CConstaterende datHeerde
Koppel je AI →
Document · PDF

7.2.3. Toelichting ontwerpbestemmingsplan Zwarteweg 2, Heerde.pdf

Raadscommissie 8 maart 2021, gemeente HeerdeBij agendapunt: Vaststelling bestemmingsplan Zwarteweg 2, Heerde19.743 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 3

Alle in gebruik zijnde vogelnesten zijn beschermd. Voor het broedseizoen wordt geen standaard periode gehanteerd, van belang is of er een broedgeval aanwezig is. Globaal loopt het broedseizoen van vogels van 1 maart tot 1 september. Dit is afhankelijk van de soort en van de klimatologische omstandigheden. Conclusies gebiedsbescherming De onderzoekslocatie is gelegen ten oosten van het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied de Veluwe. De afstand tussen de onderzoekslocatie en dit Natura 2000-gebied bedraagt circa negenhonderd meter. Gelet op de afstand tot het gebied, de kernopgave van het gebied en de aard van de geplande ingreep is er geen onderzoek in het kader van gebiedsbescherming binnen de Wet natuurbescherming uitgevoerd. Daarnaast is de locatie gelegen naast het Natuurnetwerk Nederland. De NNN-gebieden zullen tijdens de werkzaamheden niet worden aangetast. Daar er geen sprake is van aantasting van wezenlijke waarden en kenmerken van het NNN is verder onderzoek naar invloeden op het NNN niet van toepassing.

Toelichting (ontwerp)

33

bestemmingsplan Zwarteweg 2, Heerde

Op basis van deze bevindingen kunnen de volgende aanbevelingen gedaan worden: Aanbevelingen Nader onderzoek Het kan niet worden uitgesloten dat er verblijfplaatsen van de steenmarter, andere kleine marterachtigen en vleermuizen en nestplaatsen van categorie 5 vogelsoorten aanwezig zijn binnen de onderzoekslocatie. Nestplaatsen van categorie 5 vogelsoorten en verblijfplaatsen van steenmarters en vleermuizen zijn streng beschermd in het kader van de Wet natuurbescherming. Om te bepalen of er al dan geen (steen-)marterverblijfplaatsen, vleermuisverblijfplaatsen en nestplaatsen van categorie 5 vogelsoorten aanwezig zijn, is aanvullend onderzoek nodig. Tevens wordt gekeken of voldoende alternatieven aanwezig zijn in de omgeving van de onderzoekslocatie voor categorie 5 vogelsoorten. Alleen dan kan bepaald worden of er bij de voorgenomen werkzaamheden sprake is van overtreding van verbodsbepalingen uit de Wet natuurbescherming. Het nader onderzoek naar categorie 5 vogelsoorten kan in het broedseizoen worden uitgevoerd. Er zal worden bepaald welke soorten en hoeveel nesten er aanwezig zijn. Tevens wordt gekeken of er voldoende alternatieven in de omgeving van de onderzoekslocatie aanwezig zijn voor eventueel aanwezige categorie 5 vogelsoorten.

Het nader onderzoek naar de steenmarter en andere kleine marterachtigen kan jaarrond worden uitgevoerd en bestaat uit het plaatsen en controleren van wildcamera’s. Daarnaast wordt aan de hand van sporenonderzoek een controle uitgevoerd op het terrein van de voormalige zoutloods naar de aanwezigheid van mogelijke verblijfplaatsen. Het onderzoek neemt ongeveer twee tot drie weken in beslag. Leidraad voor vleermuisonderzoek is het vleermuisprotocol van 2017. Voor een volledig vleermuisonderzoek zijn meerdere veldbezoeken nodig in de periode half mei - september. Afhankelijk van de resultaten wordt bepaald of maatregelen en/of een ontheffing nodig zijn. Broedvogels Opgemerkt wordt dat de voormalige zoutloods in het broedseizoen tevens geschikt zijn als broedlocatie voor diverse (niet jaarrond beschermde) vogelsoorten. Alle in gebruik zijnde nesten zijn beschermd. Indien er geen werkzaamheden plaatsvinden binnen het broedseizoen wordt er geen overtreding van de Wet natuurbescherming verwacht wat betreft nestlocaties voor vogels. Voor het broedseizoen wordt geen standaard periode gehanteerd, van belang is of er een broedgeval aanwezig is. Globaal loopt het broedseizoen van vogels van 1 maart tot 1 september. Dit is afhankelijk van de soort en van de klimatologische omstandigheden.

Indien de werkzaamheden binnen het broedseizoen plaatsvinden moet voorafgaand hieraan de locatie worden vrijgegeven door een ervaren ecoloog. Indien bij de controle in gebruik zijnde nesten van vogels, of in aanbouw zijnde nesten worden aangetroffen moeten de werkzaamheden worden uitgesteld tot het nest niet meer in gebruik is. 4.4.2

Nader onderzoek marterachtigen, vleermuizen en cat. 5 vogelsoorten, november 2019

Het bovenstaande heeft geleid tot een aanvullend onderzoek, eveneens uitgevoerd door Ecoreest. Dit aanvullend onderzoek is uitgevoerd naar de kleine marterachtigen, vleermuizen en categorie 5 vogelsoorten. Voor de resultaten van dit onderzoek wordt verwezen naar Bijlage 7. Op basis van het nadere onderzoek kunnen de volgende conclusies getrokken worden: Bij de voorgenomen werkzaamheden wordt een overtreding verwacht op de verbodsbepalingen van de Wet natuurbescherming ten aanzien van vleermuizen. Uit het vleermuisonderzoek komt naar voren dat er een paarverblijfplaats van de gewone dwergvleermuis aanwezig is ter plaatse van Zwarteweg 4a. Vermoedelijk bevindt de verblijfplaats zich aan de noordzijde in de spouw van het gebouw met de in- en uitvliegopening onder de gevelbetimmering, stootvoeg of onder de daktrim; Bij de voorgenomen werkzaamheden wordt er geen overtreding verwacht op de verbodsbepalingen van de Wet natuurbescherming ten aanzien van marterachtigen. Tijdens de onderzoeken zijn geen verblijfplaatsen van marterachtigen aangetroffen en tevens zijn geen sporen waargenomen. Het kan

34

Toelichting (ontwerp)

bestemmingsplan Zwarteweg 2, Heerde daarom worden uitgesloten dat verblijfplaatsen van marterachtigen binnen de onderzoekslocatie aanwezig zijn; Bij de voorgenomen werkzaamheden wordt er geen overtreding verwacht op de verbodsbepalingen van de Wet natuurbescherming ten aanzien van categorie 5 vogelsoorten. Binnen de onderzoekslocatie zijn nesten van categorie 5 vogelsoorten niet aangetoond; Echter geldt wel dat alle nesten van vogels in het broedseizoen beschermd zijn. Dat wil zeggen dat alle in aanbouw en in gebruik zijnde nesten niet verstoord of verwijderd mogen worden. Voor het broedseizoen wordt geen standaard periode gehanteerd, van belang is of er een broedgeval aanwezig is. Globaal loopt het broedseizoen van vogels van 1 maart tot 1 september. Dit is afhankelijk van de soort en van de klimatologische omstandigheden. Dit leidt tot onderstaande aanbevelingen ten aanzien van ontheffingen: Bij de voorgenomen werkzaamheden wordt een overtreding verwacht op de verbodsbepalingen van de Wet natuurbescherming.

Voor het wegnemen of verstoren van een functionele verblijfplaats van de gewone dwergvleermuis is wettelijk gezien een ontheffing van de Wet natuurbescherming noodzakelijk; Gedeputeerde Staten kan onder Artikel 3.3 lid 4 en Artikel 3.8 lid 5 een ontheffing verlenen “in het belang van de volksgezondheid, openbare veiligheid of andere dwingende redenen van groot openbaar belang, met inbegrip van redenen van sociale of economische aard en met inbegrip van voor het milieu wezenlijke gunstige effecten”, in het geval er geen andere bevredigende oplossing is én de maatregelen niet leiden tot verslechtering van de staat van instandhouding van de desbetreffende soort (art. 3.3) of er geen afbreuk wordt gedaan aan het streven de populaties van de betrokken soort in hun natuurlijke verspreidingsgebied in een gunstige staat van instandhouding te laten voortbestaan (art. 3.8); Om een ontheffing te verkrijgen moet bij de aanvraag een activiteitenplan meegestuurd worden, waarin wordt beschreven hoe elke verblijfplaats die komt vervallen gecompenseerd te wordt en hoe bij de uitvoer van de werkzaamheden rekening wordt gehouden met de aanwezigheid van de beschermde soorten; De officiële termijn voor het verkrijgen van een besluit van de provincie ten aanzien van de Wet natuurbescherming is 13 weken, met een mogelijkheid tot verlenging van 7 weken.

