CConstaterende datHeerde
Koppel je AI →
Document · PDF

8.6. Wapenveld - Jacoba's Hof_TOELICHTING_Bijlagen

Raadscommissie 18 september 2023, gemeente HeerdeBij agendapunt: Vaststelling bestemmingsplan Wapenveld – Jacoba’s Hof24.292 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 3

Als vleermuizen van een dergelijke route gebruik maken spreken we van een vliegroute. In het plangebied ontbreken eventuele structuren die als vliegroute gebruikt kunnen worden. In de omgeving staan wel enkele boomstructuren die mogelijk als migratieroute tussen zomer- en winterverblijf gebruikt kunnen worden, maar deze blijven door de werkzaamheden intact.

Amfibieën De kamsalamander (H1166) is aangewezen als habitatsoort voor het Natura 2000-gebied ‘Veluwe’. De landelijke staat van instandhouding van de kamsalamander is matig gunstig (Tabel 3.1). Voor oppervlakte en kwaliteit geldt een behouds-doelstelling Vanuit de NDFF zijn in of in de nabijheid van het plangebied (± 5km) enkele waarnemingen bekend van kamsalamander. Het betreft hier waarnemingen in het stroomgebied van de Ijssel en in poelen op de Veluwe. De kamsalamander plant zich voort in permanente, matig voedselrijke tot voedselrijke stilstaande wateren met een rijke onderwatervegetatie. Dergelijke wateren ontbreken in of in nabijheid van het plangebied. Kamsalamander is gevoelig voor stikstofdepositie uit de lucht. Het is onbekend in welke mate de voorgenomen plannen in zowel de aanleg als de gebruiksfase tot een vermeerdering van stikstof depositie uit de lucht zal leiden en welke effecten dit geeft. Hiervoor is een berekening nodig om te kijken of er überhaupt sprake is van toename. Conclusie amfibieën • Negatieve effecten op de instandhoudingsdoelstellingen voor kamsalamander zijn niet uitgesloten. De toename van stikstofdepositie tijdens de aanlegfase en de gebruiksfase zullen berekend moeten worden om uit te sluiten of er negatieve effecten optreden op de instandhoudingsdoelstellingen.

Omdat negatieve effecten niet zijn uit te sluiten, dient een passende beoordeling te worden uitgevoerd waarin de effecten nauwkeurig worden beschreven en wordt bepaald of en zo ja welke maatregelen moeten worden genomen om negatieve effecten zoveel als mogelijk te beperken.

Foerageergebied Meervleermuizen foerageren boven groot, open oppervlaktewater. Geschikt foerageergebied ontbreekt in het plangebied. Conclusie vleermuizen • Negatieve effecten op de instandhoudingsdoelstellingen voor meervleermuis zijn uitgesloten.

Ecologisch Adviesbureau Viridis |Nachtegaalweg en Groteweg Wapenveld

15

Vissen De beekprik (H1096) en rivierdonderpad (H1163) zijn aangewezen habitatsoorten voor het Natura 2000-gebied. De landelijke staat van instandhouding van rivierdonderpad is ongunstig en voor beekprik zeer ongunstig (Tabel 3.1). Voor oppervlakte geldt voor beide soorten een uitbreidingsdoelstelling en voor kwaliteit geldt voor de rivierdonderpad een behouds-doelstelling en voor de beekprik een uitbreidingsdoelstelling.

Van het vliegend hert is in of in nabijheid van het plangebied (± 3km) één waarneming bekend. Door de werkzaamheden gaat er geen leefgebied verloren en zijn negatieve effecten op de instandhoudingsdoelstellingen uitgesloten.

Vanuit de NDFF zijn in of in nabijheid van het plangebied (± 5km) geen waarnemingen bekend van zowel de beekprik als rivierdonderpad. De beekprik is een typische bewoner van natuurlijk beken die een afwisseling vertonen van snelstromende, zandige trajecten en luwe, slibrijkere delen. Ook de rivierdonderpad komt op de Veluwe alleen voor in zijn natuurlijke habitat, de snelstromende beken (o.a. Hierdensche beek en Verloren beek). Deze beken ontbreken in of in nabijheid van het plangebied.

3.5.4 Broedvogels Er zijn 9 soorten aangewezen als broedvogel voor het Natura 2000-gebied ‘Veluwe’ (Tabel 3.1). De wespendief (A072), nachtzwaluw (A224), ijsvogel (A229), draaihals (A233), zwarte specht (A236), boomleeuwerik (A246), duinpieper (A255), roodborsttapuit (A276), tapuit (A277) en grauwe klauwier (A338).

Conclusie vissen • Negatieve effecten op de instandhoudingsdoelstellingen voor beekprik en rivierdonderpad zijn uitgesloten. Ongewervelden De gevlekte witsnuitlibel (H1042) en vliegend hert zijn aangewezen habitatsoorten voor het Natura 2000-gebied. De landelijke staat van instandhouding van de gevlekte witsnuitlibel is zeer ongunstig en voor het vliegend hert ongunstig (Tabel 3.1). Voor gevlekte witsnuitlibel en vliegend hert geldt voor zowel de oppervlakte als de kwaliteit een uitbreidingsdoelstelling. Vanuit de NDFF is het voorkomen van de gevlekte witsnuitlibel bekend in de omgeving van Wapenveld. Het betreft hier een enkele waarneming van een individu langs de Ijssel en geen lokale populatie. Het plangebied vormt geen geschikt leefgebied voor gevlekte witsnuitlibel. De soort is afhankelijk van onbeschaduwde wateren met helder water en een rijke begroeiing van onderwatervegetatie. Oppervlaktewater komt niet voor in of in de nabijheid van het plangebied.

Conclusie ongewervelden • Negatieve effecten op de instandhoudingsdoelstellingen voor ongewervelden zijn uitgesloten.

Al deze soorten broedvogels zijn zeer gevoelig voor stikstofdepositie. Het is onbekend in welke mate de voorgenomen plannen in zowel de aanleg als de gebruiksfase tot een vermeerdering van stikstof depositie uit de lucht zal leiden en welke effecten dit geeft. Een berekening zal hierin inzicht moeten geven. Voor al deze soorten komt geschikt broedbiotoop niet voor in het plangebied. Broedgevallen van deze soorten zijn daarmee in het plangebied en directe omgeving uitgesloten. Doordat leefgebied van deze soorten ontbreekt binnen het plangebied en directe omgeving zijn negatieve effecten op de instandhoudingsdoelstelling van deze soorten uitgesloten. Conclusie broedvogels • Negatieve effecten op de instandhoudingsdoelstellingen voor de aangewezen broedvogels zijn niet uitgesloten. De toename van stikstofdepositie tijdens de aanlegfase en de gebruiksfase zullen berekend moeten worden om uit te sluiten of er negatieve effecten optreden op de instandhoudingsdoelstellingen. De uitvoering van een passende beoordeling zal hier inzicht in moeten geven. Op basis van de uitkomsten kan worden bepaald of en zo ja welke maatregelen moeten worden genomen om negatieve effecten te mitigeren.

Ecologisch Adviesbureau Viridis |Nachtegaalweg en Groteweg Wapenveld

16

3.6

Rijntakken

Het deelgebied Uiterwaarden IJssel omvat het systeem van de rivier de IJssel, de aanliggende oeverwallen en de uiterwaarden. De IJssel is een zijtak van de Rijn en loopt van Arnhem tot aan het IJsselmeer. Het landschap is ontstaan in een periode dat de rivier een veel groter deel van de waterafvoer verzorgde en de monding nog een echte delta was. De IJssel neemt in perioden van hoge afvoer 1/6 deel van de Rijnafvoer voor haar rekening. In perioden met lage afvoer wordt het water op peil gehouden door de stuw in de NederRijn. Gedurende het winterhalfjaar kunnen grote delen van de uiterwaarden geïnundeerd raken. De overstromingsduur en -frequentie variëren sterk van jaar tot jaar. Er zijn grote verschillen in het buitendijkse gebied, verschillen in hoogteligging, afwisseling tussen smalle en brede delen en tussen dichte kleinschalige en grote open delen. Plaatselijk treedt grondwater uit en monden beken uit in het IJsseldal. Zandige kalkrijke oeverwallen en rivierduinen worden afgewisseld met kleiige, vlakke stroomdalen. Bij Arnhem en Dieren snijdt de rivier de stuwwal van de Veluwe aan. Tot aan Olst zijn in het verleden brede meanders (kronkelwaarden) gevormd. In het middendeel stroomt de rivier tussen relatief smalle, hoog gelegen uiterwaarden. Bij Zalk, in het benedendeel, krijgt de rivier een breder bed dat bij Kampen overgaat in een kleine delta.

