CConstaterende datHeerenveen
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlage 2 - Ruimtelijke onderbouwing

Raadsvergadering 30 mei 2024, gemeente HeerenveenBij agendapunt: Verklaring van geen bedenkingen Heerenveen, Geert Willigenplein 227.729 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 3

In het kader van goede ruimtelijke ordening is ten behoeve van het horecageluid een akoestisch onderzoek verricht. De resultaten zijn opgenomen onder het aspect geluid (4.4).

Door

maatwerkvoorschriften op te nemen, al dan niet in combinatie met de benodigde balkonschermen bij de maatgevende appartementen kan het woon- en leefklimaat bij de nieuwe appartementen hiermee afdoende geborgd worden.

28

RUIMTELIJKE ONDERBOUWING G. WILLIGENPLEIN 2,3,4 HEERENVEEN

In de nabijheid van het plangebied liggen enkele horecagelegenheden. Het aspect geur speelt een belangrijke rol bij het beoordelen van de impact van horecagelegenheden op hun omgeving. Daarom dient rekening te worden gehouden met de mogelijke geurhinder die deze horecagelegenheden kunnen veroorzaken ten opzichte van het nieuwbouwplan. In dat kader is een inventarisatie verricht. De resultaten zijn opgenomen onder het aspect geur (4.11). Hieruit wordt geconcludeerd dat bij nieuwbouw op basis van de vigerende situatie een goed woon- en leefklimaat voor het aspect geur moet zijn en dat de bedrijven niet beperkt worden in hun bedrijfsvoering.

Geconcludeerd kan worden dat er geen belemmeringen zijn voor het aspect ‘Bedrijven en milieuzonering’ voor de voorgenomen ontwikkeling.

04.3 Bodem Ten aanzien van de bodemkwaliteit geldt de Wet bodembescherming (Wbb) en het (bijbehorende) Besluit bodemkwaliteit. Bij een ruimtelijk plan moet worden bepaald of de bodemkwaliteit van het betreffende gebied geschikt is voor het beoogde gebruik. Hiervoor is er sprake van een wettelijke verplichting om informatie over de bodemkwaliteit te inzichtelijk te maken. Hierbij is het van belang te weten of er mogelijk sprake is van een bodemverontreiniging, of er gezondheidsrisico's of ecologische risico's zijn en wat de mogelijkheden zijn om er tijdig iets aan te doen.

Op basis van de Woningwet, de Wabo en bijbehorende regelgeving gelden de volgende uitzonderingen voor de bodemonderzoekplicht: -

als het gaat om bouwwerken die de grond niet raken of het bestaande, niet wederrechtelijke gebruik wordt gehandhaafd;

-

het bouwwerk een te verwezenlijken bebouwingsoppervlakte heeft van ten hoogste 50 m²;

-

als het gaat om het bouwen van bouwwerken waarin niet (nagenoeg) voortdurend mensen zullen verblijven (Woningwet, artikel 8, derde lid). Hierbij wordt een verblijftijd van minder dan 2 uur gehanteerd;

-

als B&W vrijstelling verlenen omdat er al voldoende gegevens met betrekking tot de bodemkwaliteit bekend zijn, bijvoorbeeld op basis van een reeds eerder uitgevoerd bodemonderzoek (maximaal 5 jaar oud en waarbij het gebruik sindsdien niet is gewijzigd).

Toets Ten behoeve van deze ruimtelijke onderbouwing is gebruik gemaakt van een verkennend (asbest)bodemonderzoek conform NEN5740 en 5707, uitgevoerd door Kruse Milieu BV op 6-12-2023, (projectnummer 23035718 versie 2) om ter plaatse het van het plangebied de milieu-hygiënische kwaliteit van de bodem vast te stellen. Het bodemonderzoek is als bijlage 1 toegevoegd. Voorafgaande aan het bodemonderzoek heeft een vooronderzoek plaatsgevonden op basis van norm NEN5725. Vanwege de ligging in het oude centrum van Heerenveen wordt de bovengrond als verdacht beschouwd

29

RUIMTELIJKE ONDERBOUWING G. WILLIGENPLEIN 2,3,4 HEERENVEEN

voor zware metalen. De ondergrond en het grondwater op de locatie zijn onverdacht voor chemische componenten.

Resultaten veldwerk In totaal zijn er in totaal 4 boringen verricht, waarvan één boring is verdiept en afgewerkt met een peilbuis. Vanwege het aantreffen van puin zijn er tevens handmatig 7 inspectiegaten gegraven. Gebleken is dat de bodem globaal bestaat uit matig fijn tot matig grof, zwak siltig zand met in de ondergrond een veenlaag. In de boven- en ondergrond zijn roest- en oerhoudende lagen aangetroffen. Er zijn plaatselijk bodemvreemde materialen aangetroffen (sporen puin en asbest). Door de veldwerker zijn visueel asbestverdachte materialen waargenomen in de bodem van inspectiegat 6 en 7. Op het maaiveld zijn visueel geen asbestverdachte materialen waargenomen. Het freatische grondwater is aangetroffen op 2.4 meter min maaiveld. Geadviseerd wordt om het nader asbestonderzoek uit te voeren nadat het pand tot aan het maaiveld is gesloopt, of net na de sloop van het pand. Het nader asbestonderzoek is noodzakelijk om vast te kunnen stellen of er sprake is van een (sterke) verontreiniging met asbest. Tevens dient het nader onderzoek om de omvang van een eventuele verontreiniging in kaart te brengen. Indien uit het nader asbestbodemonderzoek blijkt dat de bodem niet sterk asbesthoudend is (gewogen asbestgehalte <100 mg/kg d.s.), is er geen saneringsnoodzaak in het kader van de voorgenomen herontwikkeling.

Conclusie Uit milieukundig oogpunt is er, na nader asbestbodemonderzoek en eventuele sanering van een mogelijke asbestverontreiniging, geen bezwaar tegen de voorgenomen nieuwbouw ter plekke van de onderzoekslocatie. De overige vastgestelde verontreinigingen leveren geen risico’s op voor de volksgezondheid. De bodem wordt, na een eventuele grondsanering, geschikt geacht voor het huidige en toekomstige gebruik (wonen).

04.4 Geluid In het kader van de Wet geluidhinder (Wgh) moet er bij de voorbereiding van een bestemmingsplan, c.q. een ontheffing op grond van de Wro, een onderzoek worden gedaan naar de geluidsbelasting op de gevels van geluidsgevoelige objecten, voor zover deze geluidsgevoelige objecten zijn gelegen binnen een zonering van een industrieterrein, wegen en/of spoorwegen. De Wet geluidhinder kent de volgende geluidsgevoelige functies: -

Woningen.

-

Onderwijsgebouwen (behoudens voorzieningen zoals een gymnastieklokaal).

-

Ziekenhuizen en verpleeghuizen en daarmee gelijk te stellen voorzieningen zoals verzorgingstehuizen, psychiatrische inrichtingen, medische centra, poliklinieken, medische kleuterdagverblijven, etc.

30

RUIMTELIJKE ONDERBOUWING G. WILLIGENPLEIN 2,3,4 HEERENVEEN

Enerzijds betekent dit dat (geluids-)eisen worden gesteld aan de nieuwe milieubelastende functies, anderzijds betekent dit eveneens dat beperkingen worden opgelegd aan de nieuwe milieugevoelige functies. Voor het tijdelijk afwijken van het bestemmingsplan voor een termijn van maximaal 10 jaar is geen toetsing nodig.

Toets Wegverkeerslawaai Op grond van het artikel 74 van de Wet geluidhinder bevindt zich langs een weg een geluidszone, die aan weerszijde een breedte heeft van: a.

b.

in stedelijk gebied: •

voor een weg, bestaande uit drie of meer rijstroken: 350 meter;

•

voor een weg, bestaande uit een of twee rijstroken: 200 meter;

in buitenstedelijk gebied: •

voor een weg, bestaande uit vijf of meer rijstroken: 600 meter;

•

voor een weg, bestaande uit drie of vier rijstroken: 400 meter;

•

voor een weg, bestaande uit een of twee rijstroken: 250 meter.

Deze zonering geldt niet: c.

voor wegen die zijn gelegen binnen een als woonerf aangeduid gebied;

d.

voor wegen waarvoor een maximumsnelheid van 30 kilometer per uur geldt;

e.

wegen waarvan op grond van een door de gemeenteraad vastgestelde geluidsniveau vaststaat dat de geluidsbelasting op 10 meter uit de as van de meest nabij gelegen rijstrook 48 dB (A) of minder bedraagt (art. 74, lid 3 Wgh).