Gezien de lange afhandeltijd en de tijd die nodig is als gewenningsperiode of voor een op kwetsbare periodes aangepaste planning, wordt geadviseerd dit ruim voor het uitvoeren van de sloopwerkzaamheden te doen. Daarnaast worden de volgende aanbevelingen gedaan ten aanzien van mitigerende maatregelen: Voor verblijfplaatsen van vleermuizen geldt dat er alternatieve verblijfplaatsen moeten worden aangeboden als de huidige verblijfplaatsen worden aangetast. Deze alternatieve verblijfplaatsen moeten tijdig voor de werkzaamheden worden aangeboden, omdat er rekening gehouden moet worden met een gewenningsperiode; De concrete uitwerking van de benodigde mitigerende maatregelen vindt plaats in een activiteitenplan. Binnen de Wet natuurbescherming is het vereist dat de werkzaamheden plaats vinden onder begeleiding van een ecologisch deskundige. Deze geeft, in overleg met de opdrachtgever, aan waar zich geschikte locaties bevinden voor het plaatsen van alternatieve voorzieningen. Tevens adviseert deze in eventuele maatregelen die nodig zijn voor aanvang of tijdens het project. Hierbij moet gedacht worden aan de planning van het werk, bijvoorbeeld om kwetsbare periodes te ontzien en om rekening te houden met de gewenningstijd die nodig is voor alternatieve verblijfplaatsen. Ook dienen de gebouwen voorafgaand aan de werkzaamheden ongeschikt te worden gemaakt voor vleermuizen.

Dit mag pas na ontvangst van de ontheffing. Tenslotte wijst Ecoreest er op, dat te allen tijde de zorgplicht blijft gelden. Deze zorgplicht houdt in dat nadelige gevolgen voor flora en fauna zoveel mogelijk moeten worden voorkomen. De zorgplicht geldt voor alle planten en dieren, beschermd of niet. 4.4.3

Quick scan natuurbescherming ter plaatse van gepland tankstation, augustus 2019

Geconstateerd is, dat het onderzoek naar natuurbescherming uit maart 2019 niet het totale plangebied heeft omvat. In plaats daarvan is alleen het centrale gebied onderzocht, maar de groenzone rondom (nog) niet. Daarom is er aanvullend onderzoek nodig ten aanzien van deze groenzones. Een klein deel van deze groenzone is al onderzocht in het kader van het bestemmingsplan voor het

Toelichting (ontwerp)

35

bestemmingsplan Zwarteweg 2, Heerde geplande tankstation door Eelerwoud in augustus 2019. Dit onderzoek is opgenomen in Bijlage 8. Op basis van dat onderzoek is het volgende geconcludeerd: Het plangebied is slechts voor een beperkt aantal beschermde soorten van belang. Dit betreft: enkele algemeen voorkomende grondgebonden zoogdieren en amfibieën, die zijn opgenomen op de vrijstellingslijst van de provincie en algemene vogelsoorten. Andere beschermde soorten waaronder zoogdieren, vogels met jaarrond beschermde vaste rust- en verblijfplaatsen, reptielen en amfibieën, vissen en ongewervelden ontbreekt geschikt leefgebied; In het plangebied kunnen verscheidene licht beschermde soorten zoogdieren en amfibieën voorkomen. Dit betreft soorten zoals mol, konijn en algemene (spitsmuizen). Daarnaast kunnen enkele algemene amfibieën waaronder de bruine kikker en gewone pad het plangebied gebruiken als landbiotoop. Negatieve effecten op de functionele leefomgeving van de bovengenoemde soorten kan worden uitgesloten. Met de ontwikkeling wordt een klein deel van het leefgebied omgevormd. Het grootste deel van het boselement en aangrenzende bermen, blijft behouden; Negatieve effecten op vleermuizen zijn uit te sluiten. Verblijfplaatsmogelijkheden ontbreken in de te kappen bomen en de directe omgeving daarvan.

Met voorgestane ontwikkeling wordt een zeer klein deel van het bestaande boselement omgevormd. Het te behouden deel blijft geschikt als foerageergebied voor vleermuizen en ook eventueel als vlieggeleiding; In de op korte afstand van het plangebied gelegen beek komt de beschermde beekprik voor. Negatieve effecten op de beekprik zijn uitgesloten omdat deze zich bevinden buiten de invloedssfeer van de werkzaamheden; Vogels waarvan de vaste rust- en verblijfplaatsen jaarrond beschermd of sporen die daarop wijzen zijn tijdens het veldbezoek niet vastgesteld. Deze soorten kunnen worden uitgesloten in het plangebied; Voor alle beschermde, inheemse (ook de algemeen voorkomende) vogelsoorten geldt vanuit de Wet natuurbescherming een verbod op handelingen die nesten of eieren beschadigen of verstoren. Negatieve effecten kunnen worden voorkomen door de kap van de bomen en het verwijderen van de beplanting uit te voeren buiten de broedperiode welke doorgaans loopt van half maart tot half juli. Geadviseerd wordt de beplanting te kappen in de periode oktober – februari. 4.4.4

Quick scan natuurbescherming overige groenzones, december 2019

Zoals gezegd betreft het onderzoek van Eelerwoud slechts een klein deel van de groenzones. Daarom is er door Ecoreest in december 2019 aanvullend onderzoek verricht naar de overige groenzones. Deze zijn hieronder in beeld gebracht:

36

Toelichting (ontwerp)

bestemmingsplan Zwarteweg 2, Heerde

Gebied, dat onderzocht is door Ecoreest in december 2019 De resultaten van dit onderzoek zijn opgenomen in Bijlage 9. Op basis van dit onderzoek is het volgende geconcludeerd: De onderzoekslocatie is gelegen ten oosten van het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied, de Veluwe. De afstand tussen de onderzoekslocatie en dit Natura 2000-gebied bedraagt circa 1 kilometer; Daarnaast is de locatie gelegen buiten het Gelderse Natuurnetwerk Nederland. Daar er geen sprake is van aantasting van wezenlijke waarden en kenmerken van het NNN is verder onderzoek naar invloeden op het NNN niet van toepassing; Bij de voorgenomen werkzaamheden wordt er een overtreding op de verbodsbepalingen van de Wet natuurbescherming verwacht ten aanzien van kleine marterachtigen. Nader onderzoek naar deze soorten is daarom nodig; Binnen de onderzoekslocatie zijn geen jaarrond beschermde nesten van vogels als beschreven in de Wet natuurbescherming aangetroffen; De overige te verwachten diersoorten zijn aangemerkt als vrijgestelde soorten waarvoor in het kader van bestendig beheer, bestendig gebruik, onderhoud aan infrastructuur of ruimtelijke ontwikkelingen een vrijstelling geldt. Dit houdt in dat in het kader van de Wet natuurbescherming geen ontheffing noodzakelijk is voor vrijgestelde soorten voor het uitvoeren van de voorgenomen werkzaamheden.

Het zal voornamelijk gaan om verstoring van individuen; In de bomen kunnen algemene vogelsoorten tot broeden komen. Alle in gebruik zijnde vogelnesten zijn beschermd. Voor het broedseizoen wordt geen standaard periode gehanteerd, van belang is of er een broedgeval aanwezig is. Globaal loopt het broedseizoen van vogels van 1 maart tot 1 september. Dit is afhankelijk van de soort en van de klimatologische omstandigheden; De te kappen delen maken onderdeel uit van een houtopstand van meer dan 1.000m2. Op basis hiervan is naar verwachting een meld- en herplantplicht in het kader van de Wet natuurbescherming aan de orde. De melding dient minimaal zes weken en max. 1 jaar (zie provinciale verordening) voorafgaand aan de kap te worden ingediend. De eisen voor herplant zijn in de provinciale verordening van Provincie Gelderland uitgewerkt. Daarnaast worden de volgende aanbevelingen gedaan: Om te bepalen of er al dan geen (kleine)marterverblijfplaatsen aanwezig zijn, is aanvullend

Toelichting (ontwerp)

37

bestemmingsplan Zwarteweg 2, Heerde onderzoek nodig. Het nader onderzoek naar kleine marterachtigen kan jaarrond worden uitgevoerd en bestaat uit het plaatsen en controleren van wildcamera’s. Daarnaast wordt aan de hand van sporenonderzoek een controle uitgevoerd op het plangebied naar de aanwezigheid van mogelijke verblijfplaatsen. Het onderzoek neemt ongeveer twee tot drie weken in beslag. Afhankelijk van de resultaten wordt bepaald of maatregelen en/of een ontheffing nodig zijn; Opgemerkt wordt dat de locatie in het broedseizoen tevens geschikt is als broedlocatie voor diverse (niet jaarrond beschermde) vogelsoorten. Alle in gebruik zijnde nesten zijn beschermd. Indien er geen kapwerkzaamheden plaatsvinden binnen het broedseizoen wordt er geen overtreding van de Wet natuurbescherming verwacht wat betreft nestlocaties voor vogels. Voor het broedseizoen wordt geen standaard periode gehanteerd, van belang is of er een broedgeval aanwezig is. Globaal loopt het broedseizoen van vogels van 1 maart tot 1 september. Dit is afhankelijk van de soort en van de klimatologische omstandigheden. Indien de werkzaamheden binnen het broedseizoen plaatsvinden moet voorafgaand hieraan de locatie worden vrijgegeven door een ervaren ecoloog.