Dit jong gebied is gevormd na de Romeinse tijd en voor de afsluiting van het IJsselmeer. Tussen Dieren en Wijhe liggen veel landgoederen met daarbij behorende oude verkavelingspatronen, heggen en bossen. Het landschap van het noordelijkste deel is open en wordt gekenmerkt door grasland. Een aantal vrijwel onvergraven en reliëfrijke uiterwaarden zoals Cortenoever, Rammelwaard, Ravenswaard en Scherenwelle, vormt een kleinschalig oud cultuurlandschap met daarin stroomdalgraslanden, kievitsbloemhooilanden en glanshaverhooilanden. In reliëfrijke delen komt plaatselijk hardhoutooibos voor. De IJssel verbindt een aantal natuurgebieden met elkaar: • de natuurgebieden langs de rivieren, in de Gelderse Poort en bovenstrooms langs de Rijn in het zuiden; • de laagveenmoerassen van Noordwest Overijssel in het noorden; • de Randmeren en het Ketelmeer met aansluiting op het IJsselmeer in het westen.

3.6.1 Habitattypen en -soorten De aangewezen habitattypen en -soorten voor Natura 2000-gebied ‘Rijntakken’ zijn weergegeven in de onderstaande tabel 3.3. Het gebied is aangewezen voor 9 habitattypen, 12 habitatsoorten, 12 broedvogelsoorten en 26 niet-broedvogel-soorten. Bij de aangewezen habitattypen en -soorten zijn de instandhoudingsdoelstellingen weergeven. In de eerste kolom achter de habitattypen en -soorten is de landelijke staat van instandhouding weergegeven, vervolgens de doelstelling voor de oppervlakte en/of kwaliteit en de doelstelling voor het leefgebied en/of omvang van de populatie. 3.6.2 Effectbeoordeling Niet alleen ingrepen in een Natura 2000-gebied kunnen invloed hebben op instandhoudingsdoelen, ook activiteiten buiten het gebied kunnen de natuurwaarden in een gebied beïnvloeden. Dit wordt "externe werking" genoemd. Er bestaat geen ruimtelijke grens voor externe werking: bepalend zijn de effecten op de instandhoudingsdoelstellingen van de soorten en habitattypen in het Natura 2000-gebied, ongeacht de afstand tot het beschermde gebied. De mogelijke schadelijke factoren op instandhoudingsdoelen van een Natura 2000-gebied zijn inzichtelijk gemaakt met behulp van de effectenindicator (Ministerie van EZ, 2013). De effectindicator geeft informatie over de gevoeligheid van soorten en habitattypen voor de meest voorkomende storende factoren.

In tabel 3.2 is de effectenindicator voor het Natura 2000-gebied ‘Rijntakken’ weergegeven. De werkzaamheden kunnen mogelijk leiden tot (significant) negatieve gevolgen voor de instandhoudingsdoelstellingen van de aangewezen habitattypen- en soorten. De volgende effecten zijn getoetst: • Verlies leefgebied; • Verstoring door geluid; • Verstoring door licht; • Verstoring door trillingen; • Optische verstoring, en; • Verstoring door mechanische effecten. De te verwachten effecten zullen in onderstaande tekst per soorten besproken worden.

Ecologisch Adviesbureau Viridis |Nachtegaalweg en Groteweg Wapenveld

17

Tabel 3.3 | Habitattypen en -soorten van Natura 2000-gebied Rijntakken. Habitattypen

Landelijke SVI -

Doelst. Kwal. >

-

Doelst. Opp.vl. > >

H3150 H3260B

Meren met krabbenscheer en fonteinkruiden Beken en rivieren met waterplanten

H3270

Slikkige rivieroevers

-

>

>

H6120

*Stroomdalgraslanden

--

>

>

H6430A

Ruigten en zomen (moerasspirea)

+

=

=

H6340B

Ruigten en zomen (harig wilgenroosje)

-

=

=

H6430C

Ruigten en zomen (droge bosranden)

-

>

>

H6510A

Glanshaver- en vossenstaarthooilanden (glasklaver)

-

>

>

H6510B

Glanshaver- en vossenstaarthooilanden (grote vossenstaart)

--

>

>

H9120

Beuken-eikenbossen met hulst

-

>

>

H91E0A

*Vochtige alluviale bossen (zachthoutooibossen)

-

=

>

H91E0B

*Vochtige alluviale bossen (essen-iepenbossen)

--

>

>

H91E0C

*Vochtige alluviale bossen (beekbegeleidende bossen)

-

=

=

H91F0

Droge hardhoutooibossen

--

>

>

Doelst. Pop.

=

Habitatsoorten H1095

Zeeprik

-

>

>

>

H1099

Rivierprik

-

>

>

>

H1102

Elft

--

=

=

>

H1106

Zalm

--

=

=

>

H1134

Bittervoorn

-

=

=

=

H1145

Grote modderkruiper

-

>

>

>

H1149

Kleine modderkruiper

+

=

=

=

H1163

Rivierdonderpad

-

=

=

=

H1166

Kamsalamander

-

>

>

>

H1318

Meervleermuis

-

=

=

=

H1337

Bever

-

=

>

>

+

=

=

45

Broedvogels A004

Dodaars

A017

Aalscholver

+

=

=

660

A021

Roerdomp

--

>

>

20

A022

Woudaapje

--

>

>

20

A119

Porseleinhoen

--

>

>

40

A122

Kwartelkoning

-

>

>

160

A153

Watersnip

--

=

=

17

A197

Zwarte stern

--

=

=

240

A229

Ijsvogel

+

=

=

25

A249

Oeverzwaluw

+

=

=

680

A272

Blauwborst

+

=

=

95

A298

Grote karekiet

--

>

>

70

Niet-broedvogels A005

Fuut

-

=

=

570

A017

Aalscholver

+

=

=

1300

A037

Kleine zwaan

-

=

=

100

A038

Wilde zwaan

-

=

=

30

A039

Toendrarietgans (foerageergebied)

+

=

=

125

A039

Toendrarietgans (rustplaatsen)

+

=

=

2800

A041

Kolgans (foerageergebied)

+

=

=

35400

A041

Kolgans (rustplaatsen)

+

=

=

180100

A043

Grauwe gans (foerageergebied)

+

=

=

8300

A043

Grauwe gans (rustplaatsen)

+

=

=

21500

A045

Brandgans (foerageergebied)

+

=

=

920

A045 A048

Brandgans (rustplaatsen) Bergeend

+ +

= =

= =

5200 120

A050

Smient

+

=

=

17900

Ecologisch Adviesbureau Viridis |Nachtegaalweg en Groteweg Wapenveld

18

A051

Krakeend

+

=

=

340

A052

Wintertaling

-

=

=

1100

A053

Wilde eend

+

=

=

6100

A054

Pijlstaart

-

=

=

130

A056

Slobeend

+

=

=

400

A059

Tafeleend

--

=

=

990

A061

Kuifeend

-

=

=

2300

A068

Nonnetje

-

=

=

40

A125

Meerkoet

-

=

=

8100

A130

Scholekster

--

=

=

340

A140

Goudplevier

--

=

=

140

A142

Kievit

-

=

=

8100

A151

Kemphaan

-

=

=

1000

A156

Grutto

--

=

=

690

A160

Wulp

+

=

=

850

A162

Tureluur

-

=

=

65

Landelijke SVI = Landelijke staat van instandhouding:

+ gunstig; - matig gunstig; -- zeer ongunstig.

Doelstelling voor oppervlakte en kwaliteit: = behoud;

= (<) Ontwerp-aanwijzingsbesluit heeft 'ten gunste van' formulering; > uitbreiding.

Doelstelling voor leefgebied en/of omvang populatie:

= behoud; > uitbreiding/verbetering.

* voor een naam betekent het prioritaire soort of habitattype. Hiervoor zijn spoedmaatregelen gewenst.

Ecologisch Adviesbureau Viridis |Nachtegaalweg en Groteweg Wapenveld

19

Tabel 3.4 | Storingsfactoren op instandhoudingsdoelen Rijntakken volgens de effectindicator van het Ministerie van EZ (rood = zeer gevoelig; oranje = gevoelig; groen = niet gevoelig; wit = onbekend; X= niet van toepassing; … = onbekend).

