1.7 Bijlage 7 Bestemmingsplan Klaverblad Noordoost_sm
Tekst van het document
Op basis van de resultaten uit het verkennende booronderzoek is geadviseerd ter plaatse van boringen met een (grotendeels) intacte podzol aanvullende karterende boringen uit te voeren. Inventariserend veldonderzoek door middel van karterende boringen Dit archeologische vervolgonderzoek is ook door Sweco uitgevoerd (zie bijlage 10 bij dit bestemmingsplan). De in de karterende boringen aangetroffen bodemopbouw komt sterk overeen met die zoals aangetroffen tijdens het verkennend booronderzoek. In een groot aantal boringen is er sprake van een verstoorde tussenlaag tussen de bouwvoor en het onderliggende dekzand. In deze verstoorde laag zijn veenbrokken en resten van een podzol aanwezig. In de 66 uitgevoerde karterende boringen zijn in zes gevallen opnieuw intacte podzols aangetroffen. In de overige boringen was de bodemopbouw niet meer intact en
27
bestond deze uit een bouwvoor op het onveranderde moedermateriaal (dekzand). Enkele boringen was een relatief diepe verstoring aanwezig van meer dan 0,7 m-mv. In het zeefresidu van twee boringen zijn enkele kleine fragmenten vuursteen aangetroffen en verzameld. Deze fragmenten zijn beoordeeld door een vuursteenspecialist. In de overige boringen zijn in de zeefresiduen geen archeologische indicatoren en/of vondsten aangetroffen. Op basis van de resultaten van het inventariserend veldonderzoek wordt voor het archeologisch onderzochte deel van het plangebied geen vervolgonderzoek aanbevolen. De voorgenomen bodemingrepen kunnen hier zonder archeologisch voorbehoud worden uitgevoerd. Voor de delen van het plangebied die nog niet volledig archeologisch zijn onderzocht (omdat hier in het kader van de gebiedsontwikkeling geen bodemingrepen zijn voorzien), wordt in het bestemmingsplan een beschermingsregime opgenomen. Dit regime voorziet erin dat bij toekomstige bodemingrepen alsnog archeologisch onderzoek wordt uitgevoerd. Conclusie Het aspect archeologie vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van het plan. 4.4
Waterparagraaf
Wet- en regelgeving Op grond van artikel 3.1.6 van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) dient in de toelichting op ruimtelijke plannen een zogenoemde waterparagraaf te worden opgenomen. In deze waterparagraaf moet uiteengezet worden of en in welke mate het plan in kwestie gevolgen heeft voor de waterhuishouding. Voor het planvoornemen is een waterstructuurplan opgesteld. Onderzoek Als gevolg van een toename aan verharding binnen de contouren van het plan, onder andere door de aanleg van het bedrijventerrein, is er in het kader van het bestemmingsplan een waterstructuurplan opgesteld (zie bijlage 2). Deze notitie beschrijft de kenmerken van het plangebied zoals de hoogteligging, de bodemopbouw en de geohydrologie, evenals de leggergegevens van de watergangen en de waterpeilen. Het plangebied bestaat uit twee peilgebieden. Het oostelijk deel heeft een peil van NAP – 2,30 m en het westelijk deel NAP – 2,60 m. De peilscheiding tussen deze peilgebieden dient in stand te blijven. Door het plangebied loopt een hoofdwatergang met aan weerszijden een onderhoudsstrook van 5 meter. Hiermee is rekening gehouden bij het ontwerp van het bedrijventerrein en het zonnepark. Compensatie Binnen het plangebied worden een aantal watergangen gedempt. Deze dienen in zijn geheel gecompenseerd te worden.
Daarnaast dient de toename van het verhard oppervlak (van fase 1 en 2 van het bedrijventerrein) voor 10% gecompenseerd te worden. In de huidige situatie is er sprake van 0,4 ha verhard oppervlak binnen het plangebied. In de toekomstige situatie neemt het verhard oppervlak toe met 22,5 ha tot 22,9 ha. Dat betekent dat er 2,3 ha gecompenseerd dient te worden in oppervlaktewater. Het plan voorziet in 2,7 ha aan nieuw oppervlaktewater. Dat betekent dat er binnen het VO voldoende rekening gehouden is met compensatie de toename van verhard oppervlak voor zowel fase 1 als fase 2 van het bedrijventerrein. Ook wordt een voorstel gedaan voor het (zo lang mogelijk) vasthouden van schoon hemelwater in het gebied en het afvoeren van afvalwater.
28
Op 18 oktober 2021 is een digitale watertoets toegestuurd aan het Wetterskip Fryslan. Het toegestuurde watertoetsdocument is opgenomen in bijlage 3 bij dit bestemmingsplan. Hierop heeft het waterschap per mail gereageerd dat de normale procedure kan worden doorlopen. Daarnaast heeft Wetterskip gereageerd in het kader van het vooroverleg (zie paragraaf inspraak en vooroverleg). Conclusie Met de onderhoudsstroken van 5 meter aan weerszijden van de hoofdwatergang is rekening gehouden in het plan. Er wordt voldaan aan de compensatieopgave als gevolg van het dempingen en toename van verhard oppervlak. Het aspect water vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van het plan. 4.5
Bodem
Wet- en regelgeving Uitgangspunt van een goede ruimtelijke ordening is dat de bodemkwaliteit geschikt is voor de beoogde bestemming en de daarin toegestane gebruiksvormen. Dit betekent dat het aspect bodemkwaliteit voor vrijwel alle nieuwe ontwikkelingen, die met ruimtelijke plannen mogelijk worden gemaakt, onderzocht moet worden. In het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) is bepaald dat in de toelichting op een bestemmingsplan inzicht verkregen moet worden over de uitvoerbaarheid van het plan. Dit betekent dat er onder andere inzicht verkregen moet worden in de noodzakelijke financiële investering van een (mogelijk noodzakelijke) bodemsanering. Hierbij moet worden opgemerkt dat ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening het bestemmen van gronden met een bodem van onvoldoende milieuhygiënische kwaliteit met een hiervoor gevoelige bestemming in beginsel moet worden voorkomen. Onderzoek Geomorfologie Op de geomorfologische kaart van de provincie valt het plangebied binnen een dekzandvlakte met een bodemopbouw in zand.
29
Figuur 4.4: Uitsnede bodematlas: bodemopbouw – geomorfologie
Aardkundige waarden Er zijn geen aardkundig waardevolle gebieden in de nabijheid van het plangebied. Het dichtstbijzijnde gebied ligt ongeveer 3 km ten noorden van het plangebied. Het betreft het gebied De Deelen. Het veengebied De Deelen ligt op de grens tussen een voormalig marien (zee) gebied in het noorden en een zandgebied in het zuiden. Het is een gebied dat net als het plangebied bestaat uit afwisselend legakkers en petgaten. Bodemkwaliteit Uit vooronderzoek naar de milieuhygiënische bodemkwaliteit (Sweco, 2021, bijlage 11) blijkt dat verschillende deellocaties binnen het plangebied verdacht worden op verontreiniging.
In het onderzoek wordt geadviseerd de deellocaties Pastoriesingel 44, de puinpaden aan de noordzijde van de onderzoekslocatie en de verdachte dammen waar puin en een sterke bodemverontreiniging in het verleden zijn aangetroffen te laten onderzoeken. Tevens dienen de dammen waar grondverzet plaats gaat vinden onderzocht te worden. De overige delen van de onderzoekslocatie zijn in het verleden onderzocht en onverdacht op
30
bodemverontreiniging. Omdat de beschikbare bodemonderzoeken ouder dan 5 jaar zijn en de grond niet is onderzocht op PFAS wordt voor de grondroerende werkzaamheden geadviseerd het bodemonderzoek te actualiseren. Het verkennend (water)bodemonderzoek naar de hiervoor genoemde verdachte locaties heeft inmiddels plaatsgevonden (Sweco, 4 feb. 2022, bijlage 12). Hieruit blijkt dat er ter plaatse van twee dammen verontreinigingen zijn aangetroffen. Voor het overige, staat de uitkomst de ontwikkeling niet in de weg en zijn de gronden geschikt voor het toekomstige gebruik. Na realisatie van de inrichting, zal er voor uitgifte van de percelen/kavels, onderzoek plaatsvinden in het kader van de overdracht. Op twee locaties aan de Pastoriesingel is verhardingsmateriaal aanwezig dat verwijderd zal worden. In een onderzoek is milieuhygiënische kwaliteit van het asfalt en funderingsmateriaal vastgesteld (zie bijlage 13). De gemeente zal het verhardingssmateriaal conform de geldende regelgeving afvoeren. Conclusie Het aspect bodem vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van het plan. 4.6 Milieuzonering In het kader van een goede ruimtelijke ordening en bescherming van het woon- en leefklimaat is het van belang om inzicht te krijgen in relevante milieuhinder aspecten. Hiervoor wordt de methode milieuzonering gebruikt.
