Bijlage 1 - TAM-omgevingsplan hoofdstuk 22D K.R. Poststraat 12 A en B
Tekst van het document
32/690
Het aspect geur vormt geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling.
5.10 Omgevingsveiligheid Toetsingskader Omgevingsveiligheid omvat de risico's die ontstaan als gevolg van opslag, productie, gebruik en vervoer van gevaarlijke stoffen en windturbines. Voor externe veiligheidsrisico's zijn regels opgenomen in paragraaf 5.1.2 van het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl). De paragrafen 5.1.2.2 tot en met 5.1.2.6 van het Bkl gaan over het toelaten van beperkt kwetsbare, kwetsbare en zeer kwetsbare gebouwen en beperkt kwetsbare en kwetsbare locaties in verband met het externe veiligheidsrisico van een activiteit die op een locatie is toegelaten op grond van een omgevingsplan. Verder dient op grond van artikel 5.2 van het Bkl voor de risico's van branden, rampen en crises als bedoeld in artikel 10, onder a en b, van de Wet veiligheidsregio's, rekening te worden gehouden met het belang van: 1. het voorkomen, beperken en bestrijden daarvan; 2. de mogelijkheden voor personen om zich daarbij in veiligheid te brengen; en 3. de geneeskundige hulpverlening, bedoeld in artikel 1 van die wet. Toetsing Met de beoogde ontwikkeling worden kwetsbare gebouwen en locaties mogelijk gemaakt. Om zicht te krijgen op de omgevingsveiligheid is de Atlas voor de leefomgeving geraadpleegd, zie bijgaande figuur. Op basis hiervan kan worden geconcludeerd dat er geen activiteiten met externe veiligheidsrisico's in de omgeving van het plangebied zijn.
33/690
Figuur 9: fragment Atlas voor de leefomgeving, 'Veilige omgeving' Conclusie Het aspect omgevingsveiligheid vormt geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling.
5.11 Trillingen Toetsingskader Op grond van het Bkl moet bij het wijzigen van een omgevingsplan rekening worden gehouden met trillingen door activiteiten in trillingsgevoelige ruimten van trillingsgevoelige gebouwen; het plan moet erin voorzien dat deze trillingen aanvaardbaar zijn. Het toepassingsbereik van deze instructieregel omvat alle activiteiten die met het omgevingsplan zijn toegestaan, met uitzondering van de activiteit wonen. In artikel 5.86 van het Bkl is aangegeven dat hieraan wordt voldaan als aan het omgevingsplan standaardwaarden voor continue trillingen en herhaald voorkomende trillingen worden verbonden. In het Bkl zijn de instructieregels met betrekking tot trillingen opgenomen. Daarbij gaat het onder andere om het toelaten van een trillinggevoelig gebouw waarop trillingen in een frequentie van 1 tot 80 Hz worden veroorzaak door een activiteit. Deze instructieregels gelden niet voor trillingen door doorgaand verkeer op wegen, vaarwegen en spoorwegen. Gemeenten kunnen in die gevallen zelf bepalen of en zo ja, welke regels zij voor trillingen van activiteiten in het omgevingsplan opnemen in het kader van de evenwichtige toedeling van functies aan locaties.
Voor de beoordeling van trillingen kan bijvoorbeeld de SBR-richtlijn en de Handreiking Nieuwbouw en Spoortrillingen worden gebruikt, waarbij een nadere beoordeling noodzakelijk wordt geacht binnen een afstand van 250 meter. De instructieregels van het Bkl zijn overigens wel van toepassing als in het omgevingsplan een trillingaandachtsgebied langs het spoor is vastgelegd. Toetsing In het plangebied worden trillinggevoelige gebouwen zoals woningen mogelijk gemaakt. In de omgeving van het plangebied zijn echter geen activiteiten die trillingen veroorzaken. Het spoor ligt op ruim 500 meter van het plangebied, waardoor een nadere beoordeling niet noodzakelijk is. Ook is er geen trillingsaandachtsgebied langs het spoor vastgelegd in het omgevingsplan die zou kunnen leiden tot een nadere toetsing. Conclusie Het aspect trillingen vormt geen belemmering voor de ontwikkeling in het plangebied.
5.12 Schaduwhinder en windhinder Toetsingskader Met het oog op een evenwichtige toedeling van functies aan locaties dient te worden aangetoond dat geen sprake is van onaanvaardbare gevolgen voor het windklimaat in de directe omgeving van het plangebied en de bezonningssituatie ter plaatse van eventueel aanwezige bestaande woningen. De rijksoverheid heeft voor dit aspect van de fysieke leefomgeving geen instructieregels opgesteld. Daarom heeft de gemeente de vrijheid om deze zelf in te vullen.
34/690
Gemeente Heerenveen heeft in haar omgevingsplan of andere beleidsstukken geen omgevingswaarden of normen opgenomen voor wat betreft voor wat betreft bezonning en nadelige schaduwwerking op omliggende woningen. In het geval een gemeente niet over dergelijk beleid beschikt, dan kunnen de algemeen gehanteerde TNO-richtlijnen worden toegepast voor het beoordelen van de effecten van beschaduwing. TNO kent een lichte en een strenge norm: de lichte TNO-norm: ten minste 2 mogelijke bezonningsuren per dag in de periode van 19 februari – 21 oktober (gedurende 8 maanden) in midden vensterbank binnenkant raam; de strenge TNO-norm: ten minste 3 mogelijke bezonningsuren per dag in de periode 21 januari – 22 november (gedurende 10 maanden) in midden vensterbank binnenkant raam. Deze normen zijn alleen van toepassing op gevels die zon kunnen ontvangen. Noordgevels ontvangen nooit direct zonlicht. Toetsing Dit milieuaspect speelt vooral bij hoogbouw. In de voorgenomen ontwikkelingen worden appartementengebouwen van 4 bouwlagen en van 5 bouwlagen gebouwd. 1. Windhinder De nieuwbouw is centraal gelegen in de stedelijke structuur van Heerenveen. Het wordt hierdoor aan alle zijden afgeschermd. Wind die aan komt stromen wordt hierdoor in de eerste 10 tot 15 m afgeremd. De nieuwbouw is 'slechts' 4 tot 5 bouwlagen hoog.
