CConstaterende datHeerde
Koppel je AI →
Document · PDF

9.2. Wilgenweg 3, Wapenveld - Toelichting.pdf

Raad 30 mei 2022, gemeente HeerdeBij agendapunt: A Ongewijzigde vaststelling bestemmingsplan Wilgenweg 313.852 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 2

19 januari 2022 | Bestemmingsplan ‘Buitengebied West, Wilgenweg 3’ | Buro Stedenbouw

28

woningen en andere geluidsgevoelige bestemmingen binnen en buiten de zone. Aan de andere kant wordt, ter bescherming van hun akoestische ruimte, voorkomen dat woningen en andere geluidsgevoelige bestemmingen te veel oprukken richting de bedrijven. 5.6.2 Conclusie Het plangebied is niet gelegen binnen de zone van een gezoneerd industrieterrein of een richtafstand voor geluid afkomstig van een bedrijf, inrichting en/of terrein. Hiertoe is toetsing aan industrielawaai in onderhavige situatie niet aan de orde. Geconcludeerd wordt dat het aspect ‘industrielawaai’ geen belemmering vormt voor de voorgenomen ontwikkeling.

5.7 Agrarische geurhinder 5.7.1 Beoordelingskader De Wet geurhinder en veehouderij (Wgv) vormt het toetsingskader voor de geurhinder vanuit veehouderijen bij de beoordeling van aanvragen om vergunning in het kader van de Wet milieubeheer. De Wgv stelt normen aan de geurbelasting van veehouderijen op geurgevoelige objecten en stelt minimale afstanden vast van veehouderijen tot geurgevoelige objecten. Deze normen en afstanden zijn afhankelijk van het type veehouderij, de locatie of deze al dan niet is gelegen in een concentratiegebied en of deze gelegen is binnen dan wel buiten de bebouwde kom. Voor wat betreft geurhinder van veehouderijen moet bekeken worden of er niet iemand onevenredig in zijn belangen geschaad wordt (belang omliggende veehouderijen) en of er ter plaatse een goed woon- en leefklimaat kan worden gegarandeerd (belang geurgevoelig object). Een geur gevoelig object is een gebouw dat is bestemd voor en geschikt om te worden gebruikt voor menselijk wonen of menselijk verblijf. Tuinen vallen dus niet onder de noemer geur gevoelige objecten. De beoogde woningen dienen aangemerkt te worden als geurgevoelige objecten in het kader van de beoordeling van omliggende agrarische inrichtingen. 5.7.2 Onderzoek agrarische geurhinder Ten oosten van het plangebied is aan de Hogestraat 6 een melkveebedrijf met agrarisch bouwvlak gesitueerd.

Het bouwvlak is gesitueerd op circa 30 meter vanaf de beoogde gevel van de nieuwe woning. De stallen van het agrarisch bedrijf bevinden zich op circa 80 meter. Voor agrarische bedrijven gericht op het houden van melkvee is geen geuremissiefactor vastgesteld. Hiertoe is artikel 4.1 uit de Wet geurhinder en veehouderij van toepassing, waaruit volgt dat ten aanzien van melkveehouderijen in het buitengebied een richtafstand van 50 meter in acht dient te worden genomen. Normaliter dienen de maximale planologische mogelijkheden van het agrarisch bouwvlak te worden gewogen: dit betekent dat gemeten dient te worden vanaf de grens van het agrarisch bouwvlak (de uiterste plek waar planologisch gezien een stal gerealiseerd mag worden) tot de gevel van de betreffende gevoelige functie. In de omgeving van het melkveebedrijf aan de Hogestraat 6 zijn echter meerdere woonbestemmingen gesitueerd met een kleinste afstand van 15 meter tot het agrarisch bouwvlak behorend bij dit bedrijf. Hiermee zijn deze bestemmingen maatgevend voor de uitbreidingsmogelijkheden van het agrarisch bedrijf. De realisatie van de beoogde woning naast de Wilgenweg 3 leidt niet tot een verdere inperking van de bedrijfsmogelijkheden van het melkveebedrijf aan de Hogestraat 6. Derhalve kan gemeten worden vanaf het bestaande geuremissiepunt, te weten de bestaande stal.

De afstand vanaf de bestaande stal tot de beoogde gevel van de woning bedraagt circa 80 meter. Derhalve wordt de richtafstand voor geur in acht genomen en is een onderzoek naar agrarische geurhinder niet noodzakelijk.

19 januari 2022 | Bestemmingsplan ‘Buitengebied West, Wilgenweg 3’ | Buro Stedenbouw

29

5.7.3 Conclusie Geconcludeerd wordt dat het aspect 'geurhinder' geen belemmering vormt voor de voorgenomen ontwikkeling.

5.8 Luchtkwaliteit 5.8.1 Beoordelingskader Om een goede luchtkwaliteit in Europa te garanderen heeft de Europese Unie een viertal kaderrichtlijnen opgesteld. De hiervan afgeleide Nederlandse wetgeving is vastgelegd in hoofdstuk 5, titel 2 van de Wet milieubeheer. Deze wetgeving staat ook bekend als de Wet luchtkwaliteit. In de Wet luchtkwaliteit staan onder meer de grenswaarden voor de verschillende luchtverontreinigende stoffen. Onderdeel van de Wet luchtkwaliteit zijn de volgende Besluiten en Regelingen: • • •

Besluit en de Regeling 'niet in betekenende mate' bijdragen (Luchtkwaliteitseisen); Besluit gevoelige bestemmingen (Luchtkwaliteitseisen); Regeling beoordeling luchtkwaliteit 2007.

