8.2.2. Bestemmingsplan Veesser Enkweg en Zijmarseweg, Veessen_Toelichting
Tekst van het document
Hoewel het in dit geval niet gaat om de realisatie van geurgevoelige objecten (bedrijfsfuncties), kan er wel degelijk geurhinder ontstaan ter plaatse. Daarom dient in dit geval de genoemde richtafstand voor het buitengebied (50 meter) in acht genomen. Binnen een straal van 50 meter vanaf de pluimveehouderij zullen geen langdurige verblijfsplaatsen (voor de bedrijfsfuncties) worden aangelegd, immers bevind het plangebied zich op respectievelijk 135 meter
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
41
Bestemmingsplan “Bestemmingsplan Veesser Enkweg en Zijmarseweg, Veessen” Status: Vastgesteld
en 180 meter afstand van deze bedrijven. Hierdoor zal er naar verwachting sprake zijn van een goed woon- en leefklimaat. Omgekeerd worden omliggende functies niet in hun bedrijfsvoering beperkt, temeer omdat er reeds woonbestemmingen van derden in de buurt gesitueerd zijn. Veesser Enkweg In de directe omgeving van deze plangebied-delen (gelegen in de kern van Veessen) komen geen milieubelastende functies voor. Op grotere afstand komen in de omgeving o.a. een melkrundveehouderij, een loon- en grondverzetbedrijf, een landbouwmechanisatiebedrijf en een voetbalvereniging voor. De plangebieddelen vallen echter niet binnen de richtafstanden van deze functies. Op basis van het vorenstaande wordt geconcludeerd dat de omliggende milieubelastende functies zich op voldoende afstand van het plangebied bevinden. Ter plaatse van de nieuwe woningen in het plangebied wordt een aanvaardbaar woon- en leefklimaat verwacht.
Beoordeling Omgevingsdienst paragraaf milieuzonering In de ruimtelijke onderbouwing is genoemd dat binnen 180 meter een intensieve veehouderij is gelegen. Dat betreft een melkrundveehouderij. De ruimtelijke onderbouwing behoeft hierop aanpassing. Reactie gemeente: er moet planologisch getoetst worden, niet feitelijk. Daarom is de paragraaf in de toelichting van het bestemmingsplan wat verduidelijkt, maar was deze reeds juist. Het gedeelte over de spuitzones is niet inhoudelijk getoetst. Op basis van de ons beschikbare informatie lijkt de onderbouwing wel zorgvuldiger te moeten gebeuren omdat niet aan de gangbare zone van 50 meter wordt voldaan. Reactie gemeente: de toetsing is uitgebreid en er is een aanduiding op de plankaart opgenomen inzake spuitzones. De kleinschalige recreatie is niet meer toegestaan bij recht, maar onder voorwaarden middels afwijking. Zodoende wordt voor de nieuwe functies voldaan aan de richtafstanden en wordt de bestaande woning niet verder belemmerd. Indien recreatie alsnog wenselijk is, dient dat verder onderzocht en t.z.t. aangetoond te worden dat sprake is van een milieukundige goede situatie. 5.5.4
Conclusie milieuzonering
Het aspect milieuzonering vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van dit plan.
5.6
Ecologie
5.6.1
Algemeen
Bescherming in het kader van de natuur wet- en regelgeving is op te delen in gebieds- en soortenbescherming. Sinds 1 januari 2017 is het wettelijk kader ten aanzien van gebieds- en soortenbescherming vastgelegd in de Wet natuurbescherming. Bij gebiedsbescherming heeft men te maken met Natura 2000-gebieden en het Natuurnetwerk Nederland (voorheen EHS). Soortenbescherming gaat uit van de bescherming van dier- en plantensoorten. 5.6.2
Gebiedsbescherming
5.6.2.1 Natura 2000-gebieden Natura 2000 is een samenhangend netwerk van natuurgebieden in Europa. Natura 2000 bestaat uit gebieden die zijn aangewezen in het kader van de Europese Vogelrichtlijn (79/409/EEG) en gebieden die zijn aangemeld op grond van de Europese Habitatrichtlijn (92/43/EEG). Deze gebieden worden in Nederland op grond van de Wet natuurbescherming beschermd. Om aan te tonen of het voornemen resulteert in significante negatieve effecten op Natura 2000-gebieden, is een stikstofonderzoek uitgevoerd. De rapportages behorend bij deze onderzoeken zijn opgenomen in bijlage 4 BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
42
Bestemmingsplan “Bestemmingsplan Veesser Enkweg en Zijmarseweg, Veessen” Status: Vastgesteld
en 5. Hierbij is zowel gekeken naar ‘intern salderen’ (bijlage 4) als naar een ‘beroep op de stikstofbank’ (bijlage 5). Afhankelijk van welke keuze wordt gemaakt (of intern salderen of een beroep op de stikstofbank van de provincie) zijn daarom beide opties onderzocht. Hierna wordt op deze resultaten ingegaan. Interne saldering (bijlage 4): Aanlegfase Uit de AERIUS-berekening met betrekking tot de aanlegfase in zowel 2023 als 2024 blijkt dat in de aanlegfase van de voorgenomen ontwikkeling sprake is van rekenresultaten hoger dan 0,00 mol/ha/jr. Echter blijkt dat als gevolg van de aanwezige NOx emissie veroorzakende activiteit reeds sprake is van stikstofdepositie. Deze depositie vervalt, zoals eerder vermeld, permanent als gevolg van het voornemen. Wanneer de (tijdelijke) depositie als gevolg van de aanlegfase in 2023 en 2024 tegenover de depositie als gevolg van de aanwezige activiteit wordt gezet (intern salderen) is per saldo geen sprake van rekenresultaten hoger dan 0,00 mol/ha/jr., waardoor als gevolg van de aanlegfase geen sprake is van een stikstofdepositie met significant negatief effect op Natura 2000-gebieden. Voor de bijbehorende salderingsberekeningen wordt verwezen naar Bijlage 5 en 6 van de stikstofberekening zelf.
Gebruiksfase Uit de AERIUS-berekening met betrekking tot de gebruiksfase blijkt dat in de gebruiksfase van de voorgenomen ontwikkeling sprake is van rekenresultaten hoger dan 0,00 mol/ha/jr. Echter blijkt dat als gevolg van de aanwezige NOx emissie veroorzakende activiteit reeds sprake is van stikstofdepositie. Deze depositie vervalt, zoals eerder vermeld, permanent als gevolg van het voornemen. Wanneer de (tijdelijke) depositie als gevolg van de aanlegfase tegenover de depositie als gevolg van de aanwezige activiteit wordt gezet (intern salderen) is per saldo geen sprake van rekenresultaten hoger dan 0,00 mol/ha/jr., waardoor als gevolg van de gebruiksfase geen sprake is van een stikstofdepositie met significant negatief effect op Natura 2000-gebieden. Voor de bijbehorende salderingsberekening wordt verwezen naar Bijlage 7 bij de stikstofberekening zelf. Conclusie Geconcludeerd wordt dat voor zowel de aanlegfase als de gebruiksfase geen sprake is van rekenresultaten hoger dan 0,00 mol/ha/jr. Er is daarmee geen sprake van een stikstofdepositie met significant negatief effect op Natura 2000-gebieden. De voortoets voor het plan voldoet, ten aanzien van de effecten van de stikstofdepositie op Natura 2000-gebieden aan artikel 2.7, lid 1 van de Wet natuurbescherming.