Hierdoor vangt het gebouw vrijwel geen wind uit de sneller stromende laag wind die op grotere hoogte aanwezig is. De lokale windstatistiek geeft aan dat de maatgevende wind vanuit het zuidwesten komt. Hierdoor zal eventuele versnelling van wind vooral merkbaar zijn aan de noord- en noordoostzijde van de nieuwbouw. Aan de deze zijde is de K.R. Poststraat aanwezig. Deze straat heeft een verkeersfunctie, waardoor hier hogere windsnelheden geaccepteerd kunnen worden. Het risico hierop is echter klein. Aanvullend is aan de zuidzijde de parkachtige omgeving rondom de Kleine Kerkstraat aanwezig. Hier kunnen strengere eisen aan gesteld worden voor langdurig verblijf. Hier zijn op basis van de geometrie van de nieuwbouw en de windroos geen hogere snelheden te verwachten. Voor beschut gelegen gebouwen tot 15 m is geen windonderzoek nodig (norm NEN8100:2006). Onderdeel van de beschutting betreft de hoogte die de nieuwbouw boven de omgeving uitsteekt. In dit geval is dat verschil zeer beperkt, waardoor geen onderzoek noodzakelijk is. 2. Schaduwhinder Ten behoeve van de ontwikkeling is een bezonningsstudie uitgevoerd. Deze studie (d.d. 18 juli 2024) is opgenomen als bijlage 14. Op basis van de zonnestudie kan worden geconcludeerd dat er geen significante verschillen zitten tussen de bestaande en nieuwe situatie. Er kan voldaan worden aan de TNO-richtlijnen.
Conclusie Er is geen sprake van belemmeringen wat betreft schaduw- en windhinder.
35/690
5.13 Cultureel erfgoed 5.13.1 Toetsingskader Het Bkl stelt met het oog op het beschermen van landschappelijke of stedenbouwkundige waarden en cultureel erfgoed eisen aan nieuwe ontwikkelingen. Het Bkl stelt eisen aan de inhoud van een omgevingsplan in het belang van behoud van cultureel erfgoed met inbegrip van archeologische monumenten. Zo kunnen monumenten worden aangewezen en gebieden worden aangewezen waar niet mag worden gegraven voordat archeologisch onderzoek heeft plaatsgevonden. 5.13.2 Toetsing De locatie is gelegen in het centrumgebied van Heerenveen en in de huidige situatie al grotendeels bebouwd. Binnen het plangebied zijn geen specifieke cultuurhistorische waarden aanwezig. Op de locatie is het besluitvak Waarde-Archeologie 2' van toepassing, Voor bouwwerken met een oppervlakte van 50 m² of meer, die worden gebouwd in of op gronden ter plaatse van het besluitvlak 'Waarde-archeologie 2', moet voordat een omgevingsvergunning wordt verleend, een archeologisch onderzoek plaatsvinden. In het kader van de voorgenomen ontwikkeling heeft daarom een "Archeologisch Bureauonderzoek en Inventariserend Veldonderzoek (IVO-O)" plaatsgevonden. Dit onderzoek is opgenomen als bijlage 15. De conclusies uit dit onderzoek zijn als volgt: Het plangebied lag tijdens de steentijd in een dekzandlandschap en was gedurende deze periode geschikt voor bewoning.
Aan het einde van de steentijd ontstond er door vernatting een veenmoeras, waardoor het tot de ontginning in 1551 niet langer bewoonbaar was. Op basis van deze gegevens is de verwachting voor resten uit de steentijd middelhoog. Eveneens is de verwachting voor resten uit de middeleeuwen-nieuwe tijd middelhoog. Om het gespecificeerd archeologisch verwachtingsmodel te toetsen zijn in het plangebied zeven gutsboringen gezet. Uit de resultaten van het booronderzoek blijkt dat in het plangebied oorspronkelijk podzolbodems zijn ontstaan die zijn overgroeid met veen. Deze bodemopbouw is in het plangebied nog slechts langs de uiterste westrand aangetroffen. Op de overige boorpunten is het veen verloren gegaan en is de bodem tot in de C-horizont verstoord. Ook op de boorpunten met een nog intacte dekzandbodem, zijn geen resten van podzolvorming aangetroffen. Dit betekent dat de bodem hier waarschijnlijk altijd tamelijk nat is geweest en daarmee ongeschikt als vestigingslocatie in de steentijd. Dit wordt min of meer bevestigd door de volledige afwezigheid van archeologische indicatoren in de top van het dekzand. Binnen het plangebied loopt de hoogteligging van de (intacte) top van het dekzand af van 1,65 meter -NAP in het noordwesten tot 2,27 meter -NAP in het zuidwesten. Boven het veen en in de overige boringen boven het dekzand, is slechts vergraven en/of opgebracht zand aangetroffen.
