CConstaterende datHeerenveen
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlage 1 - Aanvraagformulier en bijlagen

Raadsvergadering 26 september 2024, gemeente HeerenveenBij agendapunt: Verklaring van geen bedenkingen Schoterlandseweg nabij 43 te Nieuwehorne23.982 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 3

woningen: 1.500 met een enkele ontsluitingsweg; woningen: 3.000 met twee ontsluitingswegen; kantoren: 100.000 m² bruto vloeroppervlak met een enkele ontsluitingsweg.

BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies

23

Omgevingsvergunning Schoterlandseweg 43, Nieuwehorne Ruimtelijke onderbouwing Als een ruimtelijke ontwikkeling niet genoemd staat in de Regeling NIBM kan deze nog steeds niet in betekenende mate bijdragen. De bijdrage aan NO2 en PM10 moet dan minder zijn dan 3% van de grenswaarden. 4.3.1.2 Besluit gevoelige bestemmingen Dit besluit is opgesteld om mensen die extra gevoelig zijn voor een matige luchtkwaliteit aanvullend te beschermen. Deze 'gevoelige bestemmingen' zijn scholen, kinderdagverblijven en verzorgings-, verpleeg- en bejaardentehuizen. Woningen en ziekenhuizen/ klinieken zijn geen gevoelige bestemmingen. De grootste bron van luchtverontreiniging in Nederland is het wegverkeer. Het Besluit legt aan weerszijden van rijkswegen en provinciale wegen zones vast. Bij rijkswegen is deze zone 300 meter, bij provinciale wegen 50 meter. Bij realisatie van ‘gevoelige bestemmingen’ binnen deze zones is toetsing aan de grenswaarden die genoemd zijn in de Wet luchtkwaliteit nodig. 4.3.2

Situatie projectgebied

Op basis van het geldende bestemmingsplan wordt reeds een supermarkt geëxploiteerd binnen het projectgebied in het centrum van Nieuwehorne. De beoogde uitbreiding van de supermarkt op de bewuste locatie is echter qua bouw- en gebruiksregels in strijd met de planologisch geldende regels. Het winkelvloeroppervlak zal hierbij van 1.445 m 2 naar 2.242 m2 worden vergroot. In totaal wordt hiervan 224 m2 buiten het bouwvlak gebouwd. Met de NIBM-tool kan berekend worden of als gevolg van een ontwikkeling aan de norm genoemd in het NIBM (1,2 ug/m3 voor fijnstof en stikstofdioxide) kan worden voldaan. Uit de berekening met de NIBM-tool blijkt dat de toename van het verkeer niet in betekende mate is. De onderstaande tabel geeft een overzicht van de berekening met de NIBM-tool. Daarom kan het project worden aangemerkt als een project dat ‘niet in betekenende mate’ (NIBM) bijdraagt aan een verslechtering van de luchtkwaliteit. Tot slot wordt geconcludeerd dat de voorgenomen ontwikkeling niet wordt aangemerkt als een gevoelige bestemming in het kader het Besluit gevoelige bestemmingen.

Tabel 4.1 Worst-case berekening voor de bijdrage van het extra verkeer als gevolg van het plan op de luchtkwaliteit (Bron: NIBM-tool)

4.3.3

Conclusie

Het aspect luchtkwaliteit vormt geen belemmering voor voorliggend initiatief.

BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies

24

Omgevingsvergunning Schoterlandseweg 43, Nieuwehorne Ruimtelijke onderbouwing

4.4

Externe veiligheid

4.4.1

Algemeen

Externe veiligheid is een beleidsveld dat is gericht op het beheersen van risico's die ontstaan voor de omgeving bij de productie, de opslag, de verlading, het gebruik en het transport van gevaarlijke stoffen. Per 1 januari 2010 moet worden voldaan aan strikte risicogrenzen. Een en ander brengt met zich mee dat nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen moeten worden getoetst aan wet- en regelgeving op het gebied van externe veiligheid. Concreet gaat het om risicovolle bedrijven, vervoer gevaarlijke stoffen per weg, spoor en water en transport gevaarlijke stoffen via buisleidingen. Op de diverse aspecten van externe veiligheid is afzonderlijke wetgeving van toepassing. Voor risicovolle bedrijven gelden onder meer: • • • • •

het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi); de Regeling externe veiligheid inrichtingen (Revi); het Registratiebesluit externe veiligheid; het Besluit risico's zware ongevallen 2015 (Brzo 2015); het Vuurwerkbesluit.

Voor vervoer gevaarlijke stoffen geldt de ‘Wet Basisnet vervoer gevaarlijke stoffen’ (Wet Basisnet). Dat vervoer gaat over water, spoor, wegen, per buisleiding of door de lucht. De regels van het Basisnet voor ruimtelijke ordening zijn vastgelegd in: • • •

het Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt); de Regeling basisnet; de (aanpassing) Regeling Bouwbesluit (veiligheidszone en plasbrandaandachtsgebied).

Het transporteren van stoffen per buisleiding is geregeld in het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb). Het doel van wetgeving op het gebied van externe veiligheid is risico's waaraan burgers in hun leefomgeving worden blootgesteld vanwege risicovolle inrichtingen en activiteiten tot een aanvaardbaar minimum te beperken. Het is noodzakelijk inzicht te hebben in de kwetsbare en beperkt kwetsbare objecten en het plaatsgebonden en het groepsrisico. 4.4.2

Situatie in en bij het projectgebied

Aan de hand van de Risicokaart is een inventarisatie verricht van risicobronnen in en rond het projectgebied. Op de Risicokaart staan meerdere soorten risico's, zoals ongevallen met brandbare, explosieve en giftige stoffen, grote branden of verstoring van de openbare orde. In totaal worden op de Risicokaart dertien soorten rampen weergegeven. In afbeelding 4.1 is een uitsnede van de Risicokaart met daarop middels de rode contour de locatie van het projectgebied weergegeven.

BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies

25

Omgevingsvergunning Schoterlandseweg 43, Nieuwehorne Ruimtelijke onderbouwing

Afbeelding 4.1

Uitsnede Risicokaart (Bron: Atlas Leefomgeving, bewerkt)

Uit de inventarisatie blijkt dat het projectgebied: •

zich niet bevindt binnen de risicocontour van Bevi- en Brzo-inrichtingen danwel inrichtingen die vallen onder het Vuurwerkbesluit (plaatsgebonden risico); zich niet bevindt in een gebied waarbinnen een verantwoording van het groepsrisico nodig is; niet is gelegen binnen de veiligheidsafstanden van het vervoer gevaarlijke stoffen; niet is gelegen binnen de veiligheidsafstanden van buisleidingen voor het vervoer van gevaarlijke stoffen.

• • •

4.4.3

Conclusie

Een en ander brengt met zich mee dat het initiatief in overeenstemming is met wet- en regelgeving ter zake van externe veiligheid.

4.5

Milieuzonering

4.5.1

Algemeen

Zowel de ruimtelijke ordening als het milieubeleid stellen zich ten doel een goede kwaliteit van het leefmilieu te handhaven en te bevorderen. Dit gebeurt onder andere door middel van milieuzonering. Onder milieuzonering wordt verstaan het aanbrengen van een voldoende ruimtelijke scheiding tussen milieubelastende bedrijven of inrichtingen enerzijds en milieugevoelige functies als wonen en recreëren anderzijds. De ruimtelijke scheiding bestaat doorgaans uit het aanhouden van een bepaalde afstand tussen milieubelastende en milieugevoelige functies. Die onderlinge afstand moet groter zijn naarmate de milieubelastende functie het milieu sterker belast. Milieuzonering heeft twee doelen: • •

het voorkomen of zoveel mogelijk beperken van hinder en gevaar bij woningen en andere gevoelige functies; het bieden van voldoende zekerheid aan bedrijven dat zij hun activiteiten duurzaam onder aanvaardbare voorwaarden kunnen uitoefenen.

BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies

26

Omgevingsvergunning Schoterlandseweg 43, Nieuwehorne Ruimtelijke onderbouwing Voor het bepalen van de aan te houden afstanden wordt de VNG-uitgave 'Bedrijven en Milieuzonering' uit 2009 gehanteerd. Deze uitgave bevat een lijst, waarin voor een hele reeks van milieubelastende activiteiten (naar SBI-code gerangschikt) richtafstanden zijn gegeven ten opzichte van milieugevoelige functies. De lijst geeft richtafstanden voor de ruimtelijk relevante milieuaspecten geur, stof, geluid en gevaar. De grootste van de vier richtafstanden is bepalend voor de indeling van een milieubelastende activiteit in een milieucategorie en daarmee ook voor de uiteindelijke richtafstand. De richtafstandenlijst gaat uit van gemiddeld moderne bedrijven. Indien bekend is welke activiteiten concreet zullen worden uitgeoefend, kan gemotiveerd worden uitgegaan van de daadwerkelijk te verwachten milieubelasting, in plaats van de richtafstanden. Hoewel de richtafstanden in 'Bedrijven en milieuzonering' indicatief zijn, worden deze afstanden wel als harde eis gezien door de Raad van State bij de beoordeling of milieubelastende functies op een passende afstand van milieugevoelige functies (zoals woningen) worden gesitueerd. 4.5.2

Gebiedstypen

In de VNG-uitgave 'Bedrijven en Milieuzonering’ is een tweetal omgevingstypen te onderscheiden; 'rustige woonwijk' en 'gemengd gebied'. Een ‘rustige woonwijk’ is een woonwijk die is ingericht volgens het principe van functiescheiding. Overige functies komen vrijwel niet voor. Langs de randen is weinig verstoring van verkeer. Op basis van de VNG-uitgave wordt het buitengebied gerekend tot een met het omgevingstype ‘rustige woonwijk’ vergelijkbaar omgevingstype. Een ‘gemengd gebied’ is een gebied met een matige tot sterke functiemenging. Direct naast woningen komen andere functies voor zoals winkels, horeca en kleine bedrijven. Ook lintbebouwing in het buitengebied met overwegend agrarische en andere bedrijvigheid kan als gemengd gebied worden beschouwd. Gebieden die direct langs de hoofdinfrastructuur liggen, behoren eveneens tot het omgevingstype gemengd gebied. Hier kan de verhoogde milieubelasting voor geluid de toepassing van kleinere richtafstanden rechtvaardigen. Geluid is voor de te hanteren afstand van milieubelastende activiteiten veelal bepalend. Voor het projectgebied geldt dat er sprake is van functiemenging in de omgeving. Er dient dan ook te worden uitgegaan van het gebiedstype ‘gemengd gebied’. In de tabel hieronder zijn de bijbehorende richtafstanden zichtbaar. Milieucategorie 1 2 3.1 3.2 4.1 4.2 5.1 5.2 5.3 6

4.5.3

Richtafstanden tot omgevingstype rustige woonwijk 10 m 30 m 50 m 100 m 200 m 300 m 500 m 700 m 1.000 m 1.500 m

Richtafstanden tot omgevingstype gemengd gebied 0m 10 m 30 m 50 m 100 m 200 m 300 m 500 m 700 m 1.000 m

Situatie projectgebied

4.5.3.1 Algemeen Aan de hand van vorenstaande regeling is onderzoek verricht naar de feitelijke situatie. De VNG uitgave ‘Bedrijven en Milieuzonering’ geeft een eerste inzicht in de milieuhinder van inrichtingen. Hierbij spelen twee vragen een rol: 1. 2.

past de functie in de omgeving? (externe werking); laat de omgeving de functie toe? (interne werking).

BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies

27

Omgevingsvergunning Schoterlandseweg 43, Nieuwehorne Ruimtelijke onderbouwing 4.5.3.2 Externe werking Hierbij gaat het met name om de vraag of de voorgenomen ruimtelijke ontwikkeling leidt tot een situatie die, vanuit hinder of gevaar bezien, in strijd is te achten met een goede ruimtelijke ontwikkeling. Daarvan is sprake als het woon- en leefklimaat van omwonenden in ernstige mate wordt aangetast. Voorliggende ontwikkeling gaat uit van de sloop van woningen en bijgebouwen en nieuwbouw van de uitbereidingen van de supermarkt de Coop. In de directe omgeving van de Coop bevinden zich meerdere woningen doordat de Coop is omsloten door woonpercelen. De woningen liggen allemaal op een afstand van tussen de 10 meter en 30 meter van de supermarkt. Detailhandel en cafetaria’s worden in de VNG-uitgave getypeerd als een bedrijf met milieucategorie 1. Voor dergelijke bedrijven geldt op basis van het gebiedstype ‘gemengd gebied’ een grootste richtafstand van 0 meter op alle aspecten. Een supermarkt en de andere detailhandelfuncties in dit project worden in de VNG-uitgave getypeerd als een bedrijf van milieucategorie 1. Voor dergelijke bedrijven geldt op basis van het gebiedstype ‘gemengd gebied’ een grootste richtafstand van 0 meter op alle aspecten.

Aangezien bij parkeerplaatsen overlast kan ontstaan door winkelkarretjes en het slaan van autodeuren wordt is in het kader van goede ruimtelijke ordening een akoestisch onderzoek uitgevoerd. Geluidmeesters heeft onderzoek verricht naar de geluidbelasting in de (woon)omgeving ten gevolge van de uitbreiding van de supermarkt. Hierna wordt nader op dit onderzoek ingegaan en voor de volledige inhoud wordt verwezen naar het volledige onderzoeksrapport in bijlage 3 van deze toelichting. Onderzoeksresultaten Uit het onderzoek blijkt dat aan de geluidgrenswaarden voor de langtijdgemiddelde beoordelingsniveaus (LAr,LT) uit het Activiteitenbesluit milieubeheer wordt voldaan. De maximale geluidniveaus (LAmax) worden op enkele woningen in de nachtperiode overschreden vanwege het lossen van één enkele vrachtwagen. De overlast tijdens deze activiteit wordt tot een minimum beperkt doordat tijdens het laden en lossen de motor van het voertuig en de eventuele transportkoeling uitgeschakeld zal zijn. Bovendien is sprake van een reeds langdurig bestaande activiteit en door de uitbreiding van de supermarkt is er geen toename in frequentie en niveau. Ook komt het parkeerterrein voor de bezoekers van de supermarkt aan deze zijde te vervallen waardoor de akoestische situatie voor de betreffende woningen aanzienlijk zal verbeteren.

De uitbreiding van de supermarkt heeft dan ook geen verslechtering van het akoestisch woon- en leefklimaat tot gevolg. Het bevoegd gezag wordt dan ook verzocht het eenmalig laden en lossen van een vrachtwagen in de nachtperiode te reguleren middels een maatwerkvoorschrift. De indirecte hinder voldoet aan de voorkeursgrenswaarde uit de “Circulaire inzake geluidhinder veroorzaakt door het wegverkeer van en naar de inrichting; beoordeling in het kader van de Wet milieubeheer d.d. 29 februari 1996”. Gelet op het vorenstaande vormt de externe werking geen belemmering voor het voornemen. 4.5.3.3 Interne werking Hierbij gaat het om de vraag of de nieuwe functies hinder ondervinden van bestaande functies in de omgeving, of dat de nieuwe functie omliggende bestaande functies belemmert in hun bedrijfsvoering. In voorliggend geval wordt er geen milieugevoelige functie gerealiseerd. Omliggende milieubelastende functies ondervinden dan ook hinder van de voorgenomen ontwikkeling. 4.5.4

Conclusie

Het aspect ‘milieuzonering’ vormt geen belemmering voor de in deze ruimtelijke onderbouwing besloten ontwikkeling.

BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies

28

Omgevingsvergunning Schoterlandseweg 43, Nieuwehorne Ruimtelijke onderbouwing

4.6

Ecologie

4.6.1

Algemeen

Bescherming in het kader van de natuur wet- en regelgeving is op te delen in gebieds- en soortenbescherming. Sinds 1 januari 2017 is het wettelijk kader ten aanzien van gebieds- en soortenbescherming vastgelegd in de Wet natuurbescherming. Bij gebiedsbescherming heeft men te maken met Natura 2000-gebieden en het Natuurnetwerk Nederland. Soortenbescherming gaat uit van de bescherming van dier- en plantensoorten. 4.6.2

Gebiedsbescherming

4.6.2.1 Algemeen Natura 2000 is een samenhangend netwerk van natuurgebieden in Europa. Natura 2000 bestaat uit gebieden die zijn aangewezen in het kader van de Europese Vogelrichtlijn (79/409/EEG) en gebieden die zijn aangemeld op grond van de Europese Habitatrichtlijn (92/43/EEG). Deze gebieden worden in Nederland op grond van de Wet natuurbescherming beschermd. Natuurnetwerk Nederland (NNN) (voorheen Ecologische Hoofstructuur) is de kern van het Nederlandse natuurbeleid. Het NNN is in provinciale structuurvisies uitgewerkt. In of in de directe nabijheid van het NNN geldt het ‘nee, tenzij’- principe. In principe zijn er geen ontwikkelingen toegestaan als zij de wezenlijke kenmerken of waarden van het gebied aantasten. 4.6.2.2 Natura 2000-gebieden Natura 2000 is een samenhangend netwerk van natuurgebieden in Europa. Natura 2000 bestaat uit gebieden die zijn aangewezen in het kader van de Europese Vogelrichtlijn (79/409/EEG) en gebieden die zijn aangemeld op grond van de Europese Habitatrichtlijn (92/43/EEG). Deze gebieden worden in Nederland op grond van de Wet natuurbescherming beschermd. Op circa 8,2 kilometer afstand ten westen van het projectgebied bevindt zich het dichtst bijgelegen Natura 2000-gebied ‘Van Oordt’s Mersken’. Om de mogelijke stikstofdepositie op deze gebieden te onderzoeken is een stikstofonderzoek met behulp van de AERIUS-rekentool uitgevoerd.

In bijlage 4 is dit onderzoek opgenomen, de resultaten worden hierna beknopt beschreven. Onderzoeksresultaten Geconcludeerd wordt dat er geen sprake is van een stikstofdepositie met een mogelijk significant negatief effect op Natura 2000-gebieden. Het project is in het kader van de Wet natuurbescherming, ten aanzien van de effecten van stikstofdepositie op Natura 2000-gebieden, niet vergunningsplichtig.

4.6.2.3 Natuurnetwerk Nederland (NNN) Het Natuurnetwerk Nederland (NNN) is de kern van het Nederlands natuurbeleid. Het NNN is in provinciale structuurvisies uitgewerkt. In of in de directe nabijheid van het NNN geldt het ‘nee, tenzij’- principe. In principe zijn er geen ontwikkelingen toegestaan als zij de wezenlijke kenmerken of waarden van het gebied aantasten. Het dichtstbijzijnde gebied dat is aangewezen als NNN is gelegen op ruim 228 meter afstand ten zuiden van het projectgebied. Vanwege de lokale invloedsfeer hebben de voorgenomen activiteiten geen negatief effect op de kernkwaliteiten en de omgevingscondities van het Natuurnetwerk Nederland (bijv. areaalafname). Mogelijk is tijdens de aanlegfase incidenteel geluid waarneembaar buiten het projectgebied, maar dit effect is incidenteel en kortstondig en heeft geen negatief effect op het beschermd (natuur)gebied.

BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies

29

Omgevingsvergunning Schoterlandseweg 43, Nieuwehorne Ruimtelijke onderbouwing 4.6.3

Soortenbescherming

4.6.3.1 Algemeen Sinds 1 januari 2017 is de Wet natuurbescherming van kracht. Het is verboden om alle soorten die beschermd zijn volgens de Vogelrichtlijn, Habitatrichtlijn, het Verdrag van Bern en het Verdrag van Bonn, evenals de in paragraaf 3.2 en 3.3 van de Wet natuurbescherming genoemde soorten te doden en te verwonden, evenals het beschadigen en vernielen van voortplantingsplaatsen of rustplaatsen. Bij ruimtelijke ontwikkelingen dient te worden getoetst of er sprake is van negatieve effecten op de aanwezige natuurwaarden. 4.6.3.2 Situatie projectgebied In dit geval is door de Natuurbank Overijssel een quickscan ecologie uitgevoerd. De volledige rapportage is als Bijlage 5 opgenomen. Hierna wordt op de belangrijkste resultaten ingegaan. Onderzoeksresultaten De inrichting en het gevoerde beheer maken het plangebied niet tot een geschikte groeiplaats voor beschermde plantensoorten, maar wel tot geschikt functioneel leefgebied voor verschillende beschermde dieren. Het plangebied wordt door beschermde diersoorten hoofdzakelijk benut als foerageergebied, maar mogelijk nestelen er vogels, bezetten amfibieën er een (winter)rustplaats, bezetten beschermde grondgebonden zoogdieren er een vaste rust- of voortplantingsplaats en bezetten vleermuizen er een verblijfplaats.

Vermoedelijk nestelen er vogels in het plangebied waarvan uitsluitend het bezette nest beschermd is, maar er nestelen mogelijk ook vogels waarvan de nestplaats (jaarrond) beschermd is (huismus). Gelet op de aard van de werkzaamheden kan geen ontheffing verkregen worden voor het beschadigen of vernielen van bezette vogelnesten. Om te voorkomen dat bezette vogelnesten negatief beïnvloed worden, dient gewerkt te worden buiten de voortplantingsperiode of dient een broedvogelscan uitgevoerd te worden zodat de aanwezigheid van een bezet vogelnesten uitgesloten kan worden. Om vast te kunnen stellen of er huismussen in het plangebied nestelen, waarvan de nestplaats jaarrond beschermd is, dient aanvullend onderzoek uitgevoerd te worden. Van de in het plangebied nestelende vogelsoorten, is uitsluitend het bezette nest beschermd, niet het oude nest of de nestplaats. Bezette vogelnesten zijn beschermd en mogen niet beschadigd of vernield worden. Gelet op de aard van de werkzaamheden kan geen ontheffing verkregen worden voor het beschadigen of vernielen van bezette vogelnesten. Indien de beplanting verwijderd wordt tijdens de voortplantingsperiode, wordt geadviseerd vooraf een broedvogelscan uit te voeren om de aanwezigheid van een bezet vogelnest uit te kunnen sluiten.

Indien de werkzaamheden uitgevoerd worden zonder voorbereiding, kan niet uitgesloten worden dat beschermde grondgebonden zoogdieren of amfibieën gedood worden. Ook worden mogelijk vaste (winter)rust en/of voortplantingsplaatsen van een beschermd grondgebonden zoogdier of amfibie beschadigd of vernield. Voor de beschermde grondgebonden zoogdieren amfibieënsoorten, die een vaste (winter)rust- en voortplantingsplaats in het plangebied bezetten, geldt een vrijstelling van de verbodsbepaling ‘beschadigen/vernielen van vaste rust- en voortplantingsplaats’. Er geldt geen vrijstelling voor het opzettelijk doden van beschermde grondgebonden zoogdieren en amfibieën. Om te voorkomen dat beschermde dieren gedood worden dient het werkterrein ongeschikt gemaakt te worden, zodat deze dieren op eigen beweging vertrekken of dienen ze weggevangen te worden (en elders losgelaten). Indien er zorgvuldig gehandeld wordt, worden er geen beschermde dieren gedood en leidt uitvoering van de voorgenomen activiteiten niet tot wettelijke consequenties. Vleermuizen en hun vaste verblijfplaatsen zijn beschermd en mogen alleen met een ontheffing negatief beïnvloed worden. Als gevolg van het slopen van de woningen en de uitbreiding van de supermarkt wordt mogelijk een vleermuis verstoord of gedood en een vaste rust- en voortplantingsplaats verstoord, beschadigd en vernield.

Er dient een aanvullend onderzoek conform het vleermuisprotocol uitgevoerd te worden om de functie van de bebouwing vast te kunnen stellen. Dit onderzoek dient uitgevoerd te worden in de periode half

BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies

30

Omgevingsvergunning Schoterlandseweg 43, Nieuwehorne Ruimtelijke onderbouwing mei-half september (half oktober). Op basis van nader onderzoek kunnen de wettelijke consequenties bepaald worden. Door uitvoering van de voorgenomen activiteiten neemt de betekenis van het plangebied als foerageergebied voor vleermuizen af. Deze afname leidt niet tot wettelijke consequenties. Voor de sloop van de gebouwen wordt in het kader van de Wet natuurbescherming een ontheffing aangevraagd, dan wel aangetoond dat geen ontheffing benodigd is ten aanzien van beschermde vleermuizen. De Wnb (Wet natuurbeheer) verplicht bij ruimtelijke ontwikkelingen mitigerende maatregelen te nemen om te zorgen dat dieren niet worden verstoord of gedood. Op basis van de Wnb altijd de algemene zorgplicht van toepassing, die inhoudt dat een ieder voldoende zorg in acht neemt voor alle inheemse dieren en planten en hun directe leefomgeving. 4.6.4

Conclusie

Er worden geen negatieve effecten op de NNN en Natura 2000-gebieden verwacht. Het nader onderzoek naar vleermuizen is nog niet afgerond. In voorliggend geval wordt voor de sloop van de gebouwen een ontheffing verkregen, dan wel aangetoond dat geen ontheffing benodigd is ten aanzien van beschermde vleermuizen.