Besluit en de Regeling 'niet in betekenende mate' bijdragen (luchtkwaliteitseisen) Het Besluit 'niet in betekenende mate' bijdragen (NIBM) staat bouwprojecten toe wanneer de bijdrage aan de luchtkwaliteit van het desbetreffende project niet in betekenende mate is. Het begrip 'niet in betekenende mate' is gedefinieerd als 3% van de grenswaarden uit de Wet milieubeheer. Het gaat hierbij uitsluitend om stikstofdioxide (NO2) en fijn stof (PM10). Toetsing aan andere luchtverontreinigende stoffen uit de Wet luchtkwaliteit vindt niet plaats. In de Regeling NIBM is een lijst met categorieën van gevallen (inrichtingen, kantoor- en woningbouwlocaties) opgenomen die niet in betekenende mate bijdragen aan de luchtverontreiniging. Enkele voorbeelden zijn: • • •

woningen: 1.500 met een enkele ontsluitingsweg; woningen: 3.000 met twee ontsluitingswegen; kantoren: 100.000 m² bruto vloeroppervlak met een enkele ontsluitingsweg.

Als een ruimtelijke ontwikkeling niet genoemd staat in de Regeling NIMB kan deze nog steeds niet in betekenende mate bijdragen. De bijdrage aan NO2 en PM10 moet dan minder zijn dan 3% van de grenswaarden. Met grenswaarden voor beide stoffen van 40 µg/m³ komt dit neer op een bijdrage van 1,2 µg/m³. Besluit gevoelige bestemmingen (luchtkwaliteitseisen) Dit besluit is opgesteld om mensen die extra gevoelig zijn voor een matige luchtkwaliteit aanvullend te beschermen. Deze 'gevoelige bestemmingen' zijn scholen, kinderdagverblijven en verzorgings-, verpleeg- en bejaardentehuizen. Woningen en ziekenhuizen zijn geen gevoelige bestemmingen. De grootste bron van luchtverontreiniging in Nederland is het wegverkeer. Het Besluit legt aan weerszijden van rijkswegen en provinciale wegen zones vast. Bij rijkswegen is deze zone 300 meter, bij provinciale wegen 50 meter. Bij realisatie van 'gevoelige bestemmingen' binnen deze zones is toetsing aan de grenswaarden die genoemd zijn in de Wet luchtkwaliteit nodig. Regeling Beoordeling luchtkwaliteit 2007 In deze regeling staat staan criteria en eisen vastgelegd waaraan de berekeningen en de rekenmodellen moeten voldoen. Hieronder een overzicht van de rekenmodellen: •

CARII: berekening van emissies voor binnenstedelijk verkeer;

19 januari 2022 | Bestemmingsplan ‘Buitengebied West, Wilgenweg 3’ | Buro Stedenbouw

30

• • •

NIBM-tool: eenvoudige berekening van emissies van verkeer volgens worst case benadering; ISL2: berekening van emissies voor buitenstedelijk verkeer; ISL3a: berekening van emissies van industrie (onder meer veehouderijen).

5.8.2 Conclusie De voorgenomen ontwikkeling betreft de realisatie van 1 extra vrijstaande woning. Deze ontwikkeling past binnen de lijst met categorieën van gevallen die in de regeling NIBM is opgenomen. De voorgenomen ontwikkeling draagt om deze reden niet in betekenende mate bij aan de verslechtering van de luchtkwaliteit. Het uitvoeren van een luchtkwaliteitsonderzoek is niet noodzakelijk. Het aspect ‘luchtkwaliteit’ vormt geen belemmering voor de voorgenomen ontwikkeling.

5.9 Watertoets Het doel van de watertoets is om in vroeg stadium in overleg te treden met het waterschap over de voorgenomen ontwikkeling. De watertoets is op 30 september 2021 uitgevoerd op www.dewatertoets.nl. Op basis hiervan heeft het waterschap Vallei en Veluwe advies uitgebracht. De watertoets is als bijlage bij deze toelichting opgenomen. 5.9.1 Advies Waterschap Beoordeling In het plangebied liggen geen belangrijke oppervlaktewateren, waterkeringen of gebieden die zijn aangewezen voor regionale waterberging. Dit betekent dat dit plan geen essentiële waterbelangen raakt. Op basis daarvan wordt door het waterschap voor het onderhavige plan een positief wateradvies afgegeven. Algemene aandachtspunten Vasthouden - bergen - afvoeren Een belangrijk principe is dat een deel van het hemelwater binnen het plangebied wordt vastgehouden en/of geborgen en dus niet direct afgevoerd wordt naar de riolering of het oppervlaktewater. Hiermee wordt bereikt dat de waterzuiveringsinstallatie beter functioneert, verdroging wordt tegen gegaan en piekafvoeren in het oppervlaktewater (met eventueel wateroverlast in benedenstrooms gelegen gebieden) wordt voorkomen. Bij lozing op oppervlaktewater zal hiervan een melding gedaan moeten worden bij het waterschap.

Grondwaterneutraal bouwen Om grondwateroverlast te voorkomen adviseert het waterschap om boven de gemiddelde hoogste grondwaterstand (GHG) te ontwerpen. Dit betekent dat aspecten zoals ontwateringsdiepte en infiltratie van hemelwater, beschouw worden ten opzichte van de GHG. Het structureel onttrekken/draineren van grondwater is geen duurzame oplossing en moet worden voorkomen. Het waterschap adviseert de initiatiefnemer dan ook om voorafgaand aan de ontwikkeling een goed beeld te krijgen van de heersende grondwaterstanden en GHG. Eventuele grondwateroverlast is in eerste instantie een zaak voor de betreffende perceeleigenaar. Schoon houden - scheiden - schoon maken Om verontreiniging van bodem, grond- en/of oppervlaktewater te voorkomen is het van belang dat het afstromende hemelwater niet verontreinigd raakt. Dit kan door nadere eisen/randvoorwaarden te stellen aan bijvoorbeelde de toegepaste (bouw)materialen. Wij vragen de initiatiefnemer om duurzame bouwmaterialen te gebruiken. De gemeente kan u hiermee verder helpen. Gebiedsspecifieke aandachtspunten Grondwaterfluctuatiezone Het plangebied ligt binnen de grondwaterfluctuatiezone, zoals die door de Provincie Gelderland is bepaald. Dit is een zone langs de flanken van het Veluwemassief, waar de grondwaterstanden naar verwachting op termijn zullen stijgen. Afhankelijk van de verwachtte stijging kan het raadzaam zijn

19 januari 2022 | Bestemmingsplan ‘Buitengebied West, Wilgenweg 3’ | Buro Stedenbouw

