0 BOPA Realisatie Sinnefjild Leeuwarderstraatweg 25-02-2025
Tekst van het document
Figuur 12: Ligging projectgebied ten opzichte van Natura 2000 gebied 'De Deelen'. Bron: Kaartenkijkdoos Fryslân.
Natuurnetwerk Nederland
26
BOPA Realisatie Sinnefjild Leeuwarderstraatweg
Een ingreep op het Natuurnetwerk Nederland (NNN) moet worden getoetst op de wezenlijke kenmerken en waarden. Daarbij gaat het om uitwisselingsmogelijkheden van het NNN (verbindende functie), de natuurlijke eenheid, aangesloten functie en om de kwaliteit van het NNN en het leefgebied van soorten. Het projectgebied ligt buiten NNN-gebieden. Negatieve effecten omtrent NNN-gebieden zijn daarom niet aan de orde. Overige provinciaal beschermde gebieden Het projectgebied is niet aangewezen als weidevogelkans-, weidevogelkerngebied, ganzenrust- en foerageergebied. Om deze reden zijn negatieve effecten niet aan de orde. Stikstofdepositie Met behulp van een AERIUS-berekening is aangetoond of sprake is van negatieve effecten op Natura 2000-gebieden als gevolg van stikstofdepositie. De AERIUS-berekening (d.d. 25 februari 2025) is als bijlage bij de vergunningsaanvraag te raadplegen. Uit de berekening blijkt dat er geen stikstofgevoelige Natura 2000-gebieden zijn met een overschrijding van een projectbijdrage van meer dan 0,00 mol N/ha/jaar. Er treedt door de stikstofdepositie geen negatief effect op in het kader van de Omgevingswet beschermde Natura 2000-gebieden. Een omgevingsvergunning Natura 2000-activiteit is in het kader van de stikstofdepositie dan ook niet nodig.
Soortenbescherming: toetsing Flora- en fauna-activiteit In het kader van de uitvoerbaarheid van deze Bopa is een ecologische quick scan uitgevoerd. Deze is als bijlage te raadplegen. Bij dit onderzoek is het planvoornemen getoetst aan Europees en nationaal beschermde soorten. Op basis van de ter plaatse aanwezige omstandigheden en verspreidingsgegevens wordt niet verwacht dat het planvoornemen tot een overtreding van een verbodsbepaling zal leiden omtrent beschermde ongewervelden, vissen, amfibieën, reptielen en flora. Verstoring van licht, zowel tijdens de realisatiefase als in de beoogde situatie, richting de lijnvormige elementen in de vorm van de sloten, het productiebos en straatelementen dienen niet te worden beschenen met vaste verlichting om verstoring van potentiële vliegroutes en foeragerende vleermuizen te voorkomen. Tijdens het broedseizoen (grofweg 1 mrt. t/m aug.) kunnen er vogels in het productiebos, in het grasland en in de sloten broeden waarvan het nest niet jaarrond beschermd is. Voor deze soorten dient men rekening te houden met het feit dat ieder nest, mits op dat moment in gebruik, beschermd is. Dit houdt in dat er geen wezenlijke verstoring mag plaatsvinden, waardoor de vogel het nest verlaat. Bij voorkeur wordt er buiten het vogelbroedseizoen gewerkt dan wel voorafgaand aan het vogelbroedseizoen gestart.
