CConstaterende datHeerenveen
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlage 1. Startnotitie Programma Buitengebied-samengevoegd

Raadsvergadering 23 maart 2023, gemeente HeerenveenBij agendapunt: Startnotitie programma buitengebied en MER18.612 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 3

3.

Maatwerk leveren; De ontwikkeling / het initiatief vraagt om maatwerk bij het inpassen binnen het landschapstype, waarbij aandacht uitgaat naar een goede balans tussen functies in het landschap en het behouden van de landschapskarakteristieken; Terughoudend zijn; De ontwikkeling / het initiatief sluit niet aan bij de gewenste functies in het landschapstype. Maatwerk is aan de orde indien er sprake is van een landschapsverbetering. Indien hier geen sprake van is wordt geadviseerd om op zoek te gaan naar een andere locatie (ander landschapstype).

Bij deze methodiek bepaalt het antwoord op de volgende drie vragen hoe groot de gevraagde kwaliteitsinvestering is: 1. Past de ontwikkeling bij het karakter van het gebied? (m.a.w. geldt vanuit de landschapsvisie het advies stimuleren, maatwerk leveren of terughoudend zijn?) 2. Hoe groot zijn de plannen en de impact op de omgeving? 3. Hebben de plannen eigen of ook maatschappelijk belang?

Deze regionale landschapsvisie is geen vastgesteld beleid, maar is wel gebruikt als bouwsteen voor de Omgevingsvisie. De landschapsbeschrijving is gebruikt als basis voor de gebiedsgerichte uitwerking in hoofdstuk 6, waarbij we als gemeente zelf bepalen welke ontwikkelingen we willen stimuleren, waar we maatwerk leveren en waar we terughoudend willen zijn.

De afspraken uit het Klimaatakkoord over klimaatadaptatie en energietransitie hebben grote impact en vragen om keuzes over de inrichting van onze fysieke leefomgeving (zowel boven als -ondergronds). Wij beschouwen het als een belangrijke opgave om deze zo goed mogelijk in te passen in het landschap. Figuur 5.10 Systematiek van de kwaliteitsimpuls groene ruimte De afname van biodiversiteit, de aantasting van landschappen en bodemdaling in het veenweidegebied vragen om andere, duurzamere verdienmodellen voor het landelijk gebied. Omdat een overgang naar duurzamere landbouw gevolgen heeft voor boeren en inwoners, is verdere samenwerking en dialoog essentieel.

5.5.2

We beschermen en versterken de kwaliteit van het landschap

5.5.2.1 Beschermen van het raamwerk In de Regionale Landschapsvisie Zuidoost-Friesland zijn de kernkwaliteiten en dragers van de verschillende landschapstypen uitvoerig beschreven. De landschapskarakteristiek wordt bepaald door: de (geo)morfologie, groene en blauwe structuren, verkavelingsstructuur, infrastructuur, waterstructuur en cultuurhistorische elementen. Niet alle elementen zijn beschermwaardig en cruciaal voor de leefbaarheid van het landschap. In de gebiedsgerichte uitwerking (H6) wordt omschreven welke landschapselementen we als de dragers van het landschap zien. Samen vormen deze dragers een “raamwerk” waarbinnen nieuwe ontwikkelingen kunnen worden ingepast. In figuur 5.5 zijn de verschillende landschapstypen verbeeld. 5.5.2.2 Nieuwe ontwikkelingen worden goed ingepast in het landschap Het ene landschapstype heeft een groter “opnamevermogen” voor nieuwe ontwikkelingen dan het andere. In de Regionale Landschapsvisie ZuidoostFriesland 2018-2028 is een systematiek ontwikkeld waarbij per landschapstype en per type ontwikkeling een richtinggevend advies wordt gegeven. Daarbij wordt onderscheid gemaakt tussen: 1. Stimuleren; De ontwikkeling / het initiatief past binnen de gewenste functies in het landschapstype en draagt bij aan het behouden of versterken van de landschapskarakteristieken;

Figuur 5.9 Landschappelijke diversiteit in de omgeving van Heerenveen

In een Programma Buitengebied werken we de kwaliteitsimpuls verder uit. Daarbij geven we aan bij welke typen ontwikkelingen we vragen om een kwaliteitsimpuls en geven we handvaten voor de invulling daarvan. Bij ontwikkelingen die passen binnen het karakter van het gebied (stimuleren) of kleine ontwikkelingen is een basisinspanning voldoende: de ontwikkeling wordt dan goed ingepast in de omgeving. Bij grotere ontwikkelingen of ontwikkelingen die minder goed passen binnen het landschapstype wordt een grotere kwaliteitsprestatie gevraagd. Voor ontwikkelingen waarbij een kwaliteitsimpuls in de directe omgeving niet haalbaar is, overwegen we om een landschapsfonds in te richten, zodat ontwikkelingen op de ene locatie bijdragen aan versterking van het landschap op een andere plek. Op die manier zetten we de middelen altijd in op de plek waar deze het meest gewenst zijn. 5.5.3

5.5.2.3

Grote ontwikkelingen gaan gepaard met nieuwe investeringen in het landschap (kwaliteitsimpuls) Bij ontwikkelingen die een grote schaal hebben op het landschap of die minder goed zijn in te passen in een bepaald landschapstype, vragen we om een kwaliteitsimpuls. Op die manier wordt de landschappelijke structuur versterkt. Daarbij zoeken we naar evenwicht tussen ontwikkelingsruimte en kwaliteitsprestaties. De systematiek “Kwaliteitsimpuls Groene Omgeving” van de Provincie Overijssel geeft een goed beeld van de werkwijze die we voorstaan.

Samenwerken buitengebied

aan

nieuwe

verbindingen

tussen

kernen

en

5.5.3.1 Kernen en buitengebied vullen elkaar aan Het buitengebied en de kernen van Heerenveen vullen elkaar aan. In de kernen zijn de voorzieningen en ontmoeten mensen elkaar. In het buitengebied wordt ons voedsel verbouwd, maar is ook ruimte om te recreëren en te ontspannen. De vitaliteit van het buitengebied bepaalt mede de vitaliteit van de dorpen en omgekeerd. Als er economisch perspectief is voor de boeren, betekent het ook dat zij bijdragen aan de economie en het verenigingsleven in de kernen. Andersom hebben de boeren draagvlak nodig om hun werkzaamheden uit te kunnen voeren en kunnen ze een deel van hun producten lokaal afzetten. Nieuwe verbindingen tussen kernen en omliggend buitengebied kunnen hieraan bijdragen. Daarbij gaat het zowel om fysieke (recreatieve) verbindingen, alsook nieuwe samenwerkingsverbanden.

38

Omgevingsvisie Heerenveen 2040 5.5.3.2 We faciliteren nieuwe recreatiemogelijkheden Het veelzijdige buitengebied geeft volop mogelijkheden om te recreëren. We willen mogelijkheden bieden om nieuwe recreatieve routes en nieuwe mogelijkheden voor verblijfs- of dagrecreatie toe te voegen. Die ontwikkelingen moeten wel passen bij (de identiteit en schaal van) het landschap. Kleinschalige ontwikkelingen zoals bed & breakfasts, minicampings zijn op veel plekken inpasbaar. Bij grootschalige ontwikkelingen zoals recreatieparken willen we een specifieke afweging maken. We onderzoeken of het opstellen van nieuw beleid of meer regionale afstemming wenselijk is. 5.5.3.3 Met samenwerking en dialoog komen we verder De realisatie van duurzaam landschap is een brede maatschappelijke opgave, waarbij een optimum moet worden gezocht tussen ecologische draagkracht van het landschap, sociaal-culturele waarden en economische verdiencapaciteit. De transitie in de landbouw, waarbij meer aandacht is voor natuurwaarden en voor klimaatverandering, kan worden verbonden met andere economische perspectieven, zoals recreatie en toerisme. Een duurzamere werkwijze kan alleen tot stand komen wanneer boeren, inwoners, overheden en terrein beherende organisaties oog hebben voor elkaars belangen.

Tijdens de Omgevingsdialogen in maart en mei 2019 is meerdere keren gepleit voor meer dialoog tussen boeren en inwoners. We streven daarom naar een brede inbedding van natuur-inclusieve landbouw en een verbinding tussen dorpsbewoners, boeren en recreatieondernemers. Daarmee werken we aan een duurzaam landschap, waarbij people, planet en profit elkaar versterken. Net als in het gebied Aldeboarn-De Deelen, willen we daarom op meerdere plekken werken vanuit een brede, integrale gebiedsaanpak. Omdat deze aanpak intensief is, doen we dit niet op alle plakken tegelijk, maar kijken we waar de gebiedsopgave het grootst is. De rol van de gemeente is vooral faciliterend.

