3.5.1. Archeologisch onderzoek.pdf
Tekst van het document
Bureauonderzoek en Inventariserend Veldonderzoek, verkennende fase (booronderzoek) W.H. van de Pollstraat 1 te Wapenveld Gemeente Heerde
KSP Archeologie
Colofon Versie Status KSP Rapport Auteur ISSN Foto’s en afbeeldingen Beheer en plaats documentatie Autorisatie Datum autorisatie
: : : : : : :
1.0 Niet beoordeeld door bevoegde overheid 21064 E.A. Schorn (senior KNA Prospector) 2542-7490 KSP Archeologie KSP Archeologie te Duiven
: :
E. van der Klooster (senior KNA Prospector) 25 mei 2021
www.ksparcheologie.nl | info@ksparcheologie.nl
Disclaimer Niets uit deze uitgave mag worden verveelvoudigd en/of openbaar gemaakt door middel van druk, fotokopie, microfilm of op welke andere wijze dan ook, zonder bronvermelding. KSP Archeologie aanvaardt geen aansprakelijkheid voor eventuele schade voortvloeiend uit onderhavig onderzoek of de gegeven adviezen. KSP Archeologie beschikt over het Procescertificaat Archeologie dat is verleend op basis van de beoordelingsrichtlijn SIKB 4000 voor protocol 4002 ‘bureauonderzoek’. Wanneer de certificatie-eisen strijdig zijn met de eisen van de bevoegde overheid, dan gaat KSP Archeologie uit van de eisen van de bevoegde overheid omdat die sanctioneerbaar zijn.
KSP Archeologie
2
Inhoudsopgave Samenvatting 1 Inleiding 1.1 Onderzoekskader 1.2 Afbakening plan- en onderzoeksgebied 1.3 Overheidsbeleid 1.4 Toekomstige situatie 1.5 Onderzoeksdoel en vraagstellingen 2 Bureauonderzoek 2.1 Huidige situatie 2.2 Beschrijving van aardwetenschappelijke gegevens 2.3 Historische situatie en mogelijke verstoringen 2.4 Beschrijving van archeologische gegevens 2.5 Beschrijving van de ondergrondse bouwhistorische waarden 2.6 Gespecificeerde archeologische verwachting 2.7 Conclusie en advies 3 Inventariserend Veldonderzoek, verkennende fase 3.1 Werkwijze 3.2 Veldsituatie 3.3 Beschrijving en interpretatie van de boorgegevens 3.4 Archeologische indicatoren 3.5 Toetsing van de archeologische verwachting 4 Conclusie en advies 4.1 Conclusie 4.2 Beantwoording van de onderzoeksvragen 4.3 Selectieadvies Literatuur Bijlage 1 Bijlage 2 Bijlage 3 Bijlage 4 Bijlage 5 Bijlage 6 Bijlage 7 Bijlage 8 Bijlage 9
6 7 7 7 7 8 8 10 10 11 14 19 22 23 25 26 26 26 27 28 28 29 29 29 30 31
Geomorfologische kaart Bodemkaart Archeologische gegevens Boorpuntenkaart Boorbeschrijving Overzicht geologische en archeologische tijdvakken Doorsneden sporthal Wapenveld Plattegrond en gevels tennishal Tekening Brandweerkazerne
Lijst van afbeeldingen Figuur 1: Het plangebied op de topografische kaart schaal 1:10.000 (bron: Kadaster). 5 Figuur 2: Mogelijke toekomstige situatie binnen het plangebied, model 5 (bron: opdrachtgever). 8 Figuur 3: Het plangebied op de archeologische landschappenkaart van de gemeente Heerde (Boshoven e.a. 2010) 12 Figuur 4: Het plangebied op het Actueel Hoogtebestand van Nederland (bron: www.ahn.nl). 13 Figuur 5: Het plangebied op de kadastrale minuut uit het begin van de 19e eeuw (bron: beeldbank.cultureelerfgoed.nl). 16 Figuur 6: Het plangebied op de kaart uit 1890, Bonneblad (bron: www.topotijdreis.nl). 16 Figuur 7: Het plangebied op de topografische kaart uit 1957 (bron: www.topotijdreis.nl). 17 Figuur 8: Het plangebied op de topografische kaart uit 1965 (bron: www.topotijdreis.nl). 17 Figuur 9: Het plangebied op de topografische kaart uit 1993 (bron: www.topotijdreis.nl). 18 Figuur 10: Het plangebied op de topografische kaart uit 2003 (bron: www.topotijdreis.nl). 18 Figuur 11: Het plangebied op de archeologische waarden- en verwachtingenkaart van de gemeente Heerde (Boshoven e.a. 2010). 22 Figuur 12: Brandweerkazerne, gefotografeerd tegen noordwesten. 26 Figuur 13: Tennishal (westzijde) links, duivenvereniging rechts, gefotografeerd tegen Zuiden. 27 Figuur 14: Tennishal (oostzijde), gefotografeerd tegen zuiden. 27
KSP Archeologie
3
Lijst van tabellen Tabel 1: Overzicht van de onderzoeksmeldingen binnen een straal van 500 m rondom het plangebied (bron: archis.cultureelerfgoed.nl). Tabel 2: Specifieke archeologische verwachting per periode voor het plangebied.
KSP Archeologie
19 23
4
Administratieve gegevens KSP Projectnummer Opdrachtgever Uitvoerder/projectleider Bevoegde overheid Deskundige namens bevoegde overheid Onderzoeksmelding Provincie Gemeente Toponiem Centrum-coördinaat Kadastrale gegevens Periode uitvoering onderzoek
: : : : :
21064 SAB, Niels Sierings KSP Archeologie, E.A. Schorn (senior KNA Prospector) Gemeente Heerde H.G. Pape-Luijten (Regio-archeoloog Stedendriehoek)
: : : : : : :
5073510100 Gelderland Heerde W.H. van de Pollstraat 1 te Wapenveld x: 201.675 / y: 494.103 Sectie C, nummers: 5720, 6352, 6353, 6428 (deels) en 6846 (deels) Mei 2021
Figuur 1: Het plangebied op de topografische kaart schaal 1:10.000 (bron: Kadaster).
KSP Archeologie
5
Samenvatting KSP Archeologie heeft een archeologisch bureauonderzoek en inventariserend veldonderzoek, verkennende fase (IVO-(O)verig); booronderzoek) uitgevoerd voor de locatie aan de W.H. van de Pollstraat 1 in Wapenveld (gemeente Heerde). Het onderzoek is uitgevoerd voor de aanvraag van een bestemmingsplanwijziging voor de bouw van een multifunctionele accommodatie (MFA) en appartementen. Het doel van het archeologische bureauonderzoek was het opstellen van een gespecificeerde archeologische verwachting voor het plangebied. Op basis van de landschappelijke ligging op een daluitspoelingswaaier en de archeologische onderzoeksmeldingen uit de omgeving is aan het plangebied een middelhoge verwachting toegekend voor vuursteenvindplaatsen uit het MiddenPaleolithicum tot en met het Neolithicum en een hoge verwachting voor nederzettingsresten uit het Neolithicum tot en met de Volle Middeleeuwen (tot in de 13e eeuw). Aan het grootste deel van het plangebied is een lage verwachting toegekend voor bebouwingsresten en bijbehorende sporen vanaf de Late Middeleeuwen (vanaf de 13e eeuw) tot en met de Nieuwe Tijd, met uitzondering van het zuidoostelijke deel van het plangebied waaraan een hoge verwachting is toegekend. Vervolgens is deze verwachting getoetst door middel van een inventariserend veldonderzoek, verkennende fase.
Uit het booronderzoek is gebleken dat de oorspronkelijke podzolbodem is verdwenen maar dat het potentiële archeologische sporenniveau in de top van de C-horizont nog intact aanwezig is. Op basis hiervan is de middelhoge verwachting voor vuursteenvindplaatsen uit het LaatPaleolithicum tot en met het Neolithicum naar laag bijgesteld en blijft de hoge verwachting voor nederzettingsresten uit het Neolithicum tot en met de Volle Middeleeuwen (tot in de 13e eeuw) gehandhaafd. De resultaten van het booronderzoek geven geen aanleiding om de lage verwachting voor het grootste deel van het plangebied evenals de hoge verwachting voor het zuidoostelijke deel voor resten uit de Late Middeleeuwen (vanaf de 13e eeuw) tot en met de Nieuwe tijd bij te stellen. Op basis van de intactheid van de bodem in het plangebied kan een archeologische vindplaats aanwezig zijn. Wanneer de geplande graafwerkzaamheden dieper reiken dan 80 cm beneden maaiveld kunnen eventueel aanwezig archeologische resten verloren gaan en is vervolgonderzoek noodzakelijk. KSP Archeologie adviseert een vervolgonderzoek in de vorm van een proefsleuvenonderzoek om vast te stellen of in het plangebied archeologische resten aanwezig zijn en zo ja, welke waardering hieraan gegeven kan worden. Voor dit proefsleuvenonderzoek is een Programma van Eisen (PvE) noodzakelijk dat is goedgekeurd door de bevoegde overheid.