Indien men voornemens is binnen het vogelbroedseizoen te starten met de werkzaamheden, dan wordt aangeraden het plangebied vooraf te checken op (potentiële) broedgevallen door een deskundig ecoloog. Verder dient men tijdens de uitvoer van de werkzaamheden rekening te houden met de Zorgplicht (Artikel 1.11 wnb). De Zorgplicht geldt voor elke soort/individu in Nederland. Dit houdt in dat men tracht schade aan wilde planten en dieren zo veel mogelijk te voorkomen. Dit kan door een werkwijze te hanteren waarbij dieren kunnen ontsnappen en/of deze te verplaatsen naar een geschikt biotoop. In de sloten binnen het plangebied komen diverse vrijgestelde amfibiesoorten voor zoals de bruine kikker, gewone pad, kleine watersalamander. Daarnaast zijn waarschijnlijk algemene vissoorten zoals blankvoorn, baars, karper en snoek aanwezig. Bovengenoemde soorten zijn beschermd onder de zorgplicht en mogen niet opzettelijk gedood worden. De volgende mitigerende maatregelen worden in acht genomen: De sloten dienen niet gedempt of uitgebreid te worden bij temperaturen onder het vriespunt. Bij het droogleggen van een deel van een sloot dienen alle amfibieën en vissen een vlucht mogelijkheid richting een ander deel van de watergang te hebben. Bij het droogleggen van een complete sloot dient ecologische begeleiding aanwezig te zijn. Wanneer
27
BOPA Realisatie Sinnefjild Leeuwarderstraatweg
het waterpeil laag genoeg is zal de ecoloog de sloot afvissen en de gevangen amfibieën en vissen overbrengen naar een geschikte watergang of waterpartij welke onaangetast blijft nabij het plangebied. Bij het uitbreiden van de sloten in het projectgebied wordt rekening gehouden met de bovenstaande maatregelen. 4.3.3
Conclusie
Vanuit het oogpunt van ecologie is de voorliggende Bopa uitvoerbaar.
4.4
Omgevingsveiligheid
4.4.1
Toetsingskader
Omgevingsveiligheid beschrijft de risico’s die ontstaan als gevolg van opslag, productie, gebruik en vervoer van gevaarlijke stoffen en windturbines. Voor omgevingsveiligheid zijn regels opgenomen in paragraaf 5.1.2 van het Bkl. De paragrafen 5.1.2.2 tot en met 5.1.2.6 van het Bkl gaan over het toelaten van beperkt kwetsbare, kwetsbare en zeer kwetsbare gebouwen en beperkt kwetsbare en kwetsbare locaties in verband met het externe veiligheidsrisico van een activiteit die op een locatie is toegelaten op grond van een omgevingsplan of een omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit. 4.4.2
Onderzoek
Op een operationeel zonnepark verblijven geen personen. Het beoogde zonnepark heeft geen dagelijke bezetting van personeel. Er vinden slechts incidenteel onderhoudswerkzaamheden plaats. Daarnaast wordt met de realisatie van een zonneweide niet voorzien in een nieuwe risicobron. Met oog op het voorgaande kan geconcludeerd worden dat het project niet voorziet in nieuwe risico's omtrent omgevingsveiligheid. Verder heeft Brandweer Fryslân advies gegeven op het voorliggende planvoornemen. Uit het advies bleken een aantal aandachtspunten met betrekking tot de bereikbaarheid en de bluswatervoorziening. In een losse notitie is uitgewerkt hoe met deze aandachtspunten om wordt gegaan. Deze notitie is als bijlage bij de vergunningaanvraag te aadplegen.
4.4.3
Conclusie
Het project is uitvoerbaar wat betreft het aspect omgevingsveiligheid.
4.5
Verkeer en parkeren
4.5.1
Toetsingskader
Voor een ruimtelijk plan geldt dat de verkeerseffecten die optreden als gevolg van een planvoornemen in het kader van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties moeten worden onderbouwd. De nadruk ligt daarbij op de effecten van de ontwikkeling op de verkeersafwikkeling en parkeren (bereikbaarheid), de verkeersveiligheid en de verkeershinder (leefbaarheid). De Omgevingswet en het Bkl stellen geen specifieke regels op dit gebied.
28
BOPA Realisatie Sinnefjild Leeuwarderstraatweg
4.5.2
Toetsing verkeer
Er wordt een ontsluiting voor het zonnepark aangelegd die aansluit op de Leeuwarderstraatweg. Een zonnepark is geen functie die een hoge verkeersgeneratie veroorzaakt. Slechts periodiek zal sprake zijn van verkeersbewegingen in verband met onderhoudswerkzaamheden. De Leeuwarderstraatweg is goed in staat dit beperkte aantal verkeersbewegingen op te vangen. 4.5.3
Toetsing parkeren
In de 'Partiële herziening bestemmingsplannen parkeren', als onderdeel van het tijdelijke omgevingsplan van de gemeente Heerenveen, zijn parkeernormen opgenomen voor diverse functies. Een zonnepark is hierbij niet genoemd. Los hiervan is een zonnepark geen functie met een hoge parkeerbehoefte aangezien er geen personen verblijven. Op het terrein van het zonnepark is ruimte beschikbaar om voor onderhoud kort te parkeren. Los hiervan hoeven geen aparte parkeerplekken te worden gerealiseerd. 4.5.4
Conclusie
Wat betreft verkeer en parkeren is het project uitvoerbaar.
