CConstaterende datHeerenveen
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlage 2 - Ruimtelijke onderbouwing

Raadsvergadering 30 mei 2024, gemeente HeerenveenBij agendapunt: Verklaring van geen bedenkingen Heerenveen, Geert Willigenplein 227.729 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 3

Ruimtelijke onderbouwing G. WILLIGENPLEIN 2,3,4 HEERENVEEN

Plangegevens Naam

G. Willigenplein 2,3,4 Heerenveen

Plantype

Ruimtelijke onderbouwing

Status

Definitief

Datum

28 maart 2024

Projectnummer

23AF099

Opdrachtgever

Monel Bouwmanagement t.a.v. Kerkstraat 5H 7412XM Deventer

Contactpersoon

Inhoudsopgave 01

02

03

04

INLEIDING

1

01.1 Aanleiding en doelstelling

1

01.2 Plangebied

1

01.3 Geldend bestemmingsplan

3

01.4 Opzet ruimtelijke onderbouwing

5

HET PLAN

6

02.1 Huidige situatie

6

02.2 Toekomstige situatie

7

BELEIDSKADERS

9

03.1 Rijksbeleid

9

03.2 Provinciaal beleid Friesland

14

03.3 Gemeentelijk beleid

18

OMGEVINGSASPECTEN

25

04.1 Vormvrije m.e.r.-beoordeling

25

04.2 Milieuzonering

26

04.3 Bodem

29

04.4 Geluid

30

04.5 Luchtkwaliteit

33

04.6 Externe veiligheid

34

04.7 Water

35

04.8 Ecologie

37

04.9 Verkeer- en parkeren

41

04.10

42

Archeologie & Cultuurhistorie

04.11 Geur

44

05

ECONOMISCHE UITVOERBAARHEID

46

06

CONCLUSIE

47

07

BIJLAGEN

48

RUIMTELIJKE ONDERBOUWING G. WILLIGENPLEIN 2,3,4 HEERENVEEN

01 INLEIDING

01.1

Aanleiding en doelstelling

Voor u ligt de ruimtelijke onderbouwing ten behoeve van de realisatie van een appartementencomplex met 59 woonappartementen in het centrumgebied van Heerenveen. Op de planlocatie is een gebouw gevestigd waarvan het noordelijke gedeelte wordt gebruikt als jongerencentrum. De verdieping boven het jongerencentrum is momenteel onverhuurd. In het zuidelijke gedeelte van het gebouw bevindt zich een fietsspecialist de begane grond wordt gebruikt als winkel en de eerste verdieping als kantoorruimte. Het gebouw wordt gesloopt, zodat het appartementencomplex op deze locatie gerealiseerd kan worden.

De ontwikkeling is op basis van de geldende beheersverordening ‘Heerenveen Centrum’ en het voorbereidingsbesluit niet zonder meer mogelijk. Een afwijking van het bestemmingsplan is dan ook noodzakelijk om de beoogde ontwikkeling gerealiseerd te krijgen.

De ontwikkeling kan mogelijk gemaakt worden met een omgevingsvergunning door middel van Wabo art. 2.12 lid 1, sub a onder 3º, indien de motivering van het besluit een goede ruimtelijke onderbouwing bevat. De voorliggende ruimtelijke onderbouwing toont aan dat de ontwikkeling van het appartementencomplex aan het Geerts Willigenplein 2 t/m 4 aan een goede ruimtelijke ordening voldoet en daarbij past binnen het gemeentelijk beleid, wet- en regelgeving en in de omgeving.

01.2

Plangebied

Het plangebied ligt in de kern van Heerenveen. De locatie ligt aan de Geerts Willigenplein 2 t/m 4. Het plangebied staat kadastraal bekend als gemeente Tjalleberd, sectie A, nummers 10734 en 10804. In figuur 1 is de ligging van het plangebied weergegeven en figuur 2 toont de begrenzing van het plangebied.

01

RUIMTELIJKE ONDERBOUWING G. WILLIGENPLEIN 2,3,4 HEERENVEEN

FIGUUR 1. LIGGING PLANGEBIED GEERTS WILLIGENPLEIN 2,3,4 HEERENVEEN. (BRON: GOOGLE MAPS, AANGEPAST DOOR AD-FONTEM)

FIGUUR 2. BEGRENZING PLANGEBIED MET KAVEL AANGEGEVEN MET RODE OMKADERING. (BRON: KADASTERDATA.NL)

02

RUIMTELIJKE ONDERBOUWING G. WILLIGENPLEIN 2,3,4 HEERENVEEN

01.3

Geldend bestemmingsplan

Het plangebied maakt deel uit van de beheersverordening 'Heerenveen Centrum', vastgesteld op 21 maart 2016. In de beheersverordening is vastgelegd dat het bestaande gebruik van gronden en bouwwerken is toegestaan vastgelegd, mits dit gebruik niet in strijd was met het op dat moment geldende bestemmingsplan “Heerenveen-Centrum” inclusief het bijbehorende overgangsrecht en niet uitdrukkelijk is uitgesloten.

Voor het grootste gedeelte van het plangebied is het besluitvlak 'Kernwinkelgebied' van toepassing. Een uitsnede hiervan is te zien in figuur 3. Deze gronden zijn bedoeld voor winkel en bedrijfsondersteunende functies. Daarnaast voor detailhandel, dienstverlenende bedrijven, instellingen winkel- en bedrijfsondersteunende functies en horecabedrijven categorie 1, allen uitsluitend op de begane grond en tevens wonen op de 2e bouwlaag of hoger. In ondergeschikte mate zijn straten, pleinen, stoepen en andere verhardingen toegestaan en terrassen. Dit alles met de bijbehorende tuinen, erven en terreinen.

Ook geldt voor de locatie de functieaanduiding ‘Maatschappelijke voorzieningen op de 2e bouwlaag’.

FIGUUR 3. UITSNEDE BEHEERSVERORDENING HEERENVEEN CENTRUM TER PLAATSE VAN HET PLANGEBIED. (BRON: WWW.RUIMTELIJKEPLANNEN.NL)

03

RUIMTELIJKE ONDERBOUWING G. WILLIGENPLEIN 2,3,4 HEERENVEEN

FIGUUR 4. UITSNEDE BEHEERSVERORDENING HEERENVEEN CENTRUM TER PLAATSE VAN HET PLANGEBIED. (BRON: WWW.RUIMTELIJKEPLANNEN.NL)

Voor het andere gedeelte van het plangebied geldt het besluitvlak ‘Maatschappelijk-Jongerencentrum’. Een uitsnede hiervan is te zien in figuur 4. Deze gronden zijn bedoeld voor een jongerencentrum met daarbij behorende parkeerterreinen, erven en terreinen.

Daarnaast beschikt het plangebied over een bouwvlak klasse J, wat betekent dat de maximum bouwhoogte ter plaatse 12 meter bedraagt. Het beoogde appartementengebouw wordt circa 15,7 meter hoog en op enkele plaatsen nog iets hoger (16,5 meter). Hetgeen in strijd is met de geldende bouwregels voor gebouwen en overkappingen ter plaatse van gronden aangeduid met bouwvlak klasse J.

Ook beschikt het plangebied over een besluitvlak ‘Waarde-Archeologie 1. Hier geldt dat voor bouwwerken met een oppervlakte van 2.500 m² of meer, die worden gebouwd in of op gronden ter plaatse van het besluitvlak 'Waarde-archeologie 1', alvorens een omgevingsvergunning wordt verleend, door de aanvrager een rapport worden overgelegd waarin: -

de archeologische waarden van de gronden die blijkens de aanvraag kunnen worden verstoord in voldoende mate zijn vastgesteld; en

-

in voldoende mate is aangegeven op welke wijze de archeologische waarden worden bewaard en/of gedocumenteerd;

Dit is niet van toepassing indien het bouwplan betrekking heeft op wijziging of vervanging van bestaande bebouwing, waarbij de oppervlakte niet wordt uitgebreid en de bestaande fundering wordt gebruikt. Het te bouwen gebouw heeft een oppervlakte dat kleiner is dan 2.500 m². Een rapport is derhalve niet nodig.

04

RUIMTELIJKE ONDERBOUWING G. WILLIGENPLEIN 2,3,4 HEERENVEEN

De bouw van het appartementencomplex past niet in de geldende beheersverordening vanwege het feit dat er geen woningen op de begane grond binnen de bestemming “Centrum-Kernwinkelgebied” zijn toegestaan en geen woningen binnen het besluitvlak ‘Maatschappelijk-jongerencentrum’. Tevens is het beoogde appartementencomplex hoger dan de toegestane hoogte.