5.5.4

We pakken samen de opgaven in het veenweidegebied aan

5.5.4.1 Daling van de veenbodem Een flinke opgave in het landelijk gebied is de daling van de veenbodem. Door de oxidatie van het veen spelen hier problemen met vermindering van de landbouwopbrengst, afname van de waterbergingscapaciteit, versnippering van het waterbeheer, verdichting van de bodem, terugloop van de biodiversiteit en risico op schade aan funderingen. Aan de andere kant liggen er ook kansen om met de biodiversiteit te vergroten, de CO2-uitstoot te terug te dringen, het toerisme te stimuleren en verdienmogelijkheden voor de boeren toe te voegen. Daarmee wordt het gebied duurzamer en toekomstbestendiger. 5.5.4.2 Gebiedsplan Aldeboarn-de Deelen Vanwege het aanwezige veenpakket wordt het gebied Aldeboarn / De Deelen in het Veenweideprogramma 2021-2030 aangemerkt als ontwikkelgebied. Door boeren in het gebied (Gebiedscollectief it Lege Midden) en de Stichting Beekdallandschap Koningsdiep/ De Nije Boarn wordt gewerkt aan oplossingen voor de veenweideproblematiek. Er zijn onder andere proeven opgestart met grondwater gestuurd peilbeheer, andere vormen van maïsteelt en het verbeteren van de bodemvruchtbaarheid. Met de inzichten vanuit de pilotprojecten wordt de stap gemaakt naar een Ontwikkelperspectief voor de komende jaren.

Samen met de hierboven genoemde initiatiefnemers en de betrokken overheden is een Gebiedscommissie gevormd die moet toezien op de voorbereiding en uitvoering van het Gebiedsplan. De gemeente neemt daarbij deel in de stuurgroep. Er is een wisselwerking tussen het Gebiedsplan en de Omgevingsvisie. De gemeente levert haar inbreng in de stuurgroep op basis van deze Omgevingsvisie. Zodra het Gebiedsplan is vastgesteld, wordt deze verwerkt in de Omgevingsvisie. Dit kan leiden tot aanpassing van de gebiedsteksten in hoofdstuk 6. 5.5.5

Wat betreft de omvang van de bedrijven, werken we ten behoeve van het Omgevingsplan voor het buitengebied een methodiek uit die aansluit bij het Provinciale beleid. Daarbij sturen we niet op een maximaleomvang van agrarische percelen, maar kan bij schaalvergroting wel een investering in het landschap aan de orde zijn (zie ook de bovenstaande methodiek Kwaliteitsimpuls Groene Ruimte in paragraaf 5.5.2.3).

5.5.5.2 We maken meer mogelijk op agrarische erven Het beleid voor het buitengebied van onze gemeente is op dit moment voor een belangrijk deel vastgelegd in drie verouderde bestemmingsplannen uit de voormalige gemeenten Heerenveen, Boarnsterhim en Skarsterlân. Daarnaast is de notitie Harmonisatie bestemmingsplannen Buitengebied (gemeentelijke herindeling 2014) opgesteld om te voorkomen dat er binnen de huidige gemeente beleidsverschillen ontstaan. Om de ambities op het gebied van natuur inclusieve landbouw mogelijk te maken en meer ruimte te bieden voor nieuwe functies die de leefbaarheid van het platteland te vergroten, willen we meer ruimte bieden voor het gebruik van agrarische erven. Ten behoeve van het op te stellen Omgevingsplan wordt in het Programma Buitengebied het bestaande beleid geactualiseerd. Daarbij wil de gemeente (binnen voorwaarden) ruimte bieden voor:  Verplaatsing van agrarische bedrijven (in relatie tot verbetering van het landschap of het oplossen van milieuknelpunten);  Agrarische innovaties (in relatie tot dierenwelzijn, kringlooplandbouw en natuur inclusieve landbouw);  Energieopwekking bij agrarische bedrijven;  Nevenactiviteiten bij agrarische bedrijven, zoals ondergeschikte detailhandel en aan-huis-verbonden beroepen;  Het verlenen van (mantel)zorg;  Uitbreiding van recreatieve functies.

Een duidelijk ontwikkelperspectief voor de landbouw

5.5.5.1 Een groeiperspectief in duurzame richting Voor agrarische bedrijven is de continuïteit van bedrijven belangrijk. Het ontwikkelperspectief moet daarom helder zijn. De afname van biodiversiteit, bodemdaling en CO2-uitstoot in het veenweidegebied en het onderhouden van de landschappelijke kwaliteit vragen om duurzame verdienmodellen voor het landelijk gebied.

Figuur 5.11 Samen werken aan een duurzaam landschap

Aansluitend bij de landbouwvisie van het ministerie ondersteunen wij een landbouwsector die past bij de schaal van het landschap, zich meer toelegt op het sluiten van kringlopen (kringlooplandbouw) en gericht is op het beschermen en ontwikkelen van natuurwaarden (natuur inclusieve landbouw). Bij kringlooplandbouw komt zo min mogelijk afval vrij, is de uitstoot van schadelijke stoffen zo klein mogelijk en worden grondstoffen en eindproducten met zo min mogelijk verliezen benut. Het sluiten van kringlopen zien wij op een bedrijfsoverstijgend niveau. Bedrijven kunnen ook samenwerken om kringlopen op een lokaal niveau te sluiten, bijvoorbeeld akkerbouwers die de mest van veetelers gebruiken of het voeren van vee vanuit reststromen.

39

Omgevingsvisie Heerenveen 2040 We geven een nieuwe bestemming aan vrijkomende agrarische bedrijven Door schaalvergroting in de landbouw neemt het aantal agrarische bedrijven af. Voor de vrijkomende agrarische bedrijven is een nieuwe bestemming wenselijk. Zeker als het gaat om karakteristieke gebouwen. Daarbij denken we aan mogelijkheden voor toeristisch-recreatieve functies, kleinschalige vormen van wonen en bedrijvigheid.

leveren aan de afspraken uit het Klimaatakkoord en hoe dat op een zorgvuldige wijze ruimtelijk ingepast kan worden. De RES-regio’s geven met hun bod dus ook hun ambitieniveau aan. Tijdens dit proces wordt de energiemix op het niveau van Fries grondgebied bepaald en een doorkijk gegeven op welke plekken dit kan of moet landen. Concreet kan het gevolg zijn dat Heerenveen (of andere gemeenten) een grotere opgave krijgt om nabijgelegen gemeenten met weinig grondgebied te compenseren.

Het omvormen van een voormalig agrarische bedrijven naar een nieuwe bestemming, geeft tevens mogelijkheden om agrarische bebouwing te slopen die geen functie meer heeft. Om de sanering van bebouwing en het opknappen van karakteristieke panden te financieren, geven we (vanaf een bepaalde omvang) bouwrechten voor een nieuwe woning (ruimte-voor-ruimte). De exacte mogelijkheden voor vrijkomende agrarische bedrijven werken we nog uit in een programma. Daarbij houden we rekening met de Provinciale kaders op dit gebied.

De bijdrage aan de nationale doelstellingen voor duurzame stroom komen tot stand op basis van vier afwegingen: 1. Ruimtegebruik; 2. Maatschappelijk en bestuurlijk draagvlak; 3. Kwantiteit; 4. Systeem-efficiëntie.

5.5.6.3 Beleid voor zonneparken en windmolens Het gemeentelijk zonneparkenbeleid gaat uit van kleine parken in aansluiting op kleine dorpen en grotere parken bij Heerenveen (zie Beleidskader Zonneparken, 2016). Dit beleidskader functioneert over het algemeen goed omdat het duidelijkheid geeft aan inwoners en initiatiefnemers. Het Provinciaal beleid geeft (iets) meer ruimte voor maatwerkoplossingen. Wanneer er meer bekend is over de RES-opgave, wegen we af of actualisatie van het beleidskader zonneparken gewenst is.

