Bijlage 1. Startnotitie Programma Buitengebied-samengevoegd
Tekst van het document
Van omgevingsvisie naar omgevingsplan 31 januari 2023
Leeswijzer............................................................................................................................................................ 4 Voor de snelle lezer ......................................................................................................................................... 4
1.
Waarom een programma buitengebied? ................................................................................ 5
2.
Waarom een MER en passende beoordeling ......................................................................... 6
3.
Het programma ................................................................................................................................ 8 3.1.
Wat is een programma? ................................................................................................................ 8
3.2.
Relatie met de omgevingsvisie en het omgevingsplan ..................................................... 8
3.3.
Zelfbindend ........................................................................................................................................ 8
3.4.
Inwerkingtredingsdatum Omgevingswet ................................................................................ 9
4.
Wat willen we bereiken? ............................................................................................................. 10 4.1.
Doelstelling ...................................................................................................................................... 10
4.2.
Beoogd resultaat ............................................................................................................................ 10
4.3.
Inhoudelijke Afbakening – wat doen we wel? .................................................................... 10
4.4.
Inhoudelijke Afbakening – wat doen we niet? ................................................................... 11
4.5.
Digitale afbakening ....................................................................................................................... 12
4.6.
Plangebied ........................................................................................................................................ 13
5.
6.
Het proces ........................................................................................................................................ 15 5.1.
Te zetten stappen tot aan de vaststelling ............................................................................ 15
5.2.
Rollen Raad en college ................................................................................................................ 16
5.3.
Interne afstemming ...................................................................................................................... 17
5.4.
Participatie ....................................................................................................................................... 19 Financiën ........................................................................................................................................... 20
BIJLAGE 1
Begrippenlijst..................................................................................................................... 21
BIJLAGE 2
Samenhang verschillende instrumenten Omgevingswet .................................. 23
BIJLAGE 3
Relevante teksten uit de omgevingsvisie ............................................................... 24
Startnotitie programma buitengebied gemeente Heerenveen
2
Startnotitie programma buitengebied gemeente Heerenveen
3
LEESWIJZER Deze startnotitie beschrijft de aanpak voor opstellen van het programma buitengebied. Voor het programma is een milieueffectrapportage en passende beoordeling noodzakelijk. De Hoofdstukken 1 en 2 lichten toe waarom we een programma opstellen en waarom een MER en passende beoordeling noodzakelijk zijn. Hoofdstuk 3 gaat nader in op het instrument programma: wat is het, hoe verhoudt het programma zicht tot andere instrumenten, wat is de juridische betekenis en hoe zit het met de inwerkingtreding van de Omgevingswet. In hoofdstuk 4 beschrijven we wat als opdracht willen bereiken. Daarbij gaat het om de afbakening van het project. Het gaat om het doel, het resultaat, wat willen we wel en wat willen we niet doen. Hoe kijken we aan tegen de digitale opgave en tot slot wat is het plangebied. Hoofdstuk 5 geeft inzicht in het proces om tot vaststelling te komen. Welke stappen zetten we, wat is de rol van raad college, hoe betrekken we onze organisatie. Ook geven we een korte aanzet voor het nader uit te werken participatie- en communicatieplan. Hoofdstuk 6 gaat kort in op de financiën. 3 bijlagen geven nadere achtergrondinformatie bij deze startnotitie.
VOOR DE SNELLE LEZER De snelle lezer kan deze startnotitie doornemen aan de hand van de kopjes in de groene balken. Deze vormen de structuur van dit document. De vet groen gemarkeerde zinnen onder deze kopjes en de groene tabellen geven de essentie van dit document weer. Door deze groen gemarkeerde teksten te lezen krijgt de snelle lezer vlot indruk van de belangrijkste punten van dit document.
Startnotitie programma buitengebied gemeente Heerenveen
4
1.
WAAROM EEN PROGRAMMA BUITENGEBIED?
Op 1 januari 2024 treedt naar verwachting de Omgevingswet in werking. Vanaf dat moment worden de geldende bestemmingsplannen van rechtswege het zogenaamde tijdelijk omgevingsplan van de gemeente Heerenveen. Wij hebben tot en met 2029 de tijd om deze plannen om te zetten naar het nieuwe gemeentedekkende omgevingsplan. Onze gemeenteraad stelde op 27 januari 2022 de Startnota omgevingsplan vast. Daarmee stelde de raad ook een stapsgewijze aanpak van de transitie van het tijdelijk omgevingsplan naar het nieuwe omgevingsplan vast. Eén van de deelgebieden die we als eerst oppakken is het buitengebied van Heerenveen. Daarmee gaan we niet direct aan de slag. Een belangrijke stap die wij eerst zetten is het opstellen van een omgevingsprogramma voor het buitengebied. Wat een programma is leggen we later uit. Er is een aantal redenen waarom we een programma voor het buitengebied opstellen. 1. De omgevingsvisie die onze gemeenteraad op 8 juli 2021 vaststelde. In de omgevingsvisie staat over het programma buitengebied onder andere het volgende: “Het beleid voor het buitengebied van onze gemeente is op dit moment voor een belangrijk deel vastgelegd in drie verouderde bestemmingsplannen uit de voormalige gemeenten Heerenveen, Boarnsterhim en Skarsterlân.
Daarnaast is de notitie Harmonisatie bestemmingsplannen Buitengebied (gemeentelijke herindeling 2014) opgesteld om te voorkomen dat er binnen de huidige gemeente beleidsverschillen ontstaan.” “Ten behoeve van het op te stellen Omgevingsplan wordt in het Programma Buitengebied het bestaande beleid geactualiseerd.” 2. De startnota omgevingsplan die onze gemeenteraad op 27 januari 2022 vaststelde is een tweede reden. Via de startnota stelde de raad een stapsgewijze aanpak van de transitie van het tijdelijk omgevingsplan naar het nieuwe omgevingsplan vast. We werken bij deze aanpak in stappen, gebiedsgewijs, naar het complete omgevingsplan voor de gemeente Heerenveen. We starten het proces om een gemeentedekkend omgevingsplan te maken met de kernen Akkrum-Nes en met het buitengebied. Via de pilot Akkrum-Nes die we in 2021 opstartten doen we waardevolle kennis en ervaring op met het maken van een omgevingsplan. Ook zijn we in 2022 gestart met de verdere verkenning van het instrument programma dat we willen inzetten als beleidsmatige onderlegger van het op te stellen omgevingsplan voor het buitengebied. In het onderstaande overzicht staan de plannen en thema’s waar we tot en met 2029 aan werken.
Akkrum-Nes (pilot)
Groene gebieden met bovenlokale betekenis
Akkrum-Nes (omgevingsplan)
Buitengebied
Hoofdassen en infrastructuur
Woongebieden Heerenveen
Bedrijventerreinen
Heerenveen centrum
Milieuregels Bruidsschat
Dorpen
Historische linten
Regels voor de fysieke leefomgeving uit de verordeningen
Startnotitie programma buitengebied gemeente Heerenveen
5
3. Als derde reden stellen we dat het gaat om een complex deelgebied. Traditioneel behoren de bestemmingsplannen buitengebied die we in Nederland nog actueel maakten onder de Wet ruimtelijke ordening tot de plannen die doorgaans de meeste tijd en aandacht vroegen. Dat heeft onder andere te maken met de vaak grote belangentegenstellingen en meervoudige complexe opgaven in het buitengebied. Ook is meestal sprake van een grote inventarisatie-opgave van functies en activiteiten. Wij verwachten dat deze aspecten bij het maken van een omgevingsplan niet anders zijn. Daarbij komt dat er nauwelijks tot geen goede voorbeelden zijn van omgevingsplannen die al geheel aansluiten bij de (geest van) Omgevingswet, laat staan voor een complex plangebied als het buitengebied. Het opstellen van een omgevingsplan voor het buitengebied is dus een proces dat veel tijd en aandacht vraagt een geeft daarmee aanleiding om vroeg te starten. 4. Voor de gemeente Heerenveen komt daar als vierde reden bij dat de gemeente Heerenveen al lange tijd met een verouderd beleidskader werkt. De geldende bestemmingsplannen buitengebied van de voormalige gemeenten zijn oud. Ook de beleidsnota harmonisatie buitengebied dateert al weer van 2014.
