CConstaterende datHeerenveen
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlage 2. Ruimtelijke_onderbouwing_Hegedyk_77_Gersloot

Raadsvergadering 25 mei 2023, gemeente HeerenveenBij agendapunt: Verklaring van geen bedenkingen herontwikkelen perceel Hegedyk 77 in Gersloot23.462 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 3

omgevingsvergunning

Ruimtelijke onderbouwing Hegedyk 77 Gersloot Heerenveen

DATUM IMRO IDN

30-11-2022 NL.IMRO.0074.OVHegedyk77GE-ON01

PROJECT PROJECTLEIDER

Hegedyk 77 Gersloot

OPDRACHTGEVER PROJECTNUMMER

20201878

AUTEUR STATUS

ontwerp

Inhoudsopgave

Ruimtelijke onderbouwing

5

Hoofdstuk 1

Inleiding

7

1.1.

Aanleiding

1.2.

Ligging van het projectgebied

1.3.

Geldend bestemmingsplan

1.4.

Leeswijzer

Hoofdstuk 2

Beschrijving van het project

2.1.

Huidige situatie

2.2.

Toekomstige situatie

Hoofdstuk 3

Beleidskader

3.1.

Rijksbeleid

3.2.

Provinciaal beleid

3.3.

Gemeentelijk beleid

Hoofdstuk 4

Omgevingsaspecten

4.1.

Archeologie en cultuurhistorie

4.2.

Ecologie

4.3.

Bodemkwaliteit

4.4.

Luchtkwaliteit

4.5.

Geluid

4.6.

Water

4.7.

Bedrijven- en milieuzonering

4.8.

Kabels en leidingen

4.9.

Externe veiligheid

4.10.

Vormvrije mer-beoordeling

Hoofdstuk 5 5.1.

Maatschappelijke uitvoerbaarheid

5.2.

Economische uitvoerbaarheid

Hoofdstuk 6 Bijlagen

3/271

Uitvoerbaarheid

Conclusie

11

15

21

31

33 35

Bijlage 1

Quickscan ecologie

37

Bijlage 2

Verkennend bodem en asbestonderzoek mei 20221

55

Bijlage 3

Bodemonderzoek aug 2022

171

Bijlage 4

Vergunningencheck Watertoets

265

4/271

Ruimtelijke onderbouwing

5/271

6/271

Hoofdstuk 1

Inleiding

1.1. Aanleiding De initiatiefnemer wil aan de Hegedyk 77 in Gersloot het perceel herontwikkelen. De herontwikkeling betreft de sloop van de asbesthoudende schuur en de herbouw van een kleinere modernere schuur, daarnaast wordt het gebruik van de bedrijfswoning als burgerwoning met kleinschalige bedrijfsmatige en cultuurgronden toegestaan. De beoogde ontwikkeling is echter niet mogelijk op basis van het geldende bestemmingsplan. Om de ontwikkeling juridisch-planologisch mogelijk te kunnen maken, wordt een omgevingsvergunning voor het afwijken van het bestemmingsplan aangevraagd. Bij deze aanvraag moet worden onderbouwd dat sprake is van een goede ruimtelijke ordening. De voorliggende onderbouwing voorziet daarin. De gemeente Heerenveen heeft aangegeven in principe mee te willen werken aan het project. Tevens wordt tegelijkertijd voor de realisatie een omgevingsvergunning voor het bouwen aangevraagd.

1.2. Ligging van het projectgebied Het projectgebied ligt in het buitengebied van de gemeente Heerenveen op ongeveer 900 meter ten oosten van het dorp Gersloot. Het projectgebied ligt midden in de Veenpolder en is onderdeel van een kleinschalig lint van de oude ontginnings-basis (Luinjeberd, Tjalleberd, Gersloot). De regelmatige strokenverkaveling van de ontginning is in het landschap nog goed te zien. De figuren 1.1 en 1.2 geven de ligging weer van het projectgebied.

Figuur 1.1: ligging projectgebied (bron: Google Maps)

7/271

Figuur 1.2: Luchtfoto locatie (bron: Pdok)

1.3. Geldend bestemmingsplan De bestemming van het projectgebied is geregeld in het bestemmingsplan 'Buitengebied 2007', dat is vastgesteld op 13 mei 2010. Het projectgebied heeft nu de bestemming 'Agrarisch gebied 1'. Bedrijfsgebouwen moeten binnen het bouwperceel worden gebouwd. De gronden binnen deze bestemming zijn bestemd voor de uitoefening van een agrarisch bedrijf met een in hoofdzaak grondgebonden agrarische bedrijfsvoering. Daarnaast is ter plaatse van de aanduiding 'bouwperceel' ook het wonen ten behoeve van de agrarische bedrijfsvoering toegestaan en wordt ruimte geboden voor een aan-huis-verbonden beroep, dan wel een kleinschalige bedrijfsmatige activiteit. In figuur 1.3 is een uitsnede van het huidige bestemmingsplan opgenomen.

Figuur 1.3: Uitsnede bestemmingsplan 'Buitengebied 2007' 1.3.1 Procedurekeuze Functiewijziging

8/271

Agrarisch naar wonen Zoals hiervoor beschreven in paragraaf 1.3 geldt voor het projectgebied de bestemming 'Agrarisch gebied 1'. Binnen deze bestemming is wonen alleen toegestaan in combinatie met agrarische activiteiten. Regulier wonen is niet toegestaan. Om regulier wonen mogelijk te maken wordt een omgevingsvergunning in wordt op basis van artikel 2.12, eerste lid onder 3° Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo), een omgevingsvergunning voor het handelen in strijd met de regels ruimtelijke ordening aangevraagd. Gebruik schuur De bestaande en nieuwe schuur worden gebruikt voor het hobbymatig stallen van een verzameling tractoren. Op basis van het geldende bestemmingsplan is het stallen van voer-, vaar en/of vliegtuigen niet toegestaan. Het gebruik van de schuur is daarmee strijdig met het geldende bestemmingsplan. De nieuwe schuur kan daardoor niet worden gebruikt voor de betreffende functie op basis van de huidige regeling. Om dit gebruik toch mogelijk te maken worden eveneens gebruik gemaakt van artikel 2.12, eerste lid onder 3° Wabo. Realisatie nieuwe schuur (ter vervanging van de kalverstallen) Onder het overgangsrecht van het geldende bestemmingsplan is er een mogelijkheid om nieuwbouw te plegen. Dit is bedoeld om oude en slecht onderhouden bouwwerken te vervangen door een kleiner bouwwerk, waarmee in planologische en landschappelijke zin een winst wordt behaald.

Op basis van deze regeling is het mogelijk om de nieuwe schuur te realiseren. Procedure Zoals hiervoor beschreven wordt voor onderhavige ontwikkeling gebruik gemaakt van twee procedures, namelijk een omgevingsvergunning voor het handelen in strijd met de regels ruimtelijke ordening en het overgangsrecht zoals opgenomen in het geldende bestemmingsplan. In overleg met de gemeente Heerenveen is afgesproken dat gemakshalve, voor de gehele ontwikkeling gebruik wordt gemaakt van artikel 2.12, eerste lid onder 3° Wabo. Voor de omgevingsvergunning geldt in dit geval de uitgebreide procedure, waarbij geldt dat gemotiveerd moet worden dat vanuit een goede ruimtelijke ordening medewerking kan worden verleend. Voor de ruimtelijke afweging hiervan is deze ruimtelijke onderbouwing opgesteld.

1.4. Leeswijzer Na deze inleiding wordt in Hoofdstuk 2 een beschrijving gegeven van de huidige situatie, de gewenste ontwikkelingen en ruimtelijke inpassing daarvan. In Hoofdstuk 3 worden de uitgangspunten getoetst aan het, voor het project relevante, beleid op de verschillende niveaus. In Hoofdstuk 4 wordt ingegaan op de omgevingsaspecten. Ten slotte worden in Hoofdstuk 5 de maatschappelijk en economische uitvoerbaarheid van het project besproken.