Indien bij de controle in gebruik zijnde nesten van vogels, of in aanbouw zijnde nesten worden aangetroffen moeten de werkzaamheden worden uitgesteld tot het nest niet meer in gebruik is. 4.4.5

Nader onderzoek marterachtigen, mei 2020

In maart 2020 is het bureau Ruimte voor Advies BV gestart met het nader onderzoek naar marterachtigen. In het plangebied zijn sporenbuizen en cameravallen opgesteld. De resultaten van het onderzoek zijn verwoord in een rapport, dat als Bijlage 10 is opgenomen bij deze toelichting. Na analyse van de beelden en de sporenbuizen kunnen de volgende conclusies getrokken worden: Het plangebied is geen onderdeel van de functionele leefomgeving (vaste rust- of voortplantingsplaatsen, verbindingen tussen leefgebieden, jachtgebied) van kleine marterachtigen. De voorgenomen ingrepen leiden niet tot mogelijke overtreding van de Wet natuurbescherming ten aanzien van kleine marterachtigen; Het aanvragen van een ontheffing en/of het treffen van mitigerende of compenserende maatregelen ten aanzien van kleine marterachtigen is niet nodig; Voor alle soorten, beschermd of niet, geldt de algemene zorgplicht. Het onnodig doden, verwonden of aantasten van de leefomgeving dient naar redelijkheid zoveel mogelijk voorkomen te worden. Ook zijn de houtopstanden geschikt voor broedvogels. Zie ook de aanbevelingen in de quickscan. 4.4.6

Samenvatting conclusies van de uitgevoerde ecologische onderzoeken

De conclusies van de onderzoeken die zijn uitgevoerd kunnen als volgt worden samengevat: Het plangebied is niet gelegen in een Natura 2000-gebied binnen het Gelderse Natuurnetwerk Nederland waardoor er geen sprake is van aantasting van wezenlijke waarden en kenmerken van natuurgebieden; Er zijn geen verblijfplaatsen van marterachtigen aangetroffen en ook geen sporen waargenomen. Er kan worden uitgesloten dat verblijfsplaatsen van marterachtigen aanwezig zijn; Er zijn geen jaarrond beschermde nesten van vogels als beschreven in de Wet natuurbescherming aangetroffen; De voormalige zoutloods en de groenzone van het plangebied zijn in het broedseizoen geschikt om te dienen als broedlocatie. Hiervoor geldt dat alle aanwezige en in aanbouw zijnde nesten gedurende het broedseizoen zijn beschermd. Om verstoring van broedende vogels te voorkomen zijn twee maatregelen mogelijk. Allereest kunnen de werkzaamheden geheel buiten het broedseizoen worden uitgevoerd. In dit geval zal geen sprake zijn van overtreding van de Wet natuurbescherming betreffende nestlocaties voor vogels. Wanneer wel binnen het broedseizoen werkzaamheden plaats moeten vinden dan moet voorafgaand hieraan de locatie worden vrijgegeven door een ervaren ecoloog.

Indien bij de controle in gebruik zijnde nesten van vogels, of in aanbouw zijnde nesten worden aangetroffen moeten de werkzaamheden worden uitgesteld tot het nest niet meer in gebruik is. Met deze maatregelen wordt verstoring van broedende vogels voldoende voorkomen en zal geen vergunning op grond van de Wnb nodig zijn; Er is een paarverblijfplaats van de gewone dwergvleermuis aanwezig is ter plaatse van Zwarteweg 4a (ambulancepost). In verband hiermee zijn mitigerende maatregelen noodzakelijk (bijv. het creëren van alternatieve maatregelen). De benodigde mitigerende maatregelen dienen nader te worden uitgewerkt in een activiteitenplan. Voor het mogen uitvoeren van deze mitigerende maatregelen zal een ontheffing op grond van de Wnb nodig zijn. Voor aanvang van de werkzaamheden zal een

38

Toelichting (ontwerp)

bestemmingsplan Zwarteweg 2, Heerde vergunning op grond van de Wnb worden aangevraagd en zal in het kader van deze vergunningaanvraag een activiteitenplan worden opgesteld; In verband met het initiatief worden bomen gekapt die onderdeel uitmaken van een houtopstand van meer dan 1.000 m2. Naar verwachting geldt hiervoor een meld- en herplantplicht in het kader van de Wnb. 4.4.7

Eindconclusie

Gelet op de conclusies van de uitgevoerde ecologische onderzoeken geldt dat maatregelen worden genomen om verstoring van broedende vogels tegen te gaan. Vanwege de aanwezigheid van een paarverblijfplaats van de gewone dwergvleermuis zijn mitigerende maatregelen noodzakelijk waarvoor een vergunning op grond van de Wnb nodig is. Vanwege de kap van bomen geldt een meld- en herplantplicht in het kader van de Wnb. De initiatiefnemer is bereid alle noodzakelijke maatregelen te nemen en alle benodigde vergunningen en dergelijke aan te vragen. Met in achtneming hiervan kan geconcludeerd worden, dat er vanuit het aspect ecologie geen belemmeringen zijn, die de voorgenomen ontwikkeling in de weg staan.

4.5

Boomeffectanalyse (BEA)

Er is in maart 2020 een boomeffectanalyse uitgevoerd door De Boomingenieur. De resultaten van dit onderzoek zijn opgenomen in een rapport, dat als Bijlage 11 bij deze toelichting is gevoegd. Aanleiding voor het onderzoek zijn de voorgenomen herinrichtingsplannen op het perceel aan de Zwarteweg. Het perceel is omringd door bosplantsoen welke hoofdzakelijk uit Gewone essen en zomereiken bestaat. Door de herinrichting van het perceel zullen er delen bosplantsoen moeten wijken. De gemeente Heerde heeft aangegeven dat zij graag voor deze herinrichting een BEA zien, waarin de effecten op het huidige bomenbestand inzichtelijk wordt gemaakt. Een BEA is een gestandaardiseerde onderzoeksmethode om de mogelijke effecten van ruimtelijke ingrepen te beoordelen. De volgende vragen staan in deze BEA centraal: Wat is de huidige conditie en kwaliteit van de bomen? Is duurzaam behoud van de bomen mogelijk met de voorgenomen werkzaamheden? Welke maatregelen of projectaanpassingen zijn nodig om de bomen duurzaam te kunnen behouden? Hoe zijn de te handhaven bomen duurzaam te beheren, zodat het bosplantsoen duurzaam, veilig en ecologisch de toekomst ingaan. Op basis van het uitgevoerde onderzoek kunnen de volgende conclusies getrokken worden: Van de 367 onderzoeksbomen zijn er 103 dood, 52 hebben een slechte conditie, 139 een matige, 72 een redelijke en slechts 1 boom een goede conditie (grafiek 1).

Toelichting (ontwerp)

39

bestemmingsplan Zwarteweg 2, Heerde

Grafiek 1: Verdeling conditieklassen De dode bomen betreffen voornamelijk Gewone essen. Aannemelijk is dat deze onder de essentaksterfte zijn bezweken. De toekomstverwachting in de huidige omstandigheden is voor 103 onderzoeksbomen zeer slecht (0 jaar), voor 60 bomen slecht (0 tot 5 jaar), voor 96 bomen matig (5 – 10 jaar), voor 81 bomen redelijk (10 – 15 jaar) en voor 27 bomen goed (> 15 jaar).