De hierin sporadisch aangetroffen sloopresten zijn zeer waarschijnlijk aangevoerd met het ophogingszand. Gezien de van oorsprong slecht ontwaterde dekzandbodem, het op het overgrote deel van het plangebied volledig verloren gaan van de oorspronkelijke bodemopbouw en het volledig ontbreken van relevante archeologische indicatoren, wordt geen nader archeologisch onderzoek geadviseerd.
36/690
Conclusie Het aspect cultureel erfgoed zorgt niet voor belemmeringen voor de ontwikkeling in het plangebied.
5.14 Bodem Toetsingskader Waarden voor de toelaatbare kwaliteit van de bodem voor het bouwen van een bodemgevoelig gebouw op een bodemgevoelige locatie worden opgenomen in het omgevingsplan. Deze waarden kunnen per gebied of per gebruiksfunctie verschillen. Bij een overschrijding van een vastgestelde waarde is het bouwen van een bodemgevoelig gebouw alleen toegelaten als de in het omgevingsplan voorgeschreven sanerende of andere beschermende maatregelen worden getroffen. Bij wijzigingen van activiteiten geldt dat de bodem geschikt moet zijn voor het beoogde gebruik. Dit kan betekenen dat een onderzoek moet worden verricht naar de bodem- en grondwaterkwaliteit. Onder een bodemgevoelig gebouw wordt verstaan een gebouw of gedeelte van een gebouw dat de bodem raakt, voor zover aannemelijk is dat personen meer dan 2 uur per dag aaneengesloten aanwezig zullen zijn. Een woning kan dus worden aangemerkt als een bodemgoevoelig gebouw. Onder een bodemgevoelige locatie wordt verstaan de locatie waarop een bodemgevoelig gebouw is toegelaten op grond van een omgevingsplan of een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit. Toetsing Met de ontwikkeling wordt de uitbreiding van een bodemgevoelig gebouw mogelijk gemaakt op een bodemgevoelige locatie. Ten behoeve van de voorgenomen ontwikkeling zijn drie onderzoeken uitgevoerd. De bodemonderzoeken zijn opgenomen als bijlage 16.
De conclusies worden hieronder kort weergegeven. Het verkennend bodemonderzoek KPN locaties' (juni 2009) heeft tot doel het vaststellen van de milieuhygiënische bodemkwaliteit (grond en grondwater) ter plaatse van de onderzoekslocatie. Het onderzoek is niet bedoeld om de exacte aard en omvang van eventuele verontreinigingen aan te geven. De conclusie van dit onderzoek is als volgt: "De aangetroffen verontreinigingen zijn niet te relateren aan bedrijfsactiviteiten op de onderzoekslocatie, maar mogelijk aan historische activiteiten in de omgeving. Geen van de geanalyseerde parameters overschrijdt de tussenwaarde, de waarde waarboven nader onderzoek noodzakelijk is. Nader onderzoek wordt dan ook niet noodzakelijk geacht. De milieuhygiënische bodemkwaliteit op de onderzoekslocatie vormt geen belemmering voor het huidige gebruik van de locatie. In december 2023 is een Verkennend (asbest)bodemonderzoek uitgevoerd. Op basis van de onderzoeksresultaten is gebleken dat de locatie niet geheel vrij is van verontreinigingen. Ter plaatse van meetpunt D10 is een verontreiniging met lood en PAK aangetroffen waarbij de Interventiewaarde wordt overschreden. Verder is ter plaatse van meetpunt B01 en D04 een matige verontreiniging met lood aangetroffen welke de tussenwaarde overschrijdt. De matige verontreinigingen zijn mogelijk te relateren aan de demping van de voormalige sloot.
Voor de overige locaties zijn in de grond geen tot slechts licht verhoogde gehalten vastgesteld waarbij geen aanleiding bestaat voor nader
37/690
onderzoek. In het grondwater zijn geen verhoogde concentraties aangetoond en voor asbest geldt dat deze visueel en analytisch niet is aangetoond op de locatie. De aangetroffen verontreinigingen zijn nog niet volledig in kaart gebracht om te kunnen beoordelen of er mogelijk een geval van ernstige bodemverontreiniging (> 25 m³ grond > Interventiewaarde) op de locatie aanwezig is. Aanbevolen wordt om nader onderzoek te verrichten naar de omvang van de aangetroffen verontreinigingen bij de boringen B01, D04 en D10. In febrauri 2024 is een nader bodemonderzoek uitgevoerd. Aanleiding voor het uitvoeren van het nader bodemonderzoek is de voorgenomen eigendomsoverdracht van de locatie en waarbij men voornemens is de bebouwing aan te passen op de locatie. Uit een recent uitgevoerd bodemonderzoek is gebleken dat er op diverse locaties op het terrein bodemverontreiniging met PAK en/of lood aanwezig is, waarvan de omvang niet geheel in kaart is gebracht. Het doel van het nader bodemonderzoek is het vaststellen van de omvang van de aangetroffen verontreiniging met PAK en/of lood in grond. Vervolgens kan worden vastgesteld of al dan niet sprake is van een bodemverontreiniging waarbij het volumecriterium van 25 m³ wordt overschreden zoals opgenomen in het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal).