Deze methode bestaat uit het aanbrengen van een ruimtelijke scheiding tussen milieubelastende (bijvoorbeeld een bedrijf) en milieugevoelige objecten (bijvoorbeeld woningen). Sommige functies kunnen zowel milieubelastend als milieugevoelig zijn (bijvoorbeeld scholen). Vanwege dit ruimtelijk structurerend karakter kan een zonering in het bestemmingsplan juridisch worden vastgelegd. In het handboek 'Bedrijven en milieuzonering' worden milieuaspecten als geluid, geur, stof en gevaar uitgedrukt in richtlijnafstanden die wenselijk worden geacht tussen milieubelastende en milieugevoelige functies. De richtlijnafstand is gebaseerd op een minimale afstand tot aaneengesloten woonbebouwing. Het betreffen indicatieve afstanden die bij voorkeur worden aangehouden. De richtafstanden van de VNG-publicatie gelden tot het gebiedstype 'rustige woonwijk'. In bepaalde gevallen kan gemotiveerd worden dat er geen sprake is van een 'rustige woonwijk', maar een 'gemengd gebied'. Dit is bijvoorbeeld het geval bij een lint in een dorpskern waar meerdere functies naast elkaar zitten. Of bij een gebied dat langs een drukke ontsluitingsweg ligt. Bij een 'gemengd gebied' kunnen de richtafstanden met 1 afstandsstap verkleind worden. Uitzondering hierop is de richtafstand voor externe veiligheid. Deze wordt niet verkleind. Voor het bedrijventerrein KNO geldt een maximale milieucategorie 4.2.
De richtafstand richting milieugevoelige functies is 300 meter of, bij aannemen van ‘gemengd gebied’ een afstandsstap kleiner, dus 200 meter). In onderstaande figuur is de ligging van verblijfsobjecten ten opzichte van de bedrijfskavels en de milieuzonering weergegeven. Binnen de 300 meter-zone is niet-agrarische bedrijfsfunctie gelegen aan de Pastoriesingel. Dit is geen milieugevoelig object zoals bedoeld in de handreiking Bedrijven en Milieuzonering. De meest nabijgelegen milieugevoelige functies (woonfuncties) zijn op circa 350 á 400 meter gelegen.
31
Figuur 4.4: Ligging verblijfsobjecten t.o.v. 300 meter-zone
4.7 Geluid Er is voor dit bestemmingsplan een akoestisch onderzoek uitgevoerd. Dit onderzoek is opgenomen in bijlage 14. Hieronder worden de bevindingen weergegeven. Wettelijk kader Wegverkeer Conform artikel 74, lid 1, van de Wet geluidhinder (Wgh) bevindt zich aan weerszijden van een weg een geluidzone. Binnen deze zone gelden de grenswaarden volgens de Wet geluidhinder. De wettelijke breedte van de geluidzone is afhankelijk van het aantal rijstroken van de weg en de aard van de omgeving (binnen- of buitenstedelijk gebied). Aan de uiteinden van een weg loopt de zone door over een afstand gelijk aan de breedte van de zone ter hoogte van het einde van de weg. Industrielawaai Voor de akoestische beoordeling van de in de omgeving te verwachten geluidniveaus is aangesloten bij het toetsingskader geldend voor (nieuwe) ruimtelijke ontwikkelingen als beschreven in de VNG-uitgave ‘Bedrijven en milieuzonering, handreiking voor maatwerk in de gemeentelijke ruimtelijke ordeningspraktijk’ (editie 2009). In eerste instantie kan worden gekeken naar de richtafstanden op grond van de toelaatbare milieucategorieën en de nabijgelegen geluidgevoelige bestemmingen. Buiten deze richtafstanden is geen onevenredige hinder te verwachten en is verder akoestisch onderzoek in principe niet nodig.
De aan te houden richtafstand is onder andere afhankelijk van de maximale toegestane milieucategorie en de gebiedstypering. Voor milieucategorie 4.2 is de richtafstand tot een ’rustige woonwijk’ 300 meter en tot een ’gemengd gebied’ 200
32
meter. Indien niet aan de richtafstanden kan worden voldaan is aanvullend akoestisch onderzoek nodig. Voor de in een dergelijk onderzoek berekende geluidbelasting gelden dan akoestische richt- en grenswaarden. De geluidbelasting vanwege het wegverkeer rijdend over de openbare weg naar en van het plangebied wordt aangeduid als indirecte hinder. Het toetsingskader voor indirecte hinder is afgeleid van de circulaire 'Beoordeling geluidhinder wegverkeer in verband met vergunningverlening Wm' van 29 februari 1996. Indirecte hinder moet worden meegenomen tot het verkeer op de openbare weg deel uitmaakt van het heersende verkeersbeeld. Onderzoek Wegverkeer De binnen het plangebied nieuw aan te leggen weg ligt in buitenstedelijk gebied en heeft overeenkomstig een zonebreedte van 250 m. In figuur 4.6 is deze zone met een rode arcering weergegeven. Uit de afbeelding volgt dat binnen de zone geen geluidgevoelige bestemmingen liggen. Een verdere beoordeling in het kader van de Wet geluidhinder kan daarmee achterwege blijven. De Wet geluidhinder vormt geen belemmering voor de aanleg van de nieuwe weg.
Figuur 4.6: Zone (rode lijn) nieuw aan te leggen weg binnen het plangebied
Industrielawaai De kortste afstand van de binnen het plangebied te realiseren bedrijventerreinen tot de dichtstbijzijnde woning (Haudmare 2) bedraagt ruim 380 m. Aan de richtafstand van 300 m wordt voldaan. In beginsel is daarmee geen potentiële geluidhinder te verwachten en kan nader onderzoek achterwege blijven. Voor de volledigheid zijn de vanwege het bedrijventerrein te verwachten geluidbelasting en maximale geluidniveaus aanvullend getoetst aan de VNG-richt- en grenswaarden. Hieruit blijkt dat de berekende geluidbelasting, uitgedrukt als etmaalwaarde, ten hoogst 45 dB(A) bedraagt ter plaatse van de woning Pastoriesingel 40. Aan de richtwaarde voor een rustige woonomgeving wordt ter plaatse juist voldaan. Bij alle andere woningen is de berekende geluidbelasting lager. Het berekende maximale geluidniveau bedraagt ten hoogste LAmax =
33
52 dB(A) in zowel de dag, avond- en nachtperiode (eveneens woning Pastoriesingel 40). Aan de richtwaarden van respectievelijk 65, 60 en 55 dB(A) in de dag- avond- en nachtperiode kan worden voldaan. De ontsluiting van het bedrijventerrein KNO vindt in hoofdzaak plaats via de rotonde van/naar de rijksweg A7. Op de Pastoriesingel noordelijk van de rotonde bedraagt de verkeersaantrekkende werking van het bedrijventerrein KNO naar verwachting 100 motorvoertuigen op werkdagen (90 als weekdaggemiddelde). De woningen aan de Pastoriesingel liggen op grote afstand van de rotonde. Ter plaatse is het verkeer opgenomen in het heersend verkeersbeeld. Een nadere beoordeling kan daarmee achterwege blijven. Los daarvan is de geluidbelasting ten gevolge van 100 motorvoertuigen per etmaal dermate gering dat zonder meer aan de voorkeurswaarde van 50 dB(A) kan worden voldaan. Conclusie Het aspect geluid vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van het plan. 4.8 Luchtkwaliteit Er is voor dit bestemmingsplan een luchtkwaliteitsonderzoek uitgevoerd. Dit onderzoek is opgenomen in bijlage 15. Hieronder worden de bevindingen weergegeven. Wettelijk kader Het wettelijk stelsel voor luchtkwaliteitseisen is opgenomen in hoofdstuk 5, titel 5.2 van de Wet milieubeheer (Wm). Dit wettelijk stelsel wordt ook wel de 'Wet luchtkwaliteit' genoemd.