4.6
Bodem
4.6.1
Toetsingskader
Met het oog op een evenwichtige toedeling van functies aan locaties zijn er instructieregels van het Rijk over bodemkwaliteit (paragraaf 5.1.4.5 van het Bkl). Bodemkwaliteit is van belang voor elk omgevingsplan dat verblijfsgebouwen toelaat. Voor zulke situaties moet het omgevingsplan regels bevatten. Waarden voor de toelaatbare kwaliteit van de bodem voor het bouwen van een bodemgevoelig gebouw op een bodemgevoelige locatie worden opgenomen in het definitieve omgevingsplan (art. 5.89i Bkl). Deze waarden kunnen per gebied of per gebruiksfunctie verschillen. Bij een overschrijding van een vastgestelde waarde (zie art. 5.89i Bkl) is het bouwen van een bodemgevoelig gebouw alleen toegelaten als de in het omgevingsplan voorgeschreven sanerende of andere beschermende maatregelen worden getroffen (art. 5.89K Bkl, art. IIIa onder 2 Aanvullingsbesluit Bodem). 4.6.2
Onderzoek
In opdracht van de initiatiefnemer zal voorafgaand aan de start van de bouw een verkennend onderzoek worden verricht naar de milieukundige staat van de bodem. De resultaten van het in de vorige volzin bedoelde onderzoek worden vastgelegd in een rapport. Bij het bodemonderzoek dient tevens de staat van de huidige en voormalige watergang(en) te worden betrokken, alsmede een verkennend asbestonderzoek (indien van toepassing). Het uit te voeren (water)bodemonderzoek wordt opgenomen als voorschrift in de omgevingsvergunning. PFAS Het achterblad van veel zonnepanelen bevatten PFAS. De panelen die dit bevatten voldoen aan de relevante veiligheidsnormen. Initiatiefnemer spant zich ervoor in om zonnepanelen te gebruiken waarvan de productie en het transport als maatschappelijk verantwoord kunnen worden geschouwd en zal de gemeente informeren over de ingekochte zonnepanelen en de daarbij gemaakte afweging. 4.6.3
Conclusie
Het aspect bodemkwaliteit zit de uitvoerbaarheid van de voorliggende Bopa niet in de weg.
29
BOPA Realisatie Sinnefjild Leeuwarderstraatweg
4.7
Luchtkwaliteit
4.7.1
Toetsingskader
Met het oog op een evenwichtige toedeling van functies aan locaties zijn er instructieregels van het Rijk over de kwaliteit van de buitenlucht (paragraaf 5.1.4.1 van het Bkl). Als een plan betrekking heeft op een milieubelastende activiteit die leidt tot een verhoging van de concentratie in de buitenlucht van luchtverontreinigende stoffen, kan deze alleen worden verleend als de omgevingswaarden voor deze stoffen in acht worden genomen (artikel 8.17 Bkl). Dit wil zeggen dat deze omgevingswaarden niet mogen worden overschreden. De kans op overschrijding is met name aanwezig als een activiteit in of nabij een aandachtsgebied plaatsvindt. In deze gebieden (aangewezen in artikel 5.51, lid 2, van het Bkl) bestaat een reële kans op (een dreigende) overschrijding van een omgevingswaarde. Onderzoek zal moeten uitwijzen of de activiteit daadwerkelijk leidt tot een overschrijding van de omgevingswaarden. Onderzoek is niet nodig als de activiteit niet in betekenende mate bijdraagt aan een verslechtering van de luchtkwaliteit. Dit is het geval als activiteiten leiden tot een verhoging van de kalenderjaargemiddelde concentratie in de buitenlucht van zowel stikstofdioxide als fijnstof tot 10 micrometer (PM10 ) van 1,2 µg/m3 of minder. Daarnaast zijn in artikel 5.54 Bkl standaardactiviteiten genoemd die niet in betekenende mate bijdragen.