9/271

10/271

Hoofdstuk 2

Beschrijving van het project

2.1. Huidige situatie De Hegedyk 77 te Gersloot is het agrarisch perceel van een voormalige kalverhouderij. De agrarische activiteiten worden al enige jaren niet meer uitgevoerd. In de huidige situatie staat de woonboerderij aan de wegzijde (figuur 2.1) met daarachter een vijftal aaneengesloten kalverstallen. Deze verouderde kalverstallen worden momenteel gebruikt voor de opslag van materiaal, machines en de verzameling 'oude' tractoren. Het materiaal en de machines worden gebruikt voor het onderhoud van de circa 2 hectare aan omliggende agrarische gronden. De verzameling 'oude' tractoren is een hobby van de aanvrager. Gezamenlijk hebben de kalverstallen een oppervlak van 1.430 m². Deze stallen zijn sterk verouderd en voorzien van asbesthoudende dakbedekking. De Hegedyk is ten hoogte van het projectgebied een 60 km/uur weg. De omgeving wordt over het algemeen gekenmerkt door agrarisch gebied. Langs de Hegedyk staan een aantal woningen waar kleinschalige bedrijven zijn toegestaan. Schuin tegenover het projectgebied ligt een perceel met een bedrijfsbestemming. Hier is een kantoor gevestigd.

Figuur 2.1: Aanzicht projectgebied

2.2. Toekomstige situatie Met uitzondering van het onderhoud van de aangrenzende gronden vinden binnen het projectgebied geen agrarische bedrijfsactiviteiten plaats. Op basis van de geldende bestemming is wonen alleen toegestaan in combinatie met agrarische activiteiten. Om het regulier bewonen van de woning mogelijk te maken wordt daarom onderhavige vergunning aangevraagd. Met deze aanvraag worden geen aanpassingen aan de woning voorgesteld en betreft het enkele het toestaan van het regulier bewonen van de voormalige boerderijwoning. Achter de boerderijwoning staan verouderde kalverstallen. Het behoud van de bestaande stallen is niet wenselijk, omdat de gebouwen zeer verouderd zijn, te laag zijn en zijn voorzien van asbesthoudende daken. Om te voorkomen dat verpaupering op het erf ontstaat, doordat dat materiaal en agrarische werktuigen buiten

11/271

worden opgeslagen, worden de bestaande stallen (1.430 m2) vervangen door een nieuwe schuur van 680 m2. Conform de omgeving van het projectgebied is een compact erf wenselijk. Dit houdt in dat de nieuwe schuur op maximaal 15 meter achter de boerderijwoning wordt gerealiseerd. Tevens wordt de schuur in vergelijking met de huidige situatie verkleind met -750 m². Conform de geldende regeling wordt in de schuur een kantoor van maximaal 50m² ten behoeve van bedrijvigheid elders gerealiseerd. Daarnaast wordt de nieuwe schuur gebruikt, als werkkamer (bibliotheek), berging en hobbyruimte (het verzamelen van tractoren). De initiatiefnemer beschikt namelijk over een trekkers verzameling (21 stuks). Zoals bijvoorbeeld een Ford 2000 dexta, een Lanz D1616 en fendt 304 LS. Voor het behoud van deze trekkers is het niet wenselijk deze buiten te stallen, daarnaast is dit landschappelijk ook niet gewenst. Tot slot wordt een deel van de nieuwe schuur gebruikt voor het stallen van materiaal ten behoeve van het onderhoud van de omliggende gronden. De achterliggende agrarische gronden (kadastraal bekend als, TLB00-K-2008 en 263) zijn namelijk in bezit van de (schoon)ouders van de initiatiefnemers. Om de omliggende gronden te onderhouden, worden materiaal en agrarische werktuigen gebruikt. Deze gronden worden vanaf het projectgebied onderhouden.

Op termijn worden de initiatiefnemers eigenaar van deze gronden. De opslag van materiaal is daarmee wenselijk en noodzakelijk.

Figuur 2.2: Bebouwing projectgebied (bron: D&M Engineers)

12/271

Figuur 2.3 Aanzichten beoogde schuur (bron: D&M Engineers)

Figuur 2.4 luchtfoto met kadastrale percelen.

Landschappelijke inpassing Het projectgebied is een lang en smal perceel wat herkenbaar is voor het polderlandschap. Lange zichtlijnen en onbebouwde ruimtes bepalen hier het landschapsbeeld. Nieuwe functies mogen niet leiden tot een aantasting van de landschappelijke kwaliteiten. Met de beoogde ontwikkeling blijft de vorm van het perceel behouden. De nieuwe schuur wordt gerealiseerd achter de woning, op de locatie van de bestaande schuur. Daarmee wordt aangesloten bij het bestaande bebouwingsbeeld. De lintbebouwing langs de Hegedyk wordt door de beoogde ontwikkeling niet verder verdicht, hierdoor blijven de zichtlijnen naar het achterliggende open landschap behouden. De (bestaande) sloot achter op het perceel zorgt voor een natuurlijke barrière tussen het (woon)erf en het achtergelegen landelijke gebied. Duurzaamheid De zuidzijde van het dak van de nieuwe schuur wordt voorzien van zonnepanelen. Deze zonnepanelen zorgen in eerste instantie voor de energievoorziening van de schuur, daarnaast wordt onderzocht of de huidige woning hier ook gebruik van kan maken, zodat de woning op termijn van het gas af kan.

13/271

14/271

Hoofdstuk 3

Beleidskader

3.1. Rijksbeleid 3.1.1 Nationale Omgevingsvisie Op 11 september 2020 is de Nationale Omgevingsvisie (hierna: NOVI) vastgesteld. De NOVI is de langetermijnvisie van het Rijk op de toekomstige inrichting en ontwikkeling van de leefomgeving in Nederland. De NOVI geeft richting en helpt om keuzes te maken; te kiezen voor slimme combinaties van functies en uit te gaan van de specifieke kenmerken en kwaliteiten van gebieden. En er nu mee aan de slag te gaan en beslissingen niet uit te stellen of door te schuiven. Het versterken van de omgevingskwaliteit staat in de NOVI centraal. Dat wil zeggen dat alle plannen met oog voor de natuur, gezondheid, milieu en duurzaamheid gemaakt moeten worden. Bij de NOVI hoort een Uitvoeringsagenda. Hierin staat hoe uitvoering wordt gegeven aan de NOVI. Binnen de NOVI zijn 8 aandachtsgebieden geformuleerd als zogeheten NOVI-gebied. In een NOVI-gebied krijgt een aantal concrete vraagstukken extra prioriteit. Dit helpt om grote veranderingen en ruimtelijke opgaven in een regio beter te realiseren. Opgaven Er is in Nederland sprake van een aantal dringende maatschappelijke opgaven. Deze opgaven kunnen niet apart van elkaar worden opgelost. Ze moeten in samenhang bekeken worden. Ze grijpen in elkaar en vragen meer ruimte dan beschikbaar is in Nederland. Niet alles kan, niet alles kan overal.

Op het niveau van nationale belangen wil het Rijk sturen en richting geven aan de omgeving in Nederland, verwoord in 4 opgaven: Ruimte maken voor klimaatverandering en energietransitie. De economie van Nederland verduurzamen en het groeipotentieel behouden. Steden en regio's sterker en leefbaarder maken. Het landelijk gebied toekomstbestendig ontwikkelen. Realiseren opgaven In de NOVI is een tweetal instrumenten opgenomen om de opgaven te realiseren: 1. De Omgevingsagenda. Voor Noord Nederland wordt in 2021 een omgevingsagenda opgesteld, waar Regio Noord- Holland onderdeel van uitmaakt. In de Omgevingsagenda agenderen het Rijk en regio de gezamenlijke vraagstukken en de gewenste aanpak daarvan. De Omgevingsagenda biedt een basis voor uitvoeringsafspraken en inzet van programma's en projectbesluiten van Rijk en regio. 2. De NOVI-gebieden. Een NOVI-gebied is een instrument waarbij Rijk en regio meerdere jaren verbonden zijn aan de gezamenlijke uitwerking van de verschillende opgaven in het ruimtelijke domein. Vaak wordt voortgebouwd op bestaande samenwerkingstrajecten. Denk aan een Regio Deal en een verstedelijkingsstrategie.

