 - 0,50) 03 (0,00 - 0,50) 07 (0,00 - 0,50) 14 (0,00 - 0,50) 25 (0,00 - 0,50)
AS3000: Standaardbodem incl. lutum en humus, PFAS (28) Handelingskader
MMD05
0,00 - 0,50
01 (0,00 - 0,50) 07 (0,00 - 0,50)
AS3000: Standaardbodem incl lutum en humus
MMD06
1,00 - 1,50
01 (1,30 - 1,50) 25 (1,00 - 1,20)
AS3000: Standaardbodem incl. lutum en humus
MMA07
0,00 - 0,50
Gat 03 (0,00 - 0,50)
AS3000 : Asbest grond NEN5898 < 17.5 kg
MMA08
0,00 - 0,50
Gat 01 (0,00 - 0,50) Gat 02 (0,00 - 0,50)
AS3000 : Asbest grond NEN5898 < 17.5 kg
1A
0,00 - 0,50
01A (0,00 - 0,50)
AS3000: Droge stof, AS3000: Organische stof (gloeiverlies), AS3000: PAK (10 verbindingen)
7A
0,00 - 0,50
07A (0,00 - 0,50)
AS3000: Droge stof, AS3000: Organische stof (gloeiverlies), AS3000: PAK (10 verbindingen)
B19-1
0,00 - 0,50
19 (0,00 - 0,50)
AS3000: Droge stof, AS3000: Organische stof (gloeiverlies), AS3000: PAK (10 verbindingen)
19A
0,00 - 0,50
19A (0,00 - 0,50)
AS3000: Droge stof, AS3000: Organische stof (gloeiverlies), AS3000: PAK (10 verbindingen)
19B
0,00 - 0,50
19B (0,00 - 0,50)
AS3000: Droge stof, AS3000: Organische stof (gloeiverlies), AS3000: PAK (10 verbindingen)
19C
0,00 - 0,50
19C (0,00 - 0,50)
AS3000: Droge stof, AS3000: Organische stof (gloeiverlies), AS3000: PAK (10 verbindingen)
B21-1
0,00 - 0,30
21 (0,00 - 0,30)
AS3000: Droge stof, AS3000: Organische stof (gloeiverlies), AS3000: PAK (10 verbindingen)
projectnummer 21300069 6 mei 2021 pagina 8 van 15
4
Resultaten
4.1
Toetsing en terminologie
4.1.1
Grond en grondwater Bij de toetsing aan de achtergrond-, streef- en interventiewaarden volgens de Wet bodembescherming wordt in deze rapportage de volgende terminologie gebruikt. Achtergrondwaarde (AW2000): de gehalten (grond) waarbij sprake is van een duurzame bodemkwaliteit. In verontreinigde bodems is dit de concentratie die moet worden bereikt om de functionele eigenschappen die de bodem voor mens, dier en plant heeft volledig te herstellen. Streefwaarde (S): de concentraties (grondwater) waarbij sprake is van een duurzame bodemkwaliteit. In verontreinigde bodems is dit de concentratie die moet worden bereikt om de functionele eigenschappen die de bodem voor mens, dier en plant heeft volledig te herstellen. Interventiewaarde (I): geeft de gehalten (grond) of concentraties (grondwater) aan waarboven de functionele eigenschappen die de bodem heeft voor mens, dier en plant ernstig zijn of dreigen te worden verminderd. Volgens de Wet bodembescherming is er sprake van een geval van ernstige verontreiniging als meer dan 25 m3 bodemvolume grond- of sedimentverontreiniging boven de interventiewaarde is aangetoond. Voor grondwater geldt dat als in meer dan 100 m3 bodemvolume de interventiewaarde wordt overschreden, er sprake is van een geval van ernstige verontreiniging in de bodem.