…

… …

Ecologisch Adviesbureau Viridis |Nachtegaalweg en Groteweg Wapenveld

X X X X X X X X X X X X X X … …

mechanisch

…

X X X X X X X X X X X X X X … … … …

optisch

licht

X X X X X X X X X X X X X X … …

trillingen

geluid

stikstof depositie

verontreiniging

oppervlakteverlies Meren met krabbenscheer en fonteinkruiden Beken en rivieren met waterplanten Slikkige rivieroevers *Stroomdalgraslanden Ruigten en zomen (moerasspirea) Ruigten en zomen (harig wilgenroosje) Ruigten en zomen (droge bosranden) Glanshaver- en vossenstaarthooilanden (glasklaver) Glanshaver- en vossenstaarthooilanden (grote vossenstaart) Beuken-eikenbossen met hulst *Vochtige alluviale bossen (zachthoutooibossen) *Vochtige alluviale bossen (essen-iepenbossen) *Vochtige alluviale bossen (beekbegeleidende bossen) Droge hardhoutooibossen Zeeprik Rivierprik Elft Zalm Bittervoorn Grote modderkruiper Kleine modderkruiper Rivierdonderpad Kamsalamander Meervleermuis Bever Dodaars (broedvogel) Aalscholver (broedvogel) Roerdomp (broedvogel) Woudaapje (broedvogel) Porseleinhoen (broedvogel) Kwartelkoning (broedvogel) Watersnip (broedvogel) Zwarte stern (broedvogel) Ijsvogel (broedvogel) Oeverzwaluw (broedvogel) Blauwborst (broedvogel) Grote karekiet (broedvogel) Aalscholver Fuut Kleine zwaan Wilde zwaan Toendrarietgans (foerageergebied) Toendrarietgans (rustplaatsen) Kolgans (foerageergebied) Kolgans (rustplaatsen) Grauwe gans (foerageergebied) Grauwe gans (rustplaatsen) Brandgans (foerageergebied) Brandgans (rustplaatsen) Bergeend Smient Krakeend

…

… … … …

…

… …

… … … …

… … … … … … … … … … … … …

…

20

Wintertaling Wilde eend Pijlstaart Slobeend Tafeleend Kuifeend Nonnetje Meerkoet Scholekster Goudplevier Kievit Kemphaan Grutto Wulp Tureluur

3.6.3 Habitattypen Er zijn 9 habitattypen aangewezen voor het Natura 2000-gebied ‘Rijntakken’ (tabel 3.1). Alleen Beuken-eikenbossen (H9120) en vochtige alluviale bossen (essen-iepenbossen) (H91E0B) komen als aangewezen habitattypen voor op 1,5 km afstand van het plangebied (figuur 3.1).

… … … … … … … … … … … …

Verstoring Doordat de werkzaamheden op ruime afstand (+-1500 meter) van het habitattype plaatsvindt worden er geen negatieve effecten verwacht door verstoring op de instandhoudingsdoelstellingen van het habitattype. Alluviale bossen (essen-iepenbossen) (H9120)

Het habitattype beuken-eikenbossen is noordelijk van Wapenveld gelegen aan de Kloosterweg, nabij Klooster Hulsbergen. De landelijke staat van instandhouding van Beuken-eikenbossen is zeer ongunstig (tabel 3.3). Voor zowel de oppervlakte en de kwaliteit van de habitats geldt een uitbreidingsdoelstelling.

Het habitattype Alluviale bossen is noordelijk van Wapenveld gelegen aan de Kloosterweg, nabij Klooster Hulsbergen. De landelijke staat van instandhouding van Alluviale bossen (essen-iepenbossen) is zeer ongunstig (tabel 3.3). Voor zowel de oppervlakte en de kwaliteit van de habitats geldt een uitbreidingsdoelstelling.

Effecten Beuken-eikenbossen zijn gevoelig voor oppervlakteverlies, verontreiniging, optische verstoring en mechanische verstoring.

Effecten Alluviale bossen zijn gevoelig voor oppervlakteverlies, verontreiniging, optische verstoring en mechanische verstoring.

Oppervlakteverlies Werkzaamheden worden buiten de begrenzing van dit habitattype uitgevoerd. Negatieve effecten op de habitattypen door oppervlakteverlies zijn uit te sluiten.

Oppervlakteverlies Werkzaamheden worden buiten de begrenzing van dit habitattype uitgevoerd. Negatieve effecten op de habitattypen door oppervlakteverlies zijn uit te sluiten.

Verontreiniging Beuken-eikenbossen zijn gevoelig voor vermesting door stikstofdepositie. Het is onbekend in welke mate de voorgenomen plannen in zowel de aanleg als de gebruiksfase tot een vermeerdering van stikstof depositie uit de lucht zal leiden en welke effecten dit geeft. Hiervoor is een berekening nodig om te kijken of er überhaupt sprake is van toename.

Verontreiniging Alluviale bossen zijn gevoelig voor verzuring en vermesting door stikstofdepositie. Het is onbekend in welke mate de voorgenomen plannen in zowel de aanleg als de gebruiksfase tot een vermeerdering van stikstof depositie uit de lucht zal leiden en welke effecten dit geeft. Hiervoor is een berekening nodig om te kijken of er überhaupt sprake is van toename.

Beuken-eikenbossen (H9120)

Ecologisch Adviesbureau Viridis |Nachtegaalweg en Groteweg Wapenveld

21

Verstoring Doordat de werkzaamheden op ruime afstand (+-1750 meter) van het habitattype plaatsvinden worden er geen negatieve effecten verwacht door verstoring op de instandhoudingsdoelstellingen van het habitattype. Conclusie habitattypen • Negatieve effecten op de instandhoudingsdoelstellingen voor habitattypen zijn niet uitgesloten. De toename van stikstofdepositie tijdens de aanlegfase en de gebruiksfase zullen berekend moeten worden om te bepalen of er negatieve effecten optreden op de instandhoudingsdoelstellingen. De uitvoering van een passende beoordeling zal hier inzicht in moeten geven. Op basis van de uitkomsten kan worden bepaald of en zo ja welke maatregelen moeten worden genomen om negatieve effecten te mitigeren. 3.6.4 Habitatsoorten Er zijn 12 habitatsoorten aangewezen voor het Natura 2000-gebied ‘Rijntakken’ (tabel 3.3). Deze worden hieronder per soortgroep besproken. Grondgebonden zoogdieren De bever (H1337) is een aangewezen habitatsoort voor het Natura 2000-gebied. De landelijke staat van instandhouding van de bever is matig ongunstig (tabel 3.3). Voor oppervlakte geldt een behoudsdoelstelling en voor kwaliteit geldt voor deze soort een uitbreidingsdoelstelling. Vanuit de NDFF zijn in het gehele stroomgebied van de IJssel waarnemingen bekend van de bever. Nabij het plangebied ontbreekt geschikt leefgebied voor deze soort.

Het plangebied ligt op een hoger gelegen gebied met droge zandgrond zonder open water. Geschikt leefgebied voor deze soort wordt niet aangetast door het plan zowel in de aanlegfase als gebruikersfase. Conclusie zoogdieren • Negatieve effecten op de instandhoudingsdoelstellingen voor bever zijn uitgesloten.

Vleermuizen De meervleermuis (H1318) is een aangewezen habitatsoort voor het Natura 2000-gebied. De landelijke staat van instandhouding van meervleermuis is ongunstig (tabel 3.3). Voor zowel de oppervlakte als de kwaliteit geldt een behoudsdoelstelling voor deze soort. Bij het gebruik van het landschap door vleermuizen wordt onderscheid gemaakt in verblijfplaatsen, vliegroutes en foerageergebied. Vanuit de NDFF zijn waarnemingen bekend van de meervleermuis. Verblijfplaatsen Meervleermuis is een gebouwbewonende soort en bebouwing ontbreekt geheel in het plangebied. Ook overwinteringsgebieden zijn binnen het plangebied niet aanwezig. Vliegroute Vleermuizen oriënteren zich door middel van echolocatie. Ze zenden ultrasone geluiden uit. De terugkaatsende geluiden van bijvoorbeeld gebouwen, struiken, bomen of oevers geven de dieren een beeld van de omgeving. Om deze reden vliegen de vleermuizen vaak langs opvallende oriëntatiepunten zoals een rij bomen, langs rietkragen, langs huizenrijen, etc. Als vleermuizen van een dergelijke route gebruik maken spreken we van een vliegroute. Het plangebied heeft geen essentiële lijnvormige structuren die voor meervleermuizen van belang zijn. Foerageergebied Meervleermuizen foerageren boven groot oppervlaktewater, zoals de IJssel en de uiterwaarden er omheen.

Geschikt foerageergebied voor meervleermuis ontbreekt in het plangebied omdat het ver van open water ligt op droge zandgrond. Conclusie vleermuizen • Negatieve effecten op de instandhoudingsdoelstellingen voor meervleermuis zijn uitgesloten.

