Bijlage 1. Regelstation Akkrum Oost_ontwerp_compleet
Tekst van het document
Bestemmingsplan Regelstation Akkrum Oost, Ontwerp
25/32
Omgevingsaspecten
afbeelding 14: uitsnede risicokaart met risicobronnen in de omgeving (bron: nederland.risicokaart.nl)
Het bestemmingsplan maakt een nieuw transformatorstation mogelijk. Een transformatorstation is geen kwetsbaar object. Er verblijven geen mensen voor langere duur. Er is geen sprake van een wijziging in het groepsrisico door het bestemmingsplan. Ook heeft het transformatorstation zelf geen plaatsgebonden risicocontour of groepsrisico invloedsgebied. De Brandweer Fryslân heeft het plan beoordeeld op de aspecten bereikbaarheid, bluswater en zelfredzaamheid voor twee scenario’s, te weten een incident op de A32 en een gebouwbrand in het plangebied. De mogelijkheden in de bestrijding van het externe veiligheidsscenario zijn beperkt. Er is sprake van een hoge opkomsttijd op de A32, de initiatiefnemer wordt hiervan op de hoogte gesteld. Bij een dreigende BLEVE op de A32 is er tijdig onvoldoende bluswater beschikbaar om te kunnen koelen, af te schermen en te kunnen blussen. De consequenties hiervan kunnen zijn dat in geval van een dreigende BLEVE er geen adequate inzet door de brandweer gedaan kan worden en dat er een grote prioriteit op de ontruiming van de omgeving ligt. Voor het scenario is een goede ruimtelijke ordening en zelfredzaamheid essentieel om het aantal doden en gewonden te kunnen verminderen.
Bij dit initiatief zijn deze aspecten gunstig: er sprake van een lage populatie, een gunstige zelfredzaamheid, voldoende vluchtroutes in verschillende richtingen van de A32 af en het initiatief is buiten de 100% letaliteitscontour gelegen. En indien zich een BLEVE op de A32 voordoet, dan zal het bouwwerk bescherming bieden tegen de effecten van de BLEVE. Wat betreft een regulier brandscenario op het perceel zelf: Het type bouwwerk en de aanwezige gevaren voor de brandweer maken dat er sprake kan zijn van een ontwikkelde brand. Vanwege eigen veiligheid zal de brandweer bij het ter plaatse komen hoogstwaarschijnlijk weinig tot niets in de brandbestrijding kunnen betekenen. De brandweer kan pas blussen als de spanning van het station is afgeschakeld. Ten aanzien van de opkomsttijden, bereikbaarheid en bluswater voorziet de brandweer geen knelpunt of aandachtspunt. Er wordt voldaan aan de geldende normen en er is voldoende bluswater rondom het plangebied aanwezig (brandkraan en open water). 4.13.3 Conclusie Geconcludeerd kan worden dat vanuit het aspect externe veiligheid geen belemmeringen bestaan ten aanzien van het bestemmingsplan.
Bestemmingsplan Regelstation Akkrum Oost, Ontwerp
26/32
Omgevingsaspecten
4.14
Besluit milieueffectrapportage
Sinds de wijziging van het Besluit m.e.r. per 1 april 2011 zijn er twee vormen van m.e.r.-beoordelingen: 1.) projecten die vallen onder bijlage D van het Besluit m.e.r. en 2.) de vormvrije m.e.r.-beoordeling ook wel vergewisplicht genoemd. Achterliggende gedachte hierbij is dat ook kleine projecten het milieu relatief zwaar kunnen belasten. Voor de vormvrije m.e.r.-beoordeling gelden twee voorwaarden: • het gaat over één of meer activiteiten die voorkomen op de D-lijst van het Besluit m.e.r. • de omvang van al die activiteit(en) ligt onder de drempelwaarde (kolom 2 van de D-lijst). Realisatie van een transformatorstation is geen activiteit die is genoemd in de C of D-lijsten van het Besluit m.e.r.. Er is geen (vormvrije) m.e.r.-beoordeling voor het plan nodig.
Bestemmingsplan Regelstation Akkrum Oost, Ontwerp
27/32
Toelichting op de regels
5
Toelichting op de regels
5.1
Algemeen
De Wet ruimtelijke ordening (hierna: Wro) bepaalt dat ruimtelijke plannen digitaal en analoog beschikbaar moeten zijn. Dit brengt met zich mee dat bestemmingsplannen digitaal uitwisselbaar en op vergelijkbare wijze gepresenteerd moeten worden. Met het oog hierop stellen de Wro en de onderliggende regelgeving eisen waaraan digitale en analoge plannen moeten voldoen. Zo bevat de Standaard Vergelijkbare Bestemmingsplannen (SVBP) bindende afspraken waarmee bij het maken van bestemmingsplannen rekening moet worden gehouden. De SVBP kent (onder meer) hoofdgroepen van bestemmingen, een lijst met functie- en bouwaanduidingen, gebiedsaanduidingen en een verplichte opbouw van de planregels en het renvooi. Op de verbeelding zijn alle functies zodanig bestemd, dat het mogelijk is om met behulp van het renvooi direct te zien welke bestemmingen aan de gronden binnen het plangebied zijn gegeven en welke regels daarbij horen. Uitgangspunt daarbij is dat de verbeelding zoveel mogelijk informatie geeft over de in acht te nemen maten en volumes. De regels geven duidelijkheid over de bestemmingsomschrijving, de bouwregels en de specifieke gebruiksregels.
5.2
Nadere toelichting op de regels
De bij dit plan behorende planregels zijn, conform de Standaard Vergelijkbare Bestemmingsplannen (SVBP 2012), onderverdeeld in 4 hoofdstukken, te weten: 1. Inleidende regels 2. Bestemmingsregels 3. Algemene regels 4. Overgangs- en slotregels In hoofdstuk 1 worden in de planregels gehanteerde begrippen nader verklaard, zodat interpretatieproblemen zoveel mogelijk worden voorkomen. Daarnaast wordt aangegeven op welke wijze bepaalde afmetingen dienen te worden gemeten. In hoofdstuk 2 is de op de verbeelding aangegeven bestemming omschreven en wordt bepaald op welke wijze de gronden en opstallen gebruikt mogen worden. Daarbij worden de bebouwingsmogelijkheden vermeld. In hoofdstuk 3 is een aantal algemene regels opgenomen. In hoofdstuk 4 is omschreven welke gebouwen en gebruik vallen onder het overgangsrecht en bevat tot slot de citeertitel van het plan. 5.2.1 Inleidende regels Begrippen (artikel 1) In dit artikel worden de begrippen gedefinieerd, die in de regels worden gehanteerd. Bij de toetsing aan het bestemmingsplan wordt uitgegaan van de in dit artikel aan de betreffende begrippen toegekende betekenis. Voor zover er geen begrippen zijn gedefinieerd wordt aangesloten bij het normaal spraakgebruik.
Bestemmingsplan Regelstation Akkrum Oost, Ontwerp
28/32
Toelichting op de regels
Wijze van meten (artikel 2) Dit artikel geeft aan hoe hoogte- en andere maten die bij het bouwen in acht genomen dienen te worden en gemeten moeten worden. 5.2.2 Bestemmingsregels Bedrijf – Nutsvoorziening (artikel 3) Voor het terrein binnen het hekwerk is de enkelbestemming ‘Bedrijf - Nutsvoorziening’ opgenomen. In de bestemming is geregeld dat hier een nutsbedrijf is toegestaan van maximaal milieucategorie 3.1. Gebouwen en transformatorruimten moeten in het bouwvlak worden gebouwd. Het bouwvlak is bewust ruimer gemaakt, zodat de positie van het gebouw nog kan wijzigen. Ook is er binnen het opgenomen bouwvlak nog ruimte voor uitbreiding, zodat is geanticipeerd op groei van de capaciteit in de toekomst. De maximum bouwhoogte voor gebouwen en voor de transformatorruimten bedraagt 6 m. Voor voorzieningen voor bliksemafleiding die op de wanden van de transformatorruimten komen, de zogenoemde bliksemspitsen, is geregeld dat deze maximaal 7 m hoog mogen zijn, gemeten vanaf het maaiveld. De aanleg en instandhouding van de beplantingsstroken is verplicht gesteld in de regels van het bestemmingsplan middels een voorwaardelijke verplichting in artikel 3.4. Mocht in de toekomst aanpassing van de beplantingstroken nodig zijn vanwege toekomstige ontwikkelingen, dan is in het bestemmingsplan een wijzigingsbevoegdheid opgenomen die hierin voorziet.