31

daar nu rekening mee te houden, om toekomstig grondwateroverlast te voorkomen. Bij het ontwerp van de woning kan hierop in worden gespeeld. 5.9.2 Hemelwater Het hemelwater dat op de daken, de erfverharding en de onverharde delen valt, wordt op het eigen terrein in de bodem geïnfiltreerd 5.9.3 Afvalwater Conform de Leidraad Rioleringen en vigerend waterschapsbeleid is het voor nieuwbouw gewenst een gescheiden rioleringsstelsel aan te leggen. Het afvalwater van de vrijstaande woning wordt aangesloten op de bestaande gemeentelijke riolering zoals aanwezig onder de Wilgenweg. Hiervoor wordt te zijner tijd een vergunning aangevraagd. 5.9.4 Waterkwaliteit Ten behoeve van de waterkwaliteit zal de voorgestelde ontwikkeling, indien van toepassing, gebruik maken van milieuvriendelijke bouwmaterialen en worden uitloogbare materialen, zoals lood, koper, zink en zacht OVC, niet gebruikt, waardoor de uitspoeling van vervuilende stoffen via de bodem naar het oppervlaktewater voorkomen wordt. 5.9.5 Conclusie Op basis van de watertoets heeft Waterschap Vallei en Veluwe een positief wateradvies afgegeven. Het aspect 'water' vormt geen belemmering voor de voorgenomen ontwikkeling.

5.10 Flora en fauna 5.10.1 Beoordelingskader Juridisch kader Wet natuurbescherming (Wnb) Met ingang van 1 januari 2017 is de Wet natuurbescherming (Wnb) in werking getreden. Deze wet vervangt de Flora- en faunawet, de Natuurbeschermingswet 1998 en de Boswet. De wet regelt soortenbescherming en gebiedsbescherming. Zorgplicht Het eerste artikel in de Wnb heeft betrekking op de zorgplicht en heeft betrekking op het voorkomen of beperken van schade aan soorten en gebieden, voor zover deze niet middels overige verbodsbepalingen zijn gereguleerd. Het gaat daarbij in de praktijk vooral om minder streng beschermde soorten, waarbij het onnodig doden, verwonden of beschadigen dient te worden vermeden. Soortenbescherming Bij een quickscan flora en fauna wordt in beeld gebracht of er (potentiële) vaste rust- of verblijfplaatsen aanwezig zijn van de soorten uit de verschillende beschermingsregimes. Vervolgens wordt beoordeeld of de voorgenomen ingreep verstorend kan zijn en of nader onderzoek noodzakelijk wordt geacht. De Wnb onderscheidt beschermingsregimes voor soorten op grond van internationale verdragen, aangevuld met soorten die vanuit een nationaal oogpunt beschermd worden. Hierdoor zijn er in de Wnb drie verschillende verbodsartikelen per categorie soorten: • • •

soorten van de Vogelrichtlijn (artikel 3.1); soorten van de Habitatrichtlijn en de verdragen van Bern en Bonn (artikel 3.5); andere soorten (artikel 3.10).

Gebiedsbescherming Indien een plangebied in of nabij een beschermd gebied is gelegen, dan dient te worden bepaald of 19 januari 2022 | Bestemmingsplan ‘Buitengebied West, Wilgenweg 3’ | Buro Stedenbouw

32

er een (extern) effect valt te verwachten. Het gaat daarbij om Natura 2000-gebieden en gebieden behorend tot het Natuurnetwerk Nederland. Natura 2000 Natura 2000 is de benaming voor een Europees netwerk van natuurgebieden waarin belangrijke flora en fauna voorkomen, gezien vanuit een Europees perspectief. Met Natura 2000 wil men deze flora en fauna duurzaam beschermen. De staatssecretaris van Economische Zaken heeft voor Nederland ruim 160 Natura 2000-gebieden aangewezen. Gezamenlijk hebben ze een oppervlak van ruim 1,1 miljoen hectare. Ze maken deel uit van een samenhangend netwerk van natuurgebieden in de Europese Unie die zijn aangewezen op grond van de vogelrichtlijn en habitatrichtlijn. Het doel van Natura 2000 is het keren van de achteruitgang van de biodiversiteit. Binnen een gebied kan spanning optreden tussen economie en ecologie. In een zogenaamd beheerplan leggen Rijk en provincies vast welke activiteiten, op welke wijze mogelijk zijn. Uitgangspunt is steeds het realiseren van ecologische doelen met respect voor en in een zorgvuldige balans met wat particulieren en ondernemers willen. Het opstellen gebeurt daarom in overleg met alle direct betrokkenen, zoals beheerders, gebruikers, omwonenden, gemeenten, natuurorganisaties en waterschappen. Samen geven ze invulling aan beleven, gebruiken en beschermen.

Daar draait het om in de Nederlandse Natura 2000-gebieden (bron: Regiegroep Natura 2000). Het is krachtens de Wnb verboden zonder vergunning van Gedeputeerde Staten projecten te realiseren of andere handelingen te verrichten die gelet op de instandhoudingsdoelstellingen voor een Natura 2000gebied de kwaliteit van de natuurlijke habitats of de habitats van soorten in dat gebied kunnen verslechteren of een significant verstorend effect kunnen hebben op de soorten waarvoor dat gebied is aangewezen (artikel 2.7, lid 2). Handelingen die een negatieve invloed hebben op Natura 2000-gebieden, worden slechts onder strikte voorwaarden toegestaan. Een vergunning is vereist. Door middel van het Nederlandse vergunningsstelsel wordt een zorgvuldige afweging gewaarborgd. De vergunningen zullen beoordeeld en afgegeven worden door de desbetreffende provincie. Natuurnetwerk Nederland (NNN) Het Natuurnetwerk Nederland (NNN) is het Nederlands netwerk van bestaande en nieuw aan te leggen natuurgebieden. Het netwerk moet natuurgebieden beter verbinden met elkaar en met het omringende agrarisch gebied. Het Natuurnetwerk Nederland bestaat uit: • • • • •

bestaande natuurgebieden, waaronder de 20 Nationale Parken; gebieden waar nieuwe natuur aangelegd wordt; landbouwgebieden, beheerd volgens agrarisch natuurbeheer; ruim 6 miljoen hectare grote wateren: meren, rivieren, de Noordzee en de Waddenzee; alle Natura 2000-gebieden.