Een

gedeelte

van

de

planlocatie

maakt

onderdeel

uit

van

een

gebied

waarvoor

een

voorbereidingsbesluit is vastgesteld. Waar het voorbereidingsbesluit van kracht is, is het verboden om het bestaande gebruik van bouwwerken te wijzigen zodanig dat het aantal zelfstandige woonruimten op een bouwperceel toeneemt.

De ontwikkeling is op basis van de geldende beheersverordening ‘Heerenveen Centrum’ en het voorbereidingsbesluit niet zonder meer mogelijk. De planvorming past niet binnen de huidige besluitvlakken.

Voorliggende

ruimtelijke

onderbouwing

maakt

onderdeel

uit

van

de

omgevingsvergunning en toont aan dat de ontwikkeling niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening.

01.4

Opzet ruimtelijke onderbouwing

In de volgende hoofdstukken is het project nader toegelicht. In eerste instantie wordt ingegaan op het project zelf (hoofdstuk 2). Vervolgens wordt in hoofdstuk 3 stilgestaan bij het van belang zijnde overheidsbeleid (gemeentelijk beleid). In hoofdstuk 4 wordt aandacht besteed aan diverse omgevingsaspecten zoals geluid, archeologie, externe veiligheid, parkeren etc. Hoofdstuk 5 worden de conclusie beschreven.

05

RUIMTELIJKE ONDERBOUWING G. WILLIGENPLEIN 2,3,4 HEERENVEEN

02 HET PLAN

02.1

Huidige situatie

Het plangebied bevindt zich in het centrum van Heerenveen en maakt onderdeel uit van het kernwinkelgebied. In het plangebied bevindt zich een gebouw. In het zuidelijke gedeelte van het gebouw (figuur 5) bevindt zich een fietsspecialist met een winkel op de begane grond en op de eerste verdieping van het gebouw kantoorruimte. De winkel en kantoorruimte van de fietsspecialist zijn te betreden vanaf de Kerkstraat. In het noordelijke gedeelte van het gebouw, ter hoogte van de Paul Krugerkade, bevindt zich een jongerencentrum dat toegankelijk is vanaf het Geerts Willigenplein. De verdieping boven het jongerencentrum is momenteel onverhuurd.

In de nabijheid van het plangebied bevinden zich verschillende parkeergelegenheden. Aan het Geerts Willigenplein bevinden zich circa 8 langsparkeerplaatsen, daarnaast zijn er 15 betaalde parkeerplaatsen aan de overkant van de straat. In de nabije omgeving van het gebouw, ter hoogte van de Kleine Kerkstraat, bevindt zich een ondergrondse parkeergarage.

Aan de naastgelegen Kerkstraat zijn verschillende winkels en horecagelegenheden gevestigd op de begane grond. De 1e en 2e verdiepingen van deze panden voorzien in woongelegenheid. Ook aan de westzijde van het gebouw aan de Oude Koemarkt bevinden zich verschillende horecagelegenheden.

FIGUUR 5 – HUIDIGE SITUATIE (BRON: GOOGLE MAPS)

06

RUIMTELIJKE ONDERBOUWING G. WILLIGENPLEIN 2,3,4 HEERENVEEN

02.2 Toekomstige situatie Op de planlocatie is een appartementengebouw met 59 appartementen beoogd. Het gebouw bestaat uit 5 bouwlagen en heeft een bouwhoogte van circa 15.7 meter. Uitzondering is de lichtschacht, hier wordt de bouwhoogte circa 16,5 meter. De appartementen die in het gebouw worden gerealiseerd zijn met name bestemd voor sociale huur en variëren in grootte zodat er kan worden aangesloten op de woonbehoefte van verschillende doelgroepen. De meeste van deze appartementen krijgen een oppervlakte tussen de 40 en de 65 m2. De wat grotere appartementen kunnen worden aangeboden voor de verhuur boven de liberalisatiegrens. Het appartementencomplex kan worden betreden via de hoofdingang die is gelegen aan het Geerts Willigenplein. De meeste appartementen beschikken over grote schuifdeuren aan de voorkant die toegang verschaffen tot de balkons. Aan de voorzijde komt een groenstrook en tevens een trottoir. Aan de achterzijde van het pand wordt voor de bewoners een gezamenlijke buitenruimte met groenvoorziening gecreëerd voorzien van afsluitbare toegangspoort. Een impressie van de beoogde ontwikkeling is zichtbaar in figuur 6 en 7.

FIGUUR 6 – IMPRESSIE BEOOGDE ONTWIKKELING (BRON: I’M ARCHITECTEN)

07

RUIMTELIJKE ONDERBOUWING G. WILLIGENPLEIN 2,3,4 HEERENVEEN

FIGUUR 7 – LOCATIE BEOOGDE ONTWIKKELING (BRON: I’M ARCHITECTEN )

08

RUIMTELIJKE ONDERBOUWING G. WILLIGENPLEIN 2,3,4 HEERENVEEN

03 BELEIDSKADERS

03.1

Rijksbeleid

03.1.1 Nationale Omgevingsvisie (NOVI) De Nationale Omgevingsvisie (NOVI) biedt een duurzaam perspectief voor de Nederlandse leefomgeving. Hiermee kunnen we inspelen op de grote uitdagingen die voor ons liggen. De NOVI biedt een kader, geeft richting en maakt keuzes waar dat kan. Tegelijkertijd is er ruimte voor regionaal maatwerk en gebiedsgerichte uitwerking. Omdat de verantwoordelijkheid voor het omgevingsbeleid voor een groot deel bij provincies, gemeenten en waterschappen ligt, kunnen inhoudelijke keuzes in veel gevallen het beste regionaal worden gemaakt. Met de NOVI zet de Rijksoverheid een proces in gang waarmee keuzes voor onze leefomgeving sneller en beter gemaakt kunnen worden. Aan de hand van een toekomstperspectief op 2050 brengt de NOVI de langetermijnvisie in beeld. Op nationale belangen wil het Rijk sturen en richting geven. Die komen samen in vier prioriteiten: •

Ruimte voor klimaatadaptatie en energietransitie;

•

Duurzaam economisch groeipotentieel;

•

Sterke en gezonde steden en regio's;

•

Toekomstbestendige ontwikkeling van het landelijk gebied.

De druk op de fysieke leefomgeving in Nederland is zo groot, dat belangen soms botsen. Het streven vanuit de NOVI is combinaties te maken en win-win situaties te creëren. Soms zijn er scherpe keuzes nodig en moeten belangen worden afgewogen. Hiertoe gebruikt de NOVI drie afwegingsprincipes: •

Combinaties van functies gaan voor enkelvoudige functies: In het verleden is scheiding van functies vaak te rigide gehanteerd. Met de NOVI wordt gezocht naar maximale combinatiemogelijkheden tussen functies, gericht op een efficiënt en zorgvuldig gebruik van de ruimte;

•

Kenmerken en identiteit van een gebied staan centraal: wat de optimale balans is tussen bescherming en ontwikkeling, tussen concurrentiekracht en leefbaarheid, verschilt van gebied tot gebied. Sommige opgaven en belangen wegen in het ene gebied zwaarder dan in het andere;

•

Afwentelen wordt voorkomen: het is van belang dat de leefomgeving zoveel mogelijk voorziet in mogelijkheden en behoeften van de huidige generatie van inwoners zonder dat dit ten koste gaat van die van toekomstige generaties.

03.1.2 Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) De basis van juridische borging van de realisatie van de nationale belangen ligt in het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro). Het Barro is in werking sinds 2011 en bevat onderwerpen die van

09

RUIMTELIJKE ONDERBOUWING G. WILLIGENPLEIN 2,3,4 HEERENVEEN

rijksbelang zijn, zoals defensie, de ecologische hoofdstructuur, de elektriciteitsvoorzieningen en toekomstige uitbreiding van het hoofd(spoor)wegennet. Per onderwerp bevat het Barro regels waaraan bestemmingsplannen moeten voldoen.

Conclusie Het plan heeft geen raakvlakken met de Nationale belangen zoals opgenomen in de Barro. Wonen is één van de basisbehoeften van mensen. In de Nationale Omgevingsvisie wordt aangegeven dat iedereen in Nederland prettig moet kunnen wonen voor een redelijke prijs. Een woningvoorraad die aansluit op de huidige en toekomstige woonbehoefte van mensen is daarom van nationaal belang. Het huidige woningtekort en de toename van het aantal inwoners en huishoudens vraagt een groei van de woningvoorraad (vooral in en bij de stedelijke regio’s) in een fijne, leefbare omgeving. Tussen 2019 en 2035 moet de woningvoorraad met circa 1,1 miljoen woningen worden vergroot. De primaire verantwoordelijkheid voor de gebouwde omgeving, de woningvoorraad en de leefbaarheid ligt bij gemeenten en provincies. Het Rijk is systeemverantwoordelijk. Het is de rol van het Rijk om de kaders te stellen, te stimuleren, eventueel te sanctioneren, waar nodig middelen ter beschikking te stellen – bijvoorbeeld via de huurtoeslag, hypotheekrenteaftrek of de regeling woningbouwimpuls voor gemeenten – en met gemeenten en provincies samen te werken om (bovenlokale, inclusief grensoverschrijdende) knelpunten op te lossen en realisatie van de nationale belangen te waarborgen. Zoals is beschreven ligt de primaire verantwoordelijkheid voor de gebouwde omgeving en de woningvoorraad bij de gemeenten en provincies.