Door Munsterhuis Geluidsadvies is een akoestisch onderzoek uitgevoerd op 12.6.23 (projectnummer 23.134) voor het bepalen van de geluidbelastingen ten gevolge van het wegverkeerslawaai ter plaatse van de herontwikkeling aan het Geerts Willigenplein. Voor onderhavig plan zijn enkel de resultaten voor het te realiseren appartementengebouw van belang. De volledige rapportage is te vinden in bijlage 2. Het onderzoek richt zich op het bepalen van de geluidbelastingen ten gevolge van wegverkeerslawaai afkomstig van de K.R. Poststraat, de Crackstraat, Paul Krugerkade, Kleine Kerkstraat, Kerkstraat en het Geerts Willigenplein.

Op basis van de rapportage kunnen de volgende conclusies worden gegeven: -

Uit de berekeningen van de geluidbelasting ten gevolge van K.R. Poststraat, inclusief 5 dB aftrek, blijkt dat de voorkeursgrenswaarde van 48 dB niet wordt overschreden ter plaatse van de toetspunten. De maximale geluidbelasting bedraagt 39 dB;

31

RUIMTELIJKE ONDERBOUWING G. WILLIGENPLEIN 2,3,4 HEERENVEEN

-

Uit de berekening van de gecumuleerde geluidbelasting, exclusief dB aftrek, blijkt dat de 53 dB wordt overschreden op de noordwest- en noordoostgevels van de appartementen. Daardoor zijn voor deze gevels geluidwerende voorzieningen noodzakelijk. Geluidwerende voorzieningen moeten in een gevelweringonderzoek worden aangetoond. Alleen voor de gevels waarbij de cumulatieve geluidbelasting lager is dan 53 dB, zijn geluidwerende voorzieningen niet noodzakelijk.

Het aspect ‘wegverkeerslawaai’ vormt geen belemmering voor de uitvoering van voorliggend plan, mits geluidwerende voorzieningen worden aangebracht en een geluidweringsonderzoek wordt uitgevoerd.

Railverkeerslawaai en industrielawaai Daarnaast zijn er in de directe omgeving van het plangebied geen spoorwegen en/of geluidsgezoneerde bedrijventerreinen aanwezig. Voor de toetsing van het aspect 'geluid' van de naastgelegen milieubelastende bestemmingen ) is een akoestisch onderzoek verricht waarin de geluidniveaus onderzocht zijn ten gevolge van de horeca activiteiten bij de verschillende horecagelegenheden.

Geluid Horeca De

planlocatie

aan

het

Geerts

Willigenplein

bevindt

zich

binnen

de

invloedsfeer

van

horecagelegenheden gevestigd aan: • • • •

Oude Koemarkt 8, Café Bleeker. Oude Koemarkt 6, Café It Houtsje. Oude Koemarkt 2, Café Bak. Oude Koemarkt 12, Restaurant/grand café Paul Kruger

Voor de plannen is een afwijking van het bestemmingsplan noodzakelijk. In dit kader dient de inpasbaarheid van het plan ten opzichte van de horecagelegenheden te worden bepaald. De geluidsniveaus vanwege de horeca mogen in overleg met de gemeente te worden beoordeeld conform de “Handleiding meten en rekenen industrielawaai”. In het onderzoek zijn de geluidniveaus onderzocht ten gevolge van de horeca activiteiten bij de verschillende horecagelegenheden. De activiteiten van de horecagelegenheden zijn geïnventariseerd op basis van de informatie zoals verstrekt door de gemeente Heerenveen.

Uit het akoestisch onderzoek (projectnummer: 23-09925.R02.V02) opgesteld door Alcedo op 26 maart 2024 (zie bijlage 6) blijkt dat ten gevolge van horecageluid, de bedrijven gelegen aan de Oude Koemarkt 2, 6 en 8 akoestisch inpasbaar zijn. Het woon- en leefklimaat bij de nieuwe appartementen wordt geborgd en de bedrijven worden niet beperkt in hun bedrijfsvoering. Voor het restaurant Grand café Paul Kruger is ten gevolge van geluiden afkomstig van het dakterras maatregelen nodig om de nieuwe woonbestemming inpasbaar te maken. Aan de gemeente wordt voorgesteld om maatwerkvoorschriften op te nemen, al dan niet in combinatie met de benodigde balkonschermen bij de maatgevende

32

RUIMTELIJKE ONDERBOUWING G. WILLIGENPLEIN 2,3,4 HEERENVEEN

appartementen. Het woon- en leefklimaat bij de nieuwe appartementen wordt hiermee afdoende geborgd en het bedrijf niet beperkt in hun bedrijfsvoering.

Geconcludeerd kan worden dat het aspect ‘Geluid’ geen belemmering vormt voor de voorgenomen ontwikkeling.

04.5 Luchtkwaliteit Om een goede luchtkwaliteit in Europa te garanderen heeft de Europese unie een viertal kaderrichtlijnen opgesteld. De hiervan afgeleide Nederlandse wetgeving is vastgelegd in hoofdstuk 5, titel 2 van de Wet milieubeheer. Deze wetgeving staat ook bekend als de Wet luchtkwaliteit. In de Wet luchtkwaliteit staan onder meer de grenswaarden voor de verschillende luchtverontreinigende stoffen. Onderdeel van de Wet luchtkwaliteit zijn de volgende Besluiten en Regelingen: -

Besluit en de Regeling niet in betekenende mate bijdragen (luchtkwaliteitseisen);

-

Besluit gevoelige bestemmingen (luchtkwaliteitseisen).

Besluit en de Regeling niet in betekenende mate bijdragen Het Besluit niet in betekenende mate bijdragen (NIBM) staat bouwprojecten toe wanneer de bijdrage aan de luchtkwaliteit van het desbetreffende project niet in betekenende mate is. Het begrip 'niet in betekenende mate' is gedefinieerd als 3% van de grenswaarden uit de Wet milieubeheer. Het gaat hierbij uitsluitend om stikstofdioxide (NO2) en fijn stof (PM10 en PM2,5). Toetsing aan andere luchtverontreinigende stoffen uit de Wet luchtkwaliteit vindt niet plaats. In de Regeling NIBM is een lijst met categorieën van gevallen (inrichtingen, kantoor- en woningbouwlocaties) opgenomen die niet in betekenende mate bijdragen aan de luchtverontreiniging. Enkele voorbeelden zijn: -

woningen: 1500 met een enkele ontsluitingsweg;

-

woningen: 3000 met twee ontsluitingswegen;

-

kantoren: 100.000 m² bruto vloeroppervlak met een enkele ontsluitingsweg.

Als een ruimtelijke ontwikkeling niet genoemd staat in de Regeling NIBM kan deze nog steeds niet in betekenende mate bijdragen. De bijdrage aan NO2 en PM10 moet dan minder zijn dan 3% van de grenswaarden.

Besluit gevoelige bestemmingen Dit besluit is opgesteld om mensen die extra gevoelig zijn voor een matige luchtkwaliteit aanvullend te beschermen. Deze 'gevoelige bestemmingen' zijn scholen, kinderdagverblijven en verzorgings-, verpleeg- en bejaardentehuizen. Woningen en ziekenhuizen/ klinieken zijn geen gevoelige bestemmingen. De grootste bron van luchtverontreiniging in Nederland is het wegverkeer. Het Besluit legt aan weerszijden van rijkswegen en provinciale wegen zones vast. Bij rijkswegen is deze zone 300

33

RUIMTELIJKE ONDERBOUWING G. WILLIGENPLEIN 2,3,4 HEERENVEEN

meter, bij provinciale wegen 50 meter. Bij realisatie van 'gevoelige bestemmingen' binnen deze zones is toetsing aan de grenswaarden die genoemd zijn in de Wet luchtkwaliteit nodig.

Toets Op de planlocatie wordt een appartementengebouw met 59 appartementen gerealiseerd. Zoals hierboven aangeven worden projecten/plannen bij een enkele ontsluitingsweg tot 1.500 woningen als niet in betekenende mate aangemerkt. Het mogelijk maken van een gebouw van 59 appartementen overschrijdt het genoemde maximum niet, waardoor geconcludeerd kan worden dat onderhavig plan niet in betekenende mate bijdraagt aan de luchtverontreiniging. Er is geen nader onderzoek nodig.

Daarnaast is voor bepalen of een plan niet-in-betekenende-mate bijdraagt aan de concentratie van een stof in de buitenlucht de NIMB-tool gebruikt (figuur Hieruit blijkt dat de maximale bijdrage ruim onder de grens van ‘Niet in betekenende mate blijft’.

Een overschrijding van de grenswaarden is ook in de toekomst niet te verwachten. Aanvullend onderzoek naar de luchtkwaliteit is derhalve niet nodig. Het aspect 'luchtkwaliteit' levert geen belemmering op voor voorliggend plan.

FIGUUR 10. BEREKENING NIMB-TOOL

04.6 Externe veiligheid Externe veiligheid is een beleidsveld dat is gericht op het beheersen van risico's die ontstaan voor de omgeving bij de productie, de opslag, de verlading, het gebruik en het transport van gevaarlijke stoffen. Nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen moeten worden getoetst aan wet- en regelgeving op het gebied van

34

RUIMTELIJKE ONDERBOUWING G. WILLIGENPLEIN 2,3,4 HEERENVEEN

externe veiligheid. Concreet gaat het daarbij om risicovolle bedrijven, vervoer gevaarlijke stoffen per weg, spoor en water en transport gevaarlijke stoffen via buisleidingen.