4.7

Archeologie & cultuurhistorie

4.7.1

Archeologie

4.7.1.1 Algemeen Initiatiefnemers hebben op basis van de Erfgoedwet een archeologische zorgplicht bij projecten waarbij de bodem wordt verstoord. Hiervoor is onderzoek noodzakelijk: het archeologisch vooronderzoek. Als blijkt dat in het projectgebied behoudenswaardige archeologische vindplaatsen aanwezig zijn, dan kan de initiatiefnemer verplicht worden hiermee rekening te houden. Dit kan leiden tot een aanpassing van de plannen, waardoor de vindplaatsen behouden blijven, of tot een archeologische opgraving en publicatie van de resultaten. 4.7.1.2 Situatie projectgebied Eén van de hulpmiddelen hierbij is het advies van FAMKE (Friese Archeologische Monumenten Kaart Extra). De FAMKE bestaat uit twee provincie dekkende advieskaarten, één voor de periode steentijd - vroege bronstijd, en één voor de periode midden bronstijd - middeleeuwen. De adviezen die voor de verschillende zones in Fryslân gegeven worden variëren van ‘streven naar behoud’ tot ‘geen nader onderzoek nodig’ Deze adviezen geven aan welke vervolgstappen noodzakelijk zijn om op een verantwoorde manier om te gaan met het bodemarchief. De FAMKE geeft aan dat ter plaatse van het projectgebied voor de periode Steentijd-Bronstijd dat eventuele aanwezige archeologische resten al ernstig verstoord zijn maar dit niet met zekerheid te zeggen is. De beschrijving die hierbij hoort is ‘quickscan’.

Afbeelding 4.2 toont een uitsnede van de Famke voor de periode Steentijd-Bronstijd. Het projectgebied wordt met een rode omlijning weergegeven. De FAMKE geeft aan dat ter plaatse van het projectgebied voor de periode IJzertijd-Middeleeuwen dat hier zich archeologische resten kunnenbevinden uit de periode IJzertijd-Middeleeuwen. De beschrijving die hierbij hoort is ‘karterend onderzoek 3 (middeleeuwen)’. Afbeelding 4.3 toont een uitsnede van de Famke voor de periode IJzertijdMiddeleeuwen. Het projectgebied wordt met een rode omlijning weergegeven. In de onderstaande tabel wordt de toelichting weergegeven bij de beschrijvingen. Bij beide beschrijvingen wordt aanbevolen archeologisch onderzoek te verrichtten bij ingrepen van meer dan 5000 m2. In voorliggend geval wordt de supermarkt en het parkeerterrein uitgebreid met minder dan 5000 m 2. Archeologisch onderzoek wordt niet noodzakelijk geacht.

BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies

31

Omgevingsvergunning Schoterlandseweg 43, Nieuwehorne Ruimtelijke onderbouwing

Type

Toelichting

Quickscan

Van deze gebieden wordt vermoed dat eventuele aanwezige archeologische resten al ernstig verstoord zijn, maar dit is niet met zekerheid te zeggen. De provincie beveelt daarom aan om bij ingrepen van meer dan 5000m² een quickscan te verrichten. Een quickscan is een extensief booronderzoek waarmee duidelijk gemaakt wordt of het steentijd bodemarchief intact is. Bij een intact bodemarchief kan dan over worden gegaan op een karterend onderzoek 2 (6 boringen per hectare). Tevens dient te worden nagegaan of er zich bekende vuursteenvindplaatsen en dobben in het gebied bevinden. Deze locaties moeten dan vervolgens door middel van een archeologisch onderzoek worden gewaardeerd (zie advies ‘waarderend onderzoek vuursteenvindplaatsen' en ‘waarderend onderzoek dobben'). De resultaten kunnen ook uitwijzen dat de voorgenomen ingreep niet bezwaarlijk is, of met welke randvoorwaarden in het plan rekening dient te worden gehouden.

Karterend onderzoek 3 (middeleeuwen)

In deze gebieden kunnen zich archeologische resten bevinden uit de periode ijzertijd - middeleeuwen. Het gaat hier dan met name om vroeg en volmiddeleeuwse veenontginningen. Daarbij bestaat de kans dat er zich huisterpjes uit deze tijd in het projectgebied bevinden. Ook de wat oudere boerderijen kunnen archeologische sporen of resten afdekken, hoewel de veengronden eromheen al afgegraven zijn. De provincie beveelt aan om bij ingrepen van meer 5000m² een historisch en karterend onderzoek te verrichten, waarbij speciale aandacht moet worden besteed aan eventuele Romeinse sporen en/of vroeg-middeleeuwse ontginningen. Mochten er, als gevolg van het karterend archeologisch onderzoek, een of meerdere vindplaatsen worden aangetroffen, dan zal uit nader (waarderend) onderzoek moeten blijken hoe waardevol deze vindplaatsen zijn. De aard van dit waarderend (vervolg)onderzoek hangt af van het type aangetroffen vindplaats, en de strategie van onderzoek dient te worden bepaald door het desbetreffende onderzoeksbureau. Indien de vindplaats een nieuw aangetroffen terp betreft, geldt het advies: ‘waarderend onderzoek op terpen'. De resultaten van het karterend onderzoek kunnen ook uitwijzen dat de voorgenomen ingreep niet bezwaarlijk is, of met welke randvoorwaarden in het plan rekening dient te worden gehouden.

Mocht het projectgebied een bebouwde kom betreffen, dan dient in de onderzoeksstrategie rekening te worden

BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies

32

Omgevingsvergunning Schoterlandseweg 43, Nieuwehorne Ruimtelijke onderbouwing gehouden met recente verstoringen die zich kunnen hebben voorgedaan.

Afbeelding 4.2

Uitsnede uit de FAMKE voor de periode Steentijd-Bronstijd (Bron: FAMKE)

BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies

33

Omgevingsvergunning Schoterlandseweg 43, Nieuwehorne Ruimtelijke onderbouwing

Afbeelding 4.3

4.7.2

Uitsnede uit de FAMKE voor de periode IJzertijd-Middeleeuwen (Bron: FAMKE)

Cultuurhistorie

4.7.2.1 Algemeen Onder cultuurhistorische waarden worden alle structuren, elementen en gebieden bedoeld die cultuurhistorisch van belang zijn. Zij vertellen iets over de ontstaansgeschiedenis van het Nederlandse cultuurlandschap. Vaak is er een sterke relatie tussen aardkundige aspecten en cultuurhistorische aspecten. In de Bro is sinds 1 januari 2012 (artikel 3.1.6, vijfde lid, onderdeel a) opgenomen dat een bestemmingsplan “een beschrijving van de wijze waarop met de in het gebied aanwezige cultuurhistorische waarden en in de grond aanwezige of te verwachten monumenten rekening is gehouden” dient te bevatten. 4.7.2.2 Situatie projectgebied Er bevinden zich in het projectgebied of in de directe omgeving geen rijks- danwel gemeentelijke monumenten of andere cultuurhistorische waarden. Gesteld wordt dat het aspect cultuurhistorie geen belemmering vormt voor het initiatief. 4.7.3

Conclusie

Geconcludeerd kan worden dat er geen sprake is van negatieve effecten op de cultuurhistorische- en archeologische waarden.

BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies

34

Omgevingsvergunning Schoterlandseweg 43, Nieuwehorne Ruimtelijke onderbouwing

4.8

Besluit milieueffectrapportage

4.8.1

Algemeen

De milieueffectrapportage is een wettelijk instrument met als doel het aspect milieu een volwaardige plaats in deze integrale afweging te geven. Een bestemmingsplan kan op drie manieren met milieueffectrapportage in aanraking komen: 1.