Indien er sprake is van een geval van bodemverontreiniging waar de interventiewaarde wordt overschreden dient te worden achterhaald of er sprake is van een nieuw of historische geval van bodemverontreiniging. Bij een toevalsvondst (historische verontreiniging ontstaan voor 1987) dient, conform Afdeling 19.2a Omgevingswet, een risicoanalyse te worden uitgevoerd met behulp van het rekenmodel Sanscrit. Hiermee wordt aangetoond of er bij de verontreinigde bodem sprake is van onaanvaardbare risico’s voor de gezondheid en of deze al dan niet met spoed gesaneerd dient te worden. De conclusie van het nader bodemonderzoek is als volgt: "Op de locatie is sprake van bodemverontreiniging bij de boringen D10 en 102 (toevalsvondst) waarbij voor circa 65 m³ grond de interventiewaarde wordt overschreden, hierbij is geen sprake van risico’s voor mens, ecologie en/of verspreiding. De verontreinigde bodem hoeft niet met spoed gesaneerd te worden. Ter plaatse van het nader onderzoek bij de boringen B01 en D04 (boringen 107 t/m 116) zijn alleen licht tot matig verhoogde gehalten aan lood aangetroffen en zijn geen sterke verontreinigingen aanwezig. Indien ter plaatse van de sterk verontreinigde bodem (boringen D10 en 102) werkzaamheden (t.b.v. herinrichting) worden uitgevoerd, dient rekening gehouden te worden met een nader op te starten saneringsprocedure.
Hiertoe dient een MKB-plan opgesteld te worden, die goedgekeurd dient te worden door het bevoegd gezag (gemeente Heerenveen). Indien ter plaatse van het overige (verharde) terrein werkzaamheden in de bodem worden uitgevoerd en grond afgevoerd dient te worden moet rekening worden gehouden met de afzet van de grond daar deze indicatief voldoet aan klasse Industrie. Verder geldt dat volgens artikel 3.48f van het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal) het graven in bodem met een kwaliteit boven de interventiewaarde met een bodemvolume meer dan 25 m³ wordt gezien als een ‘milieubelastende activiteit’. Voorafgaande de activiteit te verrichten dient deze ten minste vier weken voor het begin ervan te worden gemeld via het Digitaal Stelsel Omgevingswet (DSO)." Conclusie De bodem zal gesaneerd worden. Vanuit het aspect bodem zijn er geen belemmeringen voor de voorgenomen ontwikkeling.
38/690
5.15 Water 5.15.1 Toetsingskader Bij de wijziging van een omgevingsplan moet het bevoegd gezag rekening houden met de gevolgen voor het beheer van watersystemen. Daarbij worden, voor een duiding van die gevolgen, de opvattingen van het bestuursorgaan dat is belast met het beheer van die watersystemen betrokken. Eerder werd hieronder ook wel de ‘watertoets’ verstaan (nu het 'wateradvies'). Dit houdt in dat een verantwoording dient te worden afgelegd van het onderzoek naar en het integrale beleid betreffende de afstemming van het ruimtelijk beleid met het waterbeleid. Alle relevante facetten van het waterbeheer in relatie met de ruimtelijke ordening dienen in beeld te worden gebracht, zoals de waterkwantiteit (vernatting of verdroging) en de waterkwaliteit, alsmede functies die aan in het plangebied voorkomend water worden toegekend. De aandacht dient zich zowel tot het grondwater als het oppervlaktewater te richten. Bij beschouwing van de consequenties van het plan voor de waterhuishouding zijn de volgende items van belang: beïnvloedt het plan een kering of dijk; worden er sloten gedempt of sloten verlegd; is de toename van verhard oppervlakte (daken en openbare weg) en; beïnvloedt het plan het onderhoud van watergangen. Het plangebied ligt binnen het beheergebied van het Wetterskip Fryslân, verantwoordelijk voor het waterkwantiteits- en waterkwaliteitsbeheer.
Bij het tot stand komen van het plan wordt overleg gevoerd met de waterbeheerder over deze waterparagraaf. Beleid duurzaam stedelijk waterbeheer Op verschillende bestuursniveaus zijn de afgelopen jaren beleidsnota's verschenen aangaande de waterhuishouding, allen met als doel een duurzaam waterbeheer (kwalitatief en kwantitatief). Hierna wordt een overzicht gegeven van de voor het plangebied relevante nota's, waarbij het beleid van het waterschap en de gemeente nader wordt behandeld. Europees: Kaderrichtlijn Water (KRW) Nationaal: Nationaal Water Programma (NWP) 2022 – 2027 Provinciaal: Regionaal Water Programma 2022 - 2027. Waterschapsbeleid Ten behoeve van elk ruimtelijk plan wordt 'het wateradvies' uitgevoerd. Het wateradvies zorgt ervoor dat in alle ruimtelijke plannen aandacht wordt besteed aan veiligheid, kwaliteit én kwantiteit van water. In het Waterbeheerprogramma 2022-2027 geeft Wetterskip Fryslân aan hoe zij het watersysteem inricht om te zorgen voor schoon en voldoende water en veiligheid achter de dijken. Het waterbeheerprogramma is een doorvertaling van de provinciale omgevingsvisie en het bijbehorend regionaal waterprogramma (RWP). Het waterbeheerprogramma bestaat enerzijds uit het regulier beheer op basis van de drie kernthema's
39/690
'waterveiligheid', 'voldoende water' en 'schoon water' en anderzijds uit de uitdagingen met de daar bijbehorende opgaven zoals de verandering van het klimaat, de verstoring van de ecologie en de veranderende relatie tussen overheid en samenleving. 5.15.2 Toetsing Ten behoeve van de planontwikkeling is de digitale watertoets uitgevoerd, die is opgenomen als bijlage 17 bij deze motivering. Uit de watertoets blijkt dat de korte procedure moet worden gevolgd. Bodem en grondwater Het plangebied maakt geen deel uit van een waterwingebied of een grondwaterbeschermingsgebied. Watersysteemkwaliteit en ecologie Binnen het plangebied of in de nabije omgeving liggen geen oppervlaktewaterlichamen die zijn aangewezen vanuit de Kaderrichtlijn Water. Er bevinden zich ook geen natte ecologische verbindingszone zoals opgenomen in het (provinciale) Natuurnetwerk Nederland binnen of in de nabijheid van het plangebied. Veiligheid en waterkeringen Het plangebied bevindt zich niet in de kernzone van een waterkering. Watercompensatie Het Wetterskip geeft met betrekking tot de toename van verharding aan dat door ruimtelijke ontwikkelingen de hoeveelheid verhard oppervlak kan toenemen met als gevolg een versnelde afvoer van hemelwater. Het is nodig om deze versnelde afvoer te compenseren om de waterberging in een gebied in stand te houden.