Conform artikel 1.12 van de Wnb dragen Gedeputeerde Staten in hun provincie zorg voor de totstandkoming en instandhouding van een samenhangend landelijk ecologisch netwerk, genaamd ‘Natuurnetwerk Nederland’. Zij wijzen daartoe in hun provincie gebieden aan die tot dit netwerk behoren. De planologische begrenzing en beschermingsregimes van het Natuurnetwerk Nederland loopt via het traject van de provinciale ruimtelijke structuurvisies en verordeningen. 5.10.2 Quickscan flora en fauna In het kader van de voorgenomen ontwikkeling is op 2 augustus 2021 door Gras Advies een locatieonderzoek naar mogelijk leefgebied van beschermde plant- en diersoorten uitgevoerd.

19 januari 2022 | Bestemmingsplan ‘Buitengebied West, Wilgenweg 3’ | Buro Stedenbouw

33

Tijdens het veldbezoek is reeds vastgesteld dat er mogelijk vleermuizen gebruik maken van de te slopen schuur. Aangezien een aanvullend soortenonderzoek naar de aanwezigheid van vleermuizen gedeeltelijk in het voorjaar uitgevoerd dient te worden, is in de planregels bij dit bestemmingsplan een voorwaardelijke verplichting gekoppeld aan de bestemming 'Wonen'. Hierin is vastgelegd dat de te realiseren gebouwen en bouwwerken binnen deze bestemming pas mogen worden gebouwd wanneer een nader onderzoek naar het voorkomen van vleermuizen is uitgevoerd ter plaatse van de schuren. Uit het onderzoek zal blijken of er vleermuizen zijn en of er maatregelen genomen moeten worden ter bescherming. Tijdens het veldbezoek is tevens vastgesteld dat het plangebied geen leefgebied vormt voor andere beschermde plant- en diersoorten. In bijlage 5 bij de toelichting is een memo opgenomen over het uitgevoerde veldwerk en het protocol voor het nog uit te voeren vleermuisonderzoek. 5.10.3 Stikstofdepositie De voorgenomen ontwikkeling resulteert mogelijk in een verandering van stikstofemissie en depositie. Om te onderzoeken of er sprake is van een significant negatief effect op omliggende Natura 2000-gebieden als gevolg van stikstofdepositie, is een berekening van verandering in stikstofemissie en -depositie vereist. Hiertoe heeft Gras Advies een AERIUS-berekening uitgevoerd.

De uitkomsten van deze berekening zijn hieronder weergegeven. De volledige rapportage is als bijlage 4 bij deze toelichting opgenomen. Besluit stikstofreductie en natuurverbetering Op 1 juli 2021 is het Besluit stikstofreductie en natuurverbetering in werking gesteld. Onderdeel van dit Besluit is de vrijstelling voor de bouwfase bij het berekenen van stikstofdepoisitie in ruimtelijke plannen. Dit betekent dat de bouwfase niet meer hoeft te worden meegenomen in een AERIUSberekening. Derhalve is voor de voorgenomen ontwikkeling alleen gekeken naar de stikstofdepositie van de toekomstige gebruiksfase van de beoogde woning. Toekomstige gebruiksfase Het toekomstig gebruik genereert geen depositiewaarden hoger dan 0,00 mol/ha/jr in Natura 2000gebieden. Ook buiten een straal van 4,9 km rondom het wegverkeer vindt geen depositie hoger dan 0,00 mol/ha/jr in Natura 2000-gebieden plaats. Er is voor de voorgenomen ontwikkeling met betrekking tot stikstofdepositie derhalve geen vergunning Wet natuurbescherming onderdeel Gebiedsbescherming benodigd. 5.10.3.1 Conclusie AERIUS-berekening Het aspect 'stikstof' vormt geen belemmering voor de voorgenomen ontwikkeling. 5.10.4 Conclusie Het aspect 'flora en fauna' vormt geen belemmering voor de voorgenomen ontwikkeling.

5.11 Archeologie en cultuurhistorie 5.11.1 Archeologie 5.11.1.1 Beoordelingskader De bescherming van archeologische waarden bij ruimtelijke ontwikkelingen is geregeld in de Erfgoedwet. De essentie van de wettelijke bescherming is dat archeologische resten zoveel mogelijk in de bodem bewaard blijven. Bij ruimtelijke plannen geldt de verplichting om rekening te houden met bekende en te verwachten archeologische waarden. Indien ingrepen gepaard gaan met een verstoring van de bodem, kan het nodig zijn om nader onderzoek te doen, zodat - waar nodig - de archeologische waarden veiliggesteld kunnen worden en/of het plan aangepast kan worden. De verantwoordelijkheid voor archeologische waarden ligt bij de gemeente.

19 januari 2022 | Bestemmingsplan ‘Buitengebied West, Wilgenweg 3’ | Buro Stedenbouw

34

Op basis van artikel 5.10 van de Erfgoedwet zijn mogelijke (toevals)vondsten bij het verrichten van werkzaamheden in de bodem altijd beschermd. Er geldt een meldingsplicht bij het vinden van (mogelijke) waardevolle zaken. Conform het geldende bestemmingsplan ligt het plangebied binnen een zone met dubbelbestemming 'Waarde - Hoge archeologische verwachting'. Ter plekke van deze dubbelbestemming geldt een onderzoeksplicht bij bodemverstoringen van meer dan 100 m 2. In afwijking van deze verplichting geldt dat voor vervanging van bestaande bebouwing geen onderzoeksplicht geldt wanneer door middel van vervangende bebouwing het oppervlak aan bebouwing niet wordt uitgebreid en de bestaande fundering wordt benut. De beoogde nieuwe woning wordt gerealiseerd op een plek waar reeds bebouwing aanwezig is, namelijk de bestaande schuur. Hierdoor is de bodem reeds geroerd en is de kans op archeologische vondsten nihil. Derhalve is een archeologisch inventariserend bodemonderzoek niet noodzakelijk. 5.11.1.2 Conclusie archeologie Het aspect 'archeologie' vormt geen belemmering voor de voorgenomen ontwikkeling. 5.11.2 Cultuurhistorie Sinds de wijziging van artikel 3.1.6, tweede lid, onderdeel a van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) is het verplicht om naast archeologisch bodemonderzoek ook cultuurhistorische waarden mee te wegen in het bestemmingsplan.

