Bijlage 2 - Ontwerp-Omgevingsvisie Heerenveen.pdf
Tekst van het document
5.4.6.3 We sturen op voldoende parkeergelegenheid Het college heeft in juli 2020 de Nota Parkeernormen vastgesteld. Een parkeernorm is een getal dat aangeeft hoeveel parkeerplaatsen voor een functie (bijvoorbeeld wonen) nodig zijn. In de nota staan afspraken over het aanleggen van voldoende parkeerplekken bij nieuwe ruimtelijke plannen of bij wijzigingen van functies van gebouwen. Degene die de bouwaanvraag indient, is verantwoordelijk om het aantal afgesproken parkeerplekken te realiseren op eigen terrein. Wanneer het realiseren van parkeerplekken niet mogelijk is, kan een storting worden gedaan in het Mobiliteitsfonds. 5.4.7
We maken de leefomgeving klimaatbestendig en geven ruimte aan biodiversiteit
5.4.7.1 We vangen de gevolgen van klimaatverandering op Klimaatadaptatie vraagt deels om aanpassingen in het landelijk gebied, denk aan maatregelen om water vast te houden of te bergen (zie paragraaf 5.5.8). Daarnaast heeft het gevolgen voor het bebouwde gebied. Om inzicht te krijgen in de mate van wateroverlast, hittestress, droogte en overstromingen is voor heel Friesland een klimaatstresstest uitgevoerd (www.frieseklimaatatlas.nl). Wateroverlast en hittestress doen zich met name voor in gebieden, straten, wijken en dorpen waar veel verharding aanwezig is zoals bedrijventerreinen, oude wijken en dorpscentra. Ook tunnels zijn gevoelig voor wateroverlast. Hotspots die hierbij naar voren komen, pakken we met voorrang aan.
31
Omgevingsvisie Heerenveen 2040 In het Uitvoeringsplan Klimaatadaptatie en biodiversiteit zijn projecten opgenomen waarmee we werken aan knelpunten op het gebied van klimaatverandering en het verbeteren van de biodiversiteit. Daarnaast wordt er in 2020 een nieuw Watertakenplan voor de beleidsperiode 2021-2024 opgesteld. In dit plan wordt o.a. de aanpak voor wateroverlast en droogte nader opgenomen. Ook stellen we heldere ontwerprichtlijnen op voor het inrichten van de buitenruimte. In lijn met het Duurzaamheidsprogramma willen we er naartoe dat groen geen onderdeel is tussen de verharding, maar dat verharding een onderdeel is tussen het groen: “groen waar het kan, grijs waar het moet”. Op plekken waar weinig ruimte is om grootschalige klimaatmaatregelen te treffen, kijken we naar het bergen van water onder de grond en het creëren van koele plekken op redelijke loopafstand.
Omdat we het groen belangrijk vinden voor de omgevingskwaliteit, werken we onze visie op de groenstructuur verder uit in een programma. Dit programma bevat uitgangspunten voor het beschermen, gebruiken en beheren van het groen. Het programma vormt ook het toetsingskader voor initiatieven van bedrijven en inwoners. Initiatieven dienen een bijdrage te leveren aan het netwerk en vormen bij voorkeur ontbrekende schakels of stapstenen in het natuurnetwerk. De afbakening van de nevenstructuur en de bijbehorende "spelregels" werken we uit in een programma groenstructuur. Dit programma moet ook duidelijk maken welke gebieden wel/niet in aanmerking komen als inbreidingslocatie voor woningbouw.
We werken onze visie op de groenstructuur verder uit in een programma Groene en blauwe structuren kunnen brede bijdrage leveren op het gebied van klimaatbestendigheid, leefbaarheid en gezondheid. Een paar voorbeelden van de functie die deze structuren kunnen hebben: vermindert de kans op wateroverlast; Verkoelt de stad in de zomer; Draagt bij aan een betere gezondheid en een hoger welzijn; Draagt bij aan recreatie en ontmoeting van inwoners en daarmee sociale verbinding; Verbindt stedelijk gebied en landelijk gebied. Trekt bedrijven aan; Zorgt voor biodiversiteit; Verhoogt de waarde van huizen en kantoren.
over de oplossing van knelpunten. We maken inwoners bewust van de voordelen die een groene, biodiverse en klimaatvriendelijke tuin heeft.
5.4.7.2
Figuur 5.5 De relatie tussen groene omgeving en gezondheid (bron: Raad voor de leefomgeving, De Stad als Gezonde Habitat) Vergeleken met andere Friese gemeentes is in Heerenveen relatief veel (openbaar) groen en natuur aanwezig. Veel groene ruimtes in de kernen bestaan uit lange lijnen langs de infrastructuur en minder uit volumes die geschikt zijn als gebruiksgroen. Het is belangrijk om kwalitatief goede groene ruimtes te behouden, te verbinden en te versterken. Waar laanstructuren worden onderbroken, kunnen deze worden aangevuld.
Figuur 5.6 Klimaatadaptatie op eigen erf (bron: Deltaplan Ruimtelijke Adaptatie, 2018) Ook een groene gevel of dak, waterdoorlaatbare parkeerplekken en een regenton kunnen bijdragen aan de klimaatopgaven en meer biodiversiteit. We doen daarom mee met Operatie Steenbreek, waarbij we inwoners met acties stimuleren om stenen uit hun tuin te verwijderen. Tot slot vinden we het ook reëel dat er in een bepaalde mate sprake moet zijn van klimaatacceptatie, bijvoorbeeld dat een straat tijdelijk onder water staat. Waar de grens ligt tussen schade en hinder bepalen we met elkaar. 5.4.7.3 We versterken het natuurnetwerk Dieren en planten moeten zich kunnen verplaatsen, voortplanten, leven, foerageren enz. Daarvoor is een geschikte leefomgeving nodig en bij voorkeur verbindingen tussen die leefgebieden. Deze verbindingen noemen we het natuurnetwerk. De basis van het natuurnetwerk wordt gevormd door de gebieden van Staatsbosbeheer en It Fryske Gea en de natuurlijk beheerde delen van het openbaar groen van de gemeente. In de gemeente Heerenveen wordt al meer dan 25 jaar ingezet op natuurlijk groenbeheer. Voorbeelden hiervan zijn begrazing door schapen, laten liggen van hout in bossen, inzaaien van bloemenweides en -bermen, natuurlijke oevers en het gebruik van inheemse plantensoorten.
Naast de bestaande natuurgebieden, zetten we als gemeente in op een fijnmazig natuurnetwerk dat doorloopt tot in de bebouwde kom. Op termijn beslaat dit natuurnetwerk zowel het landelijk gebied, de bebouwde omgeving, particuliere tuinen en bedrijventerreinen. 5.4.7.4 Ook op particulier terrein stimuleren we vergroening Ook op bedrijfspercelen en particuliere terreinen is verandering gewenst. We zien de aanpassing aan klimaatverandering als een gezamenlijke verantwoordelijkheid van bedrijven, inwoners en de overheid, waarbij gevolgen (en kosten) niet worden afgewenteld naar buurpercelen of toekomstige generaties. Aan de hand van de genoemde stress-tests praten wij met inwoners
5.4.7.5
Het centrum van Heerenveen wordt een voorbeeldplek voor vergroening Vanuit de G1000-proces is de wens ontstaan om het centrum van Heerenveen aantrekkelijker te maken en te vergroenen. In het Duurzaamheidsprogramma is de doelstelling opgenomen om van het centrum een voorbeeldplek (showcase) voor vergroening te maken.
Figuur 5.7 Fotomontage van de werkplaats Groen uit de G1000
32
Omgevingsvisie Heerenveen 2040 5.4.8
We geven op duurzame wijze vorm aan het waterbeheer
In het Waterplan (2003) van de voormalige gemeente Heerenveen is een strategische visie opgenomen voor het beheer, gebruik en inrichting van het water in de gemeente Heerenveen, met 2030 als stip op de horizon. In het plan zijn verschillende knelpunten geformuleerd en zijn uitgangspunten opgenomen voor een integraal en duurzaam beheer van water. Doelstellingen zijn onder andere: Water verankeren in ruimtelijke plannen; Wateroverlast voorkomen; De waterkwaliteit verbeteren; Vergroten van de ecologische waarde; Vergroten en specificeren functionaliteit van het water; Duidelijkheid over verantwoordelijkheden. In het nieuwe Watertakenplan 2021-2024 wordt voorgesteld in 2022 het waterplan te actualiseren. Sinds het vaststellen van het Waterplan (in 2003) zijn nieuwe inzichten ontstaan over klimaatverandering en het belang van waterbeheersing. Er ligt een grote opgave om het tekort aan water en (op andere momenten) het teveel aan water een goede plek te geven bij de inrichting van de fysieke leefomgeving. Dit onderwerp krijgt de nodige aandacht bij de uitwerking van nieuw beleid op het gebied van water en landschap (zie paragraaf 5.5.8) en is onderdeel van het nieuwe waterplan/watervisie (2022). In het Watertakenplan 2021-2024 is vastgelegd hoe de gemeente omgaat met de zorgplicht (watertaken) op het gebied van voor hemel-, grond- en afvalwater (stedelijk afvalwater).
