Bijlage 1 - TAM-omgevingsplan hoofdstuk 22D K.R. Poststraat 12 A en B
Tekst van het document
bestemmingsplan
TAM-omgevingsplan hoofdstuk 22D K.R. Poststraat 12 A en B Heerenveen
DATUM IMRO IDN
06-01-2026 NL.IMRO.0074.TAM22DKPNlocatieHV-OW01
PROJECT PROJECTLEIDER OPDRACHTGEVER PROJECTNUMMER
20241186
AUTEUR STATUS
vastgesteld
Inhoudsopgave
Motivering
6
Hoofdstuk 1
Inleiding
7
1.1
Aanleiding
7
1.2
Ligging plangebied
7
1.3
Planologische regeling
8
1.4
Omgevingswet
9
1.5
TAM-omgevingsplan
10
Hoofdstuk 2
Planbeschrijving
11
2.1
Bestaande situatie
11
2.2
Toekomstige situatie
12
Participatie en vooroverleg
16
3.1
Participatie omgeving
16
3.2
Bestuurlijk vooroverleg
16
3.3
Zienswijzen
16
Hoofdstuk 4
Beleidskader
18
4.1
Rijksbeleid
18
4.2
Provincaal beleid
18
4.3
Waterschapsbeleid
20
4.4
Gemeentelijk beleid
20
Gevolgen voor de fysieke leefomgeving
24
5.1
Mer-beoordeling
24
5.2
Ladder voor duurzame verstedelijking
24
5.3
Omgevingskwaliteit
25
5.4
Verkeer en parkeren
26
5.5
Natuur
27
5.6
Luchtkwaliteit
30
5.7
Geluid door wegen, spoorwegen en industrielawaai
30
5.8
Geluid door activiteiten
31
5.9
Geur
32
5.10
Omgevingsveiligheid
33
5.11
Trillingen
34
Hoofdstuk 3
Hoofdstuk 5
3/690
5.12
Schaduwhinder en windhinder
34
5.13
Cultureel erfgoed
36
5.14
Bodem
37
5.15
Water
39
5.16
Duurzaamheid
42
5.17
Gezondheid
42
Juridische vormgeving
44
Opzet van de regels
44
Financiele haalbaarheid
46
Uitvoerbaarheid en kostenverhaal
46
Evenwichtige toedeling van functies aan locaties
47
Hoofdstuk 6 6.1
Hoofdstuk 7 7.1
Hoofdstuk 8 Bijlagen motivering
49
Bijlage 1
Nieuwbouw en revitalisatie KPN locatie Heerenveen (17-06 2025)
51
Bijlage 2
Voorlopig ontwerp (september 2025)
81
Bijlage 3
Verslag inloopbijeenkomst en beantwoording vragen en reacties
99
Bijlage 4
Reactienota zienswijzen
109
Bijlage 5
Ambtshalve wijzigingen
121
Bijlage 6
Mer-beoordelingsnotititie
123
Bijlage 7
Ladderonderbouwing
145
Bijlage 8
Advies welstand
151
Bijlage 9
Berekening parkeren tbv bijdrage mobiliteitsfonds
157
Bijlage 10
Memo 'Verkeer en parkeren'
161
Bijlage 11
Stikstofdepositie
167
Bijlage 12
Ecologische quickscan
187
Bijlage 13
Akoestisch onderzoek wegverkeerslawaai
211
Bijlage 14
Bezonningsstudie
289
Bijlage 15
Archeologisch onderzoek
321
Bijlage 16
Bodemonderzoeken
353
Bijlage 17
Watertoets
661
4/690
Bijlage 18
Advies Brandweer (préadvies)
Regels Hoofdstuk 1
670 ALGEMENE BEPALINGEN
671
Artikel 1
Begripsbepalingen
671
Artikel 2
Toepassingsbereik
672
Artikel 3
Meet- en rekenbepalingen
673
Artikel 4
Algemene vereisten aan tekeningen
674
ALGEMENE REGELS OVER HET GEBRUIK VAN GRONDEN EN BOUWWERKEN
675
Artikel 5
Gebruiksverbod
675
Artikel 6
Nadere regel over het gebruiksverbod
676
Artikel 7
Beroep- of bedrijf aan huis
677
Hoofdstuk 2
Hoofdstuk 3
SPECIFIEKE REGELS VOOR HET GEBRUIKEN VAN GRONDEN EN BOUWWERKEN 678
Artikel 8
Groen
678
Artikel 9
Nutsvoorziening
679
Artikel 10
Wonen
680
ALGEMENE REGELS VOOR HET BOUWEN VAN BOUWWERKEN
681
Artikel 11
Toepassingsbereik
681
Artikel 12
Maatwerkvoorschriften
682
Artikel 13
Excessen
683
Hoofdstuk 4
Artikel 14 Afwijkende beoordelingsregels aanvraag binnenplanse omgevingsvergunning omgevingsplanactiviteit bouwwerken algemeen
684
Artikel 15 Aanvullende aanvraagvereisten binnenplanse omgevingsvergunning omgevingsplanactiviteit bouwwerken
685
Hoofdstuk 5
REGELS VOOR HET BOUWEN VAN SPECIFIEKE BOUWWERKEN
686
Artikel 16
Regels voor het bouwen van bouwwerken ter plaatse van de functie 'Wonen'
686
Artikel 17 'Wonen'
Regels voor het bouwen van bouwwerken anders dan ter plaatse van de functie
Artikel 18
Bouwwerken, geen gebouwen of overkappingen zijnde
688
Artikel 19
Aanvullende beoordelingsregels
689
OVERGANGSBEPALINGEN
690
Overgansrecht
690
Hoofdstuk 6 Artikel 20
5/690
667
687
Motivering
6/690
Hoofdstuk 1 1.1
Inleiding
Aanleiding
Het voornemen bestaat om op het perceel van het voormalige kantoorgebouw van KPN aan de K.R.Poststraat 12 A en B te Heerenveen appartementengebouwen met in totaal 58 woningen te realiseren. Hiertoe wordt de bestaande bebouwing grotendeels gesloopt. Ter plaatse van de Kleine Kerkstraat blijft een deel gehandhaafd voor KPN activiteiten. Het betreft koopappartementen die worden gerealiseerd ten behoeve van de doelgroep starters en senioren. De gemeente wil door een wijziging van het omgevingsplan de beoogde ontwikkeling mogelijk maken. Een onderdeel van de wijziging is een goede motivering waaruit moet blijken dat de activiteiten in overeenstemming zijn met een evenwichtige toedeling van functies aan locaties en dat de activiteiten ook uitvoerbaar zijn. Hiervoor is deze motivering opgesteld.
Figuur 1: Impressie appartementengebouw vanaf K.R. Poststraat (bron: Adema architecten, Nieuwbouw en revitalisatie KPN locatie Heerenveen d.d. 17 juni 2025)
1.2
Ligging plangebied
Het plangebied is gelegen aan de K.R. Poststraat in het centrum van Heerenveen. De K.R. Poststraat is een doorgaande weg die in oostelijke richting doorloopt tot de A32 en in westelijke richting overgaan in de Trambaan, welke doorloopt tot het bus-en treinstation van Heerenveen. De K.R.Poststraat - Trambaan is een van de gebiedsontsluitingwegen in Heerenveen. De ligging van het plangebied is weergegeven in bijgaande figuur.
7/690
Figuur 2: ligging plangebied K.R. Poststraat 12 A en B Heerenveen (bron: Adema architecten, Nieuwbouw en revitalisatie KPN locatie Heerenveen d.d. 17-06 2025)
1.3
Planologische regeling
Het tijdelijk deel van het omgevingsplan bestaat uit alle ruimtelijke regels die nu zijn opgenomen in bestemmingsplannen, beheersverordeningen, inpassingsplannen, exploitatieplannen, voorbereidingsbesluiten, hogere waarde besluiten, vastgestelde veiligheidscontouren, wijzigingsplannen en uitwerkingsplannen. Tevens bestaat het tijdelijk deel van het omgevingsplan uit een aantal regels die voorheen geregeld waren op rijksniveau. Deze regels zijn voor een deel afkomstig uit het Activiteitenbesluit milieubeheer en de Wabo. Het plangebied is planologisch geregeld in de beheersverordening Heerenveen Centrum (vastgesteld 21-03 2016). Deze beheersverordening maakt deel uit van het (tijdelijke) Omgevingsplan van de gemeente Heerenveen. Op de locatie is het besluitvak 'Gemengd' van toepassing. Ook is het besluitvak Waarde-Archeologie 2' van toepassing, alsmede het besluitvak 'bouwvlak klasse F'. Ten behoeve van de KPN zendmast is het besluitvak 'zend-/ontvangsinstallatie' aangebracht. De gronden en bouwwerken ter plaatse van het besluitvlak 'Gemengd' zijn bedoeld voor dienstverlenende bedrijven en instellingen. Binnen het bouwvlak klasse F is een maximale goothoogte van 6 meter toegestaan. De minimale dakhelling bedraagt 30 ° , de maximale dakhelling bedraagt 60 °. Er is geen maximale bouwhoogte aangegeven.