FIGUUR 11. UITSNEDE RISICOKAART TER HOOGTE VAN HET GEERTS WILLIGENPLEIN (BRON: ATLASLEEFOMGEVING)

Volgens de atlas van de leefomgeving zijn er in de nabije omgeving van het plangebied geen risicobronnen (figuur 11). De dichtstbijzijnde risicobron bevindt zich op circa 400 meter van de planlocatie en betreft een buisleiding. Derhalve kan geconcludeerd worden dat het plangebied: -

zich niet bevindt binnen de risicocontour van Bevi- en Brzo-inrichtingen, danwel inrichtingen die vallen onder het Vuurwerkbesluit (plaatsgebonden risico);

-

zich niet bevindt binnen een gebied waarbinnen een verantwoording van het groepsrisico nodig is;

-

niet is gelegen binnen de veiligheidsafstanden van het vervoer gevaarlijke stoffen;

-

niet is gelegen binnen de veiligheidsafstanden van buisleidingen voor het vervoer van gevaarlijke stoffen.

Een en ander brengt met zich mee dat het project in overeenstemming is met wet- en regelgeving met betrekking tot externe veiligheid. Geconcludeerd kan worden dat het aspect ‘Externe veiligheid’ geen belemmering vormt voor de voorgenomen ontwikkeling.

04.7 Water Een belangrijk instrument om waterbelangen in ruimtelijke plannen te waarborgen is de watertoets, die sinds 1 november 2003 wettelijk is verankerd. Initiatiefnemers zijn verplicht in ruimtelijke plannen een beschrijving op te nemen van de gevolgen van het plan voor de waterhuishouding. Het doel van de

35

RUIMTELIJKE ONDERBOUWING G. WILLIGENPLEIN 2,3,4 HEERENVEEN

wettelijk verplichte watertoets is te garanderen dat waterhuishoudkundige doelstellingen expliciet en op een evenwichtige wijze in het plan worden afgewogen. Deze waterhuishoudkundige doelstellingen betreffen zowel de waterkwantiteit (veiligheid, wateroverlast, tegengaan verdroging) als de waterkwaliteit (riolering, omgang met hemelwater, lozingen op oppervlaktewater).

Waterbeleid Wetterskip Fryslân De

Europese

Kaderrichtlijn

Water

is

richtinggevend

voor

de

bescherming

van

de

oppervlaktewaterkwaliteit in de landen in de Europese Unie. Aan alle oppervlaktewateren in een stroomgebied worden kwaliteitsdoelen gesteld die in 2015 moeten worden bereikt. Ruimtelijk relevant rijksbeleid

is

verwoord

in

de

Nota

Ruimte

en

het

Nationaal

Waterplan

(inclusief

de

stroomgebiedbeheerplannen).

Toename verharding Door ruimtelijke ontwikkelingen neemt de hoeveelheid verhard oppervlak doorgaans toe met als gevolg een versnelde afvoer van hemelwater. Het is in dit geval nodig om deze versnelde afvoer te compenseren om de waterberging in een gebied in stand te houden. Dit geldt ook voor toevoegen van oppervlakteverharding die wel past binnen het bestemmingsplan, maar waarvan de grond al meer dan vijf jaar braak ligt en waar in het verleden niet voor gecompenseerd is.

Het is niet toegestaan zonder watervergunning neerslag versneld tot afvoer te laten komen indien daarbij meer dan 200 m² onverharde grond in stedelijk gebied en 1500 m2 in landelijk gebied wordt bebouwd of verhard. Er geldt een vrijstelling van de vergunningsplicht wanneer wordt voldaan aan de compensatieregels genoemd in dit wateradvies. De meest voorkomende manier van compenseren is het graven van extra oppervlaktewater. Bij het graven van extra oppervlaktewater wordt de volgende compensatienorm gehanteerd:

• Boezem 5%, dit heeft alleen betrekking op de Friese boezem; • Polder 10%, • Vrij afstromend, alternatieve maatregelen.

Toets De oppervlakteverharding op het perceel neemt met het realiseren van de voorgenomen ontwikkeling ten opzichte van de huidige situatie niet toe. Daarom hoeft geen rekening te worden gehouden met compenserende maatregelen. De buitenplaats die naast het appartementencomplex wordt aangelegd wordt slechts verharding aangebracht op de paden en wordt daarnaast met groen ingericht. Omdat de rest van de buitenplaats niet wordt verhard kan het hemelwater infiltreren in de ondergrond.

36

RUIMTELIJKE ONDERBOUWING G. WILLIGENPLEIN 2,3,4 HEERENVEEN

Klimaat Om ook in de toekomst prettig te kunnen wonen, werken en recreëren moeten steden en dorpen ingericht worden met het oog op de toekomst. Zo is het mogelijk om het bebouwd gebied beter bestand te maken tegen hevige regenbuien, periodes van droogte en hitte en de gevolgen van een mogelijke overstroming.

Toets Bij de realisatie van nieuwe ontwikkelingen kan rekening worden gehouden met klimaatverandering. Zo kan getracht worden om het verharde oppervlakte zoveel mogelijk te ontstenen en te vervangen voor groen om wateroverlast te voorkomen. Met de realisatie van het appartementencomplex wordt hier op ingespeeld door de verharding achter het gebouw te verwijderen en te vervangen voor een buitenplaats die met groen wordt ingericht.

Watertoetsproces Op 10 mei 2023 is via www.dewatertoets.nl de digitale watertoets verricht. De watertoets is als bijlage 3 toegevoegd aan deze ruimtelijke onderbouwing. Op basis van de watertoets is er geen waterschapsbelang. De procedure in het kader van de watertoets is goed doorlopen. De uitkomst is dat de korte procedure moet worden gevolgd. Dit houdt in dat de aanwezige wateraspecten van beperkte invloed zijn op het plan. Geconcludeerd kan worden dat het aspect ‘Water’ geen belemmering vormt voor de voorgenomen ontwikkeling.

04.8 Ecologie Bij een ruimtelijk plan moeten de gevolgen van de voorgenomen ontwikkeling met betrekking tot aanwezige natuurwaarden in beeld worden gebracht. Daarbij wordt ingegaan op de relatie van het plan met beschermde gebieden, beschermde soorten, en het Natuurnetwerk Nederland (NNN). De wettelijke kaders hiervoor worden gevormd door Europese richtlijnen (Vogelrichtlijn en Habitatrichtlijn), nationale regelgeving (Wet natuurbescherming) en provinciale regelgeving (NNN in provinciale verordening).

Quickscan natuurwaarden Bij dit bestemmingsplan wordt hiervoor gebruik gemaakt van een quickscan natuurwaarden, uitgevoerd door Foreest Green Consult B.V. op 6 december 2023, zie ook bijlage 4. De resultaten zijn in de volgende alinea's opgenomen.

Natuurnetwerk Nederland Het Nederlands Natuurnetwerk (NNN, voormalig EHS) is de kern van het Nederlandse natuurbeleid. Het Natuurnetwerk Nederland (voorheen de EHS) is in provinciale structuurvisies uitgewerkt. In of in de directe nabijheid van de NNN geldt het ‘nee, tenzij’- principe. In principe zijn er geen ontwikkelingen

37

RUIMTELIJKE ONDERBOUWING G. WILLIGENPLEIN 2,3,4 HEERENVEEN

toegestaan als zij de wezenlijke kenmerken of waarden van het gebied aantasten. Gelet op de afstand (circa 2708 meter) tussen het plangebied en de NNN en feit dat de invloedsfeer van de voorgenomen activiteit als lokaal wordt beschouwd, heeft de voorgenomen activiteit geen negatief effect op de wezenlijke kenmerken en waarden van de NNN (zie figuur 12).

2708 m

FIGUUR 12. AFSTAND TOT NNN (BRON: ATLAS LEEFOMGEVING)

Natura 2000-gebied Het plangebied behoort niet tot Natura 2000-gebied. Het dichtstbijzijnde Natura 2000 gebied is Deelen en ligt op 6.2 km afstand van het plangebied. Het dichtstbijzijnde stikstofgevoelige Natura 2000gebied, Rottige Meenthe & Brandemeer, ligt op ongeveer 9.5 km afstand (zie figuur 13).

Stikstof Als gevolg van de realisatie en het gebruik van de voorgenomen ontwikkeling zal in de toekomstige situatie bij de verbranding van fossiele brandstoffen zowel stikstof als ammoniak worden uitgestoten, die kunnen neerslaan in kwetsbare natuur. Op voorhand zijn negatieve effecten voor het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied niet uit te sluiten. Derhalve zijn de effecten van deze emissies op kwetsbare Natura 2000 gebieden onderzocht, doormiddel van een stikstofonderzoek.

