Bijlage 1. Aanvraagformulier en bijlagen
Tekst van het document
Het GR bestaat uit de cumulatieve kans per jaar dat een groep van een bepaalde omvang overlijdt als gevolg van een calamiteit met een inrichting of een transportmodaliteit. Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb) Dit besluit is van toepassing op bestemmingsplannen die liggen binnen invloedgebieden van hogedruk aardgastransportleidingen. Op basis van dit Besluit (vergelijkbaar met het Bevi) dienen plannen te 24
worden getoetst aan de grens- en richtwaarde voor het PR en de oriëntatiewaarde voor het GR oriëntatiewaarde voor het GR. Transport van gevaarlijke stoffen over de weg, het spoor en het water (Bevt) Op het transport van gevaarlijke stoffen is het Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt) van toepassing. Deze regeling is op 1 april 2015 in werking getreden. Op grond van dit besluit moet het bevoegd gezag bij het nemen van ruimtelijke besluiten die voorzien in nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen in de omgeving van een weg, een spoorlijn of een vaarweg waarover gevaarlijke stoffen worden vervoerd, voorgeschreven minimale afstanden ten opzichte van die weg, spoorlijn of vaarweg in acht nemen. Analyse In het kader van onderliggend ontwikkeling is de risicokaart geraadpleegd. Op de volgende afbeelding is een uitsnede uit deze kaart weergegeven.
Uitsnede risicokaart met daarbinnen het plangebied . Bron: risicokaart.nl.
Hieruit blijkt dat zich in de directe omgeving van het plangebied risicobronnen bevinden waarvan de risicocontouren of het invloedsgebied zijn gelegen binnen het plangebied. Het betreft de volgende risicobronnen: − −
Transport van gevaarlijke stoffen over Rijksweg A32; Een buisleiding te weten een aardgastransportleiding van de Nederlandse Gasunie.
Voorliggend plan dient getoetst te worden aan deze risicobronnen. Daarbij is gebruik gemaakt van de risicokaart en zijn ook de overwegingen van het naastgelegen woningbouwplan geraadpleegd en gehanteerd. Ook heeft AVIV de risico’s in kaart gebracht. Voor een rapportage van de onderzoeksresultaten wordt verwezen naar bijlage 7. Transport van gevaarlijke stoffen over de weg Toetsingskader bij beoordeling van risico’s van vervoer van gevaarlijke stoffen bij ruimtelijke ordeningsbesluiten is het in de Wet vervoer gevaarlijke stoffen vastgelegde basisnet. Het Basisnet is
25
per 1 april 2015 van kracht. Voor het wettelijk vastleggen van de regels voor de ruimtelijke ordening rondom het basisnet is er het Bevt. Verder is de Regeling basisnet (Rbn) opgesteld. In de Rbn staat waar risicoplafonds liggen langs transportroutes en welke regels er gelden voor ruimtelijke ontwikkeling. In artikel 8 van het Bevt staat dat wanneer een plan binnen een afstand van 200 meter van een transportroute is gelegen, het GR dient te worden verantwoord. Aangezien het plangebied geheel binnen 200 meter vanaf de A32 is gelegen, is deze weg relevant in verband met transport van gevaarlijke stoffen. De A32 is een basisnetroute in de zin van het Basisnet. In de artikelen 14 en 15 van de Rbn is aangegeven dat berekeningen uitgevoerd dienen te worden overeenkomstig de rekenmethodiek transportrisico’s met behulp van het rekenprogramma RBM II of de Handleiding Risicoanalyse Transport (hierna: HART). In de HART staat uitvoerig beschreven op welke wijze de risicoberekening uitgevoerd moet worden. Daarbij wordt ook aangegeven welke gegevens (vervoer en populatie) daarbij ingevoerd moeten worden. In de Nota van toelichting op het Bevt en de Nota van toelichting op de Beleidsregels EV is aangegeven dat in sommige gevallen de berekening van het PR en het GR achterwege kan blijven.