De spoedeisendheid van de sanering is in deze gevallen onder andere afhankelijk van de actuele risico’s van de ernstige verontreiniging in de bodem ten aanzien van de volksgezondheid, het ecosysteem en verspreiding via het grondwater. Indien er geen sprake is van actuele risico’s, dan zijn saneringsmaatregelen niet spoedeisend. Besluit bodemkwaliteit: ter bepaling van de toepasbaarheid van de grond zijn de resultaten in deze rapportage tevens getoetst aan het Besluit bodemkwaliteit (generieke kader). Aangezien er geen partijkeuring conform het Besluit bodemkwaliteit is uitgevoerd, kunnen aan de resultaten van deze toetsing niet dezelfde rechten worden ontleend als aan een partijkeuring die wel conform het Besluit bodemkwaliteit is uitgevoerd. Bodem Toets- en Validatieservice (BoToVa): de kwaliteit van de bodem is in het onderhavige onderzoek bepaald door de individuele meetwaarden om te rekenen naar standaardbodem op basis van de gemeten percentages lutum en organisch stof. Hierna zijn deze ‘gestandaardiseerde waarden’ getoetst aan de normwaarden uit de Regeling bodemkwaliteit. PFAS: Voor PFOS, PFOA en GenX is geen normering opgenomen in de Regeling bodemkwaliteit.
Met ingang van de aanpassing van het ‘Tijdelijk handelingskader PFAS’ op 29 november 2019 zijn voorlopige toepassingsnormen vastgesteld, die tussentijds op basis van voortschrijdend kennis en onderzoek geactualiseerd zijn op 2 juli 2020. Het ‘Tijdelijk handelingskader PFAS’ biedt een landelijk kader voor de omgang met PFAS-houdende grond en bagger. Dat kader zal in de toekomst juridisch worden verankerd via een wijziging van de Regeling bodemkwaliteit. Het ‘Tijdelijk handelingskader PFAS’ is opgesteld aan de hand van het advies van het RIVM over risicogrenzen voor PFOS, PFOA en GenX en heeft het voorzorgbeginsel als uitgangspunt. Medeoverheden, maar ook het bedrijfsleven hebben meetdata beschikbaar gesteld zodat versneld tijdelijke landelijke achtergrondwaarden konden worden bepaald. Het RIVM heeft op basis van de beschikbare informatie tijdelijke landelijke achtergrondwaarden afgeleid. Het RIVM adviseert op dit moment voor alle stoffen uit de PFAS-groep een landelijke achtergrondwaarde van 1,4 μg/kg ds. Specifiek voor PFOA adviseert het RIVM een landelijke achtergrondwaarde van 1,9 μg/kg ds. Bij deze waarden is er volgens het RIVM geen sprake van risico’s voor de gezondheid of overschrijding van effectniveaus voor het ecosysteem. Dit betekent dat grond met gehalten beneden deze achtergrondwaarden mag worden toegepast.
In overleg met andere overheden heeft het Ministerie van Infrastructuur en Waterstaat deze tijdelijke landelijke achtergrondwaarden opgenomen in het ‘Tijdelijk handelingskader PFAS’. De toepassingsnormen gebaseerd op de landelijke achtergrondwaarden (1,4 μg/kg ds PFAS en 1,9 μg/kg ds voor PFOA) zijn in tabel 4.1 weergegeven (bron:
projectnummer 21300069 6 mei 2021 pagina 9 van 15
‘Tijdelijk handelingskader PFAS’, Ministerie van Infrastructuur en Waterstaat, geactualiseerde versie 2 juli 2020). Het genoemde tijdelijk handelingskader is opgenomen als bijlage 6. Tabel 4.1 Toepassingsnormen voor toepassen van grond op landbodem (in μg/kg ds) Grond (μg/kg ds)
Toepasbaar op land vrij zowel boven als onder grondwaterniveau*
PFAS < 1,4
PFOA < 1,9
PFOS < 1,4
1,4 < PFAS < 3
1,9 < PFOA < 7
1,4 < PFOS < 3
landbouw en natuur als PFAS < lokale achtergrondwaarde
PFAS > 3
PFOA > 7
PFOS > 3
reiniging of stort
m.u.v. grondwaterbeschermingsgebieden** wonen en industrie
* Voor gebieden met een hoge grondwaterstand geldt in plaats van ‘onder grondwaterniveau’: op een diepte van 1 m en meer onder het maaiveld. Als de grond als gevolg van zetting op termijn in de verzadigde zone terechtkomt, wordt de grond geacht boven grondwaterniveau te zijn toegepast. ** Bij toepassingen in grondwaterbeschermingsgebieden is wederom geadviseerd gebruik te maken van grond en baggerspecie van ten minste dezelfde kwaliteit als de aanwezige bodemkwaliteit in het desbetreffende gebied.