Bovendien harmoniseert deze nota voornamelijk het beleid voor toe te laten bebouwing en is daarmee niet compleet voor de te regelen functies en activiteiten in het buitengebied. Daar komt verder bij dat Provinciale Staten in september 2022 de nieuwe provinciale omgevingsverordening vaststelden. Deze nieuwe verordening biedt meer beleidsruimte voor gemeenten dat plek kan krijgen in het omgevingsplan. Omdat we dus werken met een verouderd beleidskader moeten we voor veel functies en activiteiten in het buitengebied beleid harmoniseren of nieuwe beleidskeuzes maken. Tot slot wijzen we erop dat op dit moment het landelijk gebied en de agrarische sector in het bijzonder onder een vergrootglas liggen. De beleidsontwikkelingen op rijksniveau en provinciaal niveau laten zien: het landelijk gebied staat voor grote uitdagingen die naar verwachting leiden tot een landbouwtransitie en transformatie van het landelijk gebied. De landbouwsector is, als grootste gebruiker en beheerder van het landelijk gebied, een onmisbare schakel om terug te keren naar een robuust en veerkrachtige natuurlijk (voedsel)systeem. Het kabinet stelt daarbij dat de landbouwsector een duurzaam perspectief (20-30 jaar) geboden wordt.
Het Rijk werkt daaraan door het sluiten van een landbouwakkoord (voorjaar 2023) en geeft provincies opdracht te werken aan de provinciale uitwerking van het Nationaal Programma Landelijk Gebied. In onze provincie is daarvoor het proces voor het Fries Programma Landelijk Gebied gestart (FPLG) dat rond de zomer afgerond wordt. Verder worden gerichte gebiedsplannen voor gebieden nabij stikstofgevoelige Natura2000 gebieden opgesteld. Daarnaast stelt het Rijk dat water en bodem sturend moeten worden in de ruimtelijke ordening. Het Wetterskip werkt dat dit jaar uit in haar Blauwe Omgevingsvisie (BOVI). Kernwoorden voor de aanpak van het landelijk gebied zijn integrale benadering met aandacht voor bodem, water, klimaat, natuur. Met het gebiedsproces Aldeboarn-De Deelen deden wij al ervaring op met een dergelijke aanpak. Deze kennis en ervaring zullen wij ook inbrengen in de uitwerking van het programma buitengebied. In de geschetste dynamische context stelt de gemeente Heerenveen een programma op dat recht doet aan de ambities van de omgevingsvisie, maar zeker ook oog heeft voor de hiervoor geschetste ontwikkelingen zoals het FPLG en BOVI.
Startnotitie programma buitengebied gemeente Heerenveen
6
2.
WAAROM EEN MER EN PASSENDE BEOORDELING?
Bij het opstellen van een programma of omgevingsplan moeten we steeds afwegen of een plan-milieueffectrapport (MER1) nodig is. Bij deze afweging stellen we ons de vragen of sprake is van: 1. kaderstelling (in dit geval voor activiteiten in het buitengebied); 2. een passende beoordeling in verband met mogelijk significante gevolgen voor Natura-2000 gebieden. Aan de hand van voorgaande vragen stellen we vast dat: 1. het programma een beleidsmatig kaderstellend karakter krijgt voor bescherming en ontwikkeling van waarden en activiteiten in het buitengebied. 2. in (De Deelen) en om (o.a. Sneekermeergebied, Van Oordt’s Mersken, Alde Feanen) Heerenveen zich een aantal Natura-2000 gebieden bevindt. We verwachten dat het programma indirect en het daaropvolgende omgevingsplan direct ruimte biedt voor ontwikkelingen die effect kunnen hebben op nabijgelegen Natura-2000 gebieden. Wij denken daarbij aan de ontwikkeling van agrarische bedrijven waarbij het kan gaan om doorontwikkelen van agrarische bedrijven, waaronder extensivering. Het kan gaan om verbreden van activiteiten of omschakelen naar andere vormen van landbouw. Maar het kan ook gaan om functieverandering van voormalige agrarische bedrijven, ontwikkeling van recreatie en mogelijkheden voor nieuwe woonerven en agrarische erven. Dit maakt dat een passende beoordeling noodzakelijk is.
De conclusie is dat voor het programma buitengebied een MER noodzakelijk is op basis van het kaderstellende karakter van het programma buitengebied en de noodzakelijke passende beoordeling voor diverse Natura-2000 gebieden. Het opstellen van het programma start en gaat gepaard met een milieueffectrapportage (m.e.r).
1
Voor Milieueffectrapport gebruiken we de afkorting MER, Voor milieueffectrapportage (de procedure) gebruiken we de afkorting m.e.r.
Startnotitie programma buitengebied gemeente Heerenveen
7
3.
HET PROGRAMMA
3.1.
WAT IS EEN PROGRAMMA ?
Deze startnotitie richt zich, naast het MER en de passende beoordeling, op het opstellen van een zogenaamd vrijwillig programma voor het buitengebied. Naast vrijwillige programma’s kan er ook sprake zijn van verplichte programma’s. Voor de gemeente Heerenveen is dat (nog) niet aan de orde. Het programma is één van de kerninstrumenten van de omgevingswet en maakt deel uit van de beleidscyclus die de Omgevingswet introduceert. Een korte toelichting over de beleidscyclus staat in bijlage 2. De wettelijke grondslag van het omgevingsprogramma ligt in artikel 3.5a van de Omgevingswet. Daarin staat dat een programma voor één of meer onderdelen van de fysieke leefomgeving een uitwerking van het te voeren beleid voor de ontwikkeling, het gebruik, het beheer, de bescherming of het behoud daarvan bevat. Verder kunnen in het programma maatregelen staan om aan één of meer omgevingswaarden te voldoen of om één of meer andere doelstellingen voor de fysieke leefomgeving te bereiken. Voor een programma stelt de Omgevingswet geen eisen over vorm en inhoud.
3.2.
RELATIE MET DE OMGEV INGSVISIE EN HET OMG EVINGSPLAN
Het programma buitengebied zien we als een nadere uitwerking van de meer abstracte omgevingsvisie. Zo gebruiken we het programma als tactisch en operationeel instrument tussen het strategisch beleid van de omgevingsvisie en de juridisch bindende uitwerking in het omgevingsplan. Bij het opstellen van het omgevingsprogramma is het belangrijk dat de nadere uitwerking in het programma niet in strijd is met de uitgangspunten van de omgevingsvisie. Als het opstellen van het programma leidt tot nieuwe inzichten die afwijken van de omgevingsvisie kan dat aanleiding geven om de omgevingsvisie aan te passen.
3.3.
ZELFBINDEND
Net als de omgevingsvisie is het programma een zelfbindend document. Het programma bindt alleen de overheid die het vaststelt. In dit geval dus het college. Dat het programma zelfbindend is betekent ook dat inwoners en organisaties er geen rechten aan kunnen ontlenen. Bezwaar en beroep bij de rechter is niet mogelijk. De mogelijkheid bestaat wel om zienswijzen in te dienen op het ontwerp-programma en op het ontwerp-Milieueffectrapport dat wij opstellen. Dat het programma zelfbindend is betekent overigens niet dat het college daar vrij, naar eigen inzicht mee kan omgaan. Het college moet zich houden aan de opgenomen beleidslijnen en uitgangspunten die in het programma staan. Het college kan gemotiveerd van het programma afwijken.
Startnotitie programma buitengebied gemeente Heerenveen
8
3.4.