Voor bouwwerken met een oppervlakte van 50 m² of meer, die worden gebouwd in of op gronden ter plaatse van het besluitvlak 'Waarde-archeologie 2', moet voordat een omgevingsvergunning wordt verleend, een archeologisch onderzoek plaatsvinden. De bouw van 58 appartementen is niet mogelijk op basis van (het tijdelijke deel van) het Omgevingsplan. Een uitsnede van de beheersverordening ter plaatse van het plangebied is weergegeven in bijgaande figuur.
8/690
Figuur 3: fragment beheersverordening Heerenveen Centrum (bron: Regels op de kaart)
1.4
Omgevingswet
De Omgevingswet bundelt en moderniseert de wetten voor de leefomgeving, zoals bouwen, milieu, water, ruimtelijke ordening en natuur. Deze wet is op 1 januari 2024 ingegaan en werkt door in vier algemene maatregelen van bestuur: Omgevingsbesluit Dit besluit bevat regels over het bevoegd gezag voor omgevingsvergunningen, procedures, handhaving en uitvoering. Het regelt ook het Digitaal Stelsel Omgevingswet (DSO). Besluit activiteiten leefomgeving (Bal) Het Bal stelt algemene regels voor activiteiten in de fysieke leefomgeving. Het bepaalt of een melding of omgevingsvergunning nodig is en bevat rijksregels voor diverse activiteiten. Deze regels richten zich direct op burgers en bedrijven. Gemeenten mogen onder voorwaarden aanvullende regels in het omgevingsplan opnemen of afwijken van het Bal. Deze afwijkingen mogen het beschermingsniveau van het Bal niet verlagen. Dit is alleen toegestaan als het Bal dit uitdrukkelijk toestaat via maatwerkregels of -voorschriften. Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl)
9/690
Het Bkl bevat regels over omgevingswaarden, instructieregels, beoordelingsregels en monitoring. Deze regels gelden voor gemeenten, provincies en waterschappen bij het opstellen van omgevingsplannen en verordeningen. Hoofdstuk 5 van het Bkl bevat instructieregels die een omgevingsplan minimaal moet bevatten voor een evenwichtige toedeling van functies. Besluit bouwwerken leefomgeving (Bbl) Het Bbl regelt veiligheid, gezondheid, duurzaamheid en bruikbaarheid van bouwwerken. Het bevat ook regels voor de staat en het gebruik van bouwwerken en voor bouw- en sloopwerkzaamheden. Deze regels richten zich op burgers en bedrijven. Het Bbl behandelt de technische aspecten van bouwwerken, terwijl het ruimtelijke deel van bouwen in het omgevingsplan staat. Voor de ontwikkelingen in het plangebied moet beoordeeld worden welke omgevingswaarden, instructie- en beoordelingsregels relevant zijn en vertaald worden naar de planregels. De wijziging van het omgevingsplan voor deze locatie bevat regels om aan de instructieregels te voldoen. In hoofdstuk 5 van deze motivering worden de verschillende thema's verder uitgewerkt en wordt beoordeeld met welke instructieregels rekening dient te worden gehouden.
1.5
TAM-omgevingsplan
De ontwikkeling is niet mogelijk op basis van de geldende planologische regeling. Er wordt een wijziging van het omgevingsplan opgesteld, waarbij gebruik wordt gemaakt van de techniek TAM-IMRO. Dit houdt in dat de techniek voor planvorming zoals gebruikt onder de Wet ruimtelijke ordening (Wro) tijdelijk kan worden gebruikt onder de Omgevingswet. Hierbij wordt gebruik gemaakt van de voormalige Wro en IMRO 2012 standaard. Om het omgevingsplan volgens TAM-IMRO op te stellen, moet het ontwerp-omgevingsplan uiterlijk op 1 januari 2026 door de gemeente ter inzage worden gelegd. Na deze datum vervalt (vooralsnog) de mogelijkheid om een TAM-IMRO omgevingsplan in procedure te brengen.
10/690
Hoofdstuk 2 2.1
Planbeschrijving
Bestaande situatie
Aan de K.R. Poststraat nr. 12 A en B bevindt zich een combipand van de KPN. Het gebouw heeft nu nog een kantoorfunctie en een technische functie. KPN behoudt een deel van het pand (technische functie) omdat het van hier uit Heerenveen en omgeving voorziet van telecommunicatie diensten zoals mobiel, tv en internet. Binnen het plangebied is ook een zendmast aanwezig met antennes en schotels (van KPN en Odido) ten behoeve van mobiele telefonie en straalverbindingen. De zendmast blijft gehandhaafd. Het projectgebied bevat 3 percelen. Daarvan zijn 2 percelen die in de huidige situatie in gebruik zijn door de KPN: perceel 11700 en perceel 11701. Het perceel 11414 wordt gebruikt en is in eigendom van de eigenaar van de mast. Een restant van perceel 11701 blijft bestaan welke door KPN in gebruik / eigendom zal worden genomen. De KPN blijft dus nog voor een deel binnen de projectlocatie zitten in de beoogde situatie. De perceelsgrootte van KPN neemt af van 2.126 m² naar 433 m². In bijgaande figuur is een luchtfoto van de huidige situatie van het plangebied weergegeven.
Figuur 4: Luchtfoto huidige situatie (bron: Adema architecten, Nieuwbouw en revitalisatie KPN locatie Heerenveen d.d. 17-06 2025)
11/690
Figuur 5: bestaande situatie KPN percelen en zendmast
2.2
Toekomstige situatie
Het voornemen bestaat om op het perceel van het voormalige kantoorgebouw van KPN aan de K.R.Poststraat nr. 12 A en B te Heerenveen appartementengebouwen met in totaal 58 woningen te realiseren. Hiertoe wordt de bestaande bebouwing grotendeels gesloopt. Het betreft koopappartementen die worden gerealiseerd ten behoeve van de doelgroep starters en senioren. De afnemende vraag naar kantoorruimte en de grote behoefte aan woningen maken dit een logische ontwikkeling.
12/690
Met de ontwikkelaar is een overeenkomst gesloten waarin is vastgelegd wat het aandeel aan betaalbare woningen zal zijn in dit project. Van de 58 koopappartementen worden er 37 verkocht in het goedkope segment, 16 in het betaalbare segment en 5 in de vrije sector. De segmenten goedkoop en betaalbaar worden bepaald aan de hand van de landelijke betaalbaarheidsgrens die in 2025 is bepaald op € 405.000,-. Goedkoop betekent ten hoogste 70% van de betaalbaarheidsgrens, dus € 283.500,- en betaalbaar zit ten hoogste op de betaalbaarheidsgrens. De betaalbaarheidsgrens in het jaar dat de bouw van start gaat is uiteindelijk bepalend voor de definitieve verkoopprijzen. Stedenbouwkundig plan Het stedenbouwkundig plan bestaat uit drie appartementengebouwen, gegroepeerd rond het bestaande pand wat door de KPN in gebruik blijft. Het betreft: één gebouw van 4 bouwlagen hoog (24 appartementen) één gebouw van 4 bouwlagen hoog (13 appartementen) één gebouw van 4 tot 5 bouwlagen hoog (21 appartementen). De grootte van de appartementen varieert van circa 50 m2 tot circa 80 m2 gebruiksoppervlakte. De buitenruimte wordt groen ingericht. De benodigde parkeerplaatsen worden door de gemeente gereserveerd binnen de nabijgelegen parkeergarage die in het centrum van Heerenveen wordt gerealiseerd. Verder wordt er een gemeenschappelijke inpandige fietsenberging gerealiseerd met ruimte voor 152 fietsen.
Het stedenbouwkundig plan 'Nieuwbouw en revitalisatie KPN locatie Heerenveen' (d.d. 17 juni 2025) is opgenomen als bijlage 1.
13/690
Figuur 6: Ontwerp situatie (bron: Adema architecten, Nieuwbouw en revitalisatie KPN locatie Heerenveen d.d. 17-06 2025)
Figuur 7: Zicht vanaf de Kleine Kerkstraat (bron: Adema architecten, Nieuwbouw en revitalisatie KPN locatie Heerenveen d.d. 17-06 2025)
14/690
Figuur 8: Voorlopig ontwerp buitenruimte (bron: Buro Poelmans Reesink d.d. 16 september 2025) Ontwerp buitenruimte Ten behoeve van de inrichting van de buitenruimte is een nadere uitwerking gemaakt (Voorlopig ontwerp, Buro Reesink d.d. 16 september 2025). Dit voorlopig ontwerp is opgenomen als bijlage 2. Het voorlopig ontwerp geeft een mogelijke uitwerking van 'de schil', 'de rand' en 'de kern'. Ook is de verhouding groen/grijs weergegeven. Het ontwerp voegt 144 m² groen toe binnen het plangebied en verhoogt het groene oppervlak in de buitenruimte van 20% naar 41%.