Daarmee past het plan binnen de prioriteiten van de NOVI en de regels van het Barro en kan geconcludeerd worden dat er geen sprake is van strijd met het rijksbeleid.

03.1.3 Ladder voor duurzame verstedelijking Artikel 3.1.6 van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) schrijft voor dat van een nieuwe 'stedelijke ontwikkeling' die in een bestemmingsplan mogelijk wordt gemaakt, aangetoond moet worden dat er sprake is van behoefte aan die ontwikkeling. De toelichting bij het bestemmingsplan bevat daartoe een beschrijving van de behoefte aan die ontwikkeling. Indien het bestemmingsplan die ontwikkeling mogelijk maakt buiten het bestaand stedelijk gebied, bevat een toelichting tevens een motivering waarom niet binnen het bestaand stedelijk gebied in die behoefte kan worden voorzien. Dit wordt de 'Ladder Duurzame Verstedelijking' genoemd.

De beschrijving van de behoefte aan de betreffende, 'stedelijke ontwikkeling', moet inzichtelijk maken of, in relatie tot het bestaande aanbod, concreet behoefte bestaat aan de desbetreffende ontwikkeling. Die behoefte moet dan worden afgewogen tegen het bestaande aanbod, waarbij moet worden gemotiveerd dat rekening is gehouden met het voorkomen van leegstand.

10

RUIMTELIJKE ONDERBOUWING G. WILLIGENPLEIN 2,3,4 HEERENVEEN

De stappen schrijven geen vooraf bepaald resultaat voor, omdat het optimale resultaat moet worden beoordeeld door het bevoegd gezag dat de regionale en lokale omstandigheden kent en de verantwoordelijkheid draagt voor de ruimtelijke afweging met betrekking tot die ontwikkeling.

Onderhavig plan Onderhavig plan betreft de ontwikkeling van een appartementencomplex met 59 appartementen. Volgens de jurisprudentie is er daarom sprake van een stedelijke ontwikkeling. De Afdeling hanteert een grens van elf woningen (ABRvS 16 september 2015; ECLI:NL:RVS:2015:2921). Bij een ontwikkeling van twaalf woningen wordt een ontwikkeling gezien als een nieuwe stedelijke ontwikkeling (ABRvS 25 maart 2015; ECLI:NL:RVS:2015:953). De Ladder voor duurzame verstedelijking is daarom van toepassing. Conform de vereisten van de Ladder dient een ontwikkeling aan een behoefte te voldoen, zowel kwantitatief (woningbouwaantallen) als kwalitatief (doelgroep, type woning etc.).

Omdat in onderhavig plan sprake is van de toevoeging van 59 appartementen is er in beginsel sprake van een nieuwe stedelijke ontwikkeling en moet gemotiveerd worden dat er een behoefte is aan de ontwikkeling. Wanneer er sprake is van een nieuwe stedelijke ontwikkeling dient de toelichting van het bestemmingsplan een beschrijving van de behoefte aan de ontwikkeling te bevatten. Als de nieuwe stedelijke ontwikkeling voorziet in een behoefte en gepland is binnen bestaand stedelijk gebied dan wordt voldaan aan de Ladder. Als de ontwikkeling buiten bestaand stedelijk gebied is gepland, moet volgens artikel 3.1.6 lid 2 Besluit ruimtelijke ordening gemotiveerd worden waarom niet binnen bestaand stedelijk gebied in die behoefte kan worden voorzien. Hieronder wordt het plan getoetst aan de Ladder voor duurzame verstedelijking.

Bestaand stedelijk gebied Zoals is beschreven voldoet een ontwikkeling aan de Ladder als de behoefte is aangetoond en de ontwikkeling binnen bestaand stedelijk gebied gerealiseerd wordt. In artikel 1.1.1. onder h van het Bro is een nadere omschrijving van het begrip 'bestaand stedelijk gebied' vastgelegd. Als bestaand stedelijk gebied wordt aangemerkt: 'bestaand stedenbouwkundig samenstel van bebouwing ten behoeve van wonen, dienstverlening, bedrijvigheid, detailhandel of horeca, alsmede de daarbij behorende openbare of sociaal culturele voorzieningen, stedelijk groen en infrastructuur'.

Het voorliggend plan voorziet in herontwikkeling van bestaand stedelijk gebied in het centrum van Heerenveen. Een pand waarin een detailhandel en jongerencentrum is gevestigd en waarvan een gedeelte momenteel onderhuurd is wordt gesloopt en vervangen door een appartementencomplex. De nabije omgeving bestaat uit een samenstel van bebouwing ten behoeve van o.a. wonen, detailhandel en horeca.

11

RUIMTELIJKE ONDERBOUWING G. WILLIGENPLEIN 2,3,4 HEERENVEEN

Wanneer de behoefte aan de ontwikkeling wordt aangetoond wordt er voldaan aan de Ladder en hoeft er niet naar de beschikbaarheid en geschiktheid van andere locaties gekeken te worden.

Behoefte Op 18 april 2016 heeft de gemeente Heerenveen de Woonvisie gemeente Heerenveen 2015-2020 vastgesteld. Middels een addendum is deze woonvisie geactualiseerd. In de woonvisie beschrijft de gemeente hoe het de woonvoorraad goed wil laten aansluiten bij de behoefte van de bewoners. En wordt inzicht en overzicht gegeven m.b.t. de precieze ontwikkelingen om in een veranderende omgeving richting te geven aan de woningmarktontwikkelingen in de gemeente. Deze woonvisie wordt uitvoerig behandeld in paragraaf 3.3.2. Uit de woonvisie blijkt dat er een duidelijke kwantitatieve en kwalitatieve behoefte aan woningbouw is. Daarnaast wordt er momenteel gewerkt aan een nieuwe woonvisie: Woonvisie Heerenveen 2023-2028’’. Deze woonvisie dient nog te worden vastgesteld, maar geeft een goede indicatie van de behoefte aan woningen in de aankomende jaren.

Kwantitatieve behoefte Ook in de provincie Friesland is de druk op de woningmarkt merkbaar. Weliswaar kent de provincie een relatief laag woningtekort, maar ook hier staat het leven van steeds meer inwoners stil omdat zij geen passende woning kunnen vinden. Uit de provinciale woningbouwafspraken voor de provincie Friesland is gebleken dat in de provincie Friesland – onder randvoorwaarden - 17.500 woningen kunnen worden bijgebouwd in de periode tot 2030.

Voor de regio Zuidoost Fryslân, waar ook de gemeente Heerenveen onder valt zijn woningafspraken gemaakt. Deze zijn op 20 april 2023 vastgelegd in de Regionale Woondeal 2022-2030. Om het woningtekort terug te dringen is afgesproken dat de gemeenten in de regio Zuidoost Fryslân zich gezamenlijk in zetten voor de realisatie van 4.680 woningen in de periode tot en met 2030. Daarbij is vastgelegd dat gemeente Heerenveen zich inzet voor de realisatie van in totaal 1.720 nieuwe woningen.

In opdracht van de gemeente Heerenveen is een woonbehoefteonderzoek uitgevoerd om de kwalitatieve en kwantitatieve woonbehoefte op gemeenteniveau en van de inwoners in de kernen in beeld te brengen. Dat Heerenveen voor veel mensen een aantrekkelijk plaats is om te wonen is terug te zien in de stijgende prijzen, de verhuisbewegingen van woonconsumenten op de (regionale) woningmarkt én de huishoudensprognoses voor de toekomst. In de meest actuele Primoshuishoudensprognose wordt daarom voor de gemeente Heerenveen een sterkere groei van het aantal huishoudens verwacht dan voorheen. Op basis van de huishoudensprognose die is opgesteld door Primos in 2021 en in het woningbehoefteonderzoek is opgenomen komt naar voren dat er tot en met 2025 behoefte is aan 890 nieuwe woningen en tot 2030 aan 2020 nieuwe woningen.

12

RUIMTELIJKE ONDERBOUWING G. WILLIGENPLEIN 2,3,4 HEERENVEEN

In de ontwerp Woonvisie 2023-2028 die nog vastgesteld dient te worden komt naar voren dat de gemeente Heerenveen voor de periode tot 2030 op basis van autonome groei zelfs 1400 woningen moet realiseren in de kern Heerenveen om in de woonbehoefte te voorzien en spreekt het zelfs de ambitie uit om in de gemeente 3000 nieuwe woningen te bouwen waarvan 2000 in de kern Heerenveen. Het richtgetal is dat hierbij 30% ten behoeve van sociale huur wordt gebouwd.