INWERKINGTREDINGSDATUM OMGEVINGSWET
De inwerkingtreding van de Omgevingswet werd meerdere keren uitgesteld. De nieuwe datum waar we op rekenen is 1 januari 2024. Ook deze datum staat niet absoluut vast. Deze onzekerheid van de inwerkingtredingsdatum is geen reden om het werken aan het programma uit te stellen. De keuzes die we gaan maken zijn fundamenteel en nodig voor het toekomstige regels voor het buitengebied. Het opstellen van het programma zal bovendien nog veel tijd vragen. Als de Omgevingswet opnieuw uitgesteld wordt dan kunnen we, onafhankelijk van de definitieve datum, het programma vaststellen vóór de inwerkingtreding van de Omgevingswet. Het document kunnen we ook als programma gebruiken zoals de Omgevingswet dat voorschrijft. Dit noemen we een anticiperend programma. Artikel 4.11 van de Invoeringswet Omgevingswet maakt dit mogelijk mits we aan onderstaande eisen voldoen:
we stellen het programma vast op of na 23 maart 2016; het programma voldoet aan de beschrijving van het programma in artikel 3.5 Ow; het college van burgemeester stelt het programma vast; het programma voldoet aan de regels over de milieueffectrapportage (m.e.r.). Indien m.e.r. van toepassing is, dan is ook afdeling 3.4 Awb van toepassing.
Wij (gaan) voldoen aan deze eisen.
Startnotitie programma buitengebied gemeente Heerenveen
9
4.
WAT WILLEN WE BEREIK EN?
4.1.
DOELSTELLING
Voor het programma buitengebied gebruiken we de volgende doelstelling: Het programma buitengebied heeft een beleidsmatig kaderstellend karakter en richt zich op de aanwezige en nieuwe functies en (milieubelastende) activiteiten en belangrijke thema’s in het buitengebied. Daarbij baseert het programma zich op de gestelde gebiedsgerichte doelen uit de omgevingsvisie en vult deze verder aan waar nodig.
4.2.
BEOOGD RESULTAAT
Het Programma buitengebied is een programma waarbij we in ieder geval: duidelijke, richtinggevende beleidskaders voor de activiteiten en functies in het buitengebied opschrijven die we later efficiënt kunnen vertalen in regels en de kaart van het omgevingsplan voor het buitengebied; de vigerende bestemmingsplannen en de Nota harmonisatie buitengebied (2014) analyseren om de huidige (on)mogelijkheden in beeld te hebben; de omgevingsvisie Heerenveen en de relevante geldende sectorale beleidsnota’s als basis gebruiken; de ruimte hebben onderzocht en waar nodig benut die de nieuwe Provinciale Omgevingsverordening Fryslân 2022 ons biedt, en rekening houden met de landelijke en provinciale ontwikkelingen rondom de stikstofaanpak in brede zin, het nationale landbouwakkoord en de uitkomsten van de aanpak voor het Fries Programma Landelijk Gebied (FPLG) en de Blauwe Omgevingsvisie (BOVI) van het Wetterskip Fryslân.
4.3.
INHOUDELIJKE AFBAKENING – WAT DOEN WE WEL?
Het omgevingsprogramma bouwt verder op de ingezette koers van de omgevingsvisie voor het buitengebied: “Versterken van de kwaliteit en veerkracht van het landelijk gebied”. De Omgevingsvisie stelt dat de gemeente “(binnen voorwaarden) meer ruimte wil bieden voor:
Verplaatsing van agrarische bedrijven (in relatie tot verbetering van het landschap of het oplossen van milieuknelpunten); Agrarische innovaties (in relatie tot dierenwelzijn, kringlooplandbouw en natuur inclusieve landbouw); Energieopwekking bij agrarische bedrijven; Nevenactiviteiten bij agrarische bedrijven, zoals ondergeschikte detailhandel en aan-huis-verbonden beroepen; Het verlenen van (mantel)zorg; Uitbreiding van recreatieve functies.”
De omgevingsvisie geeft ook aan dat voor verschillende onderwerpen een nadere uitwerking wenselijk is. Dat geldt in ieder geval voor de zogenaamde “Kwaliteitsimpuls Groene Omgeving”. Deze kwaliteitsimpuls, naar Overijssels voorbeeld, moet een methode worden om grote ontwikkelingen in het landschap gepaard te laten gaan met Startnotitie programma buitengebied gemeente Heerenveen
10
investeringen in het landschap. Verder noemt de omgevingsvisie dat we mogelijkheden voor vrijkomende agrarische bedrijven verder uitwerken, waaronder een ruimte-voorruimte regeling. De belangrijkste passages uit de omgevingsvisie over het buitengebied hebben we samengevat in bijlage 3 bij deze startnotitie. Waar nodig voeren we inventarisaties uit op gebiedsniveau (bijvoorbeeld geomorfologie, natuurgebieden etc.) en sectorniveau (bijvoorbeeld aard en aantallen (agrarische) bedrijven. Het MER zal daar een belangrijke rol in spelen. De volgende onderwerpen komen in het programma in ieder geval aan de orde:
4.4.
(on)mogelijkheden voor grondgebonden en niet-grondgebonden agrarische bedrijven (waaronder ook functieverbreding en innovatiemogelijkheden) (on)mogelijkheden voor agrarisch verwante bedrijven (zoals loonwerkbedrijven); (on)mogelijkheden voor vrijkomende agrarische bedrijven; (on)mogelijkheden voor niet-agrarische bedrijven (zoals detailhandel, horeca en maatschappelijke en zakelijke dienstverlening); (on)mogelijkheden voor wonen; (on)mogelijkheden voor verblijfsrecreatie en dagrecreatie; (on)mogelijkheden voor duurzame energieopwekking; (on)mogelijkheden voor duurzaam bodem- en waterbeheer; bescherming en ontwikkeling van cultureel erfgoed en archeologie; bescherming en ontwikkeling van natuur en landschap; stimuleren van gezondheid en veiligheid Kwaliteitsimpuls Groene Omgeving.
INHOUDELIJKE AFBAKENING – WAT DOEN WE NIET ?
In het programma werken we geen nieuw beleidskader uit voor het uiterlijk van bouwwerken (welstand). In het kader van het programma voeren we geen inventarisatie uit voor gemeentelijke monumenten voor de gebiedsdelen van de voormalige gemeenten Boarnsterhim en Skarsterlân. die nog niet zijn geïnventariseerd. Daarvoor starten we een afzonderlijk project op. Voor het programma voeren we geen gedetailleerde locatie-inventarisatie uit van (milieubelastende) activiteiten. Deze inventarisatie vormt onderdeel van de separate opdracht voor het opstellen van het omgevingsplan voor het deelgebied buitengebied. De Omgevingswet biedt gemeenten de mogelijkheid om via omgevingswaarden kwaliteitseisen vast te leggen voor onderdelen van de fysieke leefomgeving, waar Rijk of provincie geen omgevingswaarden voor hebben vastgesteld, zoals bijvoorbeeld lichthinder in het buitengebied. Vastgestelde omgevingswaarden zijn vooral gericht op de overheid en schept de verplichting om de waarden te monitoren en het vaststellen van een programma om de omgevingswaarde (vaak de staat van de kwaliteit op een bepaalde plek) te halen. Wij gaan ervan uit dat we als gemeente vooralsnog geen eigen omgevingswaarden gaan vaststellen. De Omgevingswet biedt gemeenten ook de mogelijkheid om maatwerk te leveren voor een aantal milieunormen zoals geur en geluid.
Of en in hoeverre we van deze mogelijkheid gebruik gaan maken, wordt op dit moment in het kader van de pilot voor Akkrum-Nes nader onderzocht. De Omgevingsvisie is daarbij het uitgangspunt.
Startnotitie programma buitengebied gemeente Heerenveen
11
4.5.
Digitale afbakening
De omgevingsvisie en omgevingsplan zijn in de toekomst te raadplagen via het landelijk Omgevingsloket van het Digitale Stelsel Omgevingswet (DSO). Hoewel niet verplicht kunnen we ook het omgevingsprogramma via het Omgevingsloket raadpleegbaar maken. Dat betekent wel dat we bij de start van het programma bij de opbouw en indeling van het programma stil moeten staan en de juiste keuzes moeten maken om het document goed raadpleegbaar te maken. Wij willen de digitale raadpleegbaarheid van het Omgevingsloket volop benutten. Daarom zetten wij in op een omgevingsprogramma dat voldoet aan de landelijk geldende standaarden die gelden voor omgevingsdocumenten (TPOD).
Startnotitie programma buitengebied gemeente Heerenveen
12
4.6.
PLANGEBIED
Het buitengebied bakenen we af aan hand van de deelgebieden die onderscheiden zijn in de omgevingsvisie. In de omgevingsvisie is het deelgebied buitengebied nader uitgewerkt in gebieden op basis van landschapstype te weten: 1. Veenweidegebied; 2. Beekdal van de Boorne en de Dracht; 3. De Deelen; 4. Veenpolders
5. 6. 7. 8.