Beroep op de stikstofbank’ (bijlage 5) Aanlegfase Uit de AERIUS-berekening met betrekking tot de aanlegfase in zowel 2023 als 2024 blijkt dat in de aanlegfase van de voorgenomen ontwikkeling sprake is van rekenresultaten hoger dan 0,00 mol/ha/jr. Stikstofdepositie met significant negatief effect op Natura 2000-gebieden kan op voorhand niet worden uitgesloten. Gebruiksfase Uit de AERIUS-berekening met betrekking tot de gebruiksfase blijkt dat in de gebruiksfase van de voorgenomen ontwikkeling sprake is van rekenresultaten hoger dan 0,00 mol/ha/jr. Stikstofdepositie met significant negatief effect op Natura 2000-gebieden kan op voorhand niet worden uitgesloten. Gelderse Stikstofbank Provincie Gelderland koopt bedrijven die veel stikstofneerslag in de natuur veroorzaken. De stikstofruimte van deze bedrijven wordt, na intrekking van hun vergunning, voor een deel bewaard in de Gelderse Stikstofbank en voor een deel niet meer ingezet (afroming van 30%). Onder voorwaarden is het mogelijk om beroep te doen op de vrijgekomen stikstofruimte uit de Gelderse Stikstofbank, waaronder het aanleveren van een AERIUS-berekening.
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
43
Bestemmingsplan “Bestemmingsplan Veesser Enkweg en Zijmarseweg, Veessen” Status: Vastgesteld
Voorliggende berekening dient als input voor overleg met de Provincie Gelderland om aanspraak te maken op de Gelderse Stikstofbank. Er is reeds mondeling overleg geweest, voor een definitieve toezegging wordt nader overleg geadviseerd. Conclusie Geconcludeerd wordt dat voor zowel de aanlegfase als de gebruiksfase sprake is van rekenresultaten hoger dan 0,00 mol/ha/jr. Wanneer aanspraak gemaakt kan worden op de Gelderse Stikstofbank wordt deze depositie gemitigeerd. Hiermee zorgt het voornemen per saldo niet voor negatieve effecten op Natura 2000gebieden. Gezien de historie van het bedrijf dat al veel heeft bijgedragen aan het groot maatschappelijk belang van de aanleg van de Hoogwatergeul tussen Veessen en Heerde kan het bedrijf een beroep doen op een bijdrage uit de stikstofbank. De rapportage en de resultaten zijn weergegeven in Bijlage 5. 5.6.2.2 Gelders Natuurnetwerk Het Natuurnetwerk Nederland (NNN), waarvan het Gelders Natuurnetwerk (GNN) deel uitmaakt, is de kern van het Nederlandse natuurbeleid. Het GNN is in de provinciale structuurvisie uitgewerkt. In of in de directe nabijheid van het GNN geldt het ‘nee, tenzij’ - principe. In principe zijn er geen ontwikkelingen toegestaan als zij de wezenlijke kenmerken of waarden van het gebied aantasten. Het dichtstbijzijnde gebied dat is aangewezen als GNN ligt op ruime afstand van het plangebied.
Gezien de ligging buiten het GNN en de aard en omvang van het voornemen wordt geconcludeerd dat er geen aantasting plaatsvindt van de wezenlijke kenmerken en waarden van het GNN. 5.6.3
Soortenbescherming
5.6.3.1 Algemeen Bij ruimtelijke ontwikkelingen dient te worden getoetst of er sprake is van negatieve effecten op de aanwezige natuurwaarden. Als hiervan sprake is, moet ontheffing of vrijstelling worden gevraagd. In voorliggend geval is er een natuurwaardenonderzoek uitgevoerd. Hierna wordt ingegaan op de bevindingen, de volledige rapporten zijn opgenomen in bijlage 3. 5.6.3.2 Beoordeling De Wet natuurbescherming beschermt een groot aantal soorten, waaronder vrijwel alle gewervelde dieren en een aantal planten. Deze mogen onder meer niet gedood, verjaagd, gevangen of verontrust worden. Uitvoering van werkzaamheden kan leiden tot handelingen die in strijd zijn met deze verbodsbepalingen. De werkzaamheden kunnen immers leiden tot het verstoren of doden van dieren en het vernietigen van groeiplaatsen van beschermde planten. In veel gevallen kunnen plannen zo uitgevoerd worden dat overtreding van de genoemde verbodsbepalingen niet aan de orde is. Wanneer dit niet mogelijk blijkt te zijn, dan moet een ontheffing aangevraagd worden. De ontheffingsaanvraag moet onderbouwd zijn door een goed gedegen onderzoek naar het voorkomen van en de effecten op beschermde soorten. Voor de soortbescherming zijn door Otte Groenadvies voor de drie ontwikkellocaties quickscans uitgevoerd. Deze zijn opgenomen als Bijlage 3.
Hieruit blijkt dat: Voor de locaties Veesser Enkweg 26a en Veesser Enkweg perceel tussen nummer 36 en 38 is onderzoek noodzakelijk op de soorten kleine marterachtigen en de kerkuil en steenuil. Kleine marterachtigen: Voor deze soort wordt een cameraval gebruikt. De cameraval moet in de periode maart t/m augustus zes weken onverstoord op een geschikte locatie aanwezig zijn. Voor onderzoek buiten deze periode moet de cameraval tenminste twaalf weken worden ingezet. Het aantal camera’s is afhankelijk van de grote van de planlocatie (Provincie Noord-Brabant, 2017).