De Wet luchtkwaliteit geeft het kwaliteitsniveau aan waaraan de buitenlucht moet voldoen om ongewenste effecten van luchtverontreiniging op de gezondheid van mensen te voorkomen. In deze wet zijn luchtkwaliteitsnormen vastgelegd voor onder meer stikstofdioxide (NO2) en fijn stof (PM10 en PM2,5). De Wet luchtkwaliteit schrijft voor dat bij ruimtelijke plannen onderzoek moet worden gedaan naar de effecten op de luchtkwaliteit. Hierbij moeten de huidige en toekomstige concentraties van luchtverontreinigende stoffen in het onderzoeksgebied worden getoetst aan de wettelijke luchtkwaliteitsnormen. Voor de genoemde stoffen zijn grenswaarden vastgelegd in bijlage 2 van de Wet milieubeheer. Tabel 4.1: Grenswaarden Wet milieubeheer
Onderzoek In het luchtkwaliteitsonderzoek zijn zowel de industriële bronnen als de verkeersaantrekkende werking van het bedrijventerrein KNO ingevoerd. Op een groot aantal rekenpunten in omgeving van KNO de concentraties NO 2, PM10 en PM2,5 berekend.
34
Uit de rekenresultaten volgt dat de ontwikkeling van het bedrijventerrein KNO niet leidt tot een overschrijding of naderende overschrijding van de grenswaarden als opgenomen in bijlage 2 van de Wet milieubeheer). Het aspect luchtkwaliteit vormt daarmee geen belemmering voor de bestemmingsplanplanprocedure. Conclusie Het aspect luchtkwaliteit vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van het plan. 4.9
Externe veiligheid
Wet- en regelgeving Externe veiligheid betreft het risico dat aan bepaalde activiteiten verbonden is voor niet bij de activiteit betrokken personen. Het externe veiligheidsbeleid richt zich op het voorkomen en beheersen van risicovolle bedrijfsactiviteiten en van risicovol transport. Het gaat daarbij om de bescherming van individuele burgers en groepen tegen ongevallen met gevaarlijke stoffen of omstandigheden. Het beoordelingskader externe veiligheid richt zich met name op het handelen met en het transport van gevaarlijke stoffen en kan naar risicobron grofweg als volgt ingedeeld worden: 1) Inrichtingen waar risicovolle activiteiten plaatsvinden; 2) Buisleidingen; 3) Vervoer over weg, water of spoor. Bij een bestemmingsplanwijziging moet het plangebied worden getoetst aan het vigerende beleid voor externe veiligheid. Om de ontwikkeling verder in procedure te kunnen brengen is het noodzakelijk aan te tonen dat de omgeving geen onaanvaardbare risico’s veroorzaakt voor de ontwikkeling. Het plaatsgebonden risico vanwege inrichten en het transport van gevaarlijke stoffen voor kwetsbare objecten mag niet hoger zijn dan de daarvoor geldende grenswaarde.
Ook mag de oriëntatiewaarde van het groepsrisico niet worden overschreden en op basis van onderzoek (en advies van de regionale brandweer) moet blijken dat er voldoende mogelijkheden zijn tot zelfredzaamheid en bereikbaarheid voor hulpverlening en rampenbestrijding. Onderzoek In het MER is het aspect externe veiligheid beschouwd. Hieronder worden de bevindingen weergegeven. Risicobronnen nabij plangebied Figuur 4.7 toont een uitsnede van de risicokaart ter plaatse van het plangebied en omgeving. Op de kaart is te zien dat enkele risicovolle inrichtingen aanwezig zijn op het IBF, maar dat de risicocontouren voor het plaatsgebonden risico (PR-contour) niet overlappen met het plangebied. In de nabije omgeving van het plangebied van KNO ligt ook een transportroute voor gevaarlijke stoffen over de A7. Deze transportroute heeft een PRcontour van 0 meter en kent geen plasbrandaandachtsgebied. Het plangebied van KNO ligt binnen de 200 meter zone (invloedsgebied groepsrisico) van de A7, op basis van het scenario warme BLEVE LPG tankwagen. Voorts ligt een hogedruk aardgasleiding van de Gasunie parallel langs de A7 aan de zuidzijde. Deze leiding heeft een PR-contour van 0 meter. De leiding heeft een diameter van 9 inch en een maximale werkdruk van 40 bar, en hierdoor een invloedsgebied voor het groepsrisico van 95 meter op basis van het scenario fakkelbrand.
Het invloedsgebied valt over de zuidrand van het plangebied van KNO.
35
Figuur 4.7: Uitsnede risicokaart plangebied en omgeving
Risicobronnen op grotere afstand Op grotere afstand liggen drie BRZO-inrichtingen3 op het bedrijventerrein Haskerveen. Het betreft inrichting van BASF (meest zuidelijk oranje blokjes), inrichting van BOSMA Transport en Opslag B.V. (noordelijke oranje blokje) en Wenau Beheer B.V. (oostelijk oranje blokje). Het invloedsgebied van BASF is de binnenste blauw cirkel en het invloedsgebied van BOSMA Logistic de buitenste blauwe cirkel. De invloedsgebieden van beide bedrijven zijn op basis van het scenario toxische wolk en zijn deels gelegen over het plangebied van KNO. De contour van BOSMA Transport en Opslag ligt voor een groot deel over het plangebied van KNO, de contour van BASF overlapt alleen met het uiterste westelijke deel van het plangebied van KNO, daar waar de natuurinclusieve landbouw is voorzien. Het invloedsgebied van Wenau Beheer is slechts enkele tientallen meters groot en bereikt hiermee niet het plangebied.
3
BRZO = Besluit Risico Zware Ongevallen
36
Figuur 4.8: Uitsnede evsignaliseringskaart i.v.m. BRZO-inrichtingen
Groepsrisico BOSMA Transport Een gedeelte van het plangebied, dat de bestemming Bedrijventerrein krijgt, valt binnen het invloedsgebied van Bosma. Bij het vaststellen van ruimtelijke plannen binnen een invloedsgebied bestaat voor het bevoegd gezag de wettelijke verantwoordingsplicht. Hiervoor is door FUMO nader onderzoek gedaan naar het effect op het groepsrisico (zie bijlage 16). FUMO heeft de ruimtelijke ontwikkeling doorgerekend met Safeti-NL. Ten behoeve van de berekening is rekening gehouden met een toename van 1 werknemer per 100 m2 bvo (bedrijfsvloeroppervlakte), conform de handreiking verantwoording groepsrisico. Uit de berekening is gekomen dat het bedrijventerrein geen wijziging oplevert van het groepsrisico ten opzichte van de huidige situatie. Het groepsrisico vormt geen belemmering om het bestemmingsplan vast te kunnen stellen. Advies Brandweer In juni 2021 is door Brandweer Fryslân advies uitgebracht ten aanzien van de planvorming bedrijventerrein Klaverblad Noordoost (bijlage 17). De naar voren gebrachte punten zijn: • de Brandweer wordt graag betrokken bij het voorontwerp bestemmingsplan. In het kader van het vooroverleg is dat inmiddels gebeurd; • geadviseerd wordt om een (verkorte) verantwoording op te stellen op basis van het invloedsgebied van Bosma Transport en Opslag B.V.
ten aanzien van het groepsrisico en het scenario toxische wolk en het handelingsperspectief: vluchten van de bron af te communiceren met de toekomstige bedrijven. De gemeente heeft inmiddels een nader onderzoek laten verrichten naar het groepsrisico van Bosma Logistic (zie onder het kopje Groepsrisico hiervoor). • voor het scenario fakkelbrand bij de buisleiding en het handelingsperspectief: vluchten van de bron af adviseert de Brandweer dit te communiceren met de toekomstige bedrijven. Bij de uitvoering van het plan zal hier aandacht voor zijn.