Als een activiteit niet in betekenende mate bijdraagt aan een verslechtering van de luchtkwaliteit, dan is het omgevingsaspect luchtkwaliteit geen belemmering. 4.7.2
Onderzoek
Een project heeft pas een negatief effect op de luchtkwaliteit zodra de verkeersgeneratie in ruime mate toeneemt. Om de situatie te schetsen: een effect op de luchtkwaliteit hoeft pas onderzocht te worden als er sprake is van de bouw van 1.500 woningen of 100.000 m2 kantoor en de daarmee gepaard gaande verkeersgeneratie. Het aantal verkeersbewegingen voor dit zonnepark is nagenoeg nihil. Uitsluitend voor onderhoudswerkzaamheden zijn verkeersbewegingen te verwachten. Dit aantal ligt daarmee beduidend lager dan het aantal verkeersbewegingen bij 1.500 woningen en ruim onder de grens voor PM10 of NO2 . Het project draagt 'niet in betekenende mate' (NIBM) bij aan de luchtverontreiniging. De realisatie van het zonnepark zorgt dan ook niet voor een verslechtering van de luchtkwaliteit. 4.7.3
Conclusie
Wat het aspect luchtkwaliteit betreft is de voorliggende Bopa uitvoerbaar.
4.8
Ladder voor duurzame verstedelijking
4.8.1
Wettelijk kader
Als een ruimtelijk plan voorziet in een nieuwe stedelijke ontwikkeling, moet rekening worden gehouden met de behoefte aan die stedelijke ontwikkeling en (als die stedelijke ontwikkeling is voorzien buiten het stedelijk gebied of buiten het stedelijk groen aan de rand van de bebouwing van stedelijk gebied) de mogelijkheden om binnen dat stedelijk gebied of binnen dat stedelijk groen aan de rand van de bebouwing van stedelijk gebied in die behoefte te voorzien (artikel 5.219g Bkl). Dit wordt de ‘Laddertoets’ genoemd. Voor het toetsen aan de Ladder voor Duurzame verstedelijking dienen de volgende vragen te worden beantwoord: 1. 2. 3. 4. 5.
Is er sprake van een stedelijke ontwikkeling? Is de stedelijke ontwikkeling nieuw? Wat is het ruimtelijk verzorgingsgebied? Is er behoefte aan de ontwikkeling? Ligt de ontwikkeling in bestaand stedelijk gebied?
30
BOPA Realisatie Sinnefjild Leeuwarderstraatweg
4.8.2
Onderzoek
In artikel 5.129g Bkl staat de instructieregel dat de Ladder wordt toegepast bij een nieuwe stedelijke ontwikkeling. Een stedelijke ontwikkeling is de ontwikkeling of uitbreiding van een bedrijventerrein, een zeehaventerrein, een woningbouwlocatie, kantoren, een detailhandelsvoorziening of een andere stedelijke voorziening die voldoende substantieel is. Het artikel legt niet vast of een zonneweide onder deze definitie valt. In uitspraken van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (ABRvS) zijn wel lijnen uitgezet ten aanzien van zonneweides. Uit een uitspraak van 28 juni 2017 (ECLI:NL:RVS:2017:1724), blijkt dat de Afdeling diverse voorzieningen op het gebied van energieopwekking en -distributie niet als stedelijke ontwikkeling heeft aangemerkt. De volgende voorzieningen worden benoemd: een hoogspanningsverbinding, een windturbinepark en een transformatorstation. Uit een latere uitspraak van 23 januari 2019 (ECLI:NL:RBOVE:2018:1387) blijkt dat naar het oordeel van de Afdeling geen aanleiding bestaat voor een andere benadering met betrekking tot een zonnepark, dat naar zijn aard niet wezenlijk verschilt van een windturbinepark. Een zonnepark hoeft dus niet te worden gezien als stedelijke ontwikkeling in de zin van de Ladder voor duurzame verstedelijking. De Laddertoets hoeft derhalve niet verder te worden doorlopen. 4.8.3
Conclusie
Wat de Ladder voor duurzame verstedelijking betreft is het project uitvoerbaar.