15/690
Hoofdstuk 3 3.1
Participatie en vooroverleg
Participatie omgeving
Participatie is een belangrijk element binnen de omgevingswet. Op donderdag 11 juli 2024 is een inloopbijeenkomst over de toekomst van het woningbouwplan aan de K.R. Poststraat gehouden. Het doel van de bijeenkomst was het presenteren van en het ophalen van reacties op het schetsontwerp voor de mogelijke transformatie van het huidige KPN-kantoor naar een appartementengebouw met circa 56 appartementen variërend in grootte. Tijdens de avond waren er ongeveer 50 bezoekers aanwezig. Iedere bezoeker kreeg een reactieformulier waarop men zich kon aanmelden voor de nieuwsbrief, interesse kon tonen in een woning, vragen kon stellen en opmerkingen over het plan kon maken. Uit de reactieformulieren (16 in totaal) en de gesprekken tijdens de bijeenkomst zijn de volgende conclusies te trekken: De meeste bezoekers waren positief over het schetsontwerp en de uitstraling van de gebouwen. Er was een duidelijke zorg over de verkeersveiligheid en de verkeers- en parkeerdrukte. Een aantal bezoekers gaven aan meer groen in de omgeving te willen zien in plaats van bebouwing. Tijdens en na de bijeenkomst zijn er reacties en vragen ontvangen over de herontwikkeling van de KPN-locatie. De antwoorden op de reacties en vragen zijn in samenspraak met de gemeente en de ontwikkelaar opgesteld.
Het verslag van de eerste inloopbijenkomst en de beantwoording van de reacties en vragen naar aanleiding van deze inloopbijeenkomst zijn opgenomen als bijlage 3.
3.2
Bestuurlijk vooroverleg
Onder de Omgevingswet is informeel vooroverleg over plannen mogelijk. Het vooroverleg voor wijzigingen van het omgevingsplan is in de Omgevingswet juridisch niet geregeld. Het vooroverleg is vormvrij. Door bij ruimtelijke ontwikkelingen in een vroeg stadium met elkaar op te trekken, kunnen knelpunten in een vroeg stadium worden gesignaleerd. De gemeente Heerenveen zal haar vaste overlegpartners in het kader van het vooroverleg op de hoogte brengen van de beoogde ontwikkeling. De gemeente zal de overlegpartners verzoeken aan te geven of er specifieke aandachtspunten aan de orde zijn waarmee rekening dient te worden gehouden bij de planontwikkeling. Brandweer Fryslân heeft op 21 februari 2025 een preadvies uitgebracht. Dit preadvies bevat een aantal aandachtspunten en aanbevelingenb m.b.t. de brandveiligheid. Deze opmerkingen zullen worden verwerkt in de nadere uitwerking van het plan. Het preadvies is opgenomen als bijlage 18.
3.3
Zienswijzen
Het ontwerp van het `TAM-omgevingsplan hoofdstuk 22D K.R. Poststraat 12 A en B' heeft op grond van artikel 16.30 van de Omgevingswet met ingang van 7 november 2025 voor een periode van 6 weken ter inzage gelegen.
16/690
Tijdens de inzagetermijn zijn er 5 zienswijzen ingediend. Naar aanleiding van de zienswijzen is de motivering op een aantal punten aangescherpt en is in de regels een aantal ambtshalve aanpassingen doorgevoerd. De binnengekomen zienswijzen zijn in de Reactienota zienswijzen (bijlage 4 ) samengevat en beantwoord. De ambtshalve wijzigingen zijn opgenomen in bijlage 5.
17/690
Hoofdstuk 4 4.1
Beleidskader
Rijksbeleid
Nationale Omgevingsvisie (NOVI) Met de Nationale Omgevingsvisie (NOVI) geeft het Rijk een langetermijnvisie op de toekomst en de ontwikkeling van de leefomgeving in Nederland. De NOVI gaat uit van de volgende vier prioritaire opgaven: Duurzaam economisch groeipotentieel voor Nederland; Ruimte voor de klimaatverandering en energietransitie; Sterke, leefbare en klimaatbestendige steden en regio's met voldoende ruimte om te wonen, werken en bewegen; Toekomstbestendige ontwikkeling van het landelijk gebied. In de visie worden de nationale belangen genoemd die gewaarborgd moeten worden in het beleid voor de fysieke leefomgeving. De NOVI gaat vergezeld van een uitvoeringsagenda, waarin staat aangegeven hoe het Rijk invulling geeft aan zijn rol bij de uitvoering van de NOVI. In de Uitvoeringsagenda zijn onder andere een overzicht van instrumenten en (gebiedsgerichte) programma's op de verschillende beleidsterreinen te vinden. De Uitvoeringsagenda zal, indien nodig, jaarlijks worden geactualiseerd. De ontwikkeling in het plangebied raakt, gezien de relatief kleine omvang, geen opgaven die zijn opgenomen in de NOVI. De ontwikkeling draagt bij aan de opgave om steden en regio's sterker en leefbaarder te maken.
4.2
Provincaal beleid
Omgevingsvisie Fryslân - De romte diele Op 23 september 2020 is de omgevingsvisie Fryslân - De romte diele vastgesteld waarin de ambitie voor de provincie voor 2030-2050 is uitgesproken. Hierbij wordt gewerkt met 9 principes die richting geven bij het maken van keuzes. Enerzijds zijn de principes inhoudelijk van aard, zoals zuinig ruimtegebruik, omgevingskwaliteit als ontwerpbasis, koppelen van ambities, gezondheid en veilig. Anderzijds zijn er samenwerkingsprincipes, zoals rolbewust, decentraal wat kan, het ja, mits principe, aansluiting zoeken en sturen op proces, ruimer op inhoud. Dit is vertaald naar vier urgente opgaven die de provincie wil aanpakken: 1. Fryslân houdt de leefomgeving vitaal, leefbaar en bereikbaar; 2. Fryslân zet de energietransitie met kracht voort; 3. Fryslân wordt klimaat-adaptief ingericht; 4. Fryslân versterkt de biodiversiteit. Als uitgangspunt geldt dat veranderingen niet tegen moeten worden gehouden, maar dat ambities worden gerealiseerd door gewenste nieuwe ontwikkelingen te laten aansluiten bij bestaande kwaliteiten. De beoogde ontwikkeling wordt gerealiseerd binnen bestaand stedelijk gebied, waarbij de omgevingskwaliteit als basis voor het ontwerp wordt toegepast. Hierbij wordt de situering en maatvoering van de nieuwbouw afgestemd
18/690
op de al aanwezige bebouwing in de directe omgeving. Verder wordt in de omgevingsvisie ingezet op natuurinclusief ontwerpen bij nieuwe ontwikkelingen. Dit is mogelijk als in het ontwerp rekening wordt gehouden met maatregelen die een positief ecologisch effect sorteren. Bij de uitwerking van de bouwplannen wordt ingezet op natuurinclusief bouwen. Dit krijgt vorm door de groene inrichting van de buitenruimte. Conclusie: De mogelijkheden die in deze wijziging van het omgevingsplan worden geboden passen binnen het beleid van de provinciale omgevingsvisie. Omgevingsverordening Provincie Fryslân Op 8 februari 2024 is de Omgevingsverordening in werking getreden. In de verordening zijn regels opgenomen die ervoor moeten zorgen dat de provinciale ruimtelijke belangen doorwerken in de gemeentelijke ruimtelijke plannen. Voor de woningbouwplannen aan de K.R. Poststraat zijn geen specifieke regels opgenomen. Voor het overige zijn de volgende regelingen uit de verordening van toepassing. Artikel 2.1 Omgevingskwaliteiten als basis In een omgevingsplan wordt aangegeven op welke wijze het plan rekening houdt met de archeologische waarden en de archeologische verwachtingswaarden, waarbij gebruik wordt gemaakt van de Friese archeologische monumentenkaart extra of van een met de provincie afgestemde gemeentelijke verdiepingsslag. Zie verder par 5.13.