Hoogveenontginning; Woudontginning; Beekdal Tjonger; Heideontginningen
Samen vormen deze deelgebieden het plangebied. Onderstaande kaart laat het plangebied zien. De genoemde deelgebieden kunt u herkennen aan de nummers en verschillende kleuren. Grofweg beslaat het buitengebied het hele gemeentelijk grondgebied exclusief de bebouwde kom van kernen, linten, bedrijventerreinen en het landgoederenlandschap rond Oranjewoud aan de zuidwestkant en het natuur- en recreatiegebied De Heide aan de zuidoostkant van de kern Heereveen. Ook de snel- en spoorwegen vallen buiten het plangebied. Deze verwerken we later via het deelgebied Hoofdassen en infrastructuur in het omgevingsplan.
Figuur 1 Afbakening plangebied
Startnotitie programma buitengebied gemeente Heerenveen
13
Startnotitie programma buitengebied gemeente Heerenveen
14
5.
HET PROCES
5.1.
TE ZETTEN STAPPEN TOT AAN DE VASTSTELL ING
Om het programma vast te stellen zetten gaan we aan de slag met onderstaande stappen. 1. De eerste stap is het opstellen en aanbieden van deze startnotitie aan college en raad in het eerste kwartaal van 2023. 2. In het eerste kwartaal werkt de projectgroep het offerte- en opdrachttraject uit voor de opdracht voor: het opstellen van een Notitie Reikwijdte en Detailniveau; een passende beoordeling voor Natura 2000 gebieden, en het MER. In deze periode willen wij een bureau opdracht verlenen voor bovenstaande documenten. In deze fase werken we de participatie- en communicatiestappen concreter uit in overleg met het externe bureau. 3. Na gunning van de opdracht voor het MER stellen we samen met het ingehuurde bureau de Notitie Reikwijdte en Detailniveau (NRD) op dat nodig is voor de m.e.r.-procedure. De NRD markeert de start van de m.e.r.-procedure en beschrijft de gewenste inhoud van het milieueffectrapport. 4. Over de NRD vragen we een toetsingsadvies van de commissie MER en bieden we gelegenheid om een zienswijze in te dienen. We streven ernaar deze fase in het derde kwartaal van 2023 af te ronden. Gelet op het belang van deze notitie willen wij de raad consulteren om te vernemen waar zijn grootste belangen en voorkeuren liggen. 5.
De passende beoordeling die we moeten opstellen voor het Natura2000 gebied De Deelen en mogelijk ook voor een aantal omliggende Natura 2000 gebieden nemen we mee in het m.e.r.-onderzoek. Dit vormt onderdeel van de opdracht aan een extern bureau. 6. De passende beoordeling, het milieu-effecttrapport en het programma stellen we samen op zodat we de stukken gelijktijdig als ontwerp ter inzage kunnen leggen. Iedereen kan dan tegen deze stukken een zienswijze indienen bij het college. In deze belangrijke fase willen wij wederom de raad consulteren rondom fundamentele keuzes die we moeten maken. Deze stap zetten we in het eerste kwartaal van 2024. 7. Het ontwerp-MER sturen we voor toetsingsadvies aan de commissie-m.e.r. 8. Na beantwoording en verwerking van de zienswijzen en het toetsingsadvies kan het college het programma vaststellen. Dit willen we voor de zomer van 2024 afronden.
Startnotitie programma buitengebied gemeente Heerenveen
15
Het tijdspad ziet er op hoofdlijnen als volgt uit: TIJDSPAD
(DEEL) PRODUCT
COLLEGE
RAAD
Q1 2023
Startnotitie
Vaststellen
Vaststellen
Q1 2023
Inkoop/gunning
Vaststellen
Nvt
Q3 2023
NRD
Publiceren Vaststellen
Q3 2023
Toetsingsadvies
Ter kennisname/ verwerking
Informeren
commissie MER &
en
Consulteren/ Informeren
Q1 2024
Passende beoordeling
Vaststellen
Informeren
Q1 2024
MER & ontwerp-programma
Publiceren
Consulteren/ Informeren
Q2 2024
Toetsingsadvies MER
Ter kennisname/ verwerking
Informeren
Q2 2024
Programma
Vaststellen
Informeren
5.2.
commissie
ROLLEN RAAD EN COLLEGE
De raad stelt de hoofdlijnen van het beleid vast met de Omgevingsvisie en laat de uitwerking daarvan over aan het college. Het college stelt het programma buitengebied vast (artikel 3.4 Omgevingswet). Wanneer er geen duidelijke kaders zijn vastgesteld voor de uitwerking van een programma of er behoefte ontstaat aan een nieuw programma, kan het college de benodigde kaders ‘ophalen’ bij de raad. Bijvoorbeeld door het vaststellen van een startnotitie of door een (gedeeltelijke) actualisatie van de Omgevingsvisie. In het geval van het programma buitengebied legt het college deze startnotitie voor aan de raad. Het is overigens niet de bedoeling dat de raad verder buitenspel staat tijdens het proces van het opstellen van het omgevingsprogramma. Het college wil de raad periodiek informeren over de voortgang en de belangrijke tussenproducten. Ook zal het college de raad consulteren bij dilemma’s of belangrijke keuzes die ontstaan. Tot slot nodigt het college raadsleden uit als toehoorder bij participatiebijeenkomsten voor inwoners, ondernemers en belangenorganisaties.
Startnotitie programma buitengebied gemeente Heerenveen
16
5.3.
INTERNE AFSTEMMING
Voor interne afstemming werken we met een compact projectteam en een bredere werkgroep. Projectteam Het projectteam komt in eerste instantie wekelijks bij elkaar en streeft onder aansturing van de projectleider het beoogde projectresultaat na. Het projectteam stelt de startnotitie op en geeft vervolgens richting aan inhoud en proces en beoordeelt concept-voorstellen van het adviesbureau die gerelateerd zijn aan het MER en zet waar nodig vragen/werkzaamheden uit binnen en eventueel buiten de organisatie. Op basis van het MER en parallel aan het opstellen van het MER stelt het projectteam het programma op. Het projectteam is compact om slagvaardig te kunnen opereren. Het projectteam ondersteunt de projectleider in de advisering richting bestuurlijk en ambtelijk opdrachtgever, college en raad en is betrokken bij het inkoopproces om een extern bureau te werven. Ook leveren de leden van het projectteam een inhoudelijke bijdrage aan het opstellen van het programma. Het projectteam bestaat uit een projectleider, een juridisch planoloog, een juridisch planoloog met kennis van MER en beleidsmedewerkers ruimtelijke ordening. De projectgroep wordt op afroep ondersteund door een medewerker communicatie (vast agendalid) en door administratieve ondersteuning.
Werkgroep De werkgroep kent een bredere samenstelling van collega’s en heeft als doel om te klankborden over de geleverde tussenproducten of tussentijds te discussiëren over belangrijke dilemma’s. De werkgroep is ook van belang om het brede draagvlak voor het uiteindelijke programma buitengebied te krijgen. De werkgroep bestaat uit minimaal één vertegenwoordiger van de beleidsvelden die een plek hebben in het programma.
Startnotitie programma buitengebied gemeente Heerenveen
17
De volgende tabel laat zien welke disciplines we intern betrekken. Discipline
Projectgroep
Werkgroep
RO (projectleider)
x
x
RO-beleid
x
x
RO-juridisch
x
x
RO-juridisch (MER)
x
x
Communicatie
x
x
Economische zaken
x
x
Groen/natuur/landschap
x
x
Milieu (Geluid, Geur, EV)
x
Bodem
x
Water
x
Verkeer
x
Stedenbouw
x
Recreatie en toerisme
x
Duurzaamheid
x
Cultuurhistorie en Erfgoed
x
Gezondheid
x
Vergunningverlener omgevingsvergunningen
x
(Juridisch) handhaver RO
x
Financiën
x
Startnotitie programma buitengebied gemeente Heerenveen
18
5.4.