Groen (artikel 4) Voor de gronden buiten het hekwerk is de bestemming ‘Groen’ opgenomen. Hier komt de landschappelijk inpassing. Binnen de bestemming ‘Groen’ zijn geen gebouwen toegestaan, alleen bouwwerken, geen gebouwen zijnde. Verkeer (artikel 5) De toegangsweg is in de bestemming ‘Verkeer’ opgenomen. Hierbij is rekening gehouden met de verbreding van de weg. Binnen de bestemming ‘Verkeer’ zijn geen gebouwen toegestaan, alleen bouwwerken, geen gebouwen zijnde. 5.2.3 Algemene regels In dit onderdeel van de regels komen de algemene bepalingen aan de orde. Het gaat om: Anti-dubbeltelregel (artikel 6) In dit artikel is opgenomen dat grond, welke eenmaal in aanmerking is of moest worden genomen bij het verlenen van een bouwvergunning, waaraan uitvoering is of alsnog kan worden gegeven, bij de beoordeling van een andere aanvraag buiten beschouwing dient te blijven. Algemene bouwregels (artikel 7) In dit artikel zijn regels opgenomen voor ondergronds bouwen. Algemene gebruiksregels (artikel 8) In dit artikel is bepaald welke vormen van gebruik in elk geval strijdig zijn, mocht dit niet al duidelijk zijn uit de toegestane functies in de enkelbestemmingen in hoofdstuk 2. Algemene afwijkingsregels (artikel 9) De algemene afwijkingsregels zijn hierin opgenomen. Het gaat om afwijkingen van maatvoering, bouwvlakken, e.d..
Ook is het mogelijk om af te wijken van de bouwhoogte en goothoogte. Overige regels (artikel 10) In dit artikel is een regeling opgenomen die verplicht om te voldoen aan de gemeentelijke parkeernormen. 5.2.4 Overgangs- en slotregels Overgangsrecht (artikel 11) Met betrekking tot bouwwerken en het gebruik van grond en bouwwerken wordt in dit artikel ingegaan op het daarop toepasselijke overgangsrecht.
Bestemmingsplan Regelstation Akkrum Oost, Ontwerp
29/32
Toelichting op de regels
Slotregel (artikel 12) Het laatste artikel van de regels betreft de citeertitel van het bestemmingsplan.
Bestemmingsplan Regelstation Akkrum Oost, Ontwerp
30/32
Economische uitvoerbaarheid
6
Economische uitvoerbaarheid
Bij een bestemmingsplan dient op grond van artikel 6.12 Wro in de plantoelichting inzicht te worden gegeven in de economische uitvoerbaarheid. Tevens is met de inwerkingtreding van de Wro de verplichting ontstaan dat bepaalde plankosten op de initiatiefnemer kunnen worden verhaald. Het gaat hierbij om de plankosten en de kosten van ontwikkelingen die gemeente redelijkerwijs moet maken, zoals de aanleg van voorzieningen van openbaar nut. De Wro stelt verplicht dat de gemeenteraad tegelijk met de vaststelling van een bestemmingsplan een exploitatieplan vaststelt voor kostenverhaal in het geval het bestemmingsplan nieuwe, bij algemene maatregel van bestuur aangewezen bouwplannen mogelijk maakt. Hierbij gaat het bijvoorbeeld om de bouw van één of meer woningen, de bouw van één of meer andere hoofdgebouwen of de uitbreiding of verbouwing van gebouwen. In de wet is aangegeven welke kosten verhaald kunnen worden. Het vaststellen van een exploitatieplan is niet nodig indien het kostenverhaal anderszins verzekerd is, bijvoorbeeld door gronduitgifte of een anterieure overeenkomst. Dit bestemmingsplan maakt geen bij algemene maatregel van bestuur (artikel 6.2.1 Bro) aangewezen bouwplannen mogelijk. Het opstellen van een exploitatieplan is dan ook niet noodzakelijk. De uitvoering van het plan komt voor rekening en risico van Liander.
Het garanderen van leveringszekerheid is een wettelijke taak van Liander op grond van de Elektriciteitswet. Nut en noodzaak van het plan is aangetoond met dit bestemmingsplan. Hierdoor kan Liander de investeringskosten doorberekenen in de tarieven voor transport van elektriciteit.
6.1
Planschade
Planschade wordt in beginsel toegekend door het besluitvormend orgaan aan degenen die waardevermindering van onroerend goed ondervinden ten gevolge van het besluit tot afwijken van het bestemmingsplan. De grondslag voor deze planschaderegeling wordt gegeven in artikel 6.1 Wro. In artikel 6.4 onder a Wro is bepaald dat de gemeente de mogelijkheid heeft om met de initiatiefnemer een overeenkomst te sluiten ten aanzien van planschade. In een tussen de gemeente en Liander te sluiten overeenkomst wordt opgenomen dat het planschaderisico voor rekening van de initiatiefnemer komt. Daarmee is het risico op planschade afgedekt voor de gemeente.
6.2
Conclusie
Gezien de tussen de gemeente en de initiatiefnemer te sluiten overeenkomst ten aanzien van planschade en het ontbreken van verhaalbare kosten voor de gemeente, wordt het project financieel uitvoerbaar geacht.
Bestemmingsplan Regelstation Akkrum Oost, Ontwerp
31/32
Maatschappelijke uitvoerbaarheid
7
Maatschappelijke uitvoerbaarheid
7.1
Vooroverleg artikel 3.1.1. Bro
Ten behoeve van het overleg als bedoeld in artikel 3.1.1. van het Besluit ruimtelijke ordening wordt het bestemmingsplan toegezonden aan de vooroverlegpartners (o.a. de provincie en het hoogheemraadschap). Te zijner tijd worden hier de reacties toegelicht.
7.2
Zienswijzen
Het ontwerpbestemmingsplan wordt voor zes weken ter inzage gelegen voor een ieder om te reageren. Te zijner tijd worden hier de reacties toegelicht.
Bestemmingsplan Regelstation Akkrum Oost, Ontwerp
32/32
DNS Planvorming BV | Klaprozenweg 75 C | 1033 NN Amsterdam | info@dnsplanvorming.nl
Bestemmingsplan Bijlagen bij de toelichting
Regelstation Akkrum Oost Ontwerp
DNS Planvorming BV Amsterdam, 15 augustus 2022 NL.IMRO.0074.BPNRegelstatioAKKROW01
Regelstation Akkrum Oost
"Regelstation Akkrum Oost" (ontwerp)
2
Inhoudsopgave
Bijlagen bij de toelichting
3
Bijlage 1
Archeologisch onderzoek
4
Bijlage 2
Verkennend bodemonderzoek
39
Bijlage 3
Watertoets
116
Bijlage 4
Quickscan Flora en fauna
126
Bijlage 5
Historisch vooronderzoek Ontplofbare oorlogsresten
150
"Regelstation Akkrum Oost" (ontwerp)
3
Bijlagen bij de toelichting
"Regelstation Akkrum Oost" (ontwerp)
4
Bijlage 1 Archeologisch onderzoek
"Regelstation Akkrum Oost" (ontwerp)
Archeologisch bureauonderzoek & Inventariserend Veldonderzoek, verkennende en karterende fase
Nije Boarnsterdyk, Akkrum Gemeente Heerenveen IDDS Archeologie rapport 2702
Colofon Projectnummer OM-nummer In opdracht van Auteur Redactie Versie Status
A2065 5185972100 DNS Planvorming B.V. D.F.A.M. van den Biggelaar / S. Moerman A.W.E. Wilbers 1.2 concept
Autorisatie A.W.E. Wilbers
Senior KNA Prospector
14-2-2022
Goedkeuring mevr. F. Driessen
Gemeente Heerenveen
© IDDS Archeologie Noordwijk, april 2022 ISSN 2212-9650 Alle rechten voorbehouden. Niets uit deze uitgave mag worden verveelvoudigd en/of openbaar gemaakt door middel van druk, fotokopie, microfilm of op welke andere wijze dan ook, zonder voorafgaande schriftelijke toestemming van de uitgever
IDDS Archeologie rapport 2702 Versie 1.2 (concept)
SAMENVATTING: In opdracht van DNS Planvorming B.V. heeft IDDS Archeologie in april 2022 een archeologisch bureauonderzoek en een inventariserend veldonderzoek (IVO), verkennende en karterende fase, uitgevoerd aan de Nije Boarnsterdyk in Akkrum, gemeente Heerenveen. De noodzaak tot het archeologisch onderzoek komt voort uit de Archeologische Kaart van de provincie Friesland (FAMKE). De doelstelling van het bureauonderzoek is het opstellen van een gespecificeerde archeologische verwachting voor het plangebied. Het doel van het inventariserend veldonderzoek is het toetsen en zo nodig aanvullen van de gespecificeerde verwachting. Tevens wordt het terrein systematisch onderzocht op de aanwezigheid van archeologische resten. Daarnaast wordt inzicht verkregen in de vormeenheden van het landschap in het plangebied, voor zover deze vormeenheden van invloed kunnen zijn geweest op de bruikbaarheid van de locatie door de mens in het verleden. Op basis van de resultaten van het onderzoek kunnen kansarme zones van het plangebied worden uitgesloten en kansrijke zones worden geselecteerd voor behoud of voor vervolgonderzoek. In het plangebied zijn 6 boringen gezet met een diepte die varieert van 2,0 tot 4,0 m beneden het maaiveld. Deze boringen zijn evenredig verdeeld over het plangebied.
