CConstaterende datHeerde
Koppel je AI →
Document · PDF

18.6. Flora en fauna onderzoek.pdf

Raadscommissie 22 juni 2021, gemeente HeerdeBij agendapunt: Natuurbegraafplaats op landgoederen De Polberg en Winfried19.022 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 3

In het ecologisch werkprotocol moet wel worden vastgelegd dat verblijfplaatsen niet mogen worden verstoord als gevolg van de voorgenomen activiteiten. In hoofdstuk 7 ‘Advies’ lichten wij dit verder toe. Holen van andere landzoogdieren Er zijn holen van muizensoorten aanwezig en mogelijk ook holen van konijn en vos. Holen kunnen dienen als voortplantingsplaats en rustplaats door deze soorten, maar ook als zodanig door boommarter, hermelijn, wezel en tapuit (vogelsoort) worden gebruikt. Amfibieën en reptielen kunnen holen gebruiken als (winter)rustplaats. Voor alle te verwachten muizensoorten, konijn, bruine kikker en gewone pad geldt in de provincie Gelderland een vrijstelling van de verbodsbepalingen bij ruimtelijke ingrepen. Voor boommarter, hermelijn, wezel en de meeste (andere) amfibieën en reptielen geldt deze vrijstelling niet en kan dus sprake van overtreding van de verbodspalingen als holen worden aangetast. In het ecologisch werkprotocol moet worden vastgelegd dat dergelijke verblijfplaatsen niet mogen worden verstoord als gevolg van de voorgenomen activiteiten. In hoofdstuk 7 ‘Advies’ lichten wij dit verder toe. Rustplaatsen van landzoogdieren Er zijn rustplaatsen van ree en wild zwijn aanwezig in het projectgebied. Voor ree geldt in de provincie Gelderland een vrijstelling van de verbodsbepalingen bij ruimtelijke ingrepen.

Voor wild zwijn geldt deze vrijstelling niet en kan dus sprake zijn van overtreding als rustplaatsen van deze soort worden aangetast. De rustplaatsen van wild zwijn bevinden zich onder de rododendronstruiken. Zolang deze behouden blijven en beschermd worden, is er ten aanzien van wild zwijn geen sprake van overtreding van de verbodsbepalingen uit de Wnb. In het ecologisch werkprotocol moet worden vastgelegd dat dergelijke verblijfplaatsen niet mogen worden verstoord als gevolg van de voorgenomen activiteiten. Leefgebied adder, hazelworm en levendbarende hagedis Adder, hazelworm en levendbarende hagedis kunnen in het projectgebied aanwezig zijn, waar deze (de randen van) open plekken als leefgebied gebruiken. Voor deze soorten is geen sprake van overtreding van de verbodspalingen, omdat dergelijke open plekken behouden blijven. Voor hazelworm blijft voldoende schuilgelegenheid in het projectgebied aanwezig.

34

Rapport: 302967

Leefgebied van vliegend hert Er is mogelijk leefgebied van vliegend hert aanwezig in het projectgebied. Staand en liggend dood hout kan daarom verblijfplaatsen bevatten. In het ecologisch werkprotocol moet worden vastgelegd dat dergelijke verblijfplaatsen niet mogen worden verstoord als gevolg van de voorgenomen activiteiten. In hoofdstuk 7 ‘Advies’ lichten wij dit verder toe. Voortplantingsbiotoop bruine kikker, gewone pad en kleine watersalamander Er zijn mogelijk voortplantingsplaatsen en daaraan gerelateerde rustplaatsen van bruine kikker, gewone pad en kleine watersalamander aanwezig in en rondom vijvers in het projectgebied. Voor deze soorten geldt in de provincie Gelderland een vrijstelling van de verbodsbepalingen bij ruimtelijke ingrepen, waardoor bij werkzaamheden aan de vijvers geen sprake is van overtreding van de verbodsbepalingen (mits buiten het voortplantingsseizoen). Maar in de vijvers kan ook de strenger beschermde kamsalamander voorkomen, waarvoor andere regels gelden (zie paragraaf 6.2.2.).

6.3

Houtopstanden Het projectgebied met de daarin aanwezige houtopstanden ligt buiten de bebouwde komgrens Wnb. De standplaats van houtopstand buiten deze kom houdt in dat op velling van deze houtopstand of onderdelen daarvan, de meld- en herplantplichten van artikel 4.2 Wnb en artikel 4.3 Wnb van toepassing kunnen zijn. Maar op deze plichten kunnen vrijstellingen van toepassing zijn. Provinciale verordeningen kunnen nadere regels bevatten omtrent deze plichten. In hoofdstuk 7 ‘Advies’ gaan wij hier verder op in.

35

7 7.1

Advies Gebiedsbescherming 7.1.1

Natura 2000

Ecologisch werkprotocol Voorafgaand aan de werkzaamheden moet een ecologisch werkprotocol worden opgesteld. Het doel van het plan is voorkomen dat instandhoudingsdoelen (in dit geval voor habitatrichtlijnsoorten en broedvogels en hun verblijfplaatsen) voor het Natura 2000-gebied ‘Veluwe’ en andere onder de Wet natuurbescherming beschermde soorten en verblijfplaatsen worden verstoord. En daarmee voorkomen dat verbodsbepalingen onder de Wet natuurbescherming worden overtreden. Het ecologisch werkprotocol bestaat uit twee hoofdonderdelen: de aanlegfase en de gebruiksfase. Het werkprotocol voor de aanlegfase richt zich op het renoveren van opstallen en het aanleggen van parkeerplaatsen. Neem hierin ook op wat de vervolgstappen zijn als er onverhoopt toch enkele bomen moeten worden verwijderd. Het werkprotocol voor de gebruiksfase richt zich op het selecteren van een graflocatie, het graven van een graf en het gebruik van het gebied door bezoekers. Informatie over de (mogelijke) aanwezigheid van soorten en de (mogelijke) locatie van hun verblijfplaatsen vormt de basis van het ecologisch werkprotocol. Deze informatie moet tussentijds geactualiseerd worden. Gebruik hiervoor de bevindingen uit deze quickscan en algemene informatie over soorten. Raadpleeg hiervoor bijvoorbeeld de website van Natura 2000, BIJ12, SOVON, RAVON, FLORON, EIS, en de Zoogdiervereniging.

In paragraaf 7.2 worden de belangrijkste soorten en verblijfplaatsen genoemd.

7.1.2 Gelders Natuurnetwerk (GGN) Een nadere toets is niet van toepassing.

36

Rapport: 302967

7.2

Soortenbescherming 7.2.1 Nader onderzoek Nader onderzoek jaarrond beschermde nesten Als binnen een straal van 75 m rondom het aangetroffen grote nest ruimtelijke ingrepen moeten plaatsvinden, dan adviseren wij om te laten onderzoeken of het nest daadwerkelijk als nestlocatie in gebruik is, door welke (roofvogel)soort en of het werkelijk gaat om een jaarrond beschermd nest. Indien in gebruik en jaarrond beschermd, dan moet ook worden beoordeeld wat de functie van de directe omgeving is voor het bewoonde nest.

Verder moet in beeld gebracht worden of en waar nog andere mogelijk jaarrond beschermde nesten in of nabij het projectgebied aanwezig zijn. Als binnen een straal van 75 m rondom deze nesten ruimtelijke ingrepen moeten plaatsvinden, dan adviseren wij om ook deze nesten te beoordelen op gebruik en functie. Beoordeling van gebruik door roofvogels moet plaatsvinden in de periode februari – september. Het lokaliseren van nesten kan het hele jaar door plaatsvinden. Als het om een nest van wespendief gaat, houdt u er dan rekening mee dat er mogelijk beperkingen gelden en/of aanvullende stappen nodig zijn in het kader van Natura 2000. Wespendief is namelijk een voor het Natura 2000-gebied ‘Veluwe’ aangewezen doelsoort. Nader onderzoek vleermuizen Wij adviseren om de te renoveren opstallen in het projectgebied eerst te laten onderzoeken op aanwezigheid van (potentiële) vleermuisverblijfplaatsen. Dit geldt ook als er onverhoopt toch enkele bomen moeten worden gekapt ten behoeven van de aan te leggen parkeerplaats. De eerste stap in dit onderzoek is het nauwkeurig inspecteren van plekken waar mogelijk vleermuizen kunnen verblijven. Deze inspectie kan het hele jaar door worden uitgevoerd. Een mogelijke vervolgstap is het uitvoeren van onderzoek met behulp van een batdetector.