PARTICIPATIE
De Omgevingswet stelt dat we voor het programma bij de besluitvorming moeten motiveren op welke wijze we inwoners en andere partijen betrokken hebben. Het is vooral ook onze eigen ambitie dat wij bij nieuw beleid onze inwoners, ondernemers en organisaties willen betrekken. Dat betekent dat we over het op te stellen programma buitengebied het goede gesprek gaan voeren met belanghebbenden en belangstellenden buiten onze organisatie (participatie). Voor het opstellen van dit programma buitengebied willen we samenwerken met onze inwoners, ondernemers, maatschappelijke- en belangenorganisaties, ketenpartners en een aantal medeoverheden. De volgende partijen betrekken we in ieder geval actief bij het opstellen van het MER en het programma:
Samenleving Heerenveen: Zoals inwoners en ondernemers als agrariërs en toeristisch-recreatieve ondernemers in de gemeente Heerenveen. Lokale belangenorganisaties zoals LTO Noord afdeling Heerenveen, Ondernemerskring Heerenveen en de dorpsbelangenorganisaties.
Medeoverheden: Zoals Provincie Fryslân, Wetterskip Fryslân en aangrenzende gemeenten.
Ketenpartners Zoals Veiligheidsregio, Brandweer, FUMO, GGD en Hûs en Hiem.
Friese belangenorganisaties Zoals Friese Milieufederatie, Stichting Beekdal Koningsdiep, Staatsbosbeheer en Fryske Gea.
Voor het betrekken van in ieder geval de bovenstaande partijen werken we een participatie- en communicatieplan uit waarin we te betrekken partijen, doelen, mate van invloed, middelen en methodes en aanpak verder concreet maken.
Startnotitie programma buitengebied gemeente Heerenveen
19
6.
FINANCIËN
Voor 2023 stelde de raad budget beschikbaar voor het opstellen van omgevingsplannen. Het opstellen van het programma buitengebied is een essentiële stap in de voorbereiding van het opstellen van het omgevingsplan voor het deelgebied buitengebied. Het beschikbaar budget is toereikend om het programma op te stellen.
Startnotitie programma buitengebied gemeente Heerenveen
20
BIJLAGE 1
BEGRIPPENLIJST
Bruidsschat
De bruidsschat is een bijzonder deel van het overgangsrecht van de Omgevingswet. Veel rijksregels verhuizen naar lokale regels zoals regels op het gebied van geur, horeca of lozingen van huishoudens. Omdat niet alle gemeenten en waterschappen al deze onderwerpen in één keer in het omgevingsplan of waterschapsverordening kunnen verwerken stelt de rijksoverheid een pakket regels samen dat automatisch onderdeel uitmaakt van het omgevingsplan of de waterschapsverordening. Deze regels heten de bruidsschat. Gemeenten en waterschappen krijgen door de bruidsschat de tijd om zelf een afweging te maken óf en hoe ze deze onderwerpen willen regelen in het omgevingsplan of waterschapsverordening.
Fysieke leefomgeving
Het begrip fysieke leefomgeving bepaalt tot waar de omgevingswet geldt. Wanneer er geen sprake is van fysieke leefomgeving, dan is de omgevingswet niet van toepassing. Een afgebakende definiti e van de fysieke leefomgeving is er niet. W el staat in de wet een opsomming van onderdelen die in ieder geval onder de fysieke leefomgeving vallen: bouwwerken, infrastructuur, water, watersystemen, bodem, lucht, landschappen, natuur, cultureel erfgoed, werelderfgoed.
Grondgebonden agrarische bedrijven
Een agrarisch bedrijf dat (nagenoeg) geheel afhankelijk is van de agrarische grond als productiemiddel. Deze agrarische grond dient te behoren tot het bedrijf of de bedrijfsvoering van het bedrijf. Grondgebonden bedrijven zijn in ieder geval: akkerbouw-, fruitteelten vollegrondstuinbouwbedrijven en boomteeltbedrijven, waarvan de bomen rechtstreeks in de grond zijn geplant. Melkveebedrijven zijn doorgaans ook grondgebonden.
Milieueffectrapport (mer)
Een milieueffectrapport wordt opgesteld bij activiteiten en projecten die mogelijk belangrijk nadelige gevolgen voor het milieu hebben.
Milieueffectrapportage (m.e.r.)
Milieueffectrapportage brengt de milieugevolgen van een plan in beeld voordat daarover een besluit wordt genomen. De onderzoeksresultaten worden gepubliceerd in een milieueffectrapport.
Niet-grondgebonden agrarische bedrijven
Een agrarisch bedrijf waarvan de productie niet in overwegende mate afhankelijk is van het voortbrengend vermogen van onbebouwde grond in de directe omgeving van het bedrijf. niet grondgebonden bedrijven zijn in ieder geval: intensieve veehouderijen, glastuinbouwbedrijven en gebouwgebonden teeltbedrijven en kwekerijen.
Startnotitie programma buitengebied gemeente Heerenveen
21
Omgevingsplan
Het omgevingsplan bevat algemene r egels van de gemeente voor de fysieke leefomgeving. onder de omgevingswet heeft iedere gemeente 1 omgevingsplan
Omgevingsvisie
In de omgevingsvisie legt de gemeente haar ambities en beleidsdoelen voor de fysieke leefomgeving voor de lange termijn vast.
Omgevingswaarde
Omgevingswaarden zijn maatstaven voor de staat of kwaliteit van de fysieke leefomgeving of een onderdeel daarvan, of de toelaatbare belasting door activiteiten of toelaatbare concentratie of depositie van stoffen in de fysieke leefomgeving o f een onderdeel daarvan, uitgedrukt in meetbare of berekenbare eenheden of andere objectieve termen. Een omgevingswaarde is één van de instrumenten waarmee overheden het beleid van een omgevingsvisie kunnen uitvoeren. Deze moet objectief zijn vast te stell en en meetbaar zijn. omgevingswaarden leggen de kwaliteit vast die gemeente, provincie of rijk voor de fysieke leefomgeving wil bereiken.
Operationeel
Aanpak of plan gericht op handelen op korte termijn om doelen te halen, ook dagelijks handelen
Passende beoordeling
Sommige projecten hebben mogelijk zeer negatieve gevolgen voor een natura 2000 -gebied. Voor die projecten moet eerst een pass ende beoordeling plaatsvinden. Die beoordeling moet zekerheid geven dat het project de natuurlijke kenmerken van het natura 2000-gebied niet zal aantasten.
Strategisch
Aanpak of plan gericht op handelen op lange termijn (bijvoorbeeld 10-20 jaar) om doelen te halen
Tactisch
Aanpak of plan gericht op handelen op middellange (5-10 jaar) termijn om doelen te halen
Tijdelijk omgevingsplan
Vanaf de inwerkingtreding van de omgevingswet geldt het tijdelijk omgevingsplan. In het tijdelijke omgevingsplan zijn onder andere de bestaande bestemmingsplannen, beheersverordeningen , wijzigings- en uitwerkingsplannen en de bruidsschat opgenomen.
Startnotitie programma buitengebied gemeente Heerenveen
22
BIJLAGE 2
SAMENHANG VERSCHILLENDE INSTRUMENTEN OMG EVINGSWET
De Omgevingswet bevat verschillende instrumenten die worden gebruikt voor het realiseren van de doelstellingen uit de Omgevingswet en uit de gemeentelijke Omgevingsvisie. Rijk, provincie en gemeente leggen hun beleid op hoofdlijnen vast in een Omgevingsvisie. Zij werken dit uit in programma’s en in juridische regels (AMVB’s, Provinciale Verordening en omgevingsplan). Voor de gemeente zijn de volgende (wettelijke) instrumenten van belang:
De Omgevingsvisie voor het beleid op hoofdlijnen Programma’s voor de uitwerking van het beleid voor thema’s of gebieden Het Omgevingsplan voor de juridische regeling Omgevingsvergunningen voor het toestaan van activiteiten (onder voorwaarden) Toezicht en handhaving Monitoring en evaluatie (voor het meten van de voortgang en het toetsen van het doelbereik)
Deze instrumenten kunnen in een beleidscyclus worden geplaatst; beleidsontwikkeling, doorwerking, uitvoering en terugkoppeling zie onderstaande figuur 3). Het idee is dus dat beleid en regelgeving regelmatig worden geëvalueerd en herzien.