Er is gebruik gemaakt van een Edelmanboor met een diameter van 10 cm voor dat deel van de ondergrond dat boven de grondwaterspiegel ligt. Voor het deel van de ondergrond dat zich onder de grondwaterspiegel bevindt is gebruik gemaakt van een guts (doorsnede 3 cm) of een zuigerboor (diameter 4 cm). Het landschap in het plangebied heeft zich achtereenvolgens ontwikkeld van een veengebied, een gebied dat geleidelijk onder meer invloed kwam van het getijde, naar een landschap waar overstromingsafzettingen werd afgezet. Tijdens het onderzoek is geconstateerd dat er in het plangebied één potentieel archeologisch niveau aanwezig is. Dat niveau betreft de top van de getijdeafzettingen. Op basis van de resultaten van het onderzoek, en rekening houdend met een veiligheidsmarge van 0,3 m, adviseert IDDS Archeologie vervolgonderzoek bij bodemverstorende werkzaamheden die dieper reiken dan -0,6 m NAP (vanwege het reliëf van het maaiveld is de diepte ten opzichte van het NAP leidend).1 De beste manier om na te gaan of er archeologische waarden aanwezig zijn in het plangebied is door middel van een archeologisch proefsleuvenonderzoek. Hierdoor adviseert IDDS Archeologie om dat vervolgonderzoek uit te voeren in de vorm van een proefsleuvenonderzoek.
1
0,3 tot 1,1 m -mv.
IDDS Archeologie rapport 2702 Versie 1.2 (concept)
INHOUDSOPGAVE: ADMINISTRATIEVE GEGEVENS VAN HET PLANGEBIED............................................................... 4 1. INLEIDING .................................................................................................................................. 5 1.1. Onderzoekskader .....................................................................................................................5 1.2. Doel- en vraagstellingen van het onderzoek..............................................................................5 1.3. Ligging van het plangebied .......................................................................................................5 2. BUREAUONDERZOEK ............................................................................................................... 7 2.1. Werkwijze.................................................................................................................................7 2.2. Geologie, geomorfologie en bodem ..........................................................................................8 2.3. Archeologische en ondergrondse bouwhistorische waarden ...................................................12 2.4. Historische situatie en mogelijke verstoringen .........................................................................13 2.5.
Huidig landgebruik ..................................................................................................................15 2.6. Mogelijke verstoringen ............................................................................................................15 2.7. Gespecificeerd verwachtingsmodel.........................................................................................15 3. VELDONDERZOEK .................................................................................................................. 16 3.1. Onderzoekshypothese en onderzoeksopzet............................................................................16 3.2. Werkwijze...............................................................................................................................16 3.3. Resultaten ..............................................................................................................................16 3.4. Interpretatie ............................................................................................................................18 4. CONCLUSIE EN AANBEVELINGEN......................................................................................... 20 4.1.
Aanbevelingen........................................................................................................................21 LITERATUUR EN KAARTEN ........................................................................................................... 22 LIJST VAN AFKORTINGEN EN BEGRIPPEN.................................................................................. 23 BIJLAGEN 1. Topografische kaart 2. Archis-informatie 3. Boorlocatiekaart 4. Boorbeschrijvingen 5. Periodentabel
IDDS Archeologie rapport 2702 Versie 1.2 (concept)
Administratieve gegevens van het plangebied Toponiem
Nije Boarnsterdyk
Onderzoekmeldingsnummer
5185972100
Plaats
Akkrum
Gemeente
Heerenveen
Kadastrale aanduiding
Akkrum B 3477 en 3483
Provincie
Friesland
Coördinaten Centrum
185.888 / 562.430
Hoekpunten
185.937 / 562.497 (N) 185.940 / 562.495 (O) 185.861 / 562.377 (Z) 185.841 / 562.450 (W)
CMA/AMK-status
Geen
Archis-monumentnummer
n.v.t.
Oppervlakte plangebied
ca. 6.400 m2
Maaiveldhoogte
0,0 m NAP
Grondwatertrap/-stand
Ib
Onderzoekskader
Omgevingsvergunning en bestemmingsplanwijziging
Uitvoerder
IDDS Archeologie Contactpersoon: dhr. D.F.A.M. van den Biggelaar Postbus 126 2200 AC Noordwijk (ZH) Tel: 071-4028586 E-mail: dvdbiggelaar@idds.nl
Bevoegde overheid
Gemeente Heerenveen Ruimtelijke Ontwikkeling Contactpersoon: mevr. F. Driessen Postbus 15000 8840 GA Heerenveen Tel: 0513-617617 E-mail: f.driessen@heerenveen.nl
Beheer en plaats van documentatie
IDDS Archeologie, Noordwijk
Uitvoeringsdatum veldwerk
24-3-22
4
IDDS Archeologie rapport 2702 Versie 1.2 (concept)
1.
Inleiding
1.1.
Onderzoekskader
In opdracht van DNS Planvorming B.V. heeft IDDS Archeologie in april 2022 een archeologisch bureauonderzoek en een inventariserend veldonderzoek (IVO), verkennende en karterende fase, uitgevoerd aan de Nije Boarnsterdyk in Akkrum, gemeente Heerenveen. De aanleiding voor dit onderzoek is de geplande realisatie van een nieuw 20 kV transformatorstation. De diepte van de bodemverstoring die hierdoor optreedt is onbekend, waardoor wordt uitgegaan van een standaard verstoringsdiepte tot maximaal 2,0 m -mv. Op de Archeologische Kaart van de provincie Friesland (FAMKE) ligt het plangebied in een zone met een verwachting voor de periode IJzertijd-Middeleeuwen. Bij ingrepen van meer dan 500 m 2 adviseert de provincie een karterend archeologisch onderzoek uit te voeren. 1.2.
Doel- en vraagstellingen van het onderzoek
De doelstelling van het bureauonderzoek is het opstellen van een gespecificeerde archeologische verwachting voor het plangebied. Dit gebeurt aan de hand van bestaande bronnen over bekende en verwachte archeologische waarden binnen het plangebied. Het doel van het inventariserend veldonderzoek is het toetsen en zo nodig aanvullen van de gespecificeerde verwachting. Tevens wordt het terrein systematisch onderzocht op de aanwezigheid van archeologische resten. Daarnaast wordt inzicht verkregen in de vormeenheden van het landschap in het plangebied, voor zover deze vormeenheden van invloed kunnen zijn geweest op de bruikbaarheid van de locatie door de mens in het verleden. Op basis van de resultaten van het onderzoek kunnen kansarme zones van het plangebied worden uitgesloten en kansrijke zones worden geselecteerd voor behoud of voor vervolgonderzoek. Om deze doelstelling te kunnen realiseren, wordt op de volgende vragen een antwoord gegeven: • • • • • •
Wat is de fysiek-landschappelijke ligging van de locatie? Hoe is de bodemopbouw in het plangebied en in welke mate is deze nog als intact te beschouwen? Bevinden zich archeologisch relevante afzettingen in het plangebied? Zo ja, op welke diepte ten opzichte van het maaiveld en het NAP? Wat is de specifieke archeologische verwachting van het plangebied en wordt deze bij het veldonderzoek bevestigd? Wat is de verticale en horizontale ligging van de aangetroffen indicatoren, wat is de datering en wat is de invloed van deze vondsten op de archeologische verwachting van het plangebied? In hoeverre worden eventueel aanwezige archeologische waarden bedreigd door de voorgenomen bodemverstorende werkzaamheden?