Grafiek 2: verdeling klassen in toekomstverwachting De kwaliteit van de bomen is gezien het aantal dode bomen en de gebreken in enkele bomen over het algemeen matig tot slecht. De jongere bomen (voornamelijk de Gewone beuk) hebben een redelijk tot goede kwaliteit. De bosvakken, bomen buiten het hekwerk, vertonen hetzelfde beeld als de bomen binnen het hekwerk van Zwarteweg 4. Zo zijn nagenoeg alle Gewone essen dood, bevatten de vakken ook omgewaaide bomen en bomen in matige tot slechte conditie.

40

Toelichting (ontwerp)

bestemmingsplan Zwarteweg 2, Heerde

Bomen in het bosvak ten noorden van het perceel, grenzen aan de op- en afrit van de A50 vertonen hetzelfde beeld als de onderzochte bomen. In de huidige omstandigheden kunnen de bomen en de omliggende bosvakken niet lang duurzaam in stand worden gehouden. De bomen staan erg dicht op elkaar (stakenfase), hebben geen gevarieerde onderbegroeiing, waardoor het “bos” ecologisch gezien niet heel waardevol is. Grootschalig onderhoud kan hier verandering in brengen. Het huidige onderhoudsniveau is (zeer) achterstallig. De 367 onderzoeksbomen (alle bomen binnen het hekwerk) komen in de voorgenomen nieuwe situatie niet meer voor. Op deze locaties zijn parkeerplaatsen, rijbanen, opslaglocaties, een tankstation, een wadi/waterberging en een circulair kenniscentrum en daarbij behorende hallen, deels geconditioneerd ingepland. De bosvakken (de bomen buiten het hekwerk) blijven aan de zuidwest-, west-, noordwesten de noordzijde gehandhaafd. De bosvakken aan de noordoost-, oost-, zuidoost- en zuidzijde zullen grotendeels niet gehandhaafd kunnen blijven door de aanleg van een tankstation, wadi/waterberging, circulair kenniscentrum en daarbij behorende hallen, deels geconditioneerd en een opslaglocatie.

Dit heeft geleid tot de volgende aanbevelingen: De onderzoeksbomen en de bosvakken verkeren in een matige tot slechte conditie, met daarin veel dode en omgewaaide bomen. De bomen staan erg dicht op elkaar en kennen nauwelijks diversiteit in opbouw. Het onderhoudsniveau is (zeer) achterstallig. Aanbevolen wordt om voor de te handhaven bomen en bosvakken een groot onderhoudsplan op te stellen en na goedkeuring uit te voeren. Door de bosvakken te ontdoen van de dode en omgewaaide bomen, kan er eenvoudig een dunning worden voorgesteld waarin slechte bomen kunnen wijken en redelijk tot goede bomen de kans krijgen zich verder te ontwikkelen. Op de vrijgekomen plaatsen dienen heesters en enkele jonge (duurzame) bomen te worden aangeplant. Op deze wijze zullen de bosvakken niet alleen ecologisch waardevoller worden, maar zal deze ook duurzamer en robuuster worden. Dit alles zal ook esthetisch gezien mooier worden, waardoor de nieuwe herinrichting beter tot uiting komt.

Toelichting (ontwerp)

41

bestemmingsplan Zwarteweg 2, Heerde

De aanbevelingen puntsgewijs zijn: Opstellen plan ten behoeve van groot onderhoud te handhaven bosvakken; Uitvoeren van goedgekeurd groot onderhoudsplan; Zodra de ontwerptekeningen definitief zijn, inclusief maatvoering, kan tot in detail worden nagekeken tot waar de bosvakken gehandhaafd kunnen blijven en met welke maatregelen; Door regenwater zoveel als mogelijk naar de te realiseren wadi af te koppelen, wordt wateroverschot in de te handhaven bosvakken voorkomen. Dit zal positief uitwerken op het bomenbestand. Conclusie: De boodschap is duidelijk: er dienen veel inspanningen verricht te worden om de bosschages te herstellen. In de komende jaren zullen de nodige onderhoudswerkzaamheden verricht worden om de bosschages weer nieuw leven in te blazen.

4.6

Verkeer

Door Lagemaat is aangegeven met welke vervoersbewegingen er rekening gehouden dient te worden indien het circulaire kenniscentrum 'in bedrijf is'. In onderstaande tabel is een overzicht opgenomen van alle vervoersbewegingen, inclusief het interne verkeer op het perceel:

42

Toelichting (ontwerp)

bestemmingsplan Zwarteweg 2, Heerde

Op de situatietekening zijn in rood de vervoersbewegingen aangegeven van- en naar het perceel, waarbij gebruik gemaakt wordt van de huidige ontsluiting op de Zwarteweg als in- en uitrit. Concreet betekent dit, dat de vrachtwagens vanaf de Zwarteweg het terrein oprijden tot de bedrijfshallen. Daar laden of lossen ze hun vracht en rijden vervolgens via dezelfde route weer terug naar de Zwarteweg. Personenauto's worden direct aan het begin opgevangen op de beschikbare parkeerplaatsen, zodat er op het terrein zelf geen vermenging plaatsvindt van personenvervoer en goederenvervoer. Op de situatietekening zijn in het blauw de vervoersbewegingen aangegeven vanaf de bestaande locatie van Lagemaat naar het perceel Zwarteweg 2, waarbij ze via de bestaande inrit naar de ambulancepost het terrein oprijden. Op het terrein wordt het personeel voorzien van het juiste gereedschap om de werkzaamheden voor die dag te kunnen uitvoeren. Vervolgens verlaten ze het terrein weer via de bestaande uitrit op de Zwarteweg. Met nadruk dient hier opgemerkt te worden, dat een deel van de Zwarteweg in de toekomst dus gevrijwaard zal worden van verkeer, dat van- of naar het perceel Zwarteweg 2 inrit rijdt. Hierdoor zal de verkeersbelasting en ook de mogelijke verkeershinder op dit deel van de Zwarteweg tot het verleden behoren.

Al het verkeer zal vervolgens via de bestaande aansluiting van de Zwarteweg op de Eperweg haar weg vervolgen. Gezien het beperkte verkeersaanbod van het circulaire kenniscentrum ten opzichte van de huidige verkeersintensiteiten op de Eperweg mag verwacht worden, dat dit niet tot problemen zal leiden op de Eperweg. Daarbij kan nog vermeld worden, dat er nog aanpassingen aan de Eperweg gepland zijn in verband met de komst van een hotel en een transferium aan de overzijde van de Eperweg (nabij de Mc Donalds.

Conclusie: Het aspect verkeer is geen belemmering voor de vestiging van het circulaire kenniscentrum.

Toelichting (ontwerp)

43

bestemmingsplan Zwarteweg 2, Heerde

4.7

Bedrijven en milieuzonering

Uit het oogpunt van goede ruimtelijke ordening moet bij nieuwe ontwikkelingen worden nagegaan welke bronnen in of nabij het plangebied een belemmering kunnen vormen voor gevoelige functies als wonen. Daarnaast dient te worden bezien of sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat (de 'omgekeerde werking'). Het is gebruikelijk om voor ruimtelijke ontwikkelingen in de omgeving van bedrijvigheid aansluiting te zoeken bij de afstanden uit de publicatie Bedrijven en milieuzonering (VNG-uitgeverij, 2009). Deze publicatie is als Bijlage 12 opgenomen in deze toelichting. Andersom kan deze publicatie worden gebruikt voor het op verantwoorde wijze inpassen van bedrijvigheid in de fysieke omgeving. In de VNG-publicatie zijn richtafstanden voor diverse omgevings- en gebiedstypen opgenomen. Het gaat onder andere om de volgende omgevings- en gebiedstypen: ‘rustige woonwijk’, ‘rustig buitengebied’ en ‘gemengd gebied’. In een rustige woonwijk en een rustig buitengebied komen vrijwel geen andere functies dan de woonfunctie voor. Gemengde gebieden betreffen gebieden die langs hoofdinfrastructuur liggen en/of gebieden met matige tot sterke functiemenging. In een dergelijk gebied komen direct naast woningen andere functies voor, zoals winkels, maatschappelijke voorzieningen, horeca en kleine bedrijven.

