CConstaterende datHeerde
Koppel je AI →
Document · PDF

15.3. TOE BP Wapenveld, Nieuw Ennerveld ontwerp (01-03-2021).pdf

Raad 5 juli 2021, gemeente HeerdeBij agendapunt: A Bestemmingsplan Nieuw Ennerveld17.204 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 3

5.1

Geluid

5.1.1

Wettelijk kader

De Wet geluidhinder (Wgh) bevat geluidnormen en richtlijnen over de toelaatbaarheid van geluidniveaus als gevolg van rail- en wegverkeerslawaai en industrielawaai. De Wgh geeft aan dat een akoestisch onderzoek moet worden uitgevoerd bij het voorbereiden van de vaststelling van een bestemmingsplan of het nemen van een omgevingsvergunning indien het plan een geluidgevoelig object mogelijk maakt binnen een geluidszone van een bestaande geluidsbron of indien het plan een nieuwe geluidsbron mogelijk maakt. Het akoestisch onderzoek moet uitwijzen of de wettelijke voorkeurswaarde bij geluidgevoelige objecten wordt overschreden en zo ja, welke maatregelen nodig zijn om aan de voorkeurswaarde te voldoen. 5.1.2

Situatie plangebied

Het plan voorziet in de realisatie van één geluidgevoelig object, namelijk de beoogde bedrijfswoning. Recreatiewoningen zijn niet geluidsgevoelig in de zin van de Wet geluidhinder, echter dient er wel sprake te zijn van een goede ruimtelijke ordening. Daarom wordt hierna zowel aan de bedrijfswoning als de recreatiewoningen getoetst. 5.1.2.1 Industrielawaai In de omgeving van het plangebied is geen gezoneerd bedrijventerrein, zoals bedoeld in de Wet geluidhinder, aanwezig. Het aspect industrielawaai is niet van toepassing. Wat betreft de invloed van individuele bedrijven op de nieuwe bedrijfswoning wordt verwezen naar paragraaf 5.5 (milieuzonering). 5.1.2.2 Railverkeerslawaai Railverkeerslawaai wordt in dit geval buiten beschouwing gelaten omdat voor beide locaties de dichtstbijzijnde spoorlijn op zeer ruime afstand van het plangebied is gelegen. 5.1.2.3 Wegverkeerslawaai In artikel 74 van de Wgh is aangegeven dat wegen aan weerszijden van de weg een wettelijke geluidszone hebben waarvan de grootte afhankelijk is van het aantal rijstroken en van de ligging van het plangebied (binnenstedelijk gebied of buitenstedelijk gebied). De nieuwe bedrijfswoning ligt in ‘buitenstedelijk’ gebied binnen de wettelijk vastgestelde geluidszone, als bedoeld in art. 74 van de Wet geluidhinder, van de Molenweg.

De voorkeurswaarde voor de geluidbelasting op de gevels van een woning ten gevolge van een weg bedraagt 48 dB.

BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies

24

Bestemmingsplan “Buitengebied West, Nieuw Ennerveld” Ontwerp De gemeente beschikt over een Milieumodel. Het Milieumodel is samengesteld aan de hand van gegevens van verkeerstellingen en prognoses van de verkeersintensiteit in de komende jaren. Het Milieumodel geeft een beeld van de geluidbelasting als gevolg van het wegverkeer. Uit het Milieumodel is naar voren gekomen dat ter plaatse van het plangebied de 48 dB contour op 27 meter uit de hart van de Molenweg is gelegen. De bedrijfswoning wordt naar verwachting gerealiseerd op een ruimere afstand, waarmee voldaan zal worden aan de voorkeurswaarde. In de regels is vastgelegd dat de bedrijfswoning minimaal 27 meter uit de as van de Molenweg moet worden gerealiseerd. Het uitvoeren van een akoestisch onderzoek is niet noodzakelijk. Mocht het voornemen zijn om de bedrijfswoning op kortere afstand van de weg te realiseren dan middels een afwijkingsbevoegdheid van de betreffende afstand worden afgeweken. Wel zal dan uit akoestisch onderzoek moeten blijken dat aan de voorkeurswaarde wordt voldaan. Wat betreft de recreatiewoningen wordt opgemerkt dat de belasting ten gevolge van het verkeer op de Molenweg -zoals hiervoor beschreven- relatief laag is. Op basis van de in dit bestemmingsplan opgenomen regels moeten de recreatiewoningen, vanwege verkeerskundige overwegingen, minimaal 20 meter uit de as van de weg worden gesitueerd.

Op een dergelijke afstand bedraagt de geluidsbelasting op recreatiewoningen circa 50 dB. Dit betreft geen hoge geluidsbelasting en is dan ook goed te motiveren in geval van recreatiewoningen. Opgemerkt wordt dat de recreatiewoningen op grotere afstand uit de Molenweg zijn voorzien, buiten de 48 dB contour. Daarnaast wordt gedacht aan aardewallen langs de Molenweg, waardoor de belasting nog lager zal uitvallen. Resumerend wordt dan ook gesteld dat het realiseren van recreatiewoningen binnen het plangebied in overeenstemming is met een goede ruimtelijke ordening. 5.1.3

Conclusie

De Wet geluidhinder vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van het plan.

5.2

Bodemkwaliteit

5.2.1

Algemeen

Bij de vaststelling van een bestemmingsplan dient te worden bepaald of de aanwezige bodemkwaliteit past bij het toekomstige gebruik van die bodem en of deze aspecten optimaal op elkaar kunnen worden afgestemd. Om hierin inzicht te krijgen, dient doorgaans een (asbest)bodemonderzoek te worden verricht conform de geldende richtlijnen. Kruse Milieu heeft in voorliggend geval een verkennend bodemonderzoek conform NEN 5740, NEN 5707 en NEN 5897 uitgevoerd. Hierna zijn de conclusies uit het onderzoek opgenomen. Voor het volledige onderzoek wordt verwezen naar bijlage 1 bij deze toelichting. 5.2.2

Situatie plangebied

Op basis van de resultaten van de analyses kan het volgende worden geconcludeerd: 1.

2.

3.

De bovengrond is zeer licht verontreinigd. Aangezien de tussenwaarden niet worden overschreden, is er geen reden om een nader onderzoek uit te voeren. De 3 mengmonsters van de ondergrond zijn niet verontreinigd. Van de 5 geanalyseerde grondmengmonsters van de fijne fractie zijn er 4 niet asbesthoudend. Het mengmonster MM FF - 01 is asbesthoudend; het gewogen asbestgehalte is ruim lager dan de toetsingswaarde voor nader asbestonderzoek. De 2 mengmonsters van de fijne fractie van de puinlaag zijn niet asbesthoudend of het gewogen asbestgehalte is ruim lager dan de toetsingswaarde voor nader asbestonderzoek.

BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies

25

Bestemmingsplan “Buitengebied West, Nieuw Ennerveld” Ontwerp 5.2.4

Conclusie

Uit milieukundig oogpunt is er geen bezwaar tegen de voorgenomen bestemmingsplanwijziging en nieuwbouwplannen, aangezien de vastgestelde verontreinigingen geen risico's voor de volksgezondheid opleveren. De bodem wordt geschikt geacht voor het huidige en toekomstige gebruik (recreatie).

5.3

Luchtkwaliteit

5.3.1

Beoordelingskader

Om een goede luchtkwaliteit in Europa te garanderen heeft de Europese Unie een viertal kaderrichtlijnen opgesteld. De hiervan afgeleide Nederlandse wetgeving is vastgelegd in hoofdstuk 5, titel 2 van de Wet milieubeheer. Deze wetgeving staat ook bekend als de Wet luchtkwaliteit. In de Wet luchtkwaliteit staan onder meer de grenswaarden voor de verschillende luchtverontreinigende stoffen. Onderdeel van de Wet luchtkwaliteit zijn de volgende Besluiten en Regelingen:  

Besluit en de Regeling niet in betekenende mate bijdragen (luchtkwaliteitseisen); Besluit gevoelige bestemmingen (luchtkwaliteitseisen);

5.3.1.1 Besluit en de Regeling niet in betekenende mate bijdragen Het Besluit niet in betekenende mate bijdragen (NIBM) staat bouwprojecten toe wanneer de bijdrage aan de luchtkwaliteit van het desbetreffende project niet in betekenende mate is. Het begrip “niet in betekenende mate” is gedefinieerd als 3% van de grenswaarden uit de Wet milieubeheer. Het gaat hierbij uitsluitend om stikstofdioxide (NO2) en fijn stof (PM10). Toetsing aan andere luchtverontreinigende stoffen uit de Wet luchtkwaliteit vindt niet plaats. In de Regeling NIBM is een lijst met categorieën van gevallen (inrichtingen, kantoor- en woningbouwlocaties) opgenomen die niet in betekenende mate bijdragen aan de luchtverontreiniging. Enkele voorbeelden zijn:   

woningen: 1.500 met een enkele ontsluitingsweg; woningen: 3.000 met twee ontsluitingswegen; kantoren: 100.000 m2 bruto vloeroppervlak met een enkele ontsluitingsweg.