Ecologisch Adviesbureau Viridis |Nachtegaalweg en Groteweg Wapenveld

22

Vissen De Zeeprik (H1095), rivierprik (H1099), elft (H1102), zalm (H1106), kleine modderkruiper (H1149), grote modderkruiper (H1145), bittervoorn (H1134) en rivierdonderpad (H1163) zijn aangewezen habitatsoorten voor het Natura 2000-gebied. De landelijke staat van instandhouding van elft en zalm is zeer ongunstig. De landelijke staat van instandhouding van de kleine modderkruiper is gunstig en voor de overige vissoorten matig ongunstig (tabel 3.3). Voor zowel de oppervlakte en de kwaliteit geldt een behoudsdoelstelling voor deze soorten. Voor grote modderkruiper, rivier en zeeprik gelden uitbreidingsdoelstellingen. Vanuit de NDFF is alleen het voorkomen van kleine modderkruiper, grote modderkruiper, bittervoorn, rivierdonderpad en rivierprik bekend in het stroomgebied van de IJssel bij Wapenveld. Het is onbekend of de andere soorten in of in nabijheid van Wapenveld voorkomen. Het plangebied ligt ver van water en bevat zelf geen open water. Negatieve effecten op de instandhoudingsdoelstellingen zijn uitgesloten. Conclusie vissen • Negatieve effecten op de instandhoudingsdoelstellingen voor vissen zijn uitgesloten. 3.6.5 Broedvogels Er zijn 12 habitatsoorten aangewezen als broedvogel voor het Natura 2000-gebied ‘Rijntakken’ (tabel 3.3).

De dodaars (A004), de aalscholver (A017), de roerdomp (A021), het woudaapje (A022), het porseleinhoen (A119), de kwartelkoning (A122), de watersnip (A153), de zwarte stern (A197), de ijsvogel (A229), de oeverzwaluw (A249), de blauwborst (A272) en de grote karekiet (A298) zijn aangewezen habitatsoorten voor het Natura 2000-gebied. De aalscholver broedt in kolonies in hoge bomen nabij water. Roerdompen broeden in moerassen die rijk zijn aan stevig, oud waterriet. Woudaap broedt in dichte rietkragen en ruigtes met wilgen en biezen. Broedgebied van de porseleinhoen bestaat uit randen van zegge- lisdodde- en rietmoerassen, waarbij de aanwezigheid van water met een diepte van 15 centimeter noodzakelijk is. Kwartelkoning broedt voornamelijk in open cultuurlandschappen met voldoende dekking en in besloten landschap zoals beekdalen en uiterwaarden met struiken en bomen. De watersnip broedt in open tot halfopen landschappen met een hoog waterpeil. Zwarte sterns broeden op drijvende watervegetatie (liefst

krabbenscheer), nestvlotjes en modderbanken in ondiepe en matig voedselrijke moerassen en in agrarische gebieden met brede sloten en modderbanken. IJsvogels zijn gebonden aan water, waarbij de nesten maken in zandige of lemige steile oeverranden. Oeverzwaluwen zijn koloniebroeders van steile zandige oevers. Blauwborst broedt in uiteenlopende biotopen met natte hoge vegetatie met deels houtige opslag. Van alle rietzangers is de grote karekiet het meest gebonden aan stevig, overjarig riet aan de rand van open water. Voor alle 12 aangewezen broedvogels geldt dat er geen geschikt broedbiotoop voorkomt in het plangebied of de directe omgeving. Het betreft hier broedvogels gebonden aan nat habitat of open cultuurlandschap, dit ontbreekt op het betreffende perceel. Het broeden van deze soorten is daarmee in het plangebied en directe omgeving uitgesloten. Doordat leefgebied van deze soorten ontbreekt binnen het plangebied en directe omgeving zijn negatieve effecten door oppervlakteverlies en verstoring op de instandhoudingsdoelstelling van deze soorten uitgesloten. Verontreiniging Verontreiniging van het natura 2000 gebied is m.u.v. stikstofdepositie uit de lucht uitgesloten door de ruime afstand vanaf het plangebied. Dodaars, ijsvogel, oeverzwaluw, roerdomp, watersnip, zwarte stern en woudaap zijn als broedvogels zeer gevoelig voor stikstofdepositie uit de lucht.

Het is onbekend in welke mate de voorgenomen plannen in zowel de aanleg als de gebruiksfase tot een vermeerdering van stikstof depositie uit de lucht zal leiden en welke effecten dit geeft. Hiervoor is een berekening nodig om te kijken of er überhaupt sprake is van toename. Conclusie broedvogels Negatieve effecten op de instandhoudingsdoelstellingen voor broedvogels zijn niet uitgesloten. De toename van stikstofdepositie tijdens de aanlegfase en de gebruiksfase zullen berekend moeten worden om uit te sluiten of er negatieve effecten optreden op de instandhoudingsdoelstellingen. De uitvoering van een passende beoordeling zal hier inzicht in moeten geven. Op basis van de uitkomsten kan worden bepaald of en zo ja welke maatregelen moeten worden genomen om negatieve effecten te mitigeren.

Ecologisch Adviesbureau Viridis |Nachtegaalweg en Groteweg Wapenveld

23

3.6.6 Niet-broedvogels De niet-broedvogels waarvoor het Natura 2000-gebied is aangewezen bevinden zich met name in de koudere periodes van het jaar in het Natura 2000-gebied (het zijn veelal doortrekkers en overwinteraars) en gebruiken het gebied als rustplaats en/of foerageergebied. Het betreft hier watervogels en steltlopers. Dit zijn soorten die zowel rusten als foerageren in het ondiepe waterplantenrijke gebied. Smient foerageert op aanwezige graslanden en ook in het ondiepe waterplantrijke gebied, maar rusten vaak op open, dieper water. Aalscholver, tafeleend en nonnetje foerageren op vis en driehoekmosselen en zijn meer aangewezen op de diepere delen van het Natura 2000-gebied. Kolgans en grauwe gans slapen op het water en foerageren op de aanwezige graslanden. De landelijke staat van instandhouding van aalscholver, toendrarietgans, kolgans, grauwe gans, brandgans, bergeend, smient, krakeend, wilde eend, slobeend en wulp is gunstig. De landelijke staat van instandhouding van fuut, kleine- en wilde zwaan, wintertaling, pijlstaart, kuifeend, nonnetje, meerkoet, kievit, kemphaan en tureluur matig gunstig. De landelijke staat van instandhouding van tafeleend, scholekster, goudplevier en grutto is zeer ongunstig. De landelijke staat van instandhouding is zeer ongunstig voor tafeleend (zie tabel 3.1).

Voor de oppervlakte en kwaliteit van leefgebied en de populatie van deze soorten geldt een behoudsdoelstelling. Effecten Van de niet-broedvogels zijn alleen de aalscholver, wintertaling, grutto, wulp en tureluur gevoelig voor oppervlakteverlies. Grutto, wulp en tureluur zijn gevoelig voor verstoring door geluid. Aalscholver, fuut, wintertaling, kuifeend, tafeleend en tureluur zijn gevoelig voor optische verstoring. Kleine zwaan, wilde zwaan, brandgans, smient, krakeend, nonnetje, goudplevier en kemphaan voor mechanische verstoring. Alle niet-broedvogels zijn gevoelig voor verontreiniging en licht. Oppervlakteverlies

De voor niet-broedvogels aangewezen gebieden bevinden zich op ruime afstand van het plangebied. Er treedt geen oppervlakteverlies op voor deze soorten. Verontreiniging Verontreiniging van het natura 2000 gebied is m.u.v. stikstofdepositie uit de lucht uitgesloten door de ruime afstand vanaf het plangebied. Grutto, kemphaan en pijlstaart zijn als niet broedvogels zeer gevoelig voor stikstofdepositie uit de lucht. Kievit en tureluur zijn gevoelig voor stikstofdepositie uit de lucht. Het is onbekend in welke mate de voorgenomen plannen in zowel de aanleg als de gebruiksfase tot een vermeerdering van stikstof depositie uit de lucht zal leiden en welke effecten dit geeft. Hiervoor is een berekening nodig om te kijken of er überhaupt sprake is van toename. Verstoring De grote meerderheid van de overwinterende vogels bevindt zich op grote afstand van het plangebied in het stroomgebied van de IJssel. Het droge grasperceel en de bosschage is op dit moment voor veel soorten ongeschikt als foerageer- en rustgebied voor grote aantallen overwinterende vogelsoorten. Vogels verder van het plangebied zullen geen negatieve effecten van de werkzaamheden ondervinden. Er zullen dan ook geen effecten op populatieniveau optreden. Conclusie niet-broedvogels Negatieve effecten op de instandhoudingsdoelstellingen voor niet-broedvogels zijn niet uitgesloten.

De toename van stikstofdepositie tijdens de aanlegfase en de gebruiksfase zullen berekend moeten worden om uit te sluiten of er negatieve effecten optreden op de instandhoudingsdoelstellingen. De uitvoering van een passende beoordeling zal hier inzicht in moeten geven. Op basis van de uitkomsten kan worden bepaald of en zo ja welke maatregelen moeten worden genomen om negatieve effecten te mitigeren.