Dit geldt ook voor toevoegen van oppervlakteverharding die wel past binnen het omgevingsplan, maar waarvan de grond al meer dan vijf jaar braak ligt en waar in het verleden niet voor gecompenseerd is. Het is niet toegestaan zonder watervergunning neerslag versneld tot afvoer te laten komen indien daarbij meer dan 200 m2 onverharde grond in stedelijk gebied en 1500 m2 in landelijk gebied wordt bebouwd of verhard. Er geldt een vrijstelling van de vergunningsplicht wanneer wordt voldaan aan de compensatieregels genoemd in dit wateradvies. De meest voorkomende manier van compenseren is het graven van extra oppervlaktewater. Bij het graven van extra oppervlaktewater hanteert het Wetterskip de volgende compensatienorm: Boezem 5%, dit heeft alleen betrekking op de Friese boezem; Polder 10%, Vrij afstromend, alternatieve maatregelen. Het Wetterskip geeft aan dat het toepassen van alternatieve maatregelen in het plan ook mogelijk is. Afhankelijk van de maatregel kunnen andere normen gelden dan hier vermeld. Indien er niet wordt gecompenseerd door extra oppervlaktewater te graven waarbij bovenstaande percentages worden gehanteerd of indien er geen overeenstemming plaatsvindt in de watertoetsprocedure over alternatieve maatregelen dan dient een watervergunning bij het waterschap te worden gevraagd. Het voornemen is om op het plangebied 58 woningen te realiseren.
In het 'Voorlopig onwerp' (d.d. 18 juni 2025, zie bijlage 2) is een verhouding 'groen-grijs' opgenomen. Daaruit blijkt dat het ontwerp 144 m² groen toevoegt en
40/690
dat het groene oppervlak in de buitenruimte wordt verhoogd van 20% naar 41%. Het verhard oppervlak (=oppervlakte gebouwen + oppervlakte 'grijs') neem met 144 m2 (=2297-2153 m2) af. Watercompensatie is niet aan de orde.
Figuur 10: Verhouding groen/grijs (Bron: voorlopig ontwerp herbestemming KPN locatie, Buro Poelmans Reesink d.d. 16 september 2025 ) Bodem en grondwater De beoogde ontwikkeling heeft geen gevolgen voor bodem en grondwater. Watersysteemkwaliteit en ecologie Ter voorkoming van diffuse verontreinigingen van water en bodem is het van belang om duurzame, niet-uitloogbare materialen te gebruiken, zowel gedurende de bouw- als de gebruiksfase. Veiligheid en waterkeringen Het plangebied bevindt zich niet in de beschermingszone van een waterkering. Afvalwaterketen en riolering Conform de Leidraad Riolering en vigerend waterschapsbeleid is het voor nieuwbouw gewenst een gescheiden rioleringsstelsel aan te leggen zodat schoon hemelwater niet bij een rioolzuiveringsinstallatie terecht komt. Voor hemelwater wordt de volgende voorkeursvolgorde aangehouden: 1. hemelwater vasthouden voor benutting 2. (in-) filtratie van afstromend hemelwater 3. afstromend hemelwater afvoeren naar oppervlaktewater 4. afstromend hemelwater afvoeren naar AWZI
41/690
In dit plan wordt voor wat betreft het afvalwater aangesloten op de bestaande gemeentelijke riolering. Conclusie Uit het bovenstaande blijkt dat de ontwikkeling geen negatieve gevolgen heeft voor het waterhuishoudkundige systeem ter plaatse. Er is verder geen sprake van een toename van het verhard oppervlak. Het verhard oppervlak neem door de voorgenomen ontwikkeling met 144 m2 af. Watercompensatie is daarom niet aan de orde.
5.16 Duurzaamheid Toetsingskader De Omgevingswet biedt geen specifiek toetsingskader voor duurzaamheid. Wel is duurzaamheid een belangrijk thema waarmee gemeenten bij het opstellen van hun omgevingsplan rekening moeten houden. Toetsing Bij de realisatie van nieuwe woningen in het plangebied geldt het uitgangspunt dat de woningen geen gasaansluiting zullen krijgen. Conclusie Het aspect duurzaamheid vormt geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling.
5.17 Gezondheid Toetsingskaders Het bereiken en in stand houden van een veilige en gezonde fysieke leefomgeving en een goede omgevingskwaliteit een belangrijk maatschappelijk doel van de Omgevingswet. De aspecten veilige en gezonde fysieke leefomgeving en een goede omgevingskwaliteit hangen nauw met elkaar samen. De wet benadrukt dat bij het stellen van regels met het oog op een evenwichtige toedeling van functies aan locaties, in ieder geval rekening wordt gehouden met het belang van het beschermen van de gezondheid. Toetsing Een deel van de hiervoor beschreven omgevingsaspecten heeft een gezondheidscomponent, waarbij het in de meeste gevallen gaat om gezondheidsbescherming. Meetbaar is onder andere de bodemkwaliteit, geluidhinder, geurhinder, trillingshinder en luchtkwaliteit. In voorgaande paragrafen zijn deze aspecten beoordeeld. Voor deze aspecten zijn in het Bkl instructieregels opgenomen waar aan wordt voldaan. Relevante nadelige gezondheidseffecten kunnen voor deze aspecten worden uitgesloten. Verder is met het oog op de gezondheidssituatie van belang dat binnen het plangebied een zendmast aanwezig is met antennes en schotels (van KPN) ten behoeve van mobiele telefonie. De zendmast blijft gehandhaafd. Er zijn geen specifieke metingen beschikbaar die inzicht geven in de stralingsniveaus ter hoogte van de zendmast aan de KR Poststraat.