Als een ruimtelijke ontwikkeling niet genoemd staat in de Regeling NIBM kan deze nog steeds niet in betekenende mate bijdragen. De bijdrage aan NO2 en PM10 moet dan minder zijn dan 3% van de grenswaarden. 5.3.2

Situatie plangebied

Gelet op de aard en omvang van voorliggende ontwikkeling in vergelijking met de voorgenoemde categorieën, kan worden aangenomen dat voorliggend project ‘niet in betekenende mate bijdraagt’ aan de luchtverontreiniging. Vanuit planologisch oogpunt is juist sprake van een forse afname van het aantal verkeersbewegingen en dus luchtverontreiniging, omdat bij recht aanmerkelijk minder recreatiewoningen worden toegestaan. Tevens worden de nieuwe functies niet aangemerkt als gevoelige bestemming in het kader van het ‘Besluit gevoelige bestemmingen’. 5.3.3

Conclusie

Het aspect luchtkwaliteit vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van dit plan.

BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies

26

Bestemmingsplan “Buitengebied West, Nieuw Ennerveld” Ontwerp

5.4

Externe veiligheid

5.4.1

Algemeen

Externe veiligheid is een beleidsveld dat is gericht op het beheersen van risico's die ontstaan voor de omgeving bij de productie, de opslag, de verlading, het gebruik en het transport van gevaarlijke stoffen. Bij nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen moet worden getoetst aan wet- en regelgeving op het gebied van externe veiligheid. Concreet gaat het om risicovolle bedrijven, vervoer gevaarlijke stoffen per weg, spoor en water en transport gevaarlijke stoffen via buisleidingen. Op de diverse aspecten van externe veiligheid is afzonderlijke wetgeving van toepassing. Voor risicovolle bedrijven gelden onder meer: • • • • •

het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi); de Regeling externe veiligheid inrichtingen (Revi); het Registratiebesluit externe veiligheid; het Besluit risico’s zware ongevallen 2015 (Brzo 2015); het Vuurwerkbesluit.

Voor vervoer van gevaarlijke stoffen geldt de ‘Wet Basisnet vervoer gevaarlijke stoffen’ (Wet Basisnet). Dat vervoer gaat over water, spoor, wegen, per buisleiding of door de lucht. De regels van het Basisnet voor ruimtelijke ordening zijn vastgelegd in: • • •

het Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt); de Regeling basisnet; de (aanpassing) Regeling Bouwbesluit (veiligheidszone en plasbrandaandachtsgebied).

De regelgeving omtrent het vervoer van gevaarlijke stoffen via buisleiding is vastgelegd in het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb). Het doel van wetgeving op het gebied van externe veiligheid is risico's waaraan burgers in hun leefomgeving worden blootgesteld vanwege risicovolle inrichtingen en activiteiten tot een aanvaardbaar minimum te beperken. Het is noodzakelijk inzicht te hebben in de kwetsbare en beperkt kwetsbare objecten en het plaatsgebonden en het groepsrisico. 5.4.2

Situatie plangebied

Aan de hand van de Risicokaart is een inventarisatie verricht van risicobronnen in en rond het plangebied. Op de Risicokaart staan meerdere soorten risico's, zoals ongevallen met brandbare, explosieve en giftige stoffen, grote branden of verstoring van de openbare orde. In afbeelding 5.1 is een uitsnede van de Risicokaart opgenomen.

BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies

27

Bestemmingsplan “Buitengebied West, Nieuw Ennerveld” Ontwerp

Afbeelding 5.1: Uitsnede Risicokaart Gelderland (Bron: Risicokaart.nl)

Uit de inventarisatie blijkt dan ook dat het plangebied: • zich niet bevindt binnen de risicocontour van Bevi- en Brzo-inrichtingen danwel inrichtingen die vallen onder het Vuurwerkbesluit (plaatsgebonden risico); • zich niet bevindt binnen een gebied waarbinnen een verantwoording van het groepsrisico nodig is; • niet is gelegen binnen de veiligheidsafstanden van het vervoer gevaarlijke stoffen; • niet is gelegen binnen de veiligheidsafstanden van buisleidingen voor het vervoer van gevaarlijke stoffen. 5.4.3

Conclusie

Een en ander brengt met zich mee dat het project in overeenstemming is met wet- en regelgeving ter zake van externe veiligheid.

5.5

Milieuzonering

5.5.1

Algemeen

Zowel de ruimtelijke ordening als het milieubeleid stellen zich ten doel een goede kwaliteit van het leefmilieu te handhaven en te bevorderen. Dit gebeurt onder andere door milieuzonering. Onder milieuzonering verstaan we het aanbrengen van een voldoende ruimtelijke scheiding tussen milieubelastende bedrijven of inrichtingen enerzijds en milieugevoelige functies als wonen en recreëren anderzijds. De ruimtelijke scheiding bestaat doorgaans uit het aanhouden van een bepaalde afstand tussen milieubelastende en milieugevoelige functies. Die onderlinge afstand moet groter zijn naarmate de milieubelastende functie het milieu sterker belast. Milieuzonering heeft twee doelen: •

het voorkomen of zoveel mogelijk beperken van hinder en gevaar bij woningen en andere gevoelige functies;

BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies

28

Bestemmingsplan “Buitengebied West, Nieuw Ennerveld” Ontwerp •

het bieden van voldoende zekerheid aan bedrijven dat zij hun activiteiten duurzaam onder aanvaardbare voorwaarden kunnen uitoefenen.

Voor het bepalen van de aan te houden afstanden wordt de VNG-uitgave “Bedrijven en Milieuzonering” uit 2009 gehanteerd. Deze uitgave bevat een lijst, waarin voor een hele reeks van milieubelastende activiteiten (naar SBI-code gerangschikt) richtafstanden zijn gegeven ten opzichte van milieugevoelige functies. De lijst geeft richtafstanden voor de ruimtelijk relevante milieuaspecten geur, stof, geluid en gevaar. De grootste van de vier richtafstanden is bepalend voor de indeling van een milieubelastende activiteit in een milieucategorie en daarmee ook voor de uiteindelijke richtafstand. De richtafstandenlijst gaat uit van gemiddeld moderne bedrijven. Indien bekend is welke activiteiten concreet zullen worden uitgeoefend, kan gemotiveerd worden uitgegaan van de daadwerkelijk te verwachten milieubelasting, in plaats van de richtafstanden. De afstanden worden gemeten tussen enerzijds de grens van de bestemming die de milieubelastende functie(s) toelaat en anderzijds de uiterste situering van de gevel van een milieugevoelige functie die op grond van het bestemmingsplan/wijzigingsplan mogelijk is. Hoewel deze richtafstanden indicatief zijn, volgt uit jurisprudentie dat deze afstanden als harde eis gezien worden door de Raad van State bij de beoordeling of woningen op een passende afstand van bedrijven worden gesitueerd. 5.5.2

Gebiedstypen

Volgens de VNG-uitgave “Bedrijven en Milieuzonering” dient eerst te worden beoordeeld of in de omgeving sprake is van een ‘rustige woonwijk’ of een ‘gemengd gebied’. Een rustige woonwijk is een woonwijk die is ingericht volgens het principe van functiescheiding. Overige functies komen vrijwel niet voor. Langs de randen is weinig verstoring van verkeer. In de VNG-uitgave wordt het buitengebied veelal gerekend tot het omgevingstype ‘rustige woonwijk’. Een ‘gemengd gebied’ is een gebied met een matige tot sterke functiemenging. Direct naast woningen komen andere functies voor zoals winkels, horeca en kleine bedrijven. Ook lintbebouwing in het buitengebied met overwegend agrarische en andere bedrijvigheid kan als gemengd gebied worden beschouwd. Gebieden die direct langs de hoofdinfrastructuur liggen, behoren eveneens tot het omgevingstype gemengd gebied. Hier kan de verhoogde milieubelasting voor geluid de toepassing van kleinere richtafstanden rechtvaardigen. Geluid is voor de te hanteren afstand van milieubelastende activiteiten veelal bepalend. Het plangebied is gelegen in het buitengebied, waar geen sprake is van een matige of sterke functiemenging. Daarom wordt in dit geval uitgegaan van het omgevingstype “rustige woonwijk”. Milieucategorie 1 2 3.1 3.2 4.1 4.2 5.1 5.2 5.3 6

5.5.2

Richtafstanden tot omgevingstype rustige woonwijk 10 m 30 m 50 m 100 m 200 m 300 m 500 m 700 m 1.000 m 1.500 m

Richtafstanden tot omgevingstype gemengd gebied 0m 10 m 30 m 50 m 100 m 200 m 300 m 500 m 700 m 1.000 m

Situatie plangebied

5.5.2.1 Algemeen Aan de hand van vorenstaande regeling is onderzoek verricht naar de feitelijke situatie. De VNG-uitgave “Bedrijven en Milieuzonering” geeft een eerste inzicht in de milieuhinder van inrichtingen.

BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies

29

Bestemmingsplan “Buitengebied West, Nieuw Ennerveld” Ontwerp Zoals reeds hiervoor genoemd, wordt bij het realiseren van nieuwe bestemmingen gekeken naar de omgeving waarin de nieuwe bestemmingen gerealiseerd worden. Hierbij spelen twee vragen en rol: 1. 2.

past de nieuwe functie in de omgeving? (externe werking); laat de omgeving de nieuwe functie toe? (interne werking).

5.5.2.2 Externe werking Hierbij gaat het met name om de vraag of de voorgenomen ruimtelijke ontwikkeling leidt tot een situatie die, vanuit hinder of gevaar bezien, in strijd is te achten met een goede ruimtelijke ontwikkeling. Daarvan is sprake als het woon- en leefklimaat van omwonenden in ernstige mate wordt aangetast. Op basis van de VNG-uitgave 'Bedrijven en milieuzonering' wordt het recreatieterrein aangemerkt als ‘Kampeerterreinen, vakantiecentra, e.d. (met keuken)’. Dergelijke inrichtingen vallen onder milieucategorie 3.1, waarbij de grootste richtafstand van 50 meter geldt voor het aspect geluid. Voor de aspecten geur en gevaar geldt een richtafstand van 30 meter en voor het aspect stof 0 meter. De dichtstbijzijnde milieugevoelige objecten zijn gelegen op een afstand van meer dan 400 meter ten opzichte van het plangebied. In voorliggend geval wordt dan ook aan de richtafstanden voldaan en is van onevenredige aantasting van het woon- en leefklimaat van omwonenden geen sprake. 5.5.2.3 Interne werking Hierbij gaat het om de vraag of de nieuwe functies binnen het plangebied hinder ondervinden van bestaande functies in de omgeving. Woningen worden aangemerkt als milieugevoelige functies. Recreatiewoningen zijn in beginsel niet milieugevoelig in het kader van ‘Bedrijven en milieuzonering’, echter dient wel sprake te zijn van een goede ruimtelijke ordening.

In de omgeving van het plangebied zijn geen milieubelastende functies aanwezig. Ter plaatse van het plangebied is om die reden een aanvaardbaar woon- en leefklimaat te verwachten. 5.5.3

Conclusie

Het aspect milieuzonering vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van dit plan.

5.6

Geur

5.6.1

Algemeen

5.6.1.1 Wet geurhinder en veehouderij en Activiteitenbesluit De Wet geurhinder en veehouderij (Wgv) vormt het toetsingskader voor vergunningsplichtige veehouderijen, als het gaat om geurhinder. Voor meldingsplichtige veehouderijbedrijven is het beoordelingskader voor geurhinder opgenomen in het Activiteitenbesluit. De Wgv stelt één landsdekkend beoordelingskader met een indeling in twee categorieën. Voor diercategorieën waarvan de geuremissie per dier is vastgesteld, wordt deze waarde uitgedrukt in een ten hoogste toegestane geurbelasting op een geurgevoelig object. Voor de andere diercategorieën is die waarde een wettelijke vastgestelde afstand die ten minste moet worden aangehouden. Voor diercategorieën waarvoor in de Wgv een geuremissie per dier is vastgesteld geldt dat, buiten een concentratiegebied, de geurbelasting op geurgevoelige objecten binnen de bebouwde kom niet meer dan 2

BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies

30

Bestemmingsplan “Buitengebied West, Nieuw Ennerveld” Ontwerp odour units per kubieke meter lucht mag bedragen. Voor geurgevoelige objecten buiten de bebouwde kom mag deze niet meer bedragen dan 8 odour units per kubieke meter lucht. Op grond van de Wet geurhinder en veehouderij (Wgv) dient voor diercategorieën waarvoor per dier geen geuremissie is vastgesteld (bijvoorbeeld melkkoeien en paarden) en een geurgevoelig object de volgende afstanden aangehouden te worden: • •

ten minste 100 meter indien het geurgevoelige object binnen de bebouwde kom is gelegen, en ten minste 50 meter indien het geurgevoelige object buiten de bebouwde kom is gelegen.

Voor meldingsplichtige veehouderijbedrijven gelden tevens vaste afstandseisen. Deze eisen zijn gebaseerd op en komen overeen met de vaste afstanden zoals opgenomen in de Wgv. Op grond van het bepaalde in artikel 1 van de Wgv is een geurgevoelig object als volgt gedefinieerd: gebouw, bestemd voor en blijkens aard, indeling en inrichting geschikt om te worden gebruikt voor menselijk wonen of menselijk verblijf en die daarvoor permanent of een daarmee vergelijkbare wijze van gebruik, wordt gebruikt. 5.6.1.2 Activiteitenbesluit Vanaf 1 januari 2013 is het Activiteitbesluit ook van toepassing op agrarische activiteiten. Het Besluit landbouw milieubeheer is tegelijkertijd komen te vervallen. Agrarische bedrijven hebben geen vergunning meer nodig als al hun activiteiten onder de reikwijdte van het Activiteitenbesluit vallen. Dit zijn type B-bedrijven, zoals veehouderijen, kinderboerderijen (en andere bedrijven die kleinschalig dieren houden), glastuinbouwbedrijven, bedrijven met teelt in gebouwen, bedrijven met open teelt, agrarische loonwerkers en losse opslagen (bijvoorbeeld mest). Voor geurhinder is in het Activiteitenbesluit een soortgelijk beoordelingskader opgenomen als in de Wet geurhinder en veehouderij (Wgv). Zo gelden binnen en buiten de bebouwde kom dezelfde normen als in de Wgv. Ook de geurbelasting wordt bepaald volgens het bepaalde in de Wgv.

Hetzelfde geldt voor het meten van de afstanden. 5.6.2

Beoordeling

In de omgeving van het plangebied zijn geen agrarische bedrijven gelegen. In voorliggend geval wordt voldaan aan de geldende afstanden en normen zoals genoemd in het Activiteitenbesluit en de Wet geurhinder en veehouderij. Omgekeerd levert de voorgenomen ontwikkeling geen beperking op voor de bedrijfsvoering van agrarische bedrijven. 5.6.3

Conclusie

Het aspect geur vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van dit plan.

5.7

Ecologie

5.7.1

Algemeen

Bescherming in het kader van de natuur wet- en regelgeving is op te delen in gebieds- en soortenbescherming. Sinds 1 januari 2017 is het wettelijk kader ten aanzien van gebieds- en soortenbescherming vastgelegd in de Wet natuurbescherming. Bij gebiedsbescherming heeft men te maken met de Wet natuurbescherming en het Natuurnetwerk Nederland (voorheen EHS). Soortenbescherming gaat uit van de bescherming van dier- en plantensoorten.

BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies

31

Bestemmingsplan “Buitengebied West, Nieuw Ennerveld” Ontwerp Buiting Advies heeft het plangebied onderzocht met betrekking tot gebieds- en soortenbescherming. In de volgende subparagrafen worden de resultaten uit dit onderzoek behandeld. Voor het volledige onderzoek wordt verwezen naar bijlage 2 van deze toelichting. 5.7.2

Gebiedsbescherming

5.7.2.1 Natura 2000-gebieden Natura 2000 is een samenhangend netwerk van natuurgebieden in Europa. Natura 2000 bestaat uit gebieden die zijn aangewezen in het kader van de Europese Vogelrichtlijn (79/409/EEG) en gebieden die zijn aangemeld op grond van de Europese Habitatrichtlijn (92/43/EEG). Deze gebieden worden in Nederland op grond van de Wet natuurbescherming (Wnb) beschermd. Het plangebied ligt in Natura 2000-gebied ‘Veluwe’. Vanwege de ligging in Natura 2000-gebied is er een passende beoordeling uitgevoerd. Voor een nadere toelichting op de milieueffecten wordt verwezen naar paragraaf 5.10 en het rapport welke opgenomen is in bijlage 3 bij deze toelichting. Voor de voorgenomen ontwikkelingen is een vergunning in het kader van de Wet natuurbescherming verleend. Voor de vergunning wordt verwezen naar bijlage 2 bij de regels. Naar aanleiding van een uitspraak van de Raad van State in september 2020 is de stikstofwetgeving en de bijbehorende rekenmethodiek gewijzigd. Buiting Advies heeft naar aanleiding hiervan de stikstofberekeningen geactualiseerd, waarbij tevens de stikstofdepositie vanuit het voormalige asielzoekerscentrum ter plaatse is berekend. Hierna is de conclusies uit de onderzoeken opgenomen. Voor de rapporten wordt verwezen naar bijlage 4 bij deze toelichting (onderzoeken gebundeld in de bijlage).