15/271

Conclusie Gelet op de te realiseren opgaven uit de NOVI kan de conclusie worden getrokken dat de voorgenomen ontwikkeling wel in overeenstemming is met de NOVI. 3.1.2 Ladder voor duurzame verstedelijking In het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) (artikel 3.1.6) is geregeld dat een toelichting bij een ruimtelijk plan dat een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk maakt, moet voorzien in duurzame verstedelijking. Het artikel is op 12 mei 2017 gewijzigd. Deze wijziging is op 1 juli 2017 in werking getreden. Deze regeling houdt in dat de toelichting bij een ruimtelijk plan dat een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk maakt, een beschrijving van de behoefte aan die ontwikkeling bevat. Indien het ruimtelijk plan die ontwikkeling mogelijk maakt buiten het bestaand stedelijk gebied, moet er tevens gemotiveerd worden waarom niet binnen het bestaand stedelijk gebied in die behoefte kan worden voorzien. 3.1.3 Conclusie rijksbeleid Het project is niet in strijd met het rijksbeleid ten aanzien van de ladder voor duurzame verstedelijking. De ontwikkeling vindt plaats in het buitengebied van Heerenveen. Met de beoogde ontwikkeling wordt een (bedrijf)woning als reguliere woning bestemd, er worden geen nieuwe woningen mogelijk gemaakt. Daarnaast wordt een bestaande schuur vervangen voor een kleinere schuur. Toetsing aan de Ladder van duurzame verstedelijking is daarom niet van toepassing.

3.2. Provinciaal beleid De belangrijkste uitgangspunten van het provinciale beleid zijn vastgelegd in de Verordening Romte Fryslân. Hierin zijn voor de provinciale belangen regels opgenomen, waar in ruimtelijke plannen rekening mee gehouden moet worden. 3.2.1 Omgevingsvisie Provincie Fryslân 'De romte diele' De hoofdambitie van de provincie voor de Friese leefomgeving is brede welvaart in een vitaal, veerkrachtig, karakteristiek en gezond Fryslân. In de Omgevingsvisie werkt de provincie de provinciale ambities, opgaven, doelen en werkwijze voor de komende jaren uit. De werkwijze is gestoeld op negen principes: Inhoudelijke principes 1. zuinig ruimtegebruik; 2. omgevingskwaliteit als ontwerpbasis; 3. koppelen van ambities; 4. gezondheid en veilig; Samenwerkingsprincipes 1. rolbewust; 2. decentraal wat kan; 3. ja, mits; 4. aansluiting zoeken; 5. sturen op proces, ruimer op inhoud.

16/271

Dit is vertaald naar vier urgente opgaven die de provincie wil aanpakken: 1. Fryslân houdt de leefomgeving vitaal, leefbaar en bereikbaar; 2. Fryslân zet de energietransitie met kracht voort; 3. Fryslân wordt klimaatadaptief ingericht; 4. Fryslân versterkt de biodiversiteit. De opgave Fryslân houdt de leefomgeving vitaal, leefbaar en bereikbaar bestaat onder meer uit het grootschalig opknappen van bestaande bebouwing en het aanbod aan woningen afstemmen op de bevolking. De provincie stimuleert dit. Daarnaast zet de provincie in op zorgvuldig ruimtegebruik en gaat inbreiding boven uitbreiding. Benutting van bestaande locaties en bestaande capaciteit staat voorop. Wanneer in het bestaand gebied niet aan de behoefte kan worden voldaan, wordt pas naar uitbreiding gekeken. De provincie voert periodiek prognoses uit naar de behoefte aan woningbouw en ondersteund gemeenten met het toepassen van de Ladder voor duurzame verstedelijking. De 'herinrichting' van een voormalig agrarisch perceel past naadloos binnen deze ambitie. Met dit plan wordt een vervallen bestaande schuur vervangen voor een kleinere moderne schuur. De voormalige boerderij wordt regulier bewoond, waardoor het toekomstige gebruik van boerderijwoning wordt geborgd.

3.2.2 Verordening Romte Fryslân Op 18 juni 2014 is de Verordening Romte Fryslân 2014 vastgesteld. In de verordening zijn regels opgenomen die ervoor moeten zorgen dat de provinciale ruimtelijke belangen doorwerken in de gemeentelijke ruimtelijke plannen. De regels van de verordening staan de bouw van bedrijfsgebouwen op een bedrijfsperceel binnen het bestaand stedelijk gebied niet in de weg. Zorgvuldig ruimtegebruik (artikel 1) De provincie is terughoudend met het toestaan van stedelijke functies in het landelijk gebied. Uitbreidingen aansluitend op bestaand bebouwd gebied zijn wel (onder voorwaarden) toegestaan. Het projectgebied valt buiten in landelijk gebied. Over het algemeen geldt dat in een ruimtelijk plan voor het landelijk gebied geen bouwmogelijkheden en gebruiksmogelijkheden worden opgenomen voor nieuwe stedelijke functies. In afwijking (artikel 1.2.1 lid 1) kunnen in een ruimtelijk plan nieuwe stedelijke functies worden toegestaan wanneer sprake is van hergebruik, verbouw of vervanging van vrijkomende gebouwen. Hier zijn bedrijven behorende bij milieucategorieën 1, 2 en 3 toegestaan (artikel 1.2.1 lid 2 sub d), mits deze ruimtelijk en functioneel passen in de karakteristiek van de omgeving. In het projectgebied is sprake van vervanging van de bestaande bebouwing en een functieverandering.

Met dit verzoek wordt een woonbestemming met ondersteunende agrarische functie mogelijk gemaakt. Door de sloop van de bestaande kalverstallen en het terugbouwen van een kleinere schuur daalt het aantal vierkante meter aan bebouwing binnen het projectgebied. Hiermee is sprake van een zorgvuldig ruimtegebruik.

17/271

3.3. Gemeentelijk beleid 3.3.1 Omgevingsvisie Heerenveen 1.0 Op 8 juli 2021 is de Omgevingsvisie Heerenveen 1.0 vastgesteld. In de visie is beschreven wat voor gemeente Heerenveen wil zijn in 2040 en wat we daarvoor als gemeente gaan doen tot 2030. Als gemeente richten we ons daar daarbij op vier speerpunten: Heerenveen als centrum voor (top)sport, werk en voorzieningen Toekomstbestendige woningen Gezonde, klimaatbestendige en leefbare wijken en dorpen Kwaliteit en veerkracht van het landschap Het projectgebied is onderdeel van het buitengebied van Heerenveen. Voor het buitengebied zijn onder andere de volgende ambities en algemene uitgangspunten van toepassing: Bij ontwikkelingen in het buitengebied zetten we in op het behouden en versterken van de landschappelijke kernkwaliteiten. In het gebied zetten we in op de ontwikkeling van landbouw met een duurzaam en natuurinclusief ontwikkelperspectief. Bij uitbreiding van bestaande erven houden we rekening met een zorgvuldige inpassing in het landschap. In dit gebied wil de gemeente Heerenveen bestaande erven en benutten. In dit gebied is de gemeente Vrijkomende agrarische bedrijven willen we een passende bestemming geven. Daarbij bieden we mogelijkheden voor toeristisch-recreatieve functies, kleinschalige vormen van wonen en bedrijvigheid.

Nieuwe woonerven of agrarische erven in het buitengebied zijn mogelijk wanneer hiermee een bestaand (milieu)knelpunt wordt opgelost Onderhavige ontwikkeling past binnen de ambities van de omgevingsvisie. De ontwikkel locatie betreft een voormalig agrarisch perceel. Het karakter van het voormalige erf wordt door de sloop van de bestaande schuur en de realisatie van een nieuwe kleinere schuur ruimtelijke versterkt. Door het toestaan van kleinschalige nevenactiviteiten krijgt de locatie een nieuwe functie, waarmee het toekomstige gebruik wordt geborgd. Met het nieuwe gebruik wordt het gebied landschappelijk niet aangetast.

3.3.2 Woonvisie gemeente Heerenveen 2015-2020 Het in werking treden van de gewijzigde Woningwet per 1 juli 2015 en ontwikkelingen op de woningmarkt vormden aanleiding voor het vaststellen van een nieuwe woonvisie. In deze visie 'nieuwe stijl' zijn concrete prestatieafspraken gemaakt met woningbouwcorporaties en huurdersorganisaties over de opgaven in de sociale huursector. in de visie staan 4 thema's centraal: 1. De match tussen vraag en aanbod: naar een optimale woningvoorraad; 2. Goed wonen voor iedereen: betaalbaarheid en beschikbaarheid van woningen; 3. Kwaliteit en Verduurzaming: naar een duurzame woningvoorraad; 4. Wonen, zorg en welzijn: aandacht voor vergrijzing en kwetsbare groepen.