37
•
•
• •
•
voor het scenario warme BLEVE bij een LPG tankwagen op de A7 en het handelingsperspectief: vluchten van de bron af adviseert de Brandweer dit te communiceren met de toekomstige bedrijven. Bij de uitvoering van het plan zal hier aandacht voor zijn. de Brandweer verzoekt om in het plangebied een netwerk van brandkranen aan te leggen die voldoen aan de aspecten als in de reactie genoemd. De aanleg van brandkranen wordt in de realisatiefase afgestemd en uitgewerkt. Reden hiervoor is dat op dit moment niet duidelijk is waar de rondweg komt en hoe de bedrijven worden gesitueerd. verzocht wordt de mogelijkheden omtrent het open water als bluswatervoorziening te onderzoeken. Dit zal in de realisatiefase met de Brandweer worden afgestemd en uitgevoerd. de Brandweer verzoekt om ten aanzien van de bereikbaarheid de wegen in het plangebied en de calamiteitenroute te laten voldoen aan de in de reactie genoemde kenmerken. Er wordt een calamiteitenroute gerealiseerd aan de noordoostzijde van het bedrijventerrein. Deze route is enkel bestemd voor gebruik door hulpdiensten en is in elk geval 3,5 meter breed. De andere kenmerken zoals meegegeven in het advies van de brandweer voor wegen en de calamiteitenroute zijn verwerkt in het ontwerp van het gebied. tot slot wil de Brandweer graag op de hoogte worden gehouden van de mate waarin het advies is overgenomen.
De reactie op het vooroverleg, dat inmiddels in de bestemmingsplantoelichting is verwerkt, geeft hier inzicht in. Deze reactie is gedeeld met de Brandweer.
Conclusie Geconcludeerd kan worden dat voorliggend plan aan de normen voor externe veiligheid voldoet. 4.10 Kabels en leidingen Door het plangebied is een 110 kV-hoogspanningsleiding gelegen van TenneT. Deze hoogspanningsleiding verbindt Oosterwolde met Oudehaske. Sinds 2005 geldt voor hoogspanningslijnen een voorzorgbeleid. Het Rijk adviseert aan gemeenten en netbeheerders om, zoveel als redelijkerwijs mogelijk, te voorkomen dat woningen - en andere plaatsen waar kinderen langdurig verblijven - in de zone van een bovengrondse hoogspanningsverbinding komen te liggen. Dit bestemmingsplan maakt geen woonbestemmingen mogelijk of andere locaties waar kinderen langdurig verblijven.
38
Figuur 4.9: kabels en leidingen
Conclusie Het aspect kabels en leidingen heeft geen gevolgen voor de uitvoerbaarheid van dit plan.
39
5
Juridische toelichting
5.1
Plansystematiek
Dit hoofdstuk biedt inzicht in de wijze waarop de gewenste ruimtelijke en functionele ontwikkeling van het plangebied juridisch is vertaald. Het juridisch bindende gedeelte van het bestemmingsplan bestaat uit de verbeelding en planregels. De verbeelding heeft een functie de geldende bestemmingen en aanduidingen te visualiseren. De regels bevatten het juridisch instrumentarium voor het gebruik van de gronden en regelingen betreffende het gebruik van aanwezige en/of op te richten bouwwerken. De regels zijn onderverdeeld in meerdere hoofdstukken. In paragraaf 5.2 staat per hoofdstuk een toelichting op de bepalingen. De toelichting maakt juridisch geen deel uit van het bestemmingsplan, maar heeft wel een belangrijke functie bij de weergave en onderbouwing van het plan en ook bij de uitleg van bepaalde bestemmingen en regels. Omgevingswet Dit bestemmingsplan vindt zijn basis in de Wet ruimtelijke ordening (Wro) en is conform de huidige wet- en regelgeving opgesteld. Na inwerkingtreding van de nieuwe Omgevingswet zal dit bestemmingsplan, net als de andere huidige gemeentelijke bestemmingsplannen, integraal deel uitmaken van het omgevingsplan. Voor het omgevingsplan zal het overgangsrecht uit de Invoeringswet Omgevingswet en het Invoeringsbesluit Omgevingswet gelden. De ‘overgangsfase’ geldt tot 2029.
In deze fase kan de gemeente de huidige regels uit bestemmingsplannen omzetten naar het nieuwe omgevingsplan. 5.2
Toelichting op de regels
De regels moeten in samenhang met de verbeelding worden gelezen, waarbij een bestemming op de verbeelding verwijst naar het corresponderende artikel in de regels. In het bestemmingsplan komen de volgende bestemmingen voor: Agrarisch Agrarisch – Natuurinclusieve landbouw Bedrijventerrein Groen Verkeer Leiding – Hoogspanningsverbinding Waarde – Archeologie De regels zijn onderverdeeld in vier hoofdstukken. Per hoofdstuk zijn de diverse regels in het navolgende artikelsgewijs besproken. Hoofdstuk 1: Inleidende regels In hoofdstuk 1 staan de inleidende bepalingen van de regels beschreven. Artikel 1: Begrippen In dit artikel zijn begrippen gedefinieerd, die voorkomen in de regels. De begripsbepalingen in artikel 1 zijn noodzakelijk bij de interpretatie van de regels. Bij de toetsing aan het bestemmingsplan wordt uitgegaan van de in dit artikel aan de betreffende begrippen toegekende betekenis. Behalve de eerste twee begrippen zijn deze omschrijvingen alfabetisch gerangschikt. Zij zijn zoveel mogelijk gebaseerd op vaste jurisprudentie.
40
Artikel 2: Wijze van meten Het tweede artikel geeft aan hoe bepaalde maten dienen te worden berekend. Hoofdstuk 2: Bestemmingsregels Hoofdstuk 2 bevat de juridische vertaling van de verschillende bestemmingen die in het plangebied voorkomen. De artikelen bevatten de regels die direct verband houden met de op de verbeelding aangegeven bestemmingen. Bij de indeling van de bestemmingsregels is conform de SVBP 2012 een vaste volgorde aangehouden. De regels van de bestemmingen in dit plan zijn als volgt opgebouwd en benoemd (niet alle onderdelen komen in iedere bestemming voor): − bestemmingsomschrijving (omschrijving van de toegestane functies en gebruiksdoelen); − bouwregels (regels waaraan de bebouwing dient te voldoen); − afwijking van de bouwregels (regels op grond waarvan in concrete situaties onder bepaalde voorwaarden kan worden afgeweken van de bouwregels); − specifieke gebruiksregels (omschrijving van functies en werkzaamheden die als strijdig met de bestemming moeten worden aangemerkt); − omgevingsvergunning voor het uitvoeren van werken, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden (voormalige aanlegvergunningplicht) Hiermee worden bepaalde beschreven grondwerkzaamheden vergunningplichtig. Hieronder worden de verschillende bestemmingen inhoudelijk toegelicht.
Artikel 3: Agrarisch Zoals in paragraaf 3.2 beschreven zal het bedrijventerrein Klaverblad Noordoost gefaseerd tot ontwikkeling worden gebracht. De eerste fase is van een concrete bedrijfsbestemming voorzien (zie artikel 5). De toekomstige uitbreiding zal voorlopig een agrarisch gebruik kennen en krijgt daarom de bestemming Agrarisch. De inhoud van de bestemming is zoveel mogelijk afgestemd op de huidige agrarische bestemming. In lid 3.1 sub c blijft daarom de regel uit de huidige agrarische bestemming van kracht dat het gebied mede bestemd is voor het behoud van het landschap. Bebouwing is binnen de bestemming niet toegestaan. De aanleg van voorzieningen, zoals recreatieve paden, waterhuishoudkundige of nutsvoorzieningen, zijn wel mogelijk, zoals gebruikelijk in agrarisch gebied. Zonnepark Ook op de strook tussen de A7 en de hoogspanningsleiding ligt de agrarische bestemming, aangevuld met de aanduiding 'specifieke vorm van bedrijf - energiepark'. Hiermee is het planologisch mogelijk het zonnepark te realiseren. De maximaal toegestane bouwhoogte van de bouwwerken, die nodig zijn voor de exploitatie van de zonnecollectoren (de zogeheten bouwwerken, geen gebouwen zijnde) zijn in de bouwregels opgenomen. Er is voor het zonnepark gekozen voor een aanduiding binnen de agrarische bestemming.