Namelijk om vast te kunnen stellen of en door welke soorten vleermuizen en in welke perioden van het jaar potentiële vleermuisverblijfplaatsen (indien aanwezig) in gebruik zijn. Onderzoek met een batdetector moet worden uitgevoerd volgens de richtlijnen van het Vleermuisprotocol 2017 en kan alleen volledig worden uitgevoerd in de periode half april – half oktober. Van één van de opstallen is tijdens onze quickscan al duidelijk geworden dat laatvlieger deze in de winter als rustplaats gebruikt. Als het om een verblijfplaats van meervleermuis gaat, houdt u er dan rekening mee dat er mogelijk beperkingen gelden en/of aanvullende stappen nodig zijn in het kader van Natura 2000. Meervleermuis is namelijk een voor het Natura 2000-gebied ‘Veluwe’ aangewezen habitatrichtlijnsoort. Nader onderzoek steenmarter De te renoveren opstallen kunnen tegelijk met het nader onderzoek naar vleermuizen (zie hierboven) geïnspecteerd worden op nesten van steenmarter. Hierbij moet worden gezocht naar uitwerpselen, nestmateriaal en prooiresten in en nabij de opstallen. Dit onderzoek kan het hele jaar door worden uitgevoerd.

37

Nader onderzoek eekhoorn en boommarter Als er onverhoopt toch enkele bomen moeten worden gekapt ten behoeven van de aan te leggen parkeerplaats dan raden wij aan om de te verwijderen bomen te beoordelen op de aanwezigheid van verblijfplaatsen van eekhoorn en boommarter. Nader onderzoek vliegend hert Als er onverhoopt toch enkele bomen moeten worden gekapt ten behoeven van de aan te leggen parkeerplaats dan raden wij aan om de bomen met dood hout aan de stamvoet te beoordelen op aanwezigheid van vliegend hert. Wij adviseren het nader onderzoek uit te voeren volgens de richtlijnen uit het document ‘Vliegend hert - Handleiding Monitoring’. Vliegend hert kan het beste waargenomen worden een uur voor zonsondergang in de periode half juni – half juli. Als verblijfplaats van vliegend hert aanwezig zijn, houdt u er dan rekening mee dat er mogelijk beperkingen gelden en/of aanvullende stappen nodig zijn in het kader van Natura 2000. Vliegend hert is namelijk een voor het Natura 2000-gebied ‘Veluwe’ aangewezen habitatrichtlijnsoort. In kaart brengen van holen Het is tijdens onze quickscan al duidelijk geworden dat er burchten van das en holen van muizen in het projectgebied aanwezig zijn.

Wij raden echter aan om in het ecologisch werkprotocol op te nemen dat het hele projectgebied wordt geïnspecteerd op aanwezigheid van burchten en holen en dat deze zowel in het veld als op een digitale kaart worden gemarkeerd.

7.2.2 Maatregelen Niet-jaarrond beschermde nesten behouden Wij adviseren aanlegwerkzaamheden (mits toelaatbaar ten aanzien van andere beschermde soorten en verblijfplaatsen) zoals het aanbrengen van elementen in het gebied uit te voeren in de periode tussen 1 december en 1 maart. De kans is erg klein dat dan bewoonde nesten van vogels met niet-jaarrond beschermde nesten aanwezig zijn. Ook buiten deze periode mag gewerkt worden, mits uit een aanvullende controle is gebleken dat er geen bewoonde nesten aanwezig zijn (zie ook ‘Nestcontrole’) en mits toelaatbaar ten aanzien van beschermde soorten en verblijfplaatsen. Nestcontrole Als u besluit aanlegwerkzaamheden (mits toelaatbaar ten aanzien van andere beschermde soorten en verblijfplaatsen) uit te voeren tussen 1 maart en 1 december, moet voorafgaand aan de werkzaamheden een aanvullende controle worden uitgevoerd. Hiermee onderzoekt u of zich bewoonde niet-jaarrond beschermde nesten in de te verwijderen elementen bevinden. Dit onderzoek moet maximaal drie dagen voor de daadwerkelijke werkzaamheden uitgevoerd worden. Worden bewoonde nesten aangetroffen, dan moet de betreffende nestlocatie worden gemarkeerd en ontzien zolang het nest bewoond is.

Dat betekent dat duidelijk moet zijn dat het element met daarin of daarbij een nest pas verwijderd mag worden (mits toelaatbaar ten aanzien van andere beschermde soorten en verblijfplaatsen) als het nest niet meer bewoond is. Dat is doorgaans een aantal weken later. In de tussentijd moet bijvoorbeeld met een lint duidelijk worden gemaakt dat het bewuste element nog niet verwijderd mag worden. Gaat het om bosplantsoen, dan moet een voldoende groot vak om het nest worden ontzien. Werken bij daglicht Wij raden u aan altijd bij daglicht te werken, zodat eventueel in het projectgebied aanwezige foeragerende vleermuizen en andere dieren niet worden verstoord.

38

Rapport: 302967

Inspectie werkomgeving Wij adviseren elk werkgebied voorafgaand aan de werkzaamheden (mits toelaatbaar ten aanzien van beschermde soorten en verblijfplaatsen) te controleren op de aanwezigheid van dieren. Eventueel aangetroffen niet beschermde soorten of soorten waarvoor een provinciale vrijstelling geldt, zoals bruine kikker en gewone pad, moeten dan voorzichtig verplaatst worden naar bijvoorbeeld het naastgelegen bosperceel.

7.3

Houtopstanden

Om te voorkomen dat meld- en herplantplicht Wnb en andere provinciale en gemeentelijke regels ten aanzien van houtopstanden worden overtreden, adviseren wij om de voorgenomen ontwikkelingen af te stemmen met gemeente Heerde en Provincie Gelderland.

39

8

Verklarende woordenlijst Biotoop en habitat Een biotoop is een gebied met een uniform landschapstype waarin een bepaalde levensgemeenschap met organismen kan gedijen. Binnen een biotoop kunnen habitats worden onderscheiden. Een habitat is de specifieke plaats binnen een biotoop waar een organisme zich ophoudt. Bijvoorbeeld in de biotoop ‘bos’ is de bodem de habitat van een regenworm. Foerageergebied Het gebied of netwerk van gebieden waarin een soort zich van voedsel voorziet. Gebiedsbescherming Via de Wet natuurbescherming wordt de gebiedsbescherming van Natura 2000-gebieden geregeld. Het gaat hier niet zozeer om het beschermen van soorten en individuen, maar om bescherming van terreinen en wateren met bijzondere natuur- en landschapswaarden. Habitatrichtlijn Europese richtlijn van 1992 die verplicht tot bescherming van bepaalde (half)natuurlijke levensgemeenschappen (habitats) en leefgebieden van aangewezen planten- en diersoorten (met uitzondering van vogels) die in Europees verband van bijzondere betekenis zijn. Nader onderzoek Een nader onderzoek is een diepgaande beoordeling naar de functionaliteit van bijvoorbeeld rust- en verblijfplaatsen, de functionaliteit van biotopen voor beschermde soorten en het bepalen van welke soorten op welke manier gebruik maken van het projectgebied. De quickscan geeft een eerste inschatting.

Het nader onderzoek maakt de inschatting concreet. Natura 2000 Natura 2000 is een Europees netwerk van beschermde natuurgebieden op het grondgebied van de lidstaten van de Europese Unie. Dit netwerk vormt de hoeksteen van het beleid van de EU voor behoud en herstel van biodiversiteit. Natura 2000 beschermt gebieden (biotopen) en draagt bij aan bescherming van soorten (en hun habitats). Natuurnetwerk Nederland Het Natuurnetwerk Nederland is het Nederlands netwerk van bestaande en nieuw aan te leggen natuurgebieden. Het netwerk moet natuurgebieden beter met elkaar verbinden en met het omringende agrarisch gebied. NDFF De NDFF bundelt, uniformeert en valideert natuurgegevens in Nederland. De gegevens brengen in beeld wat in een bepaald gebied bekend is over het voorkomen van plantenen diersoorten. Deze gegevens zijn voor iedereen beschikbaar via een eenmalige levering of een abonnement. De NDFF is de meest complete natuurdatabank van Nederland en bevat uitsluitend gevalideerde gegevens.

40

Rapport: 302967

Mitigerende maatregelen Maatregelen die negatieve effecten bij een activiteit voorkomen of beperken. Ontheffing Onder bepaalde voorwaarden mogen soms de verbodsbepalingen uit de Wnb geschonden worden als daarvoor een ontheffing wordt afgegeven. Een ontheffing is een besluit waarbij in een individueel concreet geval een uitzondering op een wettelijk verbod wordt gemaakt. Projectgebied Het gebied waarin werkzaamheden worden verricht en wat geldt als grens voor het uitvoeren van de beoordelingen in het kader van de quickscan. De inschatting van ecologische potenties en het voorkomen van beschermde soorten houdt echter niet op bij de projectgrens. In de quickscan vormt het projectgebied en de omgeving het onderzoeksgebied. Quickscan Natuur In onze quickscan toetsen wij een voorgenomen ontwikkeling aan de Wet natuurbescherming. De twee hoofdvragen zijn: Zijn de voorgenomen werkzaamheden in strijd met de Wet natuurbescherming of met provinciaal beleid? En welke vervolgstappen zijn nodig voordat met de uitvoering gestart kan worden? Met dit rapport heeft de initiatiefnemer een bewijsstuk in handen dat een ecologische quickscan is verricht. Ruimtelijke ontwikkelingen Onder ruimtelijkeontwikkeling worden activiteiten verstaan met als resultaat een functieverandering of uiterlijke verandering van een gebied of object.