Ook lintbebouwing in het buitengebied met overwegend agrarische en andere bedrijvigheid kan als gemengd gebied worden beschouwd. Wanneer we de omgeving van het plangebied in ogenschouw nemen, dan valt het op, dat er naast enkele woningen ook aanzienlijke bedrijvigheid aanwezig is alsmede diverse typen horeca. In de naaste toekomst zullen langs dit deel van de Eperweg nog meer functies gerealiseerd worden (o.a. een hotel en een transferium). Tezamen met de ligging van het plangebied (in de oksel van de A50 en de Eperweg) kan gesteld worden, dat hier zeker geen sprake is van een 'rustige woonwijk' of een 'rustig buitengebied'. In plaats daarvan is hier sprake van een 'gemengd gebied'. De VNG-handreiking geeft op systematische wijze informatie over de milieukenmerken van vrijwel alle voorkomende bedrijfstypen. Het biedt daarmee een hulpmiddel om ruimtelijke ordening en milieu op gemeentelijk niveau op elkaar af te stemmen. In de publicatie zijn richtafstanden gegeven. Hierbij wordt onderscheid gemaakt naar richtafstanden voor de ruimtelijk relevante milieuaspecten geur, stof, geluid en gevaar. De afstanden gaan uit van gemiddeld moderne bedrijven. Indien bekend is welke activiteiten concreet worden beoogd, dan kan gemotiveerd worden uitgegaan van de daadwerkelijk te verwachten milieubelasting (in plaats van de richtafstanden).

In de VNG-publicatie zijn voor het bepalen van de richtafstanden de volgende uitgangpunten gehanteerd: het betreft ‘gemiddeld’ moderne bedrijfsactiviteiten met gebruikelijke productieprocessen en voorzieningen; de richtafstanden hebben betrekking op de omgevingstypen ‘rustige woonwijk’ en ‘rustig buitengebied’. Bij het omgevingstype ‘gemengd gebied’ kan worden uitgegaan van kortere afstanden (verlaging met één afstandsstap); de richtafstanden bieden in beginsel ruimte voor normale groei van de bedrijfsactiviteiten; bij activiteiten met ruimtelijk duidelijk te onderscheiden deelactiviteiten (zoals productie, opslag, kantoren, parkeerterreinen) kunnen deze deelactiviteiten desgewenst als afzonderlijk te zoneren activiteiten worden beschouwd, bijvoorbeeld bij ligging van de activiteit binnen zones met een verschillende milieucategorie. De richtafstanden lopen op naar mate sprake is van een bedrijf in een hogere milieucategorie. Zoals bij de uitgangspunten voor de richtafstanden is gesteld, kan bij het type gemengd gebied de richtafstand zonder dat dit ten koste gaat van het woon- en leefklimaat met één afstandsstap worden verlaagd (dus van bijvoorbeeld 50 naar 30 meter voor milieucategorie 3.1).

Verdere reducties zijn blijkens de toelichting in de VNG-publicatie niet te verantwoorden, omdat in algemene zin niet aannemelijk kan worden gemaakt dat het woon- en leefklimaat niet wordt aangetast en het functioneren van bedrijven niet in gevaar wordt gebracht. De richtafstand wordt gemeten vanaf de grens van het bedrijfsperceel tot de gevel van het gevoelige object. Navolgende tabel geeft aan wat de richtafstanden zijn voor de verschillende milieucategorieën, zowel voor ‘rustige woonwijken’ of ‘rustige buitengebieden’ als voor ‘gemengde gebieden’.

44

Toelichting (ontwerp)

bestemmingsplan Zwarteweg 2, Heerde

Richtafstanden en omgevingstype (bron: VNG, 2009) Er kan op twee manieren worden gezoneerd, om ruimtelijke scheiding van functies te bewerkstelligen: uitwaartse zonering gaat uit van de milieubelastende functie (zoals een bedrijventerrein). In een zone rond het bedrijventerrein worden woningen of andere milieugevoelige functies geweerd; inwaartse zonering creëert beschermende bufferzones rondom een milieugevoelige functie. In een zone rondom bijvoorbeeld een woning zijn op korte afstand weinig belastende activiteiten toelaatbaar. Hoe groter de afstand tot de woonbebouwing, hoe groter de toelaatbare hinder is. Aan de Zwarteweg zijn een drietal woningen/ woonbestemmingen aanwezig. Daarnaast is ook langs de noordzijde van de Eperweg nog een woning aanwezig. Deze woningen dienen beschermd te worden tegen belastende activiteiten in het plangebied. Daarom is bij onderhavig bestemmingsplan gebruik gemaakt van inwaartse zonering. Daarbij wordt er van uitgegaan, dat het een gemengd gebied betreft, zoals hierboven gemotiveerd is aangegeven. Er wordt aan de hand van de afstand van een gevoelig object, in dit geval de omliggende woningen, bepaald welk type bedrijvigheid op welk gedeelte van het bedrijventerrein aanvaardbaar is. Hoe groter de afstand tussen de woningen en de locatie op het bedrijventerrein, hoe zwaarder de bedrijfsvoering van de bedrijven kan zijn.

Vanaf de gevels van de bestaande woningen zijn zones getrokken. Hierbij geldt dat: binnen 10 meter uitsluitend bedrijven tot en met milieucategorie 1 toegestaan zijn; tussen 10 en 30 meter uitsluitend bedrijven tot en met milieucategorie 2 toegestaan zijn; tussen 30 en 50 meter uitsluitend bedrijven tot en met milieucategorie 3.1 toegestaan zijn; tussen 50 en 100 meter uitsluitend bedrijven tot en met milieucategorie 3.2 toegestaan zijn; tussen 100 en 200 meter uitsluitend bedrijven tot en met milieucategorie 4.1 toegestaan zijn; Tussen 200 en 300 meter uitsluitend bedrijven tot en met milieucategorie 4.2 toegestaan zijn. De zonering is in beeld gebracht op de verbeelding, met dien verstande dat de 10 m-zone en de 30 m-zone hierop niet is aangegeven. Dit is niet nodig, aangezien zowel de 10 m-zone als de 30 m-zone buiten het plangebied vallen. Ook de zone tussen 200 en 300 meter is niet op de plankaart aangegeven, omdat ook deze zone buiten het plangebied valt. Als gevolg van deze zonering wordt voorkomen dat er sprake is van een toename van hinder op bestaande hindergevoelige functies in de omgeving van het plangebied. Nu is het natuurlijk de vraag of de activiteiten van het circulair kenniscentrum met bijbehorende bedrijfshallen behoren tot de milieucategorieen, die ter plaatse op basis van de milieuzonering toelaatbaar zijn.

Om dit te kunnen bepalen is het nodig te weten welke activiteiten er in het circulaire kenniscentrum zullen plaatsvinden. Door de initiatiefnemer is de volgende typering van werkzaamheden aangegeven, die ter plaatse uitgevoerd zullen worden: Als onderdeel van het circulaire kenniscentrum kan een breed scala van activiteiten bewerkingen/ handelingen plaatsvinden met producten/ voorwerpen waarvan de aard van de bewerking overeenkomt

Toelichting (ontwerp)

45

bestemmingsplan Zwarteweg 2, Heerde met de bewerking van nieuwe bouwmaterialen. Gedacht kan worden aan: Zagen; Breken; Schuren; Oppervlaktebehandeling (verven / spuiten e.d.); Assembleren / samenstellen; Opslag en overslag; Handel. Deze activiteiten/ handelingen zullen plaatsvinden met een breed pallet van materialen en producten, zoals aan: hout, metaal, kunststof, glas, kalksteen, gipsproducten, betonproducten / betonwaren, isolatiematerialen, kozijnen en gevelelementen. De combinaties van handelingen/ activiteiten met bovengenoemde materialen en producten kunnen op grond van de Staat van Inrichtingen ingedeeld worden in milieucategorie 3.1, 3.2 of 4.1. Vanwege de relatieve beperkte capaciteit (doorzet/ oppervlakte) en (veelal) inpandig uitvoeren van activiteiten is eveneens sprake van een (relatief) beperkte milieuhinder en kunnen activiteiten die formeel worden ingedeeld in milieucategorie 4.1 op basis hiervan worden aangemerkt als vergelijkbaar met activiteiten die worden ingedeeld in milieucategorie 3.1/ 3.2. Op de plankaart is te zien, dat de grens tussen de zone, waar bedrijfsactiviteiten toegestaan zijn tot en met milieucategorie 3.2 en de zone, waar bedrijfsactiviteiten toegestaan zijn tot en met milieucategorie 4.1 dwars door het plangebied loopt:

In dit bestemmingsplan is gekozen voor een 'dubbelbestemming' voor de gronden met de bestemming 'Bedrijf'. Alle gronden met de bestemming 'Bedrijf' zijn voorzien van de aanduiding 'specifieke vorm van bedrijf - circulair kenniscentrum'. De bedoeling van de specifieke bestemming is om activiteiten in het kader van het circulair kenniscentrum, die vallen in een hogere categorie-indeling dan op een bepaalde locatie toegestaan (inwaartse milieuzonering), toch toe te staan voor zover deze activiteit past binnen de specifieke bestemming. In de regels is om deze reden een begripsbepaling opgenomen van een circulair kenniscentrum, zodat hierover geen misverstanden kunnen ontstaan. Conclusie: Door toepassing van een inwaartse milieuzonering in combinatie met de specifieke bestemming 'Circulair kenniscentrum' is het mogelijk de beoogde activiteiten van het circulaire kenniscentrum op deze locatie uit te voeren zonder overlast te veroorzaken voor omwonenden. Uiteraard zal via het milieuspoor er voor gezorgd worden, dat alleen activiteiten toegelaten worden, die goed ingepast kunnen worden in de (woon)omgeving.