Hiervoor zijn in de HART vuistregels in de vorm van drempelwaarden voor vervoersaantallen opgesteld die de gebruiker een indicatie geven van de hoogte van het PR of GR. Met de vuistregels kan ingeschat worden of de vervoersaantallen, bebouwingsafstanden en/of aanwezigheidsdichtheden te klein zijn om tot een overschrijding van grenswaarde of richtwaarde voor het PR dan wel tot een overschrijding van de oriëntatiewaarde of 0,1 maal de oriëntatiewaarde voor het GR te kunnen leiden. De drempelwaarde voor 0,1 maal de oriëntatiewaarde voor het GR geeft een indicatie dat zeker een GR-berekening moet worden uitgevoerd. In vrijwel alle gevallen wordt het GR bepaald door stofcategorie GF3 (LPG). Voor de uitkomst van de GR-berekening is het dan voldoende nauwkeurig om de bevolkingsdichtheid te inventariseren tot 300 meter van de as van de weg. Verantwoording GR Conform artikelen 7 en 8 van het Bevt dient in de toelichting bij een bestemmingsplan, voor zover het gebied waarop dat plan betrekking heeft binnen het invloedsgebied van een transportroute waarover gevaarlijke stoffen worden vervoerd, het GR te worden verantwoord. Indien het GR, gelet op de redelijkerwijs te verwachten verandering van de dichtheid van personen, met niet meer dan tien procent toeneemt mag hier van worden afgezien.
De twee woningen voorzien niet in een toename van de dichtheid van personen binnen het invloedsgebied met meer dan tien procent. Derhalve is een verantwoording van het GR van de A32 niet van toepassing. Conform artikel 9 van het Bevt dient het bestuur van de veiligheidsregio gelegenheid te worden gesteld om in verband met het GR advies uit te brengen. Resultaten transport over de A32 Plaatsgebonden risico Bij het Basisnet weg gelden de afstanden die in bijlage 1 bij de regeling Basisnet zijn opgenomen [4]. Voor het traject ter hoogte van de beoogde ontwikkeling geldt een PR-plafond van 0 m. Dit betekent 26
dat het plaatsgebonden risico vanwege het vervoer van gevaarlijke stoffen op het midden de weg, niet meer mag bedragen dan 10-6 per jaar. Het plaatsgebonden risico vormt daarmee geen belemmering voor het plangebied. Groepsrisico Het groepsrisico is berekend voor zowel de huidige als de toekomstige situatie. Tabel 3 toont de hoogte van het groepsrisico ten opzichte van de oriëntatiewaarde. Er is aangegeven hoeveel de berekende frequentie op een bepaald aantal slachtoffers maximaal afwijkt van de oriëntatiewaarde. Een factor 0.047 betekent bijvoorbeeld dat het groepsrisico meer dan 21 keer kleiner is dan de oriëntatiewaarde. Uit de berekening blijkt dat het groepsrisico kleiner is dan 10% van de oriëntatiewaarde en door het plan niet toeneemt. Plasbrandaandachtsgebied Het plasbrandaandachtsgebied (PAG) is het gebied tot 30 m van de weg waarin, bij de realisering van (kwetsbare) objecten, rekening dient te worden gehouden met de effecten van een plasbrand. De 30 m voor het PAG wordt gemeten vanaf de buitenste kantlijn van de rechterrijstrook. Volgens de regeling Basisnet geldt voor deze route geen plasbrandaandachtsgebied. Aardgastransportleiding In de nabijheid van het plangebied loopt een hogedruk aardgastransportleiding van N.V. Nederlandse Gasunie (hierna: Gasunie). Omdat sprake is van een hogedruk aardgastransportleiding is het Bevb van toepassing.
De voor het plangebied relevante leiding heeft de volgende kenmerken:
1% en 100% letaliteitszone Binnen de 100% letaliteitszone zullen alle aanwezige personen komen te overlijden ingeval van een incident. Daarbij maakt het niet uit of men zich binnens- of buitenshuis bevindt. De 1% letaliteitszone is dat deel van het invloedsgebied waarin de letaliteit afneemt van 100% (de rand van de 100% letaliteitszone) tot 1% (de rand van het invloedsgebied). In dit gebied wordt aangenomen dat personen binnenshuis voldoende bescherming hebben van het gebouw waarin zij zich bevinden. De slachtoffers vallen daarom met name buitenshuis. Invloedgebied Het invloedsgebied van de transportleiding valt over het plangebied. Wanneer een plan in het gebied tussen de 100% en 1% letaliteitszone ligt dient een beperkte verantwoording van het GR plaats te vinden. Bij een beperkte verantwoording dienen de volgende elementen betrokken te worden: de personendichtheid binnen het invloedsgebied, de hoogte van het GR, de bestrijdbaarheid/beperking van de omvang van een incident en de zelfredzaamheid. In voorliggend geval dient een beperkte verantwoording plaats te vinden omdat het plangebied buiten de 100% letaliteitszone ligt.