In dit PvE wordt de werkwijze en de randvoorwaarden van het proefsleuvenonderzoek vastgelegd.
KSP Archeologie
6
1
Inleiding
1.1
Onderzoekskader
In opdracht van SAB heeft KSP Archeologie een archeologisch bureauonderzoek en inventariserend veldonderzoek, verkennende fase (IVO-(O)verig); booronderzoek) uitgevoerd voor de locatie aan de W.H. van de Pollstraat 1 in Wapenveld (gemeente Heerde). Het onderzoek is uitgevoerd voor de aanvraag van een bestemmingsplanwijziging voor de bouw van een multifunctionele accommodatie (MFA) en appartementen. Het onderzoek is uitgevoerd conform de beoordelingsrichtlijn SIKB 4000 (versie 4.1) met bijbehorende protocollen (KNA 4.1) 4002 (bureauonderzoek bij landbodems) en 4003 (inventariserend veldonderzoek, overig) (www.sikb.nl) en de gemeentelijke eisen. Voor de in dit rapport gebruikte geologische en archeologische tijdsaanduidingen wordt verwezen naar Bijlage 6. Geologische formaties, laagpakketten en lagen worden beschreven conform https://www.dinoloket.nl/stratigrafische-nomenclator. 1.2
Afbakening plan- en onderzoeksgebied
Het plangebied is gelijk aan het onderzoeksgebied waarvoor het archeologische onderzoek is uitgevoerd. Het plangebied is ca. 9.750 m2 groot en ligt aan de W.H. van de Pollstraat 1 in Wapenveld (Figuur 1). Het terrein wordt in het noorden deels begrensd door de W.H. van de Pollstraat en deels door aangrenzende bebouwing, in het oosten door tennisbanen en percelen met bebouwing, in het zuiden door de Klapperdijk en in het westen door percelen met bebouwing. 1.3
Overheidsbeleid
In 1992 heeft Nederland het Europese ‘Verdrag van Malta’ ondertekend. In het verdrag is de omgang met het Europees archeologische erfgoed geregeld. Belangrijk daarin is dat voorafgaand aan de uitvoering van plannen onderzoek moet worden gedaan naar de aanwezigheid van archeologische waarden en daar in de ontwikkeling van plannen zoveel mogelijk rekening mee te houden. Het wettelijk kader voor de archeologische monumentenzorg is vastgelegd in de Erfgoedwet. Daarnaast hebben de verschillende overheden (het rijk, de provincie en de gemeentes) archeologiebeleid vastgelegd. Gemeenten houden bij de vaststelling van een bestemmingsplan of het verlenen van een vergunning altijd rekening met in de grond aanwezige dan wel te verwachten archeologische waarden (Wet ruimtelijke ordening). Volgens het bestemmingsplan ‘Wapenveld-Dorp (2017)’ van de gemeente Heerde geldt voor het plangebied de dubbelbestemming ‘Waarde – Hoge Archeologische Verwachting. Dit betekent dat bij bodemingrepen groter dan 100 m2 en dieper dan 0,4 m archeologisch onderzoek noodzakelijk is. Aangezien deze ondergrenzen bij de realisatie van de nieuwbouwplannen worden overschreden (zie paragraaf 1.4), is archeologisch onderzoek noodzakelijk.
In het kader van de bestemmingsplanwijziging is voor het plangebied gekozen voor een standaard archeologisch vooronderzoek dat bestaat uit een bureauonderzoek gecombineerd met een verkennend booronderzoek.
KSP Archeologie
7
1.4
Toekomstige situatie
Binnen het plangebied zal een multifunctionele accommodatie (MFA) en appartementen worden gebouwd en worden parkeerplaatsen aangelegd (Figuur 2). De MFA krijgt een oppervlakte van ca. 3.390 m2 en de appartementen hebben een oppervlakte van ca. 635 m2. De bouwputten voor de fundering zullen mogelijk tot ca. 100 cm beneden maaiveld worden uitgegraven. Voor tot nu toe bekend worden er geen kelders aangelegd.
Figuur 2: Mogelijke toekomstige situatie binnen het plangebied, model 5 (bron: opdrachtgever).
Voor zover bekend is binnen het plangebied geen bodem- en/of grondwatersanering nodig in het kader van de milieuhygiëne. Het waterpeil c.q. bodempeil binnen het plangebied zal niet veranderen door de geplande bodemingrepen. 1.5
Onderzoeksdoel en vraagstellingen
Bureauonderzoek Het doel van het bureauonderzoek is het opstellen van een gespecificeerde, archeologische verwachting, met behulp van informatie van bestaande bronnen over bekende of verwachte archeologische waarden binnen het omschreven onderzoeksgebied. Het resultaat is een standaardrapport bureauonderzoek met een gespecificeerde archeologische verwachting en een advies. Op basis hiervan wordt vastgesteld of vervolgonderzoek nodig is en zo ja, welke strategie hierbij het beste gevolgd kan worden.
Inventariserend Veldonderzoek Het doel van het inventariserend veldonderzoek (IVO) (landbodems) is het aanvullen en toetsen van de gespecificeerde archeologische verwachting, zoals geformuleerd in het bureauonderzoek. Het gaat om
KSP Archeologie
8
gebiedsgericht onderzoek door middel van waarnemingen in het veld, waarbij (extra) informatie wordt verkregen over bekende en of verwachte archeologische waarden in het onderzoeksgebied. Het resultaat van het IVO is een standaardrapport IVO-O met een waardering en een inhoudelijk (selectie)advies (buiten normen van tijd en geld). Aan de hand hiervan kan een beleidsbeslissing (meestal een selectiebesluit) worden genomen. Indien er onvoldoende gegevens voor waardering en selectieadvies zijn, kunnen deze niet opgesteld worden. Er kan dan worden geadviseerd tot vervolgonderzoek of om af te zien van verder onderzoek. Om te komen tot het resultaat moeten de veldactiviteiten uitgevoerd worden tot het niveau waarop de beleidsbeslissing gefundeerd genomen kan worden, d.w.z. dat de archeologische waarden van het terrein/vindplaats in voldoende mate zijn vastgesteld. Het inventariserend veldonderzoek kent drie fasen: een verkennende, een karterende en een waarderende fase. Voor goed uitgevoerd archeologisch onderzoek is het niet altijd nodig om al deze fasen te doorlopen dat hangt af van de situatie. Dit onderzoek betreft een verkennend onderzoek. De verkennende fase heeft als doel om inzicht te krijgen in de vormeenheden van het landschap (bodemopbouw) die van invloed zijn op de locatiekeuze in het verleden.
Hiermee worden kansarme zones uitgesloten en kansrijke zones geselecteerd voor mogelijk vervolgonderzoek. Om de bovenstaande doelstelling te realiseren, zijn de volgende onderzoeksvragen opgesteld: Wat is de opbouw van de ondergrond en is het bodemprofiel intact? Wat is de specifieke archeologische verwachting van het plangebied op basis van het bureauonderzoek en wordt deze door het veldonderzoek bevestigd? In hoeverre wordt het (potentiële) archeologische niveau bedreigd door de voorgenomen ontwikkeling van het gebied?
KSP Archeologie
9
2
Bureauonderzoek
2.1
Huidige situatie
Om de huidige situatie en mogelijke verstoringen van de bodem in kaart te brengen zijn de volgende bronnen geraadpleegd: Huidige topografische kaart (Figuur 1); Luchtfoto uit 2019 (via PDOK); Grondwatertrappen op de Bodemkaart schaal 1:50.000 versie 2006 (via geoplaza.vu.nl); Rijksmonumenten (via archis.cultureelerfgoed.nl): geen monumenten aanwezig; Gemeentelijke monumenten (via https://nl.wikipedia.org/wiki/Lijst_van_gemeentelijke_monumenten_in_Heerde): geen gemeentelijke monument; Informatie van de opdrachtgever over het plangebied; Informatie over ondergrondse tanks (www.bodemloket.nl); Informatie over kabels en leidingen (KLIC-melding); Informatie over de huidige bebouwing: Basisregistratie Adressen en Gebouwen (BAG) (bagviewer kadaster.nl). Het plangebied is momenteel in gebruik als Brandweerkazerne, als tennishal met bijbehorende parkeerterrein (W.H. van de Pollstraat 1), als duivenvereniging (W.H. van de Pollstraat 5) en als woning met bijbehorende tuin (Klapperdijk 25). De aanwezige bebouwing is door de gemeente (verwijzing gemeentelijke monumentenlijst) of het rijk (archis.cultureelerfgoed.nl) niet aangemerkt als historisch waardevol. De sporthal is uitgegraven tot een diepte van 120 cm -mv en is gefundeerd op stroken (Bijlage 7). Onderin de bouwput is een bodemafsluiting aangebracht van een 10 cm dikke laag schoon zand.