Het archeologisch bureauonderzoek en het inventariserend veldonderzoek zijn uitgevoerd conform de Kwaliteitsnorm Nederlandse Archeologie (KNA), versie 4.1 (Centraal College van Deskundigen 2018), en het Plan van Aanpak (PvA; Moerman 2022). Voor de in dit rapport gebruikte geologische en archeologische tijdsaanduidingen wordt verwezen naar Bijlage 5. Afkortingen en enkele vaktermen worden achterin dit rapport uitgelegd (zie lijst van afkortingen en begrippen). 1.3.
Ligging van het plangebied
De ligging van het in te richten gebied, ofwel het plangebied, is weergegeven in Bijlage 1. Het plangebied ligt in het zuidoosten van Akkrum en wordt aan de noordzijde begrensd door de weg Nije Boarnsterdijk en aan de westzijde door de snelweg A32. Het plangebied heeft een oppervlakte van ca. 6.400 m2 en
5
IDDS Archeologie rapport 2702 Versie 1.2 (concept)
een gemiddelde maaiveldhoogte van 0,0 m NAP. De exacte ligging en contouren van het plangebied zijn nader weergegeven in Bijlage 3 en Figuur 1. Om tot een gespecificeerde verwachting voor het plangebied te komen, is niet alleen gekeken naar bekende gegevens over het plangebied zelf maar ook naar de omgeving. Voor het totale onderzochte gebied, oftewel het onderzoeksgebied, is als begrenzing een straal van 750 m rondom het plangebied gekozen. Binnen die straal van 750 m bevinden zich voldoende eerdere archeologische onderzoeken om een archeologische verwachting te kunnen opstellen voor het plangebied.
Figuur 1: Het plangebied op een recente luchtfoto (bron: PDOK).
6
IDDS Archeologie rapport 2702 Versie 1.2 (concept)
2.
Bureauonderzoek
2.1.
Werkwijze
Bij het bureauonderzoek zijn gegevens verzameld over bekende of verwachte archeologische en bouwhistorische waarden binnen het onderzoeksgebied. Onderstaande bronnen zijn geraadpleegd: Bron
Opmerkingen
Huidige en toekomstige situatie Actuele topografische kaart Recente luchtfoto (PDOK) Opdrachtgever KLIC (Rijks)monumenten (via Archis)
Geen (Rijks)monumenten aanwezig
Historische situatie en mogelijke verstoringen Kaart van Schotanus uit 1718 (bron: Tresoar; frieslandopdekaart.nl) Kadastraal minuutplan 1811-1832 (beeldbank.cultureelerfgoed.nl; hisgis.nl) Diverse topografische kaarten uit het einde van de 19 e en de 20e eeuw (topotijdreis.nl) Bouw-/constructietekeningen van de te slopen bouwwerken
Niet van toepassing
Bodemloket (www.bodemloket.nl) voor informatie over tanks, saneringen, ontgrondingen Milieukundig bodemonderzoek
Milieukundig bodemonderzoek is gelijktijdig met het huidige onderzoek uitgevoerd
Militair erfgoed Militaire landschapskaart (rce.webgispublisher.nl) Indicatieve Kaart Militair Erfgoed (ikme.nl) Archeologie en bouwhistorie Archeologisch Informatie Systeem (Archis; archis.cultureelerfgoed.nl) Archeologische Monumenten Kaart (AMK; via Archis) Verwachtingskaart van de gemeente Heerenveen (www.fryslan.frl/archeologische-kaart-famke) Bodemkaarten, geomorfologische kaarten en hoogtekaarten Atlas van Nederland in het Holoceen (Vos et al. 2018) Bodemkaart van Nederland (BRO; via Archis) Grondwatertrappenkaart (maps.bodemdata.nl) Geomorfologische kaart van Nederland (BRO; via Archis) Actueel Hoogtebestand Nederland (AHN3; www.ahn.nl) DINOloket (www.dinoloket.nl) Archieven, heemkundekringen, amateurarcheologen, overige informatie Archieven Amateurarcheologen, gebiedsgerichte specialisten, depots Onderzoeksrapporten en achtergrondliteratuur
Zie literatuurlijst
7
IDDS Archeologie rapport 2702 Versie 1.2 (concept)
2.2.
Geologie, geomorfologie en bodem
2.2.1. Ontstaansgeschiedenis landschap Tot in het begin van het Holoceen (de huidige geologische periode die ca. 12.000 jaar geleden begon) bevond het plangebied zich in een dekzandlandschap (Figuur 2, 5500 vC). Dit landschap is ontstaan tijdens de laatste ijstijd, het Midden Weichselien (circa 73.000 tot 15.000 jaar geleden). Tijdens de koudste periodes van de ijstijd was het grootste deel van de vegetatie verdwenen en kreeg de wind grip op het aanwezige zand in drooggevallen riviervlaktes. Het zand werd elders afgezet in de vorm van vlaktes of ruggen. Dit zand wordt dekzand genoemd en behoort tot de Formatie van Boxtel (de Mulder et al. 2003). Het dekzandlandschap werd doorsneden door riviertjes, waaronder de Boorne. Ook tegenwoordig ligt Akkrum nog aan dit riviertje. Met de stijging van de temperaturen tijdens het Holoceen smolten de ijskappen. Dit zorgde voor een stijging van de zeespiegel, waardoor ook de grondwaterspiegel steeg. Het land vernatte en in de lagergelegen delen van het dekzandlandschap vormde zich veen (Figuur 2, 3850 vC).
Figuur 2: Het plangebied (rode stip) op een reconstructie van het landschap rond 5500 en 3850 voor Chr. (bron: Vos et al. 2018). Geel = dekszand, bruin = veen en grijs = beekdalen en riviervlakten. Door de stijging van de zeespiegel kon de zee via de lagere delen van het landschap, waaronder het dal van de Boorne, het land binnendringen (Figuur 3, 2750 vC). Tussen ongeveer 4000 voor Chr. en 1000 na Chr. vonden diverse overstromingsfasen plaats waarbij kleipakketten werden afgezet. Doordat de Boorne het beginpunt vormde van dergelijke inbraken, is het land hier hoger opgeslibd. Tussen de overstromingsfasen door kon het kleilandschap bewoond worden en/ of werd veen gevormd (Figuur 3, 1500 vC). Reeds voor 1000 na Chr. is het veengebied rond Akkrum vanaf de oeverwallen ontgonnen en bedijkt (Figuur 3, 1250 na Chr.).
8
IDDS Archeologie rapport 2702 Versie 1.2 (concept)
Figuur 3: Het plangebied (rode stip) op een reconstructie van het landschap rond 2750 en 1500 voor Chr. en 1250 na Chr. (bron: Vos et al. 2018). Bruin = veen, lichtgroen = wadden en slikken, groen = bedijkte kwelder, blauw = water en donkergroen = kwelders en riviervlakten. 2.2.2. Geomorfologie Op de geomorfologische kaart is het plangebied gelegen op een vlakte van getij-afzettingen, vlak ten zuiden van de getij-inversierug die behoort tot de Boorne (Figuur 4). Op de hoogtekaart is geen duidelijk hoogteverschil herkenbaar tussen de rug en de vlakte (Figuur 5).
9
IDDS Archeologie rapport 2702 Versie 1.2 (concept)
Terp
Getij-inversierug
Vlakte van getij-afzettingen
Ontgonnen veenvlakte
Figuur 4: Het plangebied op de geomorfologische kaart (bron: BRO).
Figuur 5: Het plangebied op de hoogtekaart (AHN3; www.ahn.nl).
10
IDDS Archeologie rapport 2702 Versie 1.2 (concept)
2.2.3. Bodem Volgens de bodemkaart komen in het plangebied knippoldervaaggronden van zware klei voor (kaartcode kMn43C; Figuur 6). Deze gronden bestaan tot 50 à 60 cm -mv uit homogene, kalkloze, zware zeeklei (knipklei). Veelal gaat deze naar onderen toe over in kalkrijke, lichte klei. Lokaal komt onder de bovenste knipkleilaag een oudere laag knipklei voor met bovenin een vegetatieniveau. 2.2.4. Boringen uit de omgeving Binnen het plangebied zijn in het kader van een archeologisch onderzoek in 2015 twee boringen gezet (Teekens 2015; Figuur 7). Beide boringen zijn gezet tot 2,0 m -mv en lieten een opbouw zien van een 20-25 cm dikke bouwvoor op zwak siltige klei met plantenresten en humeuze vlekken op zwak zandige, grijsblauwe klei. De boringen aan de overzijde van de weg (nrs. 1 t/m 6) zijn tot 4,0 m -mv gezet. De zwak zandige, grijsblauwe kleilaag liep daar door tot de maximale boordiepte. Uit het plangebied zijn in DINOloket geen boringen bekend. Wel is er ten zuiden van het plangebied een drietal boringen gezet (Figuur 7). Deze laten een opbouw zien van Laagpakket van Walcheren (Formatie van Naaldwijk) op dekzand. In boring B11C1553 bevindt zich op het dekzand een 30 cm dikke laag Basisveen. In de andere twee boringen is geen veen aanwezig. De top van het dekzand ligt het meest ondiep in boring B11C1559: op 1,5 m -mv (-1,9 m NAP).