In het stikstofonderzoek (bijlage 5) is een berekening uitgevoerd in AERIUS Calculator 2022 om de gevolgen voor de stikstofdepositie binnen Natura 2000 in kaart te brengen. Als gevolg van de voorgenomen ontwikkeling komt er zowel Nox als NH3 vrij. Door uitvoering van de voorliggende AERIUS

38

RUIMTELIJKE ONDERBOUWING G. WILLIGENPLEIN 2,3,4 HEERENVEEN

berekening is aangetoond dat dit niet leidt tot een meetbare depositie van Nox of NH3 in Natura 2000gebied dat gevoelig is voor stikstof en ammoniak. In de aanleg- en gebruiksfase ligt de emissie dan ook niet hoger dan 0,00 mol/ha/j. Als gevolg van de berekende emissie, tijdens de aanleg- en gebruiksfase, vindt er dan ook géén meetbare verhoging van de depositie Nox of NH3 plaats in Natura 2000-gebieden als gevolg van de voorgenomen ontwikkeling. De ontwikkeling leidt niet tot een verslechtering van de milieukwaliteit van Natura 2000-gebieden. Er hoeft geen nader onderzoek uitgevoerd te worden. De Wet natuurbescherming vormt voor het aspect stikstof en ammoniak geen belemmering voor de uitvoering van de voorgenomen ontwikkeling.

9500m

FIGUUR 13. AFSTAND TOT STIKSTOFGEVOELIG NATURA 2000-GEBIED (BRON: ATLAS LEEFOMGEVING)

Soortenbescherming Flora Het geringe aantal aangetroffen soorten zijn allemaal algemene soorten en soorten van stedelijk beheerde terreinen. Het plangebied is een gebouw omgeven door verhardingen. Dit zijn geen geschikte groeicondities voor beschermde plantensoorten en daarom kan worden uitgesloten dat er beschermde flora op de planlocatie groeit. Dit geldt ook voor de beschermde muurbloem, deze soort groeit op kalkspecie gevoegde muren. Op het gebouw is deze soort niet aanwezig en de muur van het bouw is niet geschikt. De Wet natuurbescherming wordt voor de soortgroep flora niet overtreden. Nader onderzoek is niet noodzakelijk. 39

RUIMTELIJKE ONDERBOUWING G. WILLIGENPLEIN 2,3,4 HEERENVEEN

Zoogdieren Tijdens de veldinspectie zijn geen beschermde zoogdiersoorten aangetroffen. De planlocatie is geen geschikt leefgebied voor beschermde zoogdiersoorten. De locatie is volledig verhard en het ontbreekt aan de nodige beschutting. Het pand zelf is alleen van belang voor muizensoorten die vrijgesteld zijn bij een ruimtelijke ontwikkeling in de provincie Friesland. Voor de enige ander zoogdiersoort die in Nederland in gebouwen verblijft, de steenmarter, is het pand niet van belang doordat het niet permanent toegankelijk is. Hierdoor kan worden uitgesloten dat de plannen invloed hebben op beschermde zoogdiersoorten. De Wet natuurbescherming wordt voor de soortgroep zoogdieren niet overtreden. Nader onderzoek is niet noodzakelijk.

Vleermuizen Het pand wordt ondanks de aanwezigheid van spouwmuren en systeemplafonds niet door vleermuizen gebruikt als vaste rust – en verblijfplaats. Het pand is niet toegankelijk. Er zijn geen openingen aanwezig bij het dak, dakrand en in de muren. De platte daken zijn volledig dicht en bestaat uit een bitumen dakbedekking. De dakranden zijn met groen platen bekleed, strak tegen elkaar aan. In muur zijn de stootvoegen, die voornamelijk aan de achterzijde zitten, afgedicht met bijenbekjes. Verder is op een aantal plekken voegwerk weggevallen wat het beeld kan geven van openingen, maar waar nog cement achter zit. Er zijn geen bomen aanwezig op de planlocatie. Verblijflocaties in gebouwen of bomen zijn niet aanwezig. Op de planlocatie zijn verder geen bomen aanwezig. Hierdoor kan worden uitgesloten dat vaste rust- en verblijfplaatsen van vleermuizen worden verstoord of vernield. De Wet natuurbescherming wordt voor wat betreft de vaste rust- en verblijfplaatsen van vleermuizen niet overtreden. Nader onderzoek is niet noodzakelijk.

Conclusie Bij de voorliggende ontwikkeling gaat het de realisatie van een nieuw appartementengebouw. De beoogde activiteiten hebben slechts een lokale impact. Hierdoor zou het plan geen invloed hebben op het meest nabijgelegen Natuurnetwerk Nederland en/of Natura 2000-gebieden.

Voor wat betreft soortenbescherming zijn geen gevolgen te verwachten als gevolg de realisatie van het appartementengebouw. Verblijflocaties in gebouwen of bomen zijn niet aanwezig. Daarnaast zijn op de planlocatie verder geen bomen aanwezig. Hierdoor kan worden uitgesloten dat vaste rust- en verblijfplaatsen van vleermuizen worden verstoord of vernield. Het uitvoeren van de voorgenomen ontwikkeling leidt niet tot wettelijke consequenties in het kader van soortbescherming. Vanwege de lokale invloedsfeer en de ligging buiten beschermd (natuur)gebied, leiden de voorgenomen activiteiten niet tot wettelijke consequenties in het kader van gebiedsbescherming. Er hoeft geen nader onderzoek uitgevoerd te worden en er hoeft geen ontheffing

40

RUIMTELIJKE ONDERBOUWING G. WILLIGENPLEIN 2,3,4 HEERENVEEN

of vergunning aangevraagd te worden om de voorgenomen activiteiten uit te kunnen voeren in overeenstemming met wet- en regelgeving voor beschermde soorten en gebieden.

04.9 Verkeer- en parkeren Verkeer Het plangebied wordt ontsloten via het Geerts Willigenplein dat ter plaatse van de locatie een 30 km/u zone is. Met de nieuwe ontwikkeling wordt een appartementencomplex met 59 appartementen mogelijk gemaakt en wordt de bestaande bebouwing waar momenteel een fietsspecialist en een jongerencentrum zijn gevestigd verwijderd.

Om de verkeersgeneratie te berekenen is gebruik gemaakt van de kentallen die afkomstig zijn van het CROW (Publicatie 381 Kencijfers parkeren en verkeersgeneratie). Hierbij wordt uitgegaan van een stedelijkheidsgraad “sterk stedelijk” en “centrum” en appartementen in de categorie “huur, appartement midden/goedkoop”. Er wordt uitgegaan van een gemiddelde kengetallen. Op basis van 59 appartementen bedraagt het aantal verkeersbewegingen afgerond maximaal 130 per etmaal (2,2*59). De verkeersafwikkeling wordt echter beoordeeld op een maatgevende werkdag. Daarom dient conform het CROW de verkeersgeneratie van woonfuncties te worden vermenigvuldigd met de factor 1,11 om tot een werkdaggemiddelde te komen. Op een gemiddelde werkdag genereert het plangebied afgerond 145 verkeersbewegingen per etmaal. Ter plaatse van het Geerts Willigenplein is een grote ondergrondse parkeergarage gevestigd die voorziet in parkeergelegenheid voor bezoekers, omwonenden en nabijgelegen bedrijven. Het Geerts Willigenplein is vanwege deze parkeergarage berekend op deze (extra) hoeveelheid verkeer.

De verwachte verkeersbewegingen kunnen makkelijk en veilig via de bestaande infrastructuur worden afgewikkeld. Het aspect ‘verkeer’ levert geen belemmeringen op voor dit plan.

Parkeren De vraag of er wordt voorzien in voldoende parkeergelegenheid wordt bepaald op de wijze zoals beschreven in de “Nota parkeernormen gemeente Heerenveen 2020”. Deze nota heeft betrekking op het stellen van een eis tot het aanbrengen van parkeergelegenheid op eigen terrein in het geval er een gebruikswijziging of bouwactiviteit plaatsvindt.

Per functie is de parkeervraag mede afhankelijk van het gebied waarin de functie ligt. Ter bepaling van de toe te passen parkeernormen is daarnaast ook de stedelijkheidsgraad van het gebied van bepaling (centrum, schil, overige bebouwde kom en buitengebied).

41

RUIMTELIJKE ONDERBOUWING G. WILLIGENPLEIN 2,3,4 HEERENVEEN

Voor het bepalen van de parkeernormen voor de gemeente Heerenveen is gebruik gemaakt van de publicatie 381 van CROW “Kencijfers parkeren en verkeersgeneratie”.

Met voorliggende ontwikkeling worden 59 appartementen mogelijk gemaakt voor verschillende doelgroepen. In zijn algemeenheid geldt voor de functie wonen binnen het centrum een parkeernorm van 1,0 parkeerplaats per woning op eigen terrein en 0,3 parkeerplaatsen in openbare ruimte voor bezoek. Uitgaande van bovenstaande normen komt dat neer op 59 parkeerplaatsen op eigen terrein en afgerond 18 in openbaar gebied.