Figuur 2 Beleidscyclus
Startnotitie programma buitengebied gemeente Heerenveen
23
BIJLAGE 3
RELEVANTE TEKSTEN UIT DE OMGEVINGSVISIE
De volgende pagina’s bevatten een een selectie van de belangrijkste passages voor het buitengebied. Deze betrekken wij bij het opstellen van het programma en omgevingsplan voor het deelgebied buitengebied. Let op! Dit is dus niet de volledige omgevingsvisie maar een selectie van de belangrijkste pagina’s voor het op te stellen programma. De volledige omgevingsvisie kunt u inzien via de link: www.mijnkijkopheerenveen.nl
Startnotitie programma buitengebied gemeente Heerenveen
24
Omgevingsvisie Heerenveen 1.0 Naar een gezonde, ondernemende en duurzame gemeente in 2040 Vastgesteld 8 juli 2021
Omgevingsvisie Heerenveen 2040
Samenvatting De Omgevingsvisie geeft richting aan de toekomst van onze gemeente De samenleving en de leefomgeving veranderen snel. In deze verandering is het goed om een gezamenlijk richtpunt te hebben en te bepalen wat onze ambities zijn. Wat voor gemeente willen we zijn? En hoe komen we daar? Deze Omgevingsvisie bevat ons integrale beleid op hoofdlijnen voor de fysieke leefomgeving. In de visie staan de ambities, kernopgaven en de uitgangspunten van ons beleid voor de fysieke leefomgeving. Kortom; wat willen we bereiken in 2040? En wat gaan we daar voor doen tot 2030? De Omgevingsvisie wordt vastgesteld door de gemeenteraad en is bindend voor de gemeente bij de uitwerking van nieuw beleid voor de fysieke leefomgeving.
Onze kernkwaliteiten Uit het ontstaan van het landschap, de ontginning van het landschap en de ontwikkeling daarna zijn de unieke kenmerken en waarden van Heerenveen ontstaan: ons DNA. Een deel daarvan zien we als de basis voor verdere ontwikkeling van Heerenveen en willen we doorgeven aan volgende generaties; dit zijn onze kernkwaliteiten. Tijdens de Omgevingsdialogen in maart en mei 2019 zijn deze kernkwaliteiten met inwoners besproken en aangescherpt. Onze kernkwaliteiten 1. Een landelijk onderscheidend profiel als (top)sportgemeente 2. De uitstekende (boven)regionale bereikbaarheid en daarbij horend vestigingsklimaat 3. De nabijheid van regionale voorzieningen 4. Landschappelijke diversiteit 5. De historie van de (veen)ontginningsgeschiedenis 6. Een robuust groen- en blauw netwerk
De Omgevingsvisie is een dynamisch document. Ontwikkelingen gaan steeds sneller. Dit vraagt om een flexibele aanpak met de mogelijkheid visies en plannen aan te passen aan voortschrijdend inzicht. Na vaststelling wordt de visie regelmatig geëvalueerd en aangepast. De stip aan de horizon blijft daarbij hetzelfde, maar de route om er te komen wordt daarbij aangepast aan ontwikkelingen en nieuwe inzichten. Onze stip aan de horizon voor 2040 kan als volgt worden samengevat: Kern van de visie “In 2040 is Heerenveen een gezonde, ondernemende en duurzame gemeente waar het prettig wonen, werken en recreëren is. We hebben ons onderscheidende profiel als (top)sportgemeente verder versterkt en verbreed. We koesteren de landschappelijke kwaliteit en diversiteit, de uitstekende bereikbaarheid en de (regionale) voorzieningen als reden om hier te wonen en te werken. En we zijn in 2040 een flink eind op weg om de gemeente samen met inwoners en bedrijven klimaatbestendig en klimaatneutraal te maken.” De keuzes die de gemeente de komende jaren maakt en de samenwerkingen die we aan gaan, zijn ondersteunend aan deze ambities.
Onze samenwerkings- en afwegingsprincipes Heerenveen kiest waar mogelijk voor samenwerking en treedt sturend op waar nodig. Inwoners en ondernemers spelen daarom ook een belangrijke rol bij het verwezenlijken van de Omgevingsvisie. Samengevat hanteert gemeente Heerenveen de volgende samenwerkingsprincipes voor het fysieke domein:
Samenwerkingsprincipes 1. We werken volgens het ‘ja, mits’-principe. We denken in mogelijkheden. Niet initiatiefnemers laten aantonen waarom iets voldoet, maar samen kijken wat er nodig en passend is. In sommige gevallen leidt dit tot een aangepast plan. Wanneer het invullen van de ‘mits’ niet haalbaar is, is nee ook een antwoord. Dit wordt begrijpelijk uitgelegd. We zijn helder en transparant naar initiatiefnemers om teleurstellingen te voorkomen. 2. We investeren in afstemming vooraf. We leggen minder vooraf vast in kwantitatieve regels en zetten meer in op dialoog en proces aan de voorkant om gezamenlijke doelen te bereiken. Het betrekken van inwoners is een gezamenlijke verantwoordelijkheid van initiatiefnemers en overheid, waarbij we zoveel mogelijk sturen op draagvlak. Dit betekent niet altijd dat dit leidt tot een plan waar iedereen mee instemt. Participatie is een inspanningsverplichting en geen resultaatverplichting. 3. Inwoners krijgen een grotere rol bij de voorbereiding en evaluatie van ons Omgevingsbeleid. Ook bij de voorbereiding van beleid (programma’s) betrekken we inwoners en relevante organisaties. Samen met inwoners evalueren we ons beleid om het nog beter aan te laten sluiten bij de praktijk en de wensen vanuit de samenleving. Daarbij kiezen we middelen die goed passen bij de manier waarop we in Heerenveen werken. We vragen feedback op hoe wij werken. 4.
De opgave bepaalt hoe en met wie we samenwerken. Vanuit bewuste rolkeuze en gezamenlijke prioriteiten werken we met de samenleving én elkaar aan ontwikkelingen, opgaven en resultaten. Dit vraagt om een overheid die flexibel is en meebeweegt met aanwezige initiatieven uit de samenleving. Per opgave en per gebied bepalen we of we een regierol hebben, faciliterend zijn of willen loslaten en communiceren dit ook duidelijk naar andere betrokkenen. In Heerenveen hanteren we voor nieuwe opgaven en initiatieven vanuit inwoners en bedrijven de volgende afwegingsprincipes bij het inrichten, gebruiken en beheren van de fysieke leefomgeving:
Het tot stand komen van de Omgevingsvisie In 2019 en 2020 hebben verschillende dialoogsessies plaatsgevonden, is een enquête afgenomen en zijn er sessies geweest met de gemeenteraad. Ook na de vaststelling van de Omgevingsvisie 1.0 wil de gemeente inwoners en organisaties betrekken bij de uitwerking en de evaluatie van ons beleid én bij de actualisatie van de Omgevingsvisie.
Samenvattende kaart met kernkwaliteiten van de gemeente Heerenveen
Afwegingsprincipes 1. Elk initiatief versterkt de bestaande kernkwaliteiten of voegt nieuwe omgevingskwaliteiten toe; 2. Het plan van de één wordt niet het probleem van de ander; 3. We werken gebiedsgericht en durven onderscheid te maken tussen gebieden ; 4. We bekijken vraagstukken in samenhang; bij elke ontwikkeling grijpen we kansen op het gebied van gezondheid en duurzaamheid.
4
Omgevingsvisie Heerenveen 2040 Vier kernopgaven; waarmee gaan we aan de slag tot 2030? Vaak spelen meerdere opgaven in hetzelfde gebied en heeft het voordelen om deze in samenhang aan te pakken. We richten ons daarom de komende jaren op een aantal kernopgaven, waarin meerdere opgaven met elkaar samenhangen. Om onze ambities in 2040 te kunnen verwezenlijken, kiezen we ervoor om ons tot 2030 te richten op vier kernopgaven.
De vrijetijdseconomie vormt een interessante groeisector voor onze gemeente en kan tegelijkertijd positief bijdragen aan het woon- en leefklimaat (en daarmee het vestigingsklimaat). Dit vraagt een heldere profilering en samenwerking met andere gemeenten in de regio.