Dit heeft als voordeel dat het gebied de agrarische functie behoudt zolang het zonnepark niet gerealiseerd is of op termijn weer wordt verwijderd. De gronden kunnen dan niet voor andere doeleinden worden aangewend. Om invulling te geven aan het beleidsstreven van 50% lokaal eigendom bij duurzame energieprojecten is in lid 3.3.1. een voorwaardelijke verplichting opgenomen. Deze regelt dat het energiepark alleen gebruikt mag worden als er sprake is van minimaal 50% lokaal eigenaarschap
41
Wijzigingsbevoegdheid In lid 3.5 van de bestemming Agrarisch is de bevoegdheid van burgemeester en wethouders opgenomen om voor fase 2 van het bedrijventerrein de bestemming Agrarisch te wijzigen naar de bestemming Bedrijventerrein, zoals opgenomen in artikel 5. De bevoegdheid geldt alleen binnen het vlak op de verbeelding met de aanduiding ‘wetgevingszone – wijzigingsgebied’. Aan de wijzigingsbevoegdheid zijn voorwaarden verbonden. Zo zal er vooraf onderzoek plaats moeten vinden naar de behoefte in relatie tot de regionale bedrijventerreinprogrammering. Ook de uitvoerbaarheid moet worden aangetoond. In de uitvoerbaarheidsonderzoeken die voor voorliggend bestemmingsplan zijn uitgevoerd, is al zoveel mogelijk de uitvoerbaarheid van fase 2 meegenomen. Daarnaast is ook de inrichting van het gebied hier al op aangepast. Het kan echter zo zijn dat een onderzoek bij gebruikmaking van de wijzigingsbevoegdheid is verouderd. In dat geval is actualisatie noodzakelijk. Na het wijzigen van de bestemming naar Bedrijventerrein gaan de regels van artikel 5 gelden. Hierop zijn enkele uitzonderingen van regels die specifiek zijn voor fase 1. Na gebruikmaking van de wijzigingsbevoegdheid kan de regel dat in fase 1 niet meer dan 10 ha aan bedrijven mag worden ontwikkeld vervallen. Dit is geregeld in de bestemming Bedrijventerrein in lid 5.5.1. sub c.
Het college krijgt hiermee de bevoegdheid om op dit punt af te wijken van de gebruiksregel. Hierdoor kan in totaal 20 ha aan bedrijventerrein worden ontwikkeld, verdeeld over fase 1 en 2. Het instrument wijzigingsbevoegdheid zal verdwijnen met de inwerkingtreding van de Omgevingswet. Om toch een wijzigingsplan te maken heeft de gemeenteraad de mogelijkheid die wijziging over te laten aan het college van burgemeester en wethouders.. Dat kan via een delegatiebesluit. De raad kan dan besluiten dat het college de bevoegdheid krijgt het omgevingsplan te wijzigen ter plaatse van de aanduiding ‘wetgevingszone – wijzigingsgebied’ in het tijdelijk deel van het omgevingsplan. De afweging zoals in dit bestemmingsplan gemaakt, kan dan weer aan het omgevingsplan ten grondslag liggen. Artikel 4: Agrarisch – Natuurinclusieve landbouw In het plangebied dat niet voor de ontwikkeling van bedrijven wordt aangewend, is natuurinclusieve landbouw voorzien (zie ook paragraaf 3.2). Op deze gronden is een specifieke agrarische bestemming gelegd. In afwijking van de agrarische bestemming zoals in de voorgaande alinea beschreven, is hier uitsluitend de uitoefening van natuurinclusieve agrarische activiteiten toegestaan. Wat hieronder wordt verstaan is in de begrippen in artikel 1 van de regels weergegeven.
Artikel 5: Bedrijventerrein Op de twee ‘kamers’ waarbinnen fase 1 van het bedrijventerrein tot ontwikkeling mag komen, is de bestemming Bedrijventerrein gelegd. Voor fase 2 is een wijzigingsbevoegdheid in de bestemming Agrarisch opgenomen (zie de beschrijving van artikel 3). Op het bedrijventerrein zijn bedrijven uit de milieucategorieën tot en met 4.2 toegestaan. De bijlage bij de regels bevat een overzicht van dergelijke bedrijven. Zolang het bedrijventerrein (nog) niet is uitgegeven, blijft het agrarisch gebruik toegestaan. Naar aanleiding van de zienswijzen is in lid 5.4.1 een strijdig gebruiksbepaling toegevoegd. In strijd met de bestemming is: het gebruik van gronden en bebouwing voor bedrijfsactiviteiten die leiden tot een toename van de stikstofdepositie vanaf het betreffende bouwperceel op de maatgevende voor stikstof gevoelige habitats in Natura 2000-gebieden.
42
Hiermee is geborgd dat bedrijven geen stikstofdepositie, anders dan vanwege het gebruik van aardgas (dat op grond van lid 5.2.1. onder h is uitgesloten) kunnen veroorzaken. Binnen de twee bestemmingsvlakken is de verkaveling flexibel in te delen. De ontsluitingswegen zijn niet vastgelegd en kunnen, afhankelijk van de verkaveling, overal binnen de bestemmingsvlakken worden aangelegd. In de bestemmingsomschrijving (sub a) staan de oppervlaktebepalingen voor de minimale omvang van de individuele bedrijven (2 ha) en het maximaal te ontwikkelen areaal bedrijventerrein (10 ha netto). Onder voorwaarden is het mogelijk af te afwijking van deze oppervlaktebepalingen van het bedrijfsperceel van minimaal 2 ha. Dit biedt flexibiliteit bij de uitgifte van bedrijfspercelen en voorkomt dat er qua oppervlakte onbruikbare percelen overblijven. De afwijking kan alleen worden ingezet als er al één of meerdere bedrijfspercelen zijn uitgegeven en er percelen overblijven (overhoeken) die kleiner zijn dan 2 Ha. Voorwaarde bij de afwijkingsmogelijkheid is dat de totale oppervlakte aan bedrijfspercelen in fase 1 niet groter dan 10 ha mag zijn. De bouwregels voor de bedrijfsgebouwen staan in lid 5.2. Hierin zijn de stedenbouwkundige principes uit het Masterplan Klaverblad Noordoost en het beeldkwaliteitsplan in bouwregels gevat.
Voor de naar de A7 gerichte representatieve zone is een aanduiding op de verbeelding opgenomen met een breedte van 100 meter. De representatieve zone richt zich op een representatieve uitstraling richting de A7, terwijl het achtergelegen deel van het bedrijventerrein, de landschappelijke zone, zich richt op inpassing in het landschap. Dit komt bijvoorbeeld tot uitdrukking in de maximale bouwhoogtes. In de representatieve zone zijn gebouwen met een maximale bouwhoogte van 20 meter mogelijk. Daarnaast zijn hoogteaccenten tot 25 meter toegestaan in deze zone. In de landschappelijke zone van het bedrijventerrein mag de bouwhoogte maximaal 12 meter zijn. Aan de bouwregels is in lid 5.2.1. onder h opgenomen dat de bedrijfsgebouwen zonder aardgasaansluiting gerealiseerd zullen worden. De naar de A7 gerichte gevels van de bedrijven in de representatieve zone dienen voor ten minste 60% in de zogeheten ‘gevellijn’ te staan. Dit is een op de verbeelding opgenomen lijn op 8 meter uit de zuidelijke grens van de bestemmingsvlakken. Vóór deze lijn zijn bepaalde vormen van gebruik van de ‘voortuin’ als strijdig gebruik aangemerkt in de specifieke gebruiksregels (lid 5.4). Opslag van goederen en materialen, parkeren en laden en lossen is in deze strook in principe niet toegestaan. Afwijken van deze regels is beperkt mogelijk.