In de directe omgeving van het plangebied is een aantal openbare parkeerplaatsen gelegen. Aan het Geerts Willigenplein bevinden zich in de huidige situatie een aantal langsparkeerplaatsen die ten behoeve van het gebouw kunnen worden gebruikt. Deze langsparkeerplaatsen komen met de realisatie van het appartementencomplex te vervallen. Daarnaast zijn er aan de overzijde van de weg een aantal betaalde parkeerplaatsen voor het winkelend publiek gesitueerd. Onder het plein bevindt zich een ondergrondse parkeergarage met 328 parkeerplaatsen, die voorziet in parkeergelegenheid voor omwonenden, nabijgelegen bedrijven en bezoekers van het centrum.

Het uitgangspunt is echter dat de parkeereis op eigen terrein wordt gerealiseerd, waarbij de parkeerplaatsen dienen te voldoen aan de richtlijnen van het CROW. Indien de parkeereis niet op eigen terrein op te lossen is dan kan het Mobiliteitsfonds uitkomst bieden. Dit fonds is alleen van toepassing op gebieden waar parkeren moeilijk te realiseren is, in het centrum en de schil van Heerenveen. Op de planlocatie gelegen in het centrum is parkeergelegenheid op eigen terrein moeilijk te realiseren. De parkeereis voor de voorgenomen ontwikkeling zal daarom worden afgekocht. Op deze manier wordt aan de parkeereis ten behoeve van de appartementen opgelost. De ontwikkeling voldoet daarmee aan de parkeernormen van de gemeente Heerenveen.

04.10 Archeologie & Cultuurhistorie Nederland heeft in 1992 het verdrag van Malta ondertekend. Het verdrag van Malta heeft als doel het archeologisch erfgoed in de bodem beter te beschermen. Voor gebieden waar archeologische waarden voorkomen of waar een reële verwachting bestaat dat er archeologische waarden aanwezig zijn dient er een archeologisch onderzoek uit te worden gevoerd, voordat er bodemingrepen plaatsvinden.

Op 1 juli 2016 is de Erfgoedwet in werking getreden ter vervanging van de Monumentenwet 1988. Een deel van de monumentenwet is op deze datum overgegaan naar de Erfgoedwet. Het deel dat betrekking heeft op de besluitvorming in de fysieke leefomgeving gaat over naar de Omgevingswet wanneer deze in werking treedt. Tot die tijd blijven deze onderdelen van de Monumentenwet 1988 gelden als overgangsrecht binnen de Erfgoedwet.

42

RUIMTELIJKE ONDERBOUWING G. WILLIGENPLEIN 2,3,4 HEERENVEEN

Gemeenten hebben een archeologische zorgplicht en initiatiefnemers van projecten waarbij de bodem wordt verstoord zijn verplicht rekening te houden met de archeologische relicten die in het plangebied aanwezig (kunnen) zijn. Hiervoor is onderzoek noodzakelijk: het archeologisch vooronderzoek. Als blijkt dat in het plangebied behoudenswaardige archeologische vindplaatsen aanwezig zijn, dan kan de initiatiefnemer verplicht worden hiermee rekening te houden. Dit kan leiden tot een aanpassing van de plannen, waardoor de vindplaatsen behouden blijven, of tot een archeologische opgraving en publicatie van de resultaten.

Onder cultuurhistorische waarden worden alle structuren, elementen en gebieden bedoeld die cultuurhistorisch van belang zijn. Zij vertellen iets over de ontstaansgeschiedenis van het Nederlandse cultuurlandschap. Vaak is er een sterke relatie tussen aardkundige aspecten en cultuurhistorische aspecten. De bescherming van cultuurhistorische elementen is vastgelegd in de Monumentenwet 1988 (die nog geldt als overgangsrecht binnen de Erfgoedwet). Deze wet is vooral gericht op het behouden van historische elementen voor latere generaties.

Toets Archeologie Door de provincie Friesland is de Friese Archeologische Monumentenkaart Extra (FAMKE) opgesteld. De FAMKE bestaat uit twee verschillende advieskaarten, één voor de periode steentijd - bronstijd en één voor de periode ijzertijd – middeleeuwen. Voor de periode steentijd – bronstijd is voor de planlocatie aangeduid met karterend onderzoek 2. De provincie beveelt in dit geval om bij ingrepen van meer dan 2500m² een karterend (boor)onderzoek uit te laten voeren, waarbij minimaal zes boringen per hectare worden gezet, met een minimum van zes boringen voor gebieden kleiner dan een hectare. In deze gebieden kunnen zich op enige diepte archeologische lagen uit de steentijd bevinden, die zijn afgedekt door een veen- of kleidek. Op de advieskaart is het plangebied voor de periode ijzertijd - middeleeuwen aangeduid met “geen onderzoek noodzakelijk”. Dit advies wordt gegeven als op basis van eerder onderzoek is gebleken dat er zich geen archeologische resten in de bodem bevinden, of wanneer de archeologische verwachting voor het aantreffen van archeologische resten uit de periode ijzertijd middeleeuwen op gefundeerde gronden zodanig laag is dat de kans op aantasting bij de meeste ingrepen zeer klein is.

Op basis van de beheersverorderning Heerenveen geldt ter plaatse van het plangebied een archeologische dubbelbestemming ‘Waarde Archeologie -1’. Voor deze dubbelbestemming geldt dat er een rapport moet worden opgesteld voor bouwwerken met een oppervlakte van 2.500 m² of meer, die worden gebouwd in of op gronden ter plaatse van het besluitvlak 'Waarde-archeologie 1', tenzij het

43

RUIMTELIJKE ONDERBOUWING G. WILLIGENPLEIN 2,3,4 HEERENVEEN

bouwplan betrekking heeft op wijziging of vervanging van bestaande bebouwing, waarbij de oppervlakte niet wordt uitgebreid en de bestaande fundering wordt gebruikt.

De voorgenomen ontwikkeling heeft een oppervlakte dat kleiner is dan 2.500 m2 er hoeft derhalve geen rapport te worden opgesteld. Op basis van FAMKE en de beheersverorderning kan worden gesteld dat onderzoek niet noodzakelijk is.

Bovendien is er sprake van bestaande bebouwing in het plangebied. Het betreft daarmee reeds geroerde grond. Nader archeologisch vervolgonderzoek is derhalve niet noodzakelijk. Archeologie vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van het plan.

Cultuurhistorie Uit de erfgoednota cultuurhistorisch beleid van de gemeente Heerenveen kan worden afgeleid dat het plangebied deel uitmaakt van het ontwikkelingslint. In het plangebied zelf zij geen cultuurhistorische waardevolle elementen, zoals gemeentelijke of rijksmonumenten aanwezig. Derhalve wordt geconcludeerd dat voorliggend plan geen negatieve gevolgen heeft voor het aspect 'cultuurhistorie'.

04.11 Geur Het bevoegd gezag moet geur meewegen bij het opstellen van een nieuw bestemmingsplan. Deze verplichting geldt ook bij een ruimtelijke onderbouwing van een omgevingsvergunning voor geurgevoelige objecten (zoals woningen). Hierbij zijn de volgende vragen van belang: •

Is ter plaatse van de nieuwe ontwikkeling garantie op een goed woon- en verblijfsklimaat? (belang geurgevoelig object)

•

Schaadt het plan niet iemand onevenredig in zijn belangen? (belangen bedrijf en omgeving)

Toets In de nabijheid van het plangebied liggen enkele horecagelenheden. Het aspect geur speelt een cruciale rol bij het beoordelen van de impact van horecagelegenheden op hun omgeving. Daarom dient rekening te worden gehouden met de mogelijke geurhinder die deze horecagelegenheden kunnen veroorzaken ten opzichte van het nieuwbouwplan. Horecagelegenheden, zoals restaurants, cafés en bars, kunnen verschillende geuren produceren als gevolg van hun activiteiten, waaronder kookgeuren, rook, en afvalgeuren. Deze geuren kunnen zich verspreiden naar aangrenzende woongebieden en daar potentieel overlast veroorzaken voor bewoners. Dit kan leiden tot klachten en verstoring van het woon en leefklimaat.

Uit een inventarisatie die is verricht door Alcedo (projectnummer: 23-09925.R02.V02) op 26 maart 2024 (zie bijlage 6) blijkt dat het afzuigpunt van Restaurant Paul Kruger staat op minder dan 12 meter

44

RUIMTELIJKE ONDERBOUWING G. WILLIGENPLEIN 2,3,4 HEERENVEEN

van de bestaande woning op Oude Koemarkt 10 gelegen. Het afzuigpunt van restaurant Paolo staat op circa 7 meter van de bovenwoning boven café Bak (nr 2). Hieruit blijkt dat de afzuigpunten niet 2 meter bovendaks (nok hoogste dak) en ook binnen 25 meter van bestaande bebouwing staat. Hiermee dienen de afzuigpunten uitgevoerd te zijn als een goed onderhouden en een doelmatig uitgevoerde ontgeuringsinstallatie. Dit betekent dat, op basis van de dichtstbij gelegen bestaande woningen, er ook bij de nieuwbouw op basis van de vigerende situatie een goed woon- en leefklimaat voor het aspect geur moet zijn en dat de bedrijven niet beperkt worden in hun bedrijfsvoering.