4.9
Archeologie en cultuurhistorie
4.9.1
Toetsingskader
Voor de uitvoering van plannen en projecten moet onderzoek worden gedaan naar de aanwezigheid van archeologische en cultuurhistorische waarden. In het Europese beleid is namelijk vastgelegd dat plannen en projecten zoveel mogelijk rekening houden met het voornoemde. Daarmee is het behoud van archeologische resten in de bodem en bescherming van het cultureel erfgoed en landschap belangrijk. De beginselen uit het Bkl richten zich op de omgang met monumenten die op grond van het omgevingsplan zijn beschermd, archeologische monumenten, (voorbeschermde) rijksmonumenten, beschermde stads- en dorpsgezichten en beschermde cultuurlandschappen. Daarnaast zijn regels gesteld voor de beoordeling van rijksmonumentenactiviteit en het verplaatsen van gebouwde monumenten. 4.9.2
Toetsing
Archeologie In het omgevingsplan van rechtswege van de gemeente Heerenveen zijn geen archeologische werkingsgebieden of dubbelbestemmingen uit oude bestemmingsplannen voor het projectgebied opgenomen. Om een inschatting te kunnen maken van de archeologische verwachtingswaarde van het projectgebied is de Friese Archeologische Monumentenkaart Extra (FAMKE) geraadpleegd. Hieruit blijkt dat een deel van het projectgebied is aangewezen als "karterend onderzoek 2 (steentijd)". Dit betekent dat bij ingrepen van meer dan 2500 m2 een karterend bodemonderzoek moet plaatsvinden. Het overige deel is aangewezen als "karterend onderzoek 1" (steentijd). In deze gebieden moet bij ingrepen van meer dan 500 m2 een karterend bodemonderzoek moet worden uitgevoerd. Voor beide gebieden geldt dat mogelijk archeologische resten uit de steentijd in de bodem aanwezig zijn. Verder is het projectgebied aangewezen als "karterend onderzoek 3 (middeleeuwen)". In deze gebieden kunnen zich archeologische resten bevinden uit de periode ijzertijd - middeleeuwen. De provincie beveelt aan om bij ingrepen groter dan 5000 m2 een historisch en karterend onderzoek te verrichten.
31
BOPA Realisatie Sinnefjild Leeuwarderstraatweg
Naar aanleiding hiervan is een archeologisch bureauonderzoek uitgevoerd. Dit onderzoek is als bijlage bij deze motivering te raadplegen. Uit het bureauonderzoek blijkt dat doordat het veen pas in de nieuwe tijd ontgonnen is en er op kaartmateriaal geen aanwijzingen zijn voor bebouwing, de kans op archeologische waarden uit de ijzertijd tot middeleeuwen laag is. Met betrekking tot archeologische waarden uit de steentijd geeft de FAMKE aan dat deze in het oostelijke deel van het plangebied ondieper in de bodem liggen dan in het westelijke deel waardoor deze kwetsbaarder zijn en er meer boringen per hectare gezet moeten worden. Uit dit bureauonderzoek blijkt echter dat in het gehele plangebied de eventueel aanwezige archeologische resten zich ondiep onder het oppervlak bevinden. Daarom wordt een karterend booronderzoek op het hele projectgebied geadviseerd, waarbij er twaalf boringen per hectare worden gezet. Hiermee kan de intactheid van de bodem worden bepaald en kan worden vastgesteld op welke diepte zich eventueel archeologische lagen bevinden en of hierin ook vondsten aanwezig zijn. In de nadere planuitwerking wordt een karterend archeologisch onderzoek uitgevoerd. In de te verlenen omgevingsvergunning wordt een voorschrift opgenomen waarin staat dat het zonnepark niet eerder gerealiseerd mag worden dan dat archeologisch booronderzoek heeft plaatsgevonden.