Van de tennishal is alleen een tekening van de plattegrond en gevels aanwezig (Bijlage 8) en zijn geen tekeningen aanwezig van de fundering. De tennishal heeft een stalen frame die de gehele hal overspand. Waarschijnlijk zijn alleen de stalen dragers op poeren gefundeerd. Van het gebouw van het pand van de duivenvereniging is geen bouwtekening aanwezig. Het gebouw bestaat uit een soort loods, waarvoor waarschijnlijk geen bouwput is aangelegd, maar uit een fundering rondom op poeren bestaat voor de stalen dragers. Van de brandweerkazerne is alleen een tekening van de fundering van de nieuwbouw uit 2004 aanwezig (Bijlage 9). Voor de nieuwbouw is een bouwput tot 120 cm -mv uitgegraven. Van de woning aan de Klapperdijk 25 zijn geen bouwtekeningen ontvangen. Volgens het kadaster stamt de bebouwing uit 1965, maar is al aanwezig op de kaart uit 1957 (Figuur 7). Waarschijnlijk is voor de bouw gebruik gemaakt van sleuvenfunderingen en is er niet een complete bouwput uitgegraven. Binnen het plangebied zijn voor zover bekend geen kelders of andere ondergrondse werken aanwezig (bijvoorbeeld funderingen of drainage). Rondom de bebouwing is verharding aanwezig in de vorm van klinkers. In het Bodemloket is geen informatie aanwezig of er binnen het plangebied ondergrondse tanks aanwezig zijn (www.bodemloket.nl). Rondom de bebouwing liggen enkele kabels en leidingen (KLIC-melding).
Aan de kaarteenheden op de bodemkaart (Bijlage 2) waren tot 2006 gemiddelde grondwaterstanden gekoppeld door middel van zogenaamde grondwatertrappen (I t/m VII). Het plangebied wordt naar verwachting gekenmerkt door een diepe grondwaterstand (grondwatertrap VI of VII). Dit betekent dat de gemiddeld hoogste grondwaterstand bij grondwatertrap VI tussen 40 - 80 cm en de gemiddeld laagste grondwaterstand dieper dan 120 cm beneden maaiveld wordt aangetroffen. Voor grondwatertrap VII betekent dit dat de gemiddeld hoogste grondwaterstand dieper dan 80 cm en de gemiddeld laagste grondwaterstand dieper dan 160 cm beneden maaiveld wordt aangetroffen.
KSP Archeologie
10
2.2
Beschrijving van aardwetenschappelijke gegevens
Om het landschap ter plaatse en rondom het plangebied in kaart te brengen, zijn de volgende bronnen geraadpleegd: Geologische overzichtskaart van Nederland schaal 1:600.000 (https://www.grondwatertools.nl/ geologische-overzichtskaart); Geomorfologische kaart van Nederland, schaal 1:50.000 versie 2019 (BRO 2020, Maas e.a. 2017); Bodemkaart van Nederland, schaal 1:50.000 versie 2018 (BRO 2019); Actueel Hoogtebestand van Nederland (AHN) (www.ahn.nl, AHN3 grid 0,5 x 0,5 m); Het plangebied ligt direct ten oosten van de Veluwe stuwwal (code B11 op Bijlage 1). Het landschap in dit gebied heeft zijn huidige vorm vooral tijdens de laatste twee ijstijden, het Saalien (ca. 150.000 jaar geleden) en het Weichselien (ca. 115.000 – 11.755 jaar geleden), gekregen. In het Saalien zijn de stuwwallen van de Veluwe door het landijs opgestuwd, dat vanuit het noorden Nederland is binnengedrongen (Berendsen 2005). De stuwwallen bestaan overwegend uit midden-pleistocene, grindrijke, grofzandige rivierafzettingen van de Rijn en de Maas, die al vóór de landijsbedekking in de ondergrond aanwezig waren. In de omgeving van het plangebied komen ook ‘witte zanden’ voor van de Enschede en Harderwijk Formatie. Deze afzettingen zijn door een riviersysteem afgezet die vanuit het oosten Nederland binnenkwam (Eridanos riviersysteem) (Stouthamer et al. 2015 en Berendsen 2005).
Aan het einde van de ijstijd stroomde het smeltwater over de laagste plaatsen van de stuwwal. Daarbij zijn dalen uitgesleten en grote puinwaaiers van glaciofluviale afzettingen (sandrs) gevormd. Ten oosten van de Veluwe stuwwal is een uitgestrekt gebied met daluitspoelingswaaiers en sneeuwsmeltwaterafzettingen ontstaan. Op de geomorfologisch kaart is het plangebied niet gekarteerd vanwege de ligging binnen de bebouwde kom, maar op grond van de aangrenzende kaarteenheden ligt het plangebied binnen een daluitspoelingswaaier (Bijlage 1, code G21). Hoewel er ook sneeuwsmeltwaterafzettingen en daluitspoelingswaaiers zijn gevormd in het Saalien, is het merendeel gevormd in het Weichselien (Stouthamer et al. 2015). Na een relatief warme periode, het Eemien (ca. 130.000 – 115.000 jaar geleden), is het in het Weichselien opnieuw zeer koud en droog geworden. Tijdens het Pleniglaciaal (ca. 75.000 – 15.700 jaar geleden) is de bodem permanent bevroren geweest (Cohen et al. 2009). Hierdoor is het sneeuwsmelt- en regenwater gedwongen over het oppervlak af te stromen waarbij zogenaamde fluvioperiglaciale afzettingen zijn afgezet en dalen uitgesleten (code R21, Bijlage 1). Ook de vorming van daluitspoelingswaaiers ging in het Weichselien gewoon door.
De fluvioperiglaciale afzettingen bevinden zich meestal in de diepere ondergrond van het plangebied en bestaan uit fijn en grof zand, soms met grind, leemlagen en plantenresten, en worden tot de Formatie van Boxtel gerekend (De Mulder et al. 2003). De fluvio(peri)glaciale afzettingen zijn later grotendeels bedekt met dekzand. In de koudste en droogste perioden van het Weichselien, met name tijdens het Laat-Pleniglaciaal (ca. 26.000 –15.700 jaar geleden) en in sommige perioden van het Laat-Glaciaal (ca. 15.700 – 11.755 jaar geleden), is de vegetatie vrijwel verdwenen. Hierdoor is op grote schaal verstuiving opgetreden, waarbij dekzand is afgezet (Berendsen 2005). Dit (soms lemige) zand is kalkloos, fijnkorrelig (150 – 210 μm), goed afgerond, goed gesorteerd en arm aan grind en wordt tot het Laagpakket van Wierden van de Formatie van Boxtel gerekend. Het dekzandpakket is vaak niet dikker dan 1,2 m en ligt meestal op grindige, grove zanden (fluvioperiglaciale afzettingen). Volgens de archeologische landschappenkaart (Figuur 3) van de gemeente Heerde (Boshoven e.a. 2010) ligt het plangebied op een dekzandrug. Dit is in tegenspraak met de geomorfologische kaart (Bijlage 1), waar wordt aangegeven dat het plangebied op een daluitspoelingswaaier ligt.
Op het hoogtebeeld van het Actueel hoogtebestand van Nederland (AHN, Figuur 4) is ter plekke van het plangebied geen dekzandrug te zien. Van west naar oost daalt het gebied geleidelijk (van oranje kleuren naar lichtgroene kleuren) wat goed bij het beeld van een daluitspoelingswaaier past, zoals is aangegeven op de geomorfologische kaart. Het kenmerk van een dekzandrug is dat deze boven de omgeving uitsteekt, zoals de dekzandrug ten oosten van het plangebied (Figuur 4,hoger gelegen lichtgroene zone binnen blauwe zone), die op de geomorfologische kaart is weergegeven met de code B53 (Bijlage 1). Wat op het hoogtebeeld van het plangebied juist
KSP Archeologie
11
opvalt is dat het grootste deel van het plangebied, met uitzondering van het noordwestelijk deel en de zuidoostelijk uitloper van het plangebied, juist ongeveer 50 cm lager is gelegen dan de directe omgeving ten zuiden, westen en noorden). Het lijkt erop dat het plangebied in het verleden grotendeels is afgegraven.
Figuur 3: Het plangebied op de archeologische landschappenkaart van de gemeente Heerde (Boshoven e.a. 2010)
KSP Archeologie
12
Figuur 4: Het plangebied op het Actueel Hoogtebestand van Nederland (bron: www.ahn.nl).