5.5.5.3

5.5.6

Zorgvuldig vormgeven van de Energietransitie

5.5.6.1

Samen werken aan het Klimaatakkoord en een Regionale Energiestrategie (RES) Nu het Klimaatakkoord is vastgesteld, zijn regionale overheden aan zet om de opgaven op het gebied van Elektriciteit op land (opwekken van 35 TWh in 2030) en de Gebouwde Omgeving uit te werken in Regionale Energiestrategieën (RES). De gebouwde omgeving kwam aan de orde in paragraaf 5.3.5. Het vervolg van deze paragraaf spitst zich verder toe op de opwekking van elektrische energie. Klimaatakkoord In het Klimaatakkoord hebben bedrijven, maatschappelijke organisaties en overheden afspraken gemaakt over maatregelen om de CO 2-uitstoot in Nederland te verlagen. De afspraken worden gemaakt binnen vijf sectoren: Elektriciteit, Gebouwde omgeving, Industrie, Landbouw en landgebruik en Mobiliteit. Elke sector krijgt de opdracht om een aantal tonnen CO 2 te besparen. In 2030 moet de totale uitstoot van broeikasgassen 49% lager zijn dan in 1990. In 2050 moet dit oplopen tot 95% minder uitstoot. Heerenveen heeft deze doelstellingen overgenomen in haar Duurzaamheidsprogramma. Het kabinet neemt veel maatregelen om de klimaatdoelen te halen. Zo gaan bedrijven belasting betalen over te veel uitgestoten CO 2. De land- en tuinbouw krijgt de komende tien jaar bijna een miljard euro aan subsidie om te verduurzamen. Elektrisch rijden wordt vooral voor particulieren aantrekkelijk gemaakt.

De belasting op gas gaat omhoog, die op elektriciteit daalt juist. Om huizen te verduurzamen komt er een Warmtefonds dat jaarlijks 50 tot 80 miljoen euro bevat. Met behulp van dat fonds kunnen inwoners tegen een lage rente geld lenen om bijvoorbeeld huizen beter te isoleren. Een Regionale Energiestrategie is een instrument om gezamenlijk tot keuzes te komen voor de opwekking van duurzame, elektriciteit, de warmtetransitie in de gebouwde omgeving en de daarvoor benodigde opslag en energieinfrastructuur. De regio’s kunnen in de RES aangeven welke bijdrage zij kunnen

De RES 1.0 is door de Friese overheden en aangehaakte partners ter vaststelling aangeboden aan de Staten, Algemeen Bestuur Wetterskip en de gemeenteraden. Nadat de RES definitief is, vertalen we de uitgangspunten naar de Omgevingsvisie. Tot die tijd hanteren we de onderstaande uitgangspunten en het geldende beleid voor zonneparken en windmolens. 5.5.6.2 Algemene uitgangspunten voor de Energietransitie De energietransitie gaat hoe dan ook leiden tot veranderingen in de gebouwde omgeving en in het landschap. Met de Omgevingsvisie en daaruit voortvloeiend beleid bepalen we welke vormen van energie we willen toestaan en welke voorwaarden we stellen aan goede ruimtelijke inpassing. Initiatieven op het gebied van energiebesparing en kleinschalige (gebouw gebonden) vormen van hernieuwbare energie willen we ruimhartig ondersteunen. In de meeste gevallen zijn deze vergunningsvrij. Ook kleinschalige windmolens met een ashoogte tot 15 meter willen we mogelijk maken met een eenvoudige procedure. Bij monumenten en beschermd dorpsgezicht houden we een lichte vorm van sturing via de aanvraag van een omgevingsvergunning. Hierbij is het uitgangspunt dat het straatbeeld niet wordt aangepast en dat energie-opwekkers zorgvuldig worden ingepast. Dat we ook grootschalige oplossingen nodig hebben om Heerenveen energieneutraal te maken, beschouwen we als een gegeven.

Deze bieden daarnaast ook kansen om nieuwe kwaliteiten toe te voegen aan het landschap, werkgelegenheid te creëren en innovatie te stimuleren. Het is dus de vraag welke grootschalige energieoplossingen we passend vinden bij Heerenveen en onder welke voorwaarden we die willen toestaan. Aansluitend bij de vier afwegingsprincipes en onze visie op inpassing van ontwikkelingen in het landschap hanteren we de volgende ruimtelijke uitgangspunten voor grootschalige energieprojecten:  Zuinig ruimtegebruik: door vraag en aanbod zo veel mogelijk bij elkaar te brengen hoeven we minder infrastructuur aan te leggen;  Meervoudig ruimtegebruik: onder andere door het combineren van opgaven en investeringen met andere opgaven;

De bestaande kwaliteiten van een gebied zijn uitgangspunt voor de ontwikkelingen (ruimtelijke kwaliteit); Grootschalige ontwikkelingen in het landelijk gebied gaan gepaard met nieuwe investeringen in het landschap.

Na het vaststellen van de RES bekijken we of actualisatie van deze beleidskeuzes wenselijk is.

De Beleidsnotitie Windenergie (2005) is sterk verouderd. Door de Provincie wordt ruimte geboden voor kleinschalige solitaire windmolens (EAZ-molens). We bereiden daarom een partiële herziening van het bestemmingsplan voor, om medewerking te kunnen verlenen aan kleinschalige windmolens (maximaal 3 windmolens op agrarische erven van 15 meter hoog). Of verdere actualisatie van het windbeleid nodig is, wegen we af na de vaststelling van de RES. 5.5.7

We maken onze eigen visie op bodem en ondergrond

Het wordt drukker in de ondergrond. In de diepe ondergrond kunnen functies als gaswinning, geothermie en drinkwaterwinning elkaar bijten. Meer aan de oppervlakte zoeken we ruimte voor waterberging, bomen, kabels en leidingen. Daarnaast vragen de energietransitie en de communicatietechnologie tot nieuwe ruimteclaims in de ondergrond (warmtenetten, verzwaarde elektriciteitsnetten, glasvezel). Het Rijk heeft met de Structuurvisie Ondergrond (STRONG) een stap gezet in de ordening van de diepe ondergrond. Begin 2020 is een Beleidsnotitie Gaswinning vastgesteld door de gemeenteraad. Deze notitie is bedoeld om te kunnen sturen op de ruimtelijke inpassing van gaswinningslocaties. Overeenkomstig het Hoofdlijnenakkoord 2018-2022 ontwikkelen we een eigen strategisch kader op de bodem en ondergrond. Deze visie vormt een programma op basis van deze Omgevingsvisie. 5.5.8

Samen werken aan een natuurlijker bodem- en grondwatersysteem

5.5.8.1 Strategische visie waterbeheer Het natuurlijk bodem- en grondwatersysteem bepaalt in belangrijke mate welke vormen van landbouw en natuur in het gebied mogelijk zijn. In het Waterplan (2003) van de voormalige gemeente Heerenveen is een strategische visie opgenomen voor het beheer, gebruik en inrichting van het water in de gemeente Heerenveen, met 2030 als horizon. De strategische visie en de strategische doelen uit dit Waterplan worden overgenomen in de Omgevingsvisie. Zie ook paragraaf 5.4.8.

40

Omgevingsvisie Heerenveen 2040 5.5.8.2 Infiltreren en vasthouden van water Het vasthouden is vooral aan de orde op de hoger gelegen dekzandrug. Dit geven we vorm door het regenwater zoveel mogelijk af te koppelen en in de bodem te infiltreren. Daarnaast streven we ernaar om de afvoer van water in nieuwe sloten zoveel mogelijk te beperken.

5.5.9

De soortenrijkdom neemt toe wanneer leefgebieden groter worden en beter met elkaar verbonden zijn. Wij streven daarom naar betere verbindingen in het natuurwetwerk. De Provincie heeft het voortouw bij het realiseren en inrichten van Natuurnetwerk Nederland (NNN).

5.5.8.3 Waterbergend vermogen vergroten In de lager gelegen beekdalen en veengebieden willen we juist meer ruimte bieden om water te bergen en piekbuien op te vangen. Dit zorgt er ook voor dat we in drogere tijden minder gebiedsvreemd water hoeven in te laten. Dat laatste aspect wordt dan ook meegenomen in de planvorming voor het gebied Aldeboarn-De Deelen. 5.5.8.4 Waterstructuur veenontginning beleefbaar houden Kenmerkend voor Heerenveen is de geschiedenis van veenontginning. De aanwezig waterstructuur is daar nog een zichtbaar restant van. Met name in het hoogveenontginningslandschap is de structuur van de Compagnonsvaart en de wijken nog goed te herkennen. Het zichtbaar en beleefbaar maken van deze structuur is voor dit gebied daarom een belangrijk doel, naast het duurzaam beheren van het water.