De gemeentelijk taak is om te zorgen voor de inzameling en transport van dit stedelijk afvalwater. Met de voorkeursvolgorde schoonhouden-scheiden-zuiveren voorkomen we dat ons rioleringsstelsel onnodig wordt belast. We hebben tot op heden al flink ingezet op het afkoppelen van regenwater. Bij nieuwbouw wordt dit standaard toegepast. En bij renovatie van straten en wijken worden klimaatadaptieve maatregelen genomen door de aanleg van regenwaterriolen. Voorbeelden hiervan zijn delen van de Akkers, de Greiden het Tellegebied (Heerenveen), Túntsjes en Sinnebuorren (Akkrum). 5.4.9
We verduurzamen onze openbare verlichting
In september 2020 is Het Lichtbeleidsplan 2020 – 2024 ‘De nachten worden nog mooier’ door de gemeenteraad vastgesteld. Met het beleidsplan realiseert de gemeente een gezonde balans tussen kunstlicht en donkerte en levert een bijdrage aan een energie- en klimaatneutraal Heerenveen 2050, door onder andere het versneld energiezuinig maken van de openbare verlichting.
5.4.10
We stimuleren dagelijkse beweging, spelen en ontmoeten in de openbare ruimte
5.4.10.1 Bewegen, sporten en spelen beter verankeren bij ruimtelijke plannen In de Heerenveense Sport en Beweegvisie 2017-2025 wordt sporten en bewegen ingezet als middel om de samenleving vitaler te maken. Naast het sporten in georganiseerd verband, komt in de Sport- en Beweegvisie ook tot uitdrukking dat dagelijkse beweging van belang is. Waar de cijfers qua sportparticipatie in onze gemeente hoog liggen, is het (dagelijks) beweeggedrag van inwoners juist relatief laag. Uit het gezondheidsonderzoek jeugd blijkt bijvoorbeeld dat slechts 8% van de jongeren in de gemeente aan de Nederlandse norm gezond bewegen voldoet. Naast actief sporten en spelen is het daarom heel belangrijk dat wandelen en fietsen naar school, naar het werk of naar voorzieningen wordt gestimuleerd. We verbeteren de mogelijkheden voor bewegen, sporten en spelen bij het maken van plannen voor de fysieke ruimte. Dit doen we door bij grotere nieuwbouwplannen (die ook openbare ruimte bevatten) de sport- en speelmogelijkheden al tijdens de planfase mee te nemen. Daarnaast maken we sport en bewegen meer zichtbaar en de openbare ruimte meer uitnodigend door middel van verrassende elementen. Om kinderen en jongeren werkelijk te laten buitenspelen, moet een uitdagende speelomgeving worden geboden. In het Speelplan Heerenveen (2015) is beschreven hoe we het buitenspelen voor kinderen tot 12 jaar willen invullen.
De gebruiksintensiteit van een speelplek neemt toe als er meerdere en/of grotere speeltoestellen staan en er andere kinderen zijn om mee te praten en te spelen. We zetten daarom in op een beperkter aantal, grotere, kwalitatief goede speelplekken. We bekijken per wijk en dorp wat hierin de beste keuzes zijn. Spelen begint voor kinderen wanneer je de voordeur uitstapt. Het aantal speelplaatsen of speeltoestellen is vaak minder van belang voor de beweging van kinderen dan de inrichting van de wijk. In wijken met brede stoepen, toegankelijk groen en weinig autoverkeer, spelen en bewegen kinderen meer. Op plekken waar de afwikkeling van autoverkeer geen prioriteit heeft, werken we daarom toe naar een gedeelde openbare ruimte die uitnodigt om te bewegen en een prettige plek is om elkaar te ontmoeten. Bepaalde straten kunnen nu al meer kindvriendelijk worden ingericht. Op plekken waar veel kinderen wonen óf waar we het buitenspelen extra willen stimuleren, willen we hiermee snellere stappen zetten.
5.4.10.2 Een gezond en duurzaam verkeerssysteem De wegencategorisering uit het GVVP is het vertrekpunt voor het opstellen van de Omgevingsvisie. Binnen deze wegencategorisering zijn nog wel keuzes te maken met betrekking tot de balans tussen autoverkeer en langzaam verkeer. Deze balans is op meerdere manieren zeer bepalend voor de gezondheid en het gebruik van de openbare ruimte. Enerzijds door de uitstoot van het verkeer (geluid en fijnstof), maar ook door de barrièrewerking en het ruimtebeslag die samenhangen met het autoverkeer. Drukke straten worden bijvoorbeeld minder vaak overgestoken en vormen een obstakel voor fietsers en voetgangers op weg naar hun bestemming. 5.4.10.3 Fietsplan Heerenveen De opkomst en de ontwikkeling van de elektrische fiets maakt dat verplaatsingsgedrag en de keuze van vervoerswijze is veranderd. Fietsen gaat makkelijker en over grotere afstand. De groei van het aantal (oudere) fietsers en elektrische fietsen leidt tot een vraag naar bredere fietspaden en fietsstroken. Heerenveen heeft meerdere malen de ambitie uitgesproken om Fietsgemeente te worden (o.a. het Beleidsplan Wmo & gezondheid, het GVVP en Hoofdlijnenakkoord 2018-2022). Vanuit het GVVP concentreren we ons op het compleet maken van het hoofdfietsnetwerk; met name de ontbrekende schakels in en direct rond het centrum van Heerenveen hebben prioriteit.
Bij scholen krijgen fietsers en voetgangers prioriteit ten opzichte van de auto. Op strategische locaties moet het aanbod van het aantal fietsparkeerplaatsen beter worden afgestemd op de vraag (centrum, Sportstad, station, ov-haltes, scholen). In het buitengebied concentreren we ons op de knelpunten met grote en brede voertuigen. Om fietsprojecten sneller van de grond te krijgen vragen we zowel provinciale als Europese subsidies aan voor fietsprojecten.
33
Omgevingsvisie Heerenveen 2040 Op dit moment worden de ambities uitgewerkt in het Fietsplan Heerenveen. Hierin wordt opgenomen welke ambities er zijn voor de langere termijn, en welke investeringen hiervoor benodigd zijn. 5.4.10.4 We stimuleren het regionale fietsverkeer Met de Fietsagenda Zuidoost-Friesland 2019-2023 wordt op regionale schaal ingezet op het stimuleren van het fietsgebruik. Naast het verbeteren van bestaande fietsnetwerk omvat de agenda het verkennen van een aantal snelfietsroutes tussen kernen met regionale voorzieningen en het oprichten van een netwerkorganisatie. 5.4.10.5
We vergroten de toegankelijkheid van gebouwen en de openbare ruimte voor groepen met een beperking In de Zorgvisie “Soarch foar thús” (2018) is een visie op langer zelfstandig wonen opgenomen. Met betrekking tot de openbare ruimte is hierin het volgende uitgangspunt opgenomen: “Toegankelijkheid, herkenningspunten, en rustplekken in de openbare ruimte en de mogelijkheid om gebruik te maken van het openbaar vervoer worden onderdeel van de inclusieagenda en Omgevingsvisie”. Op dit moment wordt in het kader van het VN-verdrag voor de Rechten van Personen met een Handicap gewerkt aan een lokale inclusieagenda. Hierin wordt aandacht besteed aan de toegankelijkheid van (openbare) gebouwen, openbaar vervoer en de openbare ruimte. Omdat verschillende doelgroepen verschillende eisen stellen aan het gebruik van de openbare ruimte, moet per situatie worden gekeken welke inrichting het meest passend is. Basisvoorzieningen, zoals publieke gebouwen en het openbaar vervoer moeten voor iedereen toegankelijk zijn. Voor bepaalde doelgroepen kan dit betekenen dat alleen op specifieke plekken aanpassingen nodig zijn. Bijvoorbeeld in de omgeving van zorgvoorzieningen.