In het Holoceen (vanaf ca. 11.755 jaar geleden tot heden) is het klimaat warmer en vochtiger en is het landschap door geologische processen weinig veranderd. Het (dek)zand is door de toenemende vegetatie vastgelegd en de beken hebben zich ingesneden, waarbij beekdalen zijn ontstaan. Voor zover bekend ligt er geen beek in de directe omgeving van het plangebied. Op ca.100 m ten oosten van het plangebied ligt het Apeldoornsch Kanaal dat vanaf de jaren 1825-1829 is aangelegd. Wel liggen er zogenaamde droge dalen (Bijlage 1, code R21) uit het Saalien/Weichselien ten westen van het plangebied, maar deze zijn in het Holoceen niet meer watervoerend. Op de bodemkaart is het plangebied niet gekarteerd vanwege de ligging binnen de bebouwde kom. Op grond van de aangrenzende kaarteenheden worden er binnen het plangebied hoge zwarte enkeerdgronden dan wel laarpodzolgronden verwacht (Bijlage 2, respectievelijk code zEZ30 en cHn23). De hoge zwarte enkeerdgronden bestaan uit een donkere, humeuze bovengrond van meer dan 50 cm dik met daaronder de oorspronkelijke bodem en de laarpodzolgronden hebben een donkere, humeuze bovengrond van minder dan 50 cm dik. De humeuze bovengrond betreft op de hogere zandgron-den vaak een plaggendek, ook wel esdek genoemd. Plaggendekken zijn ontstaan, doordat in OostNederland vanaf ca.
de 16e eeuw op grote schaal het systeem van potstalbemesting is toegepast (Spek 2004). Plaggen worden met mest van het vee vermengd en op de akkers uitgespreid om de bodem vruchtbaarder te maken. In de loop van de tijd is een plaggendek op de oorspronkelijke bodem ontstaan. De oorspronkelijke bodem onder het plaggendek is op de hogere zandgronden vaak een podzolgrond. De podzolgronden bestaan uit een humeuze, donkere bovengrond (Ap-horizont), die ca. 25 cm dik is, waaronder een E-horizont (uitspoelingshorizont) aanwezig is (De Bakker & Schelling 1989). Hieronder
KSP Archeologie
13
ligt de bruingekleurde B-horizont (inspoelingshorizont), die geleidelijk overgaat in de C-horizont. Afhankelijk van de vroegere bodembewerking is de oorspronkelijke A-, E- en/of B-horizont in meer of mindere mate intact. Gezien het feit dat zowel de enkeerdgrond als de gooreerdgrond in de directe omgeving van het plangebied binnen dezelfde landschappelijk eenheid (daluitspoelingswaaier) ligt met een vergelijkbare hoogte, zal onder de enkeerdgrond van oorsprong waarschijnlijk ook een gooreerdgrond aanwezig zijn geweest. 2.3
Historische situatie en mogelijke verstoringen
Om de historische situatie en mogelijke verstoringen van de bodem in kaart te brengen zijn de volgende bronnen geraadpleegd: Oude kadasterkaarten: kadastrale minuut en oorspronkelijk aanwijzende tafels 1811 – 1832 voor toenmalige eigenaar/gebruiker (beeldbank.cultureelerfgoed.nl); Historische kaarten uit de afgelopen 200 jaar (www.topotijdreis.nl); Historisch-landschappelijk informatiesysteem, Histland (Dirkx & Nieuwenhuizen 2013), geraadpleegd via archis.cultureelerfgoed.nl; Cultuurhistorische regiobeschrijving Gelderland (CultGIS/Haartsen 2009); Archeologische en overige cultuurhistorische rapporten van onderzoek binnen het onderzoeksgebied: is niet van toepassing; Indicatieve Kaart Militair Erfgoed (www.ikme.nl): geen verwachting voor militair erfgoed; V.1 & V.2 inslagen in Nederland (vergeltungswaffen.nl): geen inslagen bekend die voor een bodemverstoring gezorgd kunnen hebben; Uitgevoerd onderzoek niet gesprongen explosieven (https://www.explosievenopsporing.nl/veobommenkaart/): Er is geen vooronderzoek bekend; Topografische kaart van Nederland (Figuur 1); Informatie over de huidige bebouwing: Basisregistratie Adressen en Gebouwen (BAG) (bagviewer kadaster.nl); Bouw-/constructietekeningen van te slopen of te wijzingen historische bouwwerk: is niet van toepassing; Gegevens van milieukundig bodemonderzoek (www.bodemloket.nl): geen gegevens aanwezig
binnen het plangebied; Luchtfoto uit 2019 (PDOK); Geomorfologische kaart van Nederland: hierop zijn geen bodemverstoringen t.p.v. het plangebied aangegeven; Bodemkaart van Nederland, schaal 1:50.000: hierop zijn geen bodemverstoringen t.p.v. het plangebied aangegeven; Vergraven gronden project Alterra (Brouwer & Van der Werff 2012): hierop zijn geen bodemverstoringen t.p.v. het plangebied aangegeven; Actueel Hoogtebestand van Nederland (AHN) (www.ahn.nl): hierop lijkt het plangebied grotendeels te zijn afgegraven (zie paragraaf 2.2 AHN); In het kader van dit onderzoek zijn geen archieven geraadpleegd omdat een gerichte vraagstelling ontbreekt. Hieronder volgt een beschrijving van het historische gebruik (bebouwing, grondgebruik, historische wegen etc.) van het plangebied en de directe omgeving. Daarnaast is gekeken of er sprake is van (mogelijke) bodemverstoringen en/of bodemvervuilingen (aard, omvang, diepteligging en locatie) binnen het plangebied. De hedendaagse dorpen rondom de Veluwe liggen veelal op de flanken van de stuwwal op de overgang van hoog naar laag, zoals ook voor het plangebied het geval is. De onontgonnen en voor landbouw minder geschikte gebieden hoger op de Veluwe waren in gebruik als heide en weidegrond. Op de flanken lager de akkers en de lager gelegen delen waren in gebruik als weide- en hooilanden. De beken
KSP Archeologie
14
op de Veluwe werden na de uitvinding van boekdrukkunst gebruikt voor de papierindustrie. Diverse papiermolens verschenen aan natuurlijke beken die op de lagere delen van de Veluwe stroomden (Haartsen 2009), maar op de hogere delen werden ook sprengen aangelegd. Een spreng is een door mensen gegraven of verlegde beek met zodanige gegraven bronnen dat er onder druk staand grondwater aan de oppervlakte wordt gebracht. Voor zover bekend zijn er bij Wapenveld geen sprengen aangelegd. Op Histland is het plangebied niet gekarteerd, maar op grond van de aangrenzende eenheden maakt het plangebied onderdeel uit van de kampontginningen met plaatselijke essen, waarvan de mate van verandering in de loop van de tijd niet is vastgesteld. Voor de historische ontwikkeling is historisch kaartmateriaal geraadpleegd. Op het minuutplan uit het begin van de 19e eeuw (Figuur 5) is het plangebied onbebouwd en in gebruik als akkerland. De W.H. van de Pollstraat te noorden van het plangebied is nog niet aanwezig, maar de Klapperdijk ten zuiden van het plangebied wel. Ten zuidoosten van het plangebied, vrij nabij is een woning/boerderij aanwezig. Op de kaart uit 1890 (Figuur 6) is het landschapsgebruik goed te zien. Het plangebied is deels in gebruik als akker (witte kleur) en deels als weiland (lichtgroene kleur).
Binnen het noordwestelijk deel is nu bebouwing (al te zien op de kaart uit 1865) aanwezig ter plekke van de huidige brandweerkazerne. De rest van het plangebied is. Heide is ten westen van het plangebied aangegeven door een wit vlak met rode stippen en bos is aangegeven met donkergroene en groene kleuren. Ten westen van het plangebied ligt een spoorlijn die nu niet meer aanwezig is. Op de kaart uit 1957 (Figuur 7) is de bebouwing binnen het noordwestelijke deel van het plangebied niet meer aanwezig (al sinds 1934 verdwenen). Er is nu bebouwing aanwezig ongeveer ter hoogte van het midden van de oostgrens van het plangebied en in de zuidelijk gelegen uitloper van het plangebied. Volgens het kadaster stamt de bebouwing in de zuidelijke uitloper uit 1965, maar is dus waarschijnlijk ouder. Het plangebied is grotendeels in gebruik als akker en deels als weiland. Op deze kaart is een sloot te zien die nog niet eerder aanwezig was en die paralel loopt aan de west- en noordzijde van het plangebied. Dit zou erop kunnen duiden dat mogelijk in deze periode het maaiveld is verlaagd, zoals op het AHN te zien is (Figuur 4). De bebouwing in de directe omgeving is sterk toegnomen. Op de kaart uit 1965 (Figuur 8) is de bebouwing aan de oostgrens van het plangebied verdwenen en is er nieuwe bebouwing aanwezig in de zuidwesthoek (ongeveer ter plekke van de huidige sporthal).