Artikel 2.5 Gezond en veilig 1 Een omgevingsplan, dat voorziet in nieuwe functies of uitbreiding van bestaande functies, bevat een onderbouwing van de wijze waarop effecten op de gezondheid en veiligheid zijn meegewogen in het plan. Zie verder par 5.16 2. Een omgevingsplan bevat, zo nodig, een onderbouwing van de wijze waarop het plan rekening houdt met het risico op wateroverlast of op overstroming vanuit de Friese boezem, ook gezien vanuit de mogelijkheid van falen van regionale waterkeringen. Zie verder par 5.15. 3. Een omgevingsplan stelt regels met het oog op het borgen van water-robuust bouwen indien door de lage ligging van gronden een risico bestaat op overstroming of wateroverlast. Zie verder par 5.15 Artikel 2.7 Programmering woningbouw In dit artikel is aangegeven dat een ruimtelijk plan nieuwe woningen kan bevatten, wanneer deze passen binnen de regionale woningbouwafspraken. Er heeft een kwantitatieve afweging plaatsgevonden. In paragraaf 5.2 wordt hierop ingegaan. Hieruit blijkt dat de beoogde nieuwbouw aansluit bij de behoefte en is opgenomen in de regionale woningbouwafspraken.In 2023 zijn 6 regionale woondeals ondertekend in de provincie Friesland, waaronder de regio Zuidoost-Fryslân. De gemeenten
19/690
in de regio Zuidoost Fryslân zetten zich gezamenlijk in voor de realisatie van 4.680 woningen. Het aandeel van de gemeente Heerenveen hierin is een opgave van 1.720 woningen. Het planvoornemen voor de K.R, Poststraat past binnen deze afspraken.
4.3
Waterschapsbeleid
Wetterskip Fryslân is verantwoordelijk voor de veiligheid (sterke dijken), het bewaken van de waterkwaliteit, een goed waterpeil, voldoende water en het zuiveren van afvalwater. Hierbij wordt rekening gehouden met klimaatverandering. In 2023 heeft het Wetterskip de toekomstvisie vastgesteld. De visie geeft inhoud voor het Fries Programma Landelijk Gebied en de Provinciale Omgevingsvisie. Voor het ontwikkelen van beleid en plannen over water, bodem en ruimte is de visie de basis. Wetterskip Fryslân gebruikt de visie ook om bestaande plannen, zoals het Waterbeheerprogramma 2022-2027, te herzien. Dit Waterbeheerprogramma 2022-2027 is nu nog het geldende plan en geeft inzicht in de maatregelen en ruimtelijke keuzes om onder meer klimaatverandering op te kunnen vangen. Dit programma is in samenwerking met de Provincie Fryslân opgesteld. De provincie is verantwoordelijk voor het Regionaal Waterprogramma 2022/2027 dat het kader is voor het waterbeheerprogramma. Het Regionaal Waterprogramma 2022/2027 is op 30 november 2022 vastgesteld door Provinciale Staten. In dit programma legt de provincie het beleid voor waterbeheer vast voor de planperiode. In de omgevingsverordening Fryslân zijn regels opgenomen die gaan over veiligheid en water. Het hoofddoel is dat de provincie Fryslân in 2050 zoveel mogelijk waterrobuust en klimaatbestendig is ingericht.
In het Waterprogramma zijn de doelen in programmalijnen opgenomen voor klimaatadaptatie, waterveiligheid, voldoende water en waterkwaliteit. De uitwerking vindt plaats door de waterschappen. De waterschapsverordening Wetterskip Fryslân bevat alle regels over de fysieke leefomgeving die het Wetterskip stelt binnen haar beheersgebied. Wetterskip Fryslân heeft ervoor gekozen om met de inwerkingtreding van de Omgevingswet beleidsluw over te gaan. Dit houdt in dat de waterschapsverordening qua vorm en opzet volledig voldoet aan de uitgangspunten van de Omgevingswet. In de Omgevingsverordening van de provincie zijn in hoofdstuk 3 de instructieregels met betrekking tot water opgenomen. In paragraaf 5.15 wordt ingegaan op het wateraspect met betrekking tot de beoogde ontwikkeling.
4.4
Gemeentelijk beleid
4.4.1 Omgevingsvisie Heerenveen 1.0 De Omgevingsvisie Heerenveen 1.0 geeft richting aan de toekomst van de gemeente Heeenveen. De Omgevingsvisie bevat het integrale beleid op hoofdlijnen voor de fysieke leefomgeving. In de visie staan de ambities, kernopgaven en de uitgangspunten van het beleid voor de fysieke leefomgeving.
20/690
De Omgevingsvisie is op 8 juli 2021 vastgesteld door de gemeenteraad en is bindend voor de gemeente bij de uitwerking van nieuw beleid voor de fysieke leefomgeving. De Omgevingsvisie is een dynamisch document. Ontwikkelingen gaan steeds sneller. Dit vraagt om een flexibele aanpak met de mogelijkheid visies en plannen aan te passen aan voortschrijdend inzicht. Na vaststelling wordt de visie regelmatig geëvalueerd en aangepast. De stip aan de horizon blijft daarbij hetzelfde, maar de route om er te komen wordt daarbij aangepast aan ontwikkelingen en nieuwe inzichten. Kern van de visie “In 2040 is Heerenveen een gezonde, ondernemende en duurzame gemeente waar het prettig wonen, werken en recreëren is. We hebben ons onderscheidende profiel als (top)sportgemeente verder versterkt en verbreed. We koesteren de landschappelijke kwaliteit en diversiteit, de uitstekende bereikbaarheid en de (regionale) voorzieningen als reden om hier te wonen en te werken. En we zijn in 2040 een flink eind op weg om de gemeente samen met inwoners en bedrijven klimaatbestendig en klimaatneutraal te maken.” De keuzes die de gemeente de komende jaren maakt en de samenwerkingen die de gemeente aan gaan, zijn ondersteunend aan deze ambities. Over 'bouwen aan toekomstige woningen' zegt de visie het volgende: Diverse plekken vragen om inbreiding en transformatie.
Bouwen binnen bestaand bebouwd gebied draagt bij aan een zuiniger en intensiever gebruik van de ruimte. Dit is ook positief voor het draagvlak van bestaande voorzieningen zoals scholen en wijkgebouwen. In de gemeente zijn verschillende plekken binnen bestaand bebouwd gebied die kansen bieden voor nieuwbouw of vragen om transformatie. Het kan bijvoorbeeld gaan om (verouderde) bedrijfslocaties in woongebieden, leegstaande (kantoor)gebouwen,voormalige schoollocaties of inbreidingslocaties. Deze plekken worden aangegrepen om plekken ruimtelijk te verbeteren, de woningvoorraad meer divers te maken en doelgroepen te mengen (inkomens, leeftijden, huishoudenssamenstelling). Uiteraard wordt daarbij rekening gehouden met de trends op het gebied van vergrijzing en ontgroening. Uitgangspunten inbreidingslocaties In het Addendum op de Woonvisie (2020) is een voorkeursvolgorde vastgelegd. Op basis van deze voorkeursvolgorde wordt het woningbouwcontingent verdeeld over Centrumplannen, bestaande woningbouwlocaties en transformatie van bestaande (leegstaande bebouwing). Nieuwe inbreidingsplannen zijn alleen mogelijk als er voldoende woningbouwcontingent beschikbaar is. Aanvullend op het Addendum zijn de volgende aspecten meegewogen bij individuele bouwplannen (in willekeurige volgorde): Er worden geen waardevolle groene ruimtes volgebouwd.
Verdere afbakening van deze (hoofd)groenstructuur vindt plaats in het Programma Groenstructuur. Tot die tijd wordt rekening gehouden met de groenstructuren die zijn opgenomen op themakaart ‘Gezonde, leefbare en klimaatbestendige wijken en dorpen’. De gemeente zet bij inbreiding in op plannen die leiden tot een versterking van de omgevingskwaliteit Het plan leidt tot een stedenbouwkundige verbetering, het oplossen van een milieutechnisch knelpunt of een vervanging van leegstaande / verouderde (bedrijfs)bebouwing;
21/690
Het plan draagt bij aan het bestaande woningaanbod in het dorp (of de wijk). De mogelijkheden die in deze wijziging van het omgevingsplan worden geboden passen binnen het gemeentelijk beleid, zoals vastgelegd in de omgevingsvisie. Een groot deel van het plan voorziet in betaalbare koop. 4.4.2 Beleid wonen Woonvisie Heerenveen 2023-2028 De Woonvisie Heerenveen 2023-2028 is op 19 oktober 2023 vastgesteld. Gezien de huidige woonsituatie en -behoeften van (toekomstige) inwoners van de gemeente Heerenveen zijn er diverse ambities geformuleerd, zoals de bouw van tenminste 2.000 nieuwe woningen tot 2030. De vijf prioriteiten die centraal staan in de woonvisie zijn: 1. Heerenveen groeit: groeien met minimaal 2.000 woningen tot 2030. 2. Een gevarieerde bevolking vraagt om het toevoegen van betaalbare woningen. 3. Waarde hechten aan vitale kernen en gemengde wijken. 4. Een inclusieve gemeente vraagt om een gevarieerd woonzorglandschap. 5. Een duurzaam thuis staat in een klimaatadaptieve woonomgeving. De gemeente zet in op het toevoegen van minimaal 2.000 woningen tot 2030. Dit is geen strakke bovengrens. Voldoende woonruimte is van belang voor de werkgevers en werknemers in Heerenveen. Ook wil de gemeente bijdragen aan het oplossen van de woningcrisis door meer ambitie te tonen.