Samen werken aan het natuurwerk

In het vastgestelde Duurzaamheidsprogramma (2019) is de ambitie uitgesproken om als gemeente te werken aan een fijnmazig, lokaal natuurnetwerk. Dit netwerk omvat zowel het landelijk gebied, bebouwde omgeving, particuliere tuinen en bedrijventerreinen. In het Programma Groenstructuur brengen we in beeld welke schakels in het natuurnetwerk ontbreken en benoemen we de kansen voor de verdere ontwikkeling hiervan (zie paragraaf 5.4). Investeringen in het natuurnetwerk kunnen ook onderdeel zijn van de kwaliteitsimpuls als bedoeld in paragraaf 5.5.2. 5.5.8.5 Bescherming van drinkwater De gemeente ziet ook het belang van een natuurlijker bodem- en grondwatersysteem om de levering van drinkwater voor de toekomst te waarborgen. Beschermingszones voor drinkwater nemen wij op in ons Omgevingsplan.

41

Omgevingsvisie Heerenveen 2040

Figuur 5.12 Kernopgave 4 “Versterken van de kwaliteit en veerkracht van het landelijk gebied

42

Omgevingsvisie Heerenveen 2040

6 Gebiedsgerichte uitwerking van de visie

te ontwikkelen en minder te werken met kwantitatieve (en uniforme) regels 1. Hiermee geven we invulling aan het motto van de Omgevingswet: ruimte voor ontwikkeling, waarborgen voor kwaliteit. In dit hoofdstuk is per deelgebied omschreven  Een beknopte beschrijving van de ontstaansgeschiedenis  Welke kernkwaliteiten we willen behouden en versterken;  Welke functionele kenmerken het gebied heeft (zie gebiedstypen onderstaand);  Welke ontwikkelingen in de komende jaren worden voorzien;  Welke beleidsuitgangspunten en ambities van toepassing zijn.

het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl). Voor luchtkwaliteit en externe veiligheid geldt dat gemeenten alleen strengere waarden kunnen hanteren dan de wet. Voor het aspect licht en het uiterlijk van bouwwerken gelden geen instructieregels van het Rijk. Hier hebben gemeenten volledige vrijheid om wel of geen regels te stellen.

toelichting

6.1.1.2 …en ambities op het gebied van Omgevingskwaliteit Per gebied wordt aangegeven welke omgevingsaspecten van belang zijn en welke ambities we nastreven. Doelstellingen kunnen per gebied verschillen. Denk daarbij aan het volgende typen ambities:  Meer of juist minder mengen van functies;  Ruimte geven voor nieuwe economische activiteiten (met een bepaalde mate van hinder) of de ambitie om het woon en leefklimaat te verbeteren;  Een meer of minder hoge milieubelasting toestaan dan de wettelijke standaardwaarde uit de Omgevingswet. In het Omgevingsplan worden aan deze beleidsdoelen concrete regels verbonden. 6.1.1.3

Omgevingskwaliteit is een breed begrip en betekent niet overal hetzelfde Omgevingskwaliteit bestaat uit een groot aantal aspecten die samen bepalen hoe gezond en veilig de leefomgeving is, hoe we deze ervaren en hoe toekomstbestendig deze is. Per gebied zijn verschillende aspecten doorslaggevend voor de Omgevingskwaliteit. In het ene gebied is dat de levendigheid of de aanwezigheid van verschillende functies. Op andere plekken wordt de kwaliteit juist bepaald door de afwezigheid van functies en is de mate van rust, stilte en duisternis dat wat die plek aangenaam maakt.

6.1 Naar gebiedsgericht omgevingsbeleid 6.1.1.1 Ontwikkelen op basis van kernkwaliteiten… De Omgevingswet biedt meer mogelijkheden om per gebied een gedifferentieerd omgevingsbeleid te maken. Met het vaststellen van de Beleidskoers fysieke leefomgeving heeft de gemeenteraad besloten om het beleid gebiedsgericht uit te werken (zie ook afwegingsprincipes in paragraaf 4.3). Zo ontstaat voor elk gebied een duidelijk toekomstperspectief, dat kan worden gebruikt bij de afweging van concrete initiatieven (bijvoorbeeld in het kader van een omgevingsvergunning). Een gebiedsgerichte uitwerking biedt handvatten om gebieden vanuit de bestaande (of gewenste) kwaliteiten verder

Ten behoeve van het Omgevingsplan werken we een methodiek uit waarmee we op gebiedsgerichte wijze verder invulling geven aan het begrip de Omgevingskwaliteit. De gebiedstypen en ambities uit dit hoofdstuk vormen hiervoor de basis. 6.1.1.4 Bestuurlijke afwegingsruimte in de Omgevingswet De bestuurlijke afwegingsruimte voor lokaal maatwerk verschilt in de Omgevingswet per aspect. Voor de aspecten geluid, geur (van veehouderijen), trillingen en bodem is in de Omgevingswet afwegingsruimte opgenomen. Gemeenten mogen voor deze aspecten strengere normen of minder strenge omgevingswaarden vaststellen dan de standaardwaarde die is opgenomen in

1

Ook in de toekomst blijven regels nodig om bestaande Omgevingskwaliteiten te beschermen en een bepaalde mate van rechtszekerheid te bieden. In het Omgevingsplan wordt afgewogen welke regels wenselijk en noodzakelijk zijn

6.1.1.5 We werken al (deels) gebiedsgericht Op dit moment zijn er diverse vormen van gebiedsgericht omgevingsbeleid van toepassing in de gemeente. Ten aanzien van het aspect geurhinder van veehouderijen kent Heerenveen al gebiedsgericht omgevingsbeleid. In de Beleidsnotitie geur zijn vier gebiedstypes afstanden vastgelegd die aangehouden moeten worden tussen stallen en geurgevoelige bebouwing. Ook de geldende Welstandsnota en het beleid voor het beheer van de openbare ruimte (Nota Kapitaalgoederen) worden gezien als een vorm van gebiedsgericht omgevingsbeleid. Voor andere milieuaspecten zijn in Heerenveen nog geen gebiedsgerichte normen uitgewerkt. Nieuwe normen worden opgenomen in Omgevingsplan of in aparte beleidsregels. In het kader van het Omgevingsplan werken we gebiedsgericht milieubeleid uit dat aansluit bij de doelstellingen van de Omgevingsvisie. Tot die tijd zijn de bestaande normen van toepassing. 6.1.1.6 Gebruik van dorps- en wijkvisies Bij de formulering van kernkwaliteiten en ambities per gebied zijn de onlangs geactualiseerde dorpsvisies gebruikt (voor zover beschikbaar per april 2021). Verouderde dorps- (en wijk)visies uit de periode 2007-2010 zijn niet meegenomen, omdat verschillende punten intussen zijn gerealiseerd of om dat deze verouderd zijn.

Wanneer wijk- of dorpsvisies in de toekomst worden aangepast, kan dit bij actualisatie van de Omgevingsvisie leiden tot aanpassingen van dit hoofdstuk. Daarbij wordt steeds afgewogen hoe de dorpsvisie zich verhoudt ten opzichte van de thematische beleidsuitgangspunten van de gemeente (zie hoofdstuk 5).

43

Omgevingsvisie Heerenveen 2040

6.1.2 Gebiedsindeling: gebiedstypen en deelgebieden In figuur 6.2 is een gebiedsindeling weergegeven. Voor de gebiedsindeling is een balans gezocht tussen de herkenbaarheid voor inwoners en het schaalniveau waarop het beleid kan worden geconcretiseerd. De gebiedsindeling is onder meer gebaseerd op (onderlinge verschillen in):  Ruimtelijke kenmerken / identiteit (o.a. de betekenis voor de identiteit van de gemeente of de betekenis als cultureel erfgoed);  De aanwezigheid van een bepaalde (mix) aan functies;  Dynamiek en ontwikkelingen / verschil in opgave;  Beleidsuitgangspunten.

Er is een onderscheid gemaakt tussen een aantal gebiedstypen, met daaraan ondergeschikt verschillende deelgebieden. In de paragrafen 6.2 tot en met 6.9 zijn algemene uitgangspunten en ambities opgenomen die gelden voor de volgende acht gebiedstypen:  Centrumgebieden;  Gemengde gebieden met een bovenlokaal karakter;  Groene gebieden met een bovenlokaal karakter;  Historische lintstructuren;  Hoofdassen en infrastructuur;  Woongebieden;  Bedrijventerreinen;  Buitengebied.

In subparagrafen met deelgebieden zijn specifieke uitgangspunten toegevoegd voor zover deze in bepaalde deelgebieden van toepassing zijn.