5.11.2.1 Aanwezige cultuurhistorische waarden De provinciale cultuurhistorische waardenkaart laat geen objecten zien binnen het plangebied. 5.11.2.2 Conclusie cultuurhistorie Binnen het plangebied zijn geen cultuurhistorische waarden aanwezig. Het aspect 'cultuurhistorie' vormt geen belemmering voor de voorgenomen ontwikkeling. 5.11.3 Conclusie Het aspect 'archeologie en cultuurhistorie' vormt geen belemmering voor de voorgenomen ontwikkeling.

5.12 Externe veiligheid 5.12.1 Beoordelingskader Voor de beoordeling van het aspect externe veiligheid gelden de volgende kaders: • • • •

Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi), inclusief de daaronder vallende Regeling externe veiligheid inrichtingen (Revi); Besluit externe veiligheid transportroutes; Regeling basisnet; Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb), inclusief de daaronder vallende Regeling externe veiligheid buisleidingen (Revb).

Daarnaast kunnen het Activiteitenbesluit en Vuurwerkbesluit van belang zijn. Het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) regelt hoe een gemeente of provincie moet omgaan met risico's voor mensen buiten een bedrijf als gevolg van de aanwezigheid van gevaarlijke stoffen in een bedrijf. In de Regeling externe veiligheid inrichtingen (Revi) staan regels over de veiligheidsafstanden en over de berekening van het plaatsgebonden risico en het groepsrisico.

19 januari 2022 | Bestemmingsplan ‘Buitengebied West, Wilgenweg 3’ | Buro Stedenbouw

35

Uitgangspunt voor deze circulaire is de Nota risiconormering vervoer gevaarlijke stoffen. Deze circulaire heeft betrekking op het beleid van de ministers van Infrastructuur en Milieu en van Veiligheid en Justitie over de afweging van veiligheidsbelangen die een rol spelen bij het vervoer van gevaarlijke stoffen in relatie tot de omgeving. Voor de uitwerking en toepassing van de risiconormen is zoveel mogelijk aangesloten bij Bevi en Revi. Het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb) geeft onder andere veiligheidsafstanden rond buisleidingen met gevaarlijke stoffen aan. De normstelling is in lijn met het Bevi. De risicoafstanden en de manier van risicoberekening zijn opgenomen in het Revi. Het Ministerie van Infrastructuur en Milieu adviseert om voor standaard buisleidingen met aardolieproducten de afstanden aan te houden uit het RIVM rapport Risicoafstanden voor buisleidingen met brandbare vloeistoffen K1K2K3 (augustus 2008). Voor afwijkende gevallen en andere brandbare chemische vloeistoffen zijn berekeningen nodig. Voor het berekenen van risico’s van ondergrondse gasleidingen ('hogedruk aardgastransportleidingen') is het computerprogramma CAROLA beschikbaar. Middels onderstaande uitsnede van de risicokaart Nederland zijn de volgende aspecten van externe veiligheid onderzocht: • • • •

risicovolle inrichtingen; transport over weg, water en spoor; hogedrukaardgastransportleidingen en K1-, K2- en K3 brandstofleidingen; bovengrondse hoogspanningslijnen.

Uitsnede risicokaart (plangebied rood omcirkeld) (bron: www.risicokaart.nl) 5.12.2 Inrichtingen In de omgeving van het plangebied is één risicovolle inrichting gesitueerd. Het betreft een opslag van vuurwerk aan de Kanaaldijk 52 ten zuidwesten van het plangebied. Op deze locatie mag 11.000 kg consumentenvuurwerk worden opgeslagen verdeeld over vier bewaarplaatsen met opslagcapaciteit van respectievelijk 3.500 - 5.000 kg en > 10.000 kg. Met een kortste afstand van 345 meter tot het plangebied levert deze inrichting geen belemmering op. 5.12.3 Transportroutes gevaarlijke stoffen In de omgeving van het plangebied bevinden zich geen transportroutes waarover gevaarlijke stoffen worden vervoerd.

19 januari 2022 | Bestemmingsplan ‘Buitengebied West, Wilgenweg 3’ | Buro Stedenbouw

36

5.12.4 Buisleidingen In de nabijheid van het plangebied liggen geen hogedrukaardgastransportleidingen of K1-, K2-, K3brandstofleidingen of bovengrondse hoogspanningslijnen. 5.12.5 Conclusie Duidelijk is dat er in de omgeving van het plangebied geen objecten zijn gelegen die in het kader van externe veiligheid dienen te worden beschouwd. Het aspect ‘externe veiligheid’ vormt geen belemmering voor de voorgenomen ontwikkeling.

5.13 Milieueffectrapportage 5.13.1 Beoordelingskader De milieueffectrapportage (m.e.r.) is een hulpmiddel om bij diverse procedures het milieubelang een volwaardige plaats in de besluitvorming te geven. Een m.e.r. is verplicht bij de voorbereiding van plannen en besluiten van de overheid over initiatieven en activiteiten van publieke en private partijen die belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu kunnen hebben. De m.e.r. is wettelijk verankerd in hoofdstuk 7 van de Wet milieubeheer. Naast de Wet milieubeheer is het Besluit m.e.r. belangrijk om te kunnen bepalen of bij de voorbereiding van een plan of een besluit de m.e.r.-procedure moet worden doorlopen. Bij toetsing aan het Besluit m.e.r. zijn er vier mogelijkheden: a. het plan of besluit is direct m.e.r.- plichtig; b. het plan of besluit bevat activiteiten uit kolom 1 van onderdeel D, en ligt boven de (indicatieve) drempelwaarden, zoals beschreven in kolom 2 ‘gevallen’, van onderdeel D. Het besluit moet eerst worden beoordeeld om na te gaan of er sprake is van m.e.r.-plicht: het besluit is dan m.e.r.- beoordelingsplichtig. Voor een plan in kolom 3 ‘plannen’ geldt geen m.e.r-beoordelingsplicht, maar direct een (plan-)m.e.r.-plicht; c.