27
Het Bevb stelt dat geen kwetsbare objecten mogen voorkomen binnen de 10-6 contouren van leidingen waarin gevaarlijke stoffen worden getransporteerd. Als dat toch het geval is, dan is er sprake van een zogenaamd knelpunt. Wettelijke verantwoordingsplicht Bij de vaststelling van een plan (gelegen binnen de 100%-letaliteitszone van de leiding), op grond waarvan de aanleg van een buisleiding, of de aanleg, bouw of vestiging van een kwetsbaar of een beperkt kwetsbaar object wordt toegelaten, wordt tevens het groepsrisico in het invloedsgebied van de buisleiding verantwoord. Het Bevb introduceert een nieuwe onderverdeling van situaties waarin een ‘volledige’ verantwoording van het groepsrisico noodzakelijk is en situaties waarin met een beperktere verantwoording kan worden volstaan. Er zijn twee situaties waarin volstaan kan worden met een beperkte verantwoording (art. 12, lid 3): 1. Indien het ruimtelijk besluit betrekking heeft op het gebied tussen de 100% letaliteitszone en de 1% letaliteitszone van de buisleiding (in geval van toxische stoffen tussen de 1% letaliteitszone en de afstand waarop het plaatsgebonden risico gelijk is aan 10-8). 2. a. als het groepsrisico onder 0.1 keer de oriëntatiewaarde blijft; of b. als het groepsrisico minder dan 10% toeneemt. In een beperkte verantwoording van het groepsrisico hoeven slechts vier zaken aan de orde te komen, namelijk: a) b) c) d)
De personendichtheid in het invloedsgebied van de buisleidingen. De hoogte van het groepsrisico. De bestrijdbaarheid. De zelfredzaamheid.
Een nadere beschouwing van risico reducerende maatregelen en ruimtelijke alternatieven met een lager groepsrisico is in dat geval niet nodig. Resultaten hogedruk aardgasleiding Plaatsgebonden risico Ter plaatse van het plangebied is geen sprake van een PR 10-6-contour. Het plaatsgebonden risico vormt daarmee geen belemmering voor de realisatie van het plan. Groepsrisico Het groepsrisico is berekend voor de huidige en de toekomstige situatie. De mate van overschrijding van het groepsrisico wordt uitgedrukt als de maximale factor tussen de berekende fN-curve en de oriëntatiewaarde fN2 = 10-2 voor meer dan 10 slachtoffers. Een factor van 1. 10-3 betekent dat de berekende frequentie van de fN-curve duizend keer kleiner is dan oriëntatiewaarde (bij een bepaald aantal slachtoffers). In bijlage 6 is het door Carola automatisch gegenereerde rapport voor de toekomstige situatie opgenomen met daarin de gedetailleerde uitkomsten van de berekeningen. Hieruit blijkt dat blijkt dat het groepsrisico bij het plangebied zowel in de huidige als de toekomstige situatie kleiner is dan 10% van de oriëntatiewaarde.