Dat geldt niet voor laden en lossen, dit moet altijd achter de voorgevellijn. In de representatieve zone is één hoogteaccent met een maximale hoogte van 25 meter toegestaan binnen een oppervlakte van 25% per aanduidingsvlak van de representatieve zone. Samen met de criteria uit het beeldkwaliteitsplan zorgen de bouwregels voor een representatieve ‘wand’ richting de A7. Aan de noordrand van de bestemmingsvlakken schermt een groenstrook, met een minimale breedte van 30 meter, het bedrijventerrein af van de bebouwing van Tjalleberd. Deze groenstrook is juridisch geregeld in lid 5.1 sub d en is niet op de verbeelding aangegeven. Reden hiervoor is dat de precieze noordrand van het bedrijventerrein pas te bepalen is na de verkaveling. De uiterste noordgrens is in het bestemmingsplan vastgelegd. Deze kan in zuidelijke richting opschuiven en de verplichte groenstrook van 30 meter schuift dan mee in zuidelijke richting. Om te borgen dat de groenstrook na uitgifte van het bedrijventerrein daadwerkelijk wordt aangelegd is in lid 5.4.2. een zogeheten voorwaardelijke verplichting opgenomen. De groenstrook dient uiterlijk twee jaar na uitgifte van de bedrijfspercelen te zijn aangelegd en vervolgens duurzaam te worden onderhouden. Bij deze bepaling wordt
43
verwezen naar het Masterplan Klaverblad Noordoost (9 sept. 2021) dat als bijlage bij de regels is opgenomen. Artikel 6: Groen Zoals in hoofdstuk 3 beschreven krijgt zowel het bedrijventerrein als het zonnepark een groene omlijsting, bestaande uit forse groenstroken en waterpartijen. Deze groen- en waterstructuur is voorzien van de bestemming Groen. Binnen deze bestemming past de aanleg van oppervlaktewater dat nodig is voor de compensatie van de toename van verhard oppervlak, zoals in paragraaf 4.4 beschreven. Gebouwen zijn in principe niet toegestaan. Wel geeft de bestemming burgemeester en wethouders de mogelijkheid om door gebruikmaking van de afwijkingsbevoegdheid in lid 6.4 vergunning te verlenen voor een gebouw voor onderhoud en beheer van de groen- en waterstructuur. Voet- en fietspaden en ontsluitingswegen naar de bedrijfspercelen passen binnen de bestemming Groen. Op één centrale plek in het groen, langs de hoofdontsluiting, is een parkeervoorziening voor maximaal 10 parkeervakken toegestaan. Artikel 7: Verkeer De hoofdontsluitingsweg vanaf de afrit van de A7 naar Klaverblad Noordoost, is onder de bestemming verkeer gebracht. Specifiek voor de aansluiting op het viaduct zijn hoogtebepalingen opgenomen voor de aanleg van de weg en eventuele geluidwerende maatregelen.
Aan de verkeersfunctie gelieerde voorzieningen, zoals bruggen, nutsvoorzieningen, parkeerplaatsen, zijn ook mogelijk binnen deze bestemming. Artikel 8: Leiding – Hoogspanningsverbinding De 110 kV-hoogspanningsverbinding die parallel aan de A7 loopt is van een zogeheten dubbelbestemming voorzien. Dit betekent dat de bestemming complementair is aan de onderliggende enkelbestemmingen zoals in het voorgaande beschreven. Het doel van deze bestemming is de veiligheid en leveringszekerheid te beschermen. Bouwwerken, anders dan ten behoeve van de hoogspanningsverbinding, zijn in de strook dan ook niet toegestaan, ook niet als deze op grond van de onderliggende enkelbestemmingen wel mogelijk zijn. Dit is in lid 8.1 bepaald. Als er strijdigheid is tussen de regels van de twee bestemmingen dan gaan de bepalingen van de dubbelbestemming voor. Een eventuele afwijking kan alleen verkregen worden na een schriftelijk advies van de netbeheerder. Artikel 9: Waarde - Archeologie In het plangebied is archeologisch onderzoek uitgevoerd (zie paragraaf 4.3). Het karterend onderzoek heeft aangetoond dat ter plaatse van het geplande bedrijventerrein, de ontsluitingsweg en het zonnepark de gronden kunnen worden vrijgegeven voor ontwikkeling. Op het deel dat bestemd is voor natuurinclusieve landbouw is geen karterend onderzoek uitgevoerd.
Dat zal nog moeten gebeuren op het moment dat hier bodemingrepen aan de orde zijn. Omdat het bestemmingsplan deze bodemingrepen vooralsnog niet mogelijk maakt, is op deze gronden de dubbelbestemming Waarde – Archeologie gelegd. Hierin is geregeld dat de gronden, naast agrarische bestemming, ook bestemd zijn voor het behouden en beschermen van eventuele archeologische waarden. Voor bouwwerken met een grotere oppervlakte dan 500 m2 geldt een onderzoeksverplichting. In de bestemming is een omgevingsvergunningstelsel voor het uitvoeren van werken, geen bouwwerken zijnde, of van werkzaamheden opgenomen. Hierin is geregeld dat bepaalde bewerkingen van de grond vergunningplichtig zijn. Hiervoor gelden enkele uitzonderingen.
44
Hoofdstuk 3 Algemene regels In hoofdstuk 3 van de regels is een aantal standaardbepalingen opgenomen te weten, de anti-dubbeltelbepaling en de algemene afwijkingsregels. Artikel 10: Anti-dubbeltelregel Deze regeling, waarvan de tekst overeenkomstig het Besluit ruimtelijke ordening is bepaald, is bedoeld om te zorgen dat gronden waarvoor een vergunning is verleend, niet nogmaals worden meegeteld voor een vergunning. Artikel 11: Algemene gebruiksregel In dit artikel is aangegeven welke gebruiksvormen in ieder geval strijdig zijn met de bestemmingen in dit bestemmingsplan. Artikel 12: Algemene aanduidingsregels Het plan kent één algemene aanduidingsregel en deze behelst de geluidzone van het bedrijventerrein IBF. Dit is een bestaande zone die nu ook geldt in het gebied. De geluidruimte van de bedrijven op het IBF is hiermee planologisch vastgelegd. De zone beoogt te voorkomen dat er geluidhinder als gevolg van het bedrijventerrein IBF zal ontstaan in het plangebied. Binnen de zone is het niet toegestaan geluidgevoelige functies te realiseren. Artikel 13: Algemene afwijkingsregels In het bestemmingsplan zijn algemene regels opgenomen om af te kunnen wijken van het bestemmingsplan bij omgevingsvergunning. Deze afwijkingen van de regels zijn bedoeld om de nodige flexibiliteit in het plan te brengen, zodat kan worden gereageerd op onvoorziene omstandigheden.
Het gaat daarbij om relatief kleinschalige ruimtelijke ingrepen. Bij grotere ingrepen ligt het voor de hand dat door middel van een planherziening te doen. Artikel 14: Algemene wijzigingsregels Als er aanleiding is om vanuit oogpunt van verkeersveiligheid en/of -intensiteit het profiel van de wegen in geringe mate aan te passen kan gebruik worden gemaakt van deze algemene wijzigingsregel. Het college heeft hiermee de bevoegdheid de naast de wegen gelegen bestemmingen te wijzigen ten behoeve van de verkeersfunctie. Artikel 15: Overige regels Dit artikel regelt dat burgemeester en wethouders een omgevingsvergunning zullen weigeren indien er niet in voldoende parkeergelegenheid wordt voorzien binnen het plangebied. Dit geldt zowel voor het bouwen als voor het gebruiken van bouwwerken en gronden. Hoofdstuk 4 Overgangs- en slotregels In hoofdstuk 4 zijn twee artikelen opgenomen, het overgangsrecht ten aanzien van gebruik en bebouwing en de slotregel waarin de citeertitel van het bestemmingsplan wordt aangehaald. Artikel 16: Overgangsrecht Het overgangsrecht is tweeledig en heeft betrekking op bouwwerken en gebruik. Hierin is geregeld dat bestaande bouwwerken mogen worden gehandhaafd en bestaand gebruik mag worden voortgezet.
45
Artikel 17: Slotregel Als laatste is de slotregel opgenomen. Deze bepaling omschrijft de titel van het plan.