45

RUIMTELIJKE ONDERBOUWING G. WILLIGENPLEIN 2,3,4 HEERENVEEN

05 ECONOMISCHE UITVOERBAARHEID

Bij een omgevingsvergunning voor planologisch afwijken van het bestemmingsplan dient op grond van artikel 6.12 Wet ruimtelijke ordening (Wro) in de plantoelichting van de planologische afwijking minimaal inzicht te worden gegeven in de economische uitvoerbaarheid van het plan. Tevens is met de inwerkingtreding van de Wet ruimtelijke ordening de verplichting ontstaan om, indien sprake is van ontwikkelingen waarvoor de gemeente redelijkerwijs kosten moeten maken (zoals de aanleg van voorzieningen van openbaar nut en de plankosten), deze moet kunnen verhalen op de initiatiefnemer c.q. ontwikkelaar. Een en ander dient te worden vastgelegd in een privaatrechtelijke overeenkomst met iedere grondeigenaar. Als er met de grondeigenaar geen overeenkomst is gesloten en het kostenverhaal niet anderszins is verzekerd, dient een exploitatieplan te worden opgesteld welke tegelijkertijd met de omgevingsvergunning moet worden vastgesteld.

Onderhavig plan maakt de realisatie van appartementengebouw met 59 appartementen mogelijk. Er is daarbij sprake van een bouwplan in de zin van artikel 6.2.1 Wet ruimtelijke ordening. De kosten voor de voorgenomen ontwikkeling zijn voor rekening van de initiatiefnemer. Met aanvrager is een anterieure overeenkomst gesloten waarin de gemeente gevrijwaard wordt van planschadekosten.

46

RUIMTELIJKE ONDERBOUWING G. WILLIGENPLEIN 2,3,4 HEERENVEEN

06 CONCLUSIE

Zoals reeds is benoemd mag de toestemming tot het afwijken van het bestemmingsplan in aangewezen gevallen niet in strijd zijn met een goede ruimtelijke ordening. Voorliggende ruimtelijke onderbouwing heeft aangetoond dat de milieu- en omgevingsaspecten geen belemmering vormen voor de uitvoerbaarheid van de voorgenomen ontwikkeling. Daarnaast past de ontwikkeling past binnen de beleidskaders van het rijk, de provincie en de gemeente. Het verlenen van een omgevingsvergunning voor het afwijken van het vigerende bestemmingsplan is in overeenstemming met een goede ruimtelijke ordening.

47

RUIMTELIJKE ONDERBOUWING G. WILLIGENPLEIN 2,3,4 HEERENVEEN

07 BIJLAGEN

Bijlage 1: Bodemonderzoek Bijlage 2: Akoestisch onderzoek Bijlage 3: Watertoets Bijlage 4: Natuurwaarden onderzoek Bijlage 5: Stikstofberekening Bijlage 6: Beoordeling naastgelegen Horeca

48

RUIMTELIJKE ONDERBOUWING G. WILLIGENPLEIN 2,3,4 HEERENVEEN

49

RAPPORT VERKENNEND (ASBEST)BODEMONDERZOEK conform NEN5740 en NEN5707 Geerts Willigenplein 3 en 4 - Heerenveen

Opdrachtgever: Ad Fontem Locatie: Geerts Willigenplein 3 en 4 8441 GV Heerenveen December 2023

Kruse Milieu BV Adres: Huyerenseweg 33 7678 SC Geesteren

Internet: info@krusegroep.nl www.krusegroep.nl

Tel: 0546 - 63 96 63 Bankgegevens: KvK: 06068751 ABN AMRO: BTW-nr: NL 8019.25.125.B01 NL34ABNA0501538739

Rapport Verkennend (asbest)Bodemonderzoek conform NEN5740 en NEN5707 Geerts Willigenplein 3 en 4 - Heerenveen

Opdrachtgever: Ad Fontem Stationsstraat 37 7622 LW Borne Locatie: Geerts Willigenplein 3 en 4 8441 GV Heerenveen Projectcode: 23035718 Rapportagedatum: 6 december 2023 (versie 2) Auteur: Kruse Milieu BV

INHOUD Pagina 1

Inleiding

1

2

Locatiegegevens Beschrijving huidige situatie Vooronderzoek Bodemsamenstelling en geohydrologie

2 2 2 4

3

Uitvoering bodemonderzoek Onderzoeksstrategie Veldwerkzaamheden Analyses Toetsing chemische analyses Toetsing asbestanalyses

5 5 6 6 7 8

4

Resultaten Algemeen Veldwerkzaamheden Resultaten en toetsing van de chemische analyses Bespreking resultaten chemische analyses Resultaten van de asbestanalyses Bespreking resultaten asbestanalyses Resultaten separate analyses

9 9 9 11 12 13 13 13

5

Samenvatting, conclusies en aanbevelingen

15

6

Literatuur en bronvermelding

17

Bijlagen I Regionale ligging locatie Fotoreportage verkennend (asbest)bodemonderzoek Boorplan verkennend bodemonderzoek Oranjewoud, november 1993 Boorplan verkennend bodemonderzoek Lievense Milieu BV, februari 2019 Boorplan verkennend bodemonderzoek Kruse Milieu BV, december 2023 II Boorstaten en legenda boorstaten III Resultaten chemische analyses en toetsing chemische analyses IV Resultaten asbestanalyses en concentratieberekeningen V Verklaring van enkele gebruikte termen en afkortingen

Kruse Milieu BV

Project: 23035718 (versie 2)

1

Inleiding

Dit rapport beschrijft het verkennend bodemonderzoek, dat in opdracht van Ad Fontem op een terrein aan het Geerts Willigenplein 3 en 4 in Heerenveen door Kruse Milieu BV is uitgevoerd. In versie 2 van het rapport is de fotoreportage van het verkennend asbestonderzoek opgenomen en zijn tekstuele aanpassingen gedaan aan het rapport. Versie 2 van het rapport vervangt versie 1 van 31 juli 2023. De aanleiding van dit onderzoek is de geplande nieuwbouw van een appartementencomplex. Het bodemonderzoek is noodzakelijk in het kader van de aanvraag van de omgevingsvergunning en dient inzicht te geven in de milieukundige kwaliteit van de bodem. Voorafgaande aan het bodemonderzoek heeft een vooronderzoek plaatsgevonden op basis van norm NEN5725 “Aanleiding A: Opstellen hypothese over de bodemkwaliteit ten behoeve van uit te voeren bodemonderzoek”. Vanwege de ligging in het oude centrum van Heerenveen wordt de bovengrond als verdacht beschouwd voor zware metalen. De ondergrond en het grondwater op de locatie zijn onverdacht voor chemische componenten. De onderzoeksopzet gaat uit van: - NEN5725, Bodem.

Leidraad bij het uitvoeren van vooronderzoek bij verkennend, oriënterend en nader onderzoek”, NNI Delft, oktober 2017; - NEN5740, "Bodem - Landbodem - Strategie voor het uitvoeren van verkennend bodemonderzoek - Onderzoek naar de milieuhygiënische kwaliteit van bodem en grond” NNI Delft, januari 2009; - de aanvulling NEN5740/A1, "Bodem - Landbodem - Strategie voor het uitvoeren van verkennend bodemonderzoek - Onderzoek naar de milieuhygiënische kwaliteit van bodem en grond”, NNI Delft, februari 2016. De doelstelling van het onderzoek op verdachte (deel)locaties is vast te stellen of de vooronderstelde verontreinigingskern(en) ook daadwerkelijk op de vermoede plaatsen aanwezig zijn en in hoeverre de verontreinigende stoffen in de grond en het freatisch grondwater respectievelijk de achtergrondwaarden en de streefwaarden overschrijden. Het veldwerk is uitgevoerd in juni 2023 conform BRL SIKB2000 en de protocollen 2001, 2002 en 2018, waarvoor Kruse Milieu BV is gecertificeerd. Hierbij wordt verklaard dat Kruse Milieu BV financieel en juridisch onafhankelijk is van de opdrachtgever. De vermelde medewerkers in deze rapportage zijn akkoord met openbaring van zijn of haar persoonsgegevens in het kader van de AVG-privacy wetgeving. In dit rapport worden de resultaten besproken van het veld- en het laboratoriumonderzoek.

De gemeten gehalten in de grond worden vergeleken met de achtergrondwaarden (AW2000) en de interventiewaarden om vast te stellen of er al dan niet verontreinigingen aanwezig zijn. De in het grondwater gemeten gehalten worden vergeleken met de streef- en interventiewaarden.