Daarnaast speelt ook mee dat er meer plancapaciteit nodig is voor haalbaarheid van doelen (130%) vanwege planuitval en vertragingen. In 2023 was er sprake van een plancapaciteit van 2.414 woningen, waarvan 561 aan harde plancapaciteit. De grootste woonvraag tot 2030 én bovenlokale woonvraag landt in Heerenveen en Akkrum-Nes; met het grootste deel in de hoofdkern Heerenveen. Het richtinggevende programma in Heerenveen is 1.400 woningen. Een van de ambities uit de woonvisie is het toevoegen van betaalbare woningen. De gemeente richt zich daarom op: Het directe aanbod te vergroten voor starters en jonge gezinnen. De gemeente wil toevoegen wat er nog onvoldoende beschikbaar is: betaalbare koop en sociale huur. Dat kan door nieuwbouw, benutten van de bestaande voorraad én doorstroming. De gemeente moet condities creëren waaronder ook corporaties sociale huurwoningen kunnen toevoegen. In de gemeente is de sociale huurvoorraad nu ongeveer 29%. De inzet is om de komende jaren minimaal 30% van het woningbouwprogramma in de sociale huur toe te voegen (dus: 600 van de 2.000 woningen) waarbij het aandeel sociale huur minimaal op peil blijft en idealiter toegroeit naar 30%. Dit vraagt, waar mogelijk, aanpassingen binnen de woningbouwprogrammering.
Wanneer de sociale huurvoorraad op peil is, is het een optie om in wijken waar meer dan 40% sociale huur is sociale huurwoningen te verkopen, zodat er meer goedkope/betaalbare koop beschikbaar komt. In de sociale huursector is er vooral toevoeging gewenst van woningen voor één- en tweepersoonshuishoudens. Dit geldt zowel voor jongeren als voor ouderen. Hier ligt een opgave in het toevoegen van kleinere grondgebonden woningen en van appartementen met lift. Realisatie van rijwoningen is vooral ter vernieuwing/modernisering van het bestaande aanbod. De gemeente wil de woningvraag realiseren door in te zetten op zowel inbreiding als uitbreiding. Op enkele strategische plekken (bijvoorbeeld omgeving stadion en
22/690
station) wordt ingezet op hoge dichtheden. Ook wordt ingezet op benutting van de bestaande voorraad en transformatie (maatschappelijk vastgoed). Conclusie Er is sprake van zowel een kwantitatieve als kwalitatieve behoefte aan woningen in Heerenveen. De ontwikkeling sluit hier bij aan. 4.4.3 Welstandsnota 2016 Het welstandsbeleid is een onderdeel van het ruimtelijk kwaliteitsbeleid van de gemeente. Ondermeer structuurvisies, bestemmingsplannen en inrichtingsplannen voor het openbaar gebied maken hier deel van uit. Welstand is niet alles bepalend, maar doet mee in het geheel. Het belang van een goede ruimtelijke structuur staat voorop. De vormgeving van bouwplannen draagt hier aan bij. Uitgangspunt is ‘loslaten waar het kan, sturen waar nodig’. Nadruk ligt op gesprek vooraf (o.a. betekenisvolle projecten), waarbij de nota de leidraad vormt. De nota vormt nadrukkelijk geen dichtgetimmerd kader. Enerzijds, met name ontwikkelingen van beperkte omvang die binnen de bestaande structuur passen, is sprake van een globaal kader, waarbinnen de beoordeling plaatsvindt. Anderzijds gaat het meer om ‘vastleggen’ van belangrijke kernwaarden. Het plangebied maakt onderdeel uit van deelgebied 'centrum'. De opbouw van het centrum bestaat uit verschillende ruimtelijke structuren en elementen van verschillende schaal.
Enerzijds zijn er de historische lange lijnen van bijvoorbeeld De Dracht en de Lindegracht. Hier overheerst de kleine schaal van afzonderlijke panden met een beperkte korrelmaat in één tot twee lagen met kap. De bebouwing heeft voornamelijk centrumfuncties, het wonen is hier inmiddels ondergeschikt. Anderzijds zijn er de nieuwere elementen zoals de meer grootschalige bouwblokken uit het einde van de twintigste eeuw langs o.a. de Sieversstraat, aan het Burg. Kuperusplein. Tot slot een aantal cultuurhistorisch waardevolle solitaire bouwvolumes zoals de R.K. Kerk, Oenemastate en Crackstate (gemeentehuis). Het centrum van Heerenveen is het meest publieke en representatieve gebied van de gemeente. Het beleid is gericht op behoud en versterken van de bestaande ruimtelijke kwaliteit en cultuurhistorische waarde binnen de verschillende karakteristieken die in het centrum te vinden zijn. Van belang is het versterken van de representativiteit van het centrum. Het plan is reeds getoetst en biedt vooruitzicht op een positief advies, zie paragraaf 5.3 en bijlage 8.
23/690
Hoofdstuk 5
Gevolgen voor de fysieke leefomgeving
De beoogde ontwikkeling is van invloed op de fysieke leefomgeving. De aard, omvang en locatie van de ontwikkeling zijn de reden dat het omgevingsplan moet worden gewijzigd. Dit betekent dat de omgevingsaspecten en andere thema's onderzocht moeten worden om te beoordelen of er sprake is van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties (ETFAL) als de gewenste ontwikkeling is uitgevoerd. De beoogde ontwikkeling wordt in dit hoofdstuk getoetst aan onder meer de instructieregels uit het Bkl (Besluit kwaliteit leefomgeving). In het Bkl is namelijk aangegeven dat daar waar een nieuwe activiteit milieuruimte inneemt, aandacht nodig is voor de gevolgen van deze activiteit op de omgeving maar ook voor de gevolgen die de omgeving heeft op deze nieuwe activiteit.
5.1
Mer-beoordeling
Toetsingskader In Bijlage V van het Omgevingsbesluit is aangegeven welke projecten in het kader van een wijziging van het omgevingsplan project-mer-plichtig of mer-beoordelingsplichtig zijn. Projecten die zijn genoemd in kolom 1 zijn mer-plichtig als wordt voldaan aan de drempelwaarden uit kolom 2 en mer-beoordelingsplichtig in gevallen als genoemd in kolom 3. In kolom 4 staat aangegeven bij welk besluit de mer(beoordelings)-plicht geldt. Voor mer-beoordelingsplichtige activiteiten moet worden onderzocht of deze aanzienlijke milieueffecten kunnen hebben. De criteria om dit vast te stellen zijn genoemd in bijlage III van Richtlijn 2011/92/EU (richtlijn m.e.r.). Samengevat zijn dit de kenmerken van een project, de locatie van een project en soort en kenmerken van de verschillende milieueffecten. Bij het bevoegd gezag, (het college van B&W) moet een mededeling (de aanmeldnotitie) worden gedaan waarin een beschrijving van het plan, de locatie en de mogelijke milieueffecten zijn opgenomen. Het bevoegd gezag beslist binnen zes weken of sprake is van aanzienlijke milieueffecten. Toetsing De beoogde ontwikkeling, namelijk het mogelijk maken van 58 woningen, wordt gezien als een stedelijk ontwikkelingsproject. Categorie J11 uit Bijlage V van het Ob is van toepassing. Er is geen sprake van een directe mer-plicht (kolom 2 van het Ob).
De mer-beoordelingsplicht uit kolom 3 is wel van toepassing. Om deze reden moet worden beoordeeld of de ontwikkeling aanzienlijke milieueffecten kan hebben. Conclusie De mer-beoordelingsnotitie is toegevoegd als bijlage 6. Uit de informatie uit deze notitie blijkt dat het plangebied niet is gelegen in een kwetsbaar gebied en/of gebied met een beschermde status. Verder leiden de aard en omvang van het 'stedelijk ontwikkelingsproject' niet tot aanzienlijke milieueffecten. Dit betekent dat er geen aanleiding is voor het doorlopen van een volledige mer-procedure.