In boring B11C1548 bevindt het dekzand zich op 2,95 m -mv (-3,15 m NAP) en in boring B11C1553 op 3,6 m -mv (-3,8 m NAP).
Figuur 6: Het plangebied op de bodemkaart (bron: BRO).
11
IDDS Archeologie rapport 2702 Versie 1.2 (concept)
Figuur 7: Boringen in de omgeving van het plangebied (bron: Teekens 2015; www.dinoloket.nl). 2.3.
Archeologische en ondergrondse bouwhistorische waarden
Binnen het plangebied zijn geen terreinen aanwezig die op de Archeologische Monumentenkaart (AMK) als waardevol staan aangegeven. Ook zijn er geen waarnemingen en vondsten gemeld. In het plangebied zijn voor zover bekend geen ondergrondse bouwhistorische waarden aanwezig. Volgens FAMKE geldt in het plangebied een verwachting voor archeologische resten uit de periode IJzertijdMiddeleeuwen. Eventuele resten uit de steentijd bevinden zich vermoedelijk zodanig diep onder het maaiveld dat de kans op aantasting bij de meeste ingrepen zeer klein is. Voor het onderzoeksgebied is een straal van ongeveer 750 m rondom het plangebied gebruikt en er is uitsluitend gekeken naar onderzoeken in gebieden die geomorfologisch en bodemkundig vergelijkbaar zijn met het plangebied. Binnen dit gebied zijn twee AMK-terreinen en een waarneming aanwezig. De AMK-terreinen betreffen de dorpsterp van Akkrum (monument 8070) en een gedeeltelijk afgegraven, bebouwde terp ongeveer 630 m ten noordoosten van het plangebied (“Jinswalde”, monument 8071). De onderzijde van de dorpsterp van Akkrum is met pollenonderzoek gedateerd in de Vroege Middeleeuwen. De terp van Jinswalde wordt gedateerd tussen de Late IJzertijd en Nieuwe tijd C. De waarneming bevindt zich ca. 450 m ten oosten van het plangebied en betreft aardewerkfragmenten, waarschijnlijk van kogelpotten, uit de 13 e/14e eeuw (Archisnr. 2929052100).
In de omgeving van het plangebied zijn diverse eerdere onderzoeken uitgevoerd die hieronder in chronologische volgorde worden besproken. Van een onderzoek ongeveer 235 m ten noorden van het plangebied zijn in Archis en DANS geen resultaten bekend (“Kaatsveld”, Archisnr. 2105995100). Voor een groot gebied aan de overzijde van de Nije Boarnsterdyk is in 2006 een booronderzoek uitgevoerd (“Brede School”, Archisnr. 2140224100; Tulp 2006). Onder de bouwvoor werd knippige klei aangetroffen die naar onderen toe overging in een dik pakket van afwisselend klei- en zandbandjes. Het Pleistocene zand werd aangetroffen op een diepte van meer dan 3 m -mv en dook naar het westen toe
12
IDDS Archeologie rapport 2702 Versie 1.2 (concept)
sterk weg. In het zand was een podzolprofiel gevormd. Van archeologische indicatoren was geen sprake. Er werd geen vervolgonderzoek geadviseerd. Het zuidwestelijke deel van de locatie “Brede School” is in 2013 opnieuw onderzocht, waarbij meer boringen gezet zijn (“De Stringen”, Archisnr. 2397693100; van der Haar / Kaptein 2013). De resultaten sloten aan bij het eerdere onderzoek. Binnen de maximale boordiepte van 4 m -mv werden alleen natuurlijke kleiafzettingen aangetroffen. Er waren geen archeologisch relevante lagen of archeologische indicatoren aanwezig, waardoor werd geadviseerd het gebied vrij te geven. In 2015 werd een aanvullend/actualiserend karterend booronderzoek uitgevoerd voor de gebieden direct ten noorden en ten zuiden van bovengenoemde locatie (“De Stringen”, Archisnr. 3979697100; Teekens 2015). Dit onderzoek heeft enige overlap met het huidige plangebied. Ook bij dit onderzoek werden tot de maximale boordiepte van 4 m -mv alleen natuurlijke kleiafzettingen aangetroffen zonder archeologisch relevante lagen of archeologische indicatoren. 2.4.
Historische situatie en mogelijke verstoringen
De oudst geraadpleegde kaart is de kaart van Schotanus uit 1718. De in de vorige paragraaf genoemde terpen (de dorpsterp van Akkrum en Jinswalde) zijn duidelijk zichtbaar op deze kaart (Figuur 8). Ter plaatse van het plangebied wordt geen bebouwing weergegeven. Landgebruik staat niet aangegeven op deze kaart. Dit is wel het geval op de eerstvolgende kaart, het minuutplan uit het begin van de 19 e eeuw. Daarop is het plangebied onbebouwd en in gebruik als weiland. Topografisch kaartmateriaal tot 1984 geeft dezelfde situatie weer (Figuur 9).2 De huidige situatie is tot stand gekomen tussen 1999 en 2006 (Figuur 9). In die periode worden de A32 en de Nije Boarnsterdyk (N392) met bijbehorende bermsloten aangelegd.
2
Omdat de topografische kaart uit 1984 nog exact hetzelfde weergeeft als het minuutplan, is alleen de kaart uit 1984 afgebeeld.
13
IDDS Archeologie rapport 2702 Versie 1.2 (concept)
Figuur 8: Het plangebied (globaal binnen de rode cirkel) op de kaart van Schotanus uit 1718 (bron: Tresoar; www.frieslandopdekaart.nl). De terp Jinswalde is weergegeven met de groene cirkel. De witte pijl geeft de richting van het noorden weer.
Figuur 9: Het plangebied (rood omlijnd) op topografische kaarten uit 1984 en 2006 (bron: www.topotijdreis.nl). 2.4.1. Tweede Wereldoorlog Zowel de Indicatieve Kaart Militair Erfgoed (ikme.nl) als de Militaire (rce.webgispublisher.nl) geven geen bijzonderheden weer voor het plangebied.
landschapskaart
14
IDDS Archeologie rapport 2702 Versie 1.2 (concept)
2.5.
Huidig landgebruik
Ten tijde van het veldonderzoek was het plangebied in gebruik als grasland en akker (Figuur 1). 2.6.
Mogelijke verstoringen
Langs de noordzijde en westzijde van het plangebied zijn mogelijk verstoringen opgetreden bij de aanleg van respectievelijk de Nije Boarnsterdyk en de A32, inclusief bijbehorende bermsloten. De diepte van deze verstoringen is niet bekend. Het bureauonderzoek heeft geen aanwijzingen voor andere mogelijke verstoringen opgeleverd. 2.7.
Gespecificeerd verwachtingsmodel
Uit het bureauonderzoek blijkt dat het plangebied is gelegen op getijdenafzettingen op dekzand. Mogelijk komt op het dekzand een dunne veenlaag voor. Op het dekzand en het veen kunnen archeologische resten aanwezig zijn uit de prehistorie. Waarschijnlijk liggen deze afzettingen relatief diep, dieper dan 4,0 m -mv. De kans is daarom klein dat dit niveau met de geplande ingrepen bereikt wordt. Het hierboven gelegen kleipakket kan resten bevatten uit de periode IJzertijd tot en met Nieuwe tijd. Eerder booronderzoek heeft echter geen aanwijzingen aangetoond voor archeologische niveaus in het kleipakket. Het historisch kaartmateriaal geeft aan dat het plangebied vanaf de 18 e eeuw onbebouwd is geweest en in gebruik was als weiland. Er zijn geen indicaties voor de aanwezigheid van een terp. Om het verwachtingsmodel te toetsen en waar nodig aan te vullen en om te controleren in hoeverre de bodemopbouw in het plangebied nog intact is, is er een Inventariserend Veldonderzoek, verkennende en karterende fase, uitgevoerd.
15
IDDS Archeologie rapport 2702 Versie 1.2 (concept)
3.
Veldonderzoek
3.1.