het plan of besluit bevat wel de activiteiten uit kolom 1, maar ligt beneden de drempelwaarden, zoals beschreven in kolom 2 ‘gevallen’, van onderdeel D: er dient in overleg met de aanvrager van het bijbehorende plan of besluit beoordeeld te worden of er aanleiding is voor het uitvoeren van een m.e.r.-beoordeling (als sprake is van een besluit) of het direct uitvoeren van een m.e.r. (als sprake is van een plan). Deze keuze wordt uiteindelijk in het bijbehorende plan of besluit gemotiveerd; d. de activiteit(en) of het betreffende plan en/of besluit worden niet genoemd in het Besluit m.e.r.: er geldt geen m.e.r.- (beoordelings)plicht. Sinds 16 mei 2017 geldt er een directe werking van het Europees recht. Daarom is per 7 juli 2017 het gewijzigde Besluit m.e.r. in werking getreden. In de gewijzigde Besluit m.e.r. staat de nieuwe procedure voor de vormvrije m.e.r.-beoordeling. Voor elke aanvraag, waarbij een vormvrije m.e.r.beoordeling aan de orde is, moet: • • •

door de initiatiefnemer een aanmeldingsnotitie worden opgesteld; het bevoegd gezag binnen 6 weken een m.e.r.-beoordelingsbesluit nemen. Dit besluit hoeft niet in de Staatscourant gepubliceerd te worden; de initiatiefnemer het (vormvrije) m.e.r.-beoordelingsbesluit bij de vergunningaanvraag voegen (Artikel 7.28 Wet milieubeheer).

De artikelen 7.16 tot en met 7.20a Wm zijn in de nieuwe wetgeving voor alle in het Besluit m.e.r. genoemde activiteiten van de D-lijst van toepassing. 5.13.2 Toetsing Uit toetsing aan het Besluit m.e.r. volgt dat het besluit tot vaststelling van dit bestemmingsplan valt onder mogelijkheid c. Het besluit bevat namelijk wel een activiteit uit kolom 1 ([D 11.2] de aanleg, wijziging of uitbreiding van een stedelijk ontwikkelingsproject met inbegrip van de bouw van winkelcentra of parkeerterreinen), maar er wordt niet voldaan aan de gegeven drempelwaarde van 19 januari 2022 | Bestemmingsplan ‘Buitengebied West, Wilgenweg 3’ | Buro Stedenbouw

37

2.000 of meer woningen. De voorgenomen ontwikkeling bestaat immers uit de toevoeging van 1 woning. Er kan daarmee worden afgezien van een m.e.r.-beoordeling en volstaan kan worden met een vormvrije m.e.r.-beoordeling. Deze vormvrije m.e.r.-beoordeling kan tot twee conclusies leiden: • •

belangrijke nadelige milieugevolgen zijn uitgesloten: er is geen m.e.r.(-beoordeling) noodzakelijk; belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu zijn niet uitgesloten: er moet toch een m.e.r.beoordeling plaatsvinden of er kan direct worden gekozen voor een m.e.r.

Bij besluiten ten aanzien waarvan moet worden beoordeeld of een milieueffectrapport moet worden gemaakt is artikel 7.19 van de Wet milieubeheer van toepassing. Met name lid 3, waarin wordt verwezen naar de relevante criteria van bijlage III bij de m.e.r.-richtlijn, is hierbij relevant. Deze selectiecriteria zijn: 1. kenmerken van het project; 2. plaats van het project; 3. kenmerken van de potentiële effecten. In aanvulling op het voorgaande zijn in het kader van de voorgenomen ontwikkeling de belangrijkste milieuaspecten waaronder bodem, luchtkwaliteit, geluid, externe veiligheid en ecologie in beeld gebracht in hoofdstuk 5 van deze toelichting. Tezamen met de overige hoofdstukken vormen deze paragrafen de zogenaamde aanmeldnotitie in het kader van het Besluit m.e.r. Geconcludeerd wordt dat er geen sprake is van een ontwikkeling die een forse invloed heeft op het milieu. Belangrijke milieugevolgen kunnen worden uitgesloten. De uitgevoerde onderzoeken geven voldoende inzicht in de milieugevolgen om een gewogen besluit omtrent dit bestemmingsplan en een eventueel op te stellen m.e.r. Het opstellen van een milieueffectrapportage zal geen verder inzicht verschaffen op de relevante milieuaspecten. Het bevoegd gezag kan op basis van deze plantoelichting een besluit nemen over de uitkomst van de m.e.r.-beoordeling, of er al dan niet een m.e.r.

nodig is en publiceert dit in een m.e.r.beoordelingsbesluit. Het besluit dat geen m.e.r. uitgevoerd hoeft te worden, hoeft niet gepubliceerd te worden in de Staatscourant. Er is geen sprake van een aparte bezwaar- en beroepsprocedure bij de beslissing over de m.e.r.-plicht. Bezwaar en beroep is alleen mogelijk tegelijkertijd met de procedure voor het bestemmingsplan.

5.14 Conclusie milieu- en omgevingsaspecten Met inachtneming van hetgeen omschreven in dit hoofdstuk en de bijbehorende onderzoeksrapportages en resultaten uit eventuele vervolgonderzoeken, vormen de relevante milieuen omgevingsaspecten geen belemmering voor de voorgenomen ontwikkeling.