5.2
Ladder voor duurzame verstedelijking
Toetsingskader
24/690
De Ladder voor duurzame verstedelijking (vaak kortweg aangeduid als Ladder) is een instructieregel voor zorgvuldig ruimtegebruik en tegengaan van leegstand. Bij nieuwe stedelijke ontwikkelingen wordt beoordeeld of de behoefte aanwezig is en of de ontwikkeling binnen het stedelijk gebied kan. In het Bkl staat de instructieregel dat de Ladder wordt toegepast bij een nieuwe stedelijke ontwikkeling. Een stedelijke ontwikkeling is de ontwikkeling of uitbreiding van een bedrijventerrein, een zeehaventerrein, een woningbouwlocatie, kantoren, een detailhandelsvoorziening of een andere stedelijke voorziening die voldoende substantieel is. Toetsing De ontwikkeling vindt plaats in bestaand stedelijk gebied waarbij op het perceel van het voormalige kantoorgebouw van KPN aan de K.R.Poststraat 12 A en B te Heerenveen appartementengebouwen met 58 woningen mogelijk worden gemaakt. De ontwikkeling maakt meer dan 11 woningen mogelijk (58 woningen), er is dus sprake van een stedelijke ontwikkeling waarvan de behoefte in beeld moet worden gebracht. De locatie ligt binnen stedelijk gebied, een locatieafweging is dus niet nodig. Ten behoeve van de voorgenomen ontwikkeling is een ladderonderbouwing opgesteld. Deze is als bijlage 7 opgenomen.
In de ladderonderbouwing wordt het volgende geconcludeerd: Kwantitatieve behoefte: Er is een kwantitatieve behoefte aan de toevoeging van harde plancapaciteit om te kunnen voldoen aan de woning-behoefte. Voorgenomen ontwikkeling kan daarin met 58 woningen aan bijdragen. Kwalitatieve behoefte: De beoogde ontwikkeling sluit aan op de gemaakte afspraken in de regio en de ambities uit de gemeentelijke woonvisie. Van de 58 woningen bestaat een groot deel uit het betaalbare segment. Daarmee wordt voldaan aan de behoefte aan meer betaalbare woningen in Heerenveen. De beoogde appartementen op deze centrumlocatie sluiten ook aan op de toevoeging van meer woningen, die zowel geschikt zijn voor ouderen als jongeren. Bovendien sluit de ontwikkeling ook aan bij de wens van inbreiding en gebruik van bestaand vastgoed. Conclusie Er is sprake van zowel een kwantitatieve als kwalitatieve behoefte aan woningen in Heerenveen. De ontwikkeling sluit hier bij aan. De ontwikkeling voldoet daarmee aan de uitgangspunten van de ladder voor duurzame verstedelijking. Er is sprake van zorgvuldig ruimtegebruik.
5.3
Omgevingskwaliteit
Toetsingskader Bij nieuwbouw of verbouw beoordeelt de gemeente met een welstandstoets of het bouwwerk past in de omgeving. De regels voor een welstandstoets zijn opgenomen in de bruidsschat. Daarmee maken deze regels deel uit van het tijdelijk deel van het omgevingsplan. Met de welstandstoets beoordeelt de gemeente of het uiterlijk of de plaatsing van het bouwwerk niet in strijd is met redelijke eisen van welstand. Toetsing De gemeente heeft haar welstandsbeleid vastgelegd in de Welstandsnota, die deel uitmaakt van de bruidsschat. De (welstands)regels voor het uiterlijk van bouwerken hierbij zijn afgestemd op de bestaande situatie en zijn
25/690
toereikend voor de beoogde situatie in het plangebied. Het plan is in het kader van het vooroverleg enkele malen voorgelegd aan het Team Omgevingskwaliteit van de gemeente Heerenveen. Het plan biedt vooruitzicht op positief advies. Het advies van het team Omgevingskwaliteit (d.d. 17 juni 2025) is opgenomen als bijlage 8. Conclusie Het plan biedt vooruitzicht op een positief advies. Omgevingskwaliteit vormt derhalve geen belemmering.
5.4
Verkeer en parkeren
Toetsingskader Het Bkl bevat geen instructieregels met betrekking tot mobiliteit en parkeren. Echter, bij het toelaten van een nieuwe ontwikkeling zal met het oog op een evenwichtige toedeling van functies aan locaties aangetoond moeten worden wat het effect is op de bereikbaarheid, verkeersafwikkeling en parkeerdruk. Toetsing Ten behoeve van de afkoop in het mobiliteitsfonds is door de gemeente een parkeerberekening gemaakt. Daarbij is uitgegaan van: 37 koop appartementen laagsegment: norm 1,1. Op maatgevend moment (avond door de week) is de parkeerbehoefte: 35,5 plekken. 21 koop appartementen middensegment: norm 1,3. Op maatgevend moment is de parkeerbehoefte 23,9. 206 m² bvo aan kantoorruimte (zonder baliefunctie): norm 1,4 per 100 m² bvo. Op maatgevend moment is de parkeerbehoefte 0,1. De berekening is opgenomen als bijlage 9. Ten behoeve van de voorgenomen ontwikkeling is een memo 'Verkeersparagraaf K.R. Poststraat 12 A en B' opgesteld. De memo is opgenomen als bijlage 10. In de memo wordt het volgende geconcludeerd: De beoogde ontwikkeling leidt tot een verkeerstoename van 210 mvt/etmaal gedurende een gemiddelde werkdag. Op basis van de inrichting van de ontsluitende wegen is deze verkeerstoename dermate laag dat het effect op de verkeersafwikkeling en verkeersveiligheid van het omliggende wegennet verwaarloosbaar is.
Op het gebied van parkeren heeft de beoogde ontwikkeling een maatgevende autoparkeerbehoefte van 60 parkeerplaatsen en een fietsparkeerbehoefte van 145 stallingsplaatsen. Ten aanzien van het opvangen van de autoparkeerbehoefte is binnen het plangebied, mede gelet op de beperkte ruimtelijke mogelijkheden, geen reële invulling mogelijk voor parkeeroplossingen op maaiveld of in een ondergrondse parkeervoorziening. Het realiseren van parkeren op eigen terrein is bovendien financieel niet haalbaar binnen het beoogde betaalbare woningsegment welke een groot deel van de totale ontwikkeling omvat. De aanleg van een parkeerkelder brengt aanzienlijke investeringskosten met zich mee, die niet in verhouding staan tot de schaal van de ontwikkeling en de beleidsdoelstelling om betaalbare woningen te realiseren. De ontwikkeling is daarnaast te kleinschalig om een zelfstandige en efficiënte parkeerbak te kunnen dragen.
26/690
Vanuit stedenbouwkundig perspectief is het inpassen van een eigen toegang tot een parkeervoorziening niet wenselijk en niet verenigbaar met de huidige stedenbouwkundige opzet en ruimtelijke randvoorwaarden van het gebied. Tenslotte gelden er zwaarwegende technische randvoorwaarden in verband met de nabijgelegen en te behouden KPN-locatie. De trilling gevoeligheid van deze infrastructuur beperkt de mogelijkheden voor graaf- en bouwactiviteiten aanzienlijk, waardoor de realisatie van parkeren op eigen terrein niet verantwoord kan worden geacht. Er kan dus worden geconcludeerd dat het realiseren van parkeren op eigen terrein in dit geval niet uitvoerbaar is. Om toch te voorzien in voldoende parkeergelegenheid voor onderhavig initiatief wordt in het kader van deze ontwikkeling een bijdrage geleverd aan het gemeentelijke mobiliteitsfonds, waarvoor de gemeente de benodigde parkeergelegenheid ten behoeve van de beoogde ontwikkeling reserveert in de nabijgelegen parkeergarage in het centrum van Heerenveen. Uit onderzoek blijkt dat er in de parkeergarage aan de Geerts Willigenstraat voldoende parkeerplaatsen beschikbaar zijn om de parkeerbehoefte op te vangen. In totaal zijn dus 60 parkeerplaatsen nodig. De parkeerberekening en de daaruit voortvloeiende afkoopsom voor het mobiliteitsfonds zal verwerkt worden in een overeenkomst tussen ontwikkelaar en gemeente.
Als onderdeel van de beoogde ontwikkeling wordt rekening gehouden met de realisatie van voldoende stallingsplaatsen binnen de projectlocatie voor het opvangen van de volledige fietsparkeerbehoefte op eigen terrein. Er wordt een gemeenschappelijke inpandige fietsenberging gerealiseerd met ruimte voor 152 fietsen. Hiermee wordt voldaan aan de fietsparkeerbehoefte van de beoogde woningbouw conform de Amsterdamse Bouwbrief voor gemeenschappelijke fietsbergingen bij woongebouwen (zie ook bijlage 10). Conclusie Het aspect verkeer en parkeren vormt geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling.