Onderzoekshypothese en onderzoeksopzet
Het doel van het Inventariserend Veldonderzoek, verkennende en karterende fase, is om de in het bureauonderzoek opgestelde gespecificeerde archeologische verwachting te toetsen en waar nodig aan te passen. Tijdens het veldonderzoek wordt vastgesteld waar de oorspronkelijke bodemopbouw intact is gebleven en waar niet. Daarnaast wordt inzicht verkregen in de vormeenheden van het landschap, voor zover deze van invloed zijn op de locatiekeuze in het verleden. Kansarme zones worden uitgesloten en kansrijke zones worden geselecteerd voor de volgende fasen. Tevens wordt het terrein systematisch onderzocht op de aanwezigheid van archeologische resten. Het veldonderzoek bestond uit een booronderzoek. 3.2.
Werkwijze
In het plangebied zijn 6 boringen gezet met een diepte die varieert van 2,0 tot 4,0 m beneden het maaiveld (bijlage 3 en 4). Deze boringen zijn evenredig verdeeld over het plangebied. Er is gebruik gemaakt van een Edelmanboor met een diameter van 10 cm voor dat deel van de ondergrond dat boven de grondwaterspiegel ligt. Voor het deel van de ondergrond dat zich onder de grondwaterspiegel bevindt is gebruik gemaakt van een guts (doorsnede 3 cm) of een zuigerboor (diameter 4 cm). Het veldonderzoek is uitgevoerd door D.F.A.M. van den Biggelaar (Senior KNA Prospector). De boringen zijn beschreven volgens de Archeologische Standaard Boorbeschrijvingsmethode (ASB; SIKB 2008) met behulp van een veldcomputer en het programma TerraIndex van I.T. Works. De locaties van de boringen (x- en y-waarden) zijn ingemeten met hulp van een GPS (foutmarge < 5 cm). De hoogtes van de boringen (z-waarden) zijn bepaald aan de hand van het Actueel Hoogtebestand van Nederland (AHN3; PDOK). De opgeboorde monsters zijn door middel van verbrokkelen in het veld onderzocht op de aanwezigheid van archeologische indicatoren zoals aardewerk, baksteen, vuursteen, huttenleem en bot. 3.3.
Resultaten
3.3.1. Lithologie en geologie Tot de maximale boordiepte van 4,0 m -mv (-4,0 m NAP) kan de ondergrond worden verdeeld in drie pakketten. Het onderste pakket bestaat uit rietveen. In dat rietveen komt een kleilaag voor. De top van dit veenpakket ligt op -3,6 m NAP (3,6 m -mv) en is alleen aangetroffen op boorlocatie 1. In de rest van het plangebied komt dit veenpakket waarschijnlijk wel voor, maar dan dieper dan de maximale boordiepte. Bovenop het veenpakket ligt een pakket dat van onder naar boven een opeenvolging heeft van matig siltige klei (eventueel met zandlaagjes), sterk siltige klei (eventueel met zandlaagjes) en matig fijn zand. Die opeenvolging betreft een “coarsening upward sequence” en is geïnterpreteerd als behorende tot getijdeafzettingen. Die getijdeafzettingen zijn voornamelijk kalkrijk. Alleen de top van die afzettingen is kalkloos. De top van de getijdeafzettingen ligt tussen -0,9 en -1,1 m NAP (0,6 en 1,4 m -mv). Het bovenste pakket bestaat uit kalkloze stevige klei waarvan de top enkele locaties gevlekt van kleur (grijs met donkergrijs). Dat kleipakket betreft knipklei. In de top van de knipklei komen enkele zandlagen voor. Dit pakket is geïnterpreteerd als overstromingsafzettingen waarvan de top is omgewerkt. Die omwerking reikt tot een diepte van 0,2 tot 0,8 m -mv (-0,2 tot -0,8 m NAP).
16
IDDS Archeologie rapport 2702 Versie 1.2 (concept)
Figuur 10: Projectie boorstaten op profiellijn met lithogenese opgeboorde sedimenten. De stippellijn geeft de scheiding weer tussen het omgewerkte en intacte deel van de overstromingsafzettingen. Voor de ligging van de profiellijn zie Bijlage 3. Voor de legenda zie Bijlage 4.
17
IDDS Archeologie rapport 2702 Versie 1.2 (concept)
3.3.2. Bodemopbouw In het plangebied komen twee bodemtypes voor. Op boorlocaties 1 en 3 is de ondergrond verstoord tot 0,8 m -mv. Door de diepte van die verstoring is de bodem op boorlocaties 1 en 3 geïnterpreteerd als antropogene bodem. Op de overige boorlocaties bestaat de bodem uit lichtgrijze kalkloze stevige klei waarvan de top 0,1 tot 0,2 m humeus. Onder de humeuze top bevat de klei roestvlekken. De bodem op die boorlocaties is geïnterpreteerd als knipklei. 3.3.3. Archeologische indicatoren Op boorlocatie 4 is baksteengruis aangetroffen in het omgewerkte deel van de overstromingsafzettingen. Doordat dat baksteengruis in verstoorde context is aangetroffen is het niet verzameld. 3.4.
Interpretatie
Voor de interpretatie van de opgeboorde sedimenten is gebruik gemaakt van het bureauonderzoek. De aangetroffen veenlaag is geïnterpreteerd als behorende tot de Formatie van Nieuwkoop. Wanneer die veenlaag gevormd is, is echter onbekend. Die veenlaag kan op basis van het bureauonderzoek bovenop het dekzand zijn gevormd. Een andere mogelijkheid is dat die veenlaag is gevormd rond 1500 voor Chr. toen het plangebied in een veengebied lag (zie Figuur 3). De geleidelijke overgang van het veen naar het bovenliggende pakket, en de kleilaag in het veen, is geïnterpreteerd als het resultaat van een geleidelijke vernatting van het gebied. In dat veengebied dat langzaam ‘verdronk’ was het landschap te nat voor bewoning. Hierdoor is de kans klein om archeologische waarden aan te treffen in het veen. Op basis van het booronderzoek blijkt dat er steeds grovere sedimenten in het plangebied worden afgezet. Hoe grover de afzettingen hoe meer energie nodig is. Dat betekent dat het plangebied geleidelijk steeds dichter lag bij de bron van de afzettingen. Die toenemende nabijheid van de bron van die afzettingen is in overeenkomst met de paleogeografische kaarten van 1500 voor Chr. tot 800 na Chr. van Vos et al. (2018). Rond 1500 voor Chr. maakt het plangebied nog onderdeel uit van een veengebied waar een veenstroom doorheen stroomt. Op de paleogeografische kaart van 500 voor Chr.
is het plangebied gelegen in een gebied waar veenstromen samenkomen in een getijdegebied (Figuur 11). Tussen 500 voor Chr. en 800 na Chr. komt een getijdegeul steeds dichter bij het plangebied te liggen (Figuur 11). Het opgeboorde pakket dat steeds grover wordt is geïnterpreteerd als het resultaat van een toename van getijdeinvloed in het plangebied. Het landschap waarin die afzettingen zijn gevormd was te nat voor bewoning. Nadat die afzettingen waren afgezet heeft er bodemvorming plaatsgevonden. De top van die getijdeafzettingen is namelijk ontkalkt. Die ontkalking wijst erop dat de top van de getijdeafzettingen lange tijd aan het maaiveld heeft gelegen en dat het dus bewoonbaar was. De top van de getijdeafzettingen betreft een potentieel archeologisch niveau. In dat niveau kunnen archeologische waarden aanwezig zijn uit de Middeleeuwen, tot aan afzetting van het bovenliggende pakket overstromingsafzettingen. Dat niveau ligt tussen -0,9 en -1,1 m NAP. Ten opzichte van het maaiveld ligt dat niveau in het grootste deel van het plangebied op een diepte van 0,6 tot 1,2 m. Alleen in het noordoostelijk deel van het plangebied ter plaatse van de weg ligt dat niveau op een diepte van 1,4 m. Op de paleogeografische kaart 1250 na Chr. maakt het plangebied onderdeel uit van een bedijkte kwelder (Figuur 3).
Door die bedijking zal er een einde zijn gekomen van continue getijdeinvloed in het plangebied. Wel kunnen de kreken die nabij het plangebied lagen buiten haar oevers treden door hoog water. Daarnaast kunnen er dijkdoorbraken hebben plaatsgevonden of overstromingen doordat het water over de dijken stroomde. De scherpe overgang van de getijdeafzettingen met de bovenliggende overstromingsafzettingen is geïnterpreteerd als het resultaat van de bedijking van de kwelders waar het plangebied onderdeel van heeft uitgemaakt. De overstromingsafzettingen waren vermoedelijk ongeschikt voor bewoning doordat de knipklei te stevig was waardoor het niet bewerkbaar en te ondoorlatend was. Hierdoor is er een lage verwachting voor archeologische waarden in die afzettingen. Hoewel er in de nabijheid van het plangebied bewoning ontstond in de Nieuwe Tijd, zijn er op basis van historisch kaartmateriaal geen aanwijzingen voor bewoning in het plangebied vanaf begin 18 e eeuw.