Resultaten In het onderstaande overzicht zijn de twee scenario’s weergegeven met de depositiewaardes van het voormalige asielzoekerscentrum in 2000.

Uit de berekening voor de aanlegfase blijkt dat de hectare met de hoogste bijdrage een depositiewaarde van 10,24 mol/hectare/jaar heeft. Deze hectare natuur maakt onderdeel uit van Natura 2000-gebied ‘Veluwe’. Wat betreft de gebruiksfase komt het eerste doorgerekende scenario met een bezetting van 40% per hectare neer op een bijdrage van ten hoogste 16,41 mol/ha/jaar. Het tweede doorgerekende scenario met een bezetting van 90% komt per hectare met de hoogste bijdrage uit op 36,91 mol/ha/jaar. In alle gevallen is na saldering sprake van een negatieve uitkomst van de depositiewaarde, inhoudende dat de depositie op Natura 2000 afneemt en dan ook sprake is van een positief effect. Gelet op het vorenstaande leidt het plan dan ook niet tot significant negatieve effecten op Natura 2000gebieden.

BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies

32

Bestemmingsplan “Buitengebied West, Nieuw Ennerveld” Ontwerp 5.7.2.2 Gelders Natuurnetwerk Het Nederlands natuurnetwerk (NNN), waarvan het Gelders Natuurnetwerk (GNN) deel uitmaakt, is de kern van het Nederlandse natuurbeleid. Het GNN is in provinciale structuurvisies uitgewerkt. In of in de directe nabijheid van het GNN geldt het ‘nee, tenzij’- principe. In principe zijn er geen ontwikkelingen toegestaan als zij de wezenlijke kenmerken of waarden van het gebied aantasten. In onderstaande afbeelding is de ligging van het plangebied in de ‘Groene ontwikkelingszone’ opgenomen.

Afbeelding 5.2

Uitsnede Gelders Natuurnetwerk (Bron: Provincie Gelderland)

Het plangebied ligt binnen het GO en de invloedsfeer van de voorgenomen activiteit is lokaal. Dat houdt in dat de voorgenomen activiteiten geen negatief effect (bijv. areaalvermindering) op het GNN. Voor een nadere toetsing van het initiatief aan de GO wordt verwezen naar subparagraaf 4.2.2.2. 5.7.2

Soortenbescherming

5.7.2.1 Algemeen Wat betreft de soortbescherming is de Wet natuurbescherming van toepassing. Hierin wordt onder andere de bescherming van dier- en plantensoorten geregeld. Bij ruimtelijke ontwikkelingen dient te worden getoetst of er sprake is van negatieve effecten op de aanwezige natuurwaarden. Als hiervan sprake is, moet ontheffing of vrijstelling worden gevraagd. 5.7.2.2 Onderzoeksresultaten soortenbescherming Flora De aanwezigheid van beschermde florasoorten is zo goed als uit te sluiten. Er is geen nader onderzoek naar beschermende flora noodzakelijk en er hoeft geen ontheffing te worden aangevraagd.

BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies

33

Bestemmingsplan “Buitengebied West, Nieuw Ennerveld” Ontwerp Vogels Alle broedvogels zijn beschermd via de Wet natuurbescherming. Nesten mogen niet worden beschadigd of vernield. De broedtijd van de meeste vogels loopt globaal van 15 maart tot 15 juli, maar ook daarbuiten zijn nesten beschermd. Indien in gebruik zijnde nesten worden aangetroffen, dan mogen deze niet worden beschadigd of weggenomen. Jaarrond beschermde nesten en verblijfplaatsen Nesten en verblijfplaatsen die jaarronde bescherming genieten zijn zo goed als zeker niet aanwezig. Wel zijn tijdens de veldonderzoeken en in de literatuur meerdere soorten aangetroffen met jaarrond beschermde nestplaatsen. Het wordt dan ook geadviseerd bomen die men voornemens is te kappen, voorafgaand te onderzoeken op eventuele verblijfplaatsen van nesten van jaarrond beschermde soorten. Zeer waarschijnlijk vinden de werkzaamheden doorlopend plaats en daarmee ook in het broedseizoen. Om verstoring van beschermde broedvogels en het vernielen van nesten tijdens de werkzaamheden te voorkomen wordt aangeraden een ecologisch werkprotocol op te stellen. Tevens is het raadzaam buiten het broedseizoen alle opgaande beplanting waarvan vaststaat dat deze op termijn wordt verwijderd, op voorhand te verwijderen.

Grondgebonden zoogdieren Boommarter en eekhoorn Tijdens de veldonderzoeken zijn geen (verblijfplaatsen van) eekhoorns of boommarters aangetroffen. Het wordt desalniettemin geadviseerd nogmaals bomen die men gaat kappen voorafgaand te onderzoeken op eventuele verblijfplaatsen van eekhoorns of boommarters. Das In de kuil is een burcht aanwezig, de vochtige, voedselrijke gronden in de kuil maken onderdeel uit van het essentieel foerageergebied. Er worden geen permanente effecten van de voorgenomen ontwikkelingen op de in het Ennerveld aanwezige dassen of verblijfplaats verwacht. Wel wordt geadviseerd een ecologisch werkprotocol op te stellen waarin wordt aangegeven hoe dient te worden omgegaan met de dassen en de dassenburcht en het essentieel leefgebied gedurende de werkzaamheden. Edelhert De kuil wordt door edelherten gebruikt als foerageergebied. In deze plannen wordt de hoeveelheid open vegetaties in de kuil vergroot. Zowel langs de randen als in de kuil blijft wel voldoende schuilgelegenheid aanwezig. De ontwikkelingen hebben vermoedelijk geen effect op de hier aanwezige edelherten. Ook worden gezien de relatief grote afstand tussen de ontwikkelingszone en de kuil en het feit dat de werkzaamheden overdag plaatsvinden geen verstorende effecten van de werkzaamheden op foeragerende edelherten verwacht.

Wild zwijn De kuil wordt door zo’n 10-25 wilde zwijnen gebruikt als foerageergebied en rustgebied. Men is voornemens zwijnen te weren uit delen van het Ennerveld (het ontwikkelingsgebied en mogelijk ook de kuil). Gezien het opportunisme van wilde zwijnen en de grote van het totale leefgebied (landgoed Petrea en omliggende terreinen) worden geen directe effecten op de wilde zwijnen verwacht indien deze uit de ontwikkelingszone en de kuil worden geweerd. Er worden geen overige beschermde grondgebonden zoogdieren verwacht. Er is geen nader onderzoek of ontheffing noodzakelijk.

BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies

34

Bestemmingsplan “Buitengebied West, Nieuw Ennerveld” Ontwerp Vleermuizen Gedurende het vleermuisonderzoek zijn slechts foeragerende vleermuizen aangetroffen in het Ennerveld. Er zijn geen gebouwen aanwezig die dienst kunnen doen als verblijfplaats voor vleermuizen. Er zijn binnen de ontwikkelingslocatie geen bomen met holten of andere potentiele verblijfplaatsen vastgesteld. Op locaties waar verder bomen dienen te worden verwijderd zijn ook geen potentiele verblijfplaatsen aangetroffen. Eventuele verblijfplaatsen elders binnen het plangebied ondervinden geen negatief effect van de ontwikkelingen. Het Ennerveld wordt door meerdere vleermuizen gebruikt als foerageergebied. Gezien de ligging van het Ennerveld op de Veluwe is geen sprake van een foerageergebied dat essentieel is voor de functionaliteit van een voortplantings- of verblijfplaats. Het is niet noodzakelijk een ontheffing aan te vragen voor de effecten op vleermuizen van de voorgenomen ingrepen. Wel wordt aangeraden het Ennerveld ‘s-nachts zo donker mogelijk te houden, indien dit niet mogelijk is dient men vleermuisvriendelijke verlichting aan te brengen. Reptielen en amfibieën Hazelworm en zandhagedis Tijdens het veldonderzoek is de beschermde hazelworm op meerdere locaties in de kuil aangetroffen.