46

Toelichting (ontwerp)

bestemmingsplan Zwarteweg 2, Heerde

4.8

Industrielawaai

Wanneer we de toekomstige activiteiten op het perceel in ogenschouw nemen, dan kan geconcludeerd worden, dat de doorslaggevende milieufactor 'geluid' is. Om een goed beeld te krijgen van de invloed van het geluid (industrielawaai) op de omgeving is door Groundforceone in april/ mei 2020 een akoestisch onderzoek ingesteld naar de mogelijke invloed van de activiteiten op het terrein van het toekomstige circulaire kenniscentrum, inclusief de verkeersbewegingen van- en naar dit bedrijf. Als input voor deze berekening zijn de verwachte geluidsbronnen opgenomen van het circulaire kenniscentrum "in werking":

Berekend is wat de geluidsbelasting zal zijn op de geluidgevoelige functies in de directe omgeving. Het betreffen hier 3 woningen aan de Zwarteweg en 1 woning aan de Eperweg. De berekening zelf is

Toelichting (ontwerp)

47

bestemmingsplan Zwarteweg 2, Heerde opgenomen in Bijlage 13 Op basis van de uitgevoerde berekeningen kunnen de volgende conclusies getrokken worden: Het bedrijf wordt een inrichting in de zin van de Wet milieubeheer waardoor toetsing van het inrichtingslawaai aan de richtwaarden van de Handreiking industrielawaai en vergunningverlening en toetsing aan een goede ruimtelijke ordening aan de orde is; Doel van het akoestisch onderzoek is het bepalen van de geluidbelasting als gevolg van de toekomstige activiteiten op de relevante beoordelingspunten in de omgeving. Daarbij zijn het langtijdgemiddeld beoordelingsniveau (LAr,LT), de maximale geluidniveaus (LAmax) en de indirecte hinder (LAeq) berekend; Uit de berekeningen is gebleken dat het langtijdgemiddelde beoordelingsniveau de richtwaarden voor gemengd gebied niet overschrijdt; Voor de maximale geluidniveau’s in de nachtperiode is een overschrijding van de grenswaarde uit de Handreiking geconstateerd. Deze overschrijding is echter vergunbaar vanwege het inherente en sporadische karakter van de maximale geluidniveau’s; Uit de berekeningen is ook gebleken dat de grenswaarden voor indirecte hinder niet worden overschreden. Conclusie Uit de resultaten van het onderzoek blijkt dat bij geen enkele geluidgevoelige functie in de omgeving de grenswaarden overschreden worden.

Daarom kan gesteld worden, dat de bedrijfsactiviteiten van het toekomstige circulaire kenniscentrum geen invloed uitoefenen op de omgeving qua industrielawaai. Omdat geluid de doorslaggevende milieufactor is kan ook gesteld worden, dat de vestiging van het circulaire kenniscentrum met bijbehorende bedrijfshallen op de beoogde locatie geen onevenredig nadelige invloed uitoefent op de directe woonomgeving.

4.9

Luchtkwaliteit en stikstofdepositie

4.9.1

Luchtkwaliteit

Op 15 november 2007 is de Wet luchtkwaliteit samen met de AMvB "Niet in betekenende mate bijdragen" (NIBM), de ministeriële regeling NIBM, de ministeriële regeling Projectsaldering en de ministeriële regeling Beoordeling luchtkwaliteit in werking getreden. Projecten die "niet in betekenende mate bijdragen" aan de luchtverontreiniging, hoeven volgens de nieuwe wet niet meer afzonderlijk getoetst te worden aan de grenswaarden voor de buitenlucht. Het "Besluit niet in betekenende mate" (NIBM) omschrijft het begrip nader: een project dat minder dan 3% van de grenswaarden bijdraagt is NIBM. Dit komt overeen met 1,2 microgram/m³ voor fijn stof en NO2. Voor woningbouw ligt de 3%-grens op 1.500 woningen. Voor wat betreft de luchtkwaliteit wordt voldaan aan een goed woon- en leefklimaat als de grenswaarden (jaargemiddelde concentratie van stikstofdioxide (NO2) en fijn stof (PM10)) niet worden overschreden. In de directe nabijheid van de locatie zijn geen activiteiten zoals veehouderijen, industrieën of/en verkeer die een extra toename NO2 of PM10 produceren, waardoor de achtergrondconcentratie bepalend is. De achtergrondconcentratie is de totale concentratie van alle bronnen per vak van 1 kilometer bij 1 kilometer. De achtergrondconcentratie wordt jaarlijks bepaald door de emissies van veehouderijen, industrieën en verkeer bij elkaar op te tellen.

De jaargemiddelde achtergrondconcentratie ter plaatse van de locatie ligt ver beneden de wettelijke grenswaarde van 40 µg/m³. De concentratie fijn stof ter plaatse van de locatie is dermate laag dat uit het oogpunt van luchtkwaliteit dan ook sprake van een goed woonen leefklimaat. Om te bepalen of de bijdrage van de geplande ontwikkeling Niet In Betekenende Mate (NIBM) zal zijn is een berekening uitgvoerd met behulp van de NIBM-tool 2019. Het resultaat van deze berekening is hieronder opgenomen:

48

Toelichting (ontwerp)

bestemmingsplan Zwarteweg 2, Heerde

Op basis van artikel 5.16, lid 1 onder a van de Wet milieubeheer (Wm) kan gesteld worden dat de luchtkwaliteit geen belemmering vormt voor de planontwikkeling. Conclusie Het aspect luchtkwaliteit leidt niet tot belemmeringen van de voorgenomen ontwikkeling. 4.9.2

Stikstofdepositie

In het kader van de Natuurbeschermingswet moet uitgesloten worden dat significante negatieve effecten kunnen optreden in Natura 2000-gebieden. Stikstofdepositie kan verslechterende gevolgen hebben voor stikstofgevoelige habitattypen of leefgebieden waarvoor een Natura 2000-gebied is aangewezen. Deze gevolgen kunnen significant zijn wanneer een plan, project of andere handeling leidt tot een toename van stikstofdepositie op stikstofgevoelige habitattypen of leefgebieden die overbelast zijn. De effectbeoordeling stikstofdepositie heeft tot doel de NOx (stikstof) en NH3 (ammoniak) emissies naar de lucht door het voornemen inzichtelijk te maken, de toename van stikstofdepositie op stikstofgevoelige habitattypen of leefgebieden te berekenen. De effectbeoordeling stikstofdepositie wordt afgesloten met conclusies waarbij duidelijk wordt of in het kader van de Wet Natuurbescherming significante effecten uitgesloten kunnen worden, dan wel een nader onderzoek nodig is (passende beoordeling). Het plangebied ligt op 1 kilometer van het Natura 2000-gebied de Veluwe en 4 kilometer van de Rijntakken waardoor stikstofdepositie in de verschillende fases van de ontwikkeling aan de orde kunnen zijn. Door recente ontwikkelingen is het ook voor kleine ruimtelijke plannen relevant om te beschouwen of sprake is van stikstofdepositie in naturagebieden als gevolg van het plan.