Gesteld kan worden dat er op provinciaal, regionaal en gemeentelijk niveau een behoefte aan nieuwe woningen bestaat.

Kwalitatieve behoefte Uit het woningbehoefteonderzoek komt naar voren dat versnelling van de bouwproductie, betaalbaarheid, duurzaamheid en de gevolgen van vergrijzing vechten om prioriteit. Vooral starters vinden moeilijk toegang tot de woningmarkt doordat de koopprijzen stijgen.

Uit het woningbehoefteonderzoek komt naar voren dat er in de gemeente Heerenveen vooral behoefte is aan koopeengezinswoningen en huureengezinswoningen. Zo is er een tekort aan betaalbare koopwoningen, en huurwoningen. Daarnaast wordt aangegeven dat er een tekort is aan appartementen met lift. Indien rekening wordt gehouden met de groep die misschien wil verhuizen (vooral ouderen), dat geldt dat er behoefte is aan sociale huurwoningen met een huur tot de liberalisatiegrens. Daarnaast neemt in dat geval de behoefte aan appartementen met lift toe.

Het woningbehoefteonderzoek is gebruikt als bouwsteen voor het opstellen van de nieuwe woonvisie. Daarom worden in de nieuwe woonvisie de volgende prioriteiten gesteld: 1. We groeien met 3000 woningen; 2. Een gevarieerde bevolking vraagt toevoegen van betaalbare woningen; 3. We hechten waarde aan vitale kernen en gemengde wijken; 4. Een inclusieve gemeente vraagt een gevarieerd woonzorglandschap; 5. Een duurzaam thuis staat in een aantrekkelijke en klimaatadaptieve woon- en leefomgeving.

Het directe aanbod voor starters en jonge gezinnen dient te worden vergroot daarbij is het doel om toe te voegen wat nog onvoldoende beschikbaar is: betaalbare koopwoningen en sociale huurwoningen. Voor de periode tot 2030 komt dit neer op het toevoegen van 810 nieuwe betaalbare koopwoningen en 900 sociale huurwoningen binnen de gemeente Heerenveen. Dit kan gerealiseerd worden door nieuwbouw, benutten van de bestaande voorraad én doorstroming. Daarnaast wordt ingezet op klimaat adaptieve oplossingen in nieuwbouw, zoals groene gevels en wateropvang.

13

RUIMTELIJKE ONDERBOUWING G. WILLIGENPLEIN 2,3,4 HEERENVEEN

In de gemeente Heerenveen is nu een sociale huurvoorraad van 29%. De inzet is om de komende jaren minimaal 30% van het woningbouwprogramma in de sociale huur toe te voegen (900 van de 3000 woningen), waarbij de bestaande sociale huurvoorraad minimaal op peil blijft en idealiter toegroeit naar 30%.

In de sociale huursector is er vooral toevoeging gewenst van woningen voor één- en tweepersoonshuishoudens. Dit geldt zowel voor jongeren als voor ouderen. Hier ligt een opgave in het toevoegen van (kleinere) woningen en van appartementen met lift. Realisatie van rijwoningen is vooral ter vernieuwing/modernisering van het bestaande aanbod.

Conclusie Voorliggend plan voorziet in de realisatie van een appartementencomplex met 59 appartementen die voor het grootste gedeelte zullen worden ingezet voor de sociale huursector. Hierdoor wordt een bijdrage

geleverd

aan

de

woningbehoefte

in

de

gemeente

Heerenveen.

Door

het

appartementencomplex levensloopbestendig te maken, te voorzien van een lift, en in te richten met zowel kleine als grotere appartementen kunnen diverse doelgroepen worden bediend. De kleinere appartementen worden ingezet voor sociale huur en voorzien in de woonbehoefte van één of tweepersoonshuishoudens bestaande uit jongeren en ouderen. Daarnaast worden er een aantal wat grotere appartementen gerealiseerd die kunnen worden ingezet voor huishoudens die huren boven de liberalisatiegrens. Ook worden er verschillende maatregelen getroffen om het gebouw zo duurzaam mogelijk te maken, zoals de aanleg van zonnepanelen op het dak. Hierdoor ontstaat een aantrekkelijke en klimaat adaptieve woon- en leefomgeving en wordt aangesloten bij de prioriteiten uit de nieuwe woonvisie.

De ontwikkeling van het appartementengebouw met 59 appartementen aan het Geerts Willigenplein voorziet daarmee in een duidelijke kwantitatieve én kwalitatieve behoefte. Geconcludeerd kan worden dat onderhavig plan voldoet aan de 'Ladder voor duurzame verstedelijking'.

03.2 Provinciaal beleid Friesland 03.2.1 Omgevingsvisie Fryslân 2020; De Romte Diele Het provinciale beleid is uiteengezet in de Omgevingsvisie Fryslân 2020: 'De Romte Diele'. De belangrijkste uitgangspunten uit het provinciale beleid zijn nu nog vastgelegd in de Verordening Romte Fryslân. Hierin zijn voor de provinciale belangen regels opgenomen, waar in bestemmingsplannen rekening mee gehouden moet worden.

Veel provinciaal beleid, programma's en projecten raken de Friese leefomgeving waarin mensen wonen, werken, zich verplaatsen, elkaar ontmoeten en recreëren. In de Omgevingsvisie staat waar de provincie

14

RUIMTELIJKE ONDERBOUWING G. WILLIGENPLEIN 2,3,4 HEERENVEEN

met de leefomgeving van Fryslân naar toe wil: de ambitie en doelen voor de toekomst. Het is een integrale visie voor de lange termijn op een tamelijk hoog abstractieniveau. Het is geen blauwdruk voor hoe Fryslân er over 20 à 30 jaar bij ligt. Wel geeft de visie de richting aan waar de provincie met allerlei partijen naar toe wil werken.

De provinciale Omgevingsvisie vervangt het strategisch beleid van de provincie in het Streekplan, Milieubeleidsplan, Waterhuishoudingsplan en het Verkeer- en vervoerplan. In de visie is aangegeven wat de provincie doet om de huidige basiskwaliteiten van de Friese leefomgeving op orde te houden.

Daarnaast wil de provincie extra inzetten op vier urgente, integrale opgaven: -

Fryslân vitaal, leefbaar en bereikbaar houden;

-

Energietransitie met kracht voortzetten;

-

Fryslân klimaatadaptatief inrichten;

-

Versterken biodiversiteit.

Om dit te bereiken hanteert de provincie vier inhoudelijke principes die richting geven bij het maken van keuzes. Deze principes worden altijd in samenhang toegepast en kunnen tot verschillende oplossingen leiden. Het zijn de volgende inhoudelijke principes: 1.

Zuinig ruimtegebruik. De Friese ruimte doelmatig benutten, onder andere door verschillende vormen van ruimtegebruik te combineren.

2.

Omgevingskwaliteit als ontwerpbasis. Nieuwe ontwikkelingen bouwen voort op bestaande omgevingskwaliteiten. Aandacht voor eigenheid en identiteit.

3.

Koppelen van ambities. Plannen en projecten dragen bij aan meerdere ambities. Dit kan door opgaven met elkaar te verweven, slimme combinaties te maken en koppelkansen te benutten

4.

Gezondheid en veilig. We nemen gezondheid en veiligheid mee in plannen en zoeken actief hoe we kunnen bijdragen aan een gezonde, prettige leefomgeving. De milieukwaliteit moet minimaal aan de wettelijke normen voldoen.

Toets Met het voorliggende plan wordt invulling gegeven aan inbreidingslocatie binnen stedelijk gebied. Met het plan wordt nadrukkelijk een koppeling gelegd met de bestaande kwaliteiten in de directe omgeving en de stedenbouwkundige structuur. Geconcludeerd kan worden dat het plan past binnen de inhoudelijke principes van de provincie Fryslân.

03.2.2 Verordening Romte Fryslân De Verordening Romte Fryslân 2014 is opgesteld om er voor te zorgen dat de provinciale ruimtelijke belangen doorwerken in de gemeentelijke bestemmingsplannen en omgevingsvergunningen. Op 23

15

RUIMTELIJKE ONDERBOUWING G. WILLIGENPLEIN 2,3,4 HEERENVEEN

maart 2021 is er een geconsolideerde versie vastgesteld. In de verordening staan regels over de thema’s bundeling, ruimtelijke kwaliteit, wonen, werken, recreatie en toerisme, landbouw, natuur, kustverdediging en duurzame energie. De regels in de verordening zijn een verdere uitwerking van het Streekplan Fryslân 2007 en bevatten de provinciale kaders waarbinnen ruimtelijke ontwikkelingen kunnen plaatsvinden.