Op de ontwikkelingslocatie is de soort niet aangetroffen, maar het is ook niet geheel uit te sluiten dat hier af en toe een hazelworm aanwezig is. Het Ennerveld zal als voortplantingslocatie en rustlocatie blijven functioneren. Tijdens de veldonderzoeken zijn geen zandhagedissen aangetroffen, mogelijk doorkruist een zandhagedis van naburige populaties de ontwikkelingszone van het Ennerveld. Tijdens de werkzaamheden kunnen hazelwormen en zandhagedissen worden gedood door bijvoorbeeld rijdende machines. Ook het doden van hazelwormen en zandhagedissen is verboden (Wet natuurbescherming 3.10 en 3.5). Er wordt geadviseerd een ecologisch werkprotocol op te stellen waarin wordt aangegeven hoe dient te worden omgegaan met hazelwormen en eventuele zandhagedissen binnen het plangebied. Dit om het doden van dieren tijdens de werkzaamheden tegen te gaan. Er worden geen overige beschermde reptielen en amfibieën verwacht. Er is geen nader onderzoek en geen ontheffing noodzakelijk. Vissen Er worden geen beschermde vissen verwacht. Er is geen nader onderzoek en geen ontheffing noodzakelijk. Ongewervelden Er worden geen beschermde ongewervelden (dagvlinders, libellen, kevers, etc.) verwacht. Er is geen nader onderzoek en geen ontheffing noodzakelijk. 5.7.3

Conclusie

Het uitvoeren van een nader onderzoek of het aanvragen van een ontheffing in het kader van soortenbescherming is niet noodzakelijk. Wel dient rekening gehouden te worden met de in de tabel genoemde bijzonderheden/ opmerkingen en de opgenomen adviezen en aanbevelingen. Wat betreft gebiedsbescherming is middels de passende beoordeling en de geactualiseerde stikstofonderzoeken aangetoond dat er geen significant negatieve effecten op het Natura 2000-gebied ‘De Veluwe’ zijn. Ook brengt het plan geen onevenredige aantasting van het Gelders Natuurnetwerk met zich mee. Geconcludeerd wordt dat het aspect ecologie in het kader van dit bestemmingsplan geen belemmering vormt.

BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies

35

Bestemmingsplan “Buitengebied West, Nieuw Ennerveld” Ontwerp

5.8

Archeologie & Cultuurhistorie

5.8.1

Archeologie

5.8.1.1 Algemeen Initiatiefnemers hebben op basis van de Erfgoedwet een archeologische zorgplicht bij projecten waarbij de bodem wordt verstoord. Hiervoor is onderzoek noodzakelijk: het archeologisch vooronderzoek. Als blijkt dat in het projectgebied behoudenswaardige archeologische vindplaatsen aanwezig zijn, dan kan de initiatiefnemer verplicht worden hiermee rekening te houden. Dit kan leiden tot een aanpassing van de plannen, waardoor de vindplaatsen behouden blijven, of tot een archeologische opgraving en publicatie van de resultaten. Gemeenten hebben een archeologische zorgplicht en initiatiefnemers van projecten waarbij de bodem wordt verstoord, zijn verplicht rekening te houden met de archeologische relicten die in het plangebied aanwezig (kunnen) zijn. Hiervoor is onderzoek noodzakelijk: het archeologisch vooronderzoek. Als blijkt dat in het plangebied behoudenswaardige archeologische vindplaatsen aanwezig zijn, dan kan de initiatiefnemer verplicht worden hiermee rekening te houden. Dit kan leiden tot een aanpassing van de plannen, waardoor de vindplaatsen behouden blijven, of tot een archeologische opgraving en publicatie van de resultaten. De gemeente Heerde beschikt over een archeologische verwachtingskaart, die is verwerkt in het geldende bestemmingsplan ‘Buitengebied West’. Op basis van deze kaart kan de archeologische verwachting op de locaties worden bepaald.

5.8.1.2 Situatie plangebied Het plangebied is gelegen binnen een gebied met de dubbelbestemmingen ‘Waarde – Middelhoge archeologische verwachting’ en ‘Waarde – Lage archeologische verwachting’. Gelet op het feit dat de omvang van de bodemingrepen de onderzoeksdrempel overschrijden is er een bureau- en veldonderzoek uitgevoerd. Hierna is de conclusie uit het onderzoek opgenomen. Voor het volledige onderzoek wordt verwezen naar bijlage 5 bij deze toelichting. Op basis van het uitgevoerde booronderzoek is de kans klein dat het plangebied archeologische sporen bevat. In het grootste deel van het plangebied is sprake van een tot in de C-horizont vergraven bodemprofiel. In het noordoostelijk deel van het plangebied is in drie boringen een intacte Bhs-horizont aangetroffen onder een verstoord pakket van 35-70 cm -mv. De Bh-horizont, die bij haarpodzolgronden in principe voorafgaat aan de Bhs-horizont, is echter niet gezien. Op de zandhoogtekaart in bijlage 10 van het rapport is te zien dat de top van het natuurlijke intacte zand hier relatief laag ligt. Vanaf halverwege het plangebied ligt deze top aanzienlijk hoger, waarbij bovendien ingecalculeerd moet worden dat hier de oorspronkelijke top met een B-horizont al is verdwenen: de nu nog resterende top ligt hier dus lager dan oorspronkelijk het geval was.

De kans op archeologische resten ter plaatse van de boringen met een intacte B-horizont moet dan ook onverminderd laag worden geacht. Voor wat betreft het resterende deel van het plangebied zonder B-horizont kan de lage verwachting uit het bureauonderzoek worden gehandhaafd: ongeacht de lage verwachting is een archeologisch vondstenniveau hier niet meer te verwachten, maar mogelijk zijn nog (zeer) diepe grondsporen bewaard gebleven. Vanwege het ontbreken van een vondstenniveau zullen deze echter niet of zeer moeilijk dateerbaar zijn. Het archeologisch belang hiervan is laag. Om deze reden wordt geadviseerd geen vervolgonderzoek uit te voeren en het plangebied vrij te geven.

BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies

36

Bestemmingsplan “Buitengebied West, Nieuw Ennerveld” Ontwerp 5.8.2

Cultuurhistorie

5.8.2.1 Algemeen Onder cultuurhistorische waarden worden alle structuren, elementen en gebieden bedoeld die cultuurhistorisch van belang zijn. Zij vertellen iets over de ontstaansgeschiedenis van het Nederlandse cultuurlandschap. Vaak is er een sterke relatie tussen aardkundige aspecten en cultuurhistorische aspecten. In de Bro is sinds 1 januari 2012 (artikel 3.1.6, vijfde lid, onderdeel a) opgenomen dat een bestemmingsplan “een beschrijving van de wijze waarop met de in het gebied aanwezige cultuurhistorische waarden en in de grond aanwezige of te verwachten monumenten rekening is gehouden” dient te bevatten. 5.8.2.2 Situatie plangebied Er bevinden zich op de locaties geen rijks- dan wel gemeentelijke monumenten. Verder zijn op de percelen en in de directe omgeving geen bijzondere cultuurhistorische waarden aanwezig. Gesteld wordt dat het aspect cultuurhistorie geen belemmering vormt voor onderliggend plan. 5.8.3

Conclusie

Geconcludeerd wordt dat er geen (nader) archeologisch onderzoek benodigd is en er geen sprake is van negatieve effecten op de cultuurhistorische waarden.

5.9

Duurzaamheid

5.9.1

Algemeen

Nieuwe gebouwen en woningen moeten volgens landelijke regelgeving voldoen aan het Bouwbesluit. In het bouwbesluit worden de energieprestaties voor nieuwe gebouwen en woningen fasegewijs aangescherpt. Per 1 januari 2015 is de Energieprestatiecoëfficient (EPC) voor nieuwbouw van woningen aangescherpt tot 0,4. Voor overige gebouwen is de EPC afhankelijk van de functie. Vanaf 1 januari 2021 moeten alle nieuwe gebouwen in Nederland bijna energieneutrale gebouwen (BENG) zijn. Dit vloeit voort uit het Energieakkoord voor duurzame groei en uit de Europese richtlijn EPBD. Voor overheidsgebouwen geldt dat zij vanaf 1 januari 2019 voldoen aan de BENG eisen. 5.9.2

Situatie plangebied

De gebouwen worden conform het Bouwbesluit worden gebouwd en zullen gasloos worden uitgevoerd. Daarnaast is de ambitie om op het dak zonnepanelen te plaatsen. 5.9.3

Conclusie

In voorliggend plan is in voldoende mate rekening gehouden met het aspect duurzaamheid.

BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies

37

Bestemmingsplan “Buitengebied West, Nieuw Ennerveld” Ontwerp

5.10

Besluit milieueffectrapportage

5.10.1 Algemeen De milieueffectrapportage is een wettelijk instrument (Besluit milieueffectrapportage) met als doel het aspect milieu een volwaardige plaats in deze integrale afweging te geven. Op 7 juli 2017 is het besluit voor het laatst gewijzigd. Een bestemmingsplan kan op drie manieren met milieueffectrapportage in aanraking komen: •

• •

Op basis van artikel 7.2a, lid 1 Wm (als wettelijk plan); Er ontstaat een m.e.r.-plicht wanneer er een passende beoordeling op basis van art. 2.8, lid 1 Wet natuurbescherming nodig is. Op basis van Besluit milieueffectrapportage (bestemmingsplan in kolom 3); Er ontstaat een m.e.r.-plicht voor die activiteiten en gevallen uit de onderdelen C en D van de bijlage van dit besluit waar het bestemmingsplan genoemd is in kolom 3 (plannen). Op basis van Besluit milieueffectrapportage (bestemmingsplan in kolom 4); Er ontstaat een m.e.r.-(beoordelings)plicht voor die activiteiten en gevallen uit de onderdelen C en D van de bijlage van dit besluit waar het bestemmingsplan genoemd is in kolom 4 (besluiten).

In het Besluit m.e.r. neemt het bestemmingsplan een bijzondere positie in, want het kan namelijk tegelijkertijd opgenomen zijn in zowel kolom 3 als in kolom 4 van het Besluit m.e.r.. Of het bestemmingsplan in deze gevallen voldoet aan de definitie van het plan uit kolom 3 of aan de definitie van het besluit uit kolom 4 is afhankelijk van de wijze waarop de activiteit in het bestemmingsplan wordt bestemd. Als voor de activiteit eerst één of meerdere uitwerkings- of wijzigingsplannen moeten worden vastgesteld dan is sprake van ‘kaderstellend voor' en voldoet het bestemmingsplan aan de definitie van het plan. Is de activiteit geheel of gedeeltelijk als eindbestemming opgenomen voldoet het aan de definitie van het besluit. 5.10.2 Situatie plangebied 5.10.2.1 Artikel 2.8 van de Wet Natuurbescherming Gezien de aard en omvang van de in dit bestemmingsplan besloten ontwikkeling wordt geconcludeerd dat geen sprake zal zijn van een aantasting van de instandhoudingsdoelstellingen van een Natura-2000 gebied. Vanwege de ligging van het plangebied in het Natura 2000-gebied ‘Veluwe’ is er een passende beoordeling uitgevoerd. Hierna zijn de conclusies uit de passende beoordeling opgenomen. Voor het volledige rapport wordt verwezen naar bijlage 3 bij deze toelichting. Habitattypen •

De ontwikkelingen hebben geen effect op de oppervlakte van beschermde habitattypen.

Habitatrichtlijnsoorten •

Door het ontbreken van geschikt leefgebied en waarnemingen van habitatrichtlijnsoorten binnen de ontwikkelingssfeer van dit project, worden geen effecten op de habitatrichtlijnsoorten verwacht.

Vogelrichtlijnsoorten • • •

Door het ontbreken van geschikt leefgebied worden geen negatieve effecten op de nachtzwaluw, ijsvogel, draaihals, boomleeuwerik, duinpieper, roodborsttapuit, tapuit en grauwe klauwier verwacht; Het potentiële leefgebied voor boomleeuwerik, draaihals, roodborsttapuit en grauwe klauwier wordt verbeterd/vergroot; Door de herontwikkeling van het vakantiepark op het Ennerveld wordt minder dan 2 hectare momenteel bos dat vrijwel ongeschikt is als leefgebied voor de zwarte specht en de wespendief bebouwd;

BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies

38

Bestemmingsplan “Buitengebied West, Nieuw Ennerveld” Ontwerp •

• •

Door de toename van de recreatiedruk wordt een mogelijk effect verwacht op de zwarte specht en wespendief. Door de parkeerplaats aan de Leemculeweg op te heffen wordt rondom deze locatie (1,1 km ten westen van het Ennerveld) rust gecreëerd en worden recreatiestromen meer geconcentreerd. De paden rondom deze locatie kunnen feitelijk als afgesloten worden beschouwd, gezien er geen reden meer is hier nog te wandelen/recreëren. Omdat deze paden verder nergens naartoe leiden; Door het nemen van beheer- en inrichtingsmaatregelen wordt 19 hectare leefgebied geschikter voor zowel de zwarte specht als de wespendief; De verwachting is dat het negatieve effect door de toegenomen recreatiedruk en het beperkte verlies van habitat door de juiste beheer- en inrichtingsingrepen teniet kan worden gedaan en mogelijk zelfs een positieve uitwerking heeft op vanuit Natura 2000 geformuleerde doelen met betrekking tot de zwarte specht en wespendief.

Toekomstig beheer Er wordt geadviseerd een beheerplan op te laten stellen voor het Ennerveld, dat expliciet rekening houdt met de vanuit Natura 2000 gestelde doelen. Overige positieve gevolgen Naast de vanuit Natura 2000 gestelde doelen draagt de ontwikkeling tevens bij aan: • • •

• • •

De realisatie van de verbindingszone Hattemerpoort; Een betere bescherming door terreindelen van het Ennerveld buiten het vakantiepark te bestemmen als ‘Natuur’; Door de kwaliteitsverhoging van de natuurwaarde van de bossen, de ontwikkeling van heide, natuurlijke (schrale) graslanden en bosranden profiteren ook vele andere soorten mee van de ontwikkelingen; In de gebouwen worden voorzieningen aangebracht voor gebouwbewonende soorten (met name vleermuizen); De veiligheid door het opheffen van de parkeerplaats aan de Leemculeweg en het daardoor wegnemen van de overlast op die locatie; De (lokale) economie en werkgelegenheid.

Van significant negatieve effecten op Natura 2000-gebieden is geen sprake. Voor de voorgenomen ontwikkelingen is een vergunning in het kader van de Wet natuurbescherming verleend en nadien onherroepelijk geworden. Voor de vergunning wordt verwezen naar bijlage 2 bij de regels. Naar aanleiding van een uitspraak van de Raad van State in september 2020 is de stikstofwetgeving en de bijbehorende rekenmethodiek gewijzigd. Buiting Advies heeft naar aanleiding hiervan de stikstofberekeningen geactualiseerd, waarbij tevens de stikstofdepositie vanuit het voormalige asielzoekerscentrum ter plaatse is berekend. Zoals in subparagraaf 5.7.2.1 beschreven is na saldering zowel in de gebruiks- als aanlegfase geen sprake van een toename van stikstofdepositie op een Natura 2000-gebied. Het plan leidt dan ook niet tot significant negatieve effecten op Natura 2000-gebieden. 5.10.2.2 Drempelwaarden Besluit m.e.r. In dit geval is sprake van een ontwikkeling die niet wordt genoemd in onderdeel C van het Besluit m.e.r. Dit bestemmingsplan is daarom niet direct m.e.r.-plichtig. Op basis van onderdeel D kan de in dit plan besloten ontwikkeling worden aangemerkt als: ‘De aanleg, wijziging of uitbreiding van: a. skihellingen, skiliften, kabelspoorwegen en bijbehorende voorzieningen; b. jachthavens. c. vakantiedorpen en hotelcomplexen buiten stedelijke zones met bijbehorende voorzieningen, d.

permanente kampeer- en caravanterreinen, of BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies

39

Bestemmingsplan “Buitengebied West, Nieuw Ennerveld” Ontwerp e. themaparken.’ Hierbij wordt zowel ‘het bestemmingsplan’ zowel genoemd in kolom 3 (plannen) als kolom 4 (besluiten). Doordat dit bestemmingsplan voorziet in directe eindbestemmingen voor wat betreft de binnen het plangebied geplande ontwikkeling, wordt voldaan aan de definitie van een ‘besluit’ als bedoeld in het Besluit m.e.r. Dit betekent dat dit bestemmingsplan m.e.r.-(beoordelings)plichtig is indien activiteiten worden mogelijk gemaakt die genoemd worden in onderdeel C of D van het Besluit m.e.r. en de daarin opgenomen drempelwaarden overschrijden. Zoals in het voorgaande aangegeven is in dit geval sprake van een ontwikkeling die niet wordt genoemd in onderdeel C van het Besluit m.e.r. Dit bestemmingsplan is daarom niet direct m.e.r.-plichtig. De ontwikkeling in dit bestemmingsplan is m.e.r.-beoordelingsplichtig indien de volgende drempelwaarden worden overschreden: • • • •

250.000 bezoekers of meer per jaar een oppervlakte van 25 hectare of meer, 100 ligplaatsen of meer of een oppervlakte van 10 hectare of meer in een gevoelig gebied.