Kruse Milieu BV

Project: 23035718 (versie 2)

Pagina 1 van 17

2

Locatiegegevens Beschrijving huidige situatie

Algemeen De onderzoekslocatie is gelegen aan het Geerts Willigenplein 3 en 4 in Heerenveen. Het centrale punt binnen het te onderzoeken terrein heeft de coördinaten x = 190.99 en y = 552.77. Het terrein is kadastraal bekend als: gemeente Tjalleberd, sectie A, nummer 10804. Het Geerts Willigenplein is ten oosten van de onderzoekslocatie gelegen. Ten zuiden van de locatie ligt de Kerkstraat. De Paul Krugerkade is op enige afstand ten noorden van de locatie gelegen. Bebouwing en verharding Het perceel is grotendeels bebouwd met een fietsenwinkel. Het oostelijke deel van het pand is voorzien van een kruipruimte. Het westelijke deel van het pand is in 1994 gebouwd en is verhard met betontegels en steenschotten. Ter plekke van de werkplaats is een vloeistofdichte coating aangebracht op de betontegels. Aan de westzijde van het pand is het terrein verhard met klinkers en in gebruik als parkeerterrein. Onderzoekslocatie Het bodemonderzoek is noodzakelijk in het kader van de geplande nieuwbouw van een appartementencomplex en dient inzicht te geven in de milieukundige kwaliteit van de bodem. De onderzoekslocatie betreft het gehele kadastrale perceel en omvat 691 m2. Het oostelijke deel van het pand is voorzien van een kruipruimte, waardoor hier geen grondboringen verricht kunnen worden.

In bijlage I zijn de regionale ligging van de locatie weergegeven en zijn de volgende boorplannen opgenomen: - Boorplan verkennend bodemonderzoek Oranjewoud, november 1993; - Boorplan verkennend bodemonderzoek Lievense Milieu BV, februari 2019; - Boorplan verkennend bodemonderzoek Kruse Milieu BV, december 2023. Vooronderzoek In het vooronderzoek komt naast informatie uit het huidige gebruik het vroegere gebruik van het terrein aan de orde evenals de vraag of er in het verleden reeds bodemonderzoeken zijn verricht op het terrein. Het vroegere gebruik van het terrein is van belang, omdat bronnen van verontreiniging aanwezig geweest kunnen zijn. De geraadpleegde bronnen zijn weergegeven in tabel 1. De volgende informatie is verzameld: - De huidige bebouwing is sinds 1968 aanwezig. Het terreindeel heeft al lange tijd de huidige bestemming (winkelgebied). De locatie is ten noorden van het (oude) centrum van Heerenveen gelegen en is al voor 1850 in gebruik geweest als woongebied. - Voor zover bekend is er op de onderzoekslocatie nooit sprake geweest van opslag in tanks van chemicaliën of brandstoffen, zoals huisbrandolie of diesel. - Het pand is tegenwoordig in gebruik als fietsenwinkel met een showroom en werkplaats. Uit eerder bodemonderzoek blijkt dat het pand voor 1993 in gebruik was als kantoor voor de Sociale Dienst.

Het is onbekend hoe lang het pand in gebruik is als fietsenwinkel en of er in het verleden andere bedrijven gevestigd waren. - De werkplaats wordt gebruikt voor de reparatie van fietsen. Voor zover bekend zijn er in het verleden geen reparaties aan bromfietsen uitgevoerd. De tegelvloer van de werkplaats is voorzien van een vloeistofdichte coating. - Voor zover bekend is het te onderzoeken terreindeel in het verleden niet opgehoogd en hebben er geen dempingen van lager gelegen delen of sloten plaatsgevonden. - Voor zover bekend bevindt zich geen asbest op of in de bodem op de onderzoekslocatie. Er bevinden zich geen asbesthoudende dakplaten, beschoeiingen of sloopafval direct naast of op de onderzoekslocatie. Tevens is de locatie niet gelegen aan een asbestweg. Kruse Milieu BV

Project: 23035718 (versie 2)

Pagina 2 van 17

- Op basis van de bodemkwaliteitskaart wordt verwacht dat de bovengrond voldoet aan de klasse “Wonen”. De ondergrond voldoet aan de achtergrondwaarden (AW2000). - Er zijn meerdere bodemonderzoeken uitgevoerd op het terrein of in de directe omgeving. Deze worden hierna toegelicht: Oranjewoud BV, verkennend bodemonderzoek Paul Krugerkade te Heerenveen, november 1993 met projectnummer 16546-58577 De aanleiding van het bodemonderzoek was de voorgenomen eigendomsoverdracht van het perceel. Het onderzoek is uitgevoerd ter plekke van het binnenterrein, dat nu deels bebouwd is en binnen de huidige onderzoekslocatie valt. Uit de resultaten bleek dat de bovengrond licht verontreinigd is met koper, kwik, lood en PAK. De ondergrond is matig verontreinigd met koper en lood en licht verontreinigd met kwik en zink. De licht tot matig verhoogde gehalten zijn gerelateerd aan het oudstedelijke gebruik en een sanering werd niet noodzakelijk geacht. In het grondwater is een licht verhoogd gehalte aan chroom aangetoond. Oranjewoud BV, BUS-evaluatie sanering Paul Krugerkade 1 te Heerenveen, 6 december 2007 Ter plekke van het voormalige pand aan de Oude Koemarkt 12 zijn in de geroerde bovengrond sterk verhoogde gehalten aan koper en lood aangetroffen. De sterk verontreinigde bodem is tot een diepte van 1.0 meter ontgraven en afgevoerd. De ontgraving vond plaats in een bouwkuip met damwanden.

Na sanering is de grond tot 3.0 meter diepte ontgraven voor de bouw van een kelder. Derhalve zijn er geen verificatiemonsters van de bodem en de wanden genomen. Lievense Milieu BV, verkennend bodemonderzoek Geerts Willigenplein 2 te Heerenveen, 14 februari 2019 met projectcode SOL007987 Het bodemonderzoek is ten noorden en westen van de huidige onderzoekslocatie uitgevoerd. Ter plekke van het binnenterrein zijn matig tot sterk verhoogde gehalten aan koper aangetoond in de puinhoudende grond. In de puinhoudende grond zijn visueel geen asbestverdachte materialen aangetroffen en in het mengmonster van de fijne fractie is geen asbest aangetoond. Het grondwater is niet verontreinigd. Gezien de naburige locaties met eveneens licht tot sterk verhoogde gehalten met zware metalen, werd de locatie op het achterterrein beschouwd als heterogeen verontreinigd met koper en werd een nader bodemonderzoek niet noodzakelijk geacht. Tabel 1: Geraadpleegde bronnen vooronderzoek Relevante informatie

Bron

Specificatie

Opdrachtgever / eigenaar

Huidig en voormalig gebruik en bodemonderzoeken

Ja

Gemeente Heerenveen

Milieuhygiënische en historische bodeminformatie

Ja

Rapport Bodemloket

https://bodemloket.nl/

Ja

Archief Kruse Milieu BV

Eerder uitgevoerde bodemonderzoeken

Nee

Google Maps

https://www.google.nl/maps

Ja

Topotijdreis

https://www.topotijdreis.nl/

Ja

BAG-viewer

https://bagviewer.kadaster.nl/

Ja

Perceelloep

https://perceelloep.nl/

Ja

Kruse Milieu BV

Project: 23035718 (versie 2)

Pagina 3 van 17

Vervolg tabel 1: Geraadpleegde bronnen vooronderzoek Relevante informatie

Bron

Specificatie

Ruimtelijke plannen

https://www.ruimtelijkeplannen.nl/viewer/

Ja

Grondwatertools

https://www.grondwatertools.nl/gwsinbeeld/

Ja

DINO-loket

https://www.dinoloket.nl/

Ja

AHN-viewer

https://ahn.arcgisonline.nl/ahnviewer/

Ja

Bodemkwaliteitskaart

Actualisatie bodemkwaliteitskaart en nota bodembeheer, Antea Group, september 2015 Bodemkwaliteitskaart PFAS in Friesland, Antea Group, 23 januari 2020

Ja

Bodemsamenstelling en geohydrologie Op basis van literatuurstudie is de onderstaande regionale geohydrologische situatie afgeleid: - Het maaiveld bevindt zich ongeveer 1 meter boven NAP. - Tot circa 1.5 meter diepte bestaat de bodem uit een opgebracht (antropogene) laag. De laag bestaat voornamelijk uit zand en klei met plaatselijk huisvuil (puin). - De onderliggende bodem bestaat tot circa 2.5 meter uit veen, behorende tot de Formatie van Nieuwkoop. Tot circa 5 meter bestaat de bodem uit goed doorlatend zand, behorende tot de formatie van Boxtel. - Van 5 tot circa 7 meter is een slecht doorlatende kleilaag aanwezig (Formatie van Drente). De bodem hieronder bestaat uit goed doorlatende zandlagen die behoren tot de Formatie van Drachten en de Formatie van Urk. - De stijghoogte van het grondwater bedraagt circa 0.5 meter boven NAP. Er is geen eenduidige stromingsrichting van het grondwater. - Circa 70 meter ten zuidwesten van de locatie stroomt de Kolk. Het grondwater stroomt vermoedelijk onder invloed van het kanaal in zuidwestelijke richting. - De locatie is niet in een grondwaterbeschermingsgebied gelegen.