Bundeling algemeen In het eerste hoofdstuk van de Verordening Romte Fryslân staan bepalingen over bundeling van verstedelijking. Het concentreren van nieuwe stedelijke functies bij kernen bevordert een doelmatig gebruik van de ruimte, draagt bij aan sterke steden en vitale dorpen, en voorkomt onnodige verrommeling en versnippering van het landelijk gebied. In het rijksbeleid is bundeling verwerkt in de ‘Ladder voor duurzame verstedelijking’ in het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro). Het rijk laat de verdere uitwerking van het bundelingsbeleid over aan de provincies.

Begrenzing bestaand stedelijk gebied Tot het bestaand stedelijk gebied van een kern wordt gerekend, het (aaneengesloten) gebied met stedelijke functies (woonbebouwing, bedrijfsbebouwing in brede zin en maatschappelijke functies), waaronder mede begrepen de daarbij behorende voorzieningen (inclusief groenvoorzieningen) en verkeersinfrastructuur. Naast bestaande bebouwing gaat het ook om de mogelijkheden voor nieuwe bebouwing en functies en mogelijkheden voor uitbreiding die in onherroepelijke bestemmingsplannen zijn opgenomen.

Aan de hand van deze definitie en van een aantal criteria, zijn door middel van de kaarten ‘Begrenzing bestaand stedelijk gebied’ voor de Friese kernen de grenzen van het bestaand stedelijk gebied aangegeven.

Wonen De provincie maakt met de woningbouwregio’s bestuurlijke afspraken over de regionale woningbouwprogramma’s. De regionale woningbouwafspraken worden door de gemeenten vervolgens vertaald in gemeentelijke woonplannen. Deze systematiek van werken met woonplannen is een effectieve manier om de gemeentelijke woningbouwplannen in te passen in het provinciaal beleid en in de regionale behoefte. Door voldoende flexibiliteit in woonplannen in te bouwen, kunnen gemeenten inspelen op nieuwe ontwikkelingen. Daarnaast wordt er vanuit gegaan dat gemeenten ook de afspraken over plafondloos bouwen in bestaand stedelijk gebied, verwerken in hun woonplannen.

De Bor biedt in artikel 3.1.2 een algemene afwijkingsmogelijkheid voor een woningbouwproject dat niet past in een woonplan. Dit is ook het geval indien een ( actueel) woonplan ontbreekt. Uitgangspunt is dat

16

RUIMTELIJKE ONDERBOUWING G. WILLIGENPLEIN 2,3,4 HEERENVEEN

geen inbreuk wordt gemaakt op de regionale woningbouwprogramma’s en op de kernenstructuur: aantallen en kwaliteit van de woningbouw dienen daarom aan te sluiten bij de aard en schaal van de kern. Dit laatste betekent onder andere dat een overige kern niet de regionale behoefte van een regionaal centrum en niet de (boven)regionale behoefte en taakstelling van een stedelijk centrum kan opvangen. Bij een voorgenomen afwijking zal de gemeente voorafgaand aan het wettelijk overleg ex artikel 3.1.1 van het Besluit ruimtelijke ordening, met de provincie moeten overleggen over de noodzaak om het project aan het gemeentelijk woningaanbod toe te voegen.

Plafondloos bouwen en begrenzing bestaand stedelijk gebied Met de regio’s Noordwest en Noordoost, de Stadsregio en met de meeste gemeenten in de regio’s Zuidoost en Zuidwest is er in de periode 2008-heden in het kader van de regionale woningbouwafspraken de afspraak gemaakt dat maximaal 70% (stedelijke centra) respectievelijk 60% (overige kernen) van het afgesproken woningbouwprogramma buiten de grenzen van stedelijk gebied wordt gerealiseerd. Daar staat tegenover dat die gemeenten binnen de grenzen van het stedelijke gebied ‘plafondloos’ kunnen bouwen. Dit houdt in dat de binnenstedelijke plannen niet zijn gebonden aan een maximum capaciteit. Met deze afspraak stimuleren de provincie het binnenstedelijke bouwen. Uitgangspunt was en is dat het gaat om transformatie en herstructurering. Dit houdt uiteraard niet in dat dit gepaard gaat met het opofferen van elk stuk stedelijk groen. De verantwoordelijkheid daarvoor ligt bij de gemeenten. Omdat in het kader van de verordening het bestaand stedelijk gebied is begrensd, is daaraan ook de afspraak over ‘plafondloos bouwen’ gekoppeld. Uitgangspunt is dat alle ruimtelijke plannen binnen het op de kaarten aangegeven bestaand stedelijk gebied die het mogelijk maken dat door herstructurering en/of transformatie extra woningen kunnen worden gebouwd, vallen onder de afspraak ‘plafondloos bouwen’. Daarbij gelden echter twee randvoorwaarden:

-

Ten eerste: Als de functie op de transformatielocatie (bijv. sportvelden) wordt uitgeplaatst naar het landelijk gebied, aangrenzend aan de kern, valt de vrijkomende binnenstedelijke locatie niet onder de afspraak over plafondloos bouwen. Immers, in dat geval is evenzeer sprake van buitenstedelijk ruimtebeslag en wordt de doelstelling van zuinig ruimtegebruik niet gehaald. Als de uitgeplaatste functie minder areaal beslaat dan het areaal dat binnenstedelijk werd benut kan, door het verrekenen van areaalbeslag, wel een deel als plafondloos areaal worden aangemerkt.

-

Ten tweede geldt een beperking voor goedgekeurde bestemmingsplannen (oude WRO) respectievelijk vastgestelde en door ons niet bestreden bestemmingsplannen (nieuwe Wro) voor stedelijke woonuitbreidingen. Die zijn in de systematiek van de begrenzing opgenomen in bestaand stedelijk gebied. Duidelijk mag zijn dat die locaties desondanks aangemerkt moeten worden als uitbreiding, en niet vallen onder de afspraak over plafondloos bouwen.

17

RUIMTELIJKE ONDERBOUWING G. WILLIGENPLEIN 2,3,4 HEERENVEEN

Conclusie De voorgenomen ontwikkeling ligt binnen de begrenzing van het bestaand stedelijk gebied (figuur 8) en er is sprake van het concentreren van een nieuwe stedelijke functie. Het provinciaal beleid geeft aan dat het concentreren van nieuwe stedelijke functies bij kernen het doelmatig gebruik van ruimte bevordert en bijdraagt aan sterke steden en vitale dorpen, en voorkomt op deze manier onnodige verrommeling en versnippering van het landelijk gebied.

FIGUUR 8 – BEGRENZING BESTAAND BEBOUWD GEBIED (BRON: RUIMTELIJKEPLANNEN.NL )

Daarnaast mogen gemeenten binnen de grenzen van het stedelijke gebied ‘plafondloos’ bouwen. Dit houdt in dat de binnenstedelijke plannen niet zijn gebonden aan een maximum capaciteit. Zo wil de provincie het binnenstedelijke bouwen stimuleren. Uitgangspunt was en is dat het gaat om transformatie en herstructurering.

Dit maakt de voorgenomen ontwikkeling waarbij een gebouw met 59 appartementen wordt gerealiseerd in het kader van transformatie en herstructurering mogelijk. Op basis van het voorgaande kan geconcludeerd worden dat het project in overeenstemming is met de Verordening Romte Fryslân 2014.

03.3 Gemeentelijk beleid 03.3.1 Omgevingsvisie Heerenveen 2040 Op 8 juli 2021 heeft de gemeenteraad van Heerenveen de “Omgevingsvisie Heerenveen 2040” vastgesteld. De Omgevingsvisie is een langetermijnvisie van de gemeenteraad op de leefomgeving. Het

18

RUIMTELIJKE ONDERBOUWING G. WILLIGENPLEIN 2,3,4 HEERENVEEN

is gericht op de ontwikkeling van onze gemeente tot 2040. In de visie wordt op hoofdlijnen aangegeven wat nodig is om de leefomgeving te beschermen, te ontwikkelen en in te richten. Het gaat over alle terreinen van de leefomgeving, zoals verkeer en vervoer, water, milieu, natuur, gebruik van natuurlijke hulpbronnen, landbouw, cultureel erfgoed en economie.

In de omgevingsvisie zijn 4 kernopgaves opgesteld: 1.

Werken aan Heerenveen als (boven)regionaal centrum voor (top)sport, werk en voorzieningen;

2.

Bouwen aan toekomstbestendige woningen;

3.

Zorgen voor gezonde, klimaatbestendige en leefbare wijken en dorpen;

4.

Versterken van de kwaliteit en veerkracht van het landelijk gebied.

Voor

de

beoogde

ontwikkeling

wordt

nader

ingegaan

op

kernopgave

2:

’Bouwen

aan

toekomstbestendige woningen’’.