Gezien de drempelwaarden kan worden geconcludeerd dat voor dit bestemmingsplan geen sprake is van een m.e.r.-beoordelingsplicht aangezien de drempelwaarden niet worden overschreden. Echter, zoals ook in het voorgaande aangegeven, dient ook wanneer ontwikkelingen onder drempelwaarden blijven, het bevoegd gezag zich er van te vergewissen of activiteiten geen aanzienlijke milieugevolgen kunnen hebben. Indien de mogelijkheden van dit plan worden vergeleken met de drempelwaarden uit onderdeel D van het Besluit m.e.r. kan worden geconcludeerd dat er dat sprake is van een wezenlijk ander schaalniveau en een activiteit die vele malen kleinschaliger is. In dit geval is van een nieuwe ontwikkeling in feite geen sprake. Het geldend bestemmingsplan biedt de mogelijkheid om 200 recreatiewoningen te realiseren. Voorliggend bestemmingsplan staat bij recht maximaal 77 toe, waarmee ook de mogelijke milieueffecten worden beperkt. Daarnaast blijkt uit dit hoofdstuk en het volgende hoofdstuk alsmede de uitgevoerde passende beoordeling dat dit bestemmingsplan geen belangrijk nadelige milieugevolgen tot gevolg heeft die het doorlopen van een m.e.r.-procedure noodzakelijk maken. Gelet op het vorenstaande en de beperkte aard en omvang van het project is van een ‘nieuwe stedelijke ontwikkeling’ geen sprake. 5.10.3 Conclusie Dit bestemmingsplan is niet m.e.r.(beoordelings)-plichtig.

Tevens zijn geen nadelige milieugevolgen te verwachten als gevolg van de vaststelling van dit bestemmingsplan.

BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies

40

Bestemmingsplan “Buitengebied West, Nieuw Ennerveld” Ontwerp

HOOFDSTUK 6

WATERASPECTEN

6.1

Vigerend beleid

6.1.1

Europees beleid

De Europese Kaderrichtlijn Water (2000/60/EG) is op 22 december 2000 in werking getreden en is bedoeld om in alle Europese wateren de waterkwaliteit chemisch en ecologisch verder te verbeteren. De Kaderrichtlijn Water omvat regelgeving ter bescherming van het binnenlandse oppervlaktewater, overgangswateren (waaronder estuaria worden verstaan), kunstwateren en grondwater. Voor het uitwerken van de doelstellingen worden er op (deel)stroomgebied plannen opgesteld. In deze (deel)stroomgebiedbeheersplannen staan de ambities en maatregelen beschreven voor de verschillende (deel)stroomgebieden. Met name de ecologische ambities worden op het niveau van de deelstroomgebieden bepaald. 6.1.2

Rijksbeleid

Het Rijksbeleid op het gebied van waterbeheer is vastgelegd in het Nationaal Waterplan (NWP) 2016-2021 (vastgesteld 17 december 2015). Het plan geeft op hoofdlijnen de ambities weer van het Rijk ten aanzien van het nationale waterbeleid en het daaraan gerelateerde ruimtelijke beleid. De belangrijkste ambities richten zich op waterveiligheid, zoetwater en waterkwaliteit. Maar ook de Deltabeslissingen en enkele waterafhankelijke thema’s als natuur en duurzame energie hebben in het plan een plek gekregen. De doorwerking van de beleidsambities/uitgangspunten naar lagere overheden is geregeld in de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (2012), het Bestuursakkoord Water (2011) en de Waterwet (2009). 6.1.3

Provinciaal beleid

In de Omgevingsvisie Gelderland wordt ruim aandacht besteed aan de wateraspecten. De ambities zijn, naast de uitvoering van de Kaderrichtlijn Water, gericht op de verbetering van de kwaliteit van de kleinere wateren, de veiligheid, de grondwaterbescherming, bestrijding van wateroverlast, de kwantiteit en kwaliteit van gronden oppervlakte water en waterbeleving zowel in de groene ruimte als stedelijk gebied. 6.1.4

Beleid waterschap Vallei & Veluwe

Het Algemeen Bestuur van het waterschap heeft op 30 september 2015 het Waterbeheerprogramma 20162021 vastgesteld. Het nieuwe waterbeheerprogramma draagt de titel ‘Partnerschap als watermerk’. Het waterbeheerprogramma gaat uit van 6 hoofddoelen: 1. 2. 3. 4. 5. 6.

We beschermen het gebied tegen overstromingen We zorgen voor de juiste hoeveelheid water We zorgen voor de goede oppervlaktewaterkwaliteit Schoon en vuil water worden zo veel mogelijk gescheiden We halen de hoogst mogelijke waarde uit water We beheren de waterketen en watersysteem als één systeem, samen met partners

BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies

41

Bestemmingsplan “Buitengebied West, Nieuw Ennerveld” Ontwerp

6.2

Waterparagraaf

6.2.1

Algemeen

Zoals in voorgaande paragrafen uiteen is gezet, wordt in het moderne waterbeheer (waterbeheer 21e eeuw) gestreefd naar duurzame, veerkrachtige watersystemen met minimale risico's op wateroverlast of watertekorten. Belangrijk instrument hierbij is de watertoets, die sinds 1 november 2003 in ruimtelijke plannen is verankerd. In de toelichting / ruimtelijke onderbouwing op ruimtelijke plannen dient een waterparagraaf te worden opgenomen. Hierin wordt verslag gedaan van de wijze waarop rekening is gehouden met de gevolgen van het plan voor de waterhuishoudkundige situatie (watertoets). Het doel van de watertoets is te garanderen dat waterhuishoudkundige doelstellingen expliciet en op een evenwichtige wijze in het plan worden afgewogen. Deze waterhuishoudkundige doelstellingen betreffen zowel de waterkwantiteit (veiligheid, wateroverlast, tegengaan verdroging) als de waterkwaliteit (riolering, omgang met hemelwater, lozingen op oppervlaktewater). 6.2.2

Watertoetsproces

Het waterschap Vallei & Veluwe is geïnformeerd over het plan door gebruik te maken van de digitale watertoets. De beantwoording hiervan heeft er toe geleid dat er de korte procedure van toepassing is. In bijlage 6 bij deze toelichting is de standaard waterparagraaf behorend bij de korte procedure toegevoegd. Waterhuishoudkundige aspecten plangebied Algemeen Het plangebied is gelegen in het buitengebied van Wapenveld. De locatie bevindt zich niet binnen een grondwaterbeschermings-, intrek- of waterwingebied. Grondwater Binnen het plangebied zijn geen gevallen van grondwateroverlast bekend. Oppervlaktewater In de huidige en toekomstige situatie is geen sprake van oppervlaktewater binnen het plangebied. Hemelwater In de huidige situatie is er sprake van een grote omvang aan verhard oppervlak (asfalt/klinkers) binnen het plangebied. Een groot deel van dit verhard oppervlak zal worden verwijderd. In totaal zal er met uitvoering van het plan sprake zijn van een toename van 1.000 m² aan verhard oppervlak, waarbij wordt opgemerkt dat in de nieuwe situatie veelal sprake zal zijn van halfverharding. Van een onevenredige toename van verhard oppervlak is dan ook geen sprake. Het schone hemelwater wordt (bovengronds) afgekoppeld en via een hemelwaterriool aangeboden bij de aan te leggen wadi’s. Ter plaatse van de wadi’s kan het hemelwater infiltreren.

Afvalwater Het afvalwater wordt afgevoerd naar de riolering. Het ter plaatse aanwezige rioolstelsel is dusdanig uitgevoerd dat het afvalwater van het toekomstige aantal vervuilingseenheden kan worden afgevoerd.

BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies

42

Bestemmingsplan “Buitengebied West, Nieuw Ennerveld” Ontwerp

HOOFDSTUK 7 7.1

JURIDISCHE ASPECTEN EN PLANVERANTWOORDING

Inleiding

In de voorgaande hoofdstukken is ingegaan op het plangebied, het relevante beleid en de milieu- en omgevingsaspecten. De informatie uit deze hoofdstukken is gebruikt om keuzes te maken bij het maken van het juridische deel van het bestemmingsplan: de verbeelding en de regels. In dit hoofdstuk wordt dieper ingegaan op de opzet van dit juridische deel. Daarnaast wordt een verantwoording gegeven van de gemaakte keuzes op de verbeelding en in de regels. Dat betekent dat er wordt aangegeven waarom een bepaalde functie ergens is toegestaan en waarom bepaalde bebouwing daar acceptabel is.

7.2

Opzet van de regels

7.2.1

Algemeen

In de Wet ruimtelijke ordening (Wro) die op 1 juli 2008 in werking is getreden, is de verplichting opgenomen om ruimtelijke plannen en besluiten digitaal vast te stellen. De digitaliseringsverplichting geldt vanaf 1 januari 2010. Ook de Standaard voor vergelijkbare bestemmingsplannen 2008 (SVBP2008) is vanaf deze datum verplicht. De Standaard Vergelijkbare Bestemmingsplannen 2008 maakt het mogelijk bestemmingsplannen te maken die op vergelijkbare wijze zijn opgebouwd en op een zelfde manier worden verbeeld. Vergelijkbare bestemmingsplannen leiden tot een betere dienstverlening en tot een effectievere en efficiëntere overheid. De SVBP geeft normen voor de opbouw van de planregels en voor de digitale verbeelding van het bestemmingsplan. Dit bestemmingsplan is opgesteld conform de normen van de SVBP2012. Het juridisch bindend gedeelte van het bestemmingsplan bestaat uit planregels en bijbehorende verbeelding waarop de bestemmingen zijn aangegeven. Deze verbeelding kan zowel digitaal als analoog worden verbeeld. De verbeelding en de planregels dienen in samenhang te worden bekeken. De regels zijn onderverdeeld in vier hoofdstukken: 1. 2. 3. 4. 7.2.2

Inleidende regels; Bestemmingsregels; Algemene regels; Overgangs- en slotregels. Inleidende regels

Hoofdstuk 1 bevat de inleidende regels. Deze regels gelden voor het gehele plangebied en bevatten: •

Begrippen (Artikel 1)

In dit artikel zijn definities van de in de regels gebruikte begrippen opgenomen. Hiermee is een eenduidige interpretatie van deze begrippen vastgelegd. •

Wijze van meten (Artikel 2)

Dit artikel geeft onder meer bepalingen hoe voorkomende eisen betreffende de maatvoering begrepen moeten worden.

BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies

43

Bestemmingsplan “Buitengebied West, Nieuw Ennerveld” Ontwerp 7.2.3

Bestemmingsregels

Hoofdstuk 2 van de regels bevat de juridische vertaling van de in het plangebied voorkomende bestemmingen. De regels zijn onderverdeeld in o.a.: • • • • • •

Bestemmingsomschrijving: omschrijving van de activiteiten die zijn toegestaan; Bouwregels: eisen waaraan de bebouwing moet voldoen (bebouwingshoogte, bebouwingspercentage, etc.); Nadere eisen: omschrijving van de punten waarop burgemeester en wethouders nadere eisen kunnen stellen. Afwijken van de gebruiksregels: onder welke voorwaarde mag afgeweken worden van de aangegeven bestemming. Specifieke gebruiksregels: welk gebruik van gronden en opstallen in ieder geval strijdig zijn; Afwijken van de gebruiksregels: onder welke voorwaarde mag afgeweken worden van de aangegeven bestemming.

In paragraaf 7.3 worden de bestemmingen nader toegelicht en wordt ook per bestemming aangegeven waarom deze voor bepaalde gronden is gekozen. 7.2.4

Algemene regels

Hoofdstuk 3 bevat de algemene regels. Deze regels gelden voor het gehele plangebied. Dit hoofdstuk is opgebouwd uit: •

Anti-dubbeltelregel (Artikel 7)

Deze regel is opgenomen om een ongewenste verdichting van de bebouwing te voorkomen. Deze verdichting kan zich met name voordoen, indien een perceel of een gedeelte daarvan, meer dan één keer betrokken wordt bij de berekening van een maximaal bebouwingspercentage. •

Algemene bouwregels (Artikel 8)

In dit artikel zijn diverse regels ten aanzien van bebouwingsgrenzen tot aan wegen en bescherming van landschappelijke waarden opgenomen. •

Algemene gebruiksregels (Artikel 9)

In dit artikel worden de algemene gebruiksregels beschreven. Deze gaat uit van de gedachte dat het gebruik uitsluitend mag plaatsvinden in overeenstemming met de bestemming. •

Algemene afwijkingsregels (Artikel 10)

In dit artikel worden de algemene afwijkingsregels beschreven. Deze regels maken het mogelijk om op ondergeschikte punten van de regels in het bestemmingsplan af te wijken. •

Algemene wijzigingsregels (Artikel 11)

In dit artikel worden de algemene wijzigingsregels beschreven. Deze regels voorzien in de mogelijkheid om de ligging van bestemmingsgrenzen en aanduidingsgrenzen te wijzigen. •

Algemene procedureregels (Artikel 12)

Dit artikel beschrijft de procedure die gevolgd dient te worden bij het stellen van een nadere eis;

BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies

44

Bestemmingsplan “Buitengebied West, Nieuw Ennerveld” Ontwerp •

Overige regels (Artikel 13)

In dit artikel is een omgevingsvergunningstelsels opgenomen ten aanzien van natuur- en landschapswaarden en archeologie. Hierbij wordt aangegeven voor welke werken, geen bouwwerk zijnde, en werkzaamheden een vergunningplicht geldt. 7.2.5

Overgangs- en slotregels

In hoofdstuk 4 van de regels staan de overgangs- en slotregels. In de overgangsregels is aangegeven wat de juridische consequenties zijn van bestaande situaties die in strijd zijn met dit bestemmingsplan. In de slotregel wordt aangegeven hoe het bestemmingsplan wordt genoemd.

7.3

Verantwoording van de regels

Kenmerk van de Nederlandse ruimtelijke ordeningsregelgeving is dat er uitgegaan wordt van toelatingsplanologie. Een bestemmingsplan geeft aan welke functies waar zijn toegestaan en welke bebouwing mag worden opgericht. Bij het opstellen van dit bestemmingsplan zijn keuzes gemaakt over welke functies waar worden mogelijk gemaakt en is gekeken welke bebouwing stedenbouwkundig toegestaan kan worden. Het is noodzakelijk dat het bestemmingsplan een compleet inzicht biedt in de bouw- en gebruiksmogelijkheden binnen het betreffende plangebied. Het bestemmingsplan is het juridische toetsingskader dat bindend is voor de burger en overheid en geeft aan wat de gewenste planologische situatie voor het plangebied is. In deze paragraaf worden de gemaakte keuzes nader onderbouwd. Hierbij zullen de bestemmingen in dezelfde volgorde als in de regels worden behandeld.

‘Natuur' (Artikel 3) De voor ‘Natuur' aangewezen gronden zijn onder meer bestemd voor het behoud, het herstel en/of de ontwikkeling van natuurgebieden en de natuurlijke, landschappelijke en ecologische waarden daarvan, extensief recreatief en/of educatief medegebruik, de instandhouding en ondergeschikte aanpassing van bestaande openbare wegen, paden (inclusief kabels en leidingen) en infrastructurele voorzieningen en de aanleg van infrastructurele voorzieningen en ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van natuur uitkijkpunt', is een uitkijkpunt toegestaan. Wat betreft bebouwing zijn gebouwen, in de vorm van een uitkijkpunt en observatiehutten, en anderebouwwerken toegestaan. Het uitkijkpunt is uitsluitend ter plaatse van de aanduiding toegestaan, tot een omvang van maximaal 30 m² en een hoogte van maximaal 30 meter. ‘Recreatie - Verblijfsrecreatie' (Artikel 4) Gronden met de bestemming ‘Recreatie - Verblijfsrecreatie' zijn onder meer bedoeld voor bedrijfsmatige geëxploiteerde recreatieterreinen, recreatiewoningen (ter plaatse van de aanduiding), een multifunctioneel receptiegebouw, bedrijfswoning met bijbehorende bouwwerken, gebouw met ondersteunende voorzieningen (bergingen e..d.), dagrecreatieve voorzieningen en de instandhouding en ontwikkeling van afschermende groensingels met een minimale breedte van 10 meter.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Heerde&id=2ebfe672-c422-4965-befe-b122db1f587f