2.

3.

Op basis van artikel 7.2a, lid 1 Wm (als wettelijk plan); Er ontstaat een m.e.r.-plicht wanneer er een passende beoordeling op basis van art. 2.8, lid 1 Wet natuurbescherming nodig is. Op basis van Besluit milieueffectrapportage (bestemmingsplan in kolom 3); Er ontstaat een m.e.r.-plicht voor die activiteiten en gevallen uit de onderdelen C en D van de bijlage van dit besluit waar het bestemmingsplan genoemd is in kolom 3 (plannen). Op basis van Besluit milieueffectrapportage (bestemmingsplan in kolom 4); Er ontstaat een m.e.r.-(beoordelings)plicht voor die activiteiten en gevallen uit de onderdelen C en D van de bijlage van dit besluit waar het bestemmingsplan genoemd is in kolom 4 (besluiten).

In het Besluit m.e.r. neemt het bestemmingsplan een bijzondere positie in, want het kan namelijk tegelijkertijd opgenomen zijn in zowel kolom 3 als in kolom 4 van het Besluit m.e.r.. Of het bestemmingsplan in deze gevallen voldoet aan de definitie van het plan uit kolom 3 of aan de definitie van het besluit uit kolom 4 is afhankelijk van de wijze waarop de activiteit in het bestemmingsplan wordt bestemd. Als voor de activiteit eerst één of meerdere uitwerkings- of wijzigingsplannen moeten worden vastgesteld dan is sprake van 'kaderstellend voor' en voldoet het bestemmingsplan aan de definitie van het plan. Is de activiteit geheel of gedeeltelijk als eindbestemming opgenomen voldoet het aan de definitie van het besluit. Een belangrijk element in het Besluit m.e.r.. is het (in feite) indicatief maken van de gevalsdefinities (de drempelwaarden in kolom 2 in de D-lijst). Dit betekent dat het bevoegd gezag meer moet doen dan onder de oude regelgeving. Kon vroeger worden volstaan met de mededeling in het besluit dat de omvang van de activiteit onder de drempelwaarde lag en dus geen m.e.r. (beoordeling) noodzakelijk was, onder de nu geldende regeling moet een motivering worden gegeven. Voor deze toets wordt de term vormvrije m.e.r.beoordeling gehanteerd. In deze paragraaf vindt deze vormvrije m.e.r.-beoordeling plaats. 4.8.2

Situatie projectgebied

4.8.2.1 Artikel 2.8 lid 1 van de Wet Natuurbescherming Het projectgebied ligt niet binnen of nabij een Natura 2000-gebied. Het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied ‘Van Oordt’s Mersken’ ligt op een afstand van ruim 8,2 kilometer. Om aan te tonen of het voornemen resulteert in significante negatieve effecten op Natura 2000-gebieden, is een door BJZ.nu een stikstofonderzoek uitgevoerd ten aanzien van de beoogde werkzaamheden. Uit de berekening is naar voren gekomen dat er geen sprake is van rekenresultaten hoger dan 0,00 mol/ha/j. Er is daarmee geen sprake van een stikstofdepositie met significant negatief effect op Natura 2000-gebieden. Het project is in het kader van de Wet natuurbescherming, ten aanzien van de effecten van stikstofdepositie op Natura 2000-gebieden, niet vergunningsplichtig. 4.8.2.2 Drempelwaarde Besluit m.e.r. De voorgenomen ontwikkeling wordt mogelijk gemaakt door het verlenen van een omgevingsvergunning voor afwijken van de beheersverordening. Dit betekent dat voorliggende ontwikkeling m.e.r.-(beoordelings)plichtig is, indien activiteiten worden mogelijk gemaakt die genoemd worden in onderdeel C of D van het Besluit m.e.r. en de daarin opgenomen drempelwaarden overschrijden. In het voorliggende geval is geen sprake van activiteiten die op grond van onderdeel C van het Besluit milieueffectrapportage m.e.r.-plichtig zijn.

Wel is sprake van een activiteit die is opgenomen in onderdeel D van het Besluit m.e.r., namelijk: 'de aanleg, wijziging of uitbreiding van een stedelijk ontwikkelingsproject.'

BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies

35

Omgevingsvergunning Schoterlandseweg 43, Nieuwehorne Ruimtelijke onderbouwing Aangezien hier in dit geval sprake van is dient te worden getoetst of sprake is van m.e.r-beoordelingsplicht. Hier is sprake van indien de activiteiten de volgende drempelwaarden uit onderdeel D overschrijden: 1. 2. 3.

een oppervlakte van 100 hectare of meer, een aaneengesloten gebied en 2.000 of meer woningen omvat, of een bedrijfsvloeroppervlakte van 200.000 m2 of meer.

Gelet op de aard- en omvang van de voorgenomen ontwikkeling is het de vraag of er sprake is van een 'stedelijk ontwikkelingsproject' als bedoeld in onderdeel D 11.2 van het Bestluit milieueffectrapportage. Uit jurisprudentie (ABRvS 15 maart 2017, ECLI:NL:RVS:2017:694) volgt dat het antwoord op deze vraag afhankelijk is van de concrete omstandigheden van het geval, waarbij onder meer aspecten als de aard en de omvang van de voorziene ontwikkeling moet worden beoordeeld of sprake is van een stedelijk ontwikkelingsproject. Niet relevant is of per saldo aanzienlijke negatieve gevolgen voor het milieu kunnen ontstaan. Gezien de hiervoor genoemde drempelwaarden wordt geconcludeerd dat voor voorliggend plan geen sprake is van een m.e.r. beoordelingsplicht. Echter, zoals ook in het voorgaande aangegeven, dient ook wanneer ontwikkelingen onder drempelwaarden blijven, het bevoegd gezag zich er van te vergewissen of activiteiten geen aanzienlijke milieugevolgen kunnen hebben. De in het voorliggende plan besloten ontwikkeling gaat uit van het toevoegen van 797 m² supermarkt, het vergroten van de parkeerplaats en de extra functies in de supermarkt en de servicebalie te scheiden van de supermarkt in drie nieuwe winkels. Het gaat om een kleinschalige ontwikkeling waarbij het aantal verkeersbewegingen niet onevenredig toeneemt.

Verder is, voor zover in dit kader relevant, sprake van een functie die niet leidt tot een aantasting van het woon- en leefklimaat ter plaatse van omliggende woningen en andere milieugevoelige functies. Gelet op het vorenstaande en de aard en omvang van de voorgenomen ontwikkeling, wordt geconcludeerd dat er geen sprake is van een stedelijk ontwikkelingsproject als bedoeld in het Besluit m.e.r.. Tevens blijkt uit dit hoofdstuk dat de voorgenomen ontwikkeling geen belangrijk nadelige milieugevolgen heeft, die het doorlopen van een m.e.r.-procedure noodzakelijk maken. 4.8.3

Conclusie

De voorgenomen ontwikkeling is niet m.e.r.-(beoordelings)plichtig. Tevens zijn geen belangrijk nadelige milieugevolgen te verwachten als gevolg van de vaststelling van dit plan.

4.9

Wateraspecten

4.9.1

Algemeen

4.9.1.1 Europees beleid De Europese Kaderrichtlijn Water (2000/60/EG) is op 22 december 2000 in werking getreden en is bedoeld om in alle Europese wateren de waterkwaliteit chemisch en ecologisch verder te verbeteren. De Kaderrichtlijn Water omvat regelgeving ter bescherming van het binnenlandse oppervlaktewater, overgangswateren (waaronder estuaria worden verstaan), kustwateren en grondwater. Streefdatum voor het bereiken van gewenste waterkwaliteit is 2015. Eventueel kan er, mits goed onderbouwd, uitstel (derogatie) verleend worden tot uiteindelijk 2027. Voor het uitwerken van de doelstellingen worden er op (deel)stroomgebied plannen opgesteld. In deze (deel)stroomgebiedbeheersplannen staan de ambities en maatregelen beschreven voor de verschillende (deel)stroomgebieden. Met name de ecologische ambities worden op het niveau van de (deel)stroomgebieden bepaald. 4.9.1.2 Rijksbeleid Het Nationaal Water Programma 2022–2027 (vastgesteld op 18 maart 2022) geeft een overzicht van de ontwikkelingen binnen het waterdomein en legt nieuw ontwikkeld beleid vast. We werken aan schoon, veilig en voldoende water dat klimaatadaptief en toekomstbestendig is. Ook is er aandacht voor de raakvlakken van water met andere sectoren.

BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies

36

Omgevingsvergunning Schoterlandseweg 43, Nieuwehorne Ruimtelijke onderbouwing Er liggen grote opgaven voor het waterdomein: • • •

Nederland moet zich aanpassen aan de gevolgen van klimaatverandering We moeten blijven werken aan een goede bescherming tegen overstromingen en klimaatrobuuste zoetwatervoorziening tegen toenemende droogte. Ook de zorg voor goede waterkwaliteit en duurzame drinkwatervoorziening verdient aandacht.

Daarnaast zijn allerlei functies afhankelijk van water, zoals de scheepvaart, de landbouw en de natuur. Op de Noordzee moeten vele functies, waaronder de opgaven voor windenergie, natuurontwikkeling, duurzame visserij, scheepvaart en zandwinning, in balans met elkaar een plek krijgen. Om aan te geven om te gaan met de uitdagingen van ons water, ontwikkelde de Rijksoverheid het Nationaal Water Programma 2022-2027. 4.9.1.3 Provinciaal beleid In het Streekplan Fryslân 2007 wordt ruim aandacht besteedt aan de wateraspecten. De provincie heeft de volgende ambitie geformuleerd: Wij streven naar goede ruimtelijke condities voor een veilige en bewoonbare provincie en voor gezonde en veerkrachtige duurzame watersystemen waarin sociaaleconomische en ecologische ontwikkelingen met elkaar in evenwicht zijn. Water is een belangrijk mede ordenend principe in de ruimtelijke inrichting van Fryslân. Voor een goede waterbeheersing worden de nodige ruimtelijke maatregelen getroffen. Door klimaatverandering, bodemdaling en de toename van verhard oppervlak kan in veel gevallen voor een goede waterbeheersing niet meer worden volstaan met technische maatregelen. Voor een robuust en veerkrachtig watersysteem, dat zowel wateroverschotten als watertekorten goed kan opvangen, zullen de (on)mogelijkheden van het watersysteem medebepalend zijn voor de functionele bestemming en inrichting van de ruimte.

Een goed functionerende Friese boezem is cruciaal voor de waterhuishouding van heel Fryslân. 4.9.1.3 Wetterskip Fryslân Het onderhoud en beheer van waterstaatswerken wordt uitgevoerd door de waterbeheerder; het Wetterskip Fryslân. Het Wetterskip heeft voor het beheer en onderhoud van de waterstaatswerken een Legger opgesteld. In de Legger worden de minimaal benodigde afmetingen van keringen beschreven om aan de veiligheidsnormen te voldoen. In de Legger wordt voor de wateren binnen het Wetterskip haar beheersgebied, de minimale eisen beschreven om een goede aan- en afvoer van water te realiseren. Naast het stellen van eisen aan de waterstaatswerken, vervult de Legger een functie in de handhaving van verbodsbepalingen die staan beschreven in de Keur. Dit betekent dat het zonder toestemming van het waterschap verboden is om gebruik te maken van een waterstaatswerk, inclusief beschermingszones. In het Waterbeheerplan 2022 – 2027 beschrijft Wetterskip Fryslân de doelen voor de komende jaren, de strategische keuzes die het waterschap maakt en de financiële consequenties daarvan. Het Wetterskip Fryslân investeert de komende zes jaar in het versterken van dijken, de aanleg van waterbergingsgebieden, het langer vasthouden van zoet water en de verbetering van de waterkwaliteit. Ook richt het Wetterskip Fryslân de blik verder vooruit.

Om de effecten van de klimaatverandering op te kunnen vangen zijn maatregelen en ruimtelijke keuzes onvermijdelijk. 4.9.2

Waterparagraaf

4.9.2.1 Algemeen Zoals in voorgaande paragrafen uiteen is gezet, wordt in het moderne waterbeheer (waterbeheer 21 e eeuw) gestreefd naar duurzame, veerkrachtige watersystemen met minimale risico's op wateroverlast of watertekorten. Belangrijk instrument hierbij is de watertoets, die sinds 1 november 2003 in ruimtelijke plannen is verankerd. In de toelichting op ruimtelijke plannen dient een waterparagraaf te worden opgenomen. Hierin wordt verslag gedaan van de wijze waarop rekening is gehouden met de gevolgen van het plan voor de waterhuishoudkundige situatie (watertoets).

BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies

37

Omgevingsvergunning Schoterlandseweg 43, Nieuwehorne Ruimtelijke onderbouwing Het doel van de watertoets is te garanderen dat waterhuishoudkundige doelstellingen expliciet en op een evenwichtige wijze in het plan worden afgewogen. Deze waterhuishoudkundige doelstellingen betreffen zowel de waterkwantiteit (veiligheid, wateroverlast, tegengaan verdroging) als de waterkwaliteit (riolering, omgang met hemelwater, lozingen op oppervlaktewater). 4.9.2.2 Watertoetsproces Het Wetterskip Fryslân is geïnformeerd over het plan door gebruik te maken van de digitale watertoets (http://www.dewatertoets.nl). De beantwoording van de vragen heeft geleid tot de ‘normale procedure’. Het resultaat van de watertoets is opgenomen in bijlages 6 van deze toelichting. In voorliggend geval is in bijlage 7 een memo waterhuishouding opgenomen. In bijlage 8 is de reactie van het Wetterskip Fryslân opgenomen. Hieronder wordt ingegaan op de memo waterhuishouding. Waterhuishoudkundig plan In Nieuwehorne wordt een parkeerplaats gerealiseerd van verharding. Voor het totale project betekent dit een verhardingstoename van 1687 m 2. De compensatie wordt berekend op basis van 10% compensatieregeling. Dit houdt in dat er in totaal 169 m 3 water geborgen moet worden op het eigen terrein, voordat dit afvoert naar het oppervlaktewater. Aandachtspunt hierbij is dat het riool niet aangemerkt mag worden als buffer.

Het water wordt opgevangen/geborgen in de nieuw aan te leggen sloot richting Flaeijel in het naast gelegen perceel. Er dient 169 m3 water geborgen te worden. De sloot heeft een lengte van 30 meter. Dit betekent dat de sloot per 1m 1 5,63 m3 moet bergen. Wanneer de sloot een diepte heeft van 1,0 meter -maaiveld, dit is ongeveer het grondwaterpeil, rekenen we met een bergend vermogen van 0,90 m, waardoor het water 0,10 m onder straatniveau blijft. Met een bodem van een 4,25 m en taluds 1:2 is er dan een oppervlakte benodigd van 187,50 m 2 sloot. Van belang is daarbij dat de uitlaat van de sloot bij de afvoerende sloot op de hoogte van het maaiveld -0,10 m aangebracht wordt. Wanneer de wadi en de berging dan geheel vol is, gaat deze pas overstorten op de afvoerende sloot. Het water wat geborgen wordt kan dan na de bui infiltreren in de ondergrond. In de dam dient dan een vertraagde afvoer opgenomen te worden. 4.9.3

Conclusie

Gelet op het vorenstaande vormt het milieuaspect ‘water’ geen belemmering voor de voorgenomen ontwikkeling.

BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies

38

Omgevingsvergunning Schoterlandseweg 43, Nieuwehorne Ruimtelijke onderbouwing

HOOFDSTUK 5

ECONOMISCHE UITVOERBAARHEID

Artikel 6.12 van de Wet ruimtelijke ordening stelt dat de gemeenteraad naar aanleiding van een omgevingsvergunning moet besluiten om al dan niet een exploitatieplan vast te stellen. Hoofdregel is dat een exploitatieplan moet worden vastgesteld bij elk plan. Er zijn echter uitzondering. Het is mogelijk dat de raad verklaart dat met betrekking tot een omgevingsvergunning of bestemmingsplan geen exploitatieplan wordt vastgesteld indien het verhaal van kosten van de grondexploitatie anderszins is verzekerd of het stellen van nadere eisen en regels niet noodzakelijk is. In het voorliggende geval wordt een overeenkomst gesloten tussen initiatiefnemer en gemeente. Hierin wordt tevens het risico van planschade opgenomen, zodat het kostenverhaal voor de gemeente volledig is verzekerd. Dit brengt met zich mee dat vaststelling van een exploitatieplan achterwege kan blijven.

BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies

39

Omgevingsvergunning Schoterlandseweg 43, Nieuwehorne Ruimtelijke onderbouwing

HOOFDSTUK 6 6.1

VOOROVERLEG

Het Rijk

In het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) zijn de nationale belangen die juridische borging vereisen opgenomen. Het Barro is gericht op doorwerking van nationale belangen in gemeentelijke plannen. Geoordeeld wordt dat voorliggend initiatief geen nationale belangen schaadt. Daarom is afgezien van het voeren van vooroverleg met het Rijk.

6.2

Provincie Friesland

In het kader van het wettelijke vooroverleg wordt de ruimtelijke onderbouwing naar de provincie Friesland opgestuurd.

6.3

Wetterskip Fryslân

Het Wetterskip Fryslân is geïnformeerd over het plan door gebruik te maken van de digitale watertoets (http://www.dewatertoets.nl). Deze toets resulteerde in een ‘normale procedure’. Hiertoe heeft vooroverleg met het waterschap Wetterskip Fryslân plaatsgevonden. De reactie van het waterschap is opgenomen in bijlage 8.

BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies

40

Omgevingsvergunning Schoterlandseweg 43, Nieuwehorne Ruimtelijke onderbouwing

BIJLAGEN BIJ DE RUIMTELIJKE ONDERBOUWING

BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies

41

Omgevingsvergunning Schoterlandseweg 43, Nieuwehorne Ruimtelijke onderbouwing

Bijlage 1

Verkennend milieukundig bodemonderzoek

BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies

42

Omgevingsvergunning Schoterlandseweg 43, Nieuwehorne Ruimtelijke onderbouwing

Bijlage 2

Verkennend milieukundig (asbest) bodemonderzoek

BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies

43

Omgevingsvergunning Schoterlandseweg 43, Nieuwehorne Ruimtelijke onderbouwing

Bijlage 3

Akoestisch onderzoek

BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies

44

Omgevingsvergunning Schoterlandseweg 43, Nieuwehorne Ruimtelijke onderbouwing

Bijlage 4

Stikstofonderzoek

BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies

45

Omgevingsvergunning Schoterlandseweg 43, Nieuwehorne Ruimtelijke onderbouwing

Bijlage 5

Quickscan Flora en Fauna

BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies

46

Omgevingsvergunning Schoterlandseweg 43, Nieuwehorne Ruimtelijke onderbouwing

Bijlage 6

Watertoets

BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies

47

Omgevingsvergunning Schoterlandseweg 43, Nieuwehorne Ruimtelijke onderbouwing

Bijlage 7

MEMO Waterhuishouding parkeerplaats Nieuwehorne

BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies

48

Omgevingsvergunning Schoterlandseweg 43, Nieuwehorne Ruimtelijke onderbouwing

Bijlage 8

Reactie Wetterskip Fryslân

BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies

49

Verkennend milieukundig (asbest) bodemonderzoek Project

Projectnummer Uw projectnummer Opdrachtgever

Datum Status Opgesteld door Vrijgegeven door

uitbreiding supermarkt aan de Schoterlandseweg 39 en 41 in Nieuwehorne 8324.1 22-119 Provestion Onroerend Goed BV Postbus 12 9330 AA Norg 4 mei 2024 versie 1 definitief Laura de Hoogd Albert Palsma

Postadres

Postbus 151, 9300 AD Roden

Email

info@koopsgrondmechanica.nl

Bezoekadres

Oosteinde 4B, 9301 LJ Roden

Website

www.koops-grondmechanica.nl

Telefoon

(0522) 26 00 84 Koops grondmechanica is partner in de Koops & Romeijn Geogroep. Een groep onafhankelijke, zelfstandige en ervaren adviseurs voor grondonderzoek, geotechniek en geohydrologie die sinds 1996 samenwerkt. U kunt ons vinden in: Ammerstol, Gorredijk, Oegstgeest, Roden, Velp, Wageningen en Wijchen. Op al onze werkzaamheden zijn de algemene leveringsvoorwaarden (ALV 2018) van de Vereniging Ondernemers Technisch Bodemonderzoek (V.O.T.B.), zoals gedeponeerd bij de Kamer van Koophandel Midden-Nederland te Utrecht onder nr. 40476246 en de rechtsverhouding opdrachtgever-architect, ingenieurs en adviseur DNR2011 van toepassing.

pagina 2 van 18

Inhoud 1

Inleiding ............................................................................................................................. 4 1.1

Aanleiding en doel ............................................................................................................. 4

1.2

Kwaliteitswaarborging ........................................................................................................ 4

1.3

Betrouwbaarheid en garanties ........................................................................................... 4

1.4

Toepassing grond .............................................................................................................. 5

1.5

Leeswijzer ......................................................................................................................... 5

2

Locatiegegevens en vooronderzoek .................................................................................. 6 2.1

Locatiegegevens ............................................................................................................... 6

2.2

Vooronderzoek .................................................................................................................. 7

2.2.1

Historie en toekomst van de locatie ................................................................................... 7

2.2.2

Eerder uitgevoerde onderzoeken ...................................................................................... 8

2.2.3

Bodemopbouw en geohydrologie ...................................................................................... 8

2.2.4

Regionale bodemkwaliteit .................................................................................................. 9

2.2.5

Asbestinventarisatie onderzoekslocatie ............................................................................. 9

2.3

Conclusies vooronderzoek .............................................................................................. 11

3

Veldonderzoek................................................................................................................. 12 3.1

Uitgevoerde veldwerk ...................................................................................................... 12

3.2

Veldwaarnemingen .......................................................................................................... 12

3.3

Laboratoriumonderzoek ................................................................................................... 13

4

Onderzoeksresultaten ..................................................................................................... 14 4.1

Bodemopbouw................................................................................................................. 14

4.2

Veldmetingen grondwater ................................................................................................ 14

4.3

Resultaten grond en grondwater ..................................................................................... 14

4.3.1

Toetsingsresultaten grond ............................................................................................... 15

4.3.2

Toetsingsresultaten grondwater ...................................................................................... 16

4.3.3

Toetsingsresultaten asbestmonsters ............................................................................... 17

5

Afwijkingen ...................................................................................................................... 17

6

Conclusies en toetsing hypothese ................................................................................... 18 6.1

Conclusies ....................................................................................................................... 18

6.2

Toetsing hypothese ......................................................................................................... 18

pagina 3 van 18

Bijlagen: 1 2 3 4 5 6

Kadastrale gegevens Foto’s Situatietekening Boorstaten Analysecertificaten Toetsing analyseresultaten BOTOVA/Omgevingswet

pagina 4 van 18

1

Inleiding

In opdracht van Provestion Onroerend Goed BV te Norg heeft Koops grondmechanica een verkennend milieukundig (asbest) bodemonderzoek verricht aan Schoterlandseweg 39 en 41 in Nieuwehorne. 1.1

Aanleiding en doel

Het onderzoek is uitgevoerd in verband met herinrichting en bestemmingswijziging van de onderzoekslocatie. Het doel van het verkennend bodemonderzoek is aan te tonen dat de grond en/of grondwater redelijkerwijs gesproken geen verontreinigingen bevatten die schadelijk kunnen zijn voor de volksgezondheid en/of milieu in het algemeen en zodoende enige beperking of belemmering kunnen vormen ten aanzien van de voorgenomen herinrichting en bestemmingswijziging. Het doel van het verkennend asbestonderzoek is om na te gaan of de verdenking van verontreiniging van de bodem met asbest terecht is. 1.2

Kwaliteitswaarborging

Het onderzoek is verricht onder ons kwaliteitssysteem NEN-EN-ISO-9001. Koops grondmechanica is in het bezit van een V&G-beheersysteem VCA**. De veldwerkzaamheden zijn uitgevoerd conform de eisen, zoals beschreven in de BRL SIKB 2000 versie 7.0 d.d. 07-03-2022 Veldwerk voor milieuhygiënisch bodemonderzoek), en de daarbij behorende protocollen (2001, 2002 en 2018). Koops grondmechanica is gecertificeerd volgens dit procescertificaat. Dit rapport draagt daarom het keurmerk ‘Kwaliteitswaarborg bodembeheer SIKB’. Conform de BRL SIKB 2000 maken wij u erop attent dat er geen juridische verbintenis bestaat tussen Koops Grondmechanica en de opdrachtgever/eigenaar, zijnde degene die een persoonlijk of zakelijk recht heeft op de bodem, grond, bagger of bouwstof. 1.3