In de praktijk spreken we dan van (her)inrichten, aanleggen, reconstrueren, groot onderhoud, omvormen, (ver)bouwen of een verandering in beheer of gebruik. Verblijfplaats Een verblijfplaats is een onderdeel van het leefgebied van een soort en is essentieel voor het functioneren van de soort. Per soort is de beschrijving van een verblijfplaats verschillend. Voor een vis is dit bijvoorbeeld een ondiep gedeelte van een sloot, voor een vogel een nest en voor een vleermuis een boomholte of een spouwmuur. Vleermuisprotocol 2017 Het Vleermuisprotocol 2017 beschrijft het onderzoek dat nodig is om de kans op aanwezigheid van vleermuizen vast te stellen voor ruimtelijke ordeningsprocedures. Wet natuurbescherming (verbodsbepalingen) De Wet natuurbescherming is de Nederlandse natuurgebieden, soorten en bos regelt.

wet

die

de

bescherming

van

41

9

Literatuurlijst Algemene literatuur Broekhuizen, S., K. Spoelstra, J.B.M. Thissen, K.J. Canters & J.C. Buys (redactie) 2016. Atlas van de Nederlandse zoogdieren. – Natuur van Nederland 12. Naturalis Biodiversity Center & EIS Kenniscentrum Insecten en andere ongewervelden, Leiden. Dietz, C., O. von Helversen, D. Nill & P.H.C. Lina, 2011. Vleermuizen: alle soorten van Europa en Noordwest-Afrika: biologie, kenmerken en bedreigingen. Tirion Natuur, Utrecht. Limpens, H., K. Mostert & W. Bongers, 1997. Atlas van de Nederlandse vleermuizen. Onderzoek naar verspreiding en ecologie. KNNV Uitgeverij, Utrecht. Limpens, H., J. Regelink & Zoogdiervereniging, Nijmegen.

R.

Koelman

2010.

Vleermuizen

en

planologie.

Molenaar, J.G. de, M.G. Mennen & F.H. Kristenkas, 2009. Terug naar de natuur. Mogelijke effecten en juridische aspecten t.a.v. natuurbegraven, asverstrooien en urnbijzetting in natuurgebieden. Alterra, Wageningen. Riet van de, B., Westendorp P.J., 2017. Natuurbegraven in Gelderland. Verkennend onderzoek naar effecten op water, bodem en natuur. Onderzoekcentrum B-WARE, Nijmegen. Schut, D. en R. Krekels, 2016. Vliegend hert - Handleiding Monitoring. Natuurbalans Limes Divergens BV, Nijmegen. Vries, B. de, W. Wamelink, W. de Haas, J. Frissel, M. van Adrichem, 2017. Effecten van natuurbegraven op de vegetatie op Natuurbegraafplaats Heidepol; Natuurbegraven in praktijk. Wageningen Environmental Research, Wageningen. Geraadpleegde websites Beleids- en gebiedsinformatie www.natura2000.nl www.wetten.overheid.nl www.gelderland.nl Soortinformatie www.rvo.nl (Lijst jaarrond beschermde vogelnesten) www.ndff.nl (Nationale Databank Flora en Fauna) www.bij12.nl (kennisdocumenten beschermde soorten) www.ravon.nl (vissen, amfibieën en reptielen) www.sovon.nl (vogels) www.vlinderstichting.nl (dagvlinders en libellen) www.eis.nl (ongewervelden) www.zoogdiervereniging.nl (zoogdieren) www.floron.nl (planten)

42

Rapport: 302967

Cv’s betrokken ecologen Naam:

Dennis Slotboom BSc

Functie: Veldecoloog, projectleider, kwaliteitscontroleur Relevante opleidingen: • HBO Natuur en landschapsinrichting, Larenstein, Velp, met specialisatie in natuurbeheer, vegetatiekunde en landschapsecologie • Vleermuizen en Planologie, cursus van de Zoogdiervereniging • Gecertificeerd niveau 3 gedragscode bestendig beheer groenvoorzieningen • European Tree Technician, specialist bomen Ervaring: Dennis werkt sinds 2008 bij Cobra adviseurs als specialist natuur & ecologie. Sinds 2008 heeft Dennis ruime ervaring opgedaan in het uitvoeren van quickscans en, sinds 2011, in het uitvoeren van vleermuisonderzoek. Sinds 2009 verzorgt Dennis de ecologische begeleiding van opdrachtgevers bij de voorbereiding van projecten. Samen bespreekt Dennis met de opdrachtgevers de te nemen stappen in het kader van de Wet natuurbescherming en verzorgt offertes, onderzoek en ontheffingsaanvragen. Meer informatie over Dennis is op te vragen bij Cobra Groeninzicht.

Naam:

Jasper Verhaar MSc

Functie: Veldecoloog, projectleider, kwaliteitscontroleur Relevante opleidingen: • HBO Aquatische Ecotechnologie / Watermanagement, HZ University of Applied Sciences (cum laude) • Minor Bachelor of Biodiversity, Unitec Institute of Technology New Zealand • MSc Biology & Science Communication and Society, Universiteit Leiden (cum laude) • •

Gecertificeerd niveau 4 gedragscode ruimtelijke ontwikkelingen Vleermuizen en Planologie, cursus van de Zoogdiervereniging

Ervaring: Jasper is sinds 2016 werkzaam bij Cobra adviseurs als specialist bomen, water & ecologie. Jasper is vanaf het begin betrokken bij het uitvoeren en rapporteren van quickscans, vleermuisonderzoek en onderzoek naar andere beschermde soorten waaronder steenuil, buizerd, rugstreeppad en marterachtigen. Jasper voert momenteel opdrachten uit voor gemeenten, waterschappen en projectontwikkelaars en voert voor deze partijen de gesprekken in de offertefase, voert veldwerk uit en rond samen met de opdrachtgever een project af. Meer informatie over Jasper is op te vragen bij Cobra Groeninzicht.

Naam:

Dries van Tuijn

Functie: Veldecoloog, specialist verblijfplaatsen beschermde soorten Relevante opleidingen: • MBO niveau 4 Bos en Natuurbeheer bij MBCS Velp • Cursus Wet natuurbescherming niveau 1 bij IPC Groen •

Cursus Wet natuurbescherming niveau 2 bij IPC Groen

Ervaring: Dries is zelfstandig ondernemer en heeft zich gespecialiseerd als veldecoloog met als specialisatie het opsporen van verblijfplaatsen van beschermde soorten. Daarnaast voert Dries sinds 2013 zelfstandig quickscans uit en nader onderzoek naar vleermuizen, vogels en kleine zoogdieren. Als docent van de opleiding ‘Wet natuurbescherming Zorgvuldig handelen niveau 1 en 2’ en als gastdocent van de opleiding ‘Faunacontroleur’ beschikt Dries over actuele kennis van de huidige natuurwetgeving en de praktische invulling daarvan. Meer informatie over Dries is op te vragen bij Cobra Groeninzicht.

Foto’s situatie

Kaart fotolocaties

Locatie 01: Bospad naast noordelijke grens van Landgoed De Polberg

Locatie 02: Bospad en hoogteverschillen naast noordelijke grens van Landgoed De Polberg

Locatie 03: Productiebos op Landgoed De Polberg

Locatie 04: Open plek op Landgoed De Polberg

Locatie 05: Aanzicht Landgoed De Polberg vanaf de Groteweg

Locatie 06: Veeweide op Landgoed De Polberg

Locatie 07: Productiebos op Landgoed De Polberg

Locatie 08: Productiebos nabij de Groteweg op Landgoed De Polberg

Locatie 09: Overdekte zitplaats en hoogteverschillen op Landgoed De Polberg

Locatie 10: Overdekte zitplaats, drinkplaats en rododendron op Landgoed De Polberg

Locatie 11: Rododendron op Landgoed De Polberg

Locatie 12: Opstallen aan de Groteweg op Landgoed De Polberg

Locatie 13: Productiebos met jonge aanwas op Landgoed De Polberg

Locatie 14: Veeweide op Landgoed De Polberg

Locatie 15: Bomenlaan op Landgoed De Polberg

Locatie 16: Ommuurde voormalige moestuin op Landgoed De Polberg

Locatie 17: Productiebos op Landgoed De Polberg

Locatie 18: Opstal op Landgoed De Polberg

Locatie 19: Bomenlaan op Landgoed De Polberg

Locatie 20: Bomenlaan en opstallen op Landgoed De Polberg

Locatie 21: Siertuin en opstallen op Landgoed De Polberg

Locatie 22: Bospad ten westen van Landgoed De Polberg

Locatie 23: Bospad tussen Landgoed De Polberg (links) en Landgoed Winfried (rechts)