46
6
Uitvoerbaarheid
6.1
Economische uitvoerbaarheid
Ten behoeve van de uitvoerbaarheid van het bestemmingsplan is het van belang te weten of het bestemmingsplan economisch uitvoerbaar is. De economische uitvoerbaarheid wordt enerzijds bepaald door de exploitatie van het plan (financiële haalbaarheid) en anderzijds door de wijze van kostenverhaal van de gemeente (grondexploitatie). Financiële haalbaarheid Op 9 september 2021 is door de gemeenteraad de grondexploitatie vastgesteld. Hieruit blijkt dat er een sluitend exploitatieresultaat wordt verwacht. Hiermee is de financiële uitvoerbaarheid van het plan aangetoond. Grondexploitatie Door middel van de grondexploitatieregeling (afdeling 6.4 Wet ruimtelijke ordening) beschikken gemeenten over mogelijkheden voor het verhalen van kosten en hebben zij sturingsmogelijkheden. In dit geval zijn de kosten voor de ruimtelijke procedure voor de gemeente. De te ontwikkelen gronden zijn daarnaast in eigendom van de gemeente. De te plegen investeringen zijn daardoor onder andere te financieren met behulp van de grondopbrengsten van de uitgeefbare gronden. Hiermee is het kostenverhaal 'anderszins' verzekerd. Er hoeft geen exploitatieplan opgesteld te worden. 6.2
Maatschappelijke uitvoerbaarheid
Omgevingsproces Voor de gebiedsontwikkeling KNO is het zogenoemde ’Sinnetafelproces XL’ doorlopen. In dit proces is in samenwerking met de omgeving een globale schets gemaakt van de invulling van het plangebied. Het ’XL’ duidt op de ruime opzet: een Sinnetafelproces gaat normaliter over zonneparken, maar in dit geval over de integrale gebiedsontwikkeling KNO inclusief bedrijventerrein en natuurinclusieve landbouw. In het ontwerpproces is input van diverse partijen vergaard. Op basis hiervan zijn twee ruimtelijke principes ontwikkeld. Vervolgens is een eindschets vastgesteld en zijn enkele mogelijke uitwerkingen gemaakt. De resultaten van het Sinnetafelproces waren input voor een ontwerpproces dat heeft geleid tot een Schetsontwerp. De totstandkoming van het Schetsontwerp is toegelicht in het document “Ontwikkeling Klaverblad Noordoost – toelichting bij het Schetsontwerp” van juli 2020. Via een enquête is de omgeving in de gelegenheid gesteld om te reageren op het Schetsontwerp. Het ontwerpproces heeft uiteindelijk geresulteerd in het Masterplan Klaverblad Noordoost voor de ontwikkeling van het bedrijventerrein, het zonnepark en natuurinclusieve landbouw, dat de basis is geweest voor dit bestemmingsplan. Tot 30 juni 2021 was er gelegenheid om op het Masterplan te reageren. Het masterplan is op 9 september 2021 vastgesteld.
Gezien het zorgvuldige voorbereidingsproces mag het bestemmingsplan als maatschappelijk uitvoerbaar worden geacht. De inspraak en het vooroverleg (zie ook volgende alinea) heeft dit bevestigd. Er is slechts één inspraakreactie binnengekomen. In het kader van het vooroverleg zijn door verschillende instanties opmerkingen gemaakt over het plan, veelal met het oogmerk de motivering aan te scherpen en het (beter) inzichtelijk maken van de effecten.
47
Inspraak en Vooroverleg Conform de Participatie en inspraakverordening is er van 5 november tot 2 december gelegenheid geweest in te spreken op het plan. Hiervan is door één instantie gebruik gemaakt. Ingevolge artikel 3.1.1 van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) hebben burgemeester en wethouders overleg gevoerd met besturen van betrokken gemeenten en waterschappen en met die diensten van provincie en Rijk die betrokken zijn bij de zorg voor de ruimtelijke ordening of belast zijn met de behartiging van belangen die in het plan in het geding zijn. Het vooroverleg heeft gelijktijdig met de inspraaktermijn plaatsgevonden. De verslaglegging van zowel de inspraak als het vooroverleg is opgenomen in bijlage 8. Voor zover er aanleiding was voor wijziging van of aanvulling op het bestemmingsplan zijn deze doorgevoerd in het ontwerp bestemmingsplan. Zienswijzen Na het verwerken van de inspraak- en overlegreacties is het ontwerp van dit bestemmingsplan overeenkomstig afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht zes weken ter inzage gelegd. Iedereen mocht zienswijzen indienen. De zienswijzen betrekt de gemeenteraad bij de vaststelling van het bestemmingsplan. De Nota van zienswijzen is als bijlage 19 bij deze bestemmingsplantoelichting gevoegd. Het vervolg Na de vaststelling volgt de beroepstermijn van zes weken.
Tijdens deze periode kunnen belanghebbenden in beroep gaan bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Na de beroepstermijn treedt het plan in werking en is onherroepelijk als er geen beroep wordt ingesteld. Als er wel beroep wordt ingesteld wordt het plan pas na de uitspraak van de Raad van State onherroepelijk maar treedt wel eerder in werking.
48
Bijlage 1
Ladder voor duurzame verstedelijking Projectnummer: 51001544 / 370407 Referentienummer: NL21-648800269-6183 Datum: 15-10-2021
Onderbouwing ‘ladder voor duurzame verstedelijking’ bedrijventerrein Klaverblad Noordoost Gemeente Heerenveen
Definitief
Opdrachtgever: Gemeente Heerenveen Postbus 15000 8440 GA HEERENVEEN
Sweco Rozenburglaan 11 9727 DL Groningen Postbus 7057 9701 JB Groningen
T +31 88 811 66 00 www.sweco.nl
Sweco Nederland B.V. Gebiedsadvies Groningen Handelsregister 30129769 Statutair gevestigd te De Bilt
Mervin Rozema Adviseur/projectleider ruimtelijke ontwikkeling M +31 6 51 59 30 57
Verantwoording Titel
Onderbouwing ‘ladder voor duurzame verstedelijking’ bedrijventerrein Klaverblad Noordoost
Subtitel
Gemeente Heerenveen
Projectnummer
51001544 / 370407
Referentienummer
NL21-648800269-6183
Revisie
D02
Datum
15-10-2021
Auteur
Mervin Rozema
E-mailadres
mervin.rozema@sweco.nl
Gecontroleerd door
Luuk Vranken
Paraaf gecontroleerd
Goedgekeurd door
Tim Verver
Paraaf goedgekeurd
2 (20)
Inhoudsopgave 1
Inleiding .................................................................................................................. 4
1.1
Aanleiding en doel ................................................................................................... 4
1.2
Leeswijzer ................................................................................................................ 4
2
Beleidskader .......................................................................................................... 5
2.1
SVIR en NOVI.......................................................................................................... 5
2.2
Besluit ruimtelijke ordening ...................................................................................... 5
2.3
Omgevingsverordening Fryslân ............................................................................... 5
2.3.1
Programmering bedrijventerreinen (voorkomen overaanbod) ...............................................5
2.3.2
Zorgvuldig ruimtegebruik.......................................................................................................6
2.4
Conclusie ................................................................................................................. 6
3
Uitgangspunten Ladder ........................................................................................ 7
3.1
Ruimtelijke uitgangspunten ..................................................................................... 7
3.1.1
Ligging en bereikbaarheid .....................................................................................................7
3.1.2
Ruimtelijke opzet ...................................................................................................................7
3.1.3
Doelgroep .............................................................................................................................8
3.2
Uitgangspunten van de Ladder ............................................................................... 8
3.2.1
Nieuwe stedelijke ontwikkeling..............................................................................................8
3.2.2
Buiten bestaand stedelijk gebied ..........................................................................................9
4
Vraag-aanbod analyse kavels ............................................................................ 11
4.1
Programmering bedrijventerreinen ........................................................................ 11
4.2
Vraagprognose ...................................................................................................... 12
4.2.1
Vraag totaal.........................................................................................................................12
4.2.2
Vraag grote kavels (> 2 ha) .................................................................................................13
4.3
Aanbod .................................................................................................................. 13
4.3.1
Aanbod totaal ......................................................................................................................13
4.3.2
Aanbod grote kavels (> 2 ha) ..............................................................................................15
4.4
Resumé ................................................................................................................. 15
5
Aanbod in bestaand stedelijk gebied ................................................................ 16
5.1
Bouwen binnen bestaand stedelijk gebied ............................................................ 16
5.1.1
Aanbod kavels Heerenveen ................................................................................................16
5.1.2
Aanbod grote kavels Heerenveen .......................................................................................16
5.1.3
Herstructurering (vervangingsvraag) ...................................................................................17
5.2
Resumé ................................................................................................................. 17
6
Conclusie .............................................................................................................. 19
3 (20)
1
Inleiding
1.1 Aanleiding en doel De gemeente Heerenveen is voornemens om het bedrijventerrein Klaverblad Noordoost te Heerenveen te realiseren. Sweco is gevraagd om deze ontwikkeling in het kader van de verplichte toets aan de ‘Ladder voor duurzame verstedelijking’ (hierna: de Ladder) te beoordelen. Deze onderbouwing vormt een bijlage bij de toelichting op de benodigde bestemmingsplanherziening voor deze ontwikkeling. Momenteel worden de gronden binnen het plangebied voor agrarische doeleinden gebruikt. In het bestemmingsplan Buitengebied 2007 wordt het plangebied aangeduid als ‘Agrarisch gebied 1’. Voor het plan is een herziening van het bestemmingsplan noodzakelijk om de ontwikkeling mogelijk te maken. In het bestemmingsplan wordt gemotiveerd dat het plan voldoet aan een goede ruimtelijke ordening. Deze Ladderonderbouwing houdt rekening met de vraag naar bedrijfskavels tot 2030. Deze termijn is aangehouden omdat de regionale afspraken in Zuidoost Fryslân deze termijn ook hanteren, evenals de diverse onderzoeken die hieraan ten grondslag liggen. Waar nodig wordt in deze Ladderonderbouwing toegelicht hoe de cijfers tot 2030 te interpreteren zijn zodra een onderzoek een langere termijn dan 2030 hanteert. 1.2 Leeswijzer Hoofdstuk 2 gaat in op het beleidskader, hoofdstuk 3 behandelt de uitgangspunten van de Ladder in relatie tot het planvoornemen.