18/271

In de woonvisie is als belangrijke doelstelling geformuleerd: diversiteit en keuzevrijheid in het woningaanbod. Inzetten op kwaliteit is hierbij een belangrijke strategie om wonen in Heerenveen aantrekkelijk te laten zijn. In de woonvisie wordt niet specifiek ingegaan op wonen in het buitengebied. Met onderhavige ontwikkeling wordt geen nieuwe woning gerealiseerd. Met de ontwikkeling neemt de verstedelijking in het buitengebied dan ook niet toe. Daarmee is de ontwikkeling niet in strijd met het gemeentelijke (en provinciaal) beleid. 3.3.3 Addendum op Woonvisie Ter aanvulling op de Woonvisie zijn een aantal beleidsregels en een actueel woningbouwprogramma toegevoegd in een addendum op de Woonvisie. Daarbij is het woonbeleid aangevuld op de volgende punten: 1. 2. 3. 4. 5. 6.

Focus op het centrum van Heerenveen Focus op inbreiding en verbetering van het bestaande Focus op toekomstgericht aanbod Focus op kwaliteit Focus op het afronden uitbreidingslocaties Jubbega, Nieuwehorne en Tjalleberd Focus op goede regulering en spreiding van (zorg) doelgroepen

Met onderhavige locatie wordt gebruikt gemaakt van een bestaande boerderij woning. Met dit project is het niet noodzakelijk een nieuwe woning te realiseren. Tevens wordt door de ontwikkeling de kwaliteit van het bestaande woonerf verbeterd/ behouden.

3.3.4 Harmonisatiebeleid gemeente Heerenveen In dit beleid zoekt de gemeente aansluiting bij de provinciale kaders. Dit betekent dat in beginsel hergebruik van voormalige agrarische opstallen aanvaardbaar moet worden geacht.

Op basis van het harmonisatiebeleid kan een wijziging van ''Agrarisch gebied'' naar ''Wonen'' worden toegestaan, mits wordt voldaan aan bovenstaande voorwaarden. In dit geval vindt geen opslag - of stalling buiten de gebouwen plaats. Verder is enkel sprake van een functiewijziging die geen hoge verkeersaantrekkende werking

19/271

heeft. In hoofdstuk 4 wordt ingegaan op gebruiksmogelijkheden van (bestaande) agrarische opstallen. Ook is geen sprake van een afbreuk aan de landschappelijke en cultuurhistorische waarden. 3.3.5 Welstandsnota 2016 De welstandsnota 2016 maakt onderscheid in drie kwaliteitsniveaus. Niveau 1 staat voor een regulier kwaliteitsniveau, niveau 2 voor een licht kwaliteitsniveau en niveau 3 betreft welstandsluw kwaliteitsregime (alleen excessenregeling). Het projectgebied valt in het deelgebied Buitengebied. Voor het buitengebied geldt niveau 2 met een licht kwaliteitsniveau. Het buitengebied van Heerenveen wordt gekenmerkt door de aanwezigheid van verschillende landschapstypen. In het buitengebied is de bebouwing medebepalend voor de beleving en de kwaliteit van het landschap. Met name de boerderijen zijn vaak karakteristiek. De bebouwing is vaak individueel, vrijstaand met kenmerkende hoofdvorm en kleurgebruik. Uitgangspunt is dat een (groot) deel van de bebouwing in het buitengebied vanuit een grotere omgeving zichtbaar is en dus beeldbepalend. Het beleid voor het buitengebied is gericht op het bieden van ontwikkelingsmogelijkheden, met behoud van de karakteristieke waarden. Geconcludeerd kan worden dat de aanvraag past binnen het gemeentelijk beleid. Met de beoogde ontwikkeling blijven de landschapswaarden behouden.

Daarnaast sluit het project aan op de ontwikkelingen in het buitengebied, namelijk een nieuwe bestemming voor vrijkomende agrarische percelen. Wel blijft het beheer van het landschap in de groene ruimte plaatsvinden vanaf het perceel, wat ten goede komt aan het behoud van het landschap.

20/271

Hoofdstuk 4

Omgevingsaspecten

4.1. Archeologie en cultuurhistorie 4.1.1 Toetsingskader Archeologie Per 1 juli 2016 is de Monumentenwet 1988 vervallen. Een deel van de wet is op deze datum overgegaan naar de Erfgoedwet. Het deel dat betrekking heeft op de besluitvorming in de fysieke leefomgeving gaat over naar de Omgevingswet, wanneer deze in 2021 in werking treedt. Dit geldt ook voor de verordeningen, bestemmingsplannen, vergunningen en ontheffingen op het gebied van archeologie. Vooruitlopend op de datum van ingang van de Omgevingswet zijn deze artikelen te vinden in het Overgangsrecht in de Erfgoedwet, waar ze ongewijzigd van toepassing blijven zolang de Omgevingswet nog niet van kracht is. De kern van de wet is dat wanneer de bodem wordt verstoord, archeologische resten intact moeten blijven. Als dit niet mogelijk is, is opgraving een optie. Om inzicht te krijgen in de kans op het aantreffen van archeologische resten in bepaalde gebieden, zijn op basis van historisch onderzoek archeologische verwachtingskaarten opgesteld. Cultuurhistorie De rol van cultuurhistorie in de ruimtelijke ordening is de laatste jaren sterk toegenomen. Bij het opstellen van plannen moeten cultuurhistorische waarden tijdig in beeld worden gebracht. Het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) stelt in dat verband specifieke eisen aan het opstellen van ruimtelijke plannen.

Waar mogelijk moeten cultuurhistorische waarden worden behouden of versterkt. Cultuurhistorie is daarmee veelal een sturend onderdeel geworden in de ruimtelijke ordening. 4.1.2 Toetsing Archeologie De Archeologische basis- en beleidsadvieskaart voor het grondgebied (FAMKE) geeft inzicht in de te verwachten archeologische waarden binnen het projectgebied. Uit deze kaart blijkt dat voor de periode ijzertijd - middeleeuwen het projectgebied in het deelgebied karterend onderzoek 3 (middeleeuwen) valt. Bij ingrepen groter dan 5.000 m2 is nader onderzoek noodzakelijk. De beoogde ontwikkeling blijft ruim onder de grens van 5.000 m2. Nader onderzoek voor deze periode is dan ook niet noodzakelijk. Voor de periode steentijd - bronstijd valt het projectgebied in het deelgebied karterend onderzoek 2 (steentijd). Bij ingrepen groter dan 2.500 m2 is nader onderzoek noodzakelijk. De beoogde ontwikkeling blijft ruim onder de grens van 2.500 m2. Nader onderzoek voor deze periode is dan ook niet noodzakelijk. Nader onderzoek naar het aspect archeologie is niet nodig. Cultuurhistorie

21/271

In het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) is bepaald dat in een ruimtelijk plan een beschrijving opgenomen moet worden van de manier waarop met de aanwezige cultuurhistorische waarden rekening is gehouden. Voor dit aspect is de Cultuurhistorische Kaart Fryslân (CHK2) van de provincie gebruikt. Binnen het projectgebied zijn geen specifieke cultuurhistorische waarden aanwezig. Grenzend aan het projectgebied loopt De Hegedyk. Deze weg is aangewezen als oorspronkelijke dijk (Veenpolderdijk). De uiterlijke kenmerken van de dijk: het beloop, de hoogte, het profiel, het gebruikte bouwmateriaal, de natuurlijke onderdelen en de bekleding van de dijk bieden informatie over het object. Met onderhavige plan vinden geen ontwikkeling plaats die negatieve effecten hebben op deze dijk en de cultuurhistorie hiervan.