4.1.2
Asbest De analyseresultaten van het asbestonderzoek zijn getoetst aan de hergebruiksnorm. Voor de toetsing van het gehalte aan asbest zijn de streefwaarde en de interventiewaarde gelijkgesteld op 100 mg/kg ds (hergebruiksnorm). Het gehalte aan asbest wordt bepaald door de amfibole concentratie (amosiet en crocidoliet) te vermenigvuldigen met een factor 10 en deze op te tellen bij de serpentijnconcentratie (chrysotiel). Getoetste analyseresultaten grond In tabel 4.2 een is een beknopt overzicht weergegeven van de analyseresultaten getoetst aan de achtergrond- en interventiewaarden volgens de Wet bodembescherming. Tevens is de indicatieve toetsing aan de Regeling bodemkwaliteit (generieke kader) weergegeven. In bijlage 4 zijn de analysecertificaten opgenomen en in bijlage 5 de getoetste analyseresultaten met de toetsingswaarden.
projectnummer 21300069 6 mei 2021 pagina 10 van 15
Tabel 4.2 Getoetste analyseresultaten grondmonsters Analysemonster
Boringen (m-mv) Bijmenging
> AW (+index)
> I (+index)
Toetsing Bbk (indicatief)
MMO01 (19, 21)
0,00 - 0,50
resten baksteen, resten grind, resten asfalt
minerale olie C10 - C40 (0,16) zink (0,05) lood (0,04) PAK 10 VROM (0,57)
-
niet toepasbaar > industrie
MMO02 (05, 20, 23, 24)
0,00 - 0,50
-
-
-
altijd toepasbaar
MMO03 (02, 03, 04, 05)
0,60 - 1,00
sporen hout
-
-
altijd toepasbaar
MMD05 (01, 07)
0,00 - 0,50
sporen baksteen
minerale olie C10 - C40 (-) PAK 10 VROM (0,5)
-
klasse industrie
MMD06 (01, 25)
1,00 - 1,50
sterk minerale olie C10 - C40 (0,1) slibhoudend, koper (0,06) oude slootbodem zink (0,45) lood (0,37)
PAK 10 VROM (1,59)
niet toepasbaar > interventiewaarde
Uitsplitsing mengmonster boring 19 en 21 (mmo01) B19-1
0,00 - 0,50
resten baksteen, resten grind, resten asfalt
-
PAK 10 VROM (4,61)
niet toepasbaar > interventiewaarde
B21-1
0,00 - 0,30
resten asfalt, resten puin
-
-
altijd toepasbaar
Heranalyse en afperkende boringen 1A
0,00 - 0,50
resten baksteen, zwak grindhoudend
PAK 10 VROM (0,03)
-
klasse wonen
7A
0,00 - 0,50
resten baksteen
PAK 10 VROM (0,16)
-
klasse industrie
19A
0,00 - 0,50
resten grind, resten baksteen, resten asfalt, resten kolengruis
PAK 10 VROM (3,37)
niet toepasbaar > Interventiewaarde
19B
0,00 - 0,50
sporen kolengruis PAK 10 VROM (0,04)
-
klasse wonen
19C
0,00 - 0,50
resten hout
-
klasse wonen
> AW >I Index
: overschrijding achtergrondwaarde : overschrijding interventiewaarde : (GSSD-AW)/(I-AW)
PAK 10 VROM (0,13)
(Index > 0,0) (Index > 0,5) (Index > 1,0)
: overschrijding achtergrondwaarde : overschrijding voormalige tussenwaarde : overschrijding interventiewaarde
Boring 19, resten asfalt in bovengrond In mengmonster MMO01 van de bovengrond ter plaatse van de boringen 19 en 21 is PAK (23 mg/kg) aangetroffen boven de voormalige tussenwaarde (20 mg/kg). De individuele grondmonsters zijn vervolgens afzonderlijk geanalyseerd op PAK waaruit blijkt dat het PAK gehalte (180 mg/kg ds) in de bovengrond van boring 19 sterk verhoogd is terwijl ter plaatse van boring 21 het PAK gehalte (0,49 mg/kg) in de bovengrond onder de achtergrondwaarde ligt. Het verhoogde gehalte in de bovengrond ter plaatse van boring 19 is te relateren aan de bijmengingen met asfalt resten. Hierop is de bovengrond ter plaatse van boring 19 opnieuw bemonsterd (boring 19A) voor analyse op PAK. Wederom is hier de aanwezigheid van resten asfalt in de bovengrond en het hiermee samenhangende sterk verhoogde PAK gehalte (130 mg/kg) bevestigd. Vervolgens is de verontreiniging uitgekarteerd door middel van de aanvullende boringen 19B, 19C, 19D en 1A. In de bovengrond van deze boringen zijn geen asfaltresten aangetroffen. Na analyse blijken overschrijdingen van de achtergrondwaarde met PAK maar deze blijven beneden de tussenwaarde. Hiermee is de omvang van het sterk verhoogde PAK gehalte voldoende ingekaderd.