Uit metingen van het Agentschap Telecom blijkt dat in algemene zin de gemeten stralingswaarden van antennes voor mobiele communicatie, zoals 5G, in Nederland allemaal onder de blootstellingslimiet zijn gelegen (vaak meer dan een factor 10 daaronder). Er is daarom geen aanleiding om te veronderstellen dat ter plaatse van de te realiseren woningen sprake is van een overschrijding van de geldende
42/690
limieten. Nadelige gezondheidseffecten kunnen om die reden worden uitgesloten. Conclusie Er worden geen nadelige gezondheidseffecten verwacht.
43/690
Hoofdstuk 6
Juridische vormgeving
In de motivering bij dit wijzigingsbesluit is ingegaan op het plangebied, het relevante beleid en de milieu- en omgevingsaspecten. De informatie uit deze hoofdstukken is gebruikt om keuzes te maken bij het opstellen van het juridische deel van dit TAM-omgevingsplan: de regels en locaties. In deze juridische planbeschrijving wordt ingegaan op de opzet van dit juridische deel.
6.1
Opzet van de regels
Hoofdstuk 1: Algemene bepalingen In het eerste hoofdstuk van de regels van het TAM-omgevingsplan worden een aantal algemene dingen geregeld. Zo worden in artikel 1 begripsbepalingen opgenomen. Voor dit TAM-omgevingsplan zijn naast de specifieke begrippen die zijn opgenomen in artikel 1, ook de begrippen die horen bij het Omgevingsbesluit, het Besluit kwaliteit leefomgeving, het Besluit activiteiten leefomgeving en het Besluit bouwwerken leefomgeving van toepassing verklaard. De specifieke begrippen uit het TAM-omgevingsplan, krijgen voorrang op de begrippen die horen bij de amvb's als sprake is van een andere definitie. Artikel 2 regelt specifiek het toepassingsbereik van het TAM-omgevingsplan. Zo wordt geregeld dat het vigerende bestemmingsplan niet langer van toepassing is na inwerkingtreding van het TAM-omgevingsplan. De overige onderdelen van het tijdelijke deel van het omgevingsplan blijven wel in stand. Ook wordt de verhouding met de bruidsschat (afdeling 22.2 en 22.3) geduid. Tot slot wordt geregeld dat de locaties die zijn gemaakt voor het TAM-omgevingsplan ook juridisch deel uitmaken van het omgevingsplan van de gemeente Heerenveen.
In artikel 3 , meet- en rekenbepalingen, wordt een aanvulling gedaan op de meetbepalingen uit de bruidsschat en geeft op een eenduidige manier aan op welke wijze hoogtes, afstanden, dakhellingen en oppervlakten moeten worden gemeten en hoe voorkomende eisen betreffende de maatvoering begrepen moeten worden. Artikel 4 regelt de vereisten aan tekeningen die bij de aanvraag van en omgevingsvergunning moeten worden verstrekt. Hoofdstuk 3: Algemene regels over het gebruik van gronden en bouwwerken In artikel 6 wordt geregeld dat het verboden om gronden of bouwwerken te gebruiken voor ander gebruik dan het in hoofdstuk 3 en in hoofdstuk 4 per locatie toegelaten gebruik. Vervolgens wordt in artikel 7 omschreven wat in ieder geval onder 'ander gebruik' wordt verstaan. In artikel 8 is geregeld onder welke voorwaarden een beroep- of bedrijf aan huis mogelijk is. Hoofdstuk 4: Specifieke regels voor het gebruik van gronden en bouwwerken Groen De gronden en bouwwerken ter plaatse van de locatie 'groen' zijn bedoeld voor het beheer, de instandhouding en het onderhoud van groenvoorzieningen. Ook speel- en spelvoorzieningen alsmede wegen en paden zijn toegestaan. De binnen deze gronden aanwezige zendmast is specifiek aangeduid (functieaanduiding 'zend-/ontvangstinstallatie').
44/690
Nutsvoorziening Het gebruik van het KPN gebouw is geregeld in artikel 10: nutsvoorziening. Wonen De apartementengebouwen zijn geregeld in artikel 11: wonen. Het artikel laat het gebruik 'wonen toe ter plaatse van de locatie 'wonen'. Ook tuinen, tereinen en erven zijn hier toegestaan. Ook het maximum aantal woningen is hier geregeld: het aantal woningen mag niet meer dan 58 bedragen. Hoofdstuk 5: Algemene regels voor het bouwen van bouwwerken Dit hoofdstuk is van toepassing op het verrichten van de omgevingsplanactiviteit 'bouwen' en omvat regels betreffende: Maatwerkvoorschriften Excessen Afwijkende beoordelingsregels aanvraag binnenplanse omgevingsvergunning omgevingsplanactiviteit bouwwerken algemeen Aanvullende aanvraagvereisten binnenplanse omgevingsvergunning omgevingsplanactiviteit bouwwerken. Hoofdstuk 6 Regels voor het bouwen van specifieke bouwwerken In artikel 17 staan de regels voor de bouw van bouwwerken ter plaatse van de functie 'wonen'. Voor het bouwen van hoofdgebouwen gelden de volgende regels: een hoofdgebouw wordt uitsluitend gebouwd ter plaatse van de locatie 'bouwvlak'; ter plaatse van de aanduiding 'maximum bouwhoogte (m)' is de maximale bouwhoogte van een hoofdgebouw de daar bepaalde waarde; ter plaatse van de aanduiding 'gevellijn' geldt voor hoofdgebouwen dat de gevel in die lijn dient te staan.