In hoofdstuk 4 wordt de regionale vraag en het aanbod voor alle kavels en het segment grote kavels (>2 ha) inzichtelijk gemaakt. Hoofdstuk 5 behandelt de capaciteit van bouwen binnen bestaand stedelijk gebied in Heerenveen en onderbouwt de noodzaak tot bouwen buiten bestaand stedelijk gebied in deze gemeente. In hoofdstuk 6 volgen de conclusies van deze Ladderonderbouwing.
4 (20)
2
Beleidskader
2.1 SVIR en NOVI In de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (SVIR) van 2012 is de Ladder voor duurzame verstedelijking geïntroduceerd. De Ladder houdt in dat overheden nieuwe stedelijke ontwikkelingen moeten motiveren met oog voor de onderliggende vraag in de regio, de beschikbare ruimte binnen het bestaande stedelijke gebied en buiten bestaand stedelijk gebied. Nationaal belang 13, zoals geformuleerd in de SVIR, vraagt om een zorgvuldige afweging en transparante besluitvorming bij alle ruimtelijke en infrastructurele besluiten. Dit moet met behulp van de Ladder van duurzame verstedelijking worden onderbouwd. In september 2020 is de Nationale Omgevingsvisie (NOVI) vastgesteld. De NOVI biedt een langetermijnperspectief op de ontwikkeling van de leefomgeving in Nederland tot 2050. Met de NOVI geeft het kabinet richting aan de grote opgaven die het aanzien van Nederland de komende dertig jaar ingrijpend zullen veranderen. Ook in de NOVI wordt het belang van efficiënt ruimtegebruik benadrukt. Tekorten en overschotten van kantoren, winkels en bedrijventerreinen moeten worden voorkomen. Een zorgvuldige raming van ruimtebehoefte en aanbod op regionaal niveau is daarbij van groot belang voor een efficiënt ruimtegebruik.
De rijksoverheid zet in op actieve clustering van (grootschalige) logistieke functies langs de (inter)nationale corridors op logistieke knooppunten langs deze corridors. In de eerste plaats zal bij nieuwe locaties sprake moeten zijn van een aantoonbare behoefte. Ten tweede zal, bij een aangetoonde behoefte, in eerste instantie vestiging moeten plaatsvinden op bestaande bedrijventerreinen. Als laatste moet, zodra dit niet haalbaar is, vestiging plaatsvinden uitsluitend op bovenregionale clusters. 2.2 Besluit ruimtelijke ordening Het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) bepaalt dat voor onder meer bestemmingsplannen een Ladderonderbouwing vereist is. Per 1 juli 2017 is de nieuwe Ladder geregeld in artikel 3.1.6 van het Bro. Het doel van de Ladder is een goede ruimtelijke ordening door een optimale benutting van de ruimte in stedelijke gebieden. Het Rijk wil met de Ladder vraaggerichte programmering bevorderen. De Ladder beoogt een zorgvuldige afweging en transparante besluitvorming bij alle ruimtelijke en infrastructurele besluiten, waaronder een herziening van het bestemmingsplan. 2.3 Omgevingsverordening Fryslân Het Rijk verwacht dat gemeenten, in regionaal verband, afspraken maken om vraag en aanbod van bedrijventerreinen in evenwicht te houden en verwacht van de provincies een regisserende rol.
In de provinciale Verordening Romte heeft de provincie Fryslân dit nader uitgewerkt. 2.3.1 Programmering bedrijventerreinen (voorkomen overaanbod) Provinciale Staten zien de programmering van bedrijventerreinen als belangrijk aandachtspunt. De economische doelstellingen (voldoende en goed aanbod) en het uitgangspunt van zuinig ruimtegebruik moeten in een goede samenhang staan. In artikel 4.1.1 is beschreven dat een ruimtelijk plan voor een nieuw bedrijventerrein of uitbreiding van een bestaand bedrijventerrein tot stand kan komen indien de oppervlakte en invulling van bedrijfstypen in overeenstemming is met een regionaal bedrijventerreinenplan. Dit bedrijventerreinenplan moet de schriftelijke instemming van Gedeputeerde Staten hebben. In 2019 hebben de vijf gemeenten in de regio Zuidoost het bedrijventerreinenplan
5 (20)
‘Afspraken bedrijventerrein regio Zuidoost Fryslân 2019-2026/2030’ (hierna: Afspraken ZO 2019-2026/2030) geactualiseerd. Het document is vastgesteld door de vijf gemeenten (Heerenveen, Ooststellingwerf, Opsterland, Smallingerland en Weststellingwerf) en Gedeputeerde Staten voor de periode 2019-2026/2030. Een ruimtelijk plan kan een nieuw bedrijventerrein of uitbreiding van een bestaand terrein bevatten voor een of enkele bedrijven, indien voldaan wordt aan de volgende voorwaarden: a. er is sprake van een directe, concrete behoefte van bedrijven die naar aard en schaal passen bij aard en schaal van de overige kern, de bedrijfsconcentratiekern, het regionaal of het stedelijk centrum; b. aangetoond is dat de behoefte waarin wordt voorzien niet inpasbaar is op een bestaand bedrijventerrein of een in ontwikkeling zijnde bedrijventerrein in de regio; c. het totale ruimtebeslag van deze bedrijven staat in een redelijke verhouding tot de schaal van de kern; d. gewaarborgd is dat de bedrijven goed worden ingepast wat betreft milieu, ontsluiting en landschap. 2.3.2 Zorgvuldig ruimtegebruik In de vigerende Verordening Romte Fryslân wordt ook ingegaan op de principes van de Ladderonderbouwing.
Op het gebied van ruimtelijke kwaliteit (artikel 2) staat in artikel 2.3.1 beschreven dat de toelichting bij een ruimtelijk plan, dat voorziet in een nieuwe stedelijke functie buiten bestaand stedelijk gebied, een verantwoording bevat waaruit blijkt dat toepassing is gegeven aan het principe van zorgvuldig ruimtegebruik. Hieruit moet blijken dat die functie redelijkerwijs niet binnen bestaand stedelijk gebied gerealiseerd kan worden. In de Friese situatie maakt de provincie met de gemeenten afspraken over de programmering van de stedelijke functies, waaronder bedrijventerreinen en kantoren. In die afspraken (zie ook hoofdstuk 4.2 Verordening Romte) ligt besloten dat de betreffende programma’s, zoals het vastgesteld Afspraken ZO 2019-2026/2030, mogen worden aangemerkt als regionale behoefte. In de gemeentelijke of regionale bedrijventerreinenplannen en kantoorplannen kan een vervolgstap worden gezet door na te gaan welke binnenstedelijke locaties beschikbaar zijn voor nieuwe bedrijven en kantoren, alvorens wordt besloten tot nieuwe stedelijke uitbreiding. 2.4 Conclusie Met voorliggende Ladderonderbouwing wordt invulling gegeven aan zowel artikel 3.1.6 Bro als aan artikel 2.3.1 en 4.1.1 van de Verordening Romte. Het vastgestelde regionale beleidsdocument ‘Afspraken bedrijventerrein regio Zuidoost Fryslân 2019-2026/2030’ is hiervoor het uitgangspunt.