5.5
Natuur
5.5.1 Toetsingskader Ter bescherming van de natuur zijn in het Bkl diverse regels opgenomen. Het gaat hierbij in de eerste plaats om regels voor de gebiedsbescherming van aangewezen Natura 2000-gebieden, regels voor de soortenbescherming van te beschermen planten diersoorten (waaronder vogels) en regels ter bescherming van houtopstanden. Het gebieds- en soortenbeschermingsregime vloeit voor een belangrijk deel voort uit twee Europese richtlijnen, te weten de Vogelrichtlijn (79/409/EEG) en de Habitatrichtlijn (92/43/EEG). Gebiedsbescherming
27/690
De Europese Vogel- en Habitatrichtlijn beschermt Natura 2000-gebieden. De minister van Landbouw, Visserij, Natuur en Voedselzekerheid wijst de Natura 2000-gebieden aan. Tevens legt hij op grond van art. 2.44 Ow de instandhoudingsdoelstellingen vast. Als er naar aanleiding van projecten, plannen en activiteiten, afzonderlijk of in combinatie met andere plannen of projecten, mogelijkerwijs significante effecten optreden, dienen deze bij de voorbereiding van een omgevingsplan in kaart te worden gebracht en beoordeeld. Ook dan kan een activiteit effect op het Natura 2000-gebied hebben. Dit wordt de 'externe werking van een Natura 2000-gebied' genoemd. Ingrepen die buiten deze gebieden plaatsvinden en verstoring kunnen veroorzaken, moeten dus worden getoetst op het effect van de ingreep op soorten en habitats. Als het effect significant kan zijn, moet de initiatiefnemer meestal een omgevingsvergunning voor een Natura 2000-activiteit hebben. Soortenbescherming Hoofdstuk 5 van het Bkl bevat geen instructieregels met betrekking tot soortenbescherming. Echter, bij het toelaten van een nieuwe ontwikkeling dient met het oog op een evenwichtige toedeling van functies aan locaties gemotiveerd te worden dat deze activiteiten (Flora- en fauna activiteit respectievelijke Natura 2000 activiteit) niet op voorhand de uitvoering van het plan onmogelijk maken.
Daarom zijn de effecten van de ontwikkeling op flora en fauna onderzocht. Het toelaten van een nieuwe ontwikkeling kan immers hinder en schade opleveren voor bepaalde soorten. 5.5.2
Toetsing
Gebiedsbescherming Het projectgebied maakt geen deel uit van beschermde gebieden als Natura 2000 en Natuur Netwerk Nederland. De locatie ligt op circa 9 kilometer van het dichtstbijzijnde stikstofgevoelige Natura 2000-gebied “Rottige Meenthe & Brandemeer”. Andere Natura 2000-gebieden met stikstofgevoelige habitats liggen op (nog) grotere afstand. Gezien het relatief kleinschalige karakter van de voorgenomen ontwikkeling is het niet te verwachten dat de ontwikkelingen in het plangebied negatieve effecten hebben op de instandhoudingsdoelstellingen van het Natura 2000-gebied. Gezien de ligging van het plangebied en het karakter van het project kunnen directe effecten zoals areaalverlies en versnippering worden uitgesloten. Gezien de afstand tot natuurgebieden en de locatie van het plangebied (stedelijke omgeving) kunnen ook verstoring en verandering van de waterhuishouding worden uitgesloten. Stikstofdepositie De ontwikkeling in het plangebied zou wel kunnen leiden tot een toename van stikstofdepositie in de Natura 2000-gebieden in de omgeving. De ontwikkeling betreft nieuwbouw van 58 appartementen. De appartementen zullen geen gasaansluiting krijgen. Door verkeersbewegingen en de inzet van materieel is het mogelijk dat de stikstofdepositie op Natura 2000-gebieden toeneemt.
Om de stikstofdepositie inzichtelijk te maken is een stikstofonderzoek uitgevoerd welke is opgenomen in bijlage 11. Uit de berekeningen met AERIUS Calculator voor de realisatie- en gebruiksfase blijkt dat er geen toename is van stikstofdepositie hoger dan 0,00 mol/ha/jr. Op basis van de berekeningen zijn significante negatieve effecten (in de vorm van vermesting en verzuring) op Natura 2000-gebied in zowel de realisatiefase als de gebruiksfase uitgesloten. Voor de uitvoering van dit plan geldt geen vergunningplicht voor een Natura 2000-activiteit op basis van de Omgevingswet.
28/690
Soortenbescherming Ten behoeve van dit plan is een ecologische quickscan uitgevoerd. De quickscan (d.d. februari 2025) is opgenomen als bijlage 12. De quickscan resulteert in de volgende conclusies en aanbevelingen: Algemene broedvogels Binnen en vlak buiten het plangebied kunnen vogelsoorten tot broeden komen waarvan de nesten geen jaarronde bescherming genieten, maar wel beschermd zijn tijdens het broedproces. Een deel van deze soorten betreffen soorten die in de provincie zijn aangewezen als zogenaamde 'categorie 5' soorten, waaronder de spreeuw. Geadviseerd wordt om de voorgenomen werkzaamheden buiten het broedseizoen uit te voeren. Als de werkzaamheden, of een deel daarvan niet buiten de broedperiode kunnen worden uitgevoerd, adviseren we de werkzaamheden onder begeleiding van een ter zake kundige ecoloog uit te voeren. Dergelijke ecologische begeleiding zal in deze casus bestaan uit een broedvogelcheck vlak voorafgaand aan het broedseizoen. Indien geen broedgevallen worden aangetroffen kunnen de werkzaamheden tijdens de broedperiode doorgang vinden. Indien dit wel het geval is, is maatwerk benodigd en kan het benodigd zijn de uitvoering van (een deel van) de werkzaamheden uit te stellen tot na dit broedgeval is uitgebroed, afhankelijk van de situatie.
Jaarrond beschermde nesten (huismus en gierzwaluw) De aanwezigheid van jaarrond beschermde nesten van huismussen en gierzwaluwen in het deels te slopen kantoorpand kan niet op voorhand worden uitgesloten. Met het oog op het planvoornemen wordt geadviseerd voorafgaand aan de werkzaamheden gericht onderzoek uit te voeren om de aanwezigheid van dergelijke nesten vast te stellen, dan wel uit te sluiten. Indien jaarrond beschermde nesten worden vastgesteld dient voor de desbetreffende soort(en) een omgevingsvergunning te worden aangevraagd bij het bevoegd gezag in deze, de provincie Fryslân. Een dergelijke vergunning wordt in de regel afgegeven onder de voorwaarde dat er mitigerende en compenserende maatregelen worden uitgevoerd. Vleermuizen (verblijfplaatsen) De aanwezigheid van verblijfplaatsen van vleermuizen in het deels te slopen kantoorpand kan niet op voorhand worden uitgesloten. Met het oog op het planvoornemen wordt geadviseerd voorafgaand hieraan eventuele verblijfplaatsen van vleermuizen binnen het plangebied vast te stellen, dan wel uit te sluiten. Indien verblijfplaatsen van vleermuizen worden vastgesteld dient hiervoor een omgevingsvergunning te worden aangevraagd bij het bevoegd gezag, de provincie Fryslân. Deze vergunning wordt in de regel afgegeven onder de voorwaarde dat er mitigerende en compenserende maatregelen worden uitgevoerd.
Specifieke zorgplicht Er kunnen soorten voorkomen in het plangebied waarvoor een vrijstelling geldt voor ruimtelijke ingrepen. Voor deze en andere soorten geldt een specifieke zorgplicht (art. 11.27 Bal). Deze specifieke zorgplicht schrijft voor dat men bijvoorbeeld verplicht is om alles wat redelijkerwijze mogelijk is, te doen of juist te laten om schade aan wilde planten en dieren zo veel mogelijk te voorkomen. Conclusie Op basis van de bevindingen uit de quickscan is aldus nader onderzoek nodig naar huismus & gierzwaluw en naar verblijfplaatsen van vleermuizen. Mogelijk is een omgevingsvergunning voor een flora- en fauna-activiteit
29/690
noodzakelijk waaraan voorschriften aan zijn verbonden (mitigerende maatregelen). Er is geen aanleiding om op voorhand aan te nemen dat een voor deze activiteit benodigde vergunning niet verleend kan worden en uitvoering van het plan derhalve op voorhand onmogelijk is.