Op verschillende manieren werken we samen met onze inwoners aan het leefbaar houden van wijken en dorpen. Het zijn vaak activiteiten voor en door inwoners die zorgen voor de leefbaarheid in dorpen en wijken. Daarom faciliteren we sportverenigingen en evenementen in de dorpen. Door middel van het Fonds Vitale kernen maken we de centrumgebieden van Heerenveen, Akkrum, Jubbega en Aldeboarn aantrekkelijker. Ook op andere plekken maken we openbare ruimte meer geschikt om te bewegen, te ontmoeten en te spelen (zie bovenstaand). 5.4.11.1 We houden het aanbod recreatie, cultuur en evenementen op peil Het woonplezier wordt deels bepaald door het vrijetijdsaanbod in de omgeving. De beschikbaarheid van dagrecreatievoorzieningen speelt daarbij een belangrijke rol. Denk bijvoorbeeld aan de aanwezigheid van recreatieve routes, maar ook dagrecreatie- of watersportvoorzieningen. Het recreatieaanbod heeft daarbij waarde voor inwoners, maar geeft ook mogelijkheden voor economische ontwikkeling (zie verder paragraaf 5.2.9 voor het beleid op het gebied van recreatie en toerisme). Ons cultuurbeleid is actueel.
In de nota Cultuur voor elkaar in Heerenveen, Cultuurnota 2017 zijn de volgende hoofddoelen opgenomen: versterken van de slagvaardigheid van de culturele sector: samenwerking tussen culturele instellingen én amateurkunsten en zichtbaarheid van het culturele aanbod; inzetten van cultuur voor het bevorderen van de participatie en het bevorderen van sociale verbinding; benutten van het cultureel erfgoed en onderscheidende culturele initiatieven; ruimte bieden voor actieve- en passieve deelname aan cultuur; bijdragen aan de levendigheid en aantrekkingskracht van de gemeente als woon- werk- en recreatieplaats.
De toegankelijkheid van de openbare ruimte is beleidsmatig geborgd in het Gemeentelijk Verkeer en Vervoerplan. In het GVVP is het uitgangspunt opgenomen dat we bij herinrichtingen en nieuwe ontwikkelingen ontwerpen vanuit de kwetsbare verkeersdeelnemer, zoals de fietser en voetganger. De meest urgente voetgangersknelpunten worden het eerst aangepakt. Dit betekent dat we in ieder geval de oversteekbaarheid naar het winkelcentrum De Greiden verbeteren en daarnaast de oneffenheden op het Burgemeester Kuperusplein aanpakken. De laatstgenoemde actie is gekoppeld aan de uitvoering van de G1000-plannen en gebeurt in samenspraak met de Participatieraad, Heerenveens initiatief Toegankelijkheid en ondernemers/ winkeliers. 5.4.11
Samen werken aan leefbare wijken en dorpen
Leefbaarheid is een breed begrip dat niet op elke plek hetzelfde betekent. Leefbaarheid hangt samen met woongenot, de aanwezigheid van voorzieningen en onderwerpen als sociale samenhang, veiligheid en participatie.
Het binnenhalen van nieuwe evenementen kan zorgen voor levendigheid en een (economische) impuls. In ons Evenementenbeleid (2013) zijn locaties en criteria opgenomen voor evenementen. In het Hoofdlijnenakkoord (2018-2022) heeft het college de ambitie uitgesproken om meer aansprekende evenementen naar Heerenveen te halen. Evenemententerreinen nemen we op in de op te stellen Omgevingsplannen.
5.4.11.2
We kiezen voor spreiding van voorzieningen en bundelen waar dat nodig is Ontwikkelingen als vergrijzing, ontgroening en afnemend animo voor vrijwilligerswerk, zorgen ervoor dat de draagkracht voor voorzieningen onder druk staat. Als gemeente streven we ernaar om een basisniveau aan voorzieningen in wijken en dorpen te handhaven. Daarbij hebben we de meeste invloed op voorzieningen die (deels) door de gemeente gefinancierd worden zoals scholen en sportvoorzieningen. Voorzieningen als winkels, huisartsen en de kinderopvang maken hierin zelfstandige afwegingen. In elke kern proberen we er samen met inwoners voor te zorgen dat ontmoeting en activiteiten mogelijk zijn. Daarbij zijn maatwerk en overleg met de dorpen van belang. Niet ieder dorp en iedere wijk is hierin hetzelfde.
In de nota Hart voor accommodaties (2008-2014) heeft de gemeente haar strategische beleid op het gebied van maatschappelijke accommodaties vastgelegd. De uitgangspunten uit deze nota zijn nog steeds actueel: Niet eigendom, beheer en exploitatie, maar het ‘faciliteren’ van maatschappelijke activiteiten vormt een kerntaak van de gemeente. We staan open voor initiatieven vanuit externe partijen op dit vlak; Uitgangspunt is om het basisniveau aan gemeentelijke accommodaties in stand te houden; We kijken naar de toekomstbestendigheid. Verdere instandhouding wordt afgewogen wanneer grootschalige investeringen aan de orde zijn (renovatie of nieuwbouw) en/of de bezetting van de accommodaties en kritische grens bereiken. Haalbaarheid en dekking moeten per individueel project worden aangetoond. In de Herijking toekomstperspectief Basisonderwijs (2016) beschrijven we voor welke scholen de komende jaren uitbreiding of vervanging aan de orde is. Als het aantal onder het wettelijk minimum zakt, stopt het ministerie van Onderwijs na 3 jaar de financiering en wordt de basisschool bijna altijd opgeheven. Waar scholen en sportvoorzieningen en andere functies niet meer tegen redelijke kosten zijn te handhaven, kiezen we voor samenwerking of bundeling. We gaan hierover vroegtijdig het gesprek aan met dorpen en wijken waarin dit speelt.
In het geval van scholen is ook het leerlingaantal bepalend. Flexibele, duurzame gebouwen dragen bij aan de toekomstbestendigheid en het gebruik van accommodaties. Vanuit opvoedkundig oogpunt is het ook wenselijk om functies als het consultatiebureau, kinderopvang en scholen zoveel mogelijk te combineren in Integrale Kindcentra (IKC’s).
34
Omgevingsvisie Heerenveen 2040 We streven daarom naar de bundeling van meerdere functies in IKC’s. Omdat elke situatie uniek is, verschilt het per locatie welke mogelijkheden er zijn en welke functies hierin worden ondergebracht.
5.4.11.3 Voorzieningen blijven bereikbaar Op plekken waar voorzieningen verdwijnen, is het van belang dat er aandacht is voor de bereikbaarheid van voorzieningen. Wanneer kinderen in andere dorpen naar school moeten, is het belangrijk dat er een veilige fietsroute beschikbaar is. Voor voorzieningen op grotere afstand blijft een vorm van openbaar vervoer van belang. In de komende jaren start een nieuwe ov-concessie voor Zuidoost-Fryslân (via de provincie). De gemeente heeft met een mobiliteitsanalyse en stakeholdersanalyse input geleverd voor het programma van eisen voor deze concessie. Knelpunten die besproken worden, zijn in ieder geval de bereikbaarheid van het ziekenhuis, voorzieningen in het stadiongebied, het Friesland College, de wijk Skoatterwâld en het Belvédère museum.
Daarnaast kunnen nieuwe collectieve vervoersconcepten kunnen een antwoord zijn voor de teruglopende bereikbaarheid in met name kleinere dorpen. Mooie voorbeelden zijn Samobiel (een meerijdienst voor dorpsbewoners) of Burgum Mobiel (elektrische taxi gereden door vrijwilligers). Een dorpsbus of dorpstaxi kan worden gebruikt om ‘s ochtends en ‘s middags scholieren naar school te brengen en de rest van de tijd om ouderen naar de door hen gewenste voorzieningen te brengen. De gemeente bevordert de afstemming tussen ovlijnen, Wmo-vervoer en dorpsinitiatieven. Op plekken waar ‘gaten’ vallen, zoeken we samen een passende oplossing.
In de nieuwe concessieperiode zal het vaker voorkomen dat bussen sneller en meer frequent gaan rijden op drukkere routes en minder door de kleine kernen. Een goede aansluiting – bijvoorbeeld via verbeterde fietsroutes - naar de opstapplaatsen van deze bussen wordt daardoor belangrijker. Zodra de concessie gegund is, kijken we wat daar in nodig is.