Voor het naburige zonnepark aan de Omweg (op ca 350 meter afstand van het plangebied) is reeds boonderzoek door de Steekproef uitgevoerd. Bij deze boringen zijn geen relevante archeologische indicatoren aangetroffen. Cultuurhistorie Om de cultuurhistorische waarde van het projectgebied te bepalen, is gebruik gemaakt van de Cultuurhistorische Kaart Fryslân (CHK2). Hieruit blijkt dat de Leeuwarderstraatweg is aangewezen als een Veenpolderdijk. Dijken vormen, net als terpen, een antwoord op de bedreiging van de zee. Ze beschermen het land en de woonstee. Aanvankelijk wierp men dijken op ter bescherming van het oude land, maar in de loop van de middeleeuwen werden dijken ook gebruikt om het landbouwareaal uit te breiden. De desbetreffende dijk is in de huidige situatie te herkennen aan het reliëfverschil ten opzichte van de omliggende gronden. De Leeuwarderstraatweg is op de dijk aangelegd. Met de voorgenomen ontwikkeling vinden geen werkzaamheden aan de oorspronkelijke dijk plaats. Met het planvoornemen blijft de cultuurhistorische waarde van de dijk gehandhaafd. 4.9.3
Conclusie
De voorgenomen ontwikkeling is wat archeologie en cultuurhistorie betreft uitvoerbaar.
4.10 Duurzaamheid en gezondheid 4.10.1
Toetsingskader
Te zijner tijd zullen in het omgevingsplan ten aanzien van duurzaamheid en/of gezondheid omgevingswaarden worden vastgelegd. Deze worden gebaseerd op het gemeentelijke beleid zoals opgenomen in de omgevingsvisie. Nagegaan moet worden of hieraan toepassing is gegeven. Indien dit het geval is, dient het initiatief getoetst te worden aan deze omgevingswaarden. In het omgevingsplan van de gemeente Heerenveen zijn op dit moment nog geen omgevingswaarden vastgelegd. 4.10.2
Onderzoek
Toetsing duurzaamheid Doelen van de Omgevingswet (Ow) zijn onder meer het tegengaan van klimaatverandering, het beheer van geobiologische en geothermische systemen en ecosystemen en het beheer van natuurlijke hulpbronnen (artikel 2.1, lid 3, onder i, o en p Ow). Met het oog op die doelen moet het project aan het omgevingsaspect duurzaamheid worden getoetst. In artikel 22.52 Bruidsschat zijn regels op het gebied van energiebesparende maatregelen opgenomen. Het voorliggende project voorziet in de realisatie van een zonneweide. Dit is een functie die gericht is op het opwekken van een duurzame energiebron
32
BOPA Realisatie Sinnefjild Leeuwarderstraatweg
(zonne-energie). Het voorgaande gaat nauw samen met het tegengaan van klimaatverandering. Het planvoornemen draagt dan ook bij aan het tegengaan van klimaatverandering. Hiermee is het voornemen tevens bevorderend voor de duurzaamheid. Toetsing gezondheid Doel van de Ow is ook het beschermen van de gezondheid (artikel 2.1, lid 3, onder b). In lid 4 benadrukt de wet dat bij het stellen van regels met het oog op een evenwichtige toedeling van functies aan locaties in ieder geval rekening wordt gehouden met het belang van het beschermen van de gezondheid. Wat gezondheid betreft, kan gekeken worden naar het mogelijk maken van een gezond leefmilieu. (aanwezigheid van geur, geluid, goede riolering en waterkwantiteit en -kwaliteit). Ook aspecten zoals biodiversiteit, natuurinclusief bouwen, het tegengaan van verspreiding van bestrijdingsmiddelen en vermesting, een schone bodem zijn relevante onderdelen van een gezond leefmilieu. Met het voorliggende project wordt een impuls gegeven aan de biodiversiteit door de natuurinclusieve inpassing van de zonneweide. Hierbij is tevens aandacht besteed aan waterkwantiteit- en kwaliteit in de vorm van waterberging onder de zonneweide. Het project is dan ook bevorderend voor de gezondheid. 4.10.3
Conclusie
Op het vlak van duurzaamheid en gezondheid is de voorgenomen ontwikkeling uitvoerbaar.