Betrouwbaarheid en garanties

Het bodemonderzoek is uitgevoerd door het steekproefsgewijs bemonsteren van (verdachte) bodemlagen. Het onderzoek is gebaseerd op de beschikbare gegevens uit het vooronderzoek. Hiermee wordt beoogd dat de resultaten van de steekproef zo representatief mogelijk zijn voor de hele locatie. Door het volgen van methodiek wordt de kans op afwijkingen ten opzichte van de resultaten van het bodemonderzoek gereduceerd en worden de resultaten betrouwbaar geacht. Koops grondmechanica accepteert op voorhand geen aansprakelijkheid ten aanzien van mogelijke beslissingen die de opdrachtgever naar aanleiding van het door Koops Grondmechanica uitgevoerde onderzoek neemt. In een voorkomend geval adviseren wij u altijd contact op te nemen met ons bureau. In dit kader kan ook worden opgemerkt dat de voor het historisch onderzoek geraadpleegde bronnen niet altijd zonder fouten en volledig zijn. Voor het verkrijgen van historische informatie is Koops Grondmechanica wel afhankelijk van deze bronnen, waardoor Koops Grondmechanica niet kan instaan voor de juistheid en volledigheid van de verzamelde historische informatie.

pagina 5 van 18

1.4

Toepassing grond

Het bodemonderzoek geeft inzicht in de milieuhygiënische kwaliteit van de bodem in het kader van het huidige gebruik en/of de bestemming van de onderzochte locatie. Indien echter de grond van de locatie wordt afgevoerd voor toepassing elders, volstaan de resultaten van het verrichte bodemonderzoek mogelijk niet. Afhankelijk van de omvang van de af te voeren partij(en) grond en de eisen die door de acceptant of het bevoegd gezag ter plaatse van de nieuwe toepassingslocatie worden gesteld (bijvoorbeeld de aanwezigheid van een bodemkwaliteitskaart met bijbehorend bodembeheerplan), dient de grond eventueel nog conform de richtlijnen van de Regeling Bodemkwaliteit te worden onderzocht. 1.5

Leeswijzer

Na de inleiding in dit eerste hoofdstuk volgen in het tweede hoofdstuk de locatiegegevens en de resultaten van het (historisch) vooronderzoek. Vervolgens staan in hoofdstuk 3 de onderzoeksopzet en de resultaten van het veldwerk. Hoofdstuk 4 behandelt de toetsing en de resultaten van het bodemonderzoek. De afwijkingen op de NEN of de BRL komen aan bod in hoofdstuk 5. Tot slot staan in hoofdstuk 6 de conclusies. In de bijlagen zijn foto’s, kaartmateriaal, boorbeschrijvingen, analysecertificaten en toetsingstabellen opgenomen.

pagina 6 van 18

2

Locatiegegevens en vooronderzoek

2.1

Locatiegegevens

Het onderzochte terrein is gelegen aan de Schoterlandseweg 39 en 41 in Nieuwehorne. De ligging van de locatie is aangegeven binnen de gele contour in figuur 2.1.

Figuur 2.1: ligging locatie (bron: Bodemloket) De percelen liggen in de gemeente Heerenveen en zijn kadastraal bekend onder de gemeente Mildam sectie M nummers 48, 1730 en 1731. In bijlage 1 zijn de kadastrale gegevens opgenomen. De coördinaten van de locatie volgens de Rijksdriehoeksmeting zijn X: 199,767 en Y: 551,628. Het bodemonderzoek is uitgevoerd op het terreindeel dat na sloop van de woningen de bestemming parkeervoorziening zal krijgen. De oppervlakte van het onderzochte deel van de locatie is circa 2524 m2 (150 m2 van perceel 1731 behoort al tot de supermarkt). De onderzoekslocatie heeft momenteel en woonbestemming. Ten tijde van het onderzoek waren beide woningen nog aanwezig. Aan de oostzijde grenst de onderzoekslocatie aan een supermarkt. De zuidzijde wordt begrensd door de Schoterlandseweg. De west- en noordzijde grenst aan percelen met een woonbestemming. Tijdens het locatiebezoek zijn foto’s genomen van de locatie. Een aantal foto’s is opgenomen in bijlage 2. In bijlage 3 is een situatietekening weergegeven van de locatie.

pagina 7 van 18

2.2

Vooronderzoek

Het vooronderzoek is uitgevoerd volgens de Nederlandse norm NEN 5725 (ICS 13.080.01;13.080.05 oktober 2023). De bij het vooronderzoek verzamelde informatie is gebruikt voor het opstellen van een adequate onderzoekshypothese en onderzoeksstrategie en draagt bij aan de verklaring van de resultaten van het bodemonderzoek. De informatie ten behoeve van het vooronderzoek is verzameld aan de hand van de volgende bronnen: 2.2.1

bodeminformatiesysteem provincie Fryslân; het archief van de gemeente Heerenveen; rapportages voorgaande onderzoeken; www.bodemloket.nl; www.topotijdreis.nl; www.bagviewer.nl; perceelloep. Historie en toekomst van de locatie

De woning aan de Schoterlandseweg 39 dateert uit 1920, de woning aan de Schoterlandseweg 41 dateert uit 1936. Voor deze periode waren beide percelen onbebouwd (bron: topotijdreis). Na de sloop van beide woningen zal de onderzoekslocatie de bestemming van parkeervoorziening krijgen. Op de onderstaande figuur 2.2 is de toekomstige terreininrichting weergegeven.

Figuur 2.2: toekomstige terreininrichting Schoterlandseweg 39 en 41 Nieuwehorne (bron: BBAW)

pagina 8 van 18

2.2.2

Eerder uitgevoerde onderzoeken

Op de percelen aan de Schoterlandseweg 39 en 41 is tot heden geen bodemonderzoek verricht. Op belendende percelen zijn de onderstaande bodemonderzoeken verricht: 

Verkennend onderzoek met rapportnummer 10289-59821 d.d. 31-12-1994. Dit onderzoek is verricht door Oranjewoud.

Uit dit onderzoek is gebleken dat zintuiglijk geen verontreinigingen zijn vastgesteld. Analytisch vertoonde de bovengrond verhoogde gehaltes met lood en PAK. In de ondergrond zijn geen verontreinigingen vastgesteld. Het grondwater was destijds licht verontreinigd met chroom en zink. 

Verkennend bodemonderzoek Schoterlandseweg 43-45 Nieuwehorne, projectnummer 211022 d.d. 06-05-2011. Dit onderzoek is verricht door Verhoeve Advies & Realisatie bv.

Dit onderzoek is verricht in verband met een uitbreiding van het winkelpand en de sloop van het pand op nummer 45. Uit het onderzoek is gebleken dat zintuiglijk geen afwijkingen zijn aangetoond. Analytisch vertoont de bovengrond een lichte verontreiniging met lood. In de ondergrond zijn geen verontreiniging bepaald. Het grondwater vertoonde een lichte verontreiniging met barium. 

Verkennend milieukundig bodemonderzoek uitbreiding supermarkt aan de Schoterlandseweg 41 in Nieuwehorne, projectnummer 8324 d.d. 2 augustus 2023. Dit onderzoek is verricht door Koops grondmechanica.

Uit dit onderzoek is gebleken dat plaatselijk in de grond bijmenging met baksteen is vastgesteld. Analytisch vertoonde de grond plaatselijk een lichte verontreiniging met lood en zink. Het grondwater vertoonde geen verontreinigingen. 2.2.3

Bodemopbouw en geohydrologie

Voor de informatie in de voorliggende paragraaf is gebruik gemaakt van DINO loket, BRO REGIS II v.2.2.1. In de onderstaande tabel 2.1 is een overzicht opgenomen van de diepere bodemsamenstelling in de nabije omgeving. Tabel 2.1: Bodemsamenstelling (maaiveldhoogte m - mv). Hydrogeolische eenheid

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Heerenveen&id=76fd93ca-5510-4d91-bf03-2d6476fe144d