Locatie 24: Productiebos en hoogteverschillen op Landgoed Winfried

Locatie 25: Bospad tussen Landgoed De Polberg (rechts) en Landgoed Winfried (links)

Locatie 26: Bospad aan zuidzijde van het projectgebied op Landgoed Winfried

Locatie 27: Productiebos op Landgoed Winfried

Locatie 28: Bospad aan zuidzijde van het projectgebied op Landgoed Winfried

Locatie 29: Bospad aan zuidzijde van het projectgebied op Landgoed Winfried

Locatie 30: Bospad aan noordzijde van het projectgebied op Landgoed Winfried

Locatie 31: Strook heide op Landgoed Winfried (gezien in westelijke richting)

Locatie 32: Productiebos op Landgoed Winfried

Locatie 33: Strook heide op Landgoed Winfried (gezien in oostelijke richting)

Locatie 34: Bospad aan zuidzijde van het projectgebied op Landgoed Winfried

Juridisch kader Wet natuurbescherming Met ingang van 1 januari 2017 is de Wet natuurbescherming (Wnb) in werking getreden. Deze wet vervangt de Flora- en faunawet, de Natuurbeschermingswet 1998 en de Boswet. De wet regelt soortenbescherming en gebiedsbescherming. Hieronder gaan wij daar verder op in. Ook is een toelichting gegeven op de planologische bescherming van het Natuurnetwerk Nederland (NNN), ofwel de voormalige Ecologische Hoofdstructuur van Nederland, ook wel EHS genoemd. Hoewel de werking van de NNN niet is geregeld onder de Wnb, kunnen onderdelen van het NNN wel degelijk vallen onder de reikwijdte van de Wnb.

Soortenbescherming De Wnb De Wnb is op 1 januari 2017 in werking getreden en regelt naast gebiedsbescherming (daarover verderop meer) de soortenbescherming. Deze wet regelt de bescherming van dier- en plantensoorten in hun natuurlijk leefomgeving. Menselijk handelen mag geen nadelige invloed hebben op deze soorten. Volgens de Wnb is het daarom verboden beschermde dier- en plantensoorten, hun nesten, hun holen en andere voortplantings- of vaste rust- en verblijfplaatsen aan te tasten of te verontrusten. Onderscheiden wordt tussen vogels, Europees beschermde planten- en diersoorten en Nationaal beschermde planten- en diersoorten. Beschermde soorten Onder de Wnb zijn als beschermde soort aangewezen: • ruim 700 op Europees grondgebied voorkomende vogelsoorten opgenomen in de Vogelrichtlijn, beschreven in paragraaf 3.1 van de Wnb; • 76 Europees beschermde planten- en diersoorten opgenomen in de Habitatrichtlijn, het Verdrag van Bonn en het Verdrag van Bern, beschreven in paragraaf 3.2 van de Wnb •

(artikel 3.10 en 3.11); 157 nationale planten en diersoorten, beschreven in paragraaf 3.3 van de Wnb (artikel 3.5 en 3.8).

Vrijstelling en ontheffing Voor elk van de drie beschermingsregimes gelden specifieke verbodsbepalingen en vereisten voor vrijstelling of ontheffing van de verboden. De verbodsbepalingen mogen niet overtreden worden, tenzij men een ontheffing kan krijgen (het zogenoemde ‘nee, tenzij-principe’). Om af te mogen wijken van de verbodsbepalingen via een ontheffing of vrijstelling, moet aan drie criteria zijn voldaan: • Ten eerste mag alleen van de verbodsbepaling afgeweken worden als er geen andere bevredigende oplossing voor de handeling mogelijk is. • Ten tweede moet tegenover de afwijking van het verbod een in de wet genoemd belang staan. De wet geeft voor de verschillende beschermingsregimes aan wat die belangen zijn, bijvoorbeeld volksgezondheid of openbare veiligheid. • Tenslotte mag de ingreep geen afbreuk doen aan de staat van instandhouding van de soort.

Als aan deze drie vereisten voldaan is, kan een ontheffing worden verleend. Voor een aantal handelingen zijn bovendien vrijstellingen mogelijk, bijvoorbeeld in de vorm van een provinciale verordening of een gedragscode. Zo zijn er voor diverse nationaal beschermde soorten diverse vrijstellingen geregeld die echter per provincie kunnen verschillen. Zorgplicht De zorgplicht houdt in dat eenieder voldoende zorg in acht moet nemen voor de in het wild levende dieren en planten, alsmede voor hun directe leef- omgeving. Overtreding van de zorgplicht is niet strafbaar gesteld; de zorgplicht kan wel door toepassing van bestuursdwang worden gehandhaafd. Deze formulering van de zorgplicht brengt met zich mee dat wanneer u een bepaalde handeling wilt verrichten die gevolgen voor natuurwaarden zou kunnen hebben, u zich daaraan voorafgaand op de hoogte stelt van de aanwezige natuurwaarden, de kwetsbaarheid ervan en de mogelijke gevolgen daarvoor van uw handelen. Zo nodig raadpleegt u een ecoloog. Bij de uitvoering van die handeling moet u negatieve gevolgen zoveel mogelijk voorkomen dan wel beperken of ongedaan maken. Beschermingsregime soorten

Beschermingsregime Europese

Beschermingsregime nationale

Vogelrichtlijn § 3.1 Wnb

soorten § 3.2 Wnb

soorten § 3.3 Wnb

Art 3.1 lid 1 Het is verboden in het wild levende vogels opzettelijk te doden of te vangen.

Art 3.5 lid 1 Het is verboden soorten in hun natuurlijke verspreidingsgebied opzettelijk te doden of te vangen

Art 3.10 lid 1a Het is verboden soorten opzettelijk te doden of te vangen

Art 3.1 lid 2 Het is verboden opzettelijk nesten, rustplaatsen en eieren van vogels te

Art 3.5 lid 4 Het is verboden de voortplantingsplaatsen of

Art 3.10 lid 1b Het is verboden de vaste voortplantingsplaatsen of

vernielen of te beschadigen, of nesten

rustplaatsen van dieren te

rustplaatsen van dieren

van vogels weg te nemen

beschadigen of te vernielen

opzettelijk te beschadigen of te

Art 3.1 lid 3 Het is verboden eieren te rapen en

Art 3.5 lid 3 Het is verboden eieren van dieren in

deze onder zich te hebben

de natuur opzettelijk te vernielen of te rapen

Art 3.1 lid 4 en lid 5

Art 3.5 lid 2

Het is verboden vogels opzettelijk te

Het is verboden dieren opzettelijk te

storen, tenzij de storing niet van wezenlijke invloed is op de staat van instandhouding van de desbetreffende vogelsoort

verstoren

Niet van toepassing

Art 3.5 lid 5 Het is verboden plantensoorten in hun natuurlijke verspreidingsgebied opzettelijk te plukken en te verzamelen, af te snijden, te

Art 3.10 lid 1c Het is verboden plantensoorten in hun natuurlijke verspreidingsgebied opzettelijk te plukken en te verzamelen, af te

ontwortelen of te vernielen

snijden, te ontwortelen of te vernielen

vernielen Niet van toepassing

Niet van toepassing

Stroomschema De Rijksdienst voor Ondernemend Nederland (RVO) hanteert een stappenplan om te bepalen of een ontheffing in het kader van soortenbescherming nodig is. Het stroomschema hebben wij hieronder opgenomen.

Gebiedsbescherming De voormalige Natuurbeschermingswet 1998 maakt sinds 1 januari 2017 onderdeel uit van de Wnb. In hoofdstuk 2 van de Wnb is nu dit onderdeel opgenomen. Maar de manier waarop getoetst wordt of een project invloed heeft op gebieden, is niet veranderd. Op grond van artikel 10a Op grond van artikel 10a heeft de toenmalige minister van EZ gebieden aangewezen waarin uitvoering wordt gegeven aan de ‘Vogelrichtlijn’ (EEG nr. 79/409) en de Habitatrichtlijn (EEG nr. 29/43). Gebieden Onder de Wnb zijn uitsluitend Natura 2000-gebieden beschermd. Beschermde natuurmonumenten zoals we deze voorheen kenden, zijn in de meeste gevallen opgenomen in Natura 2000-gebieden. Vergunning Als er geen sprake is van een negatief effect, is er geen vergunning nodig. Als er wel sprake is van een mogelijk negatief effect, is een vergunning noodzakelijk en dient de vergunningsprocedure te worden gestart en gaat de habitattoets verder. Als het om een mogelijk negatief effect gaat dat zeker niet significant is, dan moet er een verslechteringstoets worden uitgevoerd en komt u in de fase ‘verslechteringstoets’. Gaat het om een mogelijk significant negatief effect dan is een passende beoordeling nodig en wordt verder gegaan met de fase ‘passende beoordeling’. De passende beoordeling moet gebaseerd zijn op onderzoek en de best beschikbare wetenschappelijke gegevens.