4.11 Kabels en leidingen en privaatrechtelijke belemmeringen In de directe nabijheid van het projectgebied zijn geen planologisch relevante kabels en/of leidingen aanwezig die een beperking voor het planvoornemen zouden kunnen veroorzaken. Privaatrechtelijk zijn er evenmin belemmeringen. Initiatiefnemer is wel op de hoogte van het bestaan van kabels en leidingen in de directe nabijheid van de projectlocatie en zal hier rekening mee houden bij het verdere planproces.
4.12 M.e.r.-beoordeling 4.12.1
Toetsingskader
Voor elk ruimtelijk plan moet worden nagegaan of er activiteiten plaatsvinden die negatieve effecten op het milieu kunnen hebben. Op grond van bijlage V Omgevingsbesluit dient er nu in veel gevallen van ruimtelijke ontwikkeling een m.e.r.-beoordeling plaats te vinden. 4.12.2
Toetsing
Het was lang onduidelijk of een zonnepark valt onder het oude Besluit m.e.r. Uit de uitspraak van de Raad van State (ABRvS 14 augustus 2019, ECLI:NL:RVS:2019:2770) blijkt dat dit niet het geval is. Deze uitspraak gaat over een zonnepark waarvoor via de kruimelgevallenregeling een omgevingsvergunning is verleend. Het park bevat ongeveer 22.500 zonnepanelen en enkele trafostations. De Raad van State geeft aan dat een zonnepark niet onder de reikwijdte van het Besluit m.e.r. valt. Een zonnepark is volgens de Afdeling: geen landinrichtingsproject, geen stedelijk ontwikkelingsproject en ook geen industriële installatie bestemd voor de productie van elektriciteit, stoom en warm water. De realisatie van een zonnepark is dan ook geen activiteit die voorkomt in Bijlage V van het Omgevingsbesluit. Een m.e.r.-beoordeling of MER is niet nodig.
33
BOPA Realisatie Sinnefjild Leeuwarderstraatweg
4.12.3
Conclusie
Het voorliggende project is geen activiteit die voorkomt in bijlage V van het Omgevingsbesluit. Er hoeft geen m.e.r.-beoordeling of MER te worden opgesteld in het kader van het planvoornemen. Bovendien blijkt uit dit hoofdstuk dat er geen significante negatieve milieueffecten te verwachten zijn.
Hoofdstuk 5
Uitvoerbaarheid
5.1
Economische uitvoerbaarheid
5.1.1
Financieel-economische haalbaarheid
Alle kosten die gepaard gaan met het opstellen van deze Bopa zijn voor rekening van de initiatiefnemer, te weten Sinnefjild Leeuwarderstraatweg B.V. 5.1.2
Nadeelcompensatie
De enige kosten die verder uit dit plan kunnen voortvloeien, zijn planschadekosten. Deze zijn op voorhand niet uit te sluiten. De gemeente zal daarom bij iedere aanvraag om medewerking te verlenen aan een nieuwe ontwikkeling bezien of planschade aan de orde kan zijn. Als daarvan sprake kan zijn, zal met de belanghebbende aanvrager een overeenkomst worden gesloten. Daarmee kan worden voorkomen dat de gemeenschap voor de planschadekosten moet opdraaien die worden gemaakt in het belang van de aanvrager. Bij deze BOPA zijn de kosten anderszins verzekerd en is het vaststellen van een exploïtatieplan niet meer noodzakelijk.
5.2
Maatschappelijke uitvoerbaarheid
5.2.1
Participatie
In de Omgevingsregeling staat een plicht voor de aanvrager van een omgevingsvergunning om bij de aanvraag aan te geven: of de aanvrager aan participatie heeft gedaan; zo ja: hoe de aanvrager aan participatie heeft gedaan en wat de resultaten zijn. Ter aanvulling op het voorgaande kan de gemeenteraad gevallen aanwijzen waarin participatie een verplichte aanvraagvereiste is. Dit kan alleen bij een omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit, waarvoor het college bevoegd gezag is. Als de aanvrager bij zo'n aangewezen geval niet of onvoldoende aan participatie heeft gedaan, kan het college de aanvraag buiten behandeling laten. Procesparticipatie Sinnetafel Om de omgeving te betrekken bij de ontwikkeling van Sinnefjild Leeuwarderstraatweg en om te voldoen aan de provinciale en gemeentelijke vereisten is het Sinnetafel proces gevolgd. Op 20 december 2023 is een eerste Sinnetafel bijeenkomst georganiseerd met betrokken partijen (initiatiefnemer, grondeigenaar, omwonenden, ondernemers, Plaatselijk Belang, gemeente en provincie). Tijdens deze avond zijn de meningen en zorgen opgehaald van de inwoners en is gekeken naar de mogelijke inpassing van een zonnepark op deze locatie. In februari en maart 2024 hebben persoonlijke gesprekken plaatsgevonden met omwonenden die hebben aangeven dit op prijs te stellen.