4.2. Ecologie 4.2.1 Toetsingskader Met de Wet natuurbescherming (Wnb) zijn alle bepalingen met betrekking tot de bescherming van natuurgebieden en dier- en plantensoorten samengebracht in één wet. De Wnb implementeert diverse Europeesrechtelijke regelgeving, zoals de Vogelrichtlijn in de Nederlandse wetgeving. In de Wnb wordt een onderscheid gemaakt tussen gebiedsbescherming en soortenbescherming. 4.2.2 Toetsing Gebiedsbescherming In de omgeving van het projectgebied is geen sprake van Natura 2000-gebieden. Gezien de aard en de schaal van de ontwikkeling in het projectgebied, treden geen nadelige effecten op voor NNN- en Natura 2000-gebieden. Het projectgebied is door de Provincie niet aangewezen als weidevogel leefgebied. Verstoring van weidevogels is daarom niet aan de orde. Stikstof In Nederland staan veel Natura 2000-gebieden onder druk door een overbelasting van stikstofdepositie. Ook kleinschalige initiatieven kunnen leiden tot een toename van de stikstofdepositie en moeten om die reden daarop worden beoordeeld. Voor kleine plannen waarvan op voorhand (en goed gemotiveerd) kan worden onderbouwd dat deze - vanwege bijvoorbeeld de grote afstand tot Natura 2000-gebieden - geen negatieve gevolgen kunnen hebben voor de relevante Natura 2000-gebieden, kan een passende beoordeling van de stikstofdepositie achterwege blijven.

Hiermee geeft het ministerie ruimte voor een kwalitatieve onderbouwing voor kleine projecten waarvan op voorhand met aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid geen (significant) negatief effect is op de stikstofdepositie op Natura 2000-gebieden. Met het voornemen wordt de voormalige boerderij regulier bewoond. Met de ontwikkeling worden geen nieuwe woningen gerealiseerd. De stikstofdepositie door stoken met gas zal met de onderhavige ontwikkeling niet wijzigen. Ten opzichte van de huidige situatie neemt de verkeersgeneratie in de richting van het projectgebied niet toe. De omliggende gronden worden in de huidige situatie 3x per jaar gemaaid en bemest. 1x per jaar worden de

22/271

sloten gereinigd. Deze activiteiten blijven met de beoogde ontwikkeling gelijk. Ten aanzien van de realisatie van de nieuwe schuur kan wel extra stikstofdepostie ontstaan. Echter gezien de kleinschaligheid van deze werkzaamheden en de afstand tot het dichtstbijzijnde Natura-2000 gebied Van Oordt's Mersken (6 km) kan geconcludeerd worden dat de afstand dusdanig groot is dat geen negatieve effecten zullen optreden. Aangezien de stikstofdepositie afkomstig van het projectgebied niet wijzigt ontstaat dus ook geen toename in stikstofdepositie. Hiermee is aangetoond dat het project, gelet op de instandhoudsdoelstellingen voor de Natura 2000-gebieden, de kwaliteit van de natuurlijke habitats of de habitats van de soorten in dat gebied niet kunnen verslechteren of een significant verstorend effect kunnen hebben op de soorten waarvoor dat gebied is aangewezen. De Wet natuurbescherming en het beleid van de provincie staan de uitvoering van het project niet in de weg. Soortenbescherming Ten aanzien van de soortenbescherming gelden onder andere algemene verboden tot het verwijderen van groeiplaatsen van beschermde plantensoorten, het beschadigen, vernielen, wegnemen of verstoren van voortplantings- of vaste rustplaatsen of verblijfplaatsen van beschermde diersoorten of het opzettelijk verontrusten van een beschermde diersoort.

Het voorkomen van beschermde planten- en diersoorten vormt een te onderzoeken aspect omdat met de plannen effecten kunnen gaan ontstaan op soorten die beschermd zijn via de Wet natuurbescherming. Met de beoogde ontwikkeling wordt de bestaande schuur gesloopt. Voor de sloop van deze schuur is een quickscan ecologie uitgevoerd. Dit onderzoek is opgenomen in bijlage 1. Naast mogelijke algemene broedvogels zijn er geen beschermde natuurwaardes aangetroffen. Er zijn geen belemmering vanuit de Wet natuurbescherming indien de mitigerende maatregelen ten aanzien van algemene broedvogels in acht worden genomen. Het is niet mogelijk om een ontheffing te verkrijgen voor het verstoren en verjagen van broedende vogels. De werkzaamheden dienen daarom buiten het broedseizoen uit te worden gevoerd. Voor de ruimtelijke procedure vormt het aspect soortenbescherming geen belemmering.

23/271

4.3. Bodemkwaliteit 4.3.1 Toetsingskader Op grond van het Bro dient in verband met de uitvoerbaarheid van een plan rekening te worden gehouden met de bodemgesteldheid in het projectgebied. Bij functiewijzigingen dient te worden bekeken of de bodemkwaliteit voldoende is voor de beoogde functie en moet worden vastgesteld of er sprake is van een saneringsnoodzaak. In de Wet bodembescherming is bepaald dat indien de desbetreffende bodemkwaliteit niet voldoet aan de norm voor de beoogde functie, de grond zodanig dient te worden gesaneerd dat zij kan worden gebruikt door de desbetreffende functie (functiegericht saneren). Voor een nieuw geval van bodemverontreiniging geldt, in tegenstelling tot oude gevallen (voor 1987), dat niet functiegericht maar in beginsel volledig moet worden gesaneerd. Nieuwe bestemmingen dienen bij voorkeur te worden gerealiseerd op bodem die geschikt is voor het beoogde gebruik. 4.3.2 Toetsing Voor de ontwikkeling binnen het projectgebied hebben bodemonderzoeken plaatsgevonden. Op de locatie is door MUG Ingenieursbureau in 2021 een verkennend bodemonderzoek uitgevoerd (bijlage 2) waaruit bleek dat de bovengrond ter plaatse van de oever van de noordelijk aangrenzende sloot lokaal sterk verontreinigd is met PAK. De verontreiniging is waarschijnlijk gerelateerd aan bijmengingen van asfaltresten en/of kolengruis.

Daarnaast is in de bovengrond (0-0,5 m-mv) ter plaatse van de druppelzone onder het dak van de schuren geen asbest gemeten, echter betrof de meting niet de bovenste 10 cm van de toplaag. Na uitvoering van het verkennend bodemonderzoek bleek uit het hinderwetarchief een aanvraag van de bouwvergunning uit 1973 voor de oprichting van de vijf loodsen. In deze aanvraag is een tekening opgenomen waarin onder de eerste en tweede loods is voorzien in een ondergronds mestopvangsysteem met leidingen naar een mestkelder tussen de woning en de eerste loods. Onduidelijk is of deze ondergrondse constructie daadwerkelijk is gerealiseerd. Op basis van het verkennende bodemonderzoek is een nader (asbest)onderzoek uitgevoerd. Dit onderzoek is opgenomen in bijlage 3. Uit de resultaten van dit onderzoek blijkt dat op de locatie een historisch geval van ernstige bodemverontreiniging is geconstateerd. De verontreiniging betreft de sterk met PAK verontreinigde bovengrond ter plaatse van de oever en aangrenzend onder het asfalt de grondlaag. De verontreinigingen zijn hoogstwaarschijnlijk gerelateerd aan teerhoudende asfaltresten van onbepaalde herkomst en kolengruis. De genoemde sterk verontreinigde grondlaag onder het asfalt strekt niet tot aan de loods.

Uit het voorgaand verkennend bodemonderzoek was al naar voren gekomen dat voormalige sliblaag (circa 20 m3) van de met puin gedempte sloot aan de noordzijde van het perceel sterk verontreinigd is met PAK. Het totale verontreinigde volume van voornoemd geval van bodemsanering betreft 50 tot 75 m3. De aangetoonde verontreinigingen betreffen één geval van bodemverontreiniging. Uit de verrichte Sanscritrisicobeoordeling blijken geen humane, ecologische en verspreidingsrisico’s waarmee het geval beoordeeld is als niet spoedeisend.

24/271

Onder de vloeren van de loodsen zijn geen ondergrondse constructies als mestgoten aangetroffen en de aanwezigheid van een ondergrondse giertank achter de woning is niet bevestigd. In de zandlaag onder de betonvloer van de loodsen zijn lichte verhogingen met PAK gemeten en de grond is indicatief beoordeeld als altijd toepasbaar. Uit de conclusie van het onderzoek blijkt dat de resultaten van het onderzoek geen belemmering vormen voor de voorgenomen ontwikkeling omdat geen grondverzet is voorzien ter plaatse van de geconstateerde verontreinigingen. Indien toch graafwerkzaamheden plaatsvinden ter plaatste van de bodemverontreiniging dient in dat geval een beschikking aangevraagd te worden bij het bevoegd gezag. Dit is mogelijk via een (deel)saneringsplanprocedure of Besluit Uniforme Saneringen (BUS). Provincie Fryslân is in deze bevoegd gezag. Een toekomstige sanering mag functiegericht worden uitgevoerd. Voor zover niet in de verontreiniging wordt gegraven, is verder niets noodzakelijk. Indien er geen sanerende handelingen worden verricht, dient bij het bevoegd gezag een beschikking ernst en spoed te worden aangevraagd. Bij een wijziging van de bestemming of het gebruik van de locatie dient dit eveneens te worden gemeld bij het bevoegd gezag. Voor de ruimtelijke procedure vormt het aspect bodem geen belemmering.