35
Omgevingsvisie Heerenveen 2040
Figuur 5.8 Samenvattende kaart Kernopgave 3 “Gezonde, leefbare en klimaatbestendige kernen
36
Omgevingsvisie Heerenveen 2040
5.5 Versterken van de kwaliteit en veerkracht van het landelijk gebied 5.5.1
2.
Schets van de opgave
Het diverse landschap vormt een belangrijke kwaliteit van onze gemeente. Het maakt het aantrekkelijk om in deze gemeente te wonen en te recreëren. Het belang van herkenbare en kwalitatief aantrekkelijke landschappen neemt steeds verder toe, naarmate andere delen van het land verder verstedelijkt raken. Tegelijkertijd erkennen we dat het landschap niet stilstaat en zich door de tijd altijd heeft aangepast aan maatschappelijke behoeftes. Nieuwe maatschappelijke behoeftes op het gebied van landbouw, recreatie, energietransitie en klimaatadaptatie krijgen hierin een plek. We willen er daarom voor zorgen dat nieuwe ontwikkelingen passen in het landschap op een manier dat de verschillende landschapstypen herkenbaar blijven.
3.
Maatwerk leveren; De ontwikkeling / het initiatief vraagt om maatwerk bij het inpassen binnen het landschapstype, waarbij aandacht uitgaat naar een goede balans tussen functies in het landschap en het behouden van de landschapskarakteristieken; Terughoudend zijn; De ontwikkeling / het initiatief sluit niet aan bij de gewenste functies in het landschapstype. Maatwerk is aan de orde indien er sprake is van een landschapsverbetering. Indien hier geen sprake van is wordt geadviseerd om op zoek te gaan naar een andere locatie (ander landschapstype).
Deze regionale landschapsvisie is geen vastgesteld beleid, maar is wel gebruikt als bouwsteen voor de Omgevingsvisie. De landschapsbeschrijving is gebruikt als basis voor de gebiedsgerichte uitwerking in hoofdstuk, waarbij we als gemeente zelf bepalen welke ontwikkelingen we willen stimuleren, waar we maatwerk leveren en waar we terughoudend willen zijn (zie hoofdstuk 6).
De afspraken uit het Klimaatakkoord over klimaatadaptatie en energietransitie hebben grote impact en vragen om keuzes over de inrichting van onze fysieke leefomgeving (zowel boven als -ondergronds). Wij beschouwen het als een belangrijke opgave om deze zo goed mogelijk in te passen in het landschap.
Bij deze methodiek bepaalt het antwoord op de volgende drie vragen bepaalt hoe groot de gevraagde kwaliteitsverbetering is: 1. Past de ontwikkeling bij het karakter van het gebied? (m.a.w. geldt vanuit de landschapsvisie het advies stimuleren, maatwerk leveren of terughoudend zijn?) 2. Hoe groot zijn de plannen en de impact op de omgeving? 3. Hebben de plannen eigen of ook maatschappelijk belang? In een programma werken we de kwaliteitsimpuls verder uit. Daarbij geven we aan bij welke typen ontwikkelingen we vragen om een kwaliteitsimpuls en geven we handvaten voor de invulling daarvan. Bij ontwikkelingen die passen binnen het karakter van het gebied (stimuleren) of kleine ontwikkelingen is een basisinspanning voldoende: de ontwikkeling wordt dan goed ingepast in de omgeving. Bij grotere ontwikkelingen of ontwikkelingen die minder goed passen binnen het landschapstype wordt een grotere kwaliteitsprestatie gevraagd. Voor ontwikkelingen waarbij een kwaliteitsimpuls in de directe omgeving niet haalbaar is, overwegen we om een landschapsfonds in te richten, zodat ontwikkelingen op de ene locatie bijdragen aan versterking van het landschap op een andere plek. Op die manier zetten we de middelen altijd in op de plek waar deze het meest gewenst zijn.
De afname van biodiversiteit, de aantasting van landschappen en bodemdaling in het veenweidegebied vragen om andere, duurzamere verdienmodellen voor het landelijk gebied. Omdat een overgang naar duurzamere landbouw gevolgen heeft voor boeren en inwoners, is verdere samenwerking en dialoog essentieel.
5.5.2
We beschermen en versterken de kwaliteit van het landschap
5.5.2.1 Beschermen van het raamwerk In de Regionale Landschapsvisie Zuidoost-Friesland zijn de kernkwaliteiten en dragers van de verschillende landschapstypen uitvoerig beschreven. De landschapskarakteristiek wordt bepaald door: de (geo)morfologie, groene en blauwe structuren, verkavelingsstructuur, infrastructuur, waterstructuur en cultuurhistorische elementen. Niet alle elementen zijn beschermwaardig en cruciaal voor de leefbaarheid van het landschap. In de gebiedsgerichte uitwerking (H6) wordt omschreven welke landschapselementen we als de dragers van het landschap zien. Samen vormen deze dragers een “raamwerk” waarbinnen nieuwe ontwikkelingen kunnen worden ingepast. In figuur 5.5 zijn de verschillende landschapstypen verbeeld. 5.5.2.2 Nieuwe ontwikkelingen worden goed ingepast in het landschap Het ene landschapstype heeft een groter “opnamevermogen” voor nieuwe ontwikkelingen dan het andere. In de Regionale Landschapsvisie ZuidoostFriesland 2018-2028 is een systematiek ontwikkeld waarbij per landschapstype en per type ontwikkeling een richtinggevend advies wordt gegeven. Daarbij wordt onderscheid gemaakt tussen: 1. Stimuleren; De ontwikkeling / het initiatief past binnen de gewenste functies in het landschapstype en draagt bij aan het behouden of versterken van de landschapskarakteristieken;
Figuur 5.9 Landschappelijke diversiteit in de omgeving van Heerenveen
5.5.2.3
Grote ontwikkelingen gaan gepaard met nieuwe investeringen in het landschap (kwaliteitsimpuls) Bij ontwikkelingen die een grote impact hebben op het landschap of die minder goed passen bij een bepaald landschapstype, vragen we om een kwaliteitsimpuls. Op die manier wordt de landschappelijke structuur versterkt. Daarbij zoeken we naar evenwicht tussen ontwikkelingsruimte en kwaliteitsprestaties. De systematiek “Kwaliteitsimpuls Groene Omgeving” van de Provincie Overijssel geeft een goed beeld van de werkwijze die we voorstaan.
Figuur 5.10 Systematiek van de kwaliteitsimpuls groene ruimte 5.5.3
Samenwerken buitengebied
aan
nieuwe
verbindingen
tussen
kernen
en
5.5.3.1 Kernen en buitengebied vullen elkaar aan Het buitengebied en de kernen van Heerenveen vullen elkaar aan. In de kernen zijn de voorzieningen en ontmoeten mensen elkaar. In het buitengebied wordt ons voedsel verbouwd, maar is ook ruimte om te recreëren en te ontspannen. De vitaliteit van het buitengebied bepaalt mede de vitaliteit van de dorpen en omgekeerd. Als er economisch perspectief is voor de boeren, betekent het ook dat zij bijdragen aan de economie en het verenigingsleven in de kernen. Andersom hebben de boeren draagvlak nodig om hun werkzaamheden uit te kunnen voeren en kunnen ze een deel van hun producten lokaal afzetten. Nieuwe verbindingen tussen kernen en omliggend buitengebied kunnen hieraan bijdragen. Daarbij gaat het zowel om fysieke (recreatieve) verbindingen, alsook nieuwe samenwerkingsverbanden.
37
Omgevingsvisie Heerenveen 2040 5.5.3.2 We faciliteren nieuwe recreatiemogelijkheden Het veelzijdige buitengebied geeft volop mogelijkheden om te recreëren. We willen mogelijkheden bieden om nieuwe recreatieve routes en nieuwe mogelijkheden voor verblijfs- of dagrecreatie toe te voegen. Die ontwikkelingen moeten wel passen bij (de identiteit en schaal van) het landschap. Kleinschalige ontwikkelingen zoals bed & breakfasts, minicampings zijn op veel plekken inpasbaar. Bij grootschalige ontwikkelingen zoals recreatieparken willen we een specifieke afweging maken. We onderzoeken of het opstellen van nieuw beleid of meer regionale afstemming wenselijk is. 5.5.3.3 Met samenwerking en dialoog komen we verder De realisatie van duurzaam landschap is een brede maatschappelijke opgave, waarbij een optimum moet worden gezocht tussen ecologische draagkracht van het landschap, sociaal-culturele waarden en economische verdiencapaciteit. De transitie in de landbouw, waarbij meer aandacht is voor natuurwaarden en voor klimaatverandering, kan worden verbonden met andere economische perspectieven, zoals recreatie en toerisme. Een duurzamere werkwijze kan alleen tot stand komen wanneer boeren, inwoners, overheden en terrein beherende organisaties oog hebben voor elkaars belangen.