19 januari 2022 | Bestemmingsplan ‘Buitengebied West, Wilgenweg 3’ | Buro Stedenbouw

38

6. Toelichting op de regels 6.1 Inleiding In de voorgaande hoofdstukken is ingegaan op de bestaande situatie, het relevante beleid en de relevante milieu- en omgevingsaspecten. De informatie uit deze hoofdstukken is gebruikt om keuzes te maken bij het opstellen van het bestemmingsplan: de verbeelding (plankaart) en de regels. In dit hoofdstuk wordt ingegaan op de opzet van dit bestemmingsplan. Daarnaast worden de gemaakte keuzes op de verbeelding en in de regels verantwoord. Dat betekent dat er wordt aangegeven waarom bepaalde bestemmingen zijn aangewezen en waarom bepaalde bebouwing acceptabel is. Het bestemmingsplan bestaat uit een toelichting, regels en een verbeelding. De regels en de verbeelding vormen samen het juridisch bindende gedeelte van het bestemmingsplan en dienen in onderlinge samenhang te worden bezien en toegepast. De toelichting vormt de verantwoording voor de gemaakte keuzen voor de inrichting van het plangebied en de toekenning van de bestemmingen. Met het bestemmingsplan ‘Buitengebied West, Wilgenweg 3’ wordt 1 extra vrijstaande woning mogelijk gemaakt ter plekke van gesaneerde agrarische bedrijfsbebouwing. Dit bestemmingsplan is mede gebaseerd op het bestemmingsplan 'Buitengebied West’ en opgesteld aan de hand van de Standaard Vergelijkbare Bestemmingsplannen SVBP2012, zoals vastgelegd in de Regeling standaarden ruimtelijke ordening 2012.

De regels zijn voor zover nodig op hun beurt weer aangepast aan specifieke situaties in het plangebied. De regels van het bestemmingsplan bestaan uit de volgende hoofdstukken: • • • •

Hoofdstuk 1 Inleidende regels; Hoofdstuk 2 Bestemmingsregels; Hoofdstuk 3 Algemene regels; Hoofdstuk 4 Overgangs- en slotregels.

6.2 Opzet regels In de Wet ruimtelijke ordening (Wro) is de verplichting opgenomen om ruimtelijke plannen en besluiten digitaal vast te stellen. De Standaard voor vergelijkbare bestemmingsplannen 2012 (SVBP2012) is verplicht. De Standaard Vergelijkbare Bestemmingsplannen 2012 maakt het mogelijk bestemmingsplannen te maken die op vergelijkbare wijze zijn opgebouwd en op eenzelfde manier worden verbeeld. Vergelijkbare bestemmingsplannen leiden tot een betere dienstverlening en tot een effectievere en efficiëntere overheid. Het juridisch bindend gedeelte van het bestemmingsplan bestaat uit planregels en bijbehorende verbeelding waarop de bestemmingen zijn aangegeven. Deze verbeelding kan zowel digitaal als analoog worden verbeeld. De verbeelding en de planregels dienen in samenhang te worden bekeken. 6.2.1 Inleidende regels Hoofdstuk 1 bevat regels die gelden voor het gehele plangebied en bestaat uit: • •

artikel 1 Begrippen: In dit artikel zijn definities van de in de regels gebruikte begrippen opgenomen, voor een eenduidige interpretatie van deze begrippen. artikel 2 Wijze van meten: Dit artikel geeft onder meer bepalingen waar mag worden gebouwd en hoe voorkomende eisen betreffende de maatvoering begrepen moeten worden.

19 januari 2022 | Bestemmingsplan ‘Buitengebied West, Wilgenweg 3’ | Buro Stedenbouw

39

6.2.2 Bestemmingsregels Hoofdstuk 2 bevat de juridische vertaling van de verschillende bestemmingen die voorkomen in het plangebied. Voor ieder gebied op de verbeelding is de bestemming aangegeven. Deze bestemmingen zijn in de regels onderverdeeld in onder meer: • • •

Bestemmingsomschrijving: omschrijving van de activiteiten die zijn toegestaan; Bouwregels: eisen waaraan de bebouwing moet voldoen; Afwijken van de gebruiks- en bouwregels: onder welke voorwaarde mag worden afgeweken van de aangegeven bestemmingen en bouwregels;

In paragraaf 6.3 worden de verschillende bestemmingen toegelicht en wordt ook per bestemming aangegeven waarom voor bepaalde gronden voor deze bestemming is gekozen. Daarnaast wordt, indien gekozen wordt af te wijken van de bestemming uit het geldende bestemmingsplan, aangegeven waarom daarvoor is gekozen. 6.2.3 Algemene regels Hoofstuk 3 bevat de algemene regels. Deze regels gelden in principe voor het gehele plangebied. Dit hoofdstuk is als volgt opgebouwd: •

• •

• • • • •

artikel 6 Anti-dubbeltelregel: deze regel is opgenomen om een ongewenste verdichting van de bebouwing te kunnen voorkomen. Dit kan zich met name voordoen wanneer een deel van een bouwperceel, dat reeds bij de berekening van een maximaal bebouwingspercentage was betrokken, wederom - nu ten behoeve van de berekening van het maximale bebouwingspercentage van een ander bouwperceel - wordt betrokken; artikel 7 Algemene bouwregels: dit artikel bevat onder andere regels ten aanzien van de minimale afstand tot wegen die geldt voor het bouwen van gebouwen; artikel 8 Algemene gebruiksregels: in dit artikel worden de algemene gebruiksregels beschreven. Deze regels gaan uit van het principe dat gebruik uitsluitend is toegestaan in overeenstemming met de ter plekke geldende bestemming. Dit artikel bevat algemeen geldende bepalingen ten aanzien van strijdig en toegestaan gebruik volgens de in het bestemmingsplan geldende bestemmingen; artikel 9 Algemene afwijkingsregels: in dit artikel worden de algemene afwijkingsregels beschreven. Deze regels maken het voor het bevoegd gezag mogelijk om op ondergeschikte punten van de regels in het bestemmingsplan af te wijken; artikel 10 Algemene wijzigingsregels: in dit artikel worden de algemene wijzigingsregels beschreven.

Deze regels voorzien in de mogelijkheid om de ligging van bestemmings-, bouw- en aanduidingsgrenzen te wijzigen; artikel 11 Algemene procedureregels: in dit artikel wordt de procedure beschreven van eventueel nadere eisen. artikel 12 Omgevingsvergunning voor het uitvoeren van werken of werkzaamheden: dit artikel beschrijft de onderzoeksverplichtingen die rusten op gronden met een archeologische dubbelbestemming; artikel 13 Nadere eisen: dit artikel beschrijft de nadere eisen die het bevoegd gezag kan stellen ten aanzien van verschillende aspecten, buiten de geldende planregels van het bestemmingsplan om.