28
Conclusie Het plaatsgebonden risico van de wegroute vormt geen belemmering voor de ruimtelijke ontwikkeling. Het groepsrisico van de A32 is in zowel de huidige als de toekomstige situatie gelijk aan 0.047 keer de oriëntatiewaarde. In zowel de huidige als de toekomstige situatie is het groepsrisico lager dan 0.1 keer de oriëntatiewaarde. De verantwoording van het groepsrisico kan daarom achterwege blijven. Wel dient het bestuur van de veiligheidsregio in de gelegenheid te worden gesteld om advies uit te brengen. In de toelichting bij het besluit dient in elk geval in te worden gegaan op de mogelijkheden tot voorbereiding van bestrijding en beperking van de omvang van een ramp en de mogelijkheden voor personen om zich in veiligheid te brengen indien een ramp zich voordoet. Het plaatsgebonden risico en het groepsrisico van aardgasleiding N-500-20 zijn berekend. Ter plaatse van het plangebied is geen sprake van een PR 10-6-contour. Het plaatsgebonden risico van de aardgasleiding vormt daarmee geen belemmering voor de ruimtelijke ontwikkeling. Het groepsrisico, in zowel de huidige als de toekomstige situatie, lager dan 10% van de oriëntatiewaarde. Dit betekent dat volstaan kan worden met een beperkte verantwoording van het groepsrisico, zoals in voorliggend plan is gedaan.
5.9 Luchtkwaliteit Kader Met betrekking tot de luchtkwaliteit moet rekening worden gehouden met het gestelde in de Wet milieubeheer (Wm), hoofdstuk 5, titel 5.2 Luchtkwaliteitseisen en de bijbehorende bijlagen. In deze wet en de daarop gebaseerde regelingen - Besluit NIBM (luchtkwaliteitseisen) en Regeling NIBM (luchtkwaliteitseisen) - is getalsmatig vastgelegd dat bepaalde projecten 'niet in betekenende mate' (NIBM) bijdragen aan de luchtverontreiniging. Het begrip 'niet in betekenende mate' is gedefinieerd als 3% van de grenswaarde voor stikstof (NO2), fijnstof (PM10) en zeer fijn stof (PM2,5) In de Regeling NIBM is een lijst met categorieën van gevallen (inrichtingen, kantoor- en woningbouwlocaties) opgenomen die niet in betekenende mate bijdragen aan de luchtverontreiniging. Deze gevallen kunnen zonder toetsing aan de grenswaarden voor het aspect luchtkwaliteit uitgevoerd worden. Luchtkwaliteitseisen vormen onder de Wet milieubeheer geen belemmering voor ruimtelijke ontwikkeling als: -
Er geen sprake is van een feitelijke of dreigende overschrijding van een grenswaarde; Een project, al dan niet per saldo, niet tot een verslechtering van de luchtkwaliteit leidt; Een project is opgenomen in een regionaal programma van maatregelen of in het NSL; Een project ‘niet in betekenende mate’ bijdraagt aan de luchtverontreiniging.
Analyse Het plan betreft de bouw van twee vrijstaande woningen. Het betreft hier een plan categorie 3A.2 overeenkomstig bijlage 3a van de Regeling niet in betekenende mate bijdragen (milieukwaliteitseisen). Per ontsluitingsweg worden minder dan 1.500 woningen en/of minder dan 100.000 m2 bvo kantoor gerealiseerd. Volgens bijlage 3B van de Regeling draagt het plan hierdoor ‘niet in betekenende mate’ bij. Er hoeft daarom niet getoetst te worden aan de grenswaarden voor stikstofdioxide en fijn stof PM10/PM2,5. 29
Conclusie Het plan draagt niet in betekenende mate bij aan de luchtverontreiniging. Het voorziene plan is op basis van het aspect luchtkwaliteit uitvoerbaar.
5.10 Verkeer en parkeren Kader In het kader van ruimtelijke plannen dient te worden aangetoond dat het plan niet leidt tot ongewenste situaties ten aanzien van parkeren. Om de parkeerbehoefte te bepalen wordt door de gemeente Heerenveen de ‘Nota Parkeernormen Gemeente Heerenveen’ gehandhaafd. Binnen dit kader is het uitgangspunt dat de parkeereis op eigen terrein wordt gerealiseerd. De parkeerplaatsen moeten voldoen aan de gestelde richtlijnen van het CROW. In de beleidsregel is per woningbouwtype gecombineerd met de doelgroep en de ligging van de woning een normering van toepassing. Deze wordt door de gemeente gehanteerd voor onderliggend plan. Het bevoegd gezag kan pas een omgevingsvergunning verlenen onder de activiteit bouwen in het geval van nieuwbouw, uitbreiding of functiewijziging van gebouwen en/of voorzieningen, wanneer op eigen terrein wordt voorzien in voldoende parkeergelegenheid. Er is sprake van voldoende parkeergelegenheid, indien voldaan wordt aan de parkeernormen en overige eisen (zoals maatvoering) zoals die zijn opgenomen in de ‘Nota Parkeernomen Gemeente Heerenveen’. Analyse Bereikbaarheid Het plan voorziet niet in een wijziging van de voorziene verkeersstructuur.