Kernopgave 1 Werken aan Heerenveen als (boven)regionaal centrum voor (top)sport, werk en voorzieningen We willen banenmotor voor de regio zijn en blijven. Niet groeien om het groeien, maar omdat we willen zorgen voor toekomstbestendige werkgelegenheid op basis van onze kracht. Om het (top)sportprofiel en de bijbehorende economische spin-off op lange termijn vast te houden, is het belangrijk dat (de gebieden rondom) Sportstad en Thialf aantrekkelijk zijn en goed blijven functioneren.
hoogwaardig fietsnetwerk, bieden we een gezond en milieuvriendelijk alternatief voor de auto. Bij het aanpassen van de openbare ruimte houden we rekening met het veranderende klimaat en willen we biodiversiteit stimuleren. We zullen hierbij stevig inzetten op het vergroenen van de openbare ruimte en de vergroening op particuliere erven stimuleren. We maken een programma voor de groenstructuur, zodat duidelijk wordt welke rol groene gebieden gaan spelen. Samen met inwoners werken we aan de leefbaarheid van onze wijken en dorpen. Voorzieningen, evenementen en recreatiemogelijkheden dragen allemaal bij aan de leefbaarheid. Hoewel dat wel onze inzet is, zal het moeilijk worden om alle scholen en sportvoorzieningen overal in stand te houden. De samenstelling van de bevolking gaat immers veranderen: het aandeel ouderen neemt toe en de hoeveel jongeren neemt af. We zetten daarom in op het bereikbaar houden van voorzieningen.
Kernopgave 2 Bouwen aan toekomstbestendige woningen De kwaliteit van bestaande woningen wordt steeds belangrijker. Woningen die al zijn gebouwd moeten aan nieuwe behoeftes worden aangepast om langer mee te kunnen. Daarvoor moet worden geïnvesteerd in de verduurzaming van woningen, maar er kunnen ook aanpassingen nodig zijn om ze geschikt te maken voor zorg of voor andere doelgroepen. De komende jaren ligt de focus op vernieuwen, transformeren en verbeteren van het bestaande woningaanbod. Deze opgave pakken we samen met woningbouwcorporaties, particuliere verhuurders en particulieren op. Wat betreft nieuwbouw gaan we scherper kijken naar de realisatie van nieuwe projecten. Wat voegen ze toe aan het bestaande woningaanbod? En is er op de langere termijn ook vraag naar deze woningen?
Het woon- en vestigingsklimaat in de gemeente verbeteren we door de centrumgebieden in Heerenveen, Akkrum, Jubbega en Aldeboarn op orde te brengen. Daarnaast zorgen we er voor dat er voldoende werklocaties van goede kwaliteit zijn en dat de (bovenregionale) bereikbaarheid is gewaarborgd. Het stationsgebied van Heerenveen willen we gebruiksvriendelijker maken. Wanneer deze basis op orde is, kan Heerenveen blijven doorontwikkelen in sectoren als circulaire economie, duurzame logistiek en het cluster sport, vitaliteit & voeding. Omdat we een schaarste in grondstoffen willen voorkomen, is een omslag naar een circulaire economie noodzakelijk. Met de bestaande bedrijven en organisaties op dit gebied willen we Heerenveen verder laten uitgroeien tot een Circular Valley: een aantrekkelijke plek waar ruimte is om met allerlei circulaire innovaties te experimenteren en op zoek te gaan naar nieuwe verdienmodellen.
Voor nieuwbouw richten we ons in eerste instantie op het afronden van bestaande woningbouwlocaties en het bouwen binnen bestaand bebouwd gebied. Tegelijkertijd houden we ook oog voor de toekomstige vraag in de woningmarkt. Mogelijk gaat de woningmarkt in de regio veranderen doordat het thuiswerken belangrijk wordt of doordat de Lelylijn wordt aangelegd. De komende jaren verkennen we daarom ook of het realiseren van nieuwe uitbreidingswijken nodig is om iedereen een passende woning te bieden. We realiseren ons dat wonen meer is dan alleen een kwalitatief goede woning. De inrichting en de beleving van de woonomgeving en de beschikbaarheid van (recreatie)voorzieningen bepaalt in belangrijke mate het woonplezier (zie kernopgave 3). Kernopgave 3 Zorgen voor gezonde, klimaatbestendige en leefbare wijken en dorpen De inrichting en het gebruik van de openbare ruimte draagt bij aan de gezondheid van onze inwoners en de leefbaarheid van onze dorpen. Dat is ons doel. Dit doen we door bestaande milieuknelpunten op te lossen en door de mogelijkheden voor spelen, bewegen en ontmoeten nadrukkelijker mee te nemen bij ruimtelijke ontwikkelingen. Door te investeren in een kwalitatief
Kernopgave 4 Versterken van de kwaliteit en veerkracht van het landelijk gebied De kwaliteit en herkenbaarheid van de verschillende landschappen rondom Heerenveen vormt een belangrijke kwaliteit van onze gemeente. Die willen we behouden en versterken. Tegelijkertijd kunnen we ons landschap niet bevriezen. Nieuwe maatschappelijke behoeftes op het gebied van landbouw, recreatie, energietransitie en de gevolgen van klimaatverandering zullen een plek in ons landschap krijgen. Om de landschappelijke kwaliteiten voor de lange termijn te waarborgen, zorgen we ervoor dat landschappelijke dragers herkenbaar blijven en dat ontwikkelingen leiden tot nieuwe investeringen in het landschap (behoud door ontwikkeling).
5
Omgevingsvisie Heerenveen 2040
Samen met de bewoners, eigenaren en gebruikers werken we aan een vitaal en duurzaam landschap, waarbij we nieuwe verbindingen leggen tussen kernen en het buitengebied, bijvoorbeeld in de vorm van nieuwe recreatieve routes. In het veenweidegebied ondersteunen we de gebiedsontwikkeling rondom Aldeboarn-de Deelen. Waar het kan leveren we een bijdrage aan het versterken van het natuurnetwerk en het verbeteren van het natuurlijke bodem- en grondwatersysteem. Daarmee bieden we economisch perspectief en verbeteren we de leefbaarheid van het platteland.
Gebiedsgerichte uitwerking De verschillende kernkwaliteiten, (kern)opgaven en ambities zijn in hoofdstuk 6 vertaald naar verschillende deelgebieden in onze gemeente. Zo ontstaat voor elk gebied een duidelijk toekomstperspectief, dat kan worden gebruikt bij de afweging van concrete initiatieven (bijvoorbeeld in het kader van een omgevingsvergunning). Er is een onderscheid gemaakt tussen een aantal gebiedstypen, met daaraan ondergeschikt verschillende deelgebieden. In de paragrafen 6.2 tot en met 6.9 zijn algemene uitgangspunten en ambities opgenomen die gelden voor de volgende acht gebiedstypen: Centrumgebieden; Gemengde gebieden met een bovenlokaal karakter; Groene gebieden met een bovenlokaal karakter; Historische lintstructuren; Hoofdassen en infrastructuur; Woongebieden; Bedrijventerreinen; Buitengebied. In subparagrafen met deelgebieden zijn specifieke uitgangspunten toegevoegd, voor zover deze in bepaalde deelgebieden aan de orde zijn. Vervolg en uitvoering van de Omgevingsvisie Na vaststelling wordt de Omgevingsvisie verder uitgewerkt in het Omgevingsplan (juridische regels) en verschillende Programma’s (beleidsuitwerkingen). De Omgevingsvisie is een dynamisch document. De uitvoering van de visie wordt gemonitord en het document stapsgewijs aangepast. Na de 1.0 versie zullen dus nog andere versies volgen, waarbij ruimte is voor voortschrijdend inzicht.
Daarbij is het de bedoeling om de Omgevingsvisie jaarlijks een kleine update te geven en eens in de vier jaar grondiger te herzien.