De komende jaren ligt de focus op vernieuwen, transformeren en verbeteren van het bestaande woningaanbod. Deze opgave pakt de gemeente samen met woningbouwcorporaties, particuliere verhuurders en particulieren op. Wat betreft nieuwbouw gaat de gemeente scherper kijken naar de realisatie van nieuwe projecten. Wat voegen ze toe aan het bestaande woningaanbod? En is er op de langere termijn ook vraag naar deze woningen?

Voor nieuwbouw richt de gemeente zich in eerste instantie op het afronden van bestaande woningbouwlocaties en het bouwen binnen bestaand bebouwd gebied en houdt het tegelijkertijd oog voor de toekomstige vraag in de woningmarkt. De komende jaren verkent het daarom ook of het realiseren van nieuwe uitbreidingswijken nodig is om iedereen een passende woning te bieden.

De gemeente Heerenveen wil het wonen nog aantrekkelijker maken door goede verbindingen, een divers landschap en de aanwezigheid van regionale voorzieningen. Zo blijft de gemeente aantrekkelijk voor jongeren en gezinnen. Daarnaast dient er een passend woningaanbod ontwikkeld te worden voor de grotere groep senioren die 2040 in onze gemeente woont.

In het centrum van Heerenveen dient woonkwaliteit te worden toegevoegd en dient er sprake te zijn van meer diversiteit in het woningaanbod. Op de plaats van langdurig leegstaande panden kunnen aantrekkelijke woningbouwprojecten gerealiseerd worden met aansprekende architectuur.

Conclusie De komende jaren ligt de focus op vernieuwen, transformeren en verbeteren van het bestaande woningaanbod. In het centrum van Heerenveen dient woonkwaliteit te worden toegevoegd en dient

19

RUIMTELIJKE ONDERBOUWING G. WILLIGENPLEIN 2,3,4 HEERENVEEN

er sprake te zijn van meer diversiteit in het woningaanbod. Met voorgenomen ontwikkeling vindt er een transformatie plaats. Zo wordt een pand met detailhandel en een jongerencentrum gesaneerd en hiervoor in de plaats komt een appartementengebouw met 59 appartementen met verschillende groottes. Hierdoor kan worden ingespeeld op de woningbehoefte van verschillende doelgroepen, zoals starters, en ouderen. De verdieping boven het jongerencentrum staat leeg. Met de realisatie van het appartementencomplex kan een aantrekkelijk bouwproject worden gerealiseerd en leegstand worden tegengegaan. Op basis van het voorgaande kan geconcludeerd worden dat het project in overeenstemming is met de Omgevingsvisie Heerenveen.

03.3.2 Addendum op de Woonvisie van de gemeente Heerenveen per 1 juli 2020 Als op de aanvulling op de Woonvisie 2015-2020 heeft de gemeente Heerenveen per 1 juli 2020 een Addendum opgenomen. In deze visie staat het beleid op hoofdlijnen voor de fysieke leefomgeving. De beleidslijnen in het addendum vullen de woonvisie aan tot er een actualisatie van de huidige woonvisie komt. Opgeteld geven de beschikbare stukken de komende jaren genoeg grip om het wonen in de gemeente Heerenveen goed te regelen. Nieuwe initiatieven worden getoetst aan de leidraad voor nieuwe woningbouw initiatieven. Deze leidraad bepaald de richting voor het wel of niet honoreren van woningbouw. De uitgangspunten van de leidraad zijn verwerkt in het addendum onder consequenties.

Dit document beschrijft de beleidslijnen die een aanvulling zijn op de woonvisie van de gemeente Heerenveen. 1.

Focus op het centrum van Heerenveen

2.

Focus op inbreiding en verbetering van het bestaande

3.

Focus op toekomst gericht aanbod

4.

Focus op kwaliteit

5.

Focus op het afronden uitbreidingslocaties Jubbega, Nieuwehorne en Tjalleberd

6.

Focus op goede regulering en spreiding van (zorg) doelgroepen

Focus op het Centrum van Heerenveen Toevoeging van een gevarieerd woningbouwprogramma in het centrum is bij uitstek geschikt om de aantrekkelijkheid en levendigheid van het centrum te verhogen. De huidige markt laat zien dat er minder winkelruimte nodig is. Transformatie van winkel of kantoorruimte naar woningen biedt daarom kansen. Ook daar waar inbreidingsplekken zijn worden de kansen voor woningbouw zoveel mogelijk benut. De focus ligt hierbij op de groep mensen met de middeninkomens. Dit doet de gemeente door een woningaanbod te stimuleren in de vrije sector huur- en koop. Bijvoorbeeld appartementen voor ouderen die gelijkvloers in het centrum willen wonen, of jonge mensen en gezinnen die eigentijds willen wonen in een stedelijke setting. De bedoeling is om een goede mix van doelgroepen te bedienen.

20

RUIMTELIJKE ONDERBOUWING G. WILLIGENPLEIN 2,3,4 HEERENVEEN

Doelen: 1.

Het aantrekken (en behouden) van huishoudens

2.

Extra doorstroming in de woningmarkt mogelijk maken

3.

Versterking binnenstedelijk structuur (vitale stad)

4.

Een compact (winkel)centrum

Focus

op

het

centrum

betekent

dat

er

naast

Skoatterwâld

minder

prioriteit

ligt

op

woningbouwontwikkeling in andere delen van Heerenveen.

Focus op inbreiding en verbetering van het bestaande Naast de bestaande uitbreidingsgronden ligt de focus de komende jaren op inbreiding, transformatie en verbeteren van het bestaande.

Focus op toekomstgericht woningaanbod Er zijn maatschappelijk ontwikkelingen die ervoor zorgen dat de gemeente anders kijkt naar de omvang en samenstelling van de woningvoorraad. Voorbeelden daarvan zijn de wens om zelfvoorzienend en kleiner te wonen of meer met elkaar, in een hofje. Ouderen wonen steeds langer zelfstandig thuis. Dit vraagt om woningaanpassingen. Er is een landelijke trend waarneembaar waarin te zien is dat ouderen gelijkvloers, nabij de voorzieningen in het centrum gaan wonen.

Focus op kwaliteit Er wordt vanaf 2020 meer gestuurd op variatie en toekomstbestendigheid van het woningaanbod. Initiatieven worden afgewogen en goed onderbouwd gehonoreerd of afgewezen. Er is meer aandacht voor kwaliteit en minder voor kwantiteit. Dit betekent dat er op een andere manier woningbouwontwikkelingen plaatsvinden.

Consequenties Voor de afweging wat wel en niet wordt toegestaan aan woningen is er de leidraad voor nieuwe woningbouwinitiatieven. Dit betekent voor het centrum het volgende: 1.

De focus ligt op het centrum, dus projecten binnen het centrum krijgen voorrang op projecten buiten het centrum. De gemeente stimuleert daarbij het wonen boven winkels.

2.

Binnen het centrum wordt voorrang gegeven aan projecten in centraal gelegen deelgebieden met een gemiddelde tot hoge toekomstwaarde. Dit zijn de deelgebieden 1, 2, 3, 4 en 6.

De planlocatie ligt in deelgebied 6: ‘gebiedsontwikkeling op een wat grotere schaal, maar pandsgewijs’.

21

RUIMTELIJKE ONDERBOUWING G. WILLIGENPLEIN 2,3,4 HEERENVEEN

Voor nieuwe woningbouwinitiatieven worden o.a. de volgende uitgangspunten gehanteerd: -

Transitie (vernieuwen en passend maken van de woningvoorraad) en transformatie ter voorkoming van leegstand gaat voor op nieuwbouwprojecten buiten de bestaande nieuwbouwlocaties.

-

Gewenste koppelkansen (versterken van een ander belang) worden positief meegewogen. Voorbeelden hiervan zijn: tegengaan van verpaupering of een herbestemming van een historisch pand.

-

Er wordt vanaf 2020 meer gestuurd op kwaliteit met de leidraad voor nieuwe woningbouwinitiatieven. Initiatieven worden afgewogen en goed onderbouwd gehonoreerd of afgewezen. Dit betekent soms dat we met initiatiefnemers oplopen om te bekijken wat er wel mogelijk is.

-

Bij vervangende woningbouw worden geen hogere aantallen woningen teruggebouwd tenzij het een aanwijsbare toevoeging is op bestaande voorraad. Bijvoorbeeld bij grondgebonden sociale huurwoningen in het lage segment.