Figuur 6.2 Gebiedsindeling

44

Omgevingsvisie Heerenveen 2040 6.9 Buitengebied 6.9.1

Kenschets en algemene uitgangspunten buitengebied

6.9.1.1 Algemeen Het buitengebied heeft in belangrijke mate een agrarische functie. Veel gronden hebben een agrarische bestemming. Daarnaast zijn er ook aanzienlijke delen van het buitengebied bestemd voor natuur. Een combinatie van deze functies komt uiteraard ook voor (bijvoorbeeld agrarisch natuurbeheer). Het buitengebied vormt voor veel inwoners en bezoekers ook een belangrijke plek om te recreëren. Er zijn daarom verschillende wandel-, fiets-, ATB- en ruiterpaden. Tussen de verschillende landschapstypen bestaan wel verschillen. Er zijn gebieden waar de oude, kleinschalige ontginningsstructuur nog grotendeels aanwezig is. Voorbeelden zijn de woudontginning en het klei-op-veengebied. De schaal van het landschap is hier kleiner. Daarnaast zijn er ook gebieden die zijn ingepolderd of later door middel van ruilverkaveling geschikt gemaakt voor de landbouw. Deze gebieden hebben vaak een grotere schaal. Voorbeelden zijn de veenpolder aan weerszijden van de Aengwirderweg en delen van de Tjongervallei.

6.9.1.2 Opgaven en ontwikkelingen De opgaven voor het buitengebied staan al in het thematische deel van de visie (zie paragraaf 5.5). Samengevat gaat het om het volgende:  De diversiteit van het landschap vormt een belangrijke kwaliteit van onze gemeente. We zorgen er daarom voor dat nieuwe ontwikkelingen passen in het landschap op een manier dat de verschillende landschapstypen herkenbaar blijven of zelfs worden versterkt;  Voor de vrijkomende agrarische bedrijven is een nieuwe bestemming wenselijk. Zeker als het gaat om karakteristieke stelpboerderijen of kop-

hals-rompboerderijen. Met wonen, kleinschalige bedrijvigheid of toeristisch-recreatieve functies wordt een nieuwe invulling gegeven aan gebouwen die we graag behouden en onderhouden. Het omvormen van voormalig agrarische bedrijven naar een nieuwe bestemming, geeft mogelijkheden tot kwaliteitsverbetering door agrarische bebouwing te slopen die geen functie meer heeft.; Er liggen verschillende opgaven op het gebied van biodiversiteit en het waterbeheer. We grijpen ontwikkelen in het buitengebied aan kwaliteit aan het landschap toe te voegen en waar nodig te herstellen.

6.9.1.3 Algemene uitgangspunten en ambities buitengebied Voor het buitengebied zijn de volgende ambities en algemene uitgangspunten van toepassing:  Bij ontwikkelingen in het buitengebied zetten we in op het behouden en versterken van de landschappelijke kernkwaliteiten die zijn genoemd in paragraaf 6.9.2 tot en met 6.9.9;  In het gebied zetten we in op de ontwikkeling van landbouw met een duurzaam en natuurinclusief ontwikkelperspectief. In het buitengebied hebben agrarische bedrijven over het algemeen meer ontwikkelmogelijkheden dan in de linten en dorpskomen; we houden daarbij rekening met de ontwikkelruimte die is toekend met het vaststellen van de notitie Geurhinder 2015;  Bij uitbreiding van bestaande erven houden we rekening met een zorgvuldige inpassing in het landschap. Bij schaalvergroting vanaf een bepaalde omvang vragen we daarnaast om een extra investering in het landschap (kwaliteitsimpuls). Deze omvang verschilt per landschapstype (zie paragraaf 6.9.2 tot en met 6.9.8). De methodiek hiervoor is beschreven in paragraaf 5.5.2 en werken we nog verder uit;  Vrijkomende agrarische bedrijven willen we een passende bestemming geven. Daarbij bieden we mogelijkheden voor toeristisch-recreatieve functies, kleinschalige vormen van wonen en bedrijvigheid.

Bij het slopen van agrarische bebouwing geven we (vanaf een bepaalde omvang) bouwrechten voor de realisatie van een nieuwe woning. Daarmee wordt de sanering van verouderde agrarische bebouwing betaald (ruimte-voorruimte). De exacte mogelijkheden voor vrijkomende agrarische bedrijven werken we nog uit in een programma;  Nieuwe woonerven of agrarische erven in het buitengebied zijn mogelijk wanneer hiermee een bestaand (milieu)knelpunt wordt opgelost (bijvoorbeeld de verplaatsing van een agrarisch bedrijf dat niet verder kan groeien). Daarnaast zijn er mogelijkheden om een nieuwe woning te bouwen wanneer er (voormalig) agrarische bebouwing wordt gesaneerd (ruimte-voor ruimte). In die gevallen wordt een locatie gezocht die past bij het bebouwingsbeeld van het landschapstype (zie kernkwaliteiten per landschapstype in paragraaf 6.9.2 tot en met 6.9.8);  Bij het realiseren van zonneparken en solitaire windmolens houden we rekening met de bestaande kernkwaliteiten. Bij grotere initiatieven vragen we om een kwaliteitsimpuls (versterken van de kernkwaliteiten). Dit werken we verder uit in ons zonneparken- en windbeleid;

Kleinschalige toeristisch-recreatieve ontwikkelingen worden gestimuleerd. Daarbij zetten we in op slimme groei; waarbij toerisme en de kernkwaliteiten van een gebied elkaar versterken, bijvoorbeeld door bij te dragen aan herstel en behoud van (cultuur)historie, versterken van routestructuren, de leefbaarheid en beleefbaarheid; Bij het aanplanten van nieuwe landschapsstructuren en het vergroten van het waterbergend vermogen houden we nadrukkelijk rekening met de landschappelijke kenmerken en de biodiversiteit. We versterken het natuurnetwerk door zoveel mogelijk gebieden en gebiedjes met elkaar te verbinden. We kiezen daarbij voor gebiedseigen soorten en variatie.

Specifieke uitgangspunten per landschapstype zijn beschreven in de volgende paragrafen. 6.9.2

Veenweidegebied

6.9.2.1 Ontstaansgeschiedenis Aan de noordzijde van onze gemeente ligt het veenweidegebied. Het landschappelijke beeld in dit gebied wordt bepaald door de aanwezigheid van een pakket laagveen in de ondergrond. Het dorp Aldeboarn ligt midden in het gebied. Rondom Akkrum ligt ook een aantal gebieden waar een dik veenpakket aan de oppervlakte ligt. Daarnaast grenst het gebied aan De Deelen en de Hooivaart in het zuiden en via de Wijde Ee aan Nationaal Park de Alde Feanen in het noorden. Bewoning in het gebied bestaat van origine uit verspreid liggende bebouwing op hoger gelegen terpen. Deze terpen kennen deels beschermde archeologische waarden. Aan deze oude structuren zijn later verschillende ruilverkavelingswegen en boerderijen toegevoegd. Bijvoorbeeld langs de Fjurlanswei.

83

Omgevingsvisie Heerenveen 2040 is te typeren als een rustig buitengebied. In het gebied liggen diverse natuurgebieden die verbonden zijn met de aanwezigheid van veen, petgaten of open water. Daarnaast zijn er woonerven en kleinschalige bedrijfsfuncties aanwezig.

6.9.2.4 Ontwikkelingen en opgaven Algemene opgaven die spelen in het buitengebied zijn benoemd in paragraaf 5.5 en/of 6.9.1. Specifiek voor dit gebied speelt nog het volgende:

6.9.2.2 Kernkwaliteiten Kenmerkende kwaliteiten van het veenweidegebieden die we willen behouden en versterken:  In de veenbodem is veel koolstof (CO2) vastgelegd. Door het hoge organisch stof gehalte is de bodem vruchtbaar en kan deze veel vocht vasthouden. Behoud van dit veenpakket is daarom wenselijk;  Grootschalige openheid en ruime zichtlijnen, doordat er weinig bebouwing en opgaande beplanting aanwezig is;  Verspreid liggende bebouwing op terpen. Veelal agrarische erven of voormalige boerderijen met karakteristieke stelp of kop-hals-romp boerderijen. Door de aanwezige erfbeplanting vormen de erven groene bakens in het landschap;  Waterrijke omgeving met (deels) bevaarbare waterverbindingen;  Het opkwellende grondwater van de hogere zandgronden heeft over het algemeen een goede kwaliteit, is rijk aan mineralen (vooral kalk en ijzer).  Verschillende natte natuurgebieden en percelen met agrarisch natuurbeheer (weidevogelbeheer);  De verkavelingsstructuur bestaat uit smalle, opstrekkende percelen gericht op de ontginningsas (de Boorne of het Oud diep). Op sommige plekken verspringt de verkavelingsrichting.  (oude) Paden en verbindingen door het landschap waardoor het landschap beleefbaar is.