Het plangebied is nu grotendeels in gebruik als weiland en nog deels als akker. Het noordoostelijke deel van het plangebied en het ten oosten daarop aansluitende terrein is geheel in gebruik als weiland en komt wat de lager gelegen ligging betreft (afgraving) overeen met de zone die op het AHN ook lager ligt dan de directe omgeving. Op de kaart uit 1993 (Figuur 9) is voor het eerst de tennishal te zien binnen het plangebied evenals het gebouw van de postduivenvereniging. De Brandweerkazerne in het noordwestelijk deel van het plangebied is al te zien op de kaart uit 1986 (niet afgebeeld). De tennishal stamt uit volgens het kadaster uit 1988 en het gebouw van de postduivenvereniging uit 1987. Ook de bebouwing binnen de zuidelijk uitloper van het plangebied is uitgebreid. Op de kaart uit 2003 (Figuur 10) komt de omvang van de bebouwing, vooral van de tennishal en de sporthal, ongeveer overeen met die op de huidige kaart (Figuur 1). Naast de mogelijke maaiveldverlaging binnen het noordelijke deel van het plangebied en de bouw van de sporthal en het deel van de Brandweerkazerne uit 2004 hebben er voor zover bekend geen andere diepe bodemverstoringen plaatsgevonden binnen het plangebied. Voor de bouw van de sporthal en de aanbouw van de brandweerkazerne uit 2004 is de bodem tot een diepte van 120 cm -mv uitgegraven.
Daarnaast kan de bodem zijn aangetast door het eeuwenlange gebruik als akkerland. Gemiddeld reikt de bodembewerking ten behoeve van de landbouw tot 30 – 50 cm beneden maaiveld.
KSP Archeologie
15
Figuur 5: Het plangebied op de kadastrale minuut uit het begin van de 19e eeuw (bron: beeldbank.cultureelerfgoed.nl).
Figuur 6: Het plangebied op de kaart uit 1890, Bonneblad (bron: www.topotijdreis.nl).
KSP Archeologie
16
Figuur 7: Het plangebied op de topografische kaart uit 1957 (bron: www.topotijdreis.nl).
Figuur 8: Het plangebied op de topografische kaart uit 1965 (bron: www.topotijdreis.nl).
KSP Archeologie
17
Figuur 9: Het plangebied op de topografische kaart uit 1993 (bron: www.topotijdreis.nl).
Figuur 10: Het plangebied op de topografische kaart uit 2003 (bron: www.topotijdreis.nl).
KSP Archeologie
18
2.4
Beschrijving van archeologische gegevens
Om een beeld te krijgen van de archeologische gegevens, zijn de volgende bronnen geraadpleegd: Archeologische Monumenten Kaart (AMK) (via archis.cultureelerfgoed.nl); Beschermde archeologische Rijksmonumenten (via archis.cultureelerfgoed.nl); Archeologische onderzoeken en vondstlocaties uit het Archeologische Informatiesysteem (Archis) (archis.cultureelerfgoed.nl); Digitaal Archief (DANS) Rapporten en onderzoeksgegevens van archeologisch onderzoek (https://easy.dans.knaw.nl/); Historische kaarten (zie paragraaf 2.3); Gemeentelijke archeologische waarden- en verwachtingenkaart (Boshoven e.a. 2010): Regio-archeoloog Stedendriehoek via email op 17-5-2021 (dhr. H.G. Pape-Luijten). Binnen het plangebied zijn geen archeologische monumenten (AMK-terreinen), onderzoeksmeldingen en vondstmeldingen aanwezig. In een straal van 500 m rondom het plangebied zijn geen AMK-terreinen, geen vondstlocaties, maar wel meerdere onderzoeksmeldingen aanwezig (Tabel 1, Bijlage 3). De meldingen liggen allemaal rond de W.H van de Pollstraat binnen Wapenveld in de gemeente Heerde, tenzij anders vermeld in Tabel 1. Onderzoeksmelding
Locatie en ligging
Type onderzoek
Aard vondstlocatie/resultaten
Datering
2156628100
Overweg, op 255 m ten N
Bureau- en booronderzoek 2007 door RAAP
Zie tekst
n.v.t.
2240179100
De Kolk, op 375 m ten O
Bureau- en booronderzoek 2009 door Grontmij
Zie tekst
n.v.t.
2681695100
Kerkstraat-Werverweg, op 200 m ten ZO
Proefsleuven 2015 door RAAP
Zie tekst
n.v.t.
4764367100
Cramerstraat, op 215 m ten W
Bureau- en booronderzoek 2020 door Laagland Archeologie
Zie tekst
n.v.t.
4809905100
Fazantenstraat 7, op 155 m ten ZW
Bureau- en booronderzoek 2020 door Econsultancy
Zie tekst
n.v.t.
4832771100
Fazantenstraat 7, op 155 m ten ZW
Proefsleuven 2020 door Econsultancy
Zie tekst
NEOLBRONSV MEL
4918120100
Lagestraat 7, op 245 m ten ZO
Bureau- en booronderzoek 2020 door RAAP
Zie tekst
n.v.t.
Cramerstraat, op 215 Proefsleuven 2021 door Zie tekst m ten W Laagland archeologie Tabel 1: Overzicht van de onderzoeksmeldingen binnen een straal van 500 m rondom het plangebied (bron: archis.cultureelerfgoed.nl). 4937504100
BRONS MEL-NT
Onderzoeksmelding 2156628100 (Overweg, Kastelein e.a. 2007) De bouwvoor in het plangebied is circa 25 cm dik. Hieronder is in alle boringen een verstoord pakket bestaande uit matig fijn, matig grindig zand waargenomen. Vanaf 45 tot 120 cm -mv is de C-horizont aangetroffen. Deze bestaat uit lichtgeel, matig fijn tot zeer fijn, zwak ijzerhoudend dekzand en kent een normaal verloop. Tijdens het veldonderzoek zijn in het plangebied geen archeologische resten aangetroffen. Naar verwachting zal er als gevolg van de geplande werkzaamheden dan ook geen verstoring van archeologische waarden optreden. Derhalve worden geen aanbevelingen voor vervolgonderzoek gedaan. Onderzoeksmelding 2240179100 (De Kolk, Boekema e.a. 2009) De bodem in het plangebied bestaat uit een bouwvoor van lichte zavel of kleiig zand. Het kleigehalte in de bodem neemt af in diepere lagen. Onder de bruingekleurde bouwvoor is meteen geel zand aangetroffen. In enkele boringen zit tussen de bouwvoor en het gele zand een overgangslaagje. Er zijn
KSP Archeologie
19
geen podzolbodems aangetroffen. In boring 13 is een afwijkend bodemprofiel aangetroffen. Hier is tot 1 m diepte zavel gevonden. Op deze locatie is waarschijnlijk een laagte of een sloot opgevuld. Er zijn geen slibresten aangetroffen. Er zijn tijdens het veldonderzoek geen archeologische indicatoren aangetroffen. Geen vervolg.
Onderzoeksmelding 2681695100 (Kerkstraat-Werverweg, Hesseling 2015) Tijdens het archeologisch veldonderzoek is gebleken dat de bodemopbouw uit een AC-horizont bestaat. De bouwvoor ligt direct op de natuurlijke ondergrond (C-horizont). De natuurlijke bodem (Chorizont) bestaat uit fijn gelaagd, uiterst fijn tot matig fijn lichtgeel, matig siltig dekzand. Aan de Kerkstraat is de top van de C-horizont verstoord door sterke bioturbatie, maar loopt de natuurlijke ondergrond op richting het centrum van Wapenveld. In de proefsleuven is een grotendeels verstoorde ondergrond aangetroffen door onder anderen de aanleg van kabels en leiding. Er zijn geen archeologische sporen waargenomen of (verspitte) vondsten. Onderzoeksmelding 4764367100 (Cramerstraat, Brouwer 2020) De boringen tonen een gelijkmatige bodemopbouw. De bovenste 70-80 cm bestaat uit een laag matigzeer fijn, matig siltig en matig humeus zand. Dit zand kan enkele grindjes bevatten en heeft een donkergrijze of donkergrijsbruine kleur. Deze laag is geïnterpreteerd als plaggendek. Onder het plaggendek bevinden zich matig fijne/matig grove, zwak-matig siltige zanden. Ook deze bevatten enkele grindjes. Deze laag is geïnterpreteerd als een fluvioperiglaciale afzetting. In boringen 1 en 3 is tussen 80-90 respectievelijk 100 – 110 cm –mv een B-horizont aangetroffen. Deze is bruingeel van kleur.