Conclusie Met voorgenomen ontwikkeling wordt in het centrum een pand met detailhandel en een jongerencentrum gesaneerd en hiervoor in de plaats komt een appartementengebouw met 59 appartementen van verschillende groottes. Hierdoor kan worden ingespeeld op de woningbehoefte van verschillende doelgroepen. Bovendien wordt het gebouw levensloopbestendig ingericht en worden de nodige duurzaamheidsmaatregelen getroffen om een bijdrage te leveren aan een toekomstgericht woningaanbod. Met de voorgenomen ontwikkeling is er sprake van inbreiding en wordt door transformatie beter ingespeeld op de woningbehoefte in de gemeente Heerenveen. Het beoogde appartementengebouw is dan ook een aanwijsbare toevoeging op bestaande voorraad. Op basis van het voorgaande kan geconcludeerd worden dat het project in overeenstemming is met de woonvisie van de gemeente Heerenveen.

03.3.3 Welstandsnota 2016 Op 21 december 2015 is door de gemeenteraad van Heerenveen de ‘Welstandsnota 2016’ vastgesteld. Doormiddel van de Welstandsnota (2016) stuurt de gemeente op de kwaliteit van (ver)nieuw(d)e gebouwen. Daarbij is een onderscheid gemaakt tussen gebieden die meer en minder bepalend zijn voor de identiteit van (de gemeente) Heerenveen. Voor de verschillende gebieden zijn welstandscriteria opgenomen waaraan bouwplannen worden getoetst bij bouwaanvragen. Per gebied is een beleidsintentie

22

opgenomen

die

de

‘hoofdlijn’

voor

een

gebied

beschrijft.

RUIMTELIJKE ONDERBOUWING G. WILLIGENPLEIN 2,3,4 HEERENVEEN

In de nota is onderscheid gemaakt in drie kwaliteitsniveaus die door de gemeente worden gehandhaafd: -

Niveau 1: regulier kwaliteitsniveau

-

Niveau 2: licht kwaliteitsniveau

-

Niveau 3: welstandsluw kwaliteitsregime (alleen excessenregeling).

Gebiedsbeschrijving en criteria De karakteristiek van elk gebied is beschreven. Daarbij wordt aangegeven wat de algemene waarden zijn vanuit de ruimtelijke kwaliteit. Aan de hand hiervan wordt in de beleidsintentie beschreven welke doel de welstandssturing in dit gebied na streeft. Het middel om dit te bereiken zijn de gebiedseigen welstandscriteria waaraan, naast aan de algemene principes, omgevingsaanvragen worden getoetst. Als het bouwplan voldoet aan deze criteria, is het in principe niet strijdig met redelijke eisen van welstand en krijgt het een positief welstandsadvies. Het kan ook zijn dat het bouwplan niet voldoet aan de gebiedseigen welstandscriteria, maar wel aan de algemene principes en aansluit bij de beleidsintentie voor dit gebied. Indien dit goed gemotiveerd kan worden kan alsnog een positief welstandsadvies gegeven worden. De gebiedseigen welstandscriteria zijn opgesteld in relatie tot het welstandsniveau wat aan het gebied is toegekend. Daarbinnen geldt ook een welstandsluwe zone, wat over het algemeen het achtererf beslaat.

Het plangebied valt binnen het welstandsgebied Centrum 1b-3. Hiervoor geldt dat over het algemeen de randen en entree -pleinen een grotere schaal bebouwing uit het einde van de twintigste eeuw bevatten. Dit sluit vaak aan bij de maat van de openbare ruimte waar het aan gelegen is. Kenmerkend is dat de begane grondgevels aan de entree – pleinen vaak een niet erg representatieve uitstraling hebben naar het openbaar gebied. Soms zijn het zelfs volledig gesloten gevels, of liggen ze verscholen achter arcades. Het komt ook voor dat er minder op het winkelend publiek gerichte functies in zitten. Met het oog op de publieke ligging van deze entrees van het centrum, dient de bebouwing een representatief karakter te hebben. Streven is de stedelijke beleving van de entrees te versterken, waarbij de samenhang tussen de gebouwen en de openbare ruimte en een kwalitatieve uitstraling op de begane grond, van wezenlijk belang is. Dit impliceert sterke hoofdlijnen en een afgewogen detaillering, die de grote lijnen van het ontwerp ondersteunt. Met name aan de zuidzijde van het Geerts Willigenplein, in aansluiting op de Schoolsteeg, is versterking van de uitstraling van de begane grond in relatie met de openbare ruimte, ook overhoeks, gewenst. Verder geldt dat nieuw- en verbouw in het centrum een positieve bijdrage moet leveren aan de kwaliteit en beleving van het centrum.

De bebouwing staat in de rooilijn van de straatwand en is op de openbare ruimte georiënteerd (aan alle zijden waar het grenst aan de openbare ruimte). De hoogte is afgestemd op de hoogte van de directe omgeving waar het is gesitueerd (wisselend per straat) en de individuele bebouwing heeft een enkelvoudige massaopbouw.

23

RUIMTELIJKE ONDERBOUWING G. WILLIGENPLEIN 2,3,4 HEERENVEEN

Conclusie Uit de Welstandsnota blijkt dat voor het gebied waarin de planlocatie zich bevindt het wenselijk is om de stedelijke beleving van de entrees te versterken, waarbij de samenhang tussen de gebouwen en de openbare ruimte en een kwalitatieve uitstraling op de begane grond, van wezenlijk belang is. In de Welstandsnota

wordt

hierbij

het

Geerts

Willigenplein

nadrukkelijk

benoemd.

Het

appartementengebouw komt aan de Geerts Willigen te liggen en is bovendien op de openbare ruimte georiënteerd, daarnaast is het qua hoogte passend binnen de directe omgeving waarin het gebouw is beoogd. Met de ontwikkeling wordt zodoende een positieve bijdrage geleverd aan de kwaliteit en beleving van het centrum. Op basis van het voorgaande kan geconcludeerd worden dat het project in overeenstemming is met de Welstandnota.

24

RUIMTELIJKE ONDERBOUWING G. WILLIGENPLEIN 2,3,4 HEERENVEEN

04 OMGEVINGSASPECTEN

Bij ruimtelijke plannen moet in toenemende mate rekening gehouden worden met diverse milieu- en omgevingsaspecten. Bij het beoordelen van deze milieu- en omgevingsaspecten zijn de volgende thema’s van relevant: milieuzonering, bodem, geluid, externe veiligheid, water, ecologie, archeologie, verkeer en parkeren. Onderstaand worden de omgevingsaspecten in het kort behandeld.

04.1

Vormvrije m.e.r.-beoordeling

Op 1 april 2011 is het huidige Besluit milieueffectrapportage in werking getreden. Op 7 juli 2017 zijn er enkele wijzigingen doorgevoerd binnen dit besluit om de m.e.r.-procedure eenduidiger en overzichtelijker te maken, en ook het aspect milieueffectrapportage explicieter te behandelen in aanvragen. Dit besluit heeft tot doel het vaststellen van mogelijke, ernstig nadelige milieugevolgen ten gevolge van een activiteit binnen de aanvraag.

Binnen het Besluit milieueffectrapportage zijn een tweetal mogelijkheden opgenomen hoe om te gaan met dit besluit bij een aanvraag. Wanneer de beoogde activiteit in de D-lijst van het Besluit milieueffectrapportage wordt benoemd, maar onder de gestelde drempelwaarden blijft, volstaat een vormvrije m.e.r.-beoordeling. Wanneer de beoogde activiteit in de D-lijst van het Besluit milieueffectrapportage wordt benoemd en bovendien de gestelde drempelwaarden overstijgt, is de betreffende aanvraag m.e.r.-plichtig. Op dat moment zal een m.e.r.-rapportage op moeten worden gesteld.

Toets Het begrip 'stedelijk ontwikkelingsproject' is niet gedefinieerd. In de toelichting op het Besluit m.e.r. zijn wel een aantal voorbeelden van bouwprojecten opgenomen die als stedelijk ontwikkelingsproject kunnen worden aangemerkt. In dat kader wordt verwezen naar woningen, parkeerterreinen, theaters, sportcentra, kantoorgebouwen en dergelijke of een combinatie daarvan. Of sprake is van een 'stedelijk ontwikkelingsproject' hangt af van de concrete omstandigheden van het geval. Onder andere de aard en de omvang van de voorziene wijziging van de stedelijke ontwikkeling spelen daarbij een rol. Of de ontwikkeling per saldo aanzienlijke negatieve gevolgen voor het milieu kan hebben, is daarbij niet relevant, waarbij de bestaande planologische mogelijkheden meegewogen mogen worden (ECLI:NL:RVS:2018:2414, 18 juli 2018).