In artikel 18 staan de regels voor het bouwen van bouwwerken anders dan ter plaatse van de functie wonen . Voor dit TAM-plan zijn dat de locaties 'Groen' en 'Nutsvoorziening'. Daarin is ook het gezamenlijk geluid op de geluidsgevoelige gebouwen geregeld. Dit vloeit voort uit 5.78ad van het Besluit kwaliteit leefomgeving en artikel 4.103, lid 1 onder a van het Besluit bouwwerken leefomgeving. In artikel 19 staan regels voor het bouwen van bouwwerken, geen gebouwen of overkappingen zijnde.Hiervoor geldt een maximale bouwhoogte van 5 m. Voor de zendmast bedraagt de maximale bouwhoogte 50 meter. De toegangspoorten hebben een maximale bouwhoogte van 3,5 meter. In artikel 20 zijn aanvullende beoordelingsregels opgenomen. Er mag tot 10 % worden afgeweken van de bouwregels. Dit geldt niet voor de afwijking van de dakhelling. Daar mag tot maximaal 5 graden van worden afgeweken.
45/690
Hoofdstuk 7 7.1
Financiele haalbaarheid
Uitvoerbaarheid en kostenverhaal
In dit hoofdstuk wordt getoetst of de betreffende ontwikkeling economisch uitvoerbaar is. Dit houdt in dat: 1. de ruimtelijke ontwikkeling niet evident financieel onuitvoerbaar mag zijn en 2. als de ruimtelijke ontwikkeling kostenverhaalplichtige activiteiten omvat, het kostenverhaal verzekerd moet zijn. Financiële uitvoerbaarheid De voorgenomen ruimtelijke ontwikkeling betreft de bouw van 58 appartementen. Ontwikkelaar (Stravos B.V.) is eigenaar van de grond. De eigen kosten van de ontwikkelaar verband houdende met de ontwikkeling en realisatie van de bouw- en inrichtingsplannen komen geheel voor rekening van de ontwikkelaar. De kosten voor de wijziging van het omgevingsplan worden gedragen door de ontwikkelaar. Eventuele planschade komt voor rekening van de ontwikkelaar. Er zijn geen aanwijzingen dat het voorliggende project economisch niet uitvoerbaar is. Kostenverhaal Wie een woning, bedrijfspand of ander gebouw bouwt of verbouwt, moet hiervoor in veel gevallen een bijdrage betalen aan het bevoegd gezag. Deze bijdrage is onder andere voor de kosten van het opstellen van plannen, het aanleggen van openbare voorzieningen en het inrichten van de openbare ruimte. Dit wordt kostenverhaal genoemd. De voorgenomen ruimtelijke ontwikkeling ziet toe op de ontwikkeling van 58 woningen. De beoogde ontwikkeling is een kostenverhaalplichtige activiteit.
Het is verboden kostenverhaalplichtige activiteiten uit te voeren voordat de hiervoor geldende kostenverhaalbijdrages zijn betaald. Dit verbod geldt niet in het geval het kostenverhaal is verzekerd. De kosten die de gemeente heeft wordt privaatrechtelijk geregeld tussen gemeente en initiatiefnemer via een overeenkomst. Hierdoor is het kostenverhaal gegarandeerd. Nadeelcompensatie Nadeelcompensatie is een regeling voor schadevergoeding voor rechtmatig overheidsoptreden. Het gaat over schade boven het normale maatschappelijke risico en het bedrijfsrisico die iemand onevenredig zwaar treft. Eventuele nadeelcompensatie komt voor rekening van de ontwikkelaar. Dit wordt eveneens vastgelegd in de overeenkomst tussen gemeente en ontwikkeaar.
46/690
Hoofdstuk 8
Evenwichtige toedeling van functies aan locaties
In dit hoofdstuk wordt gemotiveerd of er sprake is van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. Een evenwichtige toedeling van functies aan locaties betekent dat er balans bestaat tussen het beschermen en benutten ten gevolge van de verschillende functies die locaties binnen een gebied kunnen vervullen. Het bevoegd gezag moet beoordelen of bij deze wijziging van het omgevingsplan sprake is van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. Om dit te kunnen beoordelen, moeten alle voor de fysieke leefomgeving relevante aspecten zorgvuldig worden onderzocht en afgewogen. Dat is in de voorgaande hoofdstukken gebeurd. Voor de beoordeling van de evenwichtige toedeling van functies aan locaties zijn alle voor de fysieke leefomgeving relevante aspecten, voor zover betrekking hebbend op deze wijziging van het omgevingsplan nader onderzocht in deze motivering. Afweging De voorgestane ontwikkeling die mogelijk wordt gemaakt met dit omgevingsplan betreft de bouw van drie appartementengebouwen met in totaal 58 woningen op het perceel van het voormalige kantoorgebouw van KPN aan de K.R.Poststraat 12 A en B te Heerenveen. Hiertoe wordt de bestaande bebouwing grotendeels gesloopt. Het betreft koopappartementen die worden gerealiseerd ten behoeve van de doelgroep starters en senioren.