34
BOPA Realisatie Sinnefjild Leeuwarderstraatweg
Op 20 juni 2024 heeft een tweede Sinnetafel bijeenkomst plaatsgevonden. Tijdens deze avond zijn drie scenario's gepresenteerd aan omwonenden en belangstellenden. De reacties op de scenario's hebben geleid tot het landschappelijk inpassingsplan zoals beschreven in paragraaf 2.3. Een meer uitgebreide en gedetailleerde beschrijving van het Sinnetafelproces is beschreven in het participatieverslag uit de bijlage. De informatieposters die tijdens de tweede Sinnetafel bijeenkomst op 20 juni 2024 zijn gepresenteerd, zijn ook opgenomen als bijlage.
5.2.2
Advies/overleg
Een bestuursorgaan houdt bij de uitoefening van zijn taken en bevoegdheden rekening met de taken en bevoegdheden van andere bestuursorganen en stemt zo nodig met deze andere bestuursorganen af.
Hoofdstuk 6 aan locaties 6.1
Conclusie evenwichtige toedeling van functies
Toetsingskader
Voor deze BOPA gelden de beoordelingsregels uit het Bkl. Dat betekent dat de omgevingsvergunning alleen wordt verleend als: Er sprake is van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties (artikel 8.0a, tweede lid van het Bkl); Als daarbij voldaan wordt aan de beoordelingsregels uit hoofdstuk 5 van het Bkl. Op grond van artikel 4.2 Ow moet het omgevingsplan er in ieder geval toe leiden dat voor het gehele grondgebied van de gemeente functies evenwichtig aan locaties zijn toegedeeld. Deze taak vormt een voortzetting van het criterium van een goede ruimtelijke ordening uit de Wro, maar dan in de bredere strekking van de fysieke leefomgeving. Het zorgen voor een evenwichtige toedeling van functies aan locaties wordt in het omgevingsplan bereikt door activiteiten onderling evenwichtig over locaties te reguleren. Evenwichtig reguleren van activiteiten, impliceert een locatiegerichte benadering waarbij de schaarse ruimte binnen de fysieke leefomgeving op een zo goed mogelijke wijze wordt verdeeld, ingericht en benut. Een evenwichtige toedeling van functies aan locaties ('etfal') moet als resultante worden beschouwd van alle regels in het omgevingsplan.
6.2
Afweging
Met het voorliggende project wordt het mogelijk gemaakt om een zonneweide met een vermogen van circa 9 MWp te realiseren. Met een buitenplanse omgevingsplanactiviteit wordt afgeweken van het omgevingsplan om deze ontwikkeling mogelijk te maken. In de voorgaande hoofdstukken is getoetst aan relevant beleid en zijn verrichte onderzoeken beschreven. Daarnaast is het planvoornemen getoetst aan de regels van het Bkl. Op alle onderdelen wordt voldaan aan de standaardwaarden zoals opgenomen in het Bkl. Er is geen aanleiding om op onderdelen hiervan af te wijken. Op basis van de resultaten kan worden geconcludeerd dat ten aanzien van deze ruimtelijke ontwikkeling voldaan kan worden aan een evenwichtige toedeling van functies aan de betreffende locatie. Hierbij is voldaan aan de beoordelingsregels uit artikel 8.0b tot en met 8.0 e van het Bkl. Geconcludeerd wordt dat de omgevingsvergunning voor deze ruimtelijke ontwikkeling verleend kan worden.
35
BOPA Realisatie Sinnefjild Leeuwarderstraatweg
6.3
Conclusie
Met het planvoornemen is dan ook sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.
36