6.2.4 Overgangs- en slotregels In hoofdstuk 4 staan de overgangs- en slotbepalingen. In artikel 10 is het overgangsrecht beschreven. Hierin wordt aangegeven wat de juridische consequenties zijn van bestaande situaties die in strijd zijn met dit bestemmingsplan. De inhoud van deze regels is overgenomen uit de standaardregels uit het Besluit ruimtelijke ordening (Bro). In artikel 11 is de officiële benaming van dit bestemmingsplan opgenomen.

19 januari 2022 | Bestemmingsplan ‘Buitengebied West, Wilgenweg 3’ | Buro Stedenbouw

40

6.3 Nadere toelichting op de regels Kenmerk van de Nederlandse ruimtelijke ordeningsregelgeving is dat er uitgegaan wordt van toelatingsplanologie. Een bestemmingsplan geeft aan welke functies waar zijn toegestaan en welke bebouwing opgericht mag worden. Bij het opstellen van dit bestemmingsplan zijn keuzes gemaakt over welke functies waar mogelijk worden gemaakt en is gekeken welke bebouwing stedenbouwkundig toegestaan kan worden. Het is noodzakelijk dat het bestemmingsplan een compleet inzicht biedt in de bouw- en gebruiksmogelijkheden binnen het betreffende plangebied. Het bestemmingsplan is het juridische toetsingskader dat bindend is voor de burger en overheid en geeft aan wat de gewenste planologische situatie voor het plangebied is. Voorliggend bestemmingsplan maakt de realisatie van één nieuwe woning mogelijk ter plekke van huidige te saneren agrarische bedrijfsbebouwing. De ter plekke geldende bestemming 'Agrarisch' staat geen woningen toe. Derhalve is de bestemming ter plekke van het erf voor de beoogde woning gewijzigd naar 'Wonen'. Tevens is het perceel van de bestaande agrarische bedrijfswoningen aan de Wilgenweg 1 en 3 gewijzigd naar 'Wonen'. Als voorwaarde voor de ontwikkeling is gesteld dat het agrarisch bouwvlak rustend op de kadastrale percelen gemeente Heerde, sectie M, nummers 560, 1438, 2004 en 2005 zou worden verwijderd.

In dit bestemmingsplan is het agrarisch bouwvlak verwijderd, maar blijft de agrarische bestemming ter plekke van de kadastrale percelen gemeente Heerde, sectie M, nummers 560 (gedeeltelijk), 1438, 2004 (gedeeltelijk) en 2005 gehandhaafd. Ook de archeologische dubbelbestemming 'Waarde - Hoge archeologische verwachting' en gebiedsaanduiding 'dekzandruggen en oude bouwlanden' blijven gehandhaafd zoals reeds in de bestaande situatie het geval is. Tot slot is aansluiting gezocht bij de regels uit het geldende bestemmingsplan 'Buitengebied West' van de gemeente Heerde, zoals vastgesteld op 16 april 2012 en de 'Correctieve herziening Buitengebied West', zoals vastgesteld op 15 december 2014. Deze regels zijn gedeeltelijk overgenomen en specifiek gemaakt voor de onderhavige situatie.

19 januari 2022 | Bestemmingsplan ‘Buitengebied West, Wilgenweg 3’ | Buro Stedenbouw

41

7. Financiële uitvoerbaarheid 7.1 Inleiding In dit hoofdstuk worden de exploitatie van het plan en de eventueel daaruit voortvloeiende planschade besproken.

7.2 Financiële uitvoerbaarheid De voorgenomen ontwikkeling wordt door de initiatiefnemer en eigenaar geïnitieerd en gefinancierd.

7.3 Anterieure overeenkomst Ten aanzien van het kostenverhaal en eventuele planschade als gevolg van de voorgenomen ontwikkeling sluiten de gemeente en de initiatiefnemer een overeenkomst. Hiermee is het verhaal van kosten verzekerd.

19 januari 2022 | Bestemmingsplan ‘Buitengebied West, Wilgenweg 3’ | Buro Stedenbouw

42

8. Maatschappelijke uitvoerbaarheid 8.1 Inleiding De procedure voor vaststelling van een bestemmingsplan is geregeld in de Wet ruimtelijke ordening. Aangegeven is dat tussen de gemeente en verschillende instanties waar nodig overleg over het plan moet worden gevoerd, voordat een ontwerpbestemmingsplan ter visie kan worden gelegd. Bovendien is afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht van toepassing verklaard (zienswijzenprocedure).

8.2 Inspraak Ten behoeve van de voorgenomen ontwikkeling zijn de omwonenden van het plangebied op de hoogte gesteld van het plan. Hieruit zijn in eerste instantie geen bezwaren tegen onderhavig initiatief naar voren gekomen.

8.3 Zienswijzen Het ontwerp van dit bestemmingsplan wordt op grond van artikel 3.8 van de Wet ruimtelijke ordening en afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht gedurende zes weken voor iedereen ter inzage gelegd en het wordt tegelijkertijd elektronisch beschikbaar gesteld via de gemeentelijke website (www.heerde.nl) en de landelijke website (www.ruimtelijkeplannen.nl). Voorafgaand wordt hiervan mededeling gedaan in het plaatselijke blad en op de gemeentelijke website. Gedurende deze periode kan een ieder een zienswijze over het ontwerp van het ruimtelijke besluit bij de gemeenteraad naar voren brengen. Het eindverslag van deze zienswijzenprocedure maakt onderdeel uit van het besluit tot vaststelling van dit ruimtelijke plan. Tegen het ontwerpbestemmingsplan zijn geen zienswijzen ingediend. Derhalve is het bestemmingsplan ongewijzigd vastgesteld.

19 januari 2022 | Bestemmingsplan ‘Buitengebied West, Wilgenweg 3’ | Buro Stedenbouw

43

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Heerde&id=0130968e-bd5c-4c7b-a5ee-0b637a73fd69