Ecologisch Adviesbureau Viridis |Nachtegaalweg en Groteweg Wapenveld

24

4 Quickscan Soortbescherming

De werkzaamheden in het plangebied kunnen gevolgen hebben voor de ter plaatse voorkomende (beschermde) flora en fauna. Mogelijk worden daarbij verbodsbepalingen van de Wet Natuurbescherming overtreden en moet voor de uitvoering een ontheffing van de Wet Natuurbescherming worden aangevraagd.

4.1

Vraagstelling

Om goed voorbereid te zijn op een eventueel noodzakelijke ontheffing van de Wet Natuurbescherming is antwoord op de volgende vragen nodig: • Zijn in het plangebied beschermde soorten en/of verblijfplaatsen van deze soorten aanwezig of te verwachten? • Ondervinden aanwezige beschermde soorten negatieve effecten van de voorgenomen ruimtelijke ingreep en de benodigde werkzaamheden? • Is het mogelijk om optredende negatieve effecten op beschermde soorten te mitigeren? Zo ja, op welke wijze dient dit te geschieden? • Is het noodzakelijk een ontheffing van de Wet natuurbescherming aan te vragen?

4.2

Resultaten en effectenbeoordeling

Hieronder worden de resultaten per soortgroep besproken. Daarbij is een effectenbeoordeling opgenomen, waarin beschreven wordt of er negatieve effecten optreden of te verwachten zijn en, indien van toepassing, of er mitigerende maatregelen mogelijk zijn om effecten te voorkomen of te verzachten en of eventueel vervolgonderzoek of ontheffing van de Wet Natuurbescherming noodzakelijk is. Hierna worden de resultaten van het literatuuronderzoek en veldonderzoek per soortgroep besproken. Daarbij is per soortgroep een effectenbeoordeling opgenomen, waarin helder beschreven wordt of er negatieve effecten op beschermde soorten te verwachten

zijn en, indien van toepassing, of er mitigerende maatregelen mogelijk zijn om deze effecten te voorkomen. 4.2.1 Vaatplanten In het plangebied zijn geen beschermde soorten vaatplanten aangetroffen. Binnen het plangebied bevindt zich een voedselrijk en behoorlijk gesloten grasland met relatief weinig soorten die nauwelijks/geen ruimte biedt aan beschermde soorten. Daarnaast is het grasland recent (tot een paar jaar terug) gebruikt voor veeteelt wat de potentie voor beschermde soorten sterk verminderd. Beschermde plantensoorten worden op basis van bekende verspreidingsgegevens en de terreingesteldheid niet verwacht in het plangebied of binnen de invloedsfeer van de werkzaamheden. Effectbeoordeling Op basis van het literatuur- en veldonderzoek is niet te verwachten dat beschermde vaatplanten in het plangebied of binnen de invloedsfeer van de werkzaamheden voorkomen. Het is daarom uitgesloten dat de voorgenomen werkzaamheden negatieve effecten veroorzaken op beschermde vaatplanten. 4.2.2 Grondgebonden zoogdieren Op basis van literatuuronderzoek is gebleken dat er in 2010 een dode das (Meles meles) is gevonden aan de Groteweg op 150m ten zuiden van het plangebied. Tijdens de Quickscan zijn geen sporen van de das waargenomen. Mogelijk kan het plangebied dienen als foerageergebied.

Soortgelijke velden zijn in grote mate aanwezig rondom het plangebied en er staan geen fruitbomen op het perceel. Het zal dan ook geen essentieel foerageergebied zijn voor de das. Daarnaast kan de eekhoorn (Sciurus vulgaris) gebruik maken van de tamme kastanje. Hier zijn evenwel geen sporen van waargenomen. Deze boom is niet essentieel voor de eekhoorn. Overige soorten (met uitzondering van enkele vrijgestelde soorten) worden op basis van

Ecologisch Adviesbureau Viridis |Nachtegaalweg en Groteweg Wapenveld

25

bekende verspreidingsgegevens en de terreingesteldheid niet verwacht. Effectbeoordeling Op basis van het literatuur- en veldonderzoek is te verwachten dat beschermde grondgebonden zoogdieren in het plangebied of binnen de invloedsfeer van de werkzaamheden verstoord zullen worden. Het is daarom uitgesloten dat de voorgenomen werkzaamheden negatieve effecten veroorzaken op beschermde grondgebonden zoogdieren. Wel moet rekening worden gehouden met de algemene zorgverplichting (artikel 1.11 van de Wet natuurbescherming). 4.2.3 Vleermuizen Op basis van het literatuuronderzoek is het bekend dat in de directe omgeving van het plangebied vleermuizen verwacht kunnen worden. Bij het gebruik van het landschap door vleermuizen wordt onderscheid gemaakt in vaste verblijfplaatsen, vliegroutes en foerageergebied. Vaste verblijfplaatsen Boombewonende vleermuissoorten zoals de rosse vleermuis (Nyctalus noctula) kunnen gebruik maken van boomholtes en losse schors als zomer-, paar-, of kolonieverblijfplaats. In de kastanjeboom is geen losse schors of boomholtes waargenomen. De aanwezigheid van vleermuisverblijfplaatsen kan uitgesloten worden voor het plangebied. Vliegroutes Voor vleermuizen kunnen lijnvormige elementen, zoals bomenrijen of stroken bos van belang zijn als vliegroute.

In het plangebied is een bomenrij met naaldbomen aanwezig aan de westzijde deze zal behouden blijven en geen effect hebben op de vleermuis. Daarnaast is er struweel aanwezig langs de huizen rondom het plangebied. Dit zal geen essentiële functie hebben. Foerageergebied Het plangebied bestaat uit een groot open veld met één grote kastanje. Dit kan mogelijk dienen als foerageergebied. Soortgelijke groenstroken zijn in grote maten aanwezig rondom het plangebied. Het zal dan ook geen belangrijk foerageergebied zijn voor vleermuizen.

Effectbeoordeling Op basis van het literatuur- en veldonderzoek is niet te verwachten dat beschermde vleermuizen in het plangebied of binnen de invloedsfeer van de werkzaamheden verstoord zullen worden. Het is daarom uitgesloten dat de voorgenomen werkzaamheden negatieve effecten veroorzaken op beschermde vleermuizen. Wel moet rekening worden gehouden met de algemene zorgverplichting (artikel 1.11 van de Wet natuurbescherming). 4.2.4 Vogels Op basis van het literatuuronderzoek is het bekend dat in de directe omgeving van het plangebied diverse vogelsoorten voorkomen zoals de bosuil (Strix aluco), het nest van de bosuil is jaarrond beschermd. In het plangebied zijn geen geschikte bomen aanwezig die kunnen dienen als nestlocatie voor de bosuil. Overige broedvogels met een jaarrond beschermde nestplaats zijn op basis van de gebiedskenmerken van het plangebied niet te verwachten. Er is geen bebouwing aanwezig waardoor het plangebied ongeschikt is voor de huismus en de gierzwaluw. Wel dient rekening te worden gehouden met algemene broedvogelsoorten, waarvan de nesten beschermd zijn gedurende de periode dat deze in gebruik zijn, gemiddeld genomen van half maart tot eind augustus. In gebruik zijn de nesten zijn echter buiten deze periode ook beschermd.

Tijdens het veldbezoek zijn geen nesten aangetroffen, maar het is niet uit te sluiten dat broedvogels zich in deze kastanje zullen vestigen. Effectbeoordeling Het voorkomen van jaarrond beschermde nestplaatsen in het plangebied is uitgesloten. Wel kunnen algemene vogels in de kastanje tot broeden komen. Indien de werkzaamheden gedurende het broedseizoen plaatsvinden, is verstoring van eventueel broedende vogels niet uitgesloten. Voor de algemene broedvogels dienen mitigerende maatregelen te worden uitgevoerd. Deze maatregelen worden beschreven in paragraaf 4.2. De werkzaamheden zullen indien nodig buiten het broedseizoen moeten plaatsvinden. 4.2.5 Andere soorten In het plangebied zijn geen beschermde soorten vissen, amfibieën, reptielen en ongewervelden

Ecologisch Adviesbureau Viridis |Nachtegaalweg en Groteweg Wapenveld

26

aangetroffen. Dergelijke soorten worden op basis van bekende verspreidingsgegevens en de terreingesteldheid niet verwacht in het plangebied of binnen de invloedsfeer van de werkzaamheden (NDFF, 2017). Strikt beschermde ongewervelden als dagvlinders en libellen stellen specifieke eisen aan hun biotoop. In het plangebied zijn in het geheel geen geschikte biotopen voor deze soorten aanwezig. Mogelijk zou een de hazelworm (Anguis fragilis) kunnen voorkomen in het struweel aan de westzijde van het plangebied. Het struweel zal behouden blijven en de voorgenomen werkzaamheden hebben derhalve geen effect op de hazelworm.