projectnummer 21300069 6 mei 2021 pagina 11 van 15
De bovengrond ter plaatse van boring 1A, 19B en 19C is na indicatieve toetsing volgens de Regeling en het Besluit bodemkwaliteit indicatief aangemerkt als kwaliteitsklasse ‘wonen’. Demping Ter plaatse van de gedempte sloot is PAK aangetroffen boven de voormalige tussenwaarde (MMD05). Omdat er niet voldoende monstermateriaal aanwezig was voor heranalyse van de individuele grondmonsters zijn op de locatie van deze twee boringen opnieuw boringen verricht. Dit zijn de boringen 1A, 7A en 7B. Uit analyse van bovengrond ter plaatse van de boringen 1A en 7A blijken licht verhoogde gehalten aan PAK (2,7 en 7,7 mg/kg respectievelijk). De tussenwaarde overschrijding van PAK aanvankelijk gemeten in mengmonster MMD05 is niet reproduceerbaar. In de grondlaag van 1,00 - 1,50 m-mv ter plaatse van boring 1 en 25 (MMD06) is een sterk verhoogd gehalte aan PAK en licht verhoogde gehalten aan minerale olie, koper, zink en lood aangetoond. De licht tot sterk verhoogde gehalten zijn waarschijnlijk te relateren aan de aangetroffen sliblaag (voormalige slootbodem). Volgens de Regeling en het Besluit bodemkwaliteit is deze grondlaag indicatief aangemerkt als kwaliteitsklasse ‘niet toepasbaar > industrie’. De verwachting is dat de sliblaag in de gehele gedempte sloot aanwezig is.
Overige terrein De bovengrond ter plaatse van de achterzijde van het terrein (MMO02, boringen 5, 20, 21, 23 en 24) is na indicatieve toetsing volgens de Regeling en het Besluit bodemkwaliteit indicatief aangemerkt als kwaliteitsklasse ‘altijd toepasbaar’. In de ondergrond ter plaatse van boring 2, 3, 4 en 5 (MMO03) is zijn geen verhoogde gehaltes aangetoond. De ondergrond ter plaatse van deze boringen wordt na indicatieve toetsing aangemerkt als klasse ‘altijd toepasbaar’.
4.1.3
Analyseresultaten PFAS in grond Voor de gehele onderzoekslocatie is één mengmonster van de bovengrond samengesteld voor analyse op PFAS (PFOA, PFOS, exclusief GenX). Een overzicht van de analyseresultaten is weergegeven in tabel 4.3. De analysecertificaten zijn opgenomen als bijlage 4. Tabel 4.3 Overzicht analyseresultaten PFOS en PFOA Analysemonster
Gehalte som PFOS (µg/kg ds)
Gehalte som PFOA (µg/kg ds)
Gehalte overige PFAS (µg/kg ds)
PFAS (01, 03, 07, 14, 25)
0,5
0,4
< 0,1
Uit de toetsing aan het ‘Tijdelijk handelingskader PFAS’ (geactualiseerde versie van 2 juli 2020) blijkt dat in geen van bovengrond mengmonsters ter plaatse van de onderzoekslocatie verhoogde PFAS-gehalten zijn aangetoond boven de landelijke achtergrondwaarden (1,4 μg/kg ds PFOA en 1,9 μg/kg ds voor PFOS). Op basis van de gemeten PFAS-gehalten wordt de bovengrond ter plaatse van de onderzoekslocatie aangemerkt als ‘vrij toepasbaar’ voor zowel onder als boven grondwaterniveau.