Deze wijziging van het omgevingsplan is in overeenstemming met de relevante beleidsuitgangspunten / instructieregels op provinciaal en gemeentelijk niveau en veroorzaakt geen conflicten met de instructieregels vanuit het Bkl. In hoofdstuk 5 is de beoogde ontwikkeling getoetst aan de geldende (milieu) wet- en regelgeving voor de fysieke leefomgeving. Hieruit kan worden geconcludeerd dat het plan niet leidt tot belangrijke milieugevolgen. In de beoordeling is gebleken dat voor de beoogde ontwikkeling sprake is van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.
47/690
48/690
Bijlagen motivering
49/690
50/690
Bijlage 1
51/690
Nieuwbouw en revitalisatie KPN locatie Heerenveen (17-06 2025)
Nieuwbouw en revitalisatie
KPN locatie Heerenveen 17 juni 2025
I
LOCATIE | plangebied
1
I
LOCATIE | plangebied
2
I
LOCATIE | plangebied
3
I
LOCATIE | plangebied
4
II
BESTAANDE GEBOUW| KPN
6
II
TYPOLOGIEËN | Omliggende bebouwing
Kleine Kerkstraat
K.R. Poststraat
7
II
BESTAANDE BUITENRUIMTE| Plangebied
8
II
BESTAANDE BUITENRUIMTE| Plangebied
9
II
BESTAANDE BUITENRUIMTE| Plangebied
5
III
ONTWERP SITUATIE| Inpassing
10
III
PLATTEGRONDEN| Ontwerp
12
III
PLATTEGRONDEN| Ontwerp
12
III
PLATTEGRONDEN| Ontwerp
12
III
PLATTEGRONDEN| Ontwerp
12
III
PLATTEGRONDEN| Ontwerp
12
VIII
IMPRESSIES | Zicht vanaf de Kleine kerkstraat
20
VIII
IMPRESSIES | Zicht vanaf de K.R. Poststraat
19
VIII
IMPRESSIES | Zicht vanaf de K.R. Poststraat
18
VIII
IMPRESSIES | Zicht vanaf de K.R. Poststraat
17
17
17
VIII
IMPRESSIES | Zicht vanaf de Kleine kerkstraat
21
VIII
IMPRESSIES | Zicht vanaf de Kleine kerkstraat
22
VIII
IMPRESSIES | Zicht vanaf de Kleine kerkstraat
23
VIII
IMPRESSIES | Collectieve entree aan het ‘laantje’ Kleine Kerkstraat
24
VIII
IMPRESSIES | Zicht vanaf de Oude Koemarkt
25
VIII
IMPRESSIES | Vogelvluchtperspectief
26
80/690
Bijlage 2
81/690
Voorlopig ontwerp (september 2025)
HERBESTEMMING KPN LOCATIE, HEERENVEEN VOORLOPIG ONTWERP SEPTEMBER 2025 BURO POELMANS REESINK LANDSCHAPSARCHITECTUUR
2
HERBESTEMMING KPN LOCATIE, HEERENVEEN VOORLOPIG ONTWERP 16 SEPTEMBER 2025
Colofon
Dit ontwerp is in opdracht van Slokker Vastgoed gemaakt door Buro Poelmans Reesink Landschapsarchitectuur in samenwerking met Adema architecten en in nauwe samenwerking met de opdrachtgever tot stand gekomen.
HUIDIGE LOCATIE 4
BURO POELMANS REESINK LANDSCHAPSARCHITECTUUR
VERHOUDING GROEN/GRIJS 14
SCHETSONTWERP 6 VOORLOPIG ONTWERP 7 DE SCHIL 8 DE RAND
10
DE KERN 12
3
LOCATIE KPN HEERENVEEN
aat oststr P . R K.
at
ne lei
K
4
Ke
tra s k r
FOTO’S OMGEVING KPN HEERENVEEN
Bomenlaan
K.R. Poststraat
Geert willigenplein
Kleine Kerkstraat 5
SCHETSONTWERP
6
VOORLOPIG ONTWERP
A’
B’
A
B
7
DE SCHIL
A’ A
8
A
1 A
A’
1 A
9
DE RAND
10
11
DE KERN
B
B’
12
B’
B 1
B 1
B
13
VERHOUDING GROEN/GRIJS
Huidige situatie
Situatie na realisatie ontwerp
Opp. buitenruimte:
1682 m2
64% van terreinoppervlakte
Opp. buitenruimte:
1160 m2
44% van terreinoppervlakte
Grijs:
1353 m2
80% van Opp. buitenruimte
Grijs:
687 m2
59% van Opp. buitenruimte
Opp. gebouwen:
Groen:
944 m2
329 m2
36% van terreinoppervlakte
20% van Opp. buitenruimte
Opp. gebouwen:
Groen:
Het ontwerp voegt 144 m² groen toe en verhoogt het groene oppervlak in de buitenruimte van 20% naar 41%
14
1466 m2
473 m2
56% van terreinoppervlakte
41% van Opp. buitenruimte
Huidige situatie
Situatie na realisatie ontwerp Behouden bomen:
14
Te kappen bomen:
3
(rood)
Te verplanten bomen:
3
(blauw naar lichtgroen)
Bestaande bomen:
21
Bestaande bomen (dood):
1
Nieuwe meerstammige heesters:
9
Totaal vitale bomen:
20
Totaal:
26
15
16
BURO POELMANS REESINK LANDSCHAPSARCHITECTUUR
98/690
Bijlage 3
99/690
Verslag inloopbijeenkomst en beantwoording vragen en reacties