Effectbeoordeling Op basis van het literatuur- en veldonderzoek is niet te verwachten dat beschermde vissen, amfibieën, reptielen en ongewervelden in het plangebied of binnen de invloedsfeer van de werkzaamheden voorkomen. Het is daarom uitgesloten dat de voorgenomen werkzaamheden negatieve effecten veroorzaken op beschermde ongewervelden.

Ecologisch Adviesbureau Viridis |Nachtegaalweg en Groteweg Wapenveld

27

5 Conclusie en advies

Om na te gaan of door de ruimtelijke ontwikkeling in het plangebied verbodsbepalingen van de Wet natuurbescherming al dan niet overtreden worden, worden de onderzoeksvragen onderstaand beantwoord.

5.1

Voortoets N2000

•

Zijn er (negatieve) effecten op plaatselijk aangewezen habitatsoorten en -typen te verwachten? Ja, er zijn negatieve effecten op plaatselijk aangewezen habitatsoorten en -typen te verwachten door toenemende stikstofdepositie uit de lucht. •

Ondervinden de aangewezen instandhoudingsdoelen van Natura 2000-gebied ‘Veluwe’ en ‘Rijntakken’ negatieve effecten van de ontwikkelingen? De instandhoudingsdoelstellingen van zowel het Natura 2000-gebied ‘Veluwe’ als ‘Rijntakken’ worden mogelijk aangetast. Negatieve effecten op aangewezen habitattypen, habitatsoorten, broedvogels en niet-broedvogels door toenemende stikstofdepositie is niet uitgesloten.

5.1.2 Cumulatieve effecten Bij de beoordeling van de mogelijke negatieve invloeden van een initiatief op Natura 2000-gebieden dienen globaal de cumulatieve effecten beoordeeld te worden. Het initiatief in het plangebied heeft enkel mogelijke negatieve invloed op instandhoudingsdoelstellingen van Natura 2000-gebieden door toename in lokale stikstofdepositie. Cumulatie door andere initiatieven in de buurt in het kader van overige verstorende factoren is uitgesloten. Indien uit de passende beoordeling blijkt dat er een negatief effect is door depositie van stikstof dan dient het cumulatief effect van andere lokale initiatieven beoordeeld te worden omdat in heel Nederland momenteel veel initiatieven klaar liggen met negatieve invloed op stikstof depositie.

•

Is het noodzakelijk een Verslechteringstoets of Passende Beoordeling op te stellen voor het project? Ja, het is noodzakelijk om een passende beoordeling op te stellen voor dit project. 5.1.1 Conclusie Doordat onbekend is wat de invloed van de voorgenomen plannen is ten aanzien van de toename in stikstofdepositie via de lucht op de omliggende N2000 gebieden is op voorhand niet uit te sluiten dat er significant negatieve effecten zijn op de instandhouding van habitattypen of soorten. Daardoor is een passende beoordeling vereist.

Ecologisch Adviesbureau Viridis |Nachtegaalweg en Groteweg Wapenveld

28

5.2

Quickscan Soortenbescherming

•

Zijn in het plangebied beschermde soorten en/of verblijfplaatsen van deze soorten aanwezig of te verwachten? Ja, er zijn beschermde soorten te verwachten binnen de begrenzing van het plangebied. Het plangebied kan dienen als foerageergebied voor de das en vleermuizen. Daarnaast kunnen er broedvogels en de hazelworm aanwezig zijn. •

Ondervinden aanwezige beschermde soorten negatieve effecten van de voorgenomen ruimtelijke ingreep en de benodigde werkzaamheden? Ja, indien algemeen voorkomende vogels tot broeden komen kunnen bij de werkzaamheden verbodsregels van de Wnb overtreden worden. De bomenrij aan de westzijde van het plangebied zal behouden blijven waardoor er geen negatief effect ontstaat voor vleermuizen en de hazelworm. Daarnaast vormt het plangebied geen essentieel onderdeel van het foerageergebied van de das, waardoor negatieve effecten kunnen worden uitgesloten. •

Is het mogelijk om optredende negatieve effecten op beschermde soorten te mitigeren? Zo ja, op welke wijze dient dit te geschieden? Ja, door het nemen van de juiste mitigerende maatregelen zijn negatieve effecten op eventueel aanwezige broedvogels te voorkomen. Deze mitigerende maatregelen worden uitgebreid beschreven in paragraaf 4.2. •

Is het noodzakelijk soortgericht onderzoek uit te voeren? Nee, er is geen noodzaak soortgericht onderzoek uit te voeren om beschermde soorten uit te sluiten. Op basis van literatuur- en veldonderzoek wordt een effect op broedvogels verwacht. Indien de werkzaamheden gedurende het broedseizoen worden uitgevoerd, is het noodzakelijk voorafgaand aan de werkzaamheden door een ter zake kundige te laten beoordelen of broedgevallen aanwezig zijn die door de werkzaamheden kunnen worden verstoord.

Mitigerende maatregelen Indien de beschreven mitigerende maatregelen in acht worden genomen, is er geen sprake van een overtreding van de Wet natuurbescherming. Het betreft de volgende mitigerende maatregelen: • Bij het uitvoeren van de werkzaamheden dient rekening gehouden te worden met mogelijke broedgevallen van algemene broedvogels. In het broedseizoen, 15 maart tot 31 augustus, mogen geen werkzaamheden uitgevoerd worden die negatieve effecten op broedvogels veroorzaken. Indien de werkzaamheden wel in het broedseizoen uitgevoerd moeten worden dient, voorafgaand aan de werkzaamheden, het gebied op de aanwezigheid van broedvogels gecontroleerd te worden. Zijn er geen broedvogels aanwezig dan kunnen de werkzaamheden uitgevoerd worden. Zijn er wel broedvogels aanwezig dan dienen de werkzaamheden uitgesteld te worden. Dit dient gecontroleerd en vrijgegeven te worden door een ter zake kundige. Vanuit de Wet Natuurbescherming geldt een algemene zorgverplichting (artikel 1.11 van de Wet Natuurbescherming).

Om invulling te geven aan deze zorgverplichting zijn de volgende mitigerende maatregelen noodzakelijk: • Werkzaamheden in het plangebied dienen met de minste schade voor aanwezige planten en dieren uitgevoerd te worden; • De werkzaamheden dienen vanuit één richting te worden uitgevoerd zodat eventueel aanwezige dieren de tijd hebben voor de werkzaamheden uit te vluchten naar een nieuwe leefomgeving; • Daarnaast dient zoveel mogelijk gebruik te worden gemaakt van bestaande wegen en paden. 5.2.1 Conclusie Met inachtneming van de beschreven mitigerende maatregelen, zijn negatieve effecten van de voorgenomen realisatie van nieuwbouwwoningen op beschermde soorten uitgesloten. Er is geen aanleiding tot het uitvoeren van nader onderzoek.

Ecologisch Adviesbureau Viridis |Nachtegaalweg en Groteweg Wapenveld

29

6 Bronnen

6.1

Literatuur

Bos, F., M. Bosveld, D. Groenendijk, C. van Swaay, I. Wynhoff, De Vlinderstichting, 2006. De dagvlinders van Nederland, verspreiding en bescherming (Lepidoptera: Hesperioidea, Papilionoidea. – Nederlandse Fauna 7. Nationaal Natuurhistorisch Museum Naturalis, KNNV Uitgeverij & European Invertebrate Survey – Nederland, Leiden. Broekhuizen, S., K. Spoelstra, J.B.M. Thissen, K.J. Canters & J.C. Buys (redactie), 2016. Atlas van de Nederlandse zoogdieren. – Natuur van Nederland 12. Naturalis Biodiversity Center & Eis Kenniscentrum Insecten en andere ongewervelden, Leiden. Creemers, R.C.M. & J.J.C.W. van Delft (RAVON) (redactie) 2009. De amfibieën en reptielen van Nederland. – Nederlandse Fauna 9. Nationaal Natuurhistorisch Museum Naturalis, KNNV Uitgeverij & European Invertebrate Survey – Nederland, Leiden.

Nederlandse Vereniging voor Libellenstudie, 2002. De Nederlandse libellen (Odonata). - Nederlandse Fauna 4. Nationaal Natuurhistorisch Museum Naturalis, KNNV Uitgeverij & European Invertebrate Survey – Nederland, Leiden. SOVON Vogelonderzoek Nederland, 2002. Atlas van de Nederlandse Broedvogels 1998-2000. – Nederlandse Fauna 5. Nationaal Natuurhistorisch Museum Naturalis, KNNV Uitgeverij & European Invertebrate Survey – Nederland, Leiden.