4.2
Getoetste analyseresultaten grondwater De onderstaande tabel 4.4 geeft een overzicht van de analyseresultaten die zijn getoetst aan de streef- en interventie-waarden volgens de Wet bodembescherming. In bijlage 4 zijn de analysecertificaten opgenomen en in bijlage 5 de getoetste analyseresultaten met de toetsingswaarden.
projectnummer 21300069 6 mei 2021 pagina 12 van 15
Tabel 4.4 Analyseresultaten grondwatermonsters Peilbuis
Filterdiepte (m-mv)
> S (+index)
01-1-1
1,99 - 2,99
barium (0,12)
02-1-1
2,02 – 3,02
zink (0,01) barium (0,01)
>S >I Index
: overschrijding streefwaarde : overschrijding interventiewaarde : (GSSD-S)/(I-S)
> I (+index) -
(Index > 0,0) (Index > 0,5) (Index > 1,0)
: overschrijding streefwaarde : overschrijding voormalige tussenwaarde : overschrijding interventiewaarde
In het grondwater is een licht verhoogde concentratie aan barium en zink gemeten (boven de streefwaarde). Deze verhogingen hebben waarschijnlijk naar een natuurlijke achtergrond.
4.3
Getoetste analyseresultaten asbest Een overzicht van de analyseresultaten van de asbestanalyses is weergegeven in de volgende tabel 4.5. De analysecertificaten zijn opgenomen als bijlage 4. Tabel 4.5 Analyseresultaten verkennend asbestonderzoek – bepaling gehalte in mg/kg ds Mengmonster
Inspectiegat (traject m-mv)
Verzamelmonster (> 2 cm), gemeten waarde mg
Grond(meng)monster (< 2 cm), gemeten waarde mg/kg ds
serpentijn
amfibool
serpentijn
amfibool
Totaalgehalte, gewogen# mg/kg ds (afgerond)
MMA07
Gat 03 (0-0,5)
n.a.
n.a.
n.a.
n.a.
< 0,8
MMA08
Gat 01 (0-0,5) Gat 02 (0-0,5)
n.a.
n.a.
n.a.
n.a.
< 0,4
n.a. niet aangetroffen (h) / (nh) hechtgebonden asbest/niet-hechtgebonden asbest # gewogen toetswaarde = serpentijn + 10 x amfibool
Ter plaatse van de opgegraven inspectiegaten is tijdens de uitvoering van het veldwerk geen asbestverdacht materiaal in de grove fractie (> 20 mm) aangetroffen. Ook analytisch is in de fijne fractie (< 20 mm) geen asbest aangetroffen. De bovengrond ter plaatse van de inspectiegaten wordt op basis van deze resultaten aangemerkt als niet-asbesthoudend.
projectnummer 21300069 6 mei 2021 pagina 13 van 15
5
Samenvatting, conclusies en aanbevelingen In opdracht van de heer D. Minkema heeft MUG Ingenieursbureau een verkennend asbest- en bodemonderzoek uitgevoerd ter plaatse van Hegedyk 77 te Gersloot. Aanleiding De aanleiding tot de uitvoering van het verkennend bodemonderzoek wordt gevormd door bestemmingsplanwijziging en de daarmee gepaard gaande werkzaamheden (sloop van de opstallen en nieuwbouw). Doelstelling Het doel van het onderzoek is het vaststellen van de milieuhygiënische kwaliteit van de bodem (grond en grondwater) ter plaatse van de onderzoekslocatie en de op het terrein aanwezige demping. Daarnaast is de bovengrond in de druppelzone aan de buitenzijde van de agrarische opstallen onderzocht op de aanwezigheid van asbest. Onderzoeksresultaten Zintuiglijke waarnemingen Ter plaatse van de demping zijn zowel in de boven- als in de ondergrond bijmengingen met baksteenpuin, hout, grind, kolengruis en asfalt waargenomen. De oude slootbodem betrof waarschijnlijk het traject vanaf 0,7 tot 1,5 m-mv gezien de opgeboorde slib of slibhoudende bijmengingen in dit dieptetraject. Aan de achterzijde van het terrein, bij boring 21, zijn resten puin aangetroffen direct aan het maaiveld. In geen van de boringen en inspectiegaten is zintuiglijk asbest aangetroffen in het opgeboorde/gegraven materiaal.