6.9.2.3 Functionele gebiedsomschrijving Het veenweidegebied kent een agrarisch functie, al dan niet in combinatie met agrarisch natuurbeheer (weidevogelbeheer) of als ganzenfourageergebied. Het

Door de oxidatie van het veen in het gebied ontstaan problemen met funderingen, verdichting van de bodem, uitstoot van CO 2, vermindering van de landbouwopbrengst, aanpassingen in de waterhuishouding en terugloop van de biodiversiteit. Aan de andere kant liggen er ook kansen om met een volledige aanpak de biodiversiteit te vergroten, de CO2-uitstoot terug te dringen, toerisme en recreatie te stimuleren en alternatieve verdienmogelijkheden voor boeren te creëren. Dit is de reden dat het gebied Aldeboarn / De Deelen in de Veenweidevisie is aangemerkt als kansrijk gebied. Het dalen van de veenbodem en de daardoor noodzakelijke aanpassing van de waterhuishouding kan leiden tot problemen met funderingen.

gebiedsplan, wordt bekeken of deze paragraaf moet worden geactualiseerd; Bij uitbreiding van bestaande agrarische erven houden we rekening met een zorgvuldige inpassing in het landschap. Bij schaalvergroting tot 2,0 ha vragen we de initiatiefnemer om het opstellen van een landschappelijk inpassingsplan. Bij grotere erven vragen we ook om een kwaliteitsimpuls in het landschap, waarmee het plan een bijdrage levert aan het versterken van de landschappelijke kernkwaliteiten; Het vergroten van het waterbergend vermogen, koppelen we aan het “leesbaar” maken van het landschap en het vergroten van de biodiversiteit. Bij het graven van nieuwe sloten hebben we een voorkeur voor het herstellen van oude slootpatronen of het realiseren van sloten met flauwe taluds (natuurvriendelijke oevers); Kleinschalige toeristisch-recreatieve ontwikkelingen worden gestimuleerd. In dit gebied denken we daarbij aan het herstel van cultuurhistorische routes, rustpunten, kleinschalige water(sport)recreatie, bed & breakfast, kamperen bij de boer, kleinschalige gastaccommodaties of innovatieve verblijfsrecreatieconcepten.

Vanwege de lage ligging is de berging van water in natte periodes een aandachtspunt in dit gebied. Door het dalen van de bodem zijn maatregelen nodig om het waterbergende vermogen in het gebied op orde te houden. In verband met klimaatverandering verwachten wij dat het veenweidegebied vaker een rol gaat spelen bij het (tijdelijk) opvangen van water. Door inwoners, boeren (Gebiedscollectief it Lege Midden) en Stichting Beekdallandschap Koningsdiep/ De Nije Boarn wordt gewerkt aan oplossingen voor de veenweideproblematiek. Er zijn onder andere proeven opgestart met grondwatergestuurd peilbeheer, andere vormen van maïsteelt en het verbeteren van de bodemvruchtbaarheid. Er wordt naar gestreefd om in 2021 een door de streek gedragen gebiedsplan te laten vaststellen door de betrokken gebiedspartijen. 6.9.2.5 Aandachts- en uitgangspunten Voor dit gebied hanteren we de volgende beleidsuitgangspunten:  We ondersteunen het gebiedsproces Aldeboarn-De Deelen actief. Samen met inwoners, boeren en andere ondernemers kijken we naar een toekomstbestendige invulling van het gebied. Na afronding van het

84

Omgevingsvisie Heerenveen 2040

6.9.3

Beekdal van de Boorne en de Dracht

6.9.3.1 Ontstaansgeschiedenis De Boorne vormt de vroegere ontwatering van het veengebied aan de oostzijde van Friesland naar de (voormalige) Middelzee. Langs de Boorne (en een aantal zijrivieren) zijn kleiafzettingen gerealiseerd (klei-op-veen). Het meanderende verloop is daardoor nog herkenbaar in ligging van dijken en de verkaveling van het gebied. De Boorne kende verschillende zijrivieren. Zo werd het gebied ten zuiden van de Boorne afgewaterd vanuit de Dracht; een naam die we nu nog in het centrum van Heerenveen terug zien. De vroegere bedijking is nog te herkennen in het kronkelende verloop van de Van Sminiawei. In de Middeleeuwen moesten de laaggelegen landerijen in het Lage Midden door de hemdijken tegen het hoge water beschermd worden. Om te voorkomen dat het gebied Oostergo last kreeg van het water in het Lage Midden werd ten noorden van de Boorne de Leppedijk aangelegd. Het buurtschap Oude Schouw is gelegen op de driesprong van de rivier de Boorne en de Nieuwe Wetering (nu onderdeel van het Prinses Matgrietkanaal). Dit is eeuwenlang een belangrijk ontmoetingsen pleisterplaats aan de rijkstraatweg geweest van Leeuwarden naar Heerenveen. Reizigers van en naar Leeuwarden werden eerst op dit punt per boot overgezet. Het hotel-restaurant De Oude Schouw in deze buurtschap is al sinds de 17e eeuw in gebruik.

Rond 1950 werd de driesprong een kruising toen het gedeelte van het Prinses Margrietkanaal richting Grouw gereed kwam. Met de aanleg van een hoge verkeersbrug in 1951 en de aanleg van Rijksweg A32 in 1963 werd Oude Schouw voortaan door het verkeer gepasseerd en nam het belang van de buurtschap en het hotel aanzienlijk af. 6.9.3.2 Kernkwaliteiten Kenmerkende kwaliteiten in het beekdal die we willen behouden en versterken:  Klei-op-veen-ondergrond;  Zicht op en beleefbaarheid van de Boorne;  De cultuurhistorische waarde van Middeleeuwse dijktracés, waaronder de Leppedyk en de Van Sminiawei;  Openheid en ruime zichtlijnen;  Onregelmatige blokverkaveling;  Verspreid liggende bebouwing op (voormalige) terpen. Deels met beschermde archeologische waarden;  Oude routes/verbindingen zowel over water als over land (zoals het Jaabikspaad) door het landschap;  Onregelmatige blokverkaveling op de klei-op-veengronden.

Uitsnede Cultuurhistorische Kaart Fryslân met dijktracés, (voormalige) kloosters en kerken en boerderijplaatsen

85

Omgevingsvisie Heerenveen 2040

6.9.3.3 Functionele gebiedsomschrijving De beekdalen hebben voornamelijk een agrarische functie, al dan niet in combinatie met agrarisch natuurbeheer (weidevogelbeheer). In het gebied liggen diverse natuurgebieden die verbonden zijn met de aanwezigheid van veen, petgaten of open water. Daarnaast zijn er verschillende woonerven en kleinschalige bedrijfsfuncties aanwezig. Het is te typeren als een rustig buitengebied.

6.9.3.5 Aandachts- en uitgangspunten  We ondersteunen het gebiedsproces Aldeboarn-De Deelen actief. Samen met inwoners, boeren en andere ondernemers kijken we naar een toekomstbestendige invulling van het gebied. Na afronding van het gebiedsplan, wordt bekeken of deze paragraaf moet worden geactualiseerd;  Bij uitbreiding van bestaande agrarische erven houden we rekening met een zorgvuldige inpassing in het landschap. Bij schaalvergroting tot 2,0 ha vragen we de initiatiefnemer om het opstellen van een landschappelijk inpassingsplan. Bij grotere erven vragen we ook om een kwaliteitsimpuls in het landschap, waarmee het plan een bijdrage levert aan het versterken van de landschappelijke kernkwaliteiten;  Het toevoegen van nieuwe waterberging draagt bij aan de leesbaarheid van het landschap of een grotere biodiversiteit. Dit kan door slootpatronen te herstellen of door sloten met flauwe taluds te realiseren (natuurvriendelijke oevers);  Kleinschalige toeristisch-recreatieve ontwikkelingen worden gestimuleerd. In dit gebied denken we daarbij aan het herstel van cultuurhistorische routes, rustpunten, kleinschalige water(sport)recreatie, bed & breakfast, kamperen bij de boer, kleinschalige gastaccommodaties of innovatieve verblijfsrecreatieconcepten.