6.2

Websites

Verspreidingsatlas planten Via www.verspreidingsatlas.nl/planten Beschermde natuur in Nederland Via www.synbiosys.alterra.nl/N2000 Nationale Databank Flora en Fauna Via www.ndff-ecogrid.nl/

Dietz, C., O. von Helversen & D. Nill, 2011. Vleermuizen Alle soorten van Europa en Noordwest-Afrika. Vertaling en bewerking PHC Lina. De Fontein/Tirion Uitgevers BV, Utrecht. Kleukers, R.M.J.C., E.J. van Nieukerken, B. Odé, L.P.M. Willemse & W.K.R.E. van Wingerden, 1997. De sprinkhanen en krekels van Nederland (Orthoptera). - Nederlandse Fauna 4. Nationaal Natuurhistorisch Museum Naturalis, KNNV Uitgeverij & European Invertebrate Survey – Nederland, Leiden.

Ecologisch Adviesbureau Viridis |Nachtegaalweg en Groteweg Wapenveld

30

Overzicht algemene vrijstellingen

De natuurwetgeving voor Nederland is per 1 januari 2017 vastgelegd in de Wet natuurbescherming. Deze wet vervangt drie wetten: de Natuurbeschermingswet, de Flora- en Faunawet en de Boswet. De Wet natuurbescherming heeft als doel bescherming, herstel en ontwikkeling van natuur zonder stijging van de lasten voor bedrijven en burgers. Het bevoegd gezag is gedecentraliseerd naar de Provincies. Deze decentralisatie houdt in dat de provincies nu o.a. verantwoordelijk zijn voor het toetsen van ontheffingsaanvragen. RVO blijft wel het bevoegd gezag voor het verlenen van ontheffing of vrijstellingen voor activiteiten en projecten in gebruik, beheer of aanleg door het rijk. Naast de Wet natuurbescherming bestaat in Nederland het Natuur Netwerk Nederland, waarvoor de provincies beleid maken.

natuurbescherming. Natura 2000 is de overkoepelende naam voor gebieden die op Europees niveau worden beschermd vanuit de Vogel- en Habitatrichtlijn. Vanuit deze richtlijnen worden specifieke diersoorten en hun habitat beschermd om de biodiversiteit te behouden, te herstellen of uit te breiden. Het ondernemen van projecten of activiteiten in en/of in de omgeving van een Natura 2000-gebied kan mogelijkerwijs leiden tot (significant) negatieve effecten op de instandhoudingsdoelstellingen. Indien het niet mogelijk is om negatieve effecten op voorhand uit te sluiten, dan is er sprake van een vergunningsplicht en moet een habitattoets uitgevoerd worden.

Binnen de wet zijn de beschermingsregimes voor Natura 2000-gebieden, soortbescherming en houtopstanden als afzonderlijke hoofdstukken opgenomen, waardoor de wet via duidelijke en eenvoudige regels voorziet in een heldere implementatie van de Europese natuurbeschermingsrichtlijnen.

Soortbescherming (artikel 3) Het hoofdstuk ‘Soortbescherming’ uit de Wet natuurbescherming bestaat uit drie aparte beschermingsregimes, ook wel de passieve soortbescherming genoemd: 1) de Vogelrichtlijn; 2) de Habitatrichtlijn, het Verdrag van Bern en het Verdrag van Bonn en; 3) nationaal beschermde soorten. Voor deze drie beschermingsregimes gelden verschillende verboden en wettelijke belangen voor een ontheffingsaanvraag.

Zorgplicht (art. 1.11) Voor alle Natura 2000-gebieden, bijzondere natuurgebieden en voor alle in het wild levende dieren en planten (mét en zonder beschermstatus) is de zorgplicht van kracht (artikel 1.11). De zorgplichtbepaling houdt in dat een ieder die weet of redelijkerwijs kan vermoeden dat door zijn handelen of nalaten nadelige gevolgen kunnen worden veroorzaakt aan Natura 2000-gebieden, bijzondere natuurmonumenten en in het wild levende planten en dieren, evenals voor hun directe leefomgeving dergelijke handelingen achterwege laat, mitigerende maatregelen neemt of compenserende maatregelen neemt.

Vogelrichtlijn (artikel 3.1) Voor van nature in Nederland in het wild levende vogels van soorten als bedoeld in artikel 1 van de Vogelrichtlijn gelden de volgende verbodsbepalingen: 1. opzettelijk doden en vangen van vogels; 2. opzettelijk vernielen van nesten, rustplaatsen en eieren; 3. eieren rapen en onder zich hebben; 4. opzettelijk verstoren van vogels; 5. het verbod onder 4) is niet van toepassing indien de verstoring niet van wezenlijke invloed is op de gunstige staat van instandhouding van de populatie.

Natura 2000-gebieden (artikel 2) De wetgeving met betrekking tot Natura 2000-gebieden is vastgelegd in Hoofdstuk 2 van de Wet

Een ontheffing voor het overtreden van de verbodsbepalingen van artikel 3.1 kan alleen verleend worden als voldaan wordt aan de criteria van de

Wet natuurbescherming

Ecologisch Adviesbureau Viridis |Nachtegaalweg en Groteweg Wapenveld

31

ontheffingsaanvraag (zie paragraaf 2.3) en één of meer van de onderstaande wettelijke belangen uit artikel 3.3, lid 4: 1. in het belang van de volksgezondheid of de openbare veiligheid; 2. in het belang van de veiligheid van het luchtverkeer; 3. ter voorkoming van belangrijke schade aan gewassen, vee, bossen, visserij of wateren; 4. ter bescherming van flora en fauna; 5. voor onderzoek of onderwijs, het uitzetten of herinvoeren van soorten; 6. het selectief vangen, onder zich hebben of verstandig gebruik van bepaalde vogels. Vogellijst Alle inheemse vogelsoorten zijn beschermd in het kader van de Vogelrichtlijn (artikel 3.1). De nesten van vogels zijn beschermd als ze door de vogels in gebruik zijn, zowel in als buiten de gangbare broedperiode (15 maart tot 15 juli). De meeste vogels maken elk jaar een nieuw nest of zijn in staat een nieuw nest te maken. Slechts een beperkt aantal soorten bewoont het nest permanent of keert elk jaar terug naar hetzelfde nest. De nesten van deze vogelsoorten zijn jaarrond beschermd waardoor de verbodsbepalingen van artikel 3.1 van de Wet natuurbescherming het gehele jaar van toepassing zijn (zie Kader A.1). De wetgever verstaat onder verblijfplaatsen van vogels ook nesten en holtes waar de vogels ook buiten de broedtijd regelmatig verblijven.

Habitatrichtlijn (artikel 3.5) Voor in het wild levende dieren van soorten, genoemd in de Habitatrichtlijn, het Verdrag van Bern of het Verdrag van Bonn, met uitzondering van de soorten, bedoeld in artikel 1 van de Vogelrichtlijn, gelden de volgende verbodsbepalingen: 1. opzettelijk doden en vangen; 2. opzettelijk verstoren; 3. opzettelijk vernielen of rapen eieren; 4. opzettelijk beschadigen of vernielen voortplantings- of rustplaatsen; 5. opzettelijk plukken of vernielen planten. Een ontheffing voor het overtreden van de verbodsbepalingen van artikel 3.5 kan alleen verleend worden als voldaan wordt aan de criteria van de ontheffingsaanvraag (zie paragraaf 3.3) en één of meer van de onderstaande wettelijke belangen uit artikel 3.8, lid 5: 1. ter bescherming van flora en fauna, en instandhouding van natuurlijke habitats;

2. ter voorkoming van belangrijke schade aan gewassen, vee, bossen, visserij, wateren of andere vormen van eigendom; 3. in het belang van de volksgezondheid, de openbare veiligheid of andere dwingende redenen van groot openbaar belang, met inbegrip van redenen van sociale of economische aard en met inbegrip van voor het milieu wezenlijke gunstige effecten; 4. voor onderzoek of onderwijs, repopulatie of herintroductie van deze soorten of de daartoe benodigde kweek; 5. op selectieve wijze een aantal van bepaalde dieren van de aangewezen soort te vangen of onder zich te hebben. Nationale beschermde soorten (artikel 3.10) Voor in het wild levende zoogdieren, amfibieën, reptielen, vissen, dagvlinders, libellen en kevers van de soorten, genoemd in de bijlage, onderdeel A gelden de volgende verbodsbepalingen: a. opzettelijk doden of vangen; b. opzettelijk beschadigen of vernielen van de vaste voortplantingsplaatsen of rustplaatsen. Voor vaatplanten van de soorten, genoemd in de bijlage, onderdeel B geldt dat in hun natuurlijke verspreidingsgebied opzettelijk plukken en verzamelen, afsnijden, ontwortelen of vernielen verboden is.