4.4. Luchtkwaliteit 4.4.1 Toetsingskader In de Wet milieubeheer zijn normen voor luchtkwaliteit opgenomen. Deze normen zijn bedoeld om de negatieve effecten op de volksgezondheid, als gevolg van te hoge niveaus van luchtverontreiniging, tegen te gaan. Als maatgevend voor de luchtkwaliteit worden de gehalten fijnstof (PM10) en stikstofdioxide (NO2) gehanteerd. Plannen die slechts in zeer beperkte mate bijdragen aan luchtverontreiniging zijn op grond van het besluit 'niet in betekenende mate' (NIBM) vrijgesteld van toetsing aan de grenswaarden. Een plan voldoet hieraan als het een toename van minder dan 3% van de grenswaarden tot gevolg heeft. Bij woningbouwplannen van minder dan 1.500 woningen is dit het geval. 4.4.2 Toetsing Gezien de aard van het project draagt het 'niet in betekenende mate' bij aan (een verslechtering van) de luchtkwaliteit. Nader onderzoek kan worden uitgesloten.

25/271

4.5. Geluid 4.5.1 Toetsingskader In de Wet geluidhinder (Wgh) is bepaald dat elke weg in principe een zone heeft waar aandacht aan geluidhinder moet worden besteed. Daarbij onderscheidt de Wgh geluidsgevoelige gebouwen enerzijds en niet-geluidsgevoelige functies anderzijds. Het uitgangspunt is dat op de gevels van geluidsgevoelige functies voldaan wordt aan de voorkeursgrenswaarde van 48 dB. Indien hier niet aan wordt voldaan, kan een hogere grenswaarde worden vastgesteld. Deze hogere waarde is te verlenen tot 63 dB in de bebouwde kom. Wegen waarvoor de zoneplicht niet geldt, zijn woonerven en wegen waarop een maximumsnelheid van 30 km/uur geldt. 4.5.2 Toetsing De nieuwe schuur wordt niet aangemerkt als een geluidsgevoelige functie. Voor de bestaande woning geldt ingevolge de Wgh geen onderzoeksplicht. Onderzoek naar de geluidbelasting kan daarmee achterwege blijven.

4.6. Water 4.6.1 Toetsingskader Een belangrijk onderdeel van de planvorming is de Watertoets. Het doel van de Watertoets is waarborgen dat waterhuishoudkundige doelstellingen meer expliciet en op een evenwichtige wijze in beschouwing worden genomen bij alle waterhuishoudkundig relevante ruimtelijke plannen en besluiten. Het projectgebied is gelegen in het beheergebied van Wetterskip Fryslân. Het waterschap is verantwoordelijk voor het watersysteem en het zuiveren van het aangeboden stedelijk afvalwater. De ontwikkeling is op 14 december 2020 aan het waterschap kenbaar gemaakt via de digitale watertoets. Aangezien deze watertoets in 2020 is ingediend, is op 13-09-2022 nogmaals een digitale watertoets ingediend. Hieruit blijkt dat voor dit project de normale procedure gevolgd moet worden, zie bijlage 4. 4.6.2 Toetsing Door ruimtelijke ontwikkelingen neemt de hoeveelheid verhard oppervlak toe met als gevolg een versnelde afvoer van hemelwater. Het is nodig om deze versnelde afvoer te compenseren om de waterberging in een gebied in stand te houden. Dit geldt ook voor toevoegen van oppervlakteverharding die wel past binnen het bestemmingsplan, maar waarvan de grond al meer dan vijf jaar braak ligt en waar in het verleden niet voor gecompenseerd is.

Het is verboden zonder watervergunning neerslag versneld tot afvoer te laten komen indien daarbij meer dan 200 m2 onverharde grond in stedelijk gebied en 1500 m2 in landelijk gebied wordt bebouwd of verhard. Er geldt een vrijstelling van de vergunningsplicht wanneer wordt voldaan aan de compensatieregels genoemd in dit wateradvies. De meest voorkomende manier van compenseren is het graven van extra oppervlaktewater. Bij het graven van extra oppervlaktewater is onderstaande tabel van toepassing. Uiteraard is het toepassen van alternatieve maatregelen in het plan ook mogelijk. Afhankelijk van de maatregel kunnen andere normen gelden dan vermeld in de onderstaande tabel. Zie de ‘Leidraad watertoets’ voor meer informatie over compenserende

26/271

maatregelen of neem contact op met Cluster Plannen van Wetterskip Fryslân. Indien er niet wordt gecompenseerd door extra oppervlaktewater te graven waarbij onderstaande percentages worden gehanteerd of indien er geen overeenstemming plaatsvindt in de watertoetsprocedure over alternatieve maatregelen dan dient een watervergunning bij het waterschap te worden gevraagd.

Toelichting tabel 5% heeft alleen betrekking op de Friese boezem; de algemene regels keur zijn in de onderstaande tabel verwerkt; maatwerk kan bestaan uit bijvoorbeeld infiltratie of berging van het overtollig hemelwater. Met de beoogde ontwikkeling wordt een bestaande schuur, van circa 1430 m² vervangen voor een schuur van circa 680 m². Hierdoor ontstaat een afname in verharding van 750 m². Watercompensatie is daarom niet noodzakelijk. Het omgevingsaspect water vormt dan ook geen belemmering voor het project.

4.7. Bedrijven- en milieuzonering 4.7.1 Toetsingskader In het kader van een goede ruimtelijke ordening is ruimtelijke afstemming tussen bedrijfsactiviteiten, voorzieningen en gevoelige functies (woningen) noodzakelijk. Bij deze afstemming kan gebruik worden gemaakt van de richtafstanden uit de basiszoneringslijst van de VNG-brochure Bedrijven en milieuzonering (2009). Een richtafstand kan worden beschouwd als de afstand waarbij onaanvaardbare milieuhinder als gevolg van bedrijfsactiviteiten redelijkerwijs kan worden uitgesloten. Voor het bepalen van de richtafstanden wordt onderscheidt gemaakt tussen rustige woonomgevingen en gemengde gebieden. 4.7.2 Toetsing De nieuwe schuur wordt op de locatie van de huidige schuur gebouwd. De afstanden tot andere functies blijft hiermee gelijk of wordt zelfs groter. De activiteiten waar de schuur voor dient veranderen in de toekomstige situatie ook niet. Daarnaast wordt een schuur niet aangemerkt als een gevoelige functie. Met deze aanvraag komt de agrarische functie, die in milieucategorie 3.1 met een grootste richtafstand van 50 meter valt te vervallen. Daar komt een woonfunctie met hobbymatige opslag/stallen voor terug. Het woon-leefklimaat van de omliggende woningen verslechtert hierdoor niet. Het is zelfs aannemelijk dat het woon-leefklimaat verbetert.

27/271

4.8. Kabels en leidingen 4.8.1 Toetsingskader Bij de uitvoering van ruimtelijke ontwikkelingen moet rekening worden gehouden met de aanwezigheid van elektriciteit- en communicatiekabels en nutsleidingen in de grond. Hier gelden beperkingen voor ingrepen in de bodem. Daarnaast zijn zones, bijvoorbeeld rondom hoogspanningsverbindingen, straalpaden en radarsystemen van belang. Deze vragen vaak om het beperken van gevoelige functies of van de hoogte van bouwwerken. Voor ruimtelijke plannen zijn alleen de hoofdleidingen van belang. De kleinere, lokale leidingen worden bij de uitvoering door middel van een KLIC-melding in kaart gebracht. 4.8.2 Toetsing Er lopen geen relevante kabels en leidingen in of nabij het projectgebied.