6.9.3.4 Ontwikkelingen en opgave Algemene opgaven die spelen in het buitengebied zijn benoemd in paragraaf 5.5 en/of 6.9.1. Specifiek voor dit gebied spelen de onderstaande aspecten. Ook in dit gebied speelt de problematiek van veenbodemdaling. Al daalt de bodem hier minder hard door de aanwezigheid van een kleidek. Het gebied rondom Aldeboarn maakt deel uit van het gehele gebiedsproces Aldeboarn-De Deelen voor een nadere beschrijving (zie paragraaf 6.2.1). Langs de Boorne liggen mogelijkheden om (routegebonden) recreatie verder te ontwikkelen. Het vaarwater van de Boorne maakt onderdeel uit van de Turfroute. Daarnaast loopt het Jabikspaad (Jacobuspad) langs deze rivier. De Boorne geeft dus mogelijkheden voor ontwikkeling van cultuurhistorie, natuurbeleving en waterrecreatie-gerelateerde voorzieningen én (kleinschalige) voorzieningen, accommodaties en rustplaatsen voor recreanten op land. Bovendien worden combinaties van water- en landrecreatie ook steeds relevanter. Omdat het gebied laag ligt, is de berging van water in natte periodes een aandachtspunt. In verband met klimaatverandering gaat het gebied vaker een rol spelen bij het (tijdelijk) opvangen van water. Het dalen van de veenbodem (in de omgeving) en de daardoor noodzakelijke aanpassing van de waterhuishouding kan leiden tot problemen met funderingen.

86

Omgevingsvisie Heerenveen 2040 6.9.4

De Deelen

6.9.4.1 Ontstaansgeschiedenis In het midden van het Heerenveense laagveengebied ligt natuurgebied De Deelen. De Deelen is één van de gebieden in Friesland die het laatst verveend is. Tot in de jaren zestig van de vorige eeuw werd nog turf gestoken. Het gebied is na de vervening niet door de landbouw in gebruik genomen, maar als uitgeveend laagveenmoerasgebied blijven bestaan. Het afgegraven veengebied is nu een mozaïek van water, riet, moerasbosjes en kleine, smalle graslanden. De Deelen is als Natura 2000-gebied aangewezen voor de bescherming van verschillende vogelsoorten, omdat het een slaap- en rustplaats biedt en een plek om te foerageren. Dat laatste gebeurt overigens ook in de wijde omgeving van De Deelen. De Deelen is onder meer belangrijk voor vijf vogelsoorten die broeden binnen het gebied: de roerdomp, de purperreiger, de bruine kiekendief, de zwarte stern en de rietzanger. De Deelen is een kwetsbaar ecosysteem met flora en fauna, bodemleven en waterleven waarin de vogels het meest zichtbare deel van de voedselketen zijn.

6.9.4.3 Functionele gebiedsomschrijving De Deelen is een natuurgebied, met een beperkt recreatief medegebruik.

6.9.4.5 Ambities en uitgangspunten  Nieuwe bebouwing in het gebied is alleen aan de orde als het kleinschalig is en ten dienste staat van het beheer of de beleving van het natuurgebied en de natuurwaarden;  Bij ontwikkeling van de toeristisch-recreatieve medegebruik houden we rekening met de draagkracht en natuurwaarden in het gebied;  Ontwikkelingen in het veenweidegebied rondom De Deelen komen ten goede aan de waarden en waterhuishouding van De Deelen;  We onderzoeken actief de mogelijkheden om de kernkwaliteit donkerte (en de beleving daarvan) in de omgeving van De Deelen verder te versterken.

6.9.4.4 Ontwikkelingen en opgaven Vanwege de natuurfunctie is het gebied De Deelen minder ingeklonken dan de veengebieden die voor de landbouw worden gebouwd. Het gebied ligt daardoor hoger dan de directe omgeving, waardoor water wegsijpelt uit het gebied en aanvoer van gebiedsvreemd water nodig is. Het realiseren van een nattere bufferzone rondom De Deelen kan dit effect verminderen. Deze mogelijkheid wordt verder onderzocht in de integrale planvorming voor het gebied Aldeboarn-De Deelen. De Deelen kent nu 50.000-60.000 bezoekers per jaar. Het gebied is het meest toegankelijk vanaf de parkeerplaats bij de Hooivaart. Deze ingang ligt erg afgelegen en is lastig te bereiken. Met het toevoegen van een extra toegangspoort vanuit het noorden kunnen meer mensen genieten van het gebied. Met een verbinding langs de Bolsloot kan Aldeboarn functioneren als toegangspoort voor het gebied. Een extra poort kan daarbij bijdragen aan spreiding van de bezoekers. Ook bestaat er al jaren de wens voor de realisatie van een fietspad door De Deelen. Uiteraard moet bij veranderingen in het gebied rekening worden gehouden met de kwetsbare natuurwaarden ter plaatse.

6.9.4.2 Kernkwaliteiten  Aanwezigheid van natte natuur: laagveenmoeras;  Broed- en rustplaats voor beschermde vogelsoorten. Het gebied is daarom aangewezen in het kader van de Europese Vogelrichtlijn;  Het kenmerkend patroon van petgaten en legakkers (stripen) is door de provincie aangemerkt als aardkundig waardevol gebied;  Aanwezigheid van rust, stilte en donkerte. Het gebied is daarom ook aangewezen als provinciaal stiltegebied;  Ontbreken van bebouwing en niet-natuurfuncties;  Aanwezigheid van een netwerk aan paden, vlonders en bruggetjes waardoor het gebied beleefbaar is voor o.a. wandelaars.

87

Omgevingsvisie Heerenveen 2040 6.9.5

Veenpolders

6.9.5.1 Ontstaansgeschiedenis De veenpolders liggen in Heerenveen aan weerszijden van het lint Terband, Luinjeberd, Tjalleberd en Gersloot. In 1854 is het gebied ingepolderd omdat het door de veenontginning was veranderd in een nat onland. Doordat het veen hier in het verleden is afgegraven, behoren deze polders tot de laagst gelegen gebieden van Friesland (1,5 tot 2 m beneden NAP). Op meerdere plekken zijn wegen en andere landschappelijke structuren gemarkeerd met flinke bomensingels.

De veenpolders worden begrensd door de Hooivaart in het noorden en de Schoterlandse Compagnonsvaart in het zuiden. Het zuidelijke deel van de polder is daarbij bebouwd door industrieterreinen de Kavels en IBF.  6.9.5.3 Functionele gebiedsomschrijving De veenpolders hebben voornamelijk een agrarische functie, waarbij in een aantal gebieden het accent sterk op natuur of agrarisch natuurbeheer ligt. Daarnaast liggen er diverse woonpercelen in het gebied. Het gebied valt te typeren als een rustig buitengebied. 6.9.5.4 Ontwikkelingen en opgaven Algemene opgaven die spelen in het buitengebied zijn benoemd in paragraaf 5.5 en/of 6.9.1. Specifiek voor dit gebied spelen de onderstaande aspecten.

van nieuwe functies wordt de verkavelingsrichting van het landschap steeds benadrukt en versterkt; Het aanplanten van nieuwe landschapselementen draagt zoveel mogelijk bij aan het versterken van de bestaande landschapsstructuur (o.a. verkavelingsrichting) en de biodiversiteit; Een nieuwe snelfietsroute tussen Heerenveen en Drachten wordt door de gemeente zoveel mogelijk gefaciliteerd. Daarbij zetten we in op een aantrekkelijke en comfortabele fietsroute, die optimaal wordt ingepast in het landschap; Bij uitbreiding van bestaande agrarische erven houden we rekening met een zorgvuldige inpassing in het landschap. Bij schaalvergroting tot 2,0 ha vragen we de initiatiefnemer om het opstellen van een landschappelijk inpassingsplan. Bij grotere erven vragen we ook om een kwaliteitsimpuls in het landschap, waarmee het plan een bijdrage levert aan het versterken van de landschappelijke kernkwaliteiten; Het vergroten van het waterbergend vermogen, koppelen we aan het “leesbaar” maken van het landschap en het vergroten van de biodiversiteit. Bij het graven van nieuwe sloten wordt aangesloten bij de bestaande kavelrichting en hebben we een voorkeur voor sloten met flauwe taluds (natuurvriendelijke oevers); Kleinschalige toeristisch-recreatieve ontwikkelingen worden gestimuleerd.