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
44
Bestemmingsplan “Bestemmingsplan Veesser Enkweg en Zijmarseweg, Veessen” Status: Vastgesteld
Kerkuil: Om te bepalen of met de ruimtelijke ontwikkeling een negatief effect optreedt op rust- en verblijfplaats en bijbehorende essentiële functionele leefomgeving, dient men nader onderzoek uit te voeren Het bepalen van effecten is maatwerk, dit moet worden uitgevoerd door een inzake deskundige (BIJ12, 2017). De afwezigheid van broedende kerkuilen kan zijn aangetoond als tijdens drie gerichte veldbezoeken verspreid in de periode van begin februari tot en met half oktober geen aanwezigheid kan worden aangetoond. De inventarisatie moet bij voorkeur tijdens goede weersomstandigheden en in een geschikt biotoop plaatsvinden. De beste momenten om te inventariseren zijn ’s avonds en ’s nachts. Steenuil: Om te bepalen of met de ruimtelijke ontwikkeling een negatief effect optreedt op rust- en verblijfplaats en bijbehorende essentiële functionele leefomgeving, dient men nader onderzoek uit te voeren. Het bepalen van effecten is maatwerk, dit moet worden uitgevoerd door een inzake deskundige. De meest optimale periode loopt van 15 februari tot en met 15 april. De inventarisatie moet tijdens goede weersomstandigheden en in een geschikte biotoop plaatsvinden. Het beste moment om te inventariseren is in de avondschemer, vanaf een halfuur na zonsondergang, tot middernacht. Een ander goed moment is in de ochtendschemer, van anderhalf uur voor zonsopkomst tot zonsopkomst.
De afwezigheid van broedende steenuilen kan worden aangetoond als tijdens drie gerichte veldbezoeken in de periode van 1 februari tot en met 30 april, waarbij er minimaal 1 maand zit tussen het eerste en het laatste bezoek (BIJ12, 2017); 5.6.4
Conclusie
Het uitvoeren van de voorgenomen activiteiten leidt op voorhand wellicht tot wettelijke consequenties in het kader van de Wet natuurbescherming. Er moet daarom nader onderzoek uitgevoerd te worden en afhankelijk van de resultaten hiervan dient wellicht een ontheffing of vergunning aangevraagd te worden om de voorgenomen activiteiten uit te kunnen voeren conform wet- en regelgeving voor beschermde soorten en – gebieden. Dit is geborgd in de algemene gebruiksregels van dit bestemmingsplan.
5.7
Archeologie & Cultuurhistorie
5.7.1
Archeologie
5.7.1.1 Algemeen Initiatiefnemers hebben op basis van de Erfgoedwet een archeologische zorgplicht bij projecten waarbij de bodem wordt verstoord. Hiervoor is onderzoek noodzakelijk: het archeologisch vooronderzoek. Als blijkt dat in het plangebied behoudenswaardige archeologische vindplaatsen aanwezig zijn, dan kan de initiatiefnemer verplicht worden hiermee rekening te houden. Dit kan leiden tot een aanpassing van de plannen, waardoor de vindplaatsen behouden blijven, of tot een archeologische opgraving en publicatie van de resultaten. 5.7.1.2 Situatie plangebied De gemeente Heerde beschikt over een archeologische verwachtingskaart. Op basis van deze kaart kan de archeologische verwachting in het plangebied worden bepaald. Op basis van de archeologische verwachtingskaart is: -
het plangebied Zijmarseweg naast 9 aangemerkt als een gebied met een ‘lage verwachting’. De overige plangebied-delen als een gebied met een ‘hoge verwachting’. Voor dergelijke gebieden geldt een onderzoeksplicht voor projecten waarbij bodemverstorende activiteiten groter dan 100 m² bedragen. In voorliggend geval wordt dit oppervlak overschreden, waardoor een archeologisch bureau en inventariserend veldonderzoek is uitgevoerd. Het volledige rapport in opgenomen in bijlage 6. Hierna wordt op de bevindingen ingegaan.
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
45
Bestemmingsplan “Bestemmingsplan Veesser Enkweg en Zijmarseweg, Veessen” Status: Vastgesteld
Omdat het hier om een nieuw bestemmingsplan gaat moeten over het gehele bestemmingsplan-deelgebied uitspraken gedaan kunnen worden, dus geldt de oppervlakte van die contour voor het bepalen van de onderzoeksplicht. Daarbij gaat het bij bodemingrepen niet alleen om bouwwerken, maar ook om nietbouwwerken en werkzaamheden. Tot die laatste behoren ook zaken als grondwaterstandverlaging, grondbewerking, etc. Met andere woorden, voor deze locaties dient in beginsel archeologisch vooronderzoek uitgevoerd te worden in de vorm van een bureau- en verkennend booronderzoek conform de KNA en aanvullende gemeentelijke richtlijnen, indien het bestemmingsplandeelgebied groter is dan 100 m² respectievelijk 10.000 m² en bodemingrepen zijn voorzien van welke aard dan ook die dieper gaan dan 40 cm -mv. Onderzoek Uit het verkennend booronderzoek blijkt dat in het plangebied sprake is van een grotendeels intacte bodem, zowel in deelgebied A (locaties aan de Veesser Enkweg) alsook deelgebied B (locatie aan de Zijmarseweg). Daarmee heeft deelgebied A en hoge verwachting voor de Middeleeuwen en een middelhoge verwachting voor de Nieuwe Tijd. Deelgebied B, hoewel intact qua bodem, was qua landschapsgenese en -ontwikkeling dermate dynamisch dat de archeologische verwachting hier laag is voor alle periodes.
Laagland Archeologie adviseert dan ook om deelgebied B vrij te geven voor ontwikkeling, alsook om een passende dubbelbestemming op te nemen in het nieuwe bestemmingsplan en bij bodemingrepen dieper dan 50 cm -Mv een proefsleuvenonderzoek te laten uitvoeren. De gemeente Heerde onderschrijft dit advies, als volgt genuanceerd. In deelgebied A is een proefsleuvenonderzoek benodigd indien bodemingrepen groter dan 100 m² en dieper dan 40 cm -Mv zijn gepland. Deelgebied B behoudt een lage verwachting maar wordt vrijgegeven ten aanzien van de nu bekende plannen. Beoordeling regioarcheoloog In het nieuwe bestemmingsplan dienen archeologische gebiedsaanduidingen te worden opgenomen. Geheel deelgebied A dient een gebiedsaanduiding te krijgen die overeenkomt met een zone met hoge archeologische verwachting conform de archeologische beleidskaart van de gemeente Heerde, met vrijstellingsgrenzen van 100 m² en 40 cm -Mv. Gelet op het feit dat de voorgenomen inrichting nog niet volledig concreet is zal in het kader van de toekomstige omgevingsvergunningsprocedure door de gemeente Heerde worden bepaald of een proefsleuvenonderzoek inderdaad uitgevoerd moet worden in deelgebied A.
Indien inderdaad een proefsleuvenonderzoek nodig blijkt in deelgebied A in de omgevingsvergunningsprocedure, dan is daarvoor een Programma van Eisen (PvE) benodigd, dat door de gemeente Heerde goedgekeurd dient te worden. Op basis van de resultaten van het proefsleuvenonderzoek zal de bevoegde overheid opnieuw een selectiebesluit nemen ten aanzien van eventuele vervolgstappen. Totdat het plangebied is vrijgegeven voor ontwikkeling mogen ter plaatse geen bodemingrepen van welke aard dan ook plaatsvinden. Geheel deelgebied B dient een gebiedsaanduiding te krijgen die overeenkomt met een zone met lage archeologische verwachting conform de archeologische beleidskaart van de gemeente Heerde, met vrijstellingsgrenzen van 10.000 m² en 40 cm -Mv. Vooralsnog is hier geen vervolgonderzoek noodzakelijk. De implementatie van dit advies is in handen van de gemeente Heerde, hierin vertegenwoordigd door de archeologisch adviseur van de gemeente. Mochten bij graafwerkzaamheden toch archeologische resten worden aangetroffen, dan geldt conform de Erfgoedwet (art. 5.10) een meldingsplicht. Dit kan bij Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed. 5.7.2
Cultuurhistorie
5.7.2.1 Algemeen Onder cultuurhistorische waarden worden alle structuren, elementen en gebieden bedoeld die cultuurhistorisch van belang zijn. Zij vertellen iets over de ontstaansgeschiedenis van het Nederlandse cultuurlandschap. Vaak is er een sterke relatie tussen aardkundige aspecten en cultuurhistorische aspecten.
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
46
Bestemmingsplan “Bestemmingsplan Veesser Enkweg en Zijmarseweg, Veessen” Status: Vastgesteld
In de Bro is sinds 1 januari 2012 (artikel 3.1.6, vijfde lid, onderdeel a) opgenomen dat een bestemmingsplan “een beschrijving van de wijze waarop met de in het gebied aanwezige cultuurhistorische waarden en in de grond aanwezige of te verwachten monumenten rekening is gehouden” dient te bevatten. 5.7.2.2 Situatie plangebied Beschermde cultuurhistorische elementen zijn in het plangebied niet aanwezig. Wel zijn de boomgaarden van het bedrijf tussen de Veesser Enkweg en de IJsseldijk van cultuurhistorische waarde. De eerste delen van deze boomgaarden dateren al van voor 1850 en zullen daarom voor het bedrijf behouden blijven. Fruitteelt is overigens altijd van groot belang geweest voor Veessen en omgeving, met een hoogtepunt in de eind jaren ’50 van de vorige eeuw. Ook het nieuwe bedrijfsperceel aan de Zijmarseweg was toen een boomgaard. Het perceel waar de nieuwe woning bij de Veesser Enkweg 38 wordt gerealiseerd maakt geen onderdeel uit van de historische boomgaard en is pas eind jaren ’50 als boomgaard ingericht, op het moment dat fruitteelt zijn hoogtepunt bereikte en de bedrijfslocatie aan de Veesser Enkweg 26a werd gebouwd in gebruik werd genomen. 5.7.3
Conclusie
Ten aanzien van het aspect ‘archeologie’ en ‘cultuurhistorie’ zijn op voorhand en in het licht van bovenstaande op geen belemmeringen te verwachten.
5.8
Besluit milieueffectrapportage
5.8.1
Kader
De milieueffectrapportage is een wettelijk instrument met als doel het aspect milieu een volwaardige plaats in deze integrale afweging te geven. Een bestemmingsplan kan op drie manieren met milieueffectrapportage in aanraking komen: • • •
Op basis van artikel 7.2a, lid 1 Wm (als wettelijk plan); Er ontstaat een m.e.r.-plicht wanneer er een passende beoordeling op basis van art. 2.8, lid 1 Wet natuurbescherming nodig is. Op basis van Besluit milieueffectrapportage (bestemmingsplan in kolom 3); Er ontstaat een m.e.r.-plicht voor die activiteiten en gevallen uit de onderdelen C en D van de bijlage van dit besluit waar het bestemmingsplan genoemd is in kolom 3 (plannen). Op basis van Besluit milieueffectrapportage (bestemmingsplan in kolom 4); Er ontstaat een m.e.r.-(beoordelings)plicht voor die activiteiten en gevallen uit de onderdelen C en D van de bijlage van dit besluit waar het bestemmingsplan genoemd is in kolom 4 (besluiten).
In het Besluit m.e.r. neemt het bestemmingsplan een bijzondere positie in, want het kan namelijk tegelijkertijd opgenomen zijn in zowel kolom 3 als in kolom 4 van het Besluit m.e.r.. Of het bestemmingsplan in deze gevallen voldoet aan de definitie van het plan uit kolom 3 of aan de definitie van het besluit uit kolom 4 is afhankelijk van de wijze waarop de activiteit in het bestemmingsplan wordt bestemd. Als voor de activiteit eerst één of meerdere uitwerkings- of wijzigingsplannen moeten worden vastgesteld dan is sprake van ‘kaderstellend voor' en voldoet het bestemmingsplan aan de definitie van het plan. Is de activiteit geheel of gedeeltelijk als eindbestemming opgenomen voldoet het aan de definitie van het besluit. Een belangrijk element in het Besluit m.e.r. is het (in feite) indicatief maken van de gevalsdefinities (de drempelwaarden in kolom 2 in de D-lijst). Dit betekent dat het bevoegd gezag meer moet doen dan onder de oude regelgeving. Kon vroeger worden volstaan met de mededeling in het besluit dat de omvang van de activiteit onder de drempelwaarde lag en dus geen m.e.r. (beoordeling) noodzakelijk was, onder de nu geldende regeling moet een motivering worden gegeven. Voor deze toets wordt de term vormvrije m.e.r.beoordeling gehanteerd.
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
47
Bestemmingsplan “Bestemmingsplan Veesser Enkweg en Zijmarseweg, Veessen” Status: Vastgesteld
5.8.2
Verantwoording vormvrije m.e.r.-beoordeling
Het verplaatsen van een fruitteeltbedrijf en/of realiseren van woningen is niet als activiteit opgenomen in de C-lijst van het Besluit MER. In de D-lijst de volgende activiteit opgenomen: ‘De aanleg, wijziging of uitbreiding van een stedelijk ontwikkelingsproject met inbegrip van de bouw van winkelcentra of parkeerterreinen.’ (D 11.2). Aangezien hier in dit geval sprake van is dient te worden getoetst of sprake is van m.e.r-beoordelingsplicht. Hier is sprake van indien de activiteiten de volgende drempelwaarden uit onderdeel D overschrijden: 1. 2. 3.
een oppervlakte van 100 hectare of meer, een aaneengesloten gebied en 2.000 of meer woningen omvat, of een bedrijfsvloeroppervlakte van 200.000 m² of meer.
Indien het plan wordt vergeleken met de drempelwaarden uit de D-lijst kan worden geconcludeerd dat er geen sprake is van een m.e.r.-beoordelingsplichtige activiteit aangezien deze pas geldt bij 2.000 woningen of meer of een bedrijf met een bedrijfsvloeroppervlakte van 200.000 m² of meer. Echter, zoals ook in het voorgaande aangegeven, dient ook wanneer ontwikkelingen onder drempelwaarden blijven, het bevoegd gezag zich er van te vergewissen of activiteiten geen aanzienlijke milieugevolgen kunnen hebben. Indien hierbij de drempelwaarden uit de D-lijst voor deze activiteit (o.a. 2.000 woningen of bedrijfsvloeroppervlakte van 200.000 m² of meer) wordt vergeleken met de omvang van voorliggende ontwikkeling, wordt geconcludeerd dat sprake is van een wezenlijk ander schaalniveau en een activiteit die vele male kleinschaliger is. Gelet op de kenmerken van het project (zoals het karakter in vergelijking met de drempelwaarden uit het Besluit m.e.r.), de plaats van het project en de kenmerken van de potentiële effecten zullen geen belangrijke nadelige milieugevolgen optreden. Eén en ander is tevens bevestigd in de in dit hoofdstuk aan bod gekomen milieu- en omgevingsaspecten en de daarvoor, indien van toepassing, uitgevoerde onderzoeken. 5.8.3
Conclusie
Dit bestemmingsplan is niet m.e.r.-plichtig. Tevens zijn geen belangrijke nadelige milieugevolgen te verwachten als gevolg van de vaststelling van dit bestemmingsplan.
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
48
Bestemmingsplan “Bestemmingsplan Veesser Enkweg en Zijmarseweg, Veessen” Status: Vastgesteld
HOOFDSTUK 6
WATERASPECTEN
6.1
Vigerend beleid
6.1.1
Europees beleid
De Europese Kaderrichtlijn Water (2000/60/EG) is op 22 december 2000 in werking getreden en is bedoeld om in alle Europese wateren de waterkwaliteit chemisch en ecologisch verder te verbeteren. De Kaderrichtlijn Water omvat regelgeving ter bescherming van het binnenlandse oppervlaktewater, overgangswateren (waaronder estuaria worden verstaan), kustwateren en grondwater. Streefdatum voor het bereiken van gewenste waterkwaliteit is 2015. Eventueel kan er, mits goed onderbouwd, uitstel (derogatie) verleend worden tot uiteindelijk 2027. Voor het uitwerken van de doelstellingen worden er op (deel)stroomgebied plannen opgesteld. In deze (deel)stroomgebiedbeheersplannen staan de ambities en maatregelen beschreven voor de verschillende (deel)stroomgebieden. Voornamelijk de ecologische ambities worden op het niveau van de deelstroomgebieden bepaald. 6.1.2
Rijksbeleid
Het Rijksbeleid op het gebied van waterbeheer is vastgelegd in het Nationaal Waterplan (NWP) 2022-2027. Het plan geeft op hoofdlijnen de ambities weer van het Rijk ten aanzien van het nationale waterbeleid en het daaraan gerelateerde ruimtelijke beleid. De belangrijkste ambities richten zich op waterveiligheid, zoetwater en waterkwaliteit. Maar ook de Deltabeslissingen en enkele waterafhankelijke thema’s als natuur en duurzame energie hebben in het plan een plek gekregen. 6.1.3
Provinciaal beleid
De provincie Gelderland onderscheidt 3 speerpunten als het gaat om waterbeleid. Ruimte voor water De provincie streeft hier bij voorkeur rivierkundige maatregelen na waarin ruimte voor de rivier wordt gekoppeld aan andere ruimtelijke ontwikkelingen. Indien ruimte voor de rivier noodzakelijk is zal binnendijks gebied aan het winterbed worden toegevoegd. Hiervoor zullen planologische reservering worden ingesteld. Het bovenstaande geldt niet voor de twee locaties. Regionale berging Waterbergingsgebieden zijn een belangrijk onderdeel van het watersysteem. Voornamelijk zijn deze gebieden bedoeld voor het tijdelijk bergen van water uit regionale watersystemen ten tijde van extreme neerslaghoeveelheden. In deze gebieden wordt verstedelijking, de aanleg van bedrijventerreinen etc. uitgesloten. Gemeenten dienen deze waterbergingsgebieden vast te leggen in hun bestemmingsplannen. De percelen vallen niet binnen een dergelijk zoekgebied zoals deze staan weergegeven in het Streekplan Gelderland 2005. Drinkwater In Gelderland zijn een aantal gebieden aangewezen als grondwaterbeschermingsgebieden. Het doel van deze gebieden is er voor te zorgen dat het grondwater op eenvoudige wijze, zonder ingrijpende en kostbare zuivering ervan, kan worden gebruikt voor de bereiding van drinkwater. De locaties liggen niet nabij of binnen een grondwaterbeschermingsgebied.
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
49
Bestemmingsplan “Bestemmingsplan Veesser Enkweg en Zijmarseweg, Veessen” Status: Vastgesteld
6.1.4
Waterschap Vallei en Veluwe
Op 22 november 2021 is het blauw omgevingsprogramma (BOP) van waterschap Vallei en Veluwe vastgesteld. In dit plan is beschreven welke doelstellingen het waterschap nastreeft in de periode 2022-2027 en hoe zij die doelstellingen wil gaan halen. Het waterbeheerplan is uitgewerkt in de volgende vier programma’s: − Waterveiligheid: Het programma ‘Waterveiligheid’ draait om de bescherming tegen overstromingen vanuit het primaire en het regionale watersysteem. − Watersysteem: Dit programma draait om een goed functionerend watersysteem s: klimaatbestendig, robuust, veerkrachtig en stuurbaar. Daarbij let het waterschap onder ander op kwaliteit van het water en de verbinding met andere instellingen. − Wonen en zuiveren: In het programma ‘Wonen en zuiveren’ speelt het zuiveren van afvalwater een centrale rol. Verder vormt een waterinclusieve bebouwde omgeving een speerpunt. − Circulaire economie: Afvalvermindering, slim hergebruik en optimalisatie van de verschillende installaties zijn voorbeelden van opgaven. − Energietransitie: Het waterschap wil een proactieve rol innemen in de energietransitie. Dat vraagt om een duurzame opwekking van de energie of het tegengaan van verspilling in de processen. 6.1.5
Gemeentelijk beleid
In de gemeente Heerde wordt continue aan de gemeentelijke infrastructuur gewerkt. Dit gebeurt door de realisatie van nieuwe woonwijken, inbreidingsplannen en de uitvoering van herinrichtingsplannen en reconstructies van bestaande openbare ruimte. De afdeling Leefomgeving van de gemeente Heerde is verantwoordelijk voor het beheer en onderhoud van de openbare ruimte. Voor het beheer van de openbare ruimte is het gewenst om enige mate van standaardisatie in de te realiseren werken te hebben. Ten behoeve van een dergelijke standaardisatie, heeft de gemeente in november 2016 het beleidsstuk ‘Inrichtingseisen openbare ruimte van nieuwe werken, herinrichtingen en reconstructies’ uitgebracht. De inrichtingseisen zijn zo opgesteld dat er voor de ontwerper van de openbare ruimte voldoende speelruimte is om zijn of haar creativiteit er in kwijt te kunnen. De inrichtingseisen zijn een bouwsteen zoals de andere beleidsplannen die de gemeente heeft opgesteld voor het creëren van een prettige woon en werkomgeving binnen haar gemeentegrenzen.
6.2
Waterparagraaf
6.2.1
Algemeen
Zoals in voorgaande paragrafen uiteen is gezet, wordt in het moderne waterbeheer (waterbeheer 21e eeuw) gestreefd naar duurzame, veerkrachtige watersystemen met minimale risico's op wateroverlast of watertekorten. Belangrijk instrument hierbij is de watertoets, die sinds 1 november 2003 in ruimtelijke plannen is verankerd. In de toelichting op ruimtelijke plannen dient een waterparagraaf te worden opgenomen. Hierin wordt verslag gedaan van de wijze waarop rekening is gehouden met de gevolgen van het plan voor de waterhuishoudkundige situatie (watertoets). Het doel van de watertoets is te garanderen dat waterhuishoudkundige doelstellingen expliciet en op een evenwichtige wijze in het plan worden afgewogen. Deze waterhuishoudkundige doelstellingen betreffen zowel de waterkwantiteit (veiligheid, wateroverlast, tegengaan verdroging) als de waterkwaliteit (riolering, omgang met hemelwater, lozingen op oppervlaktewater).
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
50
Bestemmingsplan “Bestemmingsplan Veesser Enkweg en Zijmarseweg, Veessen” Status: Vastgesteld
6.2.2
Watertoetsproces
Het waterschap Vallei en Veluwe is geïnformeerd over het plan door gebruik te maken van de digitale watertoets (http://www.dewatertoets.nl). De beantwoording van de vragen heeft er toe geleid dat de zogenoemde ‘normale procedure’ van de watertoets van toepassing is. De hierbij behorende ‘Watertoets’ is opgenomen in bijlage 2 bij deze toelichting. 6.2.3
Waterhuishoudkundige aspecten
6.2.3.1 Waterhuishouding Het plan loopt geen verhoogd risico op wateroverlast als gevolg van overstromingen. Het plan heeft geen schadelijke gevolgen voor de waterkwaliteit en ecologie. In het verleden is er in of rondom het plangebied geen wateroverlast of grondwateroverlast geconstateerd. Het plangebied bevindt zich niet binnen een beschermingszone of herinrichtingszone langs een waterloop, primair watergebied, invloedszone zuiveringstechnisch werk of een retentiecompensatiegebied. Verhard oppervlak De verharde oppervlakte wordt door het plan vergroot, zowel op de nieuwbouwlocatie aan de Veesser Enkweg tussen 36 en 38, als op de nieuwe bedrijfslocatie aan de Zijmarseweg. Alleen aan de Veesser Enkweg 26a wordt de oppervlakte niet vergroot, maar eerder verkleind door de sanering van de bestaande bedrijfsbebouwing en verharding. Veesser Enkweg tussen 36 en 38 Deze locatie betreft een geheel nieuwe ontwikkeling. Het perceel is ±2.500 m² waarbij het aannemelijk is dat 25% van het perceel verhard wordt. Zijmarseweg bij 9 Deze locatie betreft een geheel nieuwe ontwikkeling. Het bouwvlak van het bedrijf wordt 8.000 m² groot en er moet vanuit gegaan worden dat ±60% verhard wordt, de rest is tuin bij de woning en randstroken om het bedrijfsterrein. Er moet op basis van het plan (de toename aan verharding) 37 m³ aan water geborgen kunnen worden.
Dit kan als wateropslag voor besproeiing of in een zaksloot / wadi op het perceel. DWA (droog weer afvoer ofwel afvalwater) Het voornemen wordt voor wat het afvalwater aangesloten op de bestaande gemeentelijke persriolering. HWA (hemelwaterafvoer) Het hemelwater van het bedrijf en van de woningen wordt verwerkt op eigen terrein. Er is landelijk afgesproken dat wateroverlast (door inundatie oppervlaktewater) slechts 1x per 100 jaar mag voorkomen. Met deze afspraken als richtlijn zal voor het hemelwater (dak en wegen) een 'eens-per-100-jaargebeurtenis' (richtlijn: 72 mm) geborgen moeten worden (zonder de landelijke lozingsnorm te overschrijden). 6.2.3.2 Voorkeursbeleid hemelwaterafvoer De mogelijkheden voor het infiltreren van hemelwater ter plekke zijn beperkt. Waar mogelijk zal het hemelwater geïnfiltreerd worden, bijvoorbeeld in de tuinen behorende bij de woningen of in het openbaar gebied. 6.2.3.3 Grondwaterfluctuatiezone Om grondwateroverlast te voorkomen adviseert het waterschap om boven de gemiddelde hoogste grondwaterstand (GHG) te ontwerpen. Dit betekent dat aspecten zoals ontwateringsdiepte en infiltratie van hemelwater, beschouwd worden ten opzichte van de GHG. Het structureel onttrekken / draineren van grondwater is geen duurzame oplossing en moet worden voorkomen.
Het waterschap adviseert de initiatiefnemer dan ook om voorafgaand aan de ontwikkeling een goed beeld te krijgen van de heersende
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
51
Bestemmingsplan “Bestemmingsplan Veesser Enkweg en Zijmarseweg, Veessen” Status: Vastgesteld
grondwaterstanden en GHG. Eventuele grondwateroverlast is in eerste instantie een zaak voor de betreffende perceeleigenaar Ten tijde van de uitwerking van de (bouw)plannen wordt rekening gehouden met de grondwaterstand en de potentiële hogere grondwaterstand.
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
52
Bestemmingsplan “Bestemmingsplan Veesser Enkweg en Zijmarseweg, Veessen” Status: Vastgesteld
HOOFDSTUK 7 7.1
JURIDISCHE ASPECTEN EN PLANVERANTWOORDING
Inleiding
In de voorgaande hoofdstukken is ingegaan op het plangebied, het relevante beleid en de milieu- en omgevingsaspecten. De informatie uit deze hoofdstukken is gebruikt om keuzes te maken bij het maken van het juridische deel van het bestemmingsplan: de verbeelding en de regels. In dit hoofdstuk wordt dieper ingegaan op de opzet van dit juridische deel. Daarnaast wordt een verantwoording gegeven van de gemaakte keuzes op de verbeelding en in de regels. Dat betekent dat er wordt aangegeven waarom een bepaalde functie ergens is toegestaan en waarom bepaalde bebouwing daar acceptabel is.
7.2
Opzet van de regels
7.2.1
Algemeen
In de Wet ruimtelijke ordening (Wro) die op 1 juli 2008 in werking is getreden, is de verplichting opgenomen om ruimtelijke plannen en besluiten digitaal vast te stellen. De digitaliseringsverplichting geldt vanaf 1 januari 2010. In de ministeriële Regeling standaarden ruimtelijke ordening is vastgelegd dat de Standaard Vergelijkbare Bestemmingsplannen (SVBP) de norm is voor de vergelijkbaarheid van bestemmingsplannen. Naast de SVBP zijn ook het Informatiemodel Ruimtelijke Ordening en de Standaard Toegankelijkheid Ruimtelijke Instrumenten normerend bij het vastleggen en beschikbaar stellen van bestemmingsplannen. De SVBP geeft normen voor de opbouw van de planregels en voor de digitale verbeelding van het bestemmingsplan. Dit bestemmingsplan is opgesteld conform de normen van de SVBP2012. Het juridisch bindend gedeelte van het bestemmingsplan bestaat uit planregels en bijbehorende verbeelding waarop de bestemmingen zijn aangegeven. Deze verbeelding kan zowel digitaal als analoog worden verbeeld. De verbeelding en de planregels dienen in samenhang te worden bekeken. De regels zijn onderverdeeld in vier hoofdstukken: 1. 2. 3. 4. 7.2.2
Inleidende regels; Bestemmingsregels; Algemene regels; Overgangs- en slotregels. Inleidende regels
Hoofdstuk 1 bevat de inleidende regels. Deze regels gelden voor het gehele plangebied en bevatten: •
Begrippen (Artikel 1) In dit artikel zijn definities van de in de regels gebruikte begrippen opgenomen. Hiermee is een eenduidige interpretatie van deze begrippen vastgelegd.
•
Wijze van meten (Artikel 2) Dit artikel geeft op een eenduidige manier aan op welke wijze bouwhoogtes, afstanden, dakhellingen en oppervlakten moeten worden gemeten en hoe voorkomende eisen betreffende de maatvoering begrepen moeten worden.
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
53
Bestemmingsplan “Bestemmingsplan Veesser Enkweg en Zijmarseweg, Veessen” Status: Vastgesteld
7.2.3
Bestemmingsregels
Hoofdstuk 2 van de regels bevat de juridische vertaling van de in het plangebied voorkomende bestemmingen. De regels zijn onderverdeeld in o.a.: • • • • •
Bestemmingsomschrijving: omschrijving van de activiteiten die zijn toegestaan; Bouwregels: eisen waaraan de bebouwing moet voldoen (bouwhoogte, etc.); Afwijken van de bouwregels: onder welke voorwaarden mag worden afgeweken van de opgenomen bouwregels; Specifieke gebruiksregels: welk gebruik van gronden en opstallen in ieder geval toegestaan dan wel strijdig zijn; Afwijken van de gebruiksregels: onder welke voorwaarden mag worden afgeweken van de opgenomen gebruiksregels;
In paragraaf 7.3 worden de bestemmingen nader toegelicht en wordt ook per bestemming aangegeven waarom voor bepaalde gronden voor deze is gekozen. 7.2.4
Algemene regels
Hoofdstuk 3 bevat de algemene regels. Deze regels gelden voor het gehele plangebied. Dit hoofdstuk is opgebouwd uit: •
Anti-dubbeltelregel (Artikel 9) Deze regel is opgenomen om een ongewenste verdichting van de bebouwing te voorkomen. Deze verdichting kan zich met name voordoen, indien een perceel of een gedeelte daarvan, meer dan één keer betrokken wordt bij de berekening van een maximaal bebouwingspercentage.
•
Algemene bouwregels (Artikel 10) In dit artikel worden voorwaarden gesteld ten aanzien van parkeer-, laad- en losruimte, alsmede hoeveel ruimte er moet worden gehouden tussen bouwwerken.
•
Algemene gebruiksregels (Artikel 11) In dit artikel worden de algemene gebruiksregels beschreven alsmede een omgevingsvergunningstelsel opgenomen voor nadere ecologische onderzoeken.
•
Algemene aanduidingsregels (Artikel 12) In dit artikel worden de algemene aanduidingsregels beschreven.
•
Algemene afwijkingsregels (Artikel 13) In dit artikel worden de algemene afwijkingsregels beschreven. Deze regels maken het mogelijk om op ondergeschikte punten van de regels in het bestemmingsplan af te wijken.
•
Algemene procedureregels (Artikel 14) In dit artikel worden de algemene procedure regels benoemd.
7.2.5
Overgangs- en slotregels
In hoofdstuk 4 van de regels staan de overgangs- en slotregels. In de overgangsregels is aangegeven wat de juridische consequenties zijn van bestaande situaties die in strijd zijn met dit bestemmingsplan. In de slotregel wordt aangegeven hoe het bestemmingsplan wordt genoemd.
7.3
Verantwoording van de regels
Kenmerk van de Nederlandse ruimtelijke ordeningsregelgeving is dat er uitgegaan wordt van toelatingsplanologie. Een bestemmingsplan geeft aan welke functies waar zijn toegestaan en welke bebouwing mag worden opgericht. Bij het opstellen van dit bestemmingsplan zijn keuzes gemaakt over welke functies waar worden mogelijk gemaakt en is gekeken welke bebouwing stedenbouwkundig toegestaan kan worden.
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
54
Bestemmingsplan “Bestemmingsplan Veesser Enkweg en Zijmarseweg, Veessen” Status: Vastgesteld
Het is noodzakelijk dat het bestemmingsplan een compleet inzicht biedt in de bouw- en gebruiksmogelijkheden binnen het betreffende plangebied. Het bestemmingsplan is het juridische toetsingskader dat bindend is voor de burger en overheid en geeft aan wat de gewenste planologische situatie voor het plangebied is. In deze paragraaf worden de gemaakte keuzes nader onderbouwd. Agrarisch - Fruitteelt (Artikel 3) De gronden in het plangebied welke worden of zijn ingericht ten behoeve van de fruitteelt zijn (overeenkomstig de bestaande situatie) voorzien van de bestemming ‘Agrarisch – Fruitteelt’. Dit betreft de bestaande boomgaard aan de Veesser Enkweg alsmede het plangebied aan de Zijmarseweg naast 9. Tevens is binnen deze bestemming een voorwaardelijke verplichting voor de landschappelijke inpassing opgenomen en zijn er specifieke aanduidingen voor een parkeerterrein (bij recht) en een kleinschalige camping (uitsluitend nadat nadere milieukundige onderzoeken hebben plaatsgevonden, bij afwijking) opgenomen. Tuin (Artikel 4) De voor 'Tuin' aangewezen gronden in het plangebied zijn met name bestemd voor tuinen, paden en parkeervoorzieningen voor de naastgelegen woningen. Verkeer (Artikel 5) De voor ‘Verkeer’ aangewezen gronden in het plangebied zijn met name bestemd voor wegen, paden en parkeervoorzieningen.
Wonen (Artikel 6) De voor 'Wonen' aangewezen gronden zijn bestemd voor het wonen in woonhuizen, een aan-huis-gebondenberoep alsmede ook voor landschappelijke inpassing. Het betreffen de kavels aan de Veesser Enkweg 26a en de nummers 36 en 38. Waarde – (hoge/lage) Archeologische verwachting (Artikel 7 en 8) De voor deze bestemming aangewezen gronden zijn, behalve voor de andere daar voorkomende bestemming(en), mede bestemd voor het behoud en bescherming van de verwachte archeologische waarden.
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
55
Bestemmingsplan “Bestemmingsplan Veesser Enkweg en Zijmarseweg, Veessen” Status: Vastgesteld
HOOFDSTUK 8
ECONOMISCHE UITVOERBAARHEID
Artikel 6.12 van de Wet ruimtelijke ordening stelt dat de gemeenteraad gelijktijdig met de vaststelling van het bestemmingsplan moet besluiten om al dan niet een exploitatieplan vast te stellen. Hoofdregel is dat een exploitatieplan moet worden vastgesteld bij elk bestemmingsplan. Er zijn echter uitzonderingen. Het is mogelijk dat de raad verklaart dat met betrekking tot een bestemmingsplan geen exploitatieplan wordt vastgesteld indien het verhaal van kosten van de grondexploitatie anderszins is verzekerd of het stellen van nadere eisen en regels niet noodzakelijk is. De gemeentelijke kosten zijn beperkt tot de ambtelijke kosten, welke worden verhaald middels de gemeentelijke legesverordening. Eventuele planschade komt voor rekening van de initiatiefnemer. Ten behoeve van deze ontwikkeling is planschade overeenkomst (anterieure overeenkomst) met de initiatiefnemer gesloten. Hiermee is het kostenverhaal anderszins verzekerd en is op grond van artikel 6.12 Wro geen exploitatieplan nodig.
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
56
Bestemmingsplan “Bestemmingsplan Veesser Enkweg en Zijmarseweg, Veessen” Status: Vastgesteld
HOOFDSTUK 9
VOOROVERLEG, INSPRAAK EN ZIENSWIJZEN
Op grond van artikel 3.1.1 Bro is vooroverleg vereist met het waterschap en met de diensten van de provincie en Rijk die betrokken zijn bij de zorg voor de ruimtelijke ordening of belast zijn met de behartiging van belangen welke in het plan in het geding zijn.
9.1
Vooroverleg
9.1.1
Het Rijk
In het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) zijn de nationale belangen die juridische borging vereisen opgenomen. Het Barro is gericht op doorwerking van nationale belangen in gemeentelijke bestemmingsplannen. Geoordeeld wordt dat dit bestemmingsplan geen nationale belangen schaadt. Daarom is afgezien van het voeren van vooroverleg met het Rijk. 9.1.2
Provincie Gelderland
Voorliggend bestemmingsplan is in het kader van het vooroverleg voorgelegd aan de provincie Gelderland. Vanuit de provincie Gelderland zijn geen bezwaren kenbaar gemaakt. 9.1.3
Waterschap Vallei en Veluwe
De watertoets heeft plaats gevonden op de website www.dewatertoets.nl. Deze toets resulteerde in een positief wateradvies van het waterschap Vechtstromen. Daarom wordt verwezen naar de watertoetsprocedure opgenomen in subparagraaf 6.2.2.
9.2
Inspraak en burgerparticipatie
Inspraak Conform de gemeentelijke inspraakverordening kan het bestuursorgaan zelf besluiten of inspraak wordt verleend bij de voorbereiding van gemeentelijk beleid. In voorliggend geval is geen voorontwerpbestemmingsplan ter inzage gelegd. Burgerparticipatie In de voorgaande jaren hebben gesprekken plaats gevonden met omwonenden. Aan de buren zijn de plannen toegelicht en besproken. Het gros van de omwonenden kunnen zich (na kennisgeving van wensen, ondermeer uitzicht op kavel nummer 38) vinden in de plannen, de plannen zijn dan ook aan de wensen van omwonenden aangepast ervan uitgaande er niet hoger gebouwd gaat worden dan 2-laag met (woon)kap.
9.3
Zienswijzen
Het ontwerp-bestemmingsplan heeft eind 2023 voor een periode van zes weken voor eenieder ter inzage gelegen. Binnen deze periode konden er door eenieder zienswijzen worden ingediend. Van deze mogelijkheid hebben enkele reclamanten gebruik gemaakt. Ter verwerking hiervan is door de gemeente Heerde een ‘nota zienswijzen’ opgesteld, waarin de zienswijzen zijn voorzien van een reactie en beantwoording. De zienswijzen hebben geleid tot enkele aanpassingen aan het bestemmingsplan, zodanig dat het gewijzigd dient te worden vastgesteld door de gemeenteraad van Heerde. Voor verder inhoudelijke weergave wordt verwezen naar de nota zelf in bijlage 9 bij deze toelichting.
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
57
Bestemmingsplan “Bestemmingsplan Veesser Enkweg en Zijmarseweg, Veessen” Status: Vastgesteld
BIJLAGEN BIJ DE TOELICHTING Bijlage 1
Bodemonderzoek - Compleet
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
58
Bestemmingsplan “Bestemmingsplan Veesser Enkweg en Zijmarseweg, Veessen” Status: Vastgesteld
Bijlage 2
Watertoets
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
59
Bestemmingsplan “Bestemmingsplan Veesser Enkweg en Zijmarseweg, Veessen” Status: Vastgesteld
Bijlage 3
Quickscans Ecologie
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
60
Bestemmingsplan “Bestemmingsplan Veesser Enkweg en Zijmarseweg, Veessen” Status: Vastgesteld
Bijlage 4
Stikstofonderzoek (intern salderen)
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
61
Bestemmingsplan “Bestemmingsplan Veesser Enkweg en Zijmarseweg, Veessen” Status: Vastgesteld
Bijlage 5
Stikstof-onderzoek (beroep op stikstofbank)
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
62
Bestemmingsplan “Bestemmingsplan Veesser Enkweg en Zijmarseweg, Veessen” Status: Vastgesteld
Bijlage 6
Archeologisch bodemonderzoek
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
63
Bestemmingsplan “Bestemmingsplan Veesser Enkweg en Zijmarseweg, Veessen” Status: Vastgesteld
Bijlage 7
Advies Gelders Genootschap
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
64
Bestemmingsplan “Bestemmingsplan Veesser Enkweg en Zijmarseweg, Veessen” Status: Vastgesteld
Bijlage 8
Erfinrichtingsplan
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
65
Bestemmingsplan “Bestemmingsplan Veesser Enkweg en Zijmarseweg, Veessen” Status: Vastgesteld
Bijlage 9
Nota zienswijzen
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
66