4.9. Externe veiligheid 4.9.1 Toetsingskader Externe veiligheid gaat over het beheersen van de risico's voor de omgeving bij gebruik, opslag en vervoer van gevaarlijke stoffen. Het toetsingskader wordt gevormd door verschillende besluiten en documenten (Bevi, Bevb, Bevt). Risico's zijn inzichtelijk gemaakt op de risicokaart die per provincie wordt bijgehouden. 4.9.2 Toetsing De ontwikkeling voorziet niet in de komst van een risicovolle activiteit richting de omgeving. Daarnaast blijkt dat in of nabij het projectgebied geen risicovolle inrichtingen aanwezig zijn. Ook valt het projectgebied niet in het invloedsgebied van routes voor gevaarlijke stoffen of van buisleidingen. Het aspect externe veiligheid vormt dan ook geen beperkingen en aanvullend onderzoek kan achterwege blijven.

4.10. Vormvrije mer-beoordeling 4.10.1 Toetsingskader In onderdeel C en D van de bijlage bij het Besluit m.e.r. is aangegeven welke activiteiten in het kader van het omgevingsvergunning plan-m.e.r.-plichtig, project-m.e.r.-plichtig of m.e.r.-beoordelingsplichtig zijn. Voor deze activiteiten zijn in het Besluit m.e.r. drempelwaarden opgenomen. Indien een activiteit onder de drempelwaarden blijft, dient alsnog een vormvrije m.e.r.-beoordeling uitgevoerd te worden, waarbij onderzocht dient te worden of de activiteit belangrijke nadelige gevolgen heeft voor het milieu, gelet op de omstandigheden als bedoeld in bijlage III van de EEG-richtlijn milieueffectbeoordeling. Deze omstandigheden betreffen de kenmerken van het project, de plaats van het project en de kenmerken van de potentiële (milieu)effecten. Per 16 mei 2017 is de regelgeving voor de MER en m.e.r.-beoordeling gewijzigd met daarin een nieuwe procedure voor de vormvrije m.e.r.-beoordeling. Voor de ontwerp-bestemmingsplanfase moet een m.e.r-beoordelingsbeslissing worden genomen, waarin

28/271

wordt aangegeven of wel of geen MER nodig is, gelet op de kenmerken van het project, de plaats van het project en de kenmerken van de potentiële (milieu)effecten en mogelijke mitigerende maatregelen. Deze beslissing wordt als bijlage bij het bestemmingsplan opgenomen. Voor elke aanvraag waarbij een vormvrije m.e.r.-beoordeling aan de orde komt, moet de initiatiefnemer een aanmeldingsnotitie opstellen, waarbij ook mitigerende maatregelen mogen worden meegenomen. Het bevoegd gezag dient binnen zes weken na indienen een m.e.r.-beoordelingsbesluit af te geven. Een vormvrije m.e.r.-beoordelingsbeslissing hoeft echter niet gepubliceerd te worden. 4.10.2 Toetsing Het project valt niet binnen één van de activiteiten zoals opgenomen in onderdeel C of D van het besluit m.e.r. Er is geen sprake van een stedelijk ontwikkelingsproject, daarom is er geen sprake van een m.e.r. (beoordelings-)plicht. Overigens blijkt uit de beoordeling in de voorgaande paragrafen dat er geen belangrijke negatieve milieugevolgen zullen optreden.

29/271

30/271

Hoofdstuk 5

Uitvoerbaarheid

5.1. Maatschappelijke uitvoerbaarheid Op grond van artikel 6.18 van het Besluit omgevingsrecht (Bor) wordt de ontwikkeling voorgelegd aan de betrokken overlegpartners. De resultaten hieruit worden te zijner tijd in deze paragraaf verwoord. Bij de gemeenteraad wordt verzocht een verklaring van geen bedenkingen af te geven. De ontwerp-omgevingsvergunning met bijbehorende stukken wordt daarna gedurende een periode van zes weken ter inzage gelegd. Tijdens deze periode bestaat de mogelijkheid tot het indienen van zienswijzen. Eenieder wordt op deze wijze in de gelegenheid gesteld om bedenkingen tegen het initiatief kenbaar te maken. Eventuele zienswijzen worden door de gemeente beantwoord en meegewogen in de besluitvorming omtrent het verlenen van de omgevingsvergunning. Tegen dit besluit bestaat de mogelijkheid voor beroep en hoger beroep. De voorgenoemde procedure toont de maatschappelijke uitvoerbaarheid van het project aan.

5.2. Economische uitvoerbaarheid Ten behoeve van de uitvoerbaarheid van het project is het van belang te weten of het economisch uitvoerbaar is. De economische uitvoerbaarheid wordt enerzijds bepaald door de exploitatie van het project (financiële haalbaarheid) en anderzijds door de wijze van kostenverhaal van de gemeente (grondexploitatie). Financiële haalbaarheid De ontwikkeling betreft een particulier initiatief, waarmee de gemeente geen directe financiële bemoeienis heeft. De initiatiefnemer draagt de kosten voor de bouw van de nieuwe schuur. Grondexploitatie Door middel van de grondexploitatieregeling beschikken gemeenten over mogelijkheden voor het verhalen van kosten, bijvoorbeeld voor het bouw- en woonrijp maken en kosten voor de ruimtelijke procedure. Indien er sprake is van bepaalde bouwplannen, dient de gemeente hiervoor in beginsel een exploitatieplan op te stellen. Van deze verplichting kan worden afgezien als het kostenverhaal anderszins verzekerd is. Dit kan middels een anterieure overeenkomst. Voor dit project geldt dat er sprake is van een bouwplan. Het opstellen van een exploitatieplan is niet aan de orde. Tussen de gemeente en initiatiefnemer en anterieure overeenkomst afgesloten.

31/271

32/271

Hoofdstuk 6

Conclusie

Aanleiding Deze ruimtelijke onderbouwing dient ter afweging voor het verlenen van een omgevingsvergunning met toepassing van artikel 2.12 lid 1 sub a onder 3° Wabo, waarmee de omzetting van een agrarisch bouwperceel naar een woonperceel (conform artikel 12 woondoeleinden v) met een nieuwbouw mogelijkheid voor een stalling wordt gerealiseerd. Afweging Het project past binnen de beleidskaders van het rijk, de provincie en de gemeente. Verder leveren de omgevingsaspecten en/of sectorale wet- en regelgeving geen belemmeringen op voor realisatie van de ontwikkeling in het projectgebied. Andersom is er ook nauwelijks sprake van impact van de ontwikkeling op de omgeving. Conclusie Het verlenen van een omgevingsvergunning voor het project is niet in strijd met een goede ruimtelijke ordening.

33/271

34/271

Bijlagen

35/271

36/271

Bijlage 1

37/271

Quickscan ecologie

s

Gersloot Hegedyk 77 QuickScan

JM ecologie b.v., 2021

QuickScan Gersloot, Hegedyk 77

Ecologische beoordeling in het kader van de Wet Natuurbescherming Rapportnummer R21.044 Status 1.0 (definitief) Datum 24-03-2021 Opdrachtgever

Auteur Controle Voorpagina Te amoveren stallen Te citeren als Oevering, W., 2021. QuickScan Gersloot, Hegedyk 77; Ecologische beoordeling in het kader van de Wet Natuurbescherming. Rapport R21.044 JM ecologie b.v., Gorredijk.

JM ecologie b.v. Wetterwille 9 8401 GB Gorredijk

Copyright © 2021 JM ecologie b.v.

Niets uit deze uitgave mag worden verveelvoudigd en/of openbaar worden gemaakt door middel van druk, fotokopie, elektronisch of op welke wijze dan ook, zonder schriftelijke toestemming van de auteurs.