Gebiedenkaart, voorbeeld van een gebiedstype (centrumgebieden) en voorbeeld van een deelgebied (Centrumgebied Aldeboarn)
6
Omgevingsvisie Heerenveen 2040
Samenvattende Visiekaart Heerenveen 2040
7
Omgevingsvisie Heerenveen 2040 2.1.4 Ontwikkeling van de kernen Tot in de 19e eeuw bleef bebouwing in Heerenveen geconcentreerd in lintstructuren op de hoger gelegen zandruggen en langs de Schoterlandse Compagnonsvaart. Nadat steeds meer veengebieden waren ontgonnen en steenkool in opkomst was als brandstof, werd de landbouw rond 1900 de dominante economische factor. De trek van turfstekers naar Heerenveen en de toenemende industrialisatie dwongen Heerenveen tot uitbreiden. Verschillende uitbreidingswijken kwamen tot stand. Ook de andere dorpen werden in die periode uitgebreid. Na de oorlog was er sprake van woningnood en kwam de ontwikkeling van kernen in een stroomversnelling.
2 Het DNA van Heerenveen: onze kernkwaliteiten
2.1 Ontstaans- en ontwikkelgeschiedenis Uit het ontstaan van het landschap, de ontginning van het landschap en de ontwikkeling daarna, zijn de unieke kenmerken en waarden van Heerenveen ontstaan: ons DNA. Een deel daarvan zien we als de basis voor verdere ontwikkeling van Heerenveen en willen we doorgeven aan volgende generaties; dit zijn onze kernkwaliteiten. In dit hoofdstuk beschrijven we die kernkwaliteiten. 2.1.1 Ontstaan van het landschap Tijdens de voorlaatste ijstijd ontstonden in Zuidoost-Friesland noordoostzuidwest lopende ruggen als gevolg van de opstuwende werking van het landijs. Daartussen ontstonden lager gelegen beekdalen van de Tjonger en de Boorne. Tijdens de vrij droge laatste ijstijd werden op deze ondergrond dekzandpakketten afgezet. Later, in het Holoceen, werd het klimaat warmer en vochtiger waardoor de plantengroei toenam en op sommige natte plaatsen veen ontstond, bijvoorbeeld in de laagten die tussen de zandruggen waren gelegen. Er ontstonden veenlagen met een maximale dikte van 2 à 3 m die deels boven de dekzandruggen uitstaken; het hoogveen. Op plekken waar de veengroei onder de grondwaterstand werd gevormd, is sprake van laagveen.
2.2 Onze kernkwaliteiten
2.1.3 De heren van het veen Vanwege de behoefte aan turf in de Hollandse steden werden in de 16e eeuw de eerste voorbereidingen getroffen tot het grootschalig afgraven van het hoogveen. In 1551 werd op initiatief van drie heren – van Dekema, Cuyck en Foeyts - een compagnie opgericht, met als doel grote stukken land op te kopen en aan veenontginning te doen. Van Akkrum tot Heerenveen werd de Heeresloot gegraven en haaks daarop de Schoterlandse Compagnonsvaart (het veengebied in). Op het kruispunt van deze waterwegen ontstond de kern Heerenveen. De hoofdplaats dankt haar naam dus aan de heren van het veen.
2.2.1 Algemeen De gemeente Heerenveen heeft een aantal onderscheidende kwaliteiten die haar uniek maken; de kernkwaliteiten. Tijdens de Omgevingsdialogen in maart en mei 2019 zijn deze kernkwaliteiten met inwoners besproken en aangescherpt. Het behouden en versterken van deze kernkwaliteiten zorgt ervoor dat onze leefomgeving in 2040 gezond, aantrekkelijk en duurzaam blijft. Onderstaand worden ze kort omschreven en in bijlage 2 worden deze kernkwaliteiten nader toegelicht. Onze kernkwaliteiten 1. Een landelijk onderscheidend profiel als (top)sportgemeente 2. De uitstekende (boven)regionale bereikbaarheid en daarbij horend vestigingsklimaat 3. De nabijheid van regionale voorzieningen 4. Landschappelijke diversiteit 5. De historie van de (veen)ontginningsgeschiedenis 6. Een robuust groen- en blauw netwerk
2.1.2 Bewoningsgeschiedenis en ontginning In de Middeleeuwen werden vooral de hoger gelegen dekzandruggen bewoond. Op deze hoger gelegen delen ontstonden langgerekte bewoningstructuren. Voorbeelden daarvan zijn de Schoterlandseweg en de Aengwirderweg. Vanuit deze ontginningsassen werd het omliggende landschap geschikt gemaakt voor landbouw. Eerst ging het om de aangrenzende gronden. Later werden ook de lager gelegen delen stapsgewijs ontwaterd en geschikt gemaakt voor de landbouw. De Boorne vormde in de Middeleeuwen een van de voedingsstromen van de Middelzee en was daarmee een belangrijke handelsroute vanuit het veen- en zandgebied naar de kleigronden aan de kust. Bewoning in dit overstromingsgevoelige gebied vindt lange tijd plaats op terpen. De terpen bij Aldeboarn en Akkrum groeiden uit tot rijke handelssteden. Aldeboarn was zelfs lange tijd de hoofdzetel van het bestuur en in deze regio. Toen de Middelzee dichtslibde en werd ingedamd, veranderde de positie van deze plaatsen en raakten ze meer georiënteerd op het omliggende landschap.
Figuur 2.1 Kaart Eekhoff 1830
11
Omgevingsvisie Heerenveen 2040 2.2.5 Landschappelijke diversiteit Heerenveen is een aantrekkelijke gemeente om te wonen en te recreëren door de verscheidenheid aan landschappen. Elk landschapstype heeft zijn eigen kenmerkende elementen. Denk aan de verschillen tussen het waterrijke veengebied, het bosrijke landgoederenlandschap rond Oranjewoud, het besloten coulisselandschap op de dekzandrug en het open beekdal van de Tsjonger (zie bijlage 2).
2.2.6 De historie van de (veen)ontginningsgeschiedenis De gemeente kent een rijke cultuurhistorie. Eeuwenlang was de vorming van het landschap gerelateerd aan de ontginning van veen. De plaats Heerenveen dankt er haar oorsprong en naam aan. De vestiging van adellijke families en de verschillende landgoederen rondom Oranjewoud, zijn een wezenlijk onderdeel van de identiteit van Heerenveen en omgeving. Contrasten tussen arm en rijk, zand en veen, liggen allemaal besloten in het landschap en zijn bepalend voor de identiteit van Heerenveen. Kenmerkend is onder andere de lintbebouwing die is ontstaan door de veenontginning en de langgerekte verkavelingspatronen. In het waterrijke gebied rondom Akkrum en Aldeboarn werd lange tijd gewoond op terpen.
2.2.7
Een robuust groen- en blauw netwerk met ruimte voor een sterke agrarische sector Heerenveen is een groene gemeente. Naast het Natura 2000-gebied De Deelen zijn flinke stukken in de gemeente aangewezen als onderdeel van Natuurnetwerk Nederland. Grote bos- en natuurgebieden bepalen het beeld voor de dorpen direct ten oosten van Heerenveen. Het woudontginningslandschap met groene houtsingels loopt door tot in de kern Heerenveen en bepaalt het groene beeld in wijken als Skoatterwâld, de Akkers en de Heide.
Figuur 2.4 Landschappelijke diversiteit
Figuur 2.6 Het groen-blauwe raamwerk
Figuur 2.5 Cultuurlandschappen en waardevolle landschappelijke structuren
13
Omgevingsvisie Heerenveen 2040
5.5 Versterken van de kwaliteit en veerkracht van het landelijk gebied 5.5.1
2.
Schets van de opgave
Het diverse landschap vormt een belangrijke kwaliteit van onze gemeente. Het maakt het aantrekkelijk om in deze gemeente te wonen en te recreëren. Het belang van herkenbare en kwalitatief aantrekkelijke landschappen neemt steeds verder toe, naarmate andere delen van het land verder verstedelijkt raken. Tegelijkertijd erkennen we dat het landschap niet stilstaat en zich door de tijd altijd heeft aangepast aan maatschappelijke behoeftes. Nieuwe maatschappelijke behoeftes op het gebied van landbouw, recreatie, energietransitie en klimaatadaptatie krijgen hierin een plek. We willen er daarom voor zorgen dat nieuwe ontwikkelingen passen in het landschap op een manier dat de verschillende landschapstypen herkenbaar blijven.