Het voorziene plan ligt de resterende bebouwde kom en is, zoals dat nu ook gebeurt, in de voorziene situatie goed bereikbaar via de Koningin Julianaweg, Prinses Margrietlaan en de Prinses Marijkelaan. Parkeren Ter plaatse van het plangebied geldt de ‘partiele herziening bestemmingsplannen parkeren’ (2021). In dit bestemmingsplan is opgenomen op welke wijze de gemeente met de parkeeropgave omgaat bij ruimtelijke ontwikkelingen. Daarbij wordt verwezen naar te hanteren parkeernormen naar de 'Nota parkeernormen gemeente Heerenveen 2020’, zoals door de gemeenteraad op 14 juli 2020 is vastgesteld. .De 'Nota parkeernormen' bevat het te doorlopen stappenplan rondom het bepalen van de parkeerbehoefte, de te hanteren parkeernormen en de spelregels over parkeren op eigen terrein. Uitgangspunt is dat er op eigen terrein wordt geparkeerd. Opgave Het voorziene plan voorziet in twee vrijstaande koop woningen in een matig stedelijk gebied in de rest bebouwde kom. Voor deze woningen geldt een parkeernorm van 2 parkeerplaats (inclusief 0,3 bezoekersparkeren) per woning, wat neer komt op 4 plaatsen. Conclusie De 4 parkeerplaatsen worden op eigen terrein aangelegd. Het plan is op basis van het aspect ‘Verkeer en parkeren’ uitvoerbaar.
30
5.11 M.E.R. - beoordeling Beleidskader Op 7 juli 2017 is het gewijzigde Besluit m.e.r. in werking getreden. De wijziging van het Besluit m.e.r. volgt uit de implementatie van artikel 1, vierde lid, onder a en b, van Richtlijn 2014/52/EU van de Europese Unie. De artikelen 7.16 tot en met 7.20a van de Wet milieubeheer (Wm) zijn in de nieuwe wetgeving voor alle in het Besluit m.e.r. genoemde activiteiten van de D-lijst van toepassing, waarbij het niet uitmaakt of het een activiteit betreft boven of onder de D-drempel. In het gewijzigde Besluit m.e.r. is de procedure voor de vormvrije m.e.r.-beoordeling beschreven. Voor elke aanvraag, waarbij een vormvrije m.e.r.-beoordeling aan de orde is, dienen de volgende stappen genomen te worden. 1. De initiatiefnemer stelt een aanmeldingsnotitie op. Indien de gemeente initiatiefnemer is hoeft die geen aanmeldnotitie op te stellen. 2. Het bevoegd gezag neemt binnen 6 weken een m.e.r.-beoordelingsbesluit. Dit besluit hoeft niet in de Staatscourant gepubliceerd te worden. 3. De initiatiefnemer voegt het (vormvrije) m.e.r.-beoordelingsbesluit bij de vergunningaanvraag (Artikel 7.28 Wet milieubeheer).
Vormvrije m.e.r-beoordeling Het besluit tot het verlenen van een omgevingsvergunning heeft betrekking op activiteiten die voorkomen op de D-lijst (D11.2: de aanleg, wijziging of uitbreiding van een stedelijk ontwikkelingsproject met inbegrip van de bouw van winkelcentra of parkeerterreinen) uit het Besluit m.e.r. Voor deze activiteit zijn drempelwaarden opgenomen voor de omvang het stedelijke ontwikkelingsproject. Deze drempelwaarden betreffen stedelijke ontwikkelingsprojecten met een omvang van: • • •
een oppervlakte van 100 hectare of meer, een aaneengesloten gebied dat 2.000 of meer woningen omvat of een bedrijfsvloeroppervlakte van 200.000 m² of meer.