Inhoud 1

Inleiding .............................................................................................................................................................. 2 Aanleiding ........................................................................................................................................................... 2 Globale ligging .................................................................................................................................................... 2 Structuur natuurwetgeving in Nederland ........................................................................................................... 3 Scope van de QuickScan ..................................................................................................................................... 4 Werkwijze ........................................................................................................................................................... 5

2

Beschrijving locatie en ingreep ........................................................................................................................... 6 Locatie ................................................................................................................................................................. 6 Ingreep ................................................................................................................................................................ 8

3

Resultaten veldbezoek en bureaustudie ............................................................................................................. 9 Vogels.................................................................................................................................................................. 9 Vleermuizen ...................................................................................................................................................... 10 Overige fauna .................................................................................................................................................... 11 Vaatplanten ...................................................................................................................................................... 11

4

Effecten en gevolgen ..........................................................................................................................................12 Overzicht beschermde soorten......................................................................................................................... 12 Effecten op de in het plangebied (mogelijk) aanwezige flora en fauna ........................................................... 12

5

Mitigerende maatregelen ..................................................................................................................................13 Algemene broedvogels; mitigatie ..................................................................................................................... 13

6

Conclusie............................................................................................................................................................14

Geraadpleegde bronnen ............................................................................................................................................15

Durk Minkema QuickScan Gersloot, Hegedyk 77

1

Inleiding Aanleiding In opdracht van verder “opdrachtgever” genoemd, heeft ecologisch adviesbureau JM ecologie b.v. een QuickScan uitgevoerd aan de stallen aan de Hegedyk 77 te Gersloot, gemeente Heerenveen, provincie Friesland. De opdrachtgever heeft ecologisch adviesbureau JM ecologie b.v. gevraagd een QuickScan uit te voeren op het pand om te onderzoeken of er aanwijzingen zijn dat er beschermde soorten of verblijf/broedlocaties van beschermde soorten aanwezig zijn in het kader van de Wet natuurbescherming. De opdrachtgever is voornemens om een vijftal gekoppelde stallen te amoveren waarna er een nieuwbouw stal van 700m2 op deze locatie gerealiseerd wordt. De opdrachtgever wil weten of en zo ja welke effecten deze werkzaamheden met zich mee brengen op aanwezige (beschermde) flora en fauna.

Globale ligging Het plangebied is aan de Hegedyk tussen Gersloot en Luxwoude gelegen. De ruime omgeving van het plangebied bestaat uit intensief beheerd, agrarisch grasland. De globale ligging van het plangebied is weergegeven in afbeelding 1.1.

Afbeelding 1.1. Globale ligging van het plangebied in Friesland, aangegeven met een rode stip. (Bron achtergrond: Esri)

Datum: 24 maart 2021 rapport: R21.044, versie 1.0

blad 2 van 15

Durk Minkema QuickScan Gersloot, Hegedyk 77

Structuur natuurwetgeving in Nederland De Wet natuurbescherming (hierna Wnb) heeft per 1 januari 2017 de Boswet, Flora- en faunawet en de Natuurbeschermingswet 1998 vervangen. De Wet natuurbescherming regelt de bescherming van Natura 2000-gebieden, de bescherming van soorten en de bescherming van houtopstanden. Naast bescherming vanuit de Wet natuurbescherming, zijn er ook gebieden die planologisch beschermd zijn. Dit betreft het ‘Natuurnetwerk Nederland’ (hierna NNN). De bescherming van het NNN verloopt via het ruimtelijke ordeningsrecht (Barro, bestemmingsplannen) en niet via de natuurwetgeving. Na de decentralisatie (2017) zijn enkele provincies andere namen gaan voeren voor de NNN. Decentralisatie Het bevoegd gezag is gedecentraliseerd naar de provincies. Het Rijk behoud echter het bevoegd gezag en de verantwoordelijkheid voor het verlenen van ontheffingen en vrijstellingen voor handelingen en projecten in gebruik, beheer of aanleg door het rijk, zoals bijvoorbeeld hoofdwegen, spoorwegen, hoofdvaarwegen, waterkeringen, militaire terreinen, gastransportnet, hoogspanningsleidingen, delfstoffen, kustlijn, bepaalde visserij en bijvoorbeeld activiteiten Koninklijk Huis. Soortbescherming In de Wet natuurbescherming is soortbescherming opgedeeld in categorieën.

Voor elke categorie gelden verschillende verbodsbepalingen die zijn vermeld in artikel 3.1, 3.5 en 3.10 van de Wet natuurbescherming. Het gaat om de volgende categorieën: 1. soorten van de Vogelrichtlijn; 2. soorten van de Habitatrichtlijn, inclusief bijlage I en II uit Verdrag van Bern en bijlage I uit Verdrag van Bonn; 3. ‘andere soorten’ (onderdeel A ‘fauna’ en onderdeel B ‘flora’). De verbodsbepalingen en ontheffingsgronden voor de eerste twee categorieën komen rechtstreeks uit de Vogel- en Habitatrichtlijn. De derde categorie vindt zijn oorsprong in de nationale wetgeving. Soorten van de Vogelrichtlijn en jaarrond beschermde nesten Voor Vogelrichtlijnsoorten is het verboden om in het wild levende vogels te doden of te vangen, opzettelijk nesten, rustplaatsen en eieren van vogels te vernielen, te beschadigen, te rapen of nesten van vogels weg te nemen. Daarnaast is het verboden vogels opzettelijk te storen. Dit laatste verbod geldt niet voor een aantal aangewezen vogelsoorten, indien de verstoring niet van wezenlijke invloed is op de staat van instandhouding en het nest zelf zijn functionaliteit behoudt. Onder de Vogelrichtlijn vallen alle van nature in Nederland voorkomende vogelsoorten. In aanvulling op de Vogelrichtlijn, geldt er voor een aantal vogelsoorten die jaarlijks naar hetzelfde nest terugkeren een jaarrond bescherming van de nesten.

De meeste provincies en het Rijk hanteren de “Lijst met jaarrond beschermde nesten 2012”. Hierin wordt onderscheid gemaakt tussen jaarrond beschermde nesten (categorie 1 tot en met 4) en mogelijk jaarrond beschermde nesten (categorie 5). Voor deze laatste categorie geldt alleen een jaarrond beschermde status indien ecologisch zwaarwegende omstandigheden dat rechtvaardigen. In de provincies Overijssel, Flevoland en Limburg geldt een aangepaste lijst jaarrond beschermde nesten, waarin een andere categorisering is aangebracht.

Datum: 24 maart 2021 rapport: R21.044, versie 1.0

blad 3 van 15

Durk Minkema QuickScan Gersloot, Hegedyk 77

Soorten van de Habitatrichtlijn Voor soorten van artikel 3.5 (Habitatrichtlijn, Bern en Bonn) is het eveneens verboden om in het wild levende dieren en planten in hun natuurlijke verspreidingsgebied opzettelijk te doden of te vangen, opzettelijk eieren van dieren te vernielen of te rapen. Voortplantings- of rustplaatsen mogen niet beschadigd of vernield worden. Daarnaast geldt er een verbod om planten behorend bij artikel 3.5 te plukken, verzamelen, af te snijden, te ontwortelen of te vernielen. In tegenstelling tot de Vogelrichtlijnsoorten in artikel 3.1, mogen dieren behorend bij artikel 3.5 niet opzettelijk verstoord worden, ook niet als er geen wezenlijke invloed is op de staat van instandhouding. Daarbij dient opgemerkt te worden dat een aantal vogelsoorten ook vallen onder artikel 3.5 en daarom niet verstoord mogen worden. Andere soorten Naast de Europees aangewezen beschermde flora en fauna, is er in Nederland ook een Nationale soortenlijst gemaakt die niet gedekt wordt door de Vogel- en Habitatrichtlijn, Verdrag van Bern of Verdrag van Bonn. Deze soorten zijn opgenomen in bijlage A en B van de Wet natuurbescherming. Voor soorten in bijlage A geldt een verbod op opzettelijk doden of vangen van dieren en opzettelijk beschadigen of vernielen van vaste voortplantings- of rustplaatsen van dieren.

Voor soorten in bijlage B geldt een verbod op opzettelijk plukken, verzamelen, afsnijden, vernielen en ontwortelen van planten. In tegenstelling tot artikel 3.1 en 3.5, is verstoring van deze soorten toegestaan. Met betrekking tot de ‘andere soorten’ zijn per provincie beleidsregels opgesteld waarin voor een deel van deze soorten vrijstelling is verleend. De grond waarop deze vrijstelling geldt verschilt per provincie en hoeft dus niet in alle situaties van toepassing te zijn. Vrijstelling op basis van ruimtelijke inrichting of ontwikkeling is een geldige reden in alle provincies. Indien bij het project-voornemen een of enkele gestelde verboden in artikel 3.1, 3,5 of 3.10 worden overtreden, dient gewerkt te worden conform een gedragscode. Biedt een gedragscode geen oplossing, dan is het mogelijk om een ontheffing aan te vragen bij de provincie waarin het voornemen plaats vindt. De grond waarop een ontheffing mogelijk is, verschilt per categorie.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Heerenveen&id=83eb1efe-7286-4fcc-921b-4a9d0d3071f0