In boringen 2, 4 en 5 is een geelbruine of lichtbruingele BC-horizont gezien. Boring 2 toont een ietwat afwijkend bodemprofiel: Onder een verstoord plaggendek tot 70 cm –mv bevindt zich een laagje (10 cm) matig fijn, zwak siltig zand met een homogeen lichtgele kleur. Deze laag is geïnterpreteerd als een intacte C-horizont in een fluvioperiglaciale afzetting. Daaronder bevindt zich van 80-85 cm –mv een laagje matig fijn, zwak siltig zand met een wat rommelige bruingele kleur. Dit laagje is zwak doorworteld. De rommelige kleur is toegeschreven aan bioturbatie. Van 100-110 cm ligt een laag matig grof, zwak siltig zand met een gele kleur. Deze laag wordt gezien als C-horizont. Daaronder ligt een laag matig fijn, matig siltig lichtbruingeel zand, die is geïnterpreteerd als BC-horizont. Vervolgonderzoek. Onderzoeksmelding 4809905100 (Fazantenstraat 7, Holl 2020) Tijdens het veldwerk is bevestigd dat de natuurlijke ondergrond bestaat uit smeltwaterafzettingen, matig fijn, grindhoudend, matig siltig zand. In de meeste boringen is alleen een lichtgeelgrijze Chorizont aangetroffen, maar in boring 5 is nog een lichtbruine BC-horizont aanwezig. In de boringen 3 en 5 is een intacte ploeglaag en restant van een plaggendek aangetroffen. De ploeglaag bevindt zich op 75 à 90 cm -mv (4,3 à 4,4 m NAP) en in deze boringen bevinden de smeltwaterafzettingen zich op 85 à 95 cm -mv (4,2 à 4,3 m NAP).
In de overige boringen is de bodem verstoord tot in de smeltwaterafzettingen, tot 95 à 115 cm -mv (4,1 à 4,3 m NAP). Gezien deze NAP-hoogte, die vergelijkbaar is met de boringen met een intacte bodemopbouw, wordt verwacht dat ook in de verstoorde boringen slechts weinig van het oorspronkelijke sporenniveau (top van de C-horizont) verloren is gegaan. In de gehele zone waar boringen geplaatst zijn, kunnen daarom nog archeologische vindplaatsen worden verwacht. Ter plaatse van de huidige bebouwing is de bodem reeds tot minstens 4,25 m NAP verstoord. In deze zone zal niet dieper dan de huidige funderingen gegraven worden. Ter plaatse van de huidige zandbak is de bodem tot minstens 2 m -mv verstoord. In beide zones zullen in het kader van de geplande bodemingreep geen archeologisch relevante lagen verstoord worden. Vervolgonderzoek. Onderzoeksmelding 4832771100 (Fazantenstraat 7, Röring e.a. 2020) Tijdens het proefsleuvenonderzoek in het plangebied aan de Fazantenstraat 7 te Wapenveld is één proefsleuf aangelegd met een oppervlakte van circa 48 m². De bodemopbouw binnen het plangebied betreft een hoge enkeerdgrond en deze bestaat uit een 50 tot 60 cm dik plaggendek met hieronder een restant van het van nature gevormde holtpodzolprofiel tot een diepte van circa 65 cm – mv (tussen circa 4,75 en 4,10 m +NAP). Recente bodemverstorende ingrepen hebben zich beperkt tot de huidige
KSP Archeologie
20
bouwvoor. In het meest noordelijke deel (vak 1) van de proefsleuf is één twijfelachtig spoor aangetroffen die mogelijk een prehistorische paalkuil betreft. Op basis van dit spoor ligt mogelijk direct ten noorden van het plangebied een vindplaats. Uit vak 1 en 2 van de proefsleuf is het vondstmateriaal afkomstig bestaande uit handgevormd aardewerk daterend uit de laatste fase van het Laat-Neolithicum of de Vroege-Bronstijd en roodbakkend aardewerk uit de 14e – 15e eeuw. Uit de waardering volgens door de KNA voorgeschreven wijze blijkt dat de vindplaats die is aangetroffen niet behoudenswaardig is.
Onderzoeksmelding 4918120100 (Lagestraat 7, Witmer e.a. 2021) De bodemopbouw in het plangebied bestaat uit een bouwvoor (circa 25 cm) op een plaggendek met daaronder een restant van een podzol. Aan de basis van het plaggendek zijn podzolbrokken waargenomen met daaronder een BC-horizont. In boring 1 is nog een B-horizont aangetroffen. De bouwvoor bestaat uit donkerbruingrijs, matig tot sterk siltig, zwak grindig, zwak humeus matig fijn zand. De bouwvoor reikt tot 25 à 30 cm -mv. Onderliggend plaggendek is wat lichter van kleur (bruingrijs) en bevat loodzand en enkele puinspikkels. Aan de basis van het plaggendek (30 à 60 cm – mv) zijn podzolbrokken (donkerbruingrijs en roodbruin) gezien, hetgeen wijst op een wat omgewerkte bodem. In boring 1 t/m 4 bevindt zich daaronder een bruingele, onverstoorde BC-horizont. Deze gaat geleidelijk over op een lichtgeelgrijze C-horizont bestaande uit matig slecht gesorteerd zand. In boring 5 t/m 7 is geen BC-horizont waargenomen en ligt de laag met zandbrokken op de C-horizont. De schone natuurlijke ondergrond manifesteert zich vanaf 60 à 100 cm –mv en wordt geïnterpreteerd als dekzand. In het dekzand zijn wat zandlensjes met iets grover zand waargenomen. Mogelijk heeft er wat verspoeling plaatsgevonden. Vervolg proefsleuven. Onderzoeksmelding 4937504100 (Cramerstraat, De Gruil e.a.
2021) In de gegraven proefsleuf, met een breedte van vier meter een lengte van zestien meter, is een tiental grondsporen aangetroffen. Een aantal sporen was overduidelijk recent, terwijl van minstens één spoor op basis van het voorkomen een datering vóór de Middeleeuwen te vermoeden was. Aan de noordkant van de ontgraving is een forse greppel aangetroffen met een oost-westoriëntatie, vermoedelijk daterend uit de Middeleeuwen – Nieuwe tijd. Tijdens de aanleg is uit de BC-horizont is een klein onversierd wandscherfje prehistorisch aardewerk verzameld. Op basis van deze resultaten is in overleg met de regio-archeoloog besloten om een doorstart te maken naar een opgraving van het volledige bouwvlak, voor zover niet verstoord. De doorstart is dezelfde dag uitgevoerd, waarbij het volledige bouwvlak is ontgraven, met uitzondering van een verstoorde zone in het zuidwesten. In het ontgraven bouwvlak zijn vervolgens nog een aantal sporen aangetroffen, waarbij uit één van de sporen wikkeldraadaardewerk is geborgen, daterend uit de Vroege-Bronstijd. Enkele andere sporen kunnen, op basis van het voorkomen, waarschijnlijk ook aan deze periode worden toegewezen.
De natuurlijke ondergrond bestaat uit dekzand, in de top waarvan zich aanvankelijk een moderpodzolbodem ontwikkeld lijkt te hebben, die zich vanaf of na de bewoningsperiode in de Vroege-Bronstijd door toenemende ijzer- en humusuitspoeling tot een humuspodzol ontwikkeld lijkt te hebben. Op de natuurlijke bodem zijn drie antropogene lagen te onderscheiden: een oudere akkerlaag, een plaggendek en een recent tuindek. De oudere akkerlaag, niet exact te dateren maar vermoedelijk van na de bewoningsperiode in de VroegeBronstijd, is alleen plaatselijk bewaard gebleven en grotendeels opgenomen in het bovenliggende plaggendek. Het plaggendek is voor een aanzienlijke deel in recente tijd vergraven en vervangen door een recent tuindek. De onderzoeksmeldingen die wat landschappelijk ligging het meest overeen komen met het huidige plangebied zijn de onderzoeksmeldingen aan de Cramerstraat en Fazantenstraat. Daar zijn smeltwaterafzettingen aangetroffen, die sterk overeen komen met de daluitspoelingswaaierafzettingen die in het plangebied worden verwacht. Waarbij aan de Cramerstraat sprake was van een podzolbodem en aan de Fazantenstraat een plaggendek met daaronder restanten van een podzolbodem. Op beide locaties zijn sporen aangetroffen die dateren vanaf het Laat-Neolthicum tot in de Bronstijd dan wel Bronstijd.
KSP Archeologie
21
Op de gemeentelijke archeologische waarden- en verwachtingenkaart heeft het plangebied een hoge archeologische verwachting, waarbij alleen in de zuidoostelijk punt van het plangebied nog een conserverend dek (esdek/plaggendek) wordt verwacht (Figuur 11). Daarnaast ligt het zuidoostelijke deel van het plangebied binnen de attentiezone waar resten van historische bebouwing aanwezig kan zijn.