De bebouwde oppervlakte van het nieuwe gebouw neemt ten opzichte van het huidige gebouw qua aard en omvang slechts licht toe. De toename vindt met name plaats aan de achterzijde van het gebouw en

25

RUIMTELIJKE ONDERBOUWING G. WILLIGENPLEIN 2,3,4 HEERENVEEN

de toename in bebouwd oppervlakte is vanaf de straatkant dan ook nauwelijks waarneembaar. Met deze ontwikkeling is dan ook sprake van een klein ruimtebeslag. Verder vinden geen grote wijzigingen aan de wijze van ontsluiting plaats. Hoewel er geen extra parkeergelegenheid wordt aangelegd kan de parkeerbehoefte vrijwel geheel binnen de bestaande parkeervoorzieningen opgelost. Naast de planlocatie ligt immers een grote ondergrondse parkeergarage. Daarnaast leidt de ontwikkeling niet tot een hoge verkeersaantrekkende werking. De realisatie van het nieuwe appartementengebouw binnen bestaand stedelijk gebied hoeft daarom niet gezien te worden als een stedelijk ontwikkelingsproject in de zin van het Besluit m.e.r.. In die gevallen is het Besluit m.e.r. niet van toepassing en hoeft er geen aanmeldnotitie opgesteld te worden. Aanvullend op het bovenstaande zijn in het kader van het beoogde initiatief verschillende milieuaspecten onderzocht. De resultaten van de onderzoeken zijn te vinden in hoofdstuk 4. De ontwikkeling heeft geen aanzienlijke invloed op het milieu. Er is met de huidige onderzoeken voldoende inzicht gegeven in de milieugevolgen om een besluit te kunnen

nemen

omtrent

de

aanvraag

omgevingsvergunning.

Het

opstellen

van

een

milieueffectrapportage of een aanmeldnotitie zal geen verder inzicht geven in de relevante milieuaspecten. Geconcludeerd kan worden dat er geen vormvrij m.e.r.-beoordelingsbesluit genomen hoeft te worden.

04.2 Milieuzonering Zowel de ruimtelijke ordening als het milieubeleid stellen zich ten doel een goede kwaliteit van het leefmilieu te handhaven en te bevorderen. Dit gebeurt onder andere door milieuzonering. Onder milieuzonering verstaan we het aanbrengen van een voldoende ruimtelijke scheiding tussen milieubelastende bedrijven of inrichtingen enerzijds en milieugevoelige functies als wonen en recreëren anderzijds. De ruimtelijke scheiding bestaat doorgaans uit het aanhouden van een bepaalde afstand tussen milieubelastende en milieugevoelige functies. Die onderlinge afstand moet groter zijn naarmate de milieubelastende functie het milieu sterker belast. Milieuzonering heeft twee doelen: -

het voorkomen of zoveel mogelijk beperken van hinder en gevaar bij woningen en andere gevoelige functies;

-

het bieden van voldoende zekerheid aan bedrijven dat zij hun activiteiten duurzaam onder aanvaardbare voorwaarden kunnen uitoefenen.

Voor het bepalen van de aan te houden afstanden wordt de VNG-uitgave 'Bedrijven en Milieuzonering' uit 2009 gehanteerd. Deze uitgave bevat een lijst, waarin voor een hele reeks van milieubelastende activiteiten (naar SBI-code gerangschikt) richtafstanden zijn gegeven ten opzichte van milieugevoelige functies. De lijst geeft richtafstanden voor de ruimtelijk relevante milieuaspecten geur, stof, geluid en gevaar. De grootste van de vier richtafstanden is bepalend voor de indeling van een milieubelastende activiteit in een milieucategorie en daarmee ook voor de uiteindelijke richtafstand. De richtafstandenlijst gaat uit van gemiddeld moderne bedrijven. Indien bekend is welke activiteiten

26

RUIMTELIJKE ONDERBOUWING G. WILLIGENPLEIN 2,3,4 HEERENVEEN

concreet zullen worden uitgeoefend, kan gemotiveerd worden uitgegaan van de daadwerkelijk te verwachten milieubelasting, in plaats van de richtafstanden. De afstanden worden gemeten tussen enerzijds de grens van de bestemming die de milieubelastende functie(s) toelaat en anderzijds de uiterste situering van de gevel van een milieugevoelige functie die op grond van het bestemmingsplan/wijzigingsplan mogelijk is.

Hoe gevoelig een gebied is voor milieubelastende activiteiten is mede afhankelijk van het omgevingstype. De richtafstanden van de richtafstandenlijst gelden ten opzichte van het omgevingstype 'rustige woonwijk/buitengebied' dan wel 'gemengd gebied'. Bij een 'gemengd gebied' kunnen de richtafstanden met 1 afstandsstap verkleind worden. Uitzondering hierop is de richtafstand voor externe veiligheid. Deze wordt niet verkleind. In figuur 7 zijn de richtafstanden weergegeven.

FIGUUR 9. RICHTAFSTANDEN VNG-UITGAVE BEDRIJVEN EN MILIEUZONERING (BRON: VNG)

Toets De planlocatie is gelegen in het centrum van Heerenveen. In deze omgeving zijn verschillende functies aanwezig, zoals maatschappelijk, wonen, restaurants en dienstverlening. Gezien de centrale ligging en nabijheid van verschillende functies is het gerechtvaardigd om het gebied aan te merken als ‘gemengd gebied’.

interne werking Hierbij gaat het om de vraag of de functie ‘wonen’ hinder ondervindt van bestaande milieubelastende functies in de omgeving. In de nabijheid bevinden zich diverse winkelpanden, een supermarkt, restaurants, cafeetjes en een gemeentehuis. Deze genoemde functies vallen in milieucategorie 1. Voor het gemeentehuis geldt een richtafstand van 0 meter voor geur stof en gevaar en 10 meter voor geluid. Voor cafeetjes geldt een richtafstand van 0 meter voor stof en 10 meter voor geur geluid en gevaar. Voor een restaurant geldt een richtafstand van 0 meter voor geur en stof en 10 meter voor geluid en gevaar. Voor de supermarkt geld een richtafstand van 0 meter voor stof en geur en 10 meter voor geluid en gevaar. Tot slot geldt voor een winkelpand (detailhandel) een richtafstand van 0 meter voor stof, geur en gevaar en 10 meter voor geluid. In gemengd gebied mag de richtafstand met 1 afstandstap

27

RUIMTELIJKE ONDERBOUWING G. WILLIGENPLEIN 2,3,4 HEERENVEEN

worden terug gebracht, behalve voor gevaar. Daarom geldt alleen een richtafstand van 10 meter voor gevaar voor cafeetjes, restaurants en de supermarkt.

Daarnaast bevinden zich in de nabijheid een kerk, een ondergrondse parkeergarage. Deze genoemde functies vallen in milieucategorie 2. Voor een kerk geldt een richtafstand van 30 meter voor geluid en 0 meter voor stof, geur en gevaar. Voor een parkeergarage geldt een richtafstand van 10 meter voor geur en 30 meter voor geluid. Voor stof en gevaar geldt een richtafstand van 0 meter. In gemengd gebied mag de richtafstand met 1 afstandsstap worden terug gebracht, behalve voor gevaar. Voor de kerk en parkeergarage geldt derhalve een richtafstand van 10 meter voor geluid.

Zowel de supermarkt Toko Sharma gelegen aan de Kerkstraat als mede café restaurant Paul Kruger gelegen aan de Oude Koemarkt bevinden zich binnen de richtafstand van 10 meter voor het aspect gevaar. Echter kan gezien de schaal van de supermarkt (buurtsupermarkt) en het feit dat er dichterbij de locatie al woningen zijn gesitueerd die geen hinder ondervinden van deze functie worden gesteld dat deze functie geen hinder zal veroorzaken voor het appartementencomplex. Hetzelfde kan worden gesteld voor restaurant- café Paul Kruger. De andere functies liggen buiten de gestelde richtafstanden en vormen geen belemmering voor de functie wonen. De beoogde ontwikkeling is daarmee passend geacht binnen de omgeving.

externe werking Bij de externe werking gaat het om de vraag of de realisatie van onderhavig plan leidt tot hinder of belemmeringen voor de omgeving. Daarvan is sprake als het woon- en leefklimaat van omwonenden in ernstige mate wordt aangetast. Het appartementengebouw voorziet in de realisatie van woongelegenheid. Wonen betreft een milieugevoelige functie. Zoals reeds vermeld vallen zowel de supermarkt Toko Sharma gelegen aan de Kerkstraat als mede café-restaurant Paul Kruger gelegen aan de Oude Koemarkt formeel gezien binnen de richtafstand van 10 meter voor het aspect gevaar. Echter is hier in de huidige situatie al sprake van woonfuncties binnen de richtafstand en laat de bestemming waarop respectievelijk het restaurant en de winkel zijn gevestigd bovendien wonen op de 1e verdieping toe. Hierdoor is wonen binnen de richtafstand al toegestaan. De nieuwe ontwikkeling leidt dus niet tot extra hinder. Er is geen sprake van hinder voor omliggende bedrijven en het belemmert deze bedrijven dan ook niet in hun bedrijfsvoering.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Heerenveen&id=ff915174-e7b3-476a-92c0-810dae913cf8