Kruse Milieu BV

Project: 23035718 (versie 2)

Pagina 4 van 17

3

Uitvoering bodemonderzoek Onderzoeksstrategie

De onderzoeksopzet gaat uit van: - NEN5740, "Bodem - Landbodem - Strategie voor het uitvoeren van verkennend bodemonderzoek - Onderzoek naar de milieuhygiënische kwaliteit van bodem en grond” NNI Delft, januari 2009; - de aanvulling NEN5740/A1, "Bodem - Landbodem - Strategie voor het uitvoeren van verkennend bodemonderzoek - Onderzoek naar de milieuhygiënische kwaliteit van bodem en grond”, NNI Delft, februari 2016. De onderzoekstrategie en het boorplan zijn goedgekeurd door gemeente Heerenveen. In de norm NEN5740 zijn voor onverdachte en verdachte locaties richtlijnen gegeven voor een systematisch veldonderzoek, de bemonsteringsstrategie en uit te voeren analyses. De gekozen onderzoeksstrategie is voldoende intensief voor het verkrijgen van inzicht in de bodemkwaliteit ten behoeve van de omgevingsvergunning, bestemmingsplanwijziging of eigendomsoverdracht. Op basis van de beschikbare informatie omtrent het historisch en huidig gebruik van de locatie, wordt de bovengrond als als verdacht voor de aanwezigheid van zware metalen beschouwd. De hypothese "verdacht" uit NEN5740 (VED-HE) wordt voor de bovengrond van de locatie gebruikt. De hypothese "onverdacht" uit NEN5740 (ONV-NL) wordt voor de ondergrond en het grondwater op de locatie gebruikt. De laatste hypothese gaat ervan uit dat op een locatie geen of slechts licht verhoogde gehalten worden gemeten.

Op basis van het oppervlakte van 691 m² kan op basis van norm NEN5740, strategie verdachte locatie worden afgeleid dat er 7 boringen dienen te worden verricht, waarvan 5 tot 0.5 meter en 2 tot 2.0 meter diepte of tot de grondwaterspiegel. Eén diepe boring wordt overeenkomstig NEN5766 afgewerkt met een peilbuis ten behoeve van het meten van het grondwaterpeil en het nemen van grondwatermonsters. Omdat een groot deel van het pand is voorzien van een kruipruimte kunnen hier geen boringen verricht worden. Aan de oostzijde van de onderzoekslocatie worden in totaal 3 boringen verricht tot een diepte van 1.0 meter (boring A1, A2 en A3). Op basis van zintuiglijke waarnemingen zal eventueel een (meng)monster van de grond geanalyseerd worden. Indien tijdens het veldwerk blijkt dat de bodem puinhoudend is, worden de puinhoudende boringen tot 0.5 meter diepte conform NEN5707 vervangen door inspectiegaten. Aangezien puinhoudende grond per definitie asbestverdacht is, dient in voorkomende gevallen asbestonderzoek plaats te vinden. Bij percentages bodemvreemd materiaal van meer dan 50% is er geen sprake van bodem. Eventuele funderingslagen (asfalt- en puingranulaat) vallen buiten de scope van dit onderzoek. Het opgeboorde materiaal wordt wel beoordeeld op de aanwezigheid van asbestverdachte materialen.

In geval er sprake is van meer dan 50% bodemvreemd materiaal/puin is norm NEN5897+C2 van toepassing: “Inspectie en monsterneming van asbest in bouw- en sloopafval en recyclinggranulaat” NNI Delft, december 2017. Bij het verkennend bodemonderzoek worden de volgende uitgangspunten in acht genomen: - in door mensen bewoonde gebieden kunnen door jarenlang gebruik van de grond verhoogde gehalten aan PAK en/of zware metalen voorkomen. Deze worden over het algemeen aangeduid als lokale achtergrondwaarden. Deze gehalten zijn vaak gerelateerd aan het voorkomen van puin- en/of kooldeeltjes in de bodem;

Kruse Milieu BV

Project: 23035718 (versie 2)

Pagina 5 van 17

- in humeuze of veenhoudende bodems worden regelmatig verhoogde gehalten minerale olie waargenomen. Deze gehalten worden veroorzaakt door humuszuren en overig organisch materiaal, dat van nature aanwezig is en door een florisilbehandeling niet geheel wordt verwijderd. Tijdens chemische analyses worden deze verbindingen gedetecteerd als de zware fractie van minerale olie (C27 tot C40). Bij veenbodems betreft het gehalten van 50 tot 100 mg/kg droge stof; bij humeuze bodemlagen gaat het om bijdrages van 10 tot 50 mg/kg droge stof. Deze gehalten kunnen worden beschouwd als natuurlijke achtergrondwaarden; - in het grondwater kunnen van nature verhoogde gehalten aan zware metalen en fenolen voorkomen. Deze worden doorgaans aangeduid als natuurlijke achtergrondwaarden. Een voorbeeld wordt gevormd door (sterk) verhoogde arseengehalten in gebieden, die zeer ijzerrijk zijn. Door kwel kunnen bij hoge grondwaterstanden eveneens verhoogde gehalten aan arseen in de grond ontstaan. Ook deze gehalten kunnen worden beschouwd als natuurlijke achtergrondwaarden. Veldwerkzaamheden Bij de boringen en monsternemingen is gewerkt volgens de geldende NEN- en NPR-voorschriften, alsmede conform BRL SIKB 2000 en de protocollen 2001 en 2002, waarvoor Kruse Milieu BV is gecertificeerd. Van elk inspectiegat en iedere boring wordt de samenstelling van de bodem beschreven volgens NEN5104.

Het opgeboorde materiaal wordt tevens beoordeeld door zintuiglijke waarneming op verontreinigingskenmerken zoals afwijkende geur en/of kleur. Analyses De chemische analyses worden uitgevoerd door AL-West te Deventer, een door de Raad voor Accreditatie erkend laboratorium voor analyses conform de AS3000-protocollen. De samenstelling van de mengmonsters vindt plaats op basis van de zintuiglijke waarnemingen, de bodemopbouw en/of posities van de boringen. De samenstelling van de mengmonsters staat vermeld in paragraaf 4.2 in tabel 4. De monsters worden volgens de voorschriften uit NEN5740 onderzocht. In tabel 2 is weergegeven welke chemische analyses worden uitgevoerd. Tabel 2: Analysepakket per (meng) monster Monster

Analysepakket

Bovengrond (3x) Ondergrond (1x)

Zware metalen (Ba, Cd, Co, Cu, Hg, Mo, Ni, Pb en Zn), minerale olie, PCB, PAK (10), organische stof, lutum en droge stof

Grondwater (1x)

Zware metalen (Ba, Cd, Co, Cu, Hg, Mo, Ni, Pb en Zn), minerale olie, vluchtige aromaten (BTEX), naftaleen, styreen en gechloreerde koolwaterstoffen (oplosmiddelen standaardpakket), zuurgraad (pH), elektrisch geleidingsvermogen (EC) en troebelheidsmeting

Algemene opmerkingen - Op de grondmengmonsters wordt standaard een florisilbehandeling uitgevoerd om verstoring van de analyse op minerale olie door natuurlijke humuszuren tegen te gaan. - De zuurgraad (pH), het elektrisch geleidingsvermogen (EC) en troebelheidsmeting, van het grondwater worden in het veld gemeten. Filtratie van het grondwater voor de metalenanalyse vindt eveneens in het veld plaats.

Kruse Milieu BV

Project: 23035718 (versie 2)

Pagina 6 van 17

Toetsing chemische analyses De resultaten van de chemische analyses uit het bodemonderzoek worden beoordeeld aan de hand van de gecorrigeerde achtergrond-, streef- en interventiewaarden voor verontreinigingen in de bodem uit de Circulaire bodemsanering per 1 juli 2013 en tabel 1 van bijlage B, Regeling bodemkwaliteit van het ministerie van I&M. De achtergrondwaarden voor grond zijn vastgelegd in de Regeling bodemkwaliteit (Staatsblad, 22 november 2012). De interventiewaarden voor grond en grondwater zijn vastgelegd in de Circulaire bodemsanering. De toetsing aan de eisen in de Wet Bodembescherming en de Circulaire Bodemsanering is beoogd om te beoordelen of er sprake is van een ernstig gevaar voor de volksgezondheid en/of het milieu.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Heerenveen&id=ff915174-e7b3-476a-92c0-810dae913cf8