Tijdens de Omgevingsdialogen in maart en mei 2019 is meerdere keren gepleit voor meer dialoog tussen boeren en inwoners. We streven daarom naar een brede inbedding van natuur-inclusieve landbouw en een verbinding tussen dorpsbewoners, boeren en recreatieondernemers. Daarmee werken we aan een duurzaam landschap, waarbij people, planet en profit elkaar versterken. Net als in het gebied Aldeboarn-De Deelen, willen we daarom op meerdere plekken werken vanuit een brede, integrale gebiedsaanpak. Omdat deze aanpak intensief is, doen we dit niet op alle plakken tegelijk, maar kijken we waar de gebiedsopgave het grootst is. De rol van de gemeente is vooral faciliterend.
5.5.4
We pakken samen de opgaven in het veenweidegebied aan
5.5.4.1 Daling van de veenbodem Een flinke opgave in het landelijk gebied is de daling van de veenbodem. Door de oxidatie van het veen spelen hier problemen met vermindering van de landbouwopbrengst, afname van de waterbergingscapaciteit, versnippering van het waterbeheer, verdichting van de bodem, terugloop van de biodiversiteit en risico op schade aan funderingen. Aan de andere kant liggen er ook kansen om met de biodiversiteit te vergroten, de CO2-uitstoot te terug te dringen, het toerisme te stimuleren en verdienmogelijkheden voor de boeren toe te voegen. Daarmee wordt het gebied duurzamer en toekomstbestendiger. 5.5.4.2 Gebiedsplan Aldeboarn-de Deelen Vanwege het aanwezige veenpakket wordt het gebied Aldeboarn / De Deelen in het Veenweideprogramma 2021-2030 aangemerkt als ontwikkelgebied. Door boeren in het gebied (Gebiedscollectief it Lege Midden) en de Stichting Beekdallandschap Koningsdiep/ De Nije Boarn wordt gewerkt aan oplossingen voor de veenweideproblematiek. Er zijn onder andere proeven opgestart met grondwater gestuurd peilbeheer, andere vormen van maïsteelt en het verbeteren van de bodemvruchtbaarheid. Met de inzichten vanuit de pilotprojecten wordt de stap gemaakt naar een Ontwikkelperspectief voor de komende jaren.
Samen met de hierboven genoemde initiatiefnemers en de betrokken overheden is een Gebiedscommissie gevormd die moet toezien op de voorbereiding en uitvoering van het Gebiedsplan. De gemeente neemt daarbij deel in de stuurgroep. Er is een wisselwerking tussen het Ontwikkelperspectief en de Gebiedsplan. De gemeente levert haar inbreng in de stuurgroep op basis van deze Omgevingsvisie. Zodra het Gebiedsplan is vastgesteld, wordt deze verwerkt in de Omgevingsvisie. Dit kan leiden tot aanpassing van de gebiedsteksten in hoofdstuk 6. 5.5.5
Wat betreft de omvang van de bedrijven, werken we ten behoeve van het Omgevingsplan voor het buitengebied een methodiek uit die aansluit bij het Provinciale beleid. Daarbij is de omvang van de percelen minder van belang, maar kan bij schaalvergroting een investering in het landschap aan de orde zijn (zie ook de bovenstaande methodiek Kwaliteitsimpuls Groene Ruimte). 5.5.5.2 We maken meer mogelijk op agrarische erven Het beleid voor het buitengebied van onze gemeente is op dit moment voor een belangrijk deel vastgelegd in drie verouderde bestemmingsplannen uit de voormalige gemeenten Heerenveen, Boarnsterhim en Skarsterlân. Daarnaast is de notitie Harmonisatie bestemmingsplannen Buitengebied (gemeentelijke herindeling 2014) opgesteld om te voorkomen dat er binnen de huidige gemeente beleidsverschillen ontstaan. Om de ambities op het gebied van natuur inclusieve landbouw mogelijk te maken en meer ruimte te bieden voor nieuwe functies die de leefbaarheid van het platteland te vergroten, willen we meer ruimte bieden voor het gebruik van agrarische erven.
Ten behoeve van een nieuw op te stellen Omgevingsplan Buitengebied wordt het bestaande beleid geactualiseerd waarbij we (binnen voorwaarden) ruimte willen bieden voor: Verplaatsing van agrarische bedrijven (in relatie tot verbetering van het landschap of het oplossen van milieuknelpunten); Agrarische innovaties (in relatie tot dierenwelzijn, kringlooplandbouw en natuur inclusieve landbouw); Energieopwekking bij agrarische bedrijven; Nevenactiviteiten bij agrarische bedrijven, zoals ondergeschikte detailhandel en aan-huis-verbonden beroepen; Het verlenen van (mantel)zorg; Uitbreiding van recreatieve functies.
Een duidelijk ontwikkelperspectief voor de landbouw
5.5.5.1 Een groeiperspectief in duurzame richting Voor agrarische bedrijven is de continuïteit van bedrijven belangrijk. Het ontwikkelperspectief moet daarom helder zijn. De afname van biodiversiteit, bodemdaling en CO2-uitstoot in het veenweidegebied en het onderhouden van de landschappelijke kwaliteit vragen om duurzame verdienmodellen voor het landelijk gebied.
Figuur 5.11 Samen werken aan een duurzaam landschap
Aansluitend bij de landbouwvisie van het ministerie ondersteunen wij een landbouwsector die past bij de schaal van het landschap, zich meer toelegt op het sluiten van kringlopen (kringlooplandbouw) en gericht is op het beschermen en ontwikkelen van natuurwaarden (natuur inclusieve landbouw). Bij kringlooplandbouw komt zo min mogelijk afval vrij, is de uitstoot van schadelijke stoffen zo klein mogelijk en worden grondstoffen en eindproducten met zo min mogelijk verliezen benut. Het sluiten van kringlopen zien wij op een bedrijfsoverstijgend niveau. Bedrijven kunnen ook samenwerken om kringlopen op een lokaal niveau te sluiten, bijvoorbeeld akkerbouwers die de mest van veetelers gebruiken of het voeren van vee vanuit reststromen.
38
Omgevingsvisie Heerenveen 2040 5.5.5.3
We geven een nieuwe bestemming aan vrijkomende agrarische bedrijven Door schaalvergroting in de landbouw neemt het aantal agrarische bedrijven af. Voor de vrijkomende agrarische bedrijven is een nieuwe bestemming wenselijk. Zeker als het gaat om karakteristieke gebouwen. Daarbij denken we aan mogelijkheden voor toeristisch-recreatieve functies, kleinschalige vormen van wonen en bedrijvigheid.
leveren aan de afspraken uit het Klimaatakkoord en hoe dat op een zorgvuldige wijze ruimtelijk ingepast kan worden. De RES-regio’s geven met hun bod dus ook hun ambitieniveau aan. Tijdens dit proces wordt de energiemix op het niveau van Fries grondgebied bepaald en een doorkijk gegeven op welke plekken dit kan of moet landen. Concreet kan het gevolg zijn dat Heerenveen (of andere gemeenten) een grotere opgave krijgt om nabijgelegen gemeenten met weinig grondgebied te compenseren.
Het omvormen van een voormalig agrarische bedrijven naar een nieuwe bestemming, geeft tevens mogelijkheden om agrarische bebouwing te slopen die geen functie meer heeft. Om de sanering van bebouwing en het opknappen van karakteristieke panden te financieren, geven we (vanaf een bepaalde omvang) bouwrechten voor een nieuwe woning (ruimte-voor-ruimte). De exacte mogelijkheden voor vrijkomende agrarische bedrijven werken we nog uit in een programma. Daarbij houden we rekening met de Provinciale kaders op dit gebied.
De bijdrage aan de nationale doelstellingen voor duurzame stroom komen tot stand op basis van vier afwegingen: 1. Ruimtegebruik; 2. Maatschappelijk en bestuurlijk draagvlak; 3. Kwantiteit; 4. Systeem-efficiëntie.