Analytisch grond (inclusief PFAS en asbest) De bovengrond ter plaatse van boring 19 en 19A is sterk verontreinigd met PAK. Het verhoogde gehalte is te relateren aan de bijmengingen met asfalt resten. De verontreiniging is uitgekarteerd door middel van de boringen 19B, 19C, 19D en 1A. In de bovengrond van deze boringen zijn geen asfaltresten aangetroffen. De gemeten PAK gehalten betreffen hier achtergrondwaarde overschrijdingen. Demping De voormalige slootbodem (1,0 - 1,5 m-mv) is een sterk verontreinigd met PAK. De verontreiniging is te relateren aan de aangetroffen sliblaag c.q. bijmengingen met slib. De verwachting is dat de sliblaag in de gehele gedempte sloot aanwezig is. Overige terrein De bovengrond en ondergrond ter plaatse van de voor- en achterzijde van het terrein zijn geen verhogingen boven de achtergrondwaarde geconstateerd. Deze grond is indicatief aangemerkt als altijd toepasbaar. Analytisch grondwater In het grondwater is een licht verhoogde concentratie aan barium en zink gemeten (boven de streefwaarde). Conclusie en aanbevelingen Geconcludeerd wordt dat de hypothese aangaande het bodemonderzoek ter plaatse wordt bevestigd. In de bodem van de onderzoekslocatie zijn licht tot sterke bodemverontreinigingen aangetoond. De gehalten PFAS in de bovengrond voldoen aan de landelijke achtergrondwaarden.
Naar verwachting betreft de sterk verontreinigde bovengrond ter plaatse van boring 19 een plaatselijke spot. Op basis van het veld- en chemisch onderzoek kan worden geconcludeerd dat de bovengrond van boring 19 geen geval van ernstige bodemverontreiniging betreft, uitgaande van een dikte van 0,5 m2 en een oppervlakte van 30 m2 (8 m1 lang en 4 m1 breed) wordt de hoeveelheid sterk met PAK verontreinigde grond is ingeschat op circa 15 m3. In geval van grondverzet wordt geadviseerd wordt om deze niet-toepasbare grond af te voeren naar een erkende verwerker.
projectnummer 21300069 6 mei 2021 pagina 14 van 15
Op basis van het veld- en chemisch onderzoek kan worden geconcludeerd dat de voormalige sliblaag geen geval van ernstige bodemverontreiniging betreft, uitgaande van een dikte van 0,2 m2 en een oppervlakte van 105 m2 (70 m1 lang en 1,5 m1 breed) wordt de hoeveelheid sterk met PAK verontreinigde grond (de voormalige slootbodem) voorlopig ingeschat op circa 21 m3. De verontreiniging in de bovengrond en de sliblaag is ontstaan voor 1987, waardoor het geen zorgplicht betreft volgens de Wet bodembescherming. Voor het werken met niet toepasbare grond kunnen aanvullende veiligheidsmaatregelen conform CROW 400 van toepassing zijn. Daarnaast kan inzet van een DLP’er nodig zijn. De aannemer werkt altijd met een V&G-plan en die dient te worden goedgekeurd door een bevoegd veiligheidskundige. Indien grond vanaf de locatie wordt afgevoerd, is bij hergebruik elders het Besluit bodemkwaliteit van toepassing. Indien de grond elders wordt toegepast, dient toestemming te worden verkregen van het bevoegd gezag en kan onderzoek conform het Besluit bodemkwaliteit worden gevraagd. Indien de grond en bouwstoffen elders worden toegepast, dient dit voorafgaand aan de toepassing gemeld te worden bij het bevoegd gezag via het Meldpunt bodemkwaliteit (https://meldpuntbodemkwaliteit.agentschapnl.nl). Ook tijdelijke opslag van de grond in een depot dient hier gemeld te worden.
Het bevoegd gezag is veelal de gemeente waarbinnen de toepassing plaatsvindt of bij toepassing in oppervlaktewater of oevers het desbetreffende waterschap. Slotopmerkingen Tot slot dient opgemerkt te worden dat de conclusie is gebaseerd op het vooronderzoek en de onderzoeksresultaten van dit onderzoek. Dit verkennend bodemonderzoek schetst een algemeen beeld van de milieuhygiënische kwaliteit van de bodem. Bij graaf- en grondverzetwerkzaamheden dient men rekening te houden met plaatselijk voorkomende (zintuiglijke) afwijkingen. Ook kan bij het toepassen van de vrijkomende grond- en materiaalstromen een partijkeuring conform het Besluit bodemkwaliteit worden geëist.