De mogelijke effecten van de te beoordelen activiteiten of plannen worden dan onderzocht. De procedure is in onderstaand schema toegelicht.

Houtopstanden Voor houtopstanden buiten de bebouwde kom Boswet was voor inwerkingtreding van de Wnb de Boswet van toepassing. De regels zijn overgenomen in hoofdstuk 4 van de Wnb. Voor houtopstanden die staan buiten de bebouwde komgrens zoals vastgesteld op grond van artikel 4.1 onder a. Wnb, kan velling van de houtopstand verplichtingen in het kader van deze wet geven. Tot 2017 werd een dergelijke komgrens vastgesteld in het kader van de Boswet. De standplaats van houtopstand buiten deze kom houdt in dat op velling van deze houtopstand of onderdelen daarvan, de meld- en herplantplichten van artikel 4.2 Wnb en artikel 4.3 Wnb van toepassing kunnen zijn. Op deze plichten kunnen vrijstellingen van toepassing zijn. Provinciale verordeningen kunnen nadere regels bevatten omtrent deze plichten.

Natuurnetwerk Nederland (NNN) Het Natuurnetwerk Nederland is het Nederlands netwerk van bestaande en nieuw aan te leggen natuurgebieden. Het omvat de voormalige Ecologische Hoofdstructuur ofwel de EHS. Het netwerk moet natuurgebieden beter verbinden met elkaar en met het omringende agrarisch gebied. In het Natuurnetwerk Nederland liggen: • bestaande natuurgebieden, waaronder de twintig Nationale Parken; • gebieden waar nieuwe natuur wordt aangelegd; • landbouwgebieden, beheerd volgens agrarisch natuurbeheer; • •

ruim zes miljoen hectare grote wateren: meren, rivieren, de kustzone van de Noordzee en de Waddenzee; alle Natura 2000-gebieden.

Structuurschema Groene Ruimte Van rijkswege is het Structuurschema Groene Ruimte (SGR) opgesteld. Hierin staan afspraken over de natuur in landelijke gebieden. De nota is gericht op behoud, herstel en ontwikkeling van wezenlijke natuurkenmerken en -waarden. Bepaald is dat het NNN moet worden beschermd en ontwikkeld door een combinatie van: • planologische bescherming; • aankoop van gronden; • het afsluiten van beheerovereenkomsten met particuliere eigenaren; • inspanningen voor een goede kwaliteit van milieu en water. In het NNN worden planten en dieren in waardevolle natuurgebieden beschermd. In een bestemmingsplan wordt het natuurnetwerk concreet begrensd. Ingrepen in de NNN In de NNN geldt het ‘nee, tenzij’-principe. Dit houdt in dat ruimtelijke ingrepen niet zijn toegestaan, tenzij er geen alternatieven zijn en er sprake is van een groot openbaar belang. De effecten van een ingreep moeten worden gecompenseerd. In principe zijn ingrepen in of nabij de NNN die invloed hebben op natuurwaarden vergunningsplichtig. Welk spoor gevolgd moet worden en of er daadwerkelijk sprake is van een aantasting van natuurwaarden in de NNN is afhankelijk van de concrete planvorming.

Uitdraai Nationale Databank Flora en Fauna

Beknopte levering uit de NDFF Disclaimer De Nationale Databank Flora en Fauna (NDFF) is de meest omvangrijke landelijke informatiebron van verspreidingsgegevens en bevat betrouwbare waarnemingen van planten en dieren. Nieuwe gegevens worden dagelijks toegevoegd. Alle gegevens in de NDFF zijn gevalideerd. Nader (veld-)onderzoek kan noodzakelijk zijn om aanwezigheid van een soort te bevestigen of uit te sluiten.

Projectnaam

Landgoed De Polberg en Landgoed Winfried in Wapenveld Doel Quickscan Natuur Datum 04-03-2020 10:04 Ordernummer HNL-2020-39 Geselecteerde kilometerhokken 201-493, 200-493, 200-492

Vragen? Neem contact op met het Serviceteam van de NDFF: Telefoon: 0800 2356333 E-mail: serviceteamNDFF@natuurloket.nl

200 - 492

vaatplanten

Rode-Lijstsoorten

5

mossen

korstmossen

paddenstoelen

vleermuizen

landzoogdieren

2

30

Habitatrichlijn

amfibieen

reptielen

vissen

dagvlinders

macronachtvlinders micronachtvlinders

libellen

sprinkhanen en

overige

krekels

soortgroepen

1 18

3

WNb-andere

1

1

3

soorten (PROV) WNB-andere

5

soorten (NL)

Detaillering

wintervogels

4

Vogelrichtlijn

Aantal soorten

broedvogels

24

1

3

8

27

18

3

1

6

110

45

2 100%/0%

100%/0%

100%/0%

100%/0%

89%/0%

97%/0%

92%/0%

100%/0%

100%/0%

100%/0%

100%/0%

100%/0%

slecht

niet

slecht

onbepaald

redelijk

slecht

goed

slecht

goed

slecht

niet

goed

redelijk

goed

redelijk

niet

niet

2000-2020

2010-2020

2010-2020

2010-2020

2010-2020

2010-2020

2010-2020

2010-2020

2010-2020

2010-2020

2010-2020

2010-2020

2010-2020

2010-2020

2010-2020

2010-2020

2010-2020

200 - 493

vaatplanten

mossen

korstmossen

paddenstoelen

vleermuizen

landzoogdieren

broedvogels

wintervogels

amfibieen

reptielen

vissen

dagvlinders

Rode-Lijstsoorten

1

13

1

0-0.25/0.251-1 Volledigheid onderzoek Onderzoeksperiode

100%/0%

2

11

8

Vogelrichtlijn

45

Habitatrichlijn

WNB-andere

89

14

4

100%/0%

100%/0%

slecht

redelijk

2000-2020

201 - 493

vaatplanten

Rode-Lijstsoorten

2

0-0.25/0.251-1 Volledigheid onderzoek Onderzoeksperiode

2

239

1

8

43

27

2

1

100%/0%

21%/78%

100%/0%

80%/0%

79%/0%

96%/0%

100%/0%

100%/0%

slecht

onbepaald

slecht

slecht

goed

slecht

slecht

slecht

niet

2010-2020

2010-2020

2010-2020

2010-2020

2010-2020

2010-2020

2010-2020

2010-2020

2010-2020

mossen

korstmossen

paddenstoelen

vleermuizen

landzoogdieren

broedvogels

wintervogels

amfibieen

reptielen

2

1

12

3

65

Habitatrichlijn

soorten (PROV) WNB-andere soorten (NL)

0-0.25/0.251-1 Volledigheid onderzoek Onderzoeksperiode

183

52

53

29%/70%

23%/76%

goed

goed

2000-2020

2010-2020

6

2

100%/0%

100%/0%

100%/0%

100%/0%

goed

slecht

niet

goed

onbepaald

niet

2010-2020

2010-2020

2010-2020

2010-2020

2010-2020

2010-2020

2010-2020

vissen

dagvlinders

1

4

macronachtvlinders micronachtvlinders

1

libellen

3

sprinkhanen en

overige

krekels

soortgroepen

1

62

4

WNb-andere

Detaillering

soortgroepen

1

Vogelrichtlijn

Aantal soorten

overige

krekels

32

5

soorten (NL)

Detaillering

sprinkhanen en

3

soorten (PROV)

Aantal soorten

libellen

1

1

WNb-andere

macronachtvlinders micronachtvlinders

3 5

1

11

4

1 1

12

4

19

67

59

7

100%/0%

100%/0%

100%/0%

57%/38%

95%/0%

98%/0%

95%/4%

goed

onbepaald

redelijk

goed

goed

slecht

goed

niet

niet

2010-2020

2010-2020

2010-2020

2010-2020

2010-2020

2010-2020

2010-2020

2010-2020

2010-2020

Beknopte levering HNL-2020-39 Pagina : 2 / 4

23

178

98

24

10

99%/0%

99%/0%

100%/0%

100%/0%

100%/0%

goed

goed

goed

goed

onbepaald

niet

2010-2020

2010-2020

2010-2020

2010-2020

2010-2020

2010-2020

Toelichting op de tabel Soortgroepen In de gehanteerde indeling is Overige soortgroepen een diverse groep met daarin alle wespen, bijen, mieren, netvleugelige, steenvliegen, kevers, vliegen, muggen, haften, wantsen, cicaden, luizen, schorpioenvliegen en overige insecten, spinnen, mijten, hooiwagens, duizendpoten, miljoenpoten, pissebedden, kakkerlakken, oorwormen, weinigpotigen, vlokreeften, lagere kreeftachtigen, weekdieren, slakken, ringwormen, snoerwormen en wormachtigen zoals bloedzuigers. Ook zeeorganismen als hydroidpoliepen, mosdiertjes, mysisgarnalen, ribkwallen, stekelhuidigen, zakpijpen, zeepissebedden, zeepokken, eendenmossels, krabbezakjes, zeespinnen en grote kreeftachtigen (kreeften, krabben en garnalen) en zeezoogdieren vallen in deze verzamelgroep.