5.5.6
Zorgvuldig vormgeven van de Energietransitie
5.5.6.1
Samen werken aan het Klimaatakkoord en een Regionale Energiestrategie (RES) Nu het Klimaatakkoord is vastgesteld, zijn regionale overheden aan zet om de opgaven op het gebied van Elektriciteit op land (opwekken van 35 TWh in 2030) en de Gebouwde Omgeving uit te werken in Regionale Energiestrategieën (RES). De gebouwde omgeving kwam aan de orde in paragraaf 5.3.5. Het vervolg van deze paragraaf spitst zich verder toe op de opwekking van elektrische energie. Klimaatakkoord In het Klimaatakkoord hebben bedrijven, maatschappelijke organisaties en overheden afspraken gemaakt over maatregelen om de CO2-uitstoot in Nederland te verlagen. De afspraken worden gemaakt binnen vijf sectoren: Elektriciteit, Gebouwde omgeving, Industrie, Landbouw en landgebruik en Mobiliteit. Elke sector krijgt de opdracht om een aantal tonnen CO 2 te besparen. In 2030 moet de totale uitstoot van broeikasgassen 49% lager zijn dan in 1990. In 2050 moet dit oplopen tot 95% minder uitstoot. Heerenveen heeft deze doelstellingen overgenomen in haar Duurzaamheidsprogramma. Het kabinet neemt veel maatregelen om de klimaatdoelen te halen. Zo gaan bedrijven belasting betalen over te veel uitgestoten CO 2. De land- en tuinbouw krijgt de komende tien jaar bijna een miljard euro aan subsidie om te verduurzamen. Elektrisch rijden wordt vooral voor particulieren aantrekkelijk gemaakt.
De belasting op gas gaat omhoog, die op elektriciteit daalt juist. Om huizen te verduurzamen komt er een Warmtefonds dat jaarlijks 50 tot 80 miljoen euro bevat. Met behulp van dat fonds kunnen inwoners tegen een lage rente geld lenen om bijvoorbeeld huizen beter te isoleren. Een Regionale Energiestrategie is een instrument om gezamenlijk tot keuzes te komen voor de opwekking van duurzame, elektriciteit, de warmtetransitie in de gebouwde omgeving en de daarvoor benodigde opslag en energieinfrastructuur. De regio’s kunnen in de RES aangeven welke bijdrage zij kunnen
Voor de zomer is door de Friese overheden en aangehaakte partners een concept—RES neergelegd. Gemeenten, bedrijven en andere belanghebbenden gaan in gesprek om vorm te geven aan een uitvoerbare RES 1.0 die in juni 2021 klaar moet zijn. Nadat de RES definitief is, vertalen we de uitgangspunten naar de Omgevingsvisie. Tot die tijd hanteren we de onderstaande uitgangspunten en het geldende beleid voor zonneparken en windmolens. 5.5.6.2 Algemene uitgangspunten voor de Energietransitie De energietransitie gaat hoe dan ook leiden tot veranderingen in de gebouwde omgeving en in het landschap. Met de Omgevingsvisie en daaruit voortvloeiend beleid bepalen we welke vormen van energie we willen toestaan en welke voorwaarden we stellen aan goede ruimtelijke inpassing. Initiatieven op het gebied van energiebesparing en kleinschalige (gebouw gebonden) vormen van hernieuwbare energie willen we ruimhartig ondersteunen. In de meeste gevallen zijn deze vergunningsvrij. Ook kleinschalige windmolens met een ashoogte tot 15 meter willen we mogelijk maken met een eenvoudige procedure. Bij monumenten en beschermd dorpsgezicht houden we een lichte vorm van sturing via de aanvraag van een omgevingsvergunning. Hierbij is het uitgangspunt dat het straatbeeld niet wordt aangepast en dat energie-opwekkers zorgvuldig worden ingepast.
Dat we ook grootschalige oplossingen nodig hebben om Heerenveen energieneutraal te maken, beschouwen we als een gegeven. Deze bieden daarnaast ook kansen om nieuwe kwaliteiten toe te voegen aan het landschap, werkgelegenheid te creëren en innovatie te stimuleren. Het is dus de vraag welke grootschalige energieoplossingen we passend vinden bij Heerenveen en onder welke voorwaarden we die willen toestaan. Aansluitend bij de vier afwegingsprincipes en onze visie op inpassing van ontwikkelingen in het landschap hanteren we de volgende ruimtelijke uitgangspunten voor grootschalige energieprojecten: Zuinig ruimtegebruik: door vraag en aanbod zo veel mogelijk bij elkaar te brengen hoeven we minder infrastructuur aan te leggen;
Meervoudig ruimtegebruik: onder andere door het combineren van opgaven en investeringen met andere opgaven; De bestaande kwaliteiten van een gebied zijn uitgangspunt voor de ontwikkelingen (ruimtelijke kwaliteit); Grootschalige ontwikkelingen in het landelijk gebied gaan gepaard met nieuwe investeringen in het landschap.
Na het vaststellen van de RES bekijken we of actualisatie van deze beleidskeuzes wenselijk is. 5.5.6.3 Beleid voor zonneparken en windmolens Het gemeentelijk zonneparkenbeleid gaat uit van kleine parken in aansluiting op kleine dorpen en grotere parken bij Heerenveen (zie Beleidskader Zonneparken, 2016). Dit beleidskader functioneert over het algemeen goed omdat het duidelijkheid geeft aan inwoners en initiatiefnemers. Het Provinciaal beleid geeft (iets) meer ruimte voor maatwerkoplossingen. Wanneer er meer bekend is over de RES-opgave, wegen we af of actualisatie van het beleidskader zonneparken gewenst is. De Beleidsnotitie Windenergie (2005) is sterk verouderd. Door de Provincie wordt ruimte geboden voor kleinschalige solitaire windmolens (EAZ-molens). We bereiden daarom een partiële herziening van het bestemmingsplan voor, om medewerking te kunnen verlenen aan kleinschalige windmolens (maximaal 3 windmolens op agrarische erven van 15 meter hoog). Of verdere actualisatie van het windbeleid nodig is, wegen we af na de vaststelling van de RES. 5.5.7
We maken onze eigen visie op bodem en ondergrond
Het wordt drukker in de ondergrond. In de diepe ondergrond kunnen functies als gaswinning, geothermie en drinkwaterwinning elkaar bijten. Meer aan de oppervlakte zoeken we ruimte voor waterberging, bomen, kabels en leidingen. Daarnaast vragen de energietransitie en de communicatietechnologie tot nieuwe ruimteclaims in de ondergrond (warmtenetten, verzwaarde elektriciteitsnetten, glasvezel). Het Rijk heeft met de Structuurvisie Ondergrond (STRONG) een stap gezet in de ordening van de diepe ondergrond. Begin 2020 is een Beleidsnotitie Gaswinning vastgesteld door de gemeenteraad. Deze notitie is bedoeld om te kunnen sturen op de ruimtelijke ordening van gaswinningslocaties. Vanaf volgend jaar ontwikkelen we een eigen visie op bodem en ondergrond. Deze visie vormt een thematische uitwerking van de Omgevingsvisie. 5.5.8
Samen werken aan een natuurlijker bodem- en grondwatersysteem
5.5.8.1 Strategische visie waterbeheer Het natuurlijk bodem- en grondwatersysteem bepaalt in belangrijke mate welke vormen van landbouw en natuur in het gebied mogelijk zijn. In het Waterplan (2003) van de voormalige gemeente Heerenveen is een strategische visie opgenomen voor het beheer, gebruik en inrichting van het water in de gemeente Heerenveen, met 2030 als horizon. De strategische visie en de
39
Omgevingsvisie Heerenveen 2040 5.5.9
strategische doelen uit dit Waterplan worden overgenomen in de Omgevingsvisie. Zie ook paragraaf 5.4.8.
De soortenrijkdom neemt toe wanneer leefgebieden groter worden en beter met elkaar verbonden zijn. Wij streven daarom naar betere verbindingen in het natuurwetwerk. De Provincie heeft het voortouw bij het realiseren en inrichten van Natuurnetwerk Nederland (NNN). Waar het kan leveren we een bijdrage aan de ecologische verbindingszones die zijn aangeduid door de Provincie.