5.6
Luchtkwaliteit
Toetsingskader Onder de Omgevingswet is het niet meer in alle gevallen nodig om te toetsen aan luchtkwaliteit. Wel moet bij het toelaten van specifiek aangewezen activiteiten (te weten de aanleg of wijziging van een wegtunnelbuis en de aanleg van een autoweg of autosnelweg) de bijdrage aan de concentratie van stikstofdioxide (NO2) en fijnstof (PM10) altijd worden beoordeeld. In het geval wanneer een ontwikkeling in of nabij een aandachtsgebied voor stikstofdioxide en fijnstof plaatsvindt kan in de volgende gevallen onderzoek naar de luchtkwaliteit nodig zijn: de aanleg of wijziging van wegen, vaarwegen en spoorwegen; activiteiten die een toename van de verkeersintensiteit veroorzaken op wegen, vaarwegen en spoorwegen; milieubelastende activiteiten waarover in het Besluit activiteiten leefomgeving regels zijn gesteld met het oog op het beperken van verontreiniging van de lucht. Onderzoek is in deze gevallen in beginsel niet nodig als de activiteit niet in betekenende mate bijdraagt aan een verslechtering van de luchtkwaliteit. Toetsing Het initiatief betreft de realisatie van 58 appartementen. De beoogde ontwikkeling heeft geen betrekking op de aanleg of wijziging van een autoweg, autosnelweg of tunnel voor het wegverkeer. Daarnaast is de gemeente Heerenveen niet aangewezen als aandachtsgebied voor stikstofdioxide en fijnstof.
Met betrekking tot het aspect luchtkwaliteit is de beoogde ontwikkeling in overeenstemming met de instructieregels van het Bkl. Naast een beoordeling van de bijdrage aan de luchtkwaliteit door de activiteit zelf is het ook nodig om te beoordelen of de nieuwe functie aan de betreffende locatie kan worden toegewezen gelet op de achtergrondconcentratie van luchtverontreinigende stoffen. Dit kan worden beoordeeld met behulp van het Centraal Instrument Monitoring Luchtkwaliteit (CIMLK). Uit de kaart blijkt dat in 2023 de jaargemiddelde concentraties stikstofdioxide en fijnstof in het plangebied ruimschoots onder de omgevingswaarden (genoemd in Artikel 2.4 en Artikel 2.5 van het Bkl) lag. De luchtkwaliteit ter plaatse is aanvaardbaar. Conclusie De kwaliteit van de buitenlucht is aanvaardbaar en de voorgenomen ontwikkeling draagt in niet betekenende mate bij aan de verslechtering van de luchtkwaliteit.
5.7
Geluid door wegen, spoorwegen en industrielawaai
Toetsingskader Met betrekking tot geluid zijn in het Bkl instructieregels opgenomen voor het beheersen van de geluidemissie door wegen, spoorwegen en industrieterreinen. Bovendien zijn instructieregels opgenomen die specifiek zijn bedoeld voor de evenwichtige toedeling van functies aan locaties bij de aanleg of wijziging van het gebruik van gemeentewegen, waterschapswegen of lokale spoorwegen (zonder geluidproductieplafonds) en het toelaten
30/690
van nieuwe geluidgevoelige gebouwen binnen een geluidaandachtsgebied, waarbij rekening wordt gehouden met het geluid door wegen, spoorwegen en industrieterreinen. Voor gezoneerde industrieterreinen blijft de systematiek van de Wet geluidhinder van kracht tot het moment waarop geluidproductieplafonds als omgevingswaarden zijn vastgesteld en is het geluidaandachtsgebied van een industrieterrein de op grond van de Wet geluidhinder vastgestelde zone. Toetsing De ontwikkeling betreft het toelaten van nieuwe geluidgevoelig gebouwen met woonfuncties binnen het geluidaandachtsgebied van de geluidbronsoorten gemeentewegen en rijkswegen. Daarom is akoestisch onderzoek nodig. Aangetoond moet worden dat de ontwikkeling in overeenstemming is met de instructieregels uit het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) en dat het geluid aanvaardbaar is. Het akoestisch onderzoek wegverkeerslawaai is uitgevoerd in mei 2025 en is opgenomen als bijlage 13. Uit het onderzoek blijkt dat: De standaardwaarde voor de geluidbronsoort rijkswegen wordt overschreden maar de grenswaarde niet; De standaardwaarde voor de geluidbronsoort gemeentewegen wordt overschreden maar de grenswaarde niet; Het nemen van maatregelen om de overschrijding van de standaardwaarde te beperken of te voorkomen zijn voor de geluidbronsoort rijkswegen niet mogelijk. Het toepassen van SMA NL8 G+ op de gemeentelijke weg K.R.
Poststraat levert een maximale geluidreductie op van 2,3 dB. Dit is niet voldoende om de overschrijdingen weg te nemen; Het reduceren van de snelheid op de K.R. Postraat naar 30 km/uur van SMA NL8 G+ op de gemeentelijke weg K.R.Poststraat zorgt ervoor dat de geluidbelasting op de nieuw te realiseren geluidgevoelige gebouwen ten hoogste Lden = 58 dB zal bedragen. De standaardwaarde wordt daarmee nog steeds overschreden; Er is geen sprake van indirecte akoestische effecten door veranderend verkeer; Het gecumuleerde geluid wordt beoordeeld als redelijk tot tamelijk slecht Het gezamenlijk geluid is bepaald. Deze dient te worden vastgelegd in de regels van het omgevingsplan en is uitgangspunt voor het bepalen van de gevelgeluidwering. Voor de flexibiliteit in de detaillering van het ontwerp wordt ter overweging meegegeven om één generieke waarde voor het gezamenlijk geluid vast te leggen. Conclusie Er kan worden voldaan aan de instructieregels van het Bkl en daarmee wordt het geluid van wegen als aanvaardbaar beoordeeld. Wel is het nodig om in de wijziging van het omgevingsplan regels op te nemen voor geluid. De geluidwering dient te worden bepaald op basis van het gezamenlijk geluid. Ter overweging wordt meegegeven om één generieke waarde (Lden = 64 dB) voor het gezamenlijk geluid vast te leggen. Deze regels voor geluid zijn opgenomen in artikel 16.3 van de regels.
5.8
Geluid door activiteiten
Toetsingskader In een omgevingsplan wordt rekening gehouden met het geluid door activiteiten op geluidgevoelige gebouwen en wordt erin voorzien dat het geluid door een activiteit aanvaardbaar is. De instructieregels in het Bkl (en de
31/690
bruidsschat) bevatten waarden en eisen voor het beoordelen van geluid. In praktijk gaat het hier om milieubelastende activiteiten. Daarbij kan zowel het geluid van een (nieuwe) milieubelastende activiteit op de omgeving van belang zijn, als het geluid van (bestaande) milieubelastende activiteiten op een (nieuw) geluidgevoelig gebouw. Toetsing Een deel van het plangebied blijft in gebruik door KPN (telecommunicatie diensten). Alle activiteiten vinden inpandig plaats. Daarnaast zal sprake zijn van een beperkt aantal vervoersbewegingen, hoofdzakelijk tijdens de dag periode voor storingen en onderhoud. Er is daarom geen aanleiding om te veronderstellen dat deze activiteiten leiden tot een overschrijding van de geldende geluidnormen ter plaatse van de toekomstige woningen. De afstand die in principe moet worden aangehouden van de parkeergarage aan het Geert Willigenplein tot een gemengd woongebied is 10 meter. De werkelijke afstand tussen de beoogde woningen en de uitgang van de parkeergarage is circa 11 meter. De woningen liggen dus net buiten de richtafstand. Het parkeren vindt ondergronds plaats. Er zijn geen ventilatiesystemen boven de grond die eventuele hinder zouden kunnen veroorzaken. Een akoestisch onderzoek 'activiteiten' (om te onderzoeken in hoeverre de parkeergarage door de beoogde woningen kan worden belemmerd) is niet nodig.
Gezien de aard en omvang van de activiteiten is er geen aanleiding voor het uitvoeren van akoestisch onderzoek met betrekking tot geluid door activiteiten. In de omgeving van het plangebied is verder geen sprake van activiteiten die van invloed (kunnen) zijn op de geluidbelasting ter plaatse van de toekomstige woningen. Conclusie Vanuit het aspect 'geluid door activiteiten' is er geen belemmering voor de voorgenomen ontwikkeling.
5.9
Geur
Toetsingskader De gemeente moet in het omgevingsplan op grond van het Bkl rekening houden met de geur door activiteiten op geurgevoelige gebouwen. In de Omgevingswet staat dat de overheid bij een evenwichtige toedeling van functies aan locaties in ieder geval rekening moet houden met het belang van het beschermen van de gezondheid. Hierbij moet de gemeente rekening houden met de lokale specifieke omstandigheden en de gevolgen van de activiteiten voor de gezondheid van haar burgers. Dit is bijvoorbeeld ook cumulatie van geur van bedrijven. Rekening houden met geur werkt dit twee kanten op: bij het mogelijk maken van het verrichten van activiteiten in de buurt van gevoelige gebouwen; bij het toelaten van geurgevoelige gebouwen in de buurt van bestaande geurveroorzakende bedrijven. Toetsing In het plangebied worden geurgevoelige gebouwen zoals woningen mogelijk gemaakt. In de omgeving van het plangebied bevinden zich echter geen geurveroorzakekende bedrijven. Conclusie