Rode-Lijstsoorten In de tabel staat voor elk kilometerhok per soortgroep vermeld hoeveel soorten op de Rode Lijst staan. Rode Lijsten worden formeel vastgesteld door de Rijksoverheid. De gehanteerde Rode Lijsten zijn (inclusief link naar website van ministerie van de Rijksoverheid met verwijzing naar pdf van het besluit): vaatplanten

Besluit Rode Lijsten 15 oktober 2015

mossen

Besluit Rode Lijsten 15 oktober 2015

korstmossen

Besluit Rode Lijsten 15 oktober 2015

paddenstoelen

Besluit Rode Lijsten 4 september 2009

zoogdieren

Besluit Rode Lijsten 4 september 2009

broedvogels

Besluit Rode Lijsten 5 november 2004

amfibieën

Besluit Rode Lijsten 4 september 2009

reptielen

Besluit Rode Lijsten 4 september 2009

vissen

Besluit Rode Lijsten 15 oktober 2015

dagvlinders

Besluit Rode Lijsten 4 september 2009

macronachtvlinders

geen Rode Lijst

micronachtvlinders

geen Rode Lijst

libellen

Besluit Rode Lijsten 15 oktober 2015

sprinkhanen en krekels

Besluit Rode Lijsten 15 oktober 2015

overige soortgroepen

Besluit Rode Lijsten 5 november 2004(1)

Wet Natuurbescherming – soorten van de Vogelrichtlijn Alle soorten die wettelijke bescherming genieten en vallen onder Wet Natuurbescherming paragraaf 3.1

Wet Natuurbescherming – soorten van de Habitatrichtlijn Alle soorten die wettelijke bescherming genieten en vallen onder Wet Natuurbescherming paragraaf 3.2

Wet Natuurbescherming – andere beschermde soorten Alle provinciale soorten die wettelijke bescherming genieten en vallen onder Wet Natuurbescherming paragraaf 3.3 Deze soortenlijst is limitatief benoemd in een Bijlage op de wet maar kan op provinciaal niveau worden bijgesteld. Wanneer een hok in meerdere provincies valt wordt de hoogste beschermingscategorie per aangetroffen soort aangehouden.

Beknopte levering HNL-2020-39 Pagina : 3 / 4

Wet Natuurbescherming – andere beschermde soorten (landelijke lijst) Alle landelijk benoemde soorten die wettelijke bescherming genieten en vallen onder Wet Natuurbescherming paragraaf 3.3 Deze soortenlijst is limitatief benoemd in een Bijlage op de wet.

Aantal soorten Het totaal aantal soorten per soortgroep per kilometerhok in de periode zoals aangegeven. Meegenomen zijn alle waarnemingen:

die geheel of gedeeltelijk binnen de selectie liggen; die zijn gevalideerd en daarbij de classificatie ‘betrouwbaar’ hebben meegekregen; waarvan de bronhouder heeft aangegeven dat ze uitgeleverd mogen worden. Indien er een asterisk (*) in het veld staat betekent dit dat een deel van de waarnemingen pas na expliciete toestemming van de bronhouder mag worden uitgeleverd. Het kan dus zijn dat in de standaardlevering niet alle waarnemingen worden geleverd die optellen tot de beknopte levering. Ook kan het zijn dat deze gegevens later worden geleverd.

Volledigheid onderzoek Voor elke soortgroep is een indicatie gegeven hoe volledig een specifiek kilometerhok is onderzocht. Er wordt hierbij gewerkt met een normering in 5 klassen: (1) niet, (2) slecht, (3) redelijk onderzocht, (4) goed onderzocht en (5) onbepaald. De volledigheid van onderzoek wordt geautomatiseerd berekend voor alle soortgroepen, waarbij elk kilometerhok meedraait in een cyclus van berekeningen over geheel Nederland. De doorlooptijd van deze rekencyclus is in de praktijk 2 tot 3 weken voor alle kilometerhokken in Nederland. In de toelichting is per soortgroep aangegeven welke regels hierbij gehanteerd zijn en over welke periode. Download de toelichting

Detaillering Voor elke soortgroep is in de oppervlakteklassen 0-0.25 km2 en groter dan 1 km2 bepaald welk aandeel de waarnemingen bezetten. De basis voor deze berekening is het aantal waarnemingen: in de beschouwde periode; dat geheel of gedeeltelijk in het kilometerhok valt; waarvan de bronhouder heeft aangegeven dat ze uitgeleverd mogen worden. De resultaten zijn in de drie genoemde klassen achter elkaar geplaatst en gescheiden door een slash- teken (/).

Onderzoeksperiode De onderzoeksperiode betreft voor vrijwel alle beschreven soortgroepen de recente 10 afgeronde veldseizoenen. Alleen voor vaatplanten wordt een langere periode gehanteerd. In de loop van het kalenderjaar wordt de beschouwde periode dus steeds iets langer.

Beknopte levering HNL-2020-39 Pagina : 4 / 4 Powered by TCPDF (www.tcpdf.org)

Toelichting storingsfactoren Natura 2000 Oppervlakteverlies Kenmerk Afname beschikbaar oppervlak leefgebied soorten en/of habitattypen. Interactie andere factoren Verlies van oppervlakte leidt tot verkleining en in sommige gevallen ook tot versnippering van het leefgebied (zie aldaar). Een kleiner gebied heeft bovendien meer te leiden van randinvloeden: vaak is de kwaliteit van het leefmilieu aan de rand minder goed dan in het centrum van het gebied. Op deze manier leidt verlies aan oppervlakte mogelijk ook tot een grotere gevoeligheid voor bijvoorbeeld verdroging, verzuring of vermesting. Werking Door afname van het beschikbare oppervlak neemt ook het aantal individuen van een soort af. Om duurzaam te kunnen voortbestaan, moet elke soort uit een minimum aantal individuen bestaan. Bij diersoorten wordt meestal van een minimum aantal paartjes (reproductieve eenheden) gesproken. Wanneer een populatie te klein wordt, neemt de kans op uitsterven toe, zeker als deze populatie geen deel uitmaakt van een samenhangend netwerk van leefgebieden. Bij een populatie die uit te weinig individuen bestaat, neemt ook de kans op inteelt toe en dus de genetische variatie af. Hierdoor wordt een populatie kwetsbaar voor veranderingen door bijvoorbeeld predatie, extreme seizoensinvloeden of ziekten. Ook habitattypen kennen een ondergrens voor een duurzame oppervlakte.

Versnippering Kenmerk Van versnippering is sprake bij het uiteenvallen van het leefgebied van soorten. Interactie andere factoren Treedt op door verlies van leefgebied of verandering in abiotische condities van het leefgebied. Kan leiden tot verandering in populatiedynamiek. Gevolg Als het leefgebied niet meer voldoende groot is voor een populatie, of individuen van één populatie kunnen de verschillende leefgebieden niet meer bereiken, neemt de duurzaamheid van de populatie af. Een gevolg kan zijn een verandering in de soortensamenstelling en het ecosysteem. Soorten zijn in verschillende mate gevoelig voor de versnippering van hun leefgebied. Het meest gevoelig zijn soorten met een gering verspreidingsvermogen, soorten die zich over de grond bewegen en soorten met een grote oppervlaktebehoefte. Versnippering door barrières zoals wegen en spoorlijnen leidt mogelijk ook tot sterfte van individuen en kan zo effect hebben op de populatiesamenstelling. Bij versnippering moet men altijd goed rekening houden met het schaalniveau van het populatienetwerk. Verzuring door stikstof uit de lucht Kenmerk Verzuring van bodem of water is een gevolg van de uitstoot (emissie) van stikstof (stikstofoxide (NOx), ammoniak (NH3)). Deze verzurende stoffen komen via lucht of water in de grond terecht en leiden zo tot het zuurder worden van het biotische milieu.

De belangrijkste bronnen van verzurende stoffen zijn de landbouw, het verkeer en de industrie.