18
IDDS Archeologie rapport 2702 Versie 1.2 (concept)
Bovendien zijn er in overeenkomst met de verwachting uit het bureauonderzoek bij het booronderzoek geen aanwijzingen aangetroffen voor een terp.
Figuur 11: Het plangebied (rode stip) op een reconstructie van het landschap rond 500 voor Chr. en 100 en 800 na Chr. (bron: Vos et al. 2018). Bruin = veen, lichtgroen = wadden en slikken, groen = bedijkte kwelder en blauw = water.
19
IDDS Archeologie rapport 2702 Versie 1.2 (concept)
4.
Conclusie en aanbevelingen
In opdracht van DNS Planvorming B.V. zijn in april 2022 een archeologisch bureauonderzoek en een inventariserend veldonderzoek (IVO), verkennende en karterende fase, uitgevoerd in verband met de geplande (her)ontwikkeling van het plangebied aan de Nije Boarnsterdyk in Akkrum, gemeente Heerenveen. Ten behoeve van het onderzoek is een aantal vragen gesteld die als volgt beantwoord kunnen worden: •
Wat is de fysiek-landschappelijke ligging van de locatie?
Het landschap in het plangebied heeft zich achtereenvolgens ontwikkeld van een veengebied, een gebied dat geleidelijk onder meer invloed kwam van het getijde, naar een landschap waar overstromingsafzettingen werd afgezet. •
Hoe is de bodemopbouw in het plangebied en in welke mate is deze nog als intact te beschouwen?
In het plangebied komen twee bodemtypes voor, namelijk een antropogene bodem en een knipkleigrond. •
Bevinden zich archeologisch relevante afzettingen in het plangebied? En zo ja, op welke diepte ten opzichte van het maaiveld en het NAP?
Er bevindt zich 1 potentieel archeologisch niveau in het plangebied. Dat niveau betreft de top van de getijdeafzettingen. Dat niveau ligt tussen -0,9 en -1,1 m NAP (0,6 en 1,4 m -mv). •
Wat is de specifieke archeologische verwachting van het plangebied en wordt deze bij het veldonderzoek bevestigd?
Uit het bureauonderzoek blijkt dat het plangebied is gelegen op getijdenafzettingen op dekzand. Mogelijk komt op het dekzand een dunne veenlaag voor. Op het dekzand en het veen kunnen archeologische resten aanwezig zijn uit de prehistorie. Waarschijnlijk liggen deze afzettingen relatief diep, dieper dan 4,0 m -mv. De kans is daarom klein dat dit niveau met de geplande ingrepen bereikt wordt. Het hierboven gelegen kleipakket kan resten bevatten uit de periode IJzertijd tot en met Nieuwe tijd. Eerder booronderzoek heeft echter geen aanwijzingen aangetoond voor archeologische niveaus in het kleipakket. Het historisch kaartmateriaal geeft aan dat het plangebied vanaf de 18e eeuw onbebouwd is geweest en in gebruik was als weiland. Er zijn geen indicaties voor de aanwezigheid van een terp. Bij het booronderzoek is tot de maximale boordiepte van 4,0 m -mv (-4,0 m NAP) geen dekzand aangetroffen. Hierdoor is het op basis van het booronderzoek onbekend of, en op welke diepte, dekzand voorkomt in het plangebied. Wel is er bij het booronderzoek veen aangetroffen dat is geïnterpreteerd als behorende tot de Formatie van Nieuwkoop. In tegenstelling tot de verwachting uit het bureauonderzoek blijkt uit het booronderzoek dat er niet alleen klei voorkomt in de bovenste paar meter van de ondergrond, maar ook zand.
Dat zand in de top van de getijdeafzettingen is ontkalkt en betreft een potentieel archeologisch niveau. In overeenkomst met de verwachting uit het bureauonderzoek zijn er bij het booronderzoek geen aanwijzingen aangetroffen voor een terp. •
Hoewel niet het doel van een verkennend booronderzoek, kunnen er toch archeologische indicatoren worden aangetroffen. Indien deze worden aangetroffen, dan gelden tevens de volgende vragen: wat is de verticale en horizontale ligging van de aangetroffen indicatoren, wat is de datering en wat is de invloed van deze vondsten op de archeologische verwachting van het plangebied?
Er zijn geen archeologische indicatoren aangetroffen. •
In hoeverre worden eventueel aanwezige archeologische waarden bedreigd door de voorgenomen bodemverstorende werkzaamheden?
De aanleiding voor dit onderzoek is de voorgenomen realisatie van een nieuw 20 kV transformatorstations. De diepte van de bodemverstoring die hierdoor optreedt is onbekend, waardoor wordt uitgegaan van een standaard verstoringsdiepte tot maximaal 2,0 m -mv. Er is 1 potentieel
20
IDDS Archeologie rapport 2702 Versie 1.2 (concept)
archeologisch niveau aanwezig, de top van de getijdeafzettingen. Dat niveau ligt tussen 0,6 en 1,4 m -mv. Mogelijk dat de voorgenomen plannen het potentiële archeologische niveau bedreigen. 4.1.
Aanbevelingen
Tijdens het onderzoek is geconstateerd dat er in het plangebied één potentieel archeologisch niveau aanwezig is. Dat niveau betreft de top van de getijdeafzettingen. Op basis van de resultaten van het onderzoek, en rekening houdend met een veiligheidsmarge van 0,3 m, adviseert IDDS Archeologie vervolgonderzoek bij bodemverstorende werkzaamheden die dieper reiken dan -0,6 m NAP (vanwege het reliëf van het maaiveld is de diepte ten opzichte van het NAP leidend).3 De beste manier om na te gaan of er archeologische waarden aanwezig zijn in het plangebied is door middel van een archeologisch proefsleuvenonderzoek. Hierdoor adviseert IDDS Archeologie om dat vervolgonderzoek uit te voeren in de vorm van een proefsleuvenonderzoek. Bovenstaand advies dient gecontroleerd en beoordeeld te worden door de bevoegde overheid, in dit geval de Gemeente Heerenveen. Deze zal vervolgens een besluit nemen inzake de te volgen procedure. IDDS Archeologie wil meegeven dat voordat dit besluit genomen is, er niet begonnen kan worden met bodemverstorende activiteiten of activiteiten die voorbereiden op bodemverstoringen. Voor alle gravende onderzoeken, waaronder proefsleuven, dient voorafgaand aan de uitvoering van het onderzoek een Programma van Eisen geschreven te worden.
Dit Programma van Eisen moet goedgekeurd worden door de bevoegde overheid (de Gemeente Heerenveen) alvorens met het onderzoek kan worden begonnen. Het uitgevoerde onderzoek is op zorgvuldige wijze verricht volgens de algemeen gebruikelijke inzichten en methoden. Het archeologisch onderzoek is erop gericht om de kans op het onverwacht aantreffen dan wel het ongezien vernietigen van archeologische waarden bij bouwwerkzaamheden in het plangebied te verkleinen. Aangezien het onderzoek is uitgevoerd door middel van een steekproef kan echter, op basis van de onderzoeksresultaten, de aan- of afwezigheid van eventuele archeologische waarden niet gegarandeerd worden.
3
0,3 tot 1,1 m -mv.
21
IDDS Archeologie rapport 2702 Versie 1.2 (concept)
Literatuur en kaarten Centraal College van Deskundigen, 2018: Kwaliteitsnorm Nederlandse Archeologie, versie 4.1, Gouda. Haar, L.J. van der / I.N. Kaptein, 2013: Bureauonderzoek en inventariserend veldonderzoek door middel van karterende boringen De Stringen te Akkrum, Heerenveen (Archeologische Rapporten Oranjewoud 2013/25). Moerman, S., 2022: Plan van aanpak. Nije Boarnsterdyk in Akkrum, gemeente Heerenveen, Noordwijk (Intern rapport, IDDS Archeologie). SIKB, 2008: Archeologische standaard boorbeschrijving, Archeologie Leidraad, Gouda. Teekens, P.C., 2015: Inventariserend veldonderzoek d.m.v. karterende boringen: De Stringen te Akkrum, Heerenveen (Antea Group Archeologie 2015/155). Tulp, C., 2006: Akkrum, Brede School (Fr.) Een Inventariserend Archeologisch Veldonderzoek, Zuidhorn (Steekproefrapport 2006-12/10A).