Figuur 11: Het plangebied op de archeologische waarden- en verwachtingenkaart van de gemeente Heerde (Boshoven e.a. 2010).
2.5
Beschrijving van de ondergrondse bouwhistorische waarden
Hoewel het plangebied bebouwd is, zijn geen (ondergrondse) bouwhistorische resten binnen het plangebied bekend (paragraaf 2.1). Op basis van de monumentenlijsten (paragraaf 2.1) zijn binnen het plangebied geen (ondergrondse) bouwhistorische resten aanwezig. Op grond van het historisch kaartmateriaal (paragraaf 2.3) en de archeologische gegevens (paragraaf 2.4) worden bouwhistorische resten verwacht in het zuidoostelijke deel van het plangebied.
KSP Archeologie
22
2.6
Gespecificeerde archeologische verwachting
Op de gemeentelijke archeologische waarden- en verwachtingenkaart is aan het plangebied een hoge archeologische verwachting toegekend (Figuur 11). Op basis van de gegevens uit het bureauonderzoek (paragraaf 2.1 t/m 2.5) is voor het plangebied een gespecificeerde archeologische verwachting opgesteld (samengevat in Tabel 2). Deze verwachting zal in de onderstaande tekst worden toegelicht. Periode
Verwachting
Verwachte kenmerken vindplaats
Midden-Paleolithicum – Neolithicum
Middelhoog
Bewoningssporen, tijdelijke kampementen, vuursteen artefacten, haardkuilen
Onder het plaggendek vanaf de top van de podzolbodem (vanaf ca. 50 cm -mv)
Nederzetting: cultuurlaag, (paal)kuilen, greppels, fragmenten aardewerk, natuursteen, gebruiksvoorwerpen Begravingsresten: kringgreppel, fragmenten aardewerk (urn), verbrande botresten
Onder het plaggendek vanaf de top van de podzolbodem (vanaf ca. 50 cm -mv) tot in de C-horizont
Neolithicum – Volle Middeleeuwen (tot in de 13e eeuw)
Hoog
Overgrote deel Late Middeleeuwen Laag (vanaf de 13e eeuw)– Huisplaats: cultuurlaag, (paal)kuilen, Nieuwe tijd greppels, bakstenen, fragmenten Zuidoostelijke deel aardewerk, gebruiksvoorwerpen Late Middeleeuwen Hoog (vanaf de 13e eeuw)– Nieuwe tijd Tabel 2: Specifieke archeologische verwachting per periode voor het plangebied.
Diepteligging sporen
Onder de bovengrond (vanaf ca. 30 cm -mv) tot diep in de C-horizont
Het landschap heeft met name voor de prehistorische mens een belangrijke rol gespeeld in de keuze voor een bewoningslocatie. Het plangebied ligt op een daluitspoelingswaaier waarin zich een podzolbodem heeft gevormd, die mogelijk is afgedekt door een plaggendek. Gezien de ouderdom van de te verwachte afzettingen kunnen in het plangebied vindplaatsen aanwezig zijn vanaf het LaatPaleolithicum tot en met de Nieuwe tijd. Jager-verzamelaars uit het Laat-Paleolithicum tot en met het Neolithicum kozen als woon- en verblijfplaats vaak voor de hoger liggende terreingedeelten in het landschap, bij voorkeur in de buurt van open water zoals een beekdal of vennetje. Water was een belangrijk gegeven, niet alleen voor het lessen van de dorst. Nabij water heerst er ook een grotere biodiversiteit wat de jacht en het verzamelen van plantaardig voedsel vergemakkelijkt. Archeologische vindplaatsen uit deze periode komen dus met name voor op overgangen van nat naar droog (de zogenaamde gradiëntzones). Aangezien het plangebied op een daluitspoelingswaaier ligt is er wel sprake van een gradiënt, maar is er geen open water in de directe omgeving aanwezig. Vandaar dat aan het plangebied een middelhoge verwachting toegekend voor vuursteenvindplaatsen uit het Midden-Paleolithicum tot en met het Neolithicum. 1. 2. 3. 4.
5.
6.
Datering: Laat-Paleolithicum - Neolithicum. Complextype: kampement/vuursteenvindplaats. Omvang: een paar vierkantenmeter (klein) tot enkele honderden vierkantenmeters (groot). Diepteligging: het potentiële archeologische niveau ligt onder het plaggendek in de top van de oorspronkelijke (podzol)bodem (vanaf ca. 50 cm -mv). Eventuele diepere grondsporen zoals haardkuilen kunnen tot in het dekzand (C-horizont) reiken. Gaafheid en conservering: door het historisch landgebruik als bouwland vanaf mogelijk de 16e eeuw is de kans groot dat de oorspronkelijke bodem geheel is opgenomen in het plaggendek. De kans dat een intacte vuursteenvindplaats aanwezig is wordt daarom klein geacht. Wel kan de aanwezigheid van een vuursteenvindplaats worden aangetoond op basis van concentraties van fragmenten vuursteen in het plaggendek en/of in de onderliggende bodem. Locatie: hele plangebied.
KSP Archeologie
23
7. 8.
Uiterlijke kenmerken: Vuursteenvindplaatsen worden gekenmerkt door een vuursteenspreiding (artefacten, afslagen e.d.) en eventueel sporen in de vorm van ondiepe haardkuilen. Mogelijke verstoringen: vuursteenvindplaatsen zijn kwetsbaar voor bodemingrepen omdat ze zich in de top van de oorspronkelijke (podzol)bodem bevinden. Door landbewerking kan het archeologische vondstenniveau geheel zijn opgenomen in het plaggendek. Door de bouw van de sporthal en de brandweerkazerne is de bodem ter plekke waarschijnlijk diep verstoord. Daarnaast is mogelijk een groot deel van het plangebied in het verleden afgegraven, waarbij niet bekend is hoeveel van de bodem is verdwenen.
Vanaf het Neolithicum ontstaan in onze streken de eerste landbouwculturen die gekenmerkt worden door sedentaire nederzettingen. In de beginperiode combineert men akkerbouw met het jagen en verzamelen, maar geleidelijk stapt men over naar akkerbouw en veeteelt. In de periode vanaf het Neolithicum tot en met de Volle Middeleeuwen (tot in de 13e eeuw) heeft men een voorkeur voor hoger en droger gelegen gebieden, die geschikt waren voor akkerbouw. Aangezien het plangebied op een daluitspoelingswaaier ligt, is aan het plangebied een hoge verwachting toegekend voor vindplaatsen uit het Neolithicum tot en met de Volle Middeleeuwen (tot in de 13e eeuw). 1. 2. 3.
4.
5.
6. 7.
8.
Datering: Neolithicum – Volle Middeleeuwen (tot in de 13e eeuw). Complextype: vindplaatsen vanaf het Neolithicum bestaan uit nederzettingssporen en/of sporen van begravingen. Omvang: nederzettingsterreinen of grafvelden/begravingen variëren in grootte van enkele honderden tot duizenden vierkante meters en kunnen zich soms over meerdere hectaren uitstrekken. Diepteligging: het potentiële archeologische niveau ligt onder het plaggendek in de top van de oorspronkelijke (podzol)bodem (vanaf ca. 50 cm -mv). De (diepere) grondsporen reiken tot in het dekzand (C-horizont). Gaafheid en conservering: het archeologische sporenniveau in de top van de C-horizont zal naar verwachting goed zijn beschermd door het plaggendek dat vanaf de 16e eeuw is opgebracht. Wel zal (een deel van) het vondstniveau in de onderzijde van het plaggendek zijn opgenomen. Locatie: hele plangebied. Uiterlijke kenmerken: De nederzettingen worden gekenmerkt door permanente woningen die vaak diep in de grond gefundeerd waren. Waterputten werden gegraven voor de watervoorziening terwijl in en nabij de nederzetting afvalkuilen werden gegraven om afval te begraven. Naast nederzettingsresten kunnen ook begravingen voorkomen. Restanten hiervan kunnen bestaan uit kringgreppels, fragmenten aardewerk (urnen), crematieresten, inhumaties e.d. De sporen kunnen diep in de bodem reiken.
Vondstmateriaal van de nederzetting kan door landbewerking in het bovenliggende plaggendek terecht zijn gekomen. Mogelijke verstoringen: de kans dat het archeologische sporenniveau in de top van de Chorizont geheel is verstoord, wordt klein geacht. De verzamelde gegevens in het bureauonderzoek geven geen aanwijzingen voor diepe (recente) bodemverstoringen ter plekke van de brandweerkazerne en de sporthal. Daarnaast is mogelijk een groot deel van het plangebied in het verleden afgegraven, waarbij niet bekend is hoeveel van de bodem is verdwenen.