Interactie andere factoren De effecten van verzurende stoffen zijn niet altijd te scheiden van die van vermestende stoffen, omdat een deel van de verzurende stoffen ook vermestend werkt (aanvoer van stikstof). Gevolg Verzuring leidt tot een directe of indirecte afname van de buffercapaciteit (het neutralisatievermogen) van bodem of water. Op termijn resulteert dit proces in een daling van de zuurgraad. Hierdoor zullen voor verzuring gevoelige soorten verdwijnen, wat kan resulteren in een verandering van het habitattype en daarmee mogelijk het verdwijnen van typische (dier)soorten, zoals bijvoorbeeld amfibieën en reptielen die voor hun voortplanting afhankelijk zijn van waterlichamen. Vermesting door stikstof uit de lucht Kenmerk Vermesting is in dit geval de 'verrijking' van ecosystemen door stikstofdepositie. Het gaat daarbij om aanvoer door de lucht (droge en natte neerslag van ammoniak en stikstofoxiden) Interactie andere factoren Stoffen die leiden tot vermesting kunnen ook leiden tot verzuring. Vermesting (en verzuring) kunnen op hun beurt leiden tot verontreiniging van het oppervlakte- en grondwater. Gevolg De groei in veel natuurlijke landecosystemen zoals bossen, vennen en heidevelden wordt gelimiteerd door de beschikbaarheid van stikstof. Het gevolg van stikstofdepositie is dat deze extra stikstof extra groei geeft.

Daarbij is de beschikbaarheid van stikstof bepalend voor de concurrentieverhoudingen tussen de plantensoorten. Als de stikstofdepositie boven een bepaald kritisch niveau komt, neemt een beperkt aantal plantensoorten sterk toe ten koste van andere plantensoorten. Dit heeft ook effect op de fauna, doordat hierdoor verandering van het leefgebied optreedt, waardoor een gebied ongeschikt wordt als bijvoorbeeld broed- of foerageergebied. Verontreiniging Kenmerk Er is sprake van verontreiniging als er verhoogde concentraties van stoffen in een gebied voorkomen; stoffen die onder natuurlijke omstandigheden niet of in zeer lage concentraties aanwezig zijn. Bij verontreiniging is sprake van een zeer brede groep van ecosysteemvreemde/gebiedsvreemde stoffen: organische verbindingen, zware metalen, schadelijke stoffen die ontstaan door verbranding of productieprocessen, straling (radioactief en niet radioactief), geneesmiddelen, endocrien werkende stoffen enzovoort. Deze stoffen werken in op de bodem, grondwater, lucht. Interactie andere factoren Geen directe interactie met andere factoren. Wel kan verontreiniging als gevolg van andere factoren optreden. Gevolg Vrijwel alle soorten en habitattypen reageren op verontreiniging. De ecologische effecten uiten zich in het verdwijnen van soorten en/of het beïnvloeden van gevoelige ecologische processen.

Deze beïnvloeding kan direct plaatsvinden, maar ook indirect via een opeenvolging van ecologische interacties. Bovendien kan verontreiniging zich pas vele jaren/decennia later manifesteren. De gevolgen van verontreiniging zijn divers en complex. In het algemeen kan gesteld worden dat aquatische habitattypen en -soorten gevoeliger zijn dan terrestrische systemen. Ook geldt dat soorten in de top van de voedselpiramide, als gevolg van accumulatie, van verontreinigingen gevoeliger zijn. Echter, afhankelijk van de concentratie en duur van de verontreiniging zijn alle habitattypen en -soorten gevoelig en kan verontreiniging leiden tot verandering van de soortensamenstelling.

Verdroging Kenmerk Verdroging uit zich in lagere grondwaterstanden en/of afnemende kwel. De actuele grondwaterstand is zo lager dan de gewenste/benodigde grondwaterstand. Interactie andere factoren Verdroging kan tevens leiden tot verzilting. Door verdroging neemt ook de doorluchting van de bodem toe, waardoor meer organisch materiaal wordt afgebroken. Op deze wijze leidt verdroging tevens tot vermesting. Er zijn ook gebieden waar verdroging kan optreden zonder dat de grondwaterstand in de ondiepe bodem daalt. Het gaat daarbij om gebieden waar van oudsher grondwater omhoogkomt. Dit water heet kwelwater. Kwelwater is water dat elders in de bodem is geïnfiltreerd en dat naar het laagste punt in het landschap stroomt. Kwelwater heeft dikwijls een bijzondere samenstelling: het is rijk aan ijzer en calcium, arm aan voedingsstoffen en niet zuur, maar gebufferd. Schade aan de natuur die veroorzaakt wordt door een afname of het verdwijnen van kwelwater en het vervangen van dit type water met gebiedsvreemd water, noemen we ook verdroging. Gevolg De verandering in grondwaterstand en soms ook kwaliteit van het grondwater leidt tot een verandering in de soortensamenstelling en op lange termijn van het habitattype. Verstoring door geluid Kenmerk Verstoring door onnatuurlijke geluidsbronnen; permanent zoals geluid wegverkeer en/of tijdelijk zoals geluidsbelasting bij evenementen.

Geluid is een hoorbare trilling, gekenmerkt door geluidsdruk en frequentie. Interactie andere factoren Treedt vaak samen met visuele verstoring op door bijvoorbeeld vlieg- en autoverkeer, manifestaties enzovoort. Gevolg Logischerwijs zijn alleen diersoorten gevoelig voor direct effecten van geluid. Geluid sec is een belangrijke factor in de verstoring van fauna. De verstoring door geluid wordt beïnvloed door het achtergrondgeluid en de duur, frequentie en sterkte van de geluidsbron zelf. Geluidsbelasting kan leiden tot stress en/of vluchtgedrag van individuen. Dit kan vervolgens weer leiden tot het verlaten van het leefgebied of bijvoorbeeld een afname van het reproductieproces. In bepaalde gevallen kan ook gewenning optreden, in het bijzonder bij continu geluid. Voor zeezoogdieren en vogels is in bepaalde gevallen deze dosis-effectrelatie goed gekwantificeerd. Verstoring door licht Kenmerk Verstoring door kunstmatige lichtbronnen, zoals licht uit woonwijken en industrieterreinen, glastuinbouw enzovoort. Interactie andere factoren Onbekend. Gevolg Kunstmatige verlichting van de nachtelijke omgeving kan tot verstoring van het normale gedrag van soorten leiden. Naar mogelijke effecten is nog vrij weinig onderzoek gedaan. Veel kennis gaat daarom nog niet verder dan het kwalitatief signaleren van risico’s.

Met name schemer- en nachtactieve dieren kunnen last hebben van verstoring door licht, doordat zij juist aangetrokken of verdreven worden door de lichtbron. Hierdoor raakt bijvoorbeeld hun ritme ontregeld of worden verlichte delen van het leefgebied vermeden.

Verstoring door trilling Kenmerk Er is sprake van trillingen in bodem en water als dergelijke trillingen door menselijke activiteiten veroorzaakt worden, zoals bij boren, heien, draaien van rotorbladen enzovoort. Interactie andere factoren Kan vooral samen optreden met verstoring door geluid Gevolg Trilling kan leiden tot verstoring van het natuurlijke gedrag van soorten. Individuen kunnen tijdelijk of permanent verdreven worden uit hun leefgebied. Over het daadwerkelijke effect van trilling is nog zeer weinig bekend. Naar het effect op zeezoogdieren is wel onderzoek verricht. Optische verstoring Kenmerk Optische verstoring betreft verstoring door de aanwezigheid en/of beweging van mensen en/of voorwerpen die niet thuishoren in het natuurlijke systeem. Interactie andere factoren Treedt vaak samen op met verstoring door geluid (in geval van recreatie) of trilling en licht (in geval van voertuigen, schepen). Gevolg Optische verstoring leidt vooral tot vluchtgedrag van dieren. De soort reageert bijvoorbeeld op beweging omdat een potentiële vijand wordt verwacht. Andersom kan optische verstoring juist ook het uitzicht van soorten beperken, waardoor zij potentiële vijanden niet zien naderen. De daadwerkelijke effecten zijn zeer soortspecifiek en hangen van de schuwheid van de soort af en de mate waarin gewenning optreedt.

Bovendien kunnen de effecten afhankelijk zijn van de periode van de levenscyclus van de soort: in de broedtijd zijn soorten over het algemeen schuwer en dus gevoeliger voor optische verstoring. Verstoring door mechanische effecten Kenmerk Onder mechanische effecten vallen verstoring door betreding, golfslag, luchtwervelingen enzovoort die optreden door menselijke activiteiten. De oorzaken en gevolgen zijn bij deze storende factor zeer divers. Interactie andere factoren Verstoring kan samenvallen met verstoring door geluid, licht en trilling. Gevolg Deze storende factor kan leiden tot een verandering van het habitattype en/of verstoring of het doden van fauna-individuen. Bij habitattypen treedt de verstoring/verandering vaak op door recreatie of bijvoorbeeld militaire activiteiten. Het effect is zeer afhankelijk van de kwetsbaarheid (gevoeligheid) van het habitattype. Waterrecreatie en scheepvaart leiden tot golfslag, wat effect kan hebben op de oeverbegroeiing en waterfauna. Luchtwervelingen van bijvoorbeeld windmolens kunnen leiden tot vogelsterfte.