projectnummer 21300069 6 mei 2021
Bijlage 1
Regionale situering
193470
194470
195470
Service Layer Credits: Open Topo: Esri Nederland, Jan Willem van Aalst www.imergis.nl
AHu
0
1200 Meters
GHo
13-4-2021
RD coördinaten centrum: 21300069
x = 194324E y = 557488N
´
Verkennend bodemonderzoek Hegedyk 77 Gersloot
Rho Adviseurs Deventer Situering van de onderzoekslocatie
1 1:25000 A4
DEFINITIEF
C:\ONEDRIVE\Dijkstra Groep\21300069 - VBO Hegedyk 77, Gersloot - Milieu Leek - A - Tekeningen\21300069\21300069.aprx
555351
556351
557351
558351
559351
192470
projectnummer 21300069 6 mei 2021
Bijlage 2
Overzichtstekening
G 117 9A
79-7
14
K 255 07A
K 1064
A B
25 06A
K 1063
A Q
06B 01A
19C
Q
B19
03
Q
77
18
B
asfaltverharding
A
13
16
A
A 12
08
F
K 232
A
10
A
21
A
11
02
A
yk
20
Q
19B
17
06
Q
G 141
ed
19D
B
C Q
B
g He
19A
B F
25A
B
07B
A 09
A
04
K 2009
Q
A
G 142
Gat 03
K
Gat 01
05
K 23 22
A
A
Gat 02
K
K 266
24
75
A
K 271
LEGENDA A
22 Meters
boring tot ca. 0,5 m -mv
B Q boring tot ca. 2,0 m -mv C boring > ca. 2,5 m -mv
boring tot ca. 1,0 m -mv
K
0
inspectiegat met nummer
F peilbuis met nummer
Service Layer Credits: Open Topo: Esri Nederland, Jan Willem van Aalst - www.imergis.nl BGT - Basisregistratie Grootschalige Topografie: Op het gebruik van deze data en services zijn van toepassing de Esri Nederland Terms of Use. U dient hiervan voor gebruik van de data en services kennis te nemen. Zodra u de data of services
0
AHu
GHo
Eerste uitgave
3-5-2021 21300069
Verkennend bodemonderzoek Hegedyk 77 Gersloot
2 1:500 A3
Kadstrale perceel + nummer onderzoeksgrens
Rho Adviseurs Deventer
asfaltverharding Overzicht van de onderzoekslocatie
DEFINITIEF
C:\ONEDRIVE\Dijkstra Groep\21300069 - VBO Hegedyk 77, Gersloot - Milieu Leek - A - Documenten\Tekeningen\21300069\21300069.aprx
Q
projectnummer 21300069 6 mei 2021
Bijlage 3
Boorprofielen
Bijlage: Boorprofielen Boring:
01
Boring:
01A
Datum: Boormeester:
29-3-2021 Wim Dijk
Datum: Boormeester:
23-4-2021 Otto Roelfzema
-140
0
gazon
1 50
-151
0
Zand, matig fijn, zwak siltig, zwak humeus, sporen baksteen, geen olie-water reactie, neutraalbruin, Edelmanboor, geroerd
braak Zand, matig fijn, matig siltig, zwak humeus, resten baksteen, zwak grindhoudend, donker grijsbruin, Edelmanboor
1 50
2
2 -240
100 3
-270
4 -290
150 5
-340
200
-251
100 Zand, matig fijn, zwak siltig, zwak humeus, resten hout, geen olie-water reactie, neutraalbruin, Edelmanboor Zand, matig fijn, zwak siltig, sterk slibhoudend, zwakke olie-water reactie, neutraal bruinzwart, Edelmanboor, oude slootbodem Zand, matig fijn, zwak siltig, sporen hout, geen olie-water reactie, neutraal grijsbruin, Edelmanboor Zand, matig fijn, zwak siltig, sporen hout, geen olie-water reactie, neutraal cremegrijs, Zuigerboor
6 250 7 300 -460
Boring:
02
Boring:
03
Datum: Boormeester:
29-3-2021 Wim Dijk
Datum: Boormeester:
29-3-2021 Wim Dijk
-126
0
gazon
1 -176
50 2
-206
3 -226
100 4
-251
5 150 -286
6 -326
200
-129
0
Zand, matig fijn, zwak siltig, zwak humeus, geen olie-water reactie, neutraal geelbruin, Edelmanboor, geroerd
groenstrook Zand, matig fijn, zwak siltig, zwak humeus, geen olie-water reactie, neutraalbruin, Edelmanboor
1 50
Zand, matig fijn, zwak siltig, resten planten, geen olie-water reactie, neutraal bruinzwart, Edelmanboor Veen, matig zandig, geen olie-water reactie, neutraal bruinzwart, Edelmanboor Zand, matig fijn, zwak siltig, zwak roesthoudend, geen olie-water reactie, licht cremebruin, Edelmanboor