De oppervlakte van de voorgenomen activiteit blijft onder de drempelwaarden van 100 hectare en het bedrijfsvloeroppervlakte van 200.000 m². De voorgenomen activiteit voorziet niet in het bouwen van 2.000 of meer woningen. Er is gelet op aard en omvang van het plan geen sprake van een stedelijke ontwikkeling. De kenmerken van het project worden in hoofdstuk 3 beschreven. Aangezien de ontwikkeling zich beperkt tot het realiseren van twee woningen afgestemd op de ruimtelijke en functionele structuur van het gebied, zijn de effecten van het plan op de omgeving positief. Het realiseren van de woningen heeft geen milieukundige effecten op de omgeving. De effecten hebben met name te maken met een zeer beperkte toename van verkeer en de afvoer van huishoudelijk afval. Er treden ten gevolge van het plan geen effecten op kwetsbare gebieden op. Van cumulatie met andere projecten is geen sprake. Het gaat om op een opzichzelfstaande ontwikkeling. In aanvulling op het voorgaande zijn in het kader van de voorgenomen ontwikkeling de belangrijkste milieuaspecten in beeld gebracht in dit hoofdstuk. Tezamen met de overige hoofdstukken vormen
31
deze paragrafen de zogenaamde milieueffectrapportage.
aanmeldingsnotitie
in
het
kader
van
het
Besluit
Conclusie Geconcludeerd wordt dat er geen sprake is van een ontwikkeling die invloed heeft op het milieu. Belangrijke milieugevolgen kunnen worden uitgesloten. De uitgevoerde analyse geeft voldoende inzicht in de milieugevolgen om een gewogen besluit omtrent voorliggend plan en een eventueel op te stellen m.e.r. te kunnen nemen. Het opstellen van een milieueffectrapportage zal geen verder inzicht verschaffen op de relevante milieuaspecten.
32
6
Maatschappelijke en economische uitvoerbaarheid
6.1 Algemeen Conform artikel 3.1.6 van het Bro dient bij de voorbereiding van een ruimtelijke procedure onderzoek te worden ingesteld naar de uitvoerbaarheid van het plan. Bij de uitvoering van een plan kan in zijn algemeenheid onderscheid worden gemaakt tussen de maatschappelijke uitvoerbaarheid en de economische uitvoerbaarheid. Bij maatschappelijke uitvoerbaarheid gaat het er om hoe de verwezenlijking door de maatschappij (overheid en burgers samen) wordt gedragen. Bij het tweede gaat het om de kosten en andere economische aspecten die met de verwezenlijking van het plan samenhangen. Tevens is in de Wet ruimtelijke ordening (Wro) geregeld dat in het kader van een ruimtelijk plan voor bepaalde bouwplannen de grondexploitatieregeling van toepassing is.
6.2 Maatschappelijke uitvoerbaarheid In het kader van het vooroverleg heeft de ontwikkelaar de plannen toegelicht aan en besproken met direct omwonenden. Daarbij is vermeld dat de plannen zijn afgestemd op de eerder vergunde woningen in hetzelfde lint, waarbij rekening is gehouden met de wensen van de omwonenden.
6.3 Economische uitvoerbaarheid Onderliggend initiatief wordt uitgevoerd op risico van commerciële partijen. Alle kosten die verbonden zijn aan de uitvoering van het initiatief, inclusief de kosten die voortvloeien uit planschade ten gevolge van dit plan, zijn voor rekening van deze initiatiefnemer.
33
Bijlagen Bijlage 1. Bomeneffect analyse
34
Bijlage 2. Ecologische quickscan
35
Bijlage 3. AERIUS-berekening
36
Bijlage 4. Bodemonderzoek
37
Bijlage 5a. Akoestisch onderzoek wegverkeerslawaai.
38
Bijlage 5b. Onderzoek geluidwering gevels.
39
Bijlage 6. Digitale watertoets
40
Bijlage 7. Onderzoek externe veiligheid
41
Postadres: Korenbloemstraat 30, 8012 XS Zwolle | info@bureaupena.nl | www.bureaupena.nl