Onderzoek stikstofdepositie

Onderzoek stikstofdepositie

Wapenveld, Natuurbegraafplaats De Polberg Familie Stuyling de Lange

Datum: 22-6-2020 Projectnummer: 190627

INHOUD

1

Inleiding

3

2

Planbeschrijving en uitgangspunten

5

2.1 2.2

Huidige situatie Toekomstige situatie, gebruiksfase

5 5

3

Natura 2000-gebieden en stikstofdepositie

7

3.1 3.2

Gebiedsbescherming Wet natuurbescherming Verstoring van Natura 2000-gebieden door stikstof

7 7

4

Berekeningsmethodiek

9

5

Resultaten

10

5.1

Gebruiksfase

10

6

Conclusie

11

Bijlage 1: Aerius-bestand

1

Inleiding Het voornemen bestaat om op het landgoed De Polberg en een deel van Landgoed Winfried te Wapenveld, gemeente Heerde, een natuurbegraafplaats te ontwikkelen. Het plangebied is onderdeel van het Natura 2000-gebied ‘Veluwe’. Ten behoeve van de beoogde ontwikkeling is het noodzakelijk de stikstofuitstoot inzichtelijk maken. In Natura 2000-gebieden zijn habitattypen aanwezig die gevoelig zijn voor de verzurende en vermestende werking van stikstofdepositie. Om in het kader van een mogelijke vergunningaanvraag Wet natuurbescherming te onderzoeken wat de stikstofdepositie is een berekening benodigd. Hiervoor is gebruik gemaakt van het programma Aerius Calculator 2019A (versie 14 januari 2020). Dit rapport is een uitwerking van dit onderzoek naar de stikstofdepositie als gevolg van onderhavig plan. De locatie van het project ligt voor de meest dichtbij zijnde Natura 2000-gebieden op de volgende afstanden: - Veluwe 0 meter, onderdeel van het gebied - Rijntakken circa 1 kilometer Overige Natura 2000-gebieden zijn op grotere afstand van het plangebied gelegen. De opgesomde en grafisch weergegeven (Figuur 1) Natura 2000-gebieden zijn niet per definitie gelijk aan de Natura 2000-gebieden met stikstofgevoelige habitattypen maar geven slechts een overzicht van de ligging van het plan ten opzichte van nabijgelegen Natura 2000-gebieden.

Figuur 1 Situering plangebied (in rood) ten opzichte van Natura 2000-gebieden

3

Figuur 2 geeft een nadere situering van het plangebied weer. Figuur 3 geeft vervolgens de toekomstige situatie van het plangebied weer.

Figuur 2 Topografische kaart met globale aanduiding projectgebied in blauw

Parkeerplaats Beheerderswoning

Wapenveldseweg

Parkeerplaats Veluwe Pompstation

Parkeerplaats Wapenveldseweg

Groteweg

Figuur 3 Plangebied Natuurbegraafplaats

4

2 2.1

Planbeschrijving en uitgangspunten Huidige situatie Het plangebied ligt in het Natura 2000-gebied ‘Veluwe’ en in de huidige situatie in gebruik als twee landgoederen. De bestaande bebouwing zal worden ontwikkeld tot onderdeel van de toekomstige natuurbegraafplaats. Het totale perceel omvat 77 hectare. De beheerderswoning kent in de huidige situatie een jaarlijkse gasverbruik van circa 1.500 m3 gas. Daarmee vormt het stoken in de huidige situatie een relevante bron ten aanzien van stikstofdepositie. Op basis van de stikstofconcentratie en de stookwaarde van aardgas is een berekening gemaakt van de totale emissie per jaar. De emissie van de beheerderswoning bedraagt op dit moment circa 0,9 kg stikstof/j.

2.2

Toekomstige situatie, gebruiksfase De toekomstige natuurbegraafplaats ‘De Polberg’ zal worden gerealiseerd op 62 hectare van de totaal 77 hectare die de landgoederen omvatten. De opdrachtgever gaat uit van een gemiddeld aantal van 250 begravingen per jaar op het terrein. De natuurbegraafplaats zal op zijn vroegst in 2021 in gebruik worden genomen, derhalve is in dit onderzoek uitgegaan van rekenjaar 2021. In de navolgende paragraven wordt allereerst ingegaan op de stikstofdepositie door de natuurbegravingen zelf. Vervolgens het toekomstig gebruik van de natuurbegraafplaats inzichtelijk gemaakt.

2.2.1

Stikstofdepositie natuurbegravingen Door Wageningen Environmental Research (Alterra) is in opdracht van Natuurmonumenten in oktober 2017 onderzoek verricht naar de effecten van natuurgevragen op 1 de vegetatie . Het rapport heeft de vegetatie op Natuurbegraafplaats Heidepol onderzocht, op het voormalige landgoed Heidepol waar natuurbegraven wordt gecombineerd met de natuurontwikkeling van o.a. graslanden, heide en hoogwaardiger bos. De locatie Heidepol is onderdeel van het Natura 2000-gebied ‘Veluwe’, daarmee is er sprake van een vergelijkbare natuurbegraafplaats met de plannen voor landgoed ‘De Polberg’. Uit het onderzoek van onder andere de bodemanalyses blijkt dat natuurbegraven geen invloed heeft op de onderzochte natuurtypen, de verschillen tussen de natuurgraven en de controleplots zijn niet significant, aldus het rapport. Aangezien er wordt geconcludeerd dat dit onderzoeksresultaat ook van toepassing is op vergelijkbare situaties elders en in dit onderzoek naar de stikstofdepositie van Natuurbegraafplaats ‘De Polberg’ sprake is van een vergelijkbare situatie, kan worden verondersteld dat er geen relevante stikstofdepositie ten gevolge van de natuurbegravingen plaatsvindt.

1

Wageningen Environmental Research (Alterra). Rapport 2846. ‘Effecten van natuurbegraven op de vegetarie op Natuurbegraafplaats Heidepol’. Wageningen, oktober 2017. 5

De stikstofdepositie voor de gebruiksfase betreft voor dit plan enkel de stikstofdepositie door de verkeersgeneratie en mogelijke werktuigen. 2.2.2

Gebruik natuurbegraafplaats Door de opdrachtgever is aangegeven dat er jaarlijks circa 250 begravingen zullen plaatsvinden op de beoogde natuurbegraafplaats. Aan de hand van CROW-publicatie 381, d.d. december 2018, is de verkeersgeneratie bepaald. Aan de hand van de omgevingsadressendichtheid (CBS, 2019) wordt de stedelijkheidsgraad van een gemeente vastgesteld. De gemeente Heerde wordt geclassificeerd als ‘weinig stedelijk’. Onderhavige locatie wordt beschouwd als ‘buitengebied.’ Onderstaande tabel geeft de verkeersgeneratie weer van de beoogde ontwikkeling waarbij het getal naar boven is afgrond. CROW kent een algemeen kencijfer voor begraafplaatsen met een verkeersgeneratie op basis van het aantal plechtigheden, waarbij rekening wordt gehouden met een aandeel van 95% bezoekers van de begraafplaats, het overige gedeelte betreft verkeer door personeel en dergelijke. Het aandeel bezoekers heeft daarbij betrekking op zowel het bezoek van plechtigheden evenals het bezoek in de periode na de plechtigheid. Tabel 1 Berekening verkeersgeneratie kenmerk aantal kencijfer Begraafplaats 250 44,4 totaal afgerond

per plechtigheid

totaal per jaar 11.100,0 11.100

Parkeren ten behoeve van de natuurbegraafplaats vindt plaats op een nieuw aan te leggen parkeerplaats in de nabijheid van de huidige beheerderswoning. Het verkeer is derhalve volledig gemodelleerd vanaf de parkeerplaats ‘Beheerderswoning’ tot aan de Groteweg, waar het ruimschoots is opgenomen in het heersende verkeersbeeld. Gezien de locatie van de natuurbegraafplaats als onderdeel van een Natura 2000-gebied zal de aanleg van de parkeervakken door middel van elektrische werktuigen plaatsvinden. Werkverkeer ten behoeve van deze aanleg zal rijden via de Groteweg en is derhalve ruimschoots opgenomen in het heersende verkeersbeeld. Ten behoeve van het delven van graven is uitgegaan van het gebruik van een elektrische minigraver. Onderstaande tabel geeft de mobiele werktuigen weer. Tabel 2 Mobiele werktuigen t.b.v. natuurbegraafplaats Type voertuig Vermogen in kW Categorie / bouwjaar Minigraver 56 - 75 elektrisch

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Heerde&id=7089c7db-9449-4501-b3c5-a8f89729faf4