5.5.8.2 Infiltreren en vasthouden van water Het vasthouden is vooral aan de orde op de hoger gelegen dekzandrug. Dit geven we vorm door het regenwater zoveel mogelijk af te koppelen en in de bodem te infiltreren. Daarnaast streven we ernaar om de afvoer van water in nieuwe sloten zoveel mogelijk te beperken. 5.5.8.3 Waterbergend vermogen vergroten In de lager gelegen beekdalen en veengebieden willen we juist meer ruimte bieden om water te bergen en piekbuien op te vangen. Dit zorgt er ook voor dat we in drogere tijden minder gebiedsvreemd water hoeven in te laten. Dat laatste aspect wordt dan ook meegenomen in de planvorming voor het gebied Aldeboarn-De Deelen. 5.5.8.4 Waterstructuur veenontginning beleefbaar houden Kenmerkend voor Heerenveen is de geschiedenis van veenontginning. De aanwezig waterstructuur is daar nog een zichtbaar restant van. Met name in het hoogveenontginningslandschap is de structuur van de Compagnonsvaart en de wijken nog goed te herkennen. Het zichtbaar en beleefbaar maken van deze structuur is voor dit gebied daarom een belangrijk doel, naast het duurzaam beheren van het water.
Samen werken aan het natuurwerk
5.5.8.5 Bescherming van drinkwater De gemeente ziet ook het belang van een natuurlijker bodem- en grondwatersysteem om de levering van drinkwater voor de toekomst te waarborgen. Beschermingszones voor drinkwater nemen wij op in ons Omgevingsplan.
In het vastgestelde Duurzaamheidsprogramma (2019) hebben we de ambitie uitgesproken om als gemeente te werken aan een fijnmaziger, lokaal natuurnetwerk. Dit netwerk omvat zowel het landelijk gebied, bebouwde omgeving, particuliere tuinen en bedrijventerreinen. In een uit te werken groenstructuurvisie brengen we in beeld welke schakels in het natuurnetwerk ontbreken en benoemen we de kansen voor de verdere ontwikkeling hiervan (zie paragraaf 5.4). Investeringen in het natuurnetwerk kunnen ook onderdeel zijn van de kwaliteitsimpuls als bedoeld in paragraaf 5.5.2.
40
Omgevingsvisie Heerenveen 2040
Figuur 5.12 Kernopgave 4 “Versterken van de kwaliteit en veerkracht van het landelijk gebied
41
Omgevingsvisie Heerenveen 2040
6 Gebiedsgerichte uitwerking van de visie
te ontwikkelen en minder te werken met kwantitatieve (en uniforme) regels1. Hiermee geven we invulling aan het motto van de Omgevingswet: ruimte voor ontwikkeling, waarborgen voor kwaliteit.
het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl). Voor luchtkwaliteit en externe veiligheid geldt dat gemeenten alleen strengere waarden kunnen hanteren. Voor het aspect licht gelden geen instructieregels van het Rijk en hebben gemeenten de vrijheid om wel of geen regels te stellen.
In dit hoofdstuk is per deelgebied omschreven Een beknopte beschrijving van de ontstaansgeschiedenis Welke kernkwaliteiten we willen behouden en versterken; Welke functionele kenmerken het gebied heeft (zie toelichting gebiedstypen onderstaand); Welke ontwikkelingen in de komende jaren worden voorzien; Welke beleidsuitgangspunten en ambities van toepassing zijn. 6.1.1.2 …en ambities op het gebied van Omgevingskwaliteit Per gebied wordt aangegeven welke omgevingsaspecten van belang zijn en welke ambities we nastreven. Doelstellingen kunnen per gebied verschillen. Denk daarbij aan het volgende typen ambities: Meer of juist minder mengen van functies; Ruimte geven voor nieuwe economische activiteiten (met een bepaalde mate van hinder) of de ambitie om het woon en leefklimaat te verbeteren; Een meer of minder hoge milieubelasting toestaan dan de wettelijke standaardwaarde uit de Omgevingswet. In het Omgevingsplan worden aan deze beleidsdoelen concrete regels verbonden. 6.1.1.3
Omgevingskwaliteit is een breed begrip en betekent niet overal hetzelfde Omgevingskwaliteit bestaat uit een groot aantal aspecten die samen bepalen hoe gezond en veilig de leefomgeving is, hoe we deze ervaren en hoe toekomstbestendig deze is. Per gebied zijn verschillende aspecten doorslaggevend voor de Omgevingskwaliteit. In het ene gebied is dat de levendigheid of de aanwezigheid van verschillende functies. Op andere plekken wordt de kwaliteit juist bepaald door de afwezigheid van functies en is de mate van rust, stilte en duisternis dat wat die plek aangenaam maakt.
6.1 Naar gebiedsgericht omgevingsbeleid 6.1.1.1 Ontwikkelen op basis van kernkwaliteiten… De Omgevingswet biedt meer mogelijkheden om per gebied een gedifferentieerd omgevingsbeleid te maken. Met het vaststellen van de Beleidskoers fysieke leefomgeving heeft de gemeenteraad besloten om het beleid gebiedsgericht uit te werken (zie ook afwegingsprincipes in paragraaf 4.3). Zo ontstaat voor elk gebied een duidelijk toekomstperspectief, dat kan worden gebruikt bij de afweging van concrete initiatieven (bijvoorbeeld in het kader van een omgevingsvergunning). Een gebiedsgerichte uitwerking biedt handvatten om gebieden vanuit de bestaande (of gewenste) kwaliteiten verder
Ten behoeve van het Omgevingsplan werken we een methodiek uit waarmee we op gebiedsgerichte wijze verder invulling geven aan het begrip de Omgevingskwaliteit. De gebiedstypen en ambities uit dit hoofdstuk vormen hiervoor de basis. 6.1.1.4 Bestuurlijke afwegingsruimte De bestuurlijke afwegingsruimte voor lokaal maatwerk verschilt in de Omgevingswet per aspect. Voor de aspecten geluid, geur (van veehouderijen), trillingen en bodem is in de Omgevingswet afwegingsruimte opgenomen. Gemeenten mogen voor deze aspecten strengere normen of minder strenge omgevingswaarden vaststellen dan de standaardwaarde die is opgenomen in
Op dit moment zijn er diverse vormen van gebiedsgericht omgevingsbeleid van toepassing in de gemeente. Ten aanzien van het aspect geurhinder van veehouderijen kent Heerenveen al gebiedsgericht omgevingsbeleid. In de Beleidsnotitie geur zijn vier gebiedstypes afstanden vastgelegd die aangehouden moeten worden tussen stallen en geurgevoelige bebouwing. Ook de geldende Welstandsnota en het beleid voor het beheer van de openbare ruimte (Nota Kapitaalgoederen) worden gezien als een vorm van gebiedsgericht omgevingsbeleid. Voor andere milieuaspecten zijn in Heerenveen nog geen gebiedsgerichte normen uitgewerkt. Nieuwe normen worden opgenomen in Omgevingsplan of in aparte beleidsregels. In het kader van het Omgevingsplan werken we gebiedsgericht milieubeleid uit dat aansluit bij de doelstellingen van de Omgevingsvisie. Tot die tijd zijn de bestaande normen van toepassing. 6.1.1.5 Gebruik van dorps- en wijkvisies Bij de formulering van kernkwaliteiten en ambities per gebied zijn de een aantal onlangs geactualiseerde dorpsvisies gebruikt (voor zover beschikbaar per september 2020). Verouderde dorps- (en wijk)visies uit de periode 2007-2010 zijn niet meegenomen, omdat verschillende punten intussen zijn gerealiseerd of om dat deze verouderd zijn.
Wanneer wijk- of dorpsvisies in de toekomst worden aangepast, kan dit bij actualisatie van de Omgevingsvisie leiden tot aanpassingen van dit hoofdstuk. Daarbij wordt steeds afgewogen hoe de dorpsvisie zich verhoudt ten opzichte van de beleidskoers van de gemeente.
1
Ook in de toekomst blijven regels nodig om bestaande Omgevingskwaliteiten te beschermen en een bepaalde mate van rechtszekerheid te bieden. In het Omgevingsplan wordt afgewogen welke regels wenselijk en noodzakelijk zijn
42
Omgevingsvisie Heerenveen 2040
6.1.2 Gebiedsindeling: gebiedstypen en deelgebieden In figuur 6.2 is een gebiedsindeling weergegeven. Voor de gebiedsindeling is een balans gezocht tussen de herkenbaarheid voor inwoners en het schaalniveau waarop het beleid kan worden geconcretiseerd. De gebiedsindeling is onder meer gebaseerd op (onderlinge verschillen in): Ruimtelijke kenmerken / identiteit (o.a. de betekenis voor de identiteit van de gemeente of de betekenis als cultureel erfgoed); De aanwezigheid van een bepaalde (mix) aan functies; Dynamiek en ontwikkelingen / verschil in opgave; Beleidsuitgangspunten.