Websites archis.cultureelerfgoed.nl beeldbank.cultureelerfgoed.nl hisgis.nl ikme.nl landschapinnederland.nl/militaire-landschapskaart www.bodemloket.nl www.dinoloket.nl www.pdok.nl www.topotijdreis.nl www.fryslan.frl/archeologische-kaart-famke
22
IDDS Archeologie rapport 2702 Versie 1.2 (concept)
Lijst van afkortingen en begrippen Afkortingen AHN AMK AMZ Archis ASB AWN BP GHG GLG GPS indet KNA mv NAP PvA PvE RCE SIKB
Actueel Hoogtebestand Nederland Archeologische Monumenten Kaart Archeologische Monumentenzorg Archeologisch Informatie Systeem Archeologische Standaard Boorbeschrijvingsmethode Archeologische Werkgemeenschap voor Nederland Before Present (Present = 1950) Gemiddeld Hoogste Grondwaterstand Gemiddeld Laagste Grondwaterstand Global Positioning System ondetermineerbaar Kwaliteitsnorm Nederlandse Archeologie maaiveld (het landoppervlak) Normaal Amsterdams Peil Plan van Aanpak Programma van Eisen Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed Stichting Infrastructuur Kwaliteitsborging Bodembeheer
Verklarende woordenlijst 14 C-datering (ook wel C14-datering) Bepaling van gehalte aan radioactieve koolstof 14C van organisch materiaal (hout, houtskool, veen, schelpen e.d.) waaruit de 14Couderdom kan worden afgeleid. Deze ouderdom wordt opgegeven in jaren vóór 1950 na Chr. (jaren BP) met daaraan toegevoegd de aan de meting verbonden mogelijke afwijking (standaarddeviatie) Allerød tijd Korte, relatief warme periode uit de laatste ijstijd (Weichselien), ca. 11.80011.000 jaar geleden antropogeen Ten gevolge van menselijk handelen (door mensen veroorzaakt/gemaakt) Archis-melding Elke melding bij het centraal informatiesysteem (Archis) artefact Alle door de mens vervaardigde of gebruikte voorwerpen bioturbatie Verstoring van de oorspronkelijke bodemstructuur en/of transport van materiaal door plantengroei en dierenactiviteiten Bølling tijd Korte, relatief warme periode uit de laatste ijstijd (Weichselien), ca. 13.50012.000 jaar geleden Boreaal Tijdvak, onderafdeling van het Holoceen, gekarakteriseerd door een gematigd en continentaal klimaat en een bebost landschap gedomineerd door loofbomen (datering ca. 6800-5500 voor Chr.) buitendijks Gronden die aan de rivierzijde van een dijk liggen.
In het buitendijkse gebied liggen de uiterwaarden castellum Romeins legerkamp conservering Mate waarin grondsporen, anorganische en organische archeologische resten bewaard zijn couperen Het maken van één of meer verticale doorsneden door een spoor of laag om de aard, diepte, vullingen, vorm en relaties met andere fenomenen vast te stellen crematie Begraving met gecremeerd menselijk bot crevasse Doorbraakgeul door een oeverwal dagzomen Aan de oppervlakte komen, zichtbaar worden van gesteenten (met inbegrip van zand, klei, etc.)
23
IDDS Archeologie rapport 2702 Versie 1.2 (concept)
dekzand
Dryas Edelmanboor Eemien eerdgrond eolisch estuarien estuarium fluviatiel fluvioglaciaal gaafheid Hollandveen Holoceen horizont humeus ijzeroer in situ inhumatie interstadiaal kom kreek kronkelwaard kwel kwelder laag leem Limes lithologie löss lutum meander meanderen oeverwal
Fijnzandige afzettingen die onder periglaciale omstandigheden voornamelijk door windwerking ontstaan zijn; de dekzanden van het Weichselien vormen in grote delen van Nederland een ‘dek’ (Formatie van Boxtel) Laatste gedeelte van de laatste ijstijd (Weichselien), ca. 20.000-10.000 jaar geleden Een handboor voor bodemonderzoek Interglaciaal tussen de voorlaatste en laatste ijstijd (Saalien en Weichselien), ca. 130.000-120.000 jaar geleden Grond met een humushoudende minerale bovengrond van meer dan 50 cm, ontstaan door invloed van de mens Door de wind gevormd, afgezet Afgezet in een estuarium Inham aan de kust waarin met name het getijde grote invloed uitoefent op het landschap, bijvoorbeeld de Westerschelde Door rivieren gevormd, afgezet Door smeltwater (afkomstig van gletsjers) afgezet Mate van (fysieke) verstoring van de bodem, zowel in verticale zin (diepte) als in horizontale zin (omvang) Holocene formatie, ontstaan vanaf 3500 voor Chr. Jongste geologisch tijdvak dat nog steeds voortduurt (vanaf de laatste ijstijd: ca.
8800 jaar voor Chr.) Kenmerkende laag binnen de bodemvorming Organische stoffen bevattend; bestaande uit resten van planten en dieren in de bodem IJzeroxidenhydraat, een ijzererts dat vooral in vlakke landstreken, in dalen en moerassige gebieden op geringe diepte voorkomt Achtergebleven op exact de plaats waar de laatste gebruiker het heeft gedeponeerd, weggegooid of verloren Begraving met niet gecremeerd menselijk bot Een warmere periode tijdens een ijstijd (glaciaal) Laag gebied waar na overstroming van een rivier vaak water blijft staan en klei kan bezinken Waterweg waarbij het water vanuit zee of rivier onder invloed van het getijde inen uitstroomt Deel van een stroomgebied omgeven – en grotendeels opgebouwd – door een meander Door hydrostatische druk aan het oppervlakte treden van grondwater zie schor Een vervolgbare grondeenheid die op archeologische of geologische gronden als eenheid wordt onderscheiden Grondsoort die wordt gekenmerkt door een samenstelling van meer dan 50% silt, minder dan 50% zand en minder dan 25% klei de noordgrens van het Romeinse rijk Wetenschap die zich bezighoudt met de beschrijving en het ontstaan van de sedimentaire gesteenten Door de wind gevormde afzetting van zeer fijnkorrelig materiaal waarvan het overgrote deel van de korrels (60-85%) kleiner is dan 0,063 mm Kleideeltjes kleiner dan 0,002 mm Min of meer regelmatige lusvormige rivierbocht
(van rivieren of beken) Zich bochtig door het landschap slingeren Langgerekte rug langs een rivier of kreek, ontstaan doordat bij het buiten de oevers treden van de stroom het grovere materiaal het eerst bezinkt
24
IDDS Archeologie rapport 2702 Versie 1.2 (concept)
OSL-datering
oxidatie plaggendek plangebied Pleistoceen
podzol pollenanalyse
prehistorie rivierduin Saalien schor silt slak slik spieker strandvlakte strandwal
stratigrafie stroomgordel stroomrug
stuwwal terras (rivier-) vaaggronden vicus vindplaats Weichselien zavel zeldzaamheid
Dateringsmethode waarmee op grond van energieverval kan worden bepaald wanneer een fragment kwarts (zand) voor het laatst heeft blootgestaan aan direct zonlicht Reactie met zuurstof (roesten/corrosie bij metalen; ‘verbranding’ bij veen) Verhoogd bouwland, ontstaan door ophoging ten gevolge van bemesting. Voor de bemesting werden plaggen of met zand vermengde potstalmest opgebracht Gebied waarbinnen de realisering van de planvorming het bodemarchief kan bedreigen Geologisch tijdperk dat ca. 2,3 miljoen jaar geleden begon. Gedurende deze periode waren er sterke klimaatswisselingen van gematigd warm tot zeer koud (de vier bekende ijstijden). Na de laatste ijstijd begon het Holoceen (ca. 8800 voor Chr.) Goed ontwikkelde bodem in gebieden met veel neerslag De bestudering van fossiele stuifmeelkorrels en sporen waardoor een beeld van de vegetatiegeschiedenis gevormd kan worden. Uit de vegetatiegeschiedenis kan het klimaat worden gereconstrueerd Dat deel van de geschiedenis waarvan geen geschreven bronnen bewaard zijn gebleven Door verstuiving uit een riviervlakte hierlangs ontstaan duin (in Nederland meestal Weichselien of Vroeg Holoceen van ouderdom) Voorlaatste ijstijd, waarin het landijs tot in Nederland doordrong en de stuwwallen werden gevormd, ca.