In dit gebied denken we daarbij aan het herstel van cultuurhistorische routes, rustpunten, bed & breakfast, kamperen bij de boer, kleinschalige gastaccommodaties of innovatieve verblijfsrecreatieconcepten.

De veenpolders behoren tot de laagst gelegen gebieden van Friesland. Vanwege de lage ligging is de berging van water in natte periodes een aandachtspunt in dit gebied. In verband met klimaatverandering verwachten wij dat veenpolders vaker een rol gaan spelen bij het (tijdelijk) opvangen van water.

6.9.5.2 Kernkwaliteiten Kenmerkende kwaliteiten in de veenpolders die we willen behouden en versterken:  Langgerekte strokenverkaveling, waarbij de verkavelingsrichting en structuur nog wordt bepaald door de veenontginning;  Dijken, polderdijken, petgaten;  Aanvullen met bebouwingskarakteristiek (zie nota erfgoed)  Waterstructuur met ringvaarten, sloten en polderijken (poldersysteem);  Open landschap met ruimtelijke geleding door de laanstructuren en de verschillende ruilverkavelingsbosjes;  Aanwezigheid van flora en fauna; met name in de laanstructuren en de verschillende ruilverkavelingsbosjes van Staatsbosbeheer;  Het opkwellende grondwater van de hogere zandgronden heeft over het algemeen een goede kwaliteit, is rijk aan mineralen (vooral kalk en ijzer).

Het dalen van de veenbodem (in de omgeving) en de daardoor noodzakelijke aanpassing van de waterhuishouding kan leiden tot problemen met funderingen. In het kader van de Fietsagenda Zuidoost-Friesland 2019-2023 is onderzoek gedaan naar het realiseren van een snelfietsroute tussen Heerenveen en Drachten. Een mogelijke route loopt door het deelgebied Veenpolders. Realisatie van deze fietsroute voorziet in een gezonder en duurzamer verkeersalternatief.

6.9.5.5 Aandachts- en uitgangspunten  De veenpolder vormt een relatief nieuw en grootschalig landschapstype in onze gemeente. We zien hier aanknopingspunten voor een transformatie van het landschap. De ruilverkavelingsbosjes en groenstructuren kunnen verder worden versterkt tot een afwisselend en aantrekkelijk landschap, waar ook ruimte is voor nieuwe functies op het gebied van klimaatadaptatie (waterberging) en energieopwekking. Bij het toevoegen

88

Omgevingsvisie Heerenveen 2040 6.9.6

Hoogveenontginning

6.9.6.1 Ontstaansgeschiedenis Dit landschapstype is ontstaan door de ontginning van het hoogveen. Deze ontginning is in 1551 gestart in Heerenveen en heeft zich in een aantal eeuwen oostwaarts verplaatst tot voorbij Jubbega (3de sluis). De langwerpige veengebieden werden in de lengte met een kanaal doorsneden: de Schoterlandse Compagnonsvaart. Haaks daarop werden zogenoemde wijken (of wiken) gegraven en weer haaks daarop greppels. De vaarten en wijken dienden zowel voor de afvoer van turf als voor de ontwatering van het gebied.

6.9.6.3 Functionele gebiedsomschrijving De landerijen in de hoogveenontginning hebben in veel gevallen een agrarische functie. De meeste boerderijen zijn gevestigd aan de Compagnonsvaart. Aan de wijken komen echter veel kleinschalige percelen voor, waarbij de woonfunctie dominant is en af en toe ook niet-agrarische bedrijfsactiviteiten worden uitgeoefend. Dit gebied wordt daarom gezien als een buitengebied met het accent op functieverweving. 6.9.6.4 Ontwikkelingen en opgaven Algemene opgaven die spelen in het buitengebied zijn benoemd in paragraaf 5.5 en/of 6.9.1. Specifiek voor dit gebied zijn er mogelijkheden voor de ontwikkeling van toerisme en recreatie, gericht op de ontdekking van het landschap en de historie van veenontginning.

6.9.6.5 Aandachts- en uitgangspunten  Bij uitbreiding van bestaande agrarische erven houden we rekening met een zorgvuldige inpassing in het landschap. Bij schaalvergroting tot 2,0 ha vragen we om het opstellen van een landschappelijk inpassingsplan. Bij grotere erven vragen we ook om een kwaliteitsimpuls in het landschap;  Bij het graven of dempen van sloten wordt het oorspronkelijke wijkenpatroon zoveel mogelijk versterkt;  Waar mogelijk dragen nieuwe landschapselementen bij aan het versterken van de bestaande landschapsstructuur (o.a. verkavelingsrichting) en de biodiversiteit;  Kleinschalige toeristisch-recreatieve ontwikkelingen worden gestimuleerd. In dit gebied denken we daarbij aan het herstel van cultuurhistorische routes, het uitbreiden van het wandel- en ATB- en ruiterpadennetwerk, rustpunten, bed & breakfast, kamperen bij de boer, kleinschalige gastaccommodaties of innovatieve verblijfsrecreatieconcepten.

6.9.6.2 Kernkwaliteiten  Kenmerkende ontginningsstructuur die wordt gevormd door de Schoterlandse compagnonsvaart (hoofdstructuur) en de wijken;  Laanbeplanting langs de vaart;  Halfbesloten landschap door de aanwezigheid van elzensingels langs de wijken;  Aanvullend op de bebouwing langs de Compagnonsvaart: kleinere bebouwingsstructuren langs de wijken en incidenteel vrij liggende bebouwing in het landschap;  Aanwezige zandpaden/onverharde paden.

89

Omgevingsvisie Heerenveen 2040 6.9.7

Woudontginning

6.9.7.1 Ontstaansgeschiedenis Langs de hoger gelegen verbindingsweg van Oudeschoot naar Donkerbroek, kwamen in de Middeleeuwen verschillende boerderijen en verspreid liggende bebouwing tot ontwikkeling. Vanuit deze bewoning werd het gebied in gebruik genomen en ontgonnen. De hoger gelegen gronden waren omstreeks 1850 voornamelijk als bouwland in gebruik. Aan de noordzijde werden de akkers begrensd door hoogveen dat oorspronkelijk begroeid was met bos en heide (woeste gronden). De woeste gronden werden grotendeels in cultuur gebracht. Daarbij speelden de grootgrondbezitters en de ontginningsmaatschappijen een grote rol. Nog altijd liggen in de gemeente vele kleine bosjes, vooral ten noorden van de Schoterlandseweg.

      

Kleinschalig coulissenlandschap aan weerszijden van de Schoterlandse weg, met een afwisseling van bos, houtsingels en open weiden; De verkaveling bestaat uit veelal smalle percelen haaks op de Schoterlandse weg; Groot waterbergend vermogen (hoger gelegen zandgrond); Een binnenweg gelegen op het hoogste deel van de dekzandrug en een buitenweg op de overgang van de rug naar het beekdal; Fijnmazige structuur voor langzaam verkeer (fietsers en wandelaars); Aanwezige zandpaden/onverharde paden. De Ecokathedraal bij Mildam

oostzijde van het Ketliker Schar ligt een laagte buiten de EHS . Zo lang de lage landbouwpercelen aan de oostzijde niet als natuur zijn begrensd kan de natuurlijke afwatering van het Katlijkerschar (via deze laagte) niet worden hersteld. Aan de westzijde ligt een heidegebied dat verdrogende invloed ondervindt van de grenssloot met de omgeving.

De natuurgebieden Ketliker heide en Ketliker schar zijn een restant van de vroegere uitgestrekte heidegebieden in Zuidoost Fryslân en in eigendom en beheer van It Fryske Gea. Het gebied is 400 hectare groot en bestaat uit bos, heiderestanten, (venige) beekdalgraslanden en houtwallen.

6.9.7.3 Functionele gebiedsomschrijving Door de fijnmazige landschapsstructuur en de aanwezigheid van veel natuurgebiedjes is de woudontginning minder geschikt voor grootschalige landbouw. Naast de agrarische functie, zijn wonen en recreëren belangrijke functies. Het gaat hier om buitengebied met het accent op functieverweving. 6.9.7.4 Ontwikkelingen en opgaven Het kleinschalige coulissenlandschap is een geliefd gebied bij inwoners, toeristen en recreanten. Beheer en behoud van deze kenmerkende landschapselementen is een belangrijke opgave. Naast de SBB en It Fryske Gea is het merendeel van de landschapselementen particulier eigendom, veelal van agrariërs

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Heerenveen&id=b20a560f-239c-4a4e-af9b-e7d434d13fb0