Er is een onderscheid gemaakt tussen een aantal gebiedstypen, met daaraan ondergeschikt verschillende deelgebieden. In de paragrafen 6.2 tot en met 6.9 zijn algemene uitgangspunten en ambities opgenomen die gelden voor de volgende acht gebiedstypen: Centrumgebieden; Gemengde gebieden met een bovenlokaal karakter; Groene gebieden met een bovenlokaal karakter; Historische lintstructuren; Hoofdassen en infrastructuur; Woongebieden; Bedrijventerreinen; Buitengebied.
In subparagrafen met deelgebieden zijn specifieke uitgangspunten toegevoegd voor zover deze in bepaalde deelgebieden van toepassing zijn.
Figuur 6.2 Gebiedsindeling
43
Omgevingsvisie Heerenveen 2040
6.2 Centrumgebieden 6.2.1
Algemene uitgangspunten centrumgebieden
6.2.1.1 Beschrijving centrum gebieden De gemeente kent een aantal gebieden met een bovenlokale functie; dat wil zeggen dat er - naast de inwoners - ook veel andere mensen het gebied regelmatig bezoeken voor werk, ontspanning of ontmoeting. Daardoor is ook de verblijfskwaliteit en de bereikbaarheid van deze gebieden van belang. Daarbij gaat het om de centrumgebieden van Heerenveen, Akkrum, Aldeboarn en Jubbega. De gebieden worden gekenmerkt door een grote mate van functiemenging en de aanwezigheid van historische bebouwing.
6.2.1.2 Ontwikkelingen en opgaven Als gevolg van vergrijzing en een groeiend aantal online verkopen is het waarschijnlijk dat het winkelvloeroppervlak in de toekomst afneemt en winkelgebieden compacter worden. Daarnaast worden sfeer en beleving in winkelgebieden steeds belangrijker.
De kwaliteit van de openbare ruimte en de bebouwing is wisselend. Op sommige plekken is erg veel verharding aanwezig en weinig groen, waardoor de verblijfskwaliteit te wensen over laat en de gebieden nog onvoldoende berekend zijn op de gevolgen van klimaatverandering (o.a. hittestress en wateroverlast). Ook is op sommige plekken transformatie van (leegstaande) bebouwing aan de orde.
fiets, OV en auto geborgd is. Daarbij horen voldoende parkeervoorzieningen en fietsenstallingen. In deze gebieden willen we volop ruimte geven aan levendigheid, functiemenging en evenementen. Daarbij zoeken we naar een balans met de woonfunctie die ook in centrumgebieden aanwezig is; Winkelgebieden zullen compacter worden. Elke kern heeft haar eigen verzorgingsgebied op het gebied van voorzieningen, detailhandel en horeca. In het nieuwe detailhandelsbeleid werken we dit voor de verschillende winkelgebieden verder uit.
6.2.1.3 Algemene uitgangspunten en ambities centrumgebieden Voor centrumgebieden zijn de volgende ambities en uitgangspunten van belang: Voor de centrumgebieden van Heerenveen, Akkrum, Jubbega en Aldeboarn worden centrumvisies gemaakt. Binnen het Fonds Vitale Kernen is dekking beschikbaar voor investeringen in deze gebieden. Voor de kernen Akkrum en Jubbega zijn er ook middelen vanuit de Regiodeal Zuidoost-Friesland. De afbakening van projecten, het investeringsniveau en het -tempo wordt bepaald in de verschillende centrumvisies; Een aantrekkelijke inrichting van de openbare ruimte is hier erg belangrijk. Daarom stellen we stevige eisen aan de vormgeving van nieuwe gebouwen en de inrichting van de openbare ruimte. Waar de openbare ruimte een kwaliteitsimpuls nodig heeft, verbeteren we die door werkzaamheden te combineren. Het vergroenen en klimaatbestendig maken, maakt expliciet onderdeel uit van de centrumplannen; Omdat de gebieden een functie vervullen voor inwoners uit een groter gebied is het van belang dat de bereikbaarheid van deze gebieden met de
44
Omgevingsvisie Heerenveen 2040
6.2.2
Centrum van Heerenveen
6.2.2.1 Ontstaansgeschiedenis De eerste bebouwing in Heerenveen was geconcentreerd langs de Heeresloot en de Schoterlandse Compagnonsvaart (Herenwal, Lindegracht, Breedpad en Van Harenspad). De veencompagnons en andere notabelen lieten grote huizen bouwen, die later wisselden van eigendom, uitgebreid werden en/of een andere functie kregen. Voorbeelden zijn het huidige Crackstate en Oenemastate (het vroegere gemeentehuis van Schoterland en thans Het Gerecht). Rond 1600 werd er ook gebouwd aan het gebied ten oosten en ten westen van de Dracht. Dit riviertje voerde het water af van het hoger gelegen gebied in de richting van het Sneekermeer (bij Terkaple Langs) en werd recht getrokken om de afvoer van het veen te verbeteren.
6.2.2.3 Functionele gebiedsomschrijving Het centrumgebied is een plek met een sterke menging van functies, zoals woningen, detailhandel, horeca, dienstverlening, cultuur- en ontspanning, etc.
De schil rondom het kernwinkelgebied is een overgangszone. De Molenwijk, het Kuperusplein en het Gashouderplein worden nu in belangrijke mate bepaald door de parkeerfunctie. Bij het Geerts Willigenplein bevindt het parkeren zich onder de grond en vormt het gebied een wijkparkje; Verder van het kernwinkelgebied heeft het centrum vooral een woonfunctie, bijvoorbeeld in de Vlinderbuurt en het gebied ten westen van de Dekemalaan.
6.2.2.4 Ontwikkelingen en opgaven: Centrumvisie 2019 In een G-1000 proces zijn door ingelote inwoners voorstellen uitgewerkt voor het centrum. Parallel aan het G1000 proces heeft een groep uit de Heerenveense Ondernemers Vereniging (HOV), Heerenveen ’n Gouden Plak, ondernemers, vastgoedeigenaren en – gebruikers ook voorstellen gedaan voor de verbetering van het centrum, de G20. Een belangrijke conclusie is dat het centrum meer een ontmoetingsplek kan zijn voor Heerenveen (en de omliggende regio). Daarom moet het centrum aantrekkelijker worden ingericht en meer plek bieden aan evenementen. De leegstand in het centrum van Heerenveen ligt boven het Nederlands en Fries gemiddelde. Met trends als internetverkoop is het waarschijnlijk dat dit percentage verder toeneemt. In het G1000-proces zijn daarom aanbevelingen gedaan met betrekking tot de bereikbaarheid en het compacter maken van het winkelgebied. Onaantrekkelijk vastgoed in het centrum moet de komende jaren worden getransformeerd naar een andere functie. Daarnaast is het van belang dat het centrum goed bereikbaar en gastvrij is. In het centrum is sprake van een relatief eenzijdige woonvoorraad. Het is daarom wenselijk om onderscheidende, kwalitatief hoogwaardige woningen toe te voegen. Met aansprekende architectuur krijgt het centrum een nieuw gezicht.
Toevoeging van nieuwe woningen draagt ook bij aan de levendigheid in het centrum. Dit is nodig voor een toekomstbestendig centrum.
6.2.2.2 Kernkwaliteiten Aanwezigheid regionale voorzieningen zoals theater, winkels, gemeentehuis; Aanwezigheid monumenten en cultuurhistorisch waardevolle bebouwing en diverse beeldbepalende gebouwen; Aanwezigheid van historische lintstructuur; Belangrijke werkgelegenheidsfunctie; Goede bereikbaarheid via onder andere het spoor (station Heerenveen), auto en fiets. Voldoende parkeergelegenheid op korte afstand van winkels.
Het centrum van Heerenveen bestaat uit een aantal deelgebieden, met elk een eigen functieprofiel: De Dracht en de Sieverstraat en de hiermee verbonden stegen en pleinen hebben vooral een winkelfunctie; Rondom de Oude Koemarkt, de Vleesmarkt en Amelius van Oenemapark en het Breedpad is een concentratie van cafés en restaurants; Langs de historische invalsroutes naar het centrum - de Herenwal, het van Harenspad/Lindegracht en het Zuidelijke deel van de Dracht - ligt het accent minder op de detailhandelsfunctie en komen ook andere functies voor zoals horeca, dienstverlening en wonen;