Een ontheffing voor het overtreden van de verbodsbepalingen van artikel 3.10 kan alleen verleend worden als voldaan wordt aan de criteria van de ontheffingsaanvraag (zie paragraaf 2.3) en één of meer van de onderstaande wettelijke belangen uit artikel 3.10, lid 2: a. in het kader van ruimtelijke inrichting of ontwikkeling; b. ter voorkoming van schade of overlast; c. ter beperking van de omvang van populaties; d. ter voorkoming of bestrijding van onnodig lijden; e. in het kader van bestendig beheer of onderhoud landbouw of bossen; f. in het kader van bestendig beheer of onderhoud van vaarwegen, watergangen, waterkeringen, waterstaatswerken, oevers, vliegvelden, wegen, spoorwegen of bermen, of in het kader van natuurbeheer; g. in het kader van bestendig beheer of onderhoud van de landschappelijke kwaliteiten van een bepaald gebied; h. in het algemeen belang, of;

Ecologisch Adviesbureau Viridis |Nachtegaalweg en Groteweg Wapenveld

32

i.

bestendig gebruik.

Actieve soortbescherming Naast de passieve soortbescherming zijn provincies wettelijk verplicht om soorten te beschermen middels de Natuurvisie (artikel 1.7) en de actieve soortbescherming (artikel 1.12). In het kader van deze actieve bescherming kunnen de provincies de lijst met beschermde soorten uitbreiden en/of gebieden aanwijzen waarvoor een extra inspanning nodig is om de staat van instandhouding van populaties te behouden of te herstellen. Beschermde houtopstanden (artikel 4) De bescherming van houtopstanden is geregeld in hoofdstuk 4 van de Wet natuurbescherming (voorheen Boswet). Het is verboden houtopstanden geheel of gedeeltelijk te vellen of te doen vellen, zonder voorafgaande melding bij de provincie. Een houtopstand is hierbij gedefinieerd als een eenheid van bomen of struiken met een oppervlakte van ten minste 1.000 vierkante meter of een rijbeplanting die meer dan 20 bomen omvat. De wet schrijft verder voor dat wanneer een houtopstand geheel of gedeeltelijk is geveld, de grond binnen drie jaar moet worden herbeplant. Bovenstaande bescherming geldt niet voor alle houtopstanden.

De regels zijn niet van toepassing op houtopstanden op erven of in tuinen, op fruitbomen, op windschermen om boomgaarden, op naaldbomen bedoeld om te dienen als kerstbomen, op kweekgoed, op bepaalde beplantingen van wilgen of populieren, op bepaalde beplantingen bedoeld voor de productie van houtige biomassa en op houtopstanden binnen de, bij besluit van de gemeenteraad, vastgelegde grenzen van de bebouwde kom. Ook voor het dunnen van een houtopstand gelden de regels niet. De provincie kan regels stellen ten aanzien van de meldingsplicht en de plicht tot herbeplanting. Alle provincies hebben verordeningen vastgesteld waarin is geregeld hoe een kapmelding moet worden ingediend, waaraan herbeplanting moet voldoen en wanneer ontheffing van de herbeplantingsplicht kan worden verleend. Sommige provincies hebben ook beleidsregels vastgesteld waarin bijvoorbeeld is aangegeven wanneer een kapverbod wordt opgelegd. De Wet natuurbescherming beschermt geen houtopstanden binnen de bebouwde kom. Waar de grens van de “bebouwde kom Wet natuurbescherming” ligt, wordt bepaald door de gemeenteraad. Dit valt vaak

min of meer gelijk met de ‘bebouwde kom Verkeerswet’, maar kan afwijken. Binnen de bebouwde kom geldt meestal een kapverbod op grond van de algemene plaatselijke verordening (APV) of een gemeentelijke bomenverordening. Daarnaast kunnen gemeenten ook regels stellen voor bomen buiten de bebouwde kom, bijvoorbeeld in een bestemmingsplan.

Ontheffing, vergunning of vrijstelling Het is mogelijk om voor de in de Wet natuurbescherming vermelde verboden een ontheffing of vergunning aan te vragen. Er kan alleen een ontheffing verleend worden als er aan drie criteria is voldaan: a. er is geen alternatieve bevredigende oplossing mogelijk; b. er moet sprake zijn van een wettelijk belang behorend bij het artikel dat overtreden wordt; c. er mag geen afbreuk aan de staat van instandhouding van de populatie plaatsvinden. Vrijstelling Het is niet altijd nodig om een ontheffing aan te vragen wanneer er gevolgen voor beschermde planten- en diersoorten optreden. Er zijn verschillende soorten vrijstellingen van de verboden voor beschermde soorten mogelijk. Er hoeft geen ontheffing aangevraagd te worden indien strikt en aantoonbaar gewerkt wordt volgens een door het Ministerie van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit goedgekeurde gedragscode. De zorgplicht blijft ook bij het werken via een gedragscode onverminderd van kracht. Naast de gedragscode is ook een vrijstelling in de vorm van een ministeriële regeling te krijgen (artikel 3.11). Deze ministeriële regelingen zijn opgesteld door Gedeputeerde Staten als vrijstellingslijsten. Zie Bijlage B voor een overzicht voor de vrijgestelde soorten. In onderhavige rapportage wordt niet ingegaan op de voorkomende soorten van de vrijstellingslijst.

Natuurnetwerk Nederland (NNN) Naast de Wet natuurbescherming bestaat in Nederland het Natuur Netwerk Nederland, waarvoor de provincies beleid maken (NNN). Het NNN is ruimtelijk in de Provinciale Structuurvisie vastgelegd. Het vormt een robuust netwerk van natuurgebieden en tussenliggende verbindingszones. Dit netwerk bestaat uit bestaande natuurgebieden, nieuw aan te leggen natuur en verbindingszones tussen deze gebieden.

Ecologisch Adviesbureau Viridis |Nachtegaalweg en Groteweg Wapenveld

33

Ook de beheersgebieden voor agrarisch natuurbeheer behoren tot het NNN. De planologische verankering van het NNN vindt plaats in (gemeentelijke) bestemmingsplannen. Wanneer ruimtelijke ontwikkelingen geheel of gedeeltelijk binnen de begrenzing van het NNN plaatsvinden en negatieve effecten op de wezenlijke waarden en kenmerken van het netwerk

optreden en/of een bestemmingsplan wijziging moet worden doorgevoerd dient altijd een ‘Nee, tenzij’toets te worden uitgevoerd. Hierin wordt beoordeeld of er als gevolg van de voorgenomen maatregelen significante effecten op de wezenlijke waarden en kenmerken van het netwerk optreden.

Kader | Jaarrond beschermde vogelnesten De meeste vogels gebruiken hun nest slechts eenmalig voor de voortplanting. Elk jaar bouwen de dieren een nieuw nest op meestal een andere locatie. Nesten van deze vogels zijn slechts gedurende het broedseizoen beschermd. Er zijn echter ook vogelsoorten waarvan de nesten jaarrond beschermd zijn en waarop de verbodsbepalingen van artikel 3.1 en 3.5 (afhankelijk van de soort) van de Wet natuurbescherming het gehele jaar van toepassing zijn. Er worden 5 categorieën onderscheiden: 1. Vogels waarvan de nesten ook buiten het broedseizoen als vaste rust- en verblijfplaats gebruikt worden (voorbeeld: steenuil). 2. Koloniebroeders die elk broedseizoen op dezelfde plaats broeden en die daarin zeer honkvast zijn of afhankelijk zijn van bebouwing of biotoop. De (fysieke) voorwaarden voor de nestplaats zijn vaak zeer specifiek en limitatief beschikbaar (voorbeeld: gierzwaluw en huismus). 3. Vogels, zijnde geen koloniebroeders, die elk broedseizoen op dezelfde plaats broeden en die daarin zeer honkvast zijn of afhankelijk van bebouwing. De (fysieke) voorwaarden voor de nestplaats zijn vaak zeer specifiek en limitatief beschikbaar (voorbeeld: ooievaar en kerkuil). 4. Vogels die jaar in jaar uit gebruik maken van hetzelfde nest en die zelf niet of nauwelijks in staat zijn een nest te bouwen. (voorbeeld: ransuil). 5.

De volgende vogelsoorten behoren tot deze categorie: vogels die weliswaar terugkeren naar de plaats waar zij het jaar daarvoor hebben gebroed of in de directe omgeving daarvan, maar die wel over voldoende flexibiliteit beschikken om, als de broedplaats verloren is gegaan, zich elders te vestigen. De nesten van deze soorten zijn buiten het broedseizoen niet beschermd, tenzij zwaarwegende feiten of ecologische omstandigheden dat rechtvaardigen.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Heerde&id=12cbcd46-0847-4c64-a832-99558a5d8f62