Daarbij moeten zowel de gevolgen van de sloopfase, (ver)bouwfase, feitelijke situatie en de gebruikersfase in kaart worden gebracht. Ook spelen stikstofarme keuzes in het ontwerp van de beoogde situatie een rol. In de onderstaande figuur is een overzicht gegeven van de ligging van het plangebied en het naturagebied:

Toelichting (ontwerp)

49

bestemmingsplan Zwarteweg 2, Heerde

Situering plangebied ten opzichte van natura 2000-gebieden (bron: Aerius Calculator) Door Soundforceone is in mei 2020 een effectbeoordeling stikstofdepositie opgesteld. Dit rapport is in september 2020 nog op enkele onderdelen aangepast, zonder dat dit gevolgen heeft gehad voor de conclusies. De versie van september 2020 is opgenomen in Bijlage 14. Bij het opstellen van het stikstofonderzoek is gebruik gemaakt van dezelfde invoergegevens als bij het onderzoek naar industrielawaai:

50

Toelichting (ontwerp)

bestemmingsplan Zwarteweg 2, Heerde

Op basis van deze invoergegevens zijn in het onderzoek achtereenvolgens de volgende situaties onderzocht: de stikstofdepositie in de huidige situatie (feitelijke gebruiksfase); de stikstofdepositie in de toekomstige situatie (beoogde gebruiksfase); de stikstofdepositie tijdens de realisatie (aanlegfase). Hierbij geldt dat de depositie van de toekomstige situatie in de plaats zal komen van die van de feitelijke gebruiksfase en dat de depositie van de aanlegfase niet gelijktijdig plaatsvindt met die van de beoogde gebruiksfase. Op basis van een berekening met behulp van de Aerius calculator 2019 worden in het rapport de volgende conclusies getrokken: Feitelijke gebruiksfase Uit de berekeningen voor de feitelijke gebruiksfase is gebleken dat de stikstofdepositiewaarde in de nabijgelegen gebieden niet hoger zal liggen dan 0,07 mol/ha/jaar op de Veluwe en 0,01 op de Rijntakken. Onderstaande afbeelding toont de resultaten van de berekening.

Toelichting (ontwerp)

51

bestemmingsplan Zwarteweg 2, Heerde

Afbeelding: Aerius uitslag stikstofdepositie aanlegfase 2019. Er zijn geen rekenresultaten hoger dan 0,07 mol/ha/jaar. Beoogde gebruiksfase Uit de berekeningen voor de beoogde gebruiksfase is gebleken dat de stikstofdepositiewaarde in de nabijgelegen gebieden niet hoger zal liggen dan 0,03 mol/ha/jaar op de Veluwe. Onderstaande afbeelding toont de resultaten van de berekening.

Afbeelding: Aerius uitslag stikstofdepositie beoogde gebruiksfase 2021. Er zijn geen rekenresultaten hoger dan 0,03 mol/ha/jaar. De stikstofdepositie in de beoogde gebruiksfase is lager dan die in de feitelijke gebruiksfase. Ten opzichte van de feitelijke gebruiksfase is er dus een afname van de stikstofdepositie in de omliggende natura 2000-gebieden. Gelet hierop zijn significant negatieve effecten op de stikstofgevoelige habitats als gevolg van dit plan uitgesloten. Aanlegfase

52

Toelichting (ontwerp)

bestemmingsplan Zwarteweg 2, Heerde

Uit de berekeningen voor de aanlegfase is gebleken dat de stikstofdepositiewaarde in de nabijgelegen naturagebieden niet hoger zal liggen dan 0,01 mol/ha/jaar. Onderstaande afbeelding toont de resultaten van de berekening.

Afbeelding: Aerius uitslag stikstofdepositie aanlegfase 2020. Er zijn geen rekenresultaten hoger dan 0,01 mol/ha/jaar. Conclusie De feitelijke gebruiksfase leidt tot een stikstofdepositie van maximaal 0,07 mol/ha/jaar op de Veluwe en 0,01 mol/ha/jaar op de Rijntakken. Zowel de stikstofdepositie van de aanlegfase als van de beoogde gebruiksfase is kleiner, respectievelijk 0,01 en 0,03 mol/ha/jaar op de Veluwe en geen meetbare depositie op de Rijntakken. Ten opzichte van de feitelijke gebruiksfase is dus sprake van een afname van de stikstofdepositie in de omliggende natura 2000-gebieden. Omdat in de nieuwe gebruikssituatie en in de aanlegfase de stikstofdepositie lager is dan in de feitelijke gebruikssituatie zijn nadelige effecten op het natuurgebied uitgesloten en hoeft er in het kader van de bestemmingsplanprocedure geen passende beoordeling te worden gedaan.

4.10

Geur

Voor het Circulair Kenniscentrum geldt dat er geen activiteiten plaatsvinden die geur veroorzaken. In de directe omgeving zijn ook geen bedrijven aanwezig, die geuroverlast veroorzaken. Er is dus geen sprake van geurhinder, veroorzaakt door activiteiten in het Circulair Kenniscentrum, terwijl anderzijds geen geuroverlast wordt ondervonden vanuit de directe omgeving. Conclusie Het aspect geur leidt niet tot belemmeringen van de voorgenomen ontwikkeling.

4.11

Externe veiligheid

In het Besluit externe veiligheid inrichtingen (hierna: Bevi) zijn regels gesteld. Het Bevi heeft tot doel de risico's waaraan burgers in hun leefomgeving worden blootgesteld door activiteiten met gevaarlijke stoffen in bedrijven tot het aanvaarde maximum te beperken. Het gaat daarbij om het beperken van de kans op en effect van een ernstig ongeval vanwege activiteiten met gevaarlijke stoffen binnen inrichtingen. Op vergelijkbare wijze zijn de aanvaardbare risico's,

Toelichting (ontwerp)

53

bestemmingsplan Zwarteweg 2, Heerde verbonden aan transport van gevaarlijke stoffen over weg, water en spoor en het transport door buisleidingen, vastgelegd in het Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt) en het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb) en de daarbij behorende regelingen. Het doel wordt in Bevi, Bevt en Bevb vertaald naar de begrippen plaatsgebonden risico en groepsrisico: Plaatsgebonden risico (PR): Risico op een plaats buiten een inrichting, uitgedrukt als een kans per jaar dat een persoon onafgebroken en onbeschermd op die plaats zou verblijven, overlijdt als rechtstreeks gevolg van een ongewoon voorval binnen een inrichting waarbij een gevaarlijke stof betrokken is. Groepsrisico (GR): Cumulatieve kansen per jaar dat ten minste 10, 100 of 1000 personen overlijden als rechtstreeks gevolg van hun aanwezigheid in het invloedsgebied van een inrichting en een ongewoon voorval binnen de inrichting waarbij een gevaarlijke stof betrokken is. In Bevi, Bevt en Bevb zijn de risiconormen (plaatsgebonden risicoafstanden) wettelijk vastgelegd. Binnen deze afstanden mogen geen kwetsbare objecten worden opgericht. Beperkt kwetsbare objecten mogen alleen onder zwaarwegende motieven binnen deze risicoafstanden. Er is in Bevi, Bevt en Bevb geen harde norm voor het groepsrisico vastgesteld. Voor het groepsrisico geldt een verantwoordingsplicht.

Om te bepalen of het aspect externe veiligheid belemmeringen oplevert voor de realisatie van het plangebied is de risicokaart geraadpleegd:

Uitsnede risicokaart (Bron: Risicokaart.nl) Op basis van deze risicokaart kunnen de volgende conclusies getrokken worden: In of nabij het plangebied zijn geen inrichtingen aanwezig waarvan de invloedssfeer zich uitstrekt tot in het plangebied; In of nabij het plangebied zijn geen buisleidingen aanwezig; De A50 behoort tot het Basisnet - weg. Dit houdt in, dat deze weg benut wordt voor het transport van gevaarlijke stoffen. Aan weerszijden van de weg is een plasbrandaandachtsgebied met een breedte van 30 meter aanwezig is. Het plangebied ligt geheel buiten deze zone. Terzijde kan nog opgemerkt worden, dat in het bestemmingsplan voor het tankstation het volgende is opgenomen in de paragraaf externe veiligheid: "Een tankstation zonder LPG is geen Bevi-inrichting. Voor tankstations zonder lpg-installatie ligt de risicocontour niet buiten de inrichting. Uit het oogpunt van externe veiligheid vormt het tankstation dan ook geen belemmering voor de woningen in de nabijheid van de planlocatie. Het aspect externe veiligheid is geen beperkende factor voor het onderhavige plangebied" (einde citaat). Het plan is ter advisering voorgelegd aan de Veiligheidsregio Noord- en Oost Gelderland. De Veiligheidsregio heeft schriftelijk gereageerd. Hun reactie is als Bijlage 15 in deze toelichting

54

Toelichting (ontwerp)

bestemmingsplan Zwarteweg 2, Heerde opgenomen. De Veiligheidsregio concludeert, dat het voornemen past binnen de normen van het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi), het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb) en het Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt). Verder constateert de Veiligheidsregio, dat zich in de nabijheid van het plangebied enkele risicobronnen bevinden in de vorm van de A50 en de Eperweg (Provinciale weg 794). De A50 valt onder het Basisnet en heeft een plasbrandaandachtsgebied. Het plangebied valt niet binnen het plasbrandaandachtsgebied, maar voor een deel wel binnen het invloedsgebied brandbare stoffen (zie onderstaande afbeelding).