Vanaf de Late Middeleeuwen verandert het bewoningspatroon. Bewoning concentreert zich in dorpen, steden en bewoningsclusters. Rondom deze dorpen ligt het landbouwareaal dat instaat voor de voedselvoorziening van de inwoners. In deze periode is de landschappelijke ligging van het gebied niet meer doorslaggevend voor de locatiekeuze. Uit het historisch kaartmateriaal blijkt dat het plangebied buiten de historische dorpskern van Wapenveld ligt. Wel was er direct ten zuidoosten van het plangebied bebouwing aanwezig (minuutplan, Figuur 5), waarvan niet kan worden uitgesloten dat resten van eventuele voorgangers van deze bebouwing en mogelijk bijgebouwen binnen het zuidoostelijke deel van het plangebied kunnen worden aangetroffen. Deze resten kunnen teruggaan tot in de LateMiddeleeuwen. Op basis hiervan is de kans groot dat er bewoning in het zuidoostelijke deel van het
KSP Archeologie
24
plangebied heeft plaatsgevonden in de Late Middeleeuwen (vanaf de 13e eeuw) tot in de Nieuwe tijd. Voor deze periode geldt daarom een hoge verwachting voor het zuidoostelijke deel van het plangebied. Voor het overgrote deel van het plangebied geldt een lage archeologische verwachting. 1.
2. 3. 4. 5.
6. 7.
8.
2.7
Datering: Huisplaats dateert vermoedelijk uit de Late Middeleeuwen (vanaf de 13e eeuw) tot en met de Nieuwe tijd. Het bureauonderzoek heeft geen aanwijzingen opgeleverd voor een oudere (middeleeuwse) bewoning op deze locatie. Complextype: Nederzetting (huisplaats). Omvang: de huisplaats heeft op basis van historisch kaartmateriaal een oppervlakte van ca. 700850 m2. Diepteligging: het leesbare sporenniveau wordt onder de bovengrond verwacht (vanaf ca. 30 cm -mv) tot diep in de bodem. Gaafheid en conservering: omdat de archeologische resten voor de huisplaats naar verwachting uit bouwmateriaal bestaan (baksteen) en relatief jong zijn, kan de gaafheid en conservering goed zijn mits de funderingen niet zijn verwijderd. Locatie: in het zuidoostelijke deel van het plangebied aan de Klappersdijk. Uiterlijke kenmerken: ter plaatse van de huisplaats kunnen muurresten (baksteen), afvalkuilen, paalkuilen en mogelijk ophogingslagen aanwezig zijn. Daarnaast kan vondstmateriaal aanwezig zijn in de vorm van fragmenten aardewerk, fragmenten metaal, gebruiksvoorwerpen e.d. Mogelijke verstoringen: de huisplaats kan zijn aangetast/verdwenen door sloopwerkzaamheden en de bouw van de woning uit het einde van jaren 50 van de 20e eeuw. Conclusie en advies
Op basis van de landschappelijke ligging op een daluitspoelingswaaier en de archeologische onderzoeksmeldingen uit de omgeving is aan het plangebied een middelhoge verwachting toegekend voor vuursteenvindplaatsen uit het Midden-Paleolithicum tot en met het Neolithicum en een hoge verwachting voor nederzettingsresten uit het Neolithicum tot en met de Volle Middeleeuwen (tot in de 13e eeuw). Aan het grootste deel van het plangebied is een lage verwachting toegekend voor bebouwingsresten en bijbehorende sporen vanaf de Late Middeleeuwen (vanaf de 13e eeuw) tot en met de Nieuwe Tijd, met uitzondering van het zuidoostelijke deel van het plangebied waaraan een hoge verwachting is toegekend. Het advies is om de opgestelde specifieke archeologische verwachting te toetsen door middel van een Inventariserend Veldonderzoek, verkennende fase. Met dit onderzoek wordt de bodemopbouw in kaart gebracht en wordt de intactheid van de bodem en het potentiële archeologische niveau vastgesteld.
KSP Archeologie
25
3
Inventariserend Veldonderzoek, verkennende fase
3.1
Werkwijze
Op basis van de opgestelde specifieke archeologische verwachting en de mogelijk aanwezige bodemverstoring is een verkennend booronderzoek uitgevoerd. Voor het verkennende booronderzoek is uitgegaan van een boordichtheid van 7 boringen per hectare. Het plangebied heeft een oppervlak van ca. 9.750 m2 en is voor een groot deel bebouwd. Vanwege de onregelmatige vorm zijn er 9 boringen gezet (Bijlage 4). Vanwege de terreinomstandigheden (bebouwing, verhardingen, begroeiing etc.) zijn de boringen zo gelijkmatig mogelijk over het plangebied verdeeld, waarbij er twee boringen binnen de tennishal zijn gezet. De exacte boorlocaties zijn ingemeten met een meetlint. De hoogteligging van de boringen ten opzichte van NAP is geschat op basis van het AHN. De boringen zijn geplaatst met een Edelmanboor met een diameter van 7 cm. De boringen zijn uitgevoerd tot minimaal 20 cm in de C-horizont of doorgezet tot maximaal 2,0 m beneden maaiveld. Het opgeboorde sediment is met de hand verbrokkeld en versneden en met het blote oog geïnspecteerd op de aanwezigheid van archeologische indicatoren zoals houtskool, vuursteen en aardewerk. De boringen zijn beschreven conform de NEN 5104 en de bodemclassificatie volgens De Bakker & Schelling (1989) (Bijlage 5). 3.2
Veldsituatie
Vanwege de bebouwing binnen het plangebied konden er geen trends met betrekking tot het reliëf worden waargenomen. De tennishal was toegankelijk en de vloer was niet verhard met beton. Deze bestond uit een kunstgrastapijt met daaronder een gravelverharding van lavasteen. Onderstaande foto’s geven een indruk van het terrein.
Figuur 12: Brandweerkazerne, gefotografeerd tegen noordwesten.
KSP Archeologie
26
Figuur 13: Tennishal (westzijde) links, duivenvereniging rechts, gefotografeerd tegen Zuiden.
Figuur 14: Tennishal (oostzijde), gefotografeerd tegen zuiden.
3.3
Beschrijving en interpretatie van de boorgegevens
3.3.1 Lithologie en geologie De onverstoorde natuurlijke ondergrond bestaat hoofdzakelijk uit zeer fijn tot matig fijn zand dat matig tot slecht is gesorteerd en soms zwak tot sterk grindhoudend is. In de boringen 1 en 3 is ook grover zand aangetroffen. In boring 1 is daarnaast zeer grof zand aangetroffen dat onderin de boring overging in grind. In boring 3 bestond de onderzijde uit matig grof zand dat zwak grindhoudend was. Vaak werden er humusvlekken in de natuurlijke ondergrond aangetroffen. De variatie in samenstelling van het zand in combinatie met humusvlekken duidt erop dat het om verspoeld materiaal gaat, wat kenmerkend is voor een daluitspoelingswaaier. De onverstoorde natuurlijke ondergrond is aangetroffen vanaf 80-120 cm -mv (3,2-3,8 m +NAP). Deze is afgedekt door een restant van een plaggendek met
KSP Archeologie
27
daarboven een 35 tot 60 cm dik pakket verstoorde dan wel opgebrachte grond. In boring 5 bestond het opgebrachte pakket grond slechts uit 15 cm schoon zand en in de boringen 8 en 9 betrof het puinverharding met klinkerbestrating.
3.3.2 Bodem Onder het opgebrachte/verstoorde pakket grond (15-60 cm dik), is een plaggendek dan wel een restant van het plaggendek aangetroffen, dat op grond van het bureauonderzoek (enkeerdgrond en/of laarpodzol) werd verwacht. In de boringen 1-7 bestond het plaggendek uit een Aap-horizont met daaronder een dunne Aa-horizont. Met uitzondering van boring 1 was het plaggendek aan de onderzijde verploegd met de C-horizont. In de boringen 8 en 9 is een dun verploegd plaggendek aangetroffen, waarbij de Aap- horizont was verploegd met de Aa-horizont en de Aa-horizont weer was verploegd met de C-horizont. Er zijn geen resten van een podzolbodem aangetroffen onder het plaggedek. De oorspronkelijke podzolbodem is waarschijnlijk verploegd en opgenomen in de onderzijde van het plaggendek. Het bureauonderzoek gaf aanleiding om aan te nemen dat een groot deel van het plangebied, met uitzondering van het noordwestelijke en zuidoostelijke deel, was afgegraven. Voor zover dit het geval is geweest is daarbij slechts een deel van het plaggendek afgegraven en is de Chorizont onder het plaggendek, met uitzondering van een dunne verploegde laag, niet aangetast. Ook is vastgesteld dat de bodem onder de tennishal nog intact is en er geen bouwput is gegraven voor de tennishal. 3.4