Afbeelding: Plangebied met invloedsgebied A50 (Bron: Signaleringskaart) Daarnaast valt het plangebied geheel binnen het invloedsgebied toxische stoffen. Dit betekent, dat zich één van de volgende scenario's zou kunnen voordoen: Explosie: bij een explosie van een tankwagen met brandbaar gas komt naast hittestraling ook een drukgolf vrij waardoor schade aan de bebouwing kan optreden en hierdoor beschadigd raakt. Een explosie is echter van korte duur en ook de door de explosie ontstane brand is heftig, maar kort. De brandweer zal sneller in de nabijheid van de bron op kunnen treden. De overige hulpdiensten kunnen pas na toestemming van de leidinggevende van de brandweer handelend optreden. Geadviseerd wordt om grote glasoppervlakten aan de zijde van de A50 bij de realisatie te beperken. Een dichte gevel geeft de meeste weerstand, maar zal mogelijk esthetisch niet acceptabel zijn. Toxische wolk: Bij een toxisch scenario zijn er twee opties: bij een verwachte kortdurende blootstelling van minder dan 4 uur is binnen schuilen met de ramen en deuren gesloten en mechanische ventilatie uit de beste oplossing. Indien de te verwachten blootstelling langer dan 4 uur is, verdient ontruimen de voorkeur. Gelukkig is het plangebied goed van 2 zijden bereikbaar. Ook is er in de omgeving voldoende bluswater beschikbaar, hetgeen op onderstaande afbeelding goed te zien is:

Toelichting (ontwerp)

55

bestemmingsplan Zwarteweg 2, Heerde

Afbeelding: Waterwinning in de omgeving van het plangebied (Bron: GISviewer VNOG) Ten aanzien van de zelfredzaamheid met de Veiligheidsregio nog het volgende op: De rijksoverheid heeft voor het waarschuwen van de bevolking bij calamiteiten een nagenoeg landelijk dekkend netwerk van WAS-palen neergezet. Dit Waarschuwings- en Alarmeringsstelsel (WAS) wordt maandelijks getest (1e maandag van de maand). Waarschuwen bij een dreigende ramp is op die manier voldoende geborgd. Logischerwijs staan de WAS-palen opgesteld in gebieden die de meeste personen herbergen. Het plangebied valt geheel buiten het bereik van deze WAS-palen. De zelfredzaamheid van de aanwezige mensen binnen het bestemmingsplan kan vergroot worden door het gebruik van NL-alert. Burgers zullen dan zelf het initiatief moeten nemen om hun mobiele telefoon hiervoor geschikt te maken (zie: http://www.crisis.nl/nl-alert). De zelfredzaamheid van de gebruikers in het plangebied kan verder worden vergroot door hen te attenderen op deelname aan ‘Stan the CPR network’ [voorheen Hartveilig Wonen]. Dit is een hulpsysteem waarbij vrijwilligers opgeroepen kunnen worden om iemand te reanimeren (met AED), in afwachting van een ambulance. Deelname aan ‘Stan the CPR network’ kan levens redden. Geadviseerd wordt om de toekomstige gebruikers te wijzen op deze mogelijkheden.

Vervolgens heeft de Veiligheidsregio op 15 oktober nog aan aanvullend advies gegeven. Dit op verzoek van de gemeente, teneinde een breder advies te krijgen dan uitsluitend de externe veiligheid. Het advies van 15 oktober is als Bijlage 16 toegevoegd. De veiligheidsregio is allereerst ingegaan op een tweetal duurzaamheidsaspecten: Energietransitie Er zijn Europese ‘klimaatafspraken’ gemaakt om onder andere de uitstoot van broeikasgassen te beperken. Hierdoor nemen de innovatieve technologische ontwikkelingen van alternatieve brandstoffen en energie een vlucht. Dergelijke ontwikkelingen zijn noodzakelijk, maar zijn niet zonder risico’s. Zo vindt er bijvoorbeeld opslag van (zonne-)energie in zgn. ‘buurtbatterijen’ plaats, maar blijkt uit incidenten dat branden in dergelijke installaties een specifieke aanvalsstrategie vergen van hulpverleningsdiensten. Als u ambities heeft voor het toepassen van alternatieve energiebronnen in het plangebied, dan wordt de VNOG hier graag in een zo vroeg mogelijk stadium bij betrokken. Klimaatadaptatie Door klimaatveranderingen zullen extreme wateroverlast en extreme warmte vaker voorkomen. Daarmee is ‘klimaatadaptatie’ een aspect waarmee rekening moet worden gehouden bij het ontwerp. De VNOG denkt hierin graag met u mee. Het ‘vergroenen’ van de bebouwde omgeving – bijv. het bekleden van

56

Toelichting (ontwerp)

bestemmingsplan Zwarteweg 2, Heerde daken en gevels met beplanting – kan nieuwe (brand)risico’s introduceren. Vervolgens gaat de Veiligheidsregio nog in op de aspecten bestrijdbaarheid en zelfredzaamheid: Bestrijdbaarheid – bluswatervoorzieningen en bereikbaarheid Uit de VNOG-Geoviewer blijkt dat het beschikbare primaire bluswater op dit moment voldoende is. Afhankelijk van het te realiseren bouwvolume kan het beschikbare bluswater mogelijk kwetsbaar zijn daarom adviseren wij een extra geboorde put aan te brengen in en nabij het plangebied. Ik adviseer u nadrukkelijk om hierover in gesprek te gaan. Het plangebied is via de openbare weg voldoende bereikbaar voor hulpverleningsdiensten. Voor de bestrijdbaarheid en bereikbaarheid zal er rekening moeten worden gehouden met de buitenopslag die wordt aangegeven op de plankaart. Zelfredzaamheid Omdat incidenten bij de nabij gelegen risicobronnen nooit geheel zijn uit te sluiten geef ik u advies over maatregelen die getroffen kunnen worden. Deze maatregelen kunnen bijdragen aan het beperken van het aantal slachtoffers. Ik adviseer u aandacht te besteden aan de zelfredzaamheid van de toekomstige medewerkers waarbij een samenwerking wordt aan gegaan met een werkbedrijf. Het plangebied valt binnen het bereik van de bestaande WAS-palen. Het ministerie gaat op termijn deze wijze van alarmering in Nederland gefaseerd beëindigen.

De zelfredzaamheid van de burgers binnen uw gemeente kan vergroot worden door het gebruik van NL-alert. Hierop wordt door de overheid de komende jaren verder geïnvesteerd. Burgers zullen echter zelf het initiatief moeten nemen om hun mobiele telefoon hiervoor geschikt te maken (zie: http://www.crisis.nl/nl-alert). Andere maatregelen die getroffen kunnen worden om de zelfredzaamheid te vergroten, zijn: zorg voor een opgeleide en getrainde BHV-organisatie binnen objecten waar zich grote aantallen personen kunnen bevinden. Een BHV-organisatie kan er toe bijdragen dat het handelingsperspectief van de aanwezige personen wordt vergroot in geval van een incident in de betreffende objecten of bij een incident in de omgeving van de objecten. Borging van deze maatregel zal middels een voorschrift in de omgevingsvergunning (onderdeel: bouwen) moeten plaatsvinden. Conclusie Het aspect externe veiligheid hoeft niet nader onderzocht te worden en vormt geen belemmering voor de voorgenomen ontwikkeling. De nadere adviezen van de Veiligheidsregio worden dankbaar ter harte genomen.

4.12

Kabels en leidingen

In of nabij het plangebied liggen geen bovengrondse en/of ondergrondse leidingen die ruimtelijk relevant zijn op bestemmingsplanniveau. Conclusie Vanuit het aspect kabels en leidingen zijn er geen beperkingen voor de voorgenomen ontwikkeling.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Heerde&id=3e6af1f5-7c85-